De kamer van mijn moeder (My mothers room)

.

.

.

Mijn vader is jarig en ik dwaal door het ouderlijk huis. Dan kom ik in de kamer van mijn moeder, waar ze al jaren niet meer is.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

Mijn pa is jarig. Hij is 93 geworden. Hij wandelt elke dag met ferme pas door het Emmeloordse bos en woont nog steeds in de bungalow waar wij opgroeiden. Daar ben ik nu en alles is er nog. Onze bedden, de poppen van mij en mijn zusje. Ook de dingen van mijn moeder heeft hij nooit opgeruimd. Ik herinner me haar ronde gezicht, de uitgesproken jukbeenderen, haar donkere dikke haar dat ik soms bijknipte. Vroeger was ze het mooiste meisje van het dorp. Ze was intelligent, gevoelig, hartelijk en creatief. Ze kreeg vijf kinderen, mijn drie broers, mijn jongere zus en ik. Ik was blij met mijn moeder. Bij de begrafenis zat de hele zaal bomvol. Dat is nu twaalf jaar geleden. Ik ben nu weer thuis, want pa is jarig. Maar ze is er niet meer bij. Soms denk ik aan haar.

Hoewel mijn twee oudste broers er niet zijn, is de kamer nog altijd vol en levendig. Er worden liedjes gezongen en spannende verhalen vertelt over een kanotocht. Mijn vader zit in zijn stoel en luistert aandachtig. Twee tienerzonen hangen op de bank met hun smartphone.

Op een moment dat iedereen even met zijn eigen ding bezig is, loop ik de deur uit. Door de hal, de lange gang af, twee bochten om. Daar, de eerste deur, die is het. Nadat alle kinderen uit huis waren, heeft mijn moeder deze kamer gekozen. Helemaal voor zichzelf. Ze richtte het in zoals ze wilde. Heeft ze ooit een eigen kamer gehad, vroeg ik me ineens af. Ze groeide op in een gezin met negen kinderen. Daar was vast geen ruimte voor een eigen plek. Of het moet de hooiberg bij de buren zijn geweest, waar ze als tienjarige in speelde. “Dat vond ik de allermooiste tijd. Ik zou zo weer tien jaar willen zijn,” zei ze. Toen ze uit huis ging, kreeg ze een klein gemeubileerd dienstkamertje. Vijf jaar had ze een baan in het ziekenhuis in Hengelo. Een prachtige tijd vond ze. Een baan met leuke collega’s. Daar kon je mee lachen! Na haar trouwen was dat voorbij. Zo ging dat in de jaren vijftig. Een getrouwde vrouw werkt niet. Daar moest ze wel aan wennen. Maar ze hield veel van kinderen en maakte tijd om sociaal en creatief werk te doen, als vrijwilliger. Ze was het zonnetje voor velen, maar ’s nachts lag ze vaak in haar eentje te woelen en te draaien in bed. Na de dood van mijn man belde ik haar elke dag. Zij kon de volgende zijn en elk moment met elkaar moet je plukken. Die kleine gesprekken, daar keek ze erg naar uit. Ik was haar dochter en vriendin. Ik belde haar zeven jaar lang. En nu sta ik voor haar deur, voor de kamer waar ze niet meer is.

Ik doe de deur open en kijk naar binnen. De zon schijnt naar binnen, op de kast met boeken, het tafeltje, het bureau. Heel soms rookte ze hier een shaggie, op de kleine rieten stoel. Of ze luisterde naar Kindertotenlieder, van Mahler. Ik kijk naar haar bed met het schilderij erboven. Ik maakte het toen ik 27 was en zij hing het hier op. Het is een vrouw in een ruime salon, met perzikkleurige wanden. Ze zit naakt op een kist. Door het enorme raam is de zee te zien en erboven, heel ver weg, een rode luchtballon. De vrouw zit rechtop. Het is alsof ze wacht op iets.

“Ik vind het steeds mooier” zei moeder, in de maanden voor haar sterfdag. Heeft ze er vaak naar liggen kijken, als ze niet kon slapen? Als ze wakker lag deed ze de radio aan, Radio 1. Dan kon ze naar iets anders luisteren, dan het rondspoken van haar eigen gedachten. Maar nu is alle schimmigheid verdwenen. De zon schijnt met een zacht licht naar binnen. De vitrage is grotendeels opengeschoven. Op het kleine tafeltje ligt een gebed, geschreven in kunstige letters. Ik herken haar hand erin. Het witte papier reflecteert het zonlicht en wordt elk jaar geler.

Maar dan valt me een beige tas op, die ernaast staat, op de grond. Gek, die is me nooit opgevallen. Ik buk me en open de rits. Ik zie een pyjama, netjes opgevouwen, nieuw nog. Ik duw de zachte perzikkleurige stof opzij om verder te kijken. Een groen glanzend zeepdoosje zie ik, met zeep erin. En ook een tandenborstel. Beduusd ga ik rechtop staan en staar uit het raam. Nu weet ik het. Dit was haar ziekenhuistas. In de laatste periode van haar leven had ze meerdere tia’s. Het maakte haar onzeker en ze hield er altijd rekening mee. Altijd had ze een nieuwe pyjama liggen voor het geval dat. Dat had ze me verteld, van die pyjama. Die tas was het dus, daar zat hij in. Toch is hij niet meegegaan, die laatste keer. Hij staat daar nog steeds, een beige tas met het keurig opgevouwen bundeltje erin, al meer dan twaalf jaar, als een stilleven van afscheid. Tjee…

Ik bedenk me iets, en draai me om. Gebiologeerd kijk ik naar het schilderij, de stille vrouw op de kist, die naar de zee kijkt. Dan kijk ik weer naar de tas. Het begint te dagen. Het is een reistas en hij hoort bij het schilderij. Zij was hier in haar eigen kamer en wachtte op vertrek. En met het gebed op de kleine tafel, tekende ze haar vertrouwen uit, in de mooiste letters die ze kon maken. Stil strijk ik met mijn hand langs de zachte stof van de pyjama. Dag mam.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:.

It’s my father’s birthday and I’m wandering through the parental home. Then I enter my mother’s room, where she hasn’t been for years.

.

.

Het kleintje is mijn moeder Janky, ongeveer in 1937. Dochters van de onderwijzer van Diermen en vrouw Koelewijn in Ruinerwold. Opa heb ik nooit gekend, oma tot mijn vijfde.

.

.