Terug naar het innerlijk kompas

.

Het innerlijk kompas, 1991.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten

.

Het is allang donker, wanneer ik de bus uit stap. Het was een welbestede dag, de lange wandeling door de Kennemerduinen, de ontmoeting met een trouwe bloglezer in Zandvoort, maar nu verlang ik naar dat warme kroegje vlak bij mijn slaapadres. Ik verheug me erop om nog even in mijn eentje na te mijmeren bij een goed glas wijn.

De mouwen van mijn jas zijn nog steeds kletsnat. Het heeft de hele dag geregend. In de duinen waren meer wandelaars, we keken elkaar aan alsof we bondgenoten waren: Wij trekken ons er niks van aan! Wij trotseren wind en regen! Die glimlachjes verlichten mijn hele dag.
Maar nu is het donker. Ik kijk op mijn telefoon, Google maps geeft aan waar ik ben. Het is 4,5 kilometer, vanaf de bushalte. Stevig loop ik door, langs het fietspad, de bocht om, het dorp in. Bloemendaal is rijk, huizen als kastelen staan tussen de hoge bomen in, met lange oprijlanen. De verlichting is schaars en ik zie niemand op straat. Ik raak een beetje in de war. De straat loopt uit in splitsing, terwijl het op mijn telefoon leek alsof het gewoon rechtdoor liep. Mijn telefoon is nat. Ik veeg hem droog aan mijn hemd en open opnieuw het gouden beschermkapje. Een blauw licht straalt mij tegemoet. Met één klik zie ik de kaart tevoorschijn komen.  Dan gaat het licht plotseling uit. De batterij is leeg. Wat nu? Ik heb ook een kaart in mijn zak, maar die is kletsnat en bovendien geleend. Als ik hem openmaak scheurt hij meteen uit elkaar. Dat kan ik niet maken.
Op de gok loop ik door.

Ik heb drie splitsingen gehad en weet dat ik nu echt verkeerd loop. Zal ik aanbellen bij één van die kasteeldeuren? Ja, waarom niet. Ik loop een grindpad op. Een opgewekte veertiger doet open. O, moet je in richting van de hockeyvelden? Dat is rechtdoor en dan linksaf.
Hij is kort van stof en groet me lachend terwijl hij de deur weer sluit. Als ik doorloop blijkt er wéér geen rechtdoor te zijn. Ik vind opnieuw zo’n verwarrende splitsing. Ik bel bij drie huizen aan waar licht brandt. Niemand doet open. Net als ik me eenzaam begin te voelen komt er een fietser aan. Hij is allervriendelijkst en gaat niet weg voor het echt duidelijk is waar ik heen moet. Eindelijk.

Als ik bij het eethuis aankom is de deur op slot. Twee meisjes met witte bloesjes vegen de tafels schoon en kijken niet op of om. Ik loop door naar mijn gehuurde kamer.

Die dagen ervaar ik dat mijn telefoon vaker de verkeerde weg aanwijst. En terwijl ik net geconcentreerd ben, krijg ik bovendien meldingen en seintjes over dingen waar ik helemaal niet mee bezig ben. Waarom heb ik dit ding eigenlijk? Het is een stoorzender. Ik kijk steeds vaker naar mijn telefoon.

Vroeger had ik een heel goed innerlijk kompas. Als kind was ik goed in het inschatten van tijd en richting. Ik speelde altijd buiten en keek naar de zon en de richting van de wind. Waarom zou ik dat niet opnieuw gaan trainen? Ik vecht me vrij, ik kies voor dat wat er bij me hoort. Ik bouwde mijn eigen huis en bewandel de wegen die ik wil. Maar ook de binnenwegen wil ik open houden, die naar mijn hart en intuïtie. Ik wil al die bordjes, piepjes en flikkerlichtjes reduceren tot het meest noodzakelijke, tot dat wat mij dient. Want ik ben de koningin van mijn leven en geen slaaf van de technologie of wat dan ook.

En het gaat niet alleen over mij. Als ik me bedenk hoeveel energie dat kost, al die mensen die constant online zijn, techniek waar steeds meer oren aangenaaid worden, die steeds ingewikkelder wordt en daardoor nóg meer energie kost… Wat we nodig hebben is eenvoud. Eenvoud biedt helderheid, maakt dat we kunnen kiezen waarheen het wijs is om te gaan. En helderheid hebben we nodig, in een bestaan dat steeds sneller verandert.

 

 

 

MAATREGELEN.

1 Richting kiezen:

* Ik ga weer met stevige papieren kaart op pad, of bestudeer deze uitgebreid van te voren, met persoonlijke aantekeningen. Ik haal mijn kompas weer boven water en kijk weer vaker naar de richting van de zon en de wind en zal vaker vragen stellen aan voorbijgangers. (Dat levert soms verrassende ontmoetingen op!) Zo mogelijk neem ik een waterdichte kaart mee. Is die er niet, dan maak ik een uitgebreide tekening op een stuk compact karton met potlood.

 

2 Internet:

* Ik neem een abonnement met ongeveer 10.000 MB’s. Het werkt via een dongel die in mijn laptop kan. 

* Om op internet te gaan moet ik mijn scherm installeren. Dat doe ik niet zomaar tussendoor. Ik zal op vaste tijden bereikbaar zijn, op maandagmiddag en woensdagochtend lang en tussen zes en zeven check even ik mijn mail en whats app (Zie tip hieronder)

* Ik gebruik de mobiele versie van facebook, dat kost veel minder energie en ik krijg minder advertenties. http://m.facebook.com/

* Ik gebruik mijn smartphone alleen nog als camera en radio. Daar heb je geen simkaart voor nodig en het is toch een mooi klein dingetje. Ik hoop dat hij nog lang meegaat.

* Ik werk met voortschrijdend inzicht.

Nieuws:

 Ik waardeer het als mensen mij links opsturen naar nieuws dat opvallend was of een stuk dat goed is overdacht. Ik vind het leuk om daarover te corresponderen. Je kan die link ook onder mijn blog zetten, dan kunnen meer mensen er kennis van nemen. (Aarde, natuur, bodem, filosofie, samenleving, wetenschap, boeken, cultuur.)

Tips van anderen:

* Arie: Whatsapp kun je ook op laptop uitlezen, en op een smartphone helpen een browser als Brave, een blocker als Ghostery, gebruik van een incognitomodus, uitschakelen diverse functies zoals gepersonaliseerde advertenties, geen locatiegeschiedenis, of evt anoniem netwerk. Net als veel nuttige apparaten en veel anders in het leven: aantal beperken en gedoseerd gebruik, maar vaak moet je even de uitersten bewandelen om te weten waar het midden ligt (Bomans)

* Marianne: Ik begrijp het heel goed Alowieke van Beusekom! Ik erger me ook groen en geel aan de algoritmes en de adds die je allemaal krijgt.Heb daarom laatst wat veranderingen aangebracht met een andere browser die je niet volgt, adds blokkeren o.a. ook van facebook. En ook signal gebruiken ipv whatsapp. Het helpt een beetje maar ja als anderen niet ook signal gaan gebruiken wordt het wel lastig. Er zijn wel alternatieven maar op de één of andere manier vinden mensen het kennelijk niet belangrijk genoeg. Hoop toch wel dat je bereikbaar blijft 🙂 De weg vinden vanuit je innerlijke kompas gaat vast wel lukken! Groetjes uit Zeeland 🙋‍♀️

Een stormband om mijn huis

.

Deze stormtekening maakte ik in 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

“Er komt storm Annemarie!” zeg ik. Ze haalt haar schouders op. “Ja. ik hoorde het al,” zegt mijn buurvrouw. “Iedereen heeft het erover, Dat is vast omdat hij voor het eerst een naam heeft gekregen. Dan maken mensen het al gauw erg. Misschien stelt het niks voor.” Ik lach. “Daar zou je best gelijk in kunnen hebben, maar ik ga toch maatregelen treffen!”

Het eerste waar ik aan denk, zijn de zonnepanelen op mijn dak. Die moeten goed vastzitten. Ik zet de trap tegen de buitenwand en gooi de haken van een zesarmige spin over de nok. Ik maak de spin aan beide kanten vast aan de stootrand, die over de hele lengte langs de goot loopt.
Dan duik ik in mijn bagagewagen, om de potkrik te pakken. Ik wil mijn assen op blokken zetten, tegen het wiebelen. De krik is de allerkleinste die er is, maar ik heb ook geen grotere nodig. Mijn huis weegt maar 1500 kg. Dat is per wiel 375, dat kan zon krikje makkelijk hebben. Plat op mijn buik duw ik met een paar slagen de as omhoog. Dan leg er een stapel stenen onder. Die zit. Nu de andere hoeken nog. Ik bevrijd de krik en loop ermee het hoekje om, waar de mussen en mezen in de manshoge heg zitten. Als ze me zien vliegen ze op naar de buren en blijven op een afstandje naar me kijken.

Het is even passen en meten. Als alles op de juiste hoogte staat en stevig vast zit, ga ik tevreden naar binnen. Ik voel meteen het verschil. Mijn huisje is nu een stuk stabieler. Ik vraag me af waarom ik dat niet eerder heb gedaan.

Wat moet ik nu doen? Ik kan me nergens op concentreren, en ben volledig in afwachting van de storm. Ik hoor de bomen heen en weer zwaaien en kijk uit het raam. Met een opgewekte spanning ga ik het experiment aan. Elke plek is anders. Sta ik dit keer goed uit de wind?
Ik hoor hoe hij aantrekt. De toppen van de bomen bewegen steeds wilder heen en weer. Maar de wind is zuid west, en daar staat het huis van Annemarie voor. Dat staat er al meer dan een eeuw, en dat valt niet zomaar om. Het huis houdt de wind tegen en tot mijn verbazing voel ik er helemaal niks van.

In de loop van de middag draait de wind naar het westen. Daar is de weg, en dat is de hoek waar ik kan uitkijken op het weiland. Hier heeft de wind vrij spel. Nu ga ik het voelen. De avond valt.

 

Ook 1991

 

Mijn huis schudt heen en weer. Dat ben ik wel gewend, en voor een poosje is het prachtig, één te zijn met de elementen. Tot het bijna bedtijd is. Op dat moment slaat er ineens een plensbui uit de lucht, met kletterend geweld op mijn dak. Alles schudt en trilt door de massieve vuist van de wind. Ik verstijf. Zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Het duurt twee minuten dan is het over. Ik ontspan en maak mijn hangmat klaar, om te gaan slapen, in een relatieve stilte.

Bijna val ik in slaap, als de wind opnieuw aantrekt. De zonnepanelen beginnen te klapperen, de dwarslijnen beginnen kennelijk los te raken. In de lengte zitten ze onwrikbaar vast aan de opstaande koekoek vast met bouten, staaldraad en draadspanners. Maar de dwarslijnen zijn vastgeknoopt aan de stootrand die langs de goot loopt. Door het constante geruk van de wind, raken de lijnen steeds een beetje losser. Ik luister gespannen. Dan schrik ik op van een harde klap op het dak. Nou wordt het te zot. Er is vast niks aan de hand, maar ik neem geen risico. Met zulke geluiden doe ik toch geen oog dicht.

Met blote voeten stap ik in mijn schoenen en ga naar buiten om te pakken wat ik nodig heb. De bagagewagen staat uit de wind en zonder dat de klep uit mijn handen waait, maak ik hem open. Zelfs in het donker weet ik de lange sjorband makkelijk te vinden. Ik heb alles zo vaak in handen gehad! Ik koester mijn handige kar, waarmee ik me overal weet te redden en ook nu weer.

Ik frommel de stijve band tot een slordige bol, en gooi die over het dak heen. Gauw loop ik naar de andere kant, voor hij weg waait. De ijzeren klem heb ik al snel te pakken. Ik trek de band door de spleet van de klem en ratelend trek ik hem zo strak, dat de stootrand ervan krom staat. Ik ken deze handeling zo goed, ooit voer ik met twee schepen aan elkaar, met dezelfde sjorband. Toen had ik als schipper twintig meter voor me met wel veertig mensen. Nu heb ik die verantwoordelijkheid niet meer. Nu gaat het alleen om een paar klapperende panelen. Dat is een makkie.

Tevreden kijk ik naar het resultaat, loop nog even het hoekje om en struikel over de gootemmer vol water. Het plenst over mijn ene schoen heen. Mijn blote voet sopt in het koude nat en gauw ga ik naar binnen om ze uit te doen. Ik kruip weer in de hangmat en voel dat mijn pyjamabroek ook nat is geworden. Bah. Ik heb geen zin om er weer uit te gaan en wrijf mijn enkels warm.
Ik lig nog een poos wakker. Mijn broek is al zo goed als droog. Mijn hangmat is een heerlijk warm nest. Nu alles goed vast zit, kan ik rustig liggen luisteren. Nu de woonwagen op blokken staat schudt hij minder heen en weer. Het bewegen is meer een trillen geworden, dat met hele kleine schokjes gaat. Eigenlijk is het net alsof ik in een buik zit, van een bang dier.

Met die gedachte geef ik me over en terwijl de wind langzaam afneemt val ik eindelijk in slaap.

.

 

.

.

Wie gaat ermee naar Engeland varen

                          .

Dagboekfragment 1998

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

.

Nu Engeland slingerend wegroeit van Europa, vraag ik me af of ik iets gemist heb, omdat ik er eigenlijk nooit ben geweest. Alleen met schoolreisje in de vierde klas was ik er. Ik herinner me het nog wát goed! Ik logeerde bij een gastgezin. Mijn enige herinnering aan die week was, dat we de hele week witte bonen in tomatensaus aten en wittebrood. Van beide walgde ik, dus ik liep de hele week hongerig rond en daarna was ik vijf kilo afgevallen. Van de rest weet ik niks meer, heel Engeland is opgeslokt door het hongerige gat van mijn maag.

Nu verandert er veel voor de Engelsen. Wat zal ik daarvan merken, als ik er heen ga? De witte bonen in tomatensaus blijven vast wel. En de fish en chips, die ze nu allemaal zelf op moeten eten.  Ik zou met de mensen moeten praten, om te weten wat er anders is.
Al heel lang denk ik eraan, om naar Engeland te gaan. Ik zou er uitgebreid de tijd voor willen nemen om alles in me op te nemen. Niet alleen het landschap, de oude bomen en tuinen en de oude engelse liederen die mij wel liggen. Niet alleen om de humor van dichtbij mee te maken en het oude klasseverschil te zien, dat nooit verdwenen is. Maar wat vooral heel handig is, dat je er voorrang hebt met paard en wagen.

Ik heb nu gekozen voor een electrische mover, om mijn huis te trekken. In het volle en gehaaste Nederland leek me dat beter. Maar als ik naar Engeland zou gaan, ooit, dan zou ik het misschien toch proberen, met paarden, en er dan een paar jaar voor uit trekken. Ik zou misschien schrijven en tekenen over wat er op mijn pad komt, net zoals nu, maar dan in een land dat ik nog helemaal moet verkennen. Het is een oude droom, die begon bij de man van wie ik hield.

Mijn man ging dood in 2002. Hij had twee bescheiden wensen, die niet zijn vervuld. Graag wilde hij de Staatsloterij winnen en alle verwaarloosde sluisjes in Nederland laten opknappen en van het slot afhalen zodat iedereen er weer door kon.
De andere was: Inschepen naar Engeland. Met onze antieke tuindersvlet zouden we door al die smalle kanalen varen, tussen de longboats in. Ik ken de smalle lange boten wel, ze zijn typisch Engels en niet breder dan een gangpad. Een enkele keer voeren ze voor onze werfkelder langs, in de Oudegracht en dan renden we meteen naar buiten om te kijken.

Mijn man had iets met Engeland, hij speelde the Beast in het Utrechtse Morristeam. Verkleed als draak daagde hij het publiek uit, terwijl de violen fiddelden en de dansers energiek heen en weer sprongen. Je zag ze van verre, die dansers,met hun kleuren wit, zwart en rood en als je dichterbij kwam, zag je hun tinnen bierpullen her en der aan de kant staan. Regelmatig gingen ze overzee om Engelse teams te ontmoeten, die ook  allemaal hun eigen unieke beast hadden en hun fool, een bonte verzameling! Helaas ben ik daar nooit bij geweest, het moet een vrolijke bedoening zijn geweest, waarbij de ale rijkelijk in hun pul stroomde.

Engeland is een eiland, ik heb ermee kennis gemaakt, op allerlei manieren en ook de Morristeams bestaan nog steeds. Maar nooit ben ik er geweest. Engeland vóór de Brexit zal ik nooit meer kunnen leren kennen. Ik heb geen herinnering aan Engeland, alleen maar de wens er ooit heen te gaan. En die kan vast wel worden vervuld, ook na de Brexit, ooit, een keer… Het kan alleen maar beter zijn dan de eerste keer!

 

 

De tuindersvlet voor anker
in een grindgat,
met puts op de pikhaak
als ankerbol.

 

.

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.

Alexis de Roode (1970)

.

Schoonheid uit een netje

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

.

Dick is er. We staan klaar om naar een concert te gaan, met tangomuziek en hebben ons mooi aangekleed. Ik heb mijn strakke rode vestje aan, en Dick zijn roze blouse. Als je elkaar niet zo vaak meer ziet is het extra leuk om er op uit te gaan en er iets bijzonders van te maken. “Nu mijn pruik nog op,” zeg ik tegen Dick. Ik pruts wat met de kammetjes en het gespje en dan zit de pruik stevig vast, zo goed, dat ik er zelfs radslag mee kan doen. De blonde krullen vallen weelderig over mijn schouder. Met een verleidelijke lach kijk ik naar hem. Hij begint helemaal te stralen. “Oh, wat ben je nu mooi!”
“Misschien moet ik nog iets aan mijn gezicht doen,” zeg ik nog. “Ach nee joh,” antwoordt mijn vriend “Met zulk haar maakt het toch niet uit wat eronder zit.” Zo makkelijk is het dus om een schoonheid te zijn, gewoon een pruik opzetten. (Zonder vindt hij me trouwens ook leuk)

De uitvoering is in een klein charmant kerkje aan de andere kant van Heerenveen. Als ik binnenkom, staat er een mooi geklede dame bij de ingang. Dat moet Sieta Keizer zujn, de zangeres. Ze kijkt me blij aan en groet me allerhartelijkst. “Je bent de mooiste, met dat haar,” fluistert mijn vriend “Dat kan eigenlijk niet, dat moet de zangeres zijn!” Verder komen er bijna alleen maar grijze hoofden binnen. Het publiek is duidelijk 55 plus.
De zangeres is van mijn leeftijd en zingt Friese tangoliederen. Ze heeft een warme stem, die vooral in de uithalen omfloerst klinkt, zoals het past bij een tango. Kay Sleking, de gitarist speelt soepel en subtiel. En wanneer de twee een paar ritmische tango’s spelen, worden we uitgenodigd om te gaan dansen. Dick en ik zijn de enigen die opstaan. We lopen naar achteren, tussen de houten kerkbanken door, en daar, onder het orgel, is ruimte. Ik doe mijn bergschoenen uit en ook mijn beenwarmers. Op sokken schuiven we over de stenen vloer, volledig conconcentreerd. Ik zie de blikken niet van de mensen in de banken en ook niet die van de muzikanten.

Aan het einde van het optreden krijgen de muzikanten bloemen, en wij worden tot mijn verrassing bedankt. Dan stroomt het kerkje langzaam leeg en wij trekken we onze kousen en schoenen weer aan en pakken onze jassen.
Net wanneer ik mijn arm in de mouw wil steken komt er een man van in de zeventig naar me toe, met dun grijs haar. “Heb je een stukje in je haar? Het is zo weelderig!” Ik grijns ondeugend. “Zal ik het laten zien?” vraag ik en de man knikt nieuwsgierig. Met een breed gebaar trek ik in één ruk de pruik van mijn hoofd.
De man lacht, dit had hij niet gedacht. “Het was zo mooi, hoe het over je schouder viel, toen je danste!” zegt hij, het maakt hem kennelijk niks uit dat het niet echt was.
In het gangpad tussen de banken staat de zangeres met een bezoekster. De zangeres wijst naar ons met een knikje en de vrouw kijkt onthutst achterom. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Dick. We lopen naar de muzikanten om ze te bedanken. Ik heb de pruik nog in mijn hand en de blonde zangeres kijkt bewonderend naar de massa krullen. “Hadden we maar zulk haar,” zegt ze verlangend.

Zonder pruik zie ik er weer heel gewoontjes uit. Ik vraag me af, zou ik dat echt willen, zulk haar? Vroeger had ik ook lang haar, geen krullen zoals de pruik, maar wel heel lang en dik, tot over mijn staartbotje. Als ik het los had hangen of een mooi kapsel had, keken mensen ernaar, en spraken erover hoe prachtig het was. Soms leek het wel of ik alleen maar uit haar bestond en niemand mij in het gezicht keek, naar wie ik was. Dat was een reden om het vaak in een staart of vlecht te dragen.
Nee, ik zou niet altijd maar mooi willen zijn. Weelderige vrouwen zien er misschien uit als een prinses, maar kunnen heel eenzaam zijn.

Als we thuis komen haal ik de pruik weer uit de doos, van mijn bagagedrager. Ik prop de krullen tot een balletje en stop het weer in het netje. Als ik weer de show wil stelen, dan ligt  hij klaar. Misschien doe ik dan mijn lange rok aan van rood fluweel, om echt te gaan zwieren en zwaaien. Heerlijk, die schoonheid in een netje, kant en klaar van de plank.

.

.

 

Elke stip is belangrijk

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut en kijk ook nog even hoe ik het opneem, in het filmpje onderaan.

 

Ik was mijn handen in de glazen kom met water en veeg met een vochtige doek de vensterbank schoon. Het is een vertrouwd ritueel aan het begin van een nieuwe werkdag. Ik pak het mapje met schetsen uit de kast en leg ze voorzichtig neer. Ik heb één keer een vetvlek op een pentekening gehad, en een keer een druppel die door de kou uit mijn neus viel. Daar kijk ik nu wel voor uit, dus ik snuit mijn neus en maak alles schoner dan schoon.

Ik kijk naar mijn verzameling. Het zijn er een hele hoop, al die schetsen bij elkaar, wel achtentwintig. Ik laat ze door mijn handen gaan, één voor één, het kaatsveld in Weidum, de zwaaiende koeiestaarten bij boer Auke, de indrukwekkende luchten boven ‘t Bildt… Ga ik ze allemaal in het boek plaatsen? Ik weet het nog niet. Ik bekijk de zes die af zijn. Ik heb een paar verschillende techieken gebruikt, arceren, puntjes zetten, en een eenvoudige tekening van mijn interieur, waar ook grijs potlood in zit. Kan dat wel? Meerdere technieken in één boek?

.

.

Ik pak de pot met pennen en potloden en pik er die ene uit, de allerdunste van 0.2 millimeter. Ik heb hem net gekocht, en ik kan er heel fijn mee werken. Voorzichtig probeer ik hem uit op een schetsblokje. Ik mag niet te hard op de punt drukken, want dan is dat mooie fijne puntje zomaar een platte stompe stip geworden, en ongeschikt voor wat ik wil gaan doen. Ik heb een keer meegemaakt dat een vriendin onverwacht langskwam, terwijl ik nog aan het werk was. Ik was zo blij met haar komst, dat ik uit enthousiasme een keiharde eindstip zette. Oei! Kon ik wéér naar de winkel voor een nieuwe Rothering, met die pennen was ook altijd wat.

Het is stil om me heen. Ik ben op dit moment een soort non. Het hoort bij de herfst en de winter, de tijd om in stilte uit te werken, wat ik in de zomer verzameld heb.
Ik sta aan de vensterbank, met de lessenaar erop ligt het vel precies op de juiste hoogte. Voor me ligt een vel, met alleen potloodlijnen erop. De eerste stip of streep met pen is altijd een spannend moment. Een pentekening is net zoiets als beeldhouwen, wat er staat, dat staat er.

Langzaam vormt zich de afbeelding, tot ik moe word en eindelijk opkijk van het papier. Ik gun mijn ogen rust door naar de horizon te staren. Ik kijk naar de lichte streep aan de einder, onder een egaalgrijze lucht. De Friese wimpel van de buren wappert zachtjes aan de vlaggemast. De wind is zuid oost, zie ik. Ik draai me om, pak een appel van de plank en kauwend kijk ik naar de kwetterende mussen en mezen in de heg.

Even later kijk ik met frisse blik naar mijn tekening en bepaal hoe ik verder ga. Als ik nou dit wit laat, en dát donker maak…. Lichtjes buig ik me voorover en zo groeit het beeld, stipje voor stipje, streep voor streep komt het uit mijn vingers.

.

Het stemgeluid loopt niet synchroon vanwege technische onvolkomenheden. Anders was het onverstaanbaar geweest want ik heb geen los microfoontje aan mijn telefoontje.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Slapen in mijn bungelbed

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

Wat is het toch heerlijk om wakker te worden in mijn bungelnest. De stevige katoen van de grote hangmat, vormt zich naar mijn lichaam, alsof ik in een buik zit. Onder me liggen schapevachten en ik ben compleet omhuld door het donzen dekbed, dat vanzelf in mijn kuiltje blijft liggen. Ik koester mezelf in de warmte en kan me voorstellen hoe het is om een jonge winterkoning te zijn tussen moederveren, in een kogelrond nestje. Mijn plafond is rond als een buik, met gebogen ribben. Zachte witte stof bekleed de dikke laag schapenwol in het dak als een huid en je krijgt zin om het aan te raken.Het is een dak dat leeft. Toch is het gewoon een huis, een heel klein huis op wielen, waar ik in leef, slaap en wakker word, ook vandaag, op deze donkere winterdag.
Ik blijf nog lekker even liggen.
Mijn hangmat is comfortabel omdat hij dubbelbreed is. In een eenpersoons hangmat kan je geen houding vinden die je de hele nacht vol kan houden. Maar hierin kan ik mijn benen strekken en languit op mijn rug liggen, zonder dat mijn lichaam de vorm van een winkelhaak aanneemt. Ik kan opgekruld op mijn zij liggen. Alleen niet op de buik, maar dat deed ik toch al nooit.

De hangmat is het beste bed wat ik ooit heb gehad. Ik ontdekte het door mijn vriendin Kirsten, die kon er zo lyrisch over spreken dat ik nieuwsgierig werd. Het was in 2011, ik woonde nog in de oude werfkelder aan de gracht. Ik was snipverkouden, maar wilde toch naar de afspraak in Den Haag, om een vriend ondersteuning te bieden bij zijn politieke actie. Toen gebeurde het, op een behulpzaam moment in de trein. Ik wilde alleen maar iemands koffer in het bagagerek leggen. Dát wreekte zich. Het lukte me wel om thuis te komen. Maar de pijn was zo erg dat ik er niet van kon slapen.
Toen dacht ik aan de hangmat van Kirsten. Ik vroeg het haar en hoera, ik kon hem lenen, een joekel van een hangmat was het, en ik gooide er mijn dikke schapevachten meteen in. Het was een grote opluchting hierin de nacht door te brengen, zelfs als ik wakker lag. Ik kon er in wiebelen om mijn spieren los te maken, zonder dat het moeite kostte. En ’s ochtends was ik niet stijf als een hark, maar elke nacht was een zegen. Het ging steeds beter. En zo kwam ik uiteindelijk, na vele weken, van die rugblessure af.

Ik ben daarna uit de kelder vertrokken en nooit had ik nog last van mijn rug. Tot dit jaar het grijze vochtige herfstweer begon. Het matras waarop ik sliep was eigenlijk iets te hard, en ik had blootgelegen in mijn slaap, omdat de deken van me was afgerold. Mijn rug vond dat niet leuk, en voelde stijf en pijnlijk. Meteen dacht ik aan mijn eigen goeie hangmat. Ik had hem niet in gebruik genomen, omdat ik dacht dat hij niet in mijn huisje pastte. Maar nu zag ik iets wat ik al die tijd niet had opgemerkt. Als ik het ventilatieluik boven de voordeur opende, dan kon ik het uiteinde van de hangmat doortrekken naar buiten en daar vastmaken. Ik sprong opgewekt uit mijn bed, om meteen daad bij woord te voegen. Deze roekeloze actie werd meteen bestraft en even stond ik stijf van de pijn. Even stond ik stil, en mijn kaak spande zich. Daarna bewoog ik me weloverwogen voort. Als een stram oud wijf lukte het me om de hangmat op de juiste plek te krijgen, ik trok de harde lus door het luik naar buiten en maakte het vast aan de laatste spant onder het bordes.
Die avond kroop ik er heerlijk in. Onder de hangmat had ik het dwarsbankje geïnstalleerd, en daarop lag het infaroodpaneel. De straling daarvan is erg goed voor je spieren en gaat heel diep.
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde mijn rug als herboren. De pijn en de stramheid, alles was in één nacht verdwenen!

Ik slaap nu iedere nacht in de hangmat. Het meest geniet ik van het wakker worden, nog doezelend tussen waken en slapen in, dan ben ik helemaal gelukkig. Ik lig een beetje te wiebelen en luister naar het opgewekte getjilp van de mussen. Even blijven liggen, maar niet te lang, dat is jammer van de ochtend. Ik voel het tot in mijn tenen, het wordt weer een mooie dag, hoe grijs hij ook is. Na zo’n heerlijke nacht in mijn bungelbed kijk ik nergens tegenop!

.

.

Omdat ik veel werk heb aan de tekeningen van mijn boek, plaats ik tijdelijk meer fotografische afbeeldingen.

Als het maar werkt in 2020

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7.15 min.

Met een gil zie ik hem kletteren. Mijn laptop ligt op zijn kop op de grond, met het open geklapte beeldscherm naar beneden. Gauw haal ik het snoer er af, waar ik over gestruikeld ben, al heeft het weinig zin meer en is het kwaad al geschied. Het beeldscherm is zwart. Ik zet de computer uit en weer aan. Zwart. Ik doe het nog zes keer, maar het is en blijft donker en hij geeft geen kik.

Met de laptop in de hand ga ik naar binnen, het huis van Annemarie in. Vlak voor oud en nieuw zit de hele familie in de kamer, Annemarie zelf, twee zoons, twee schoondochters, vier kleinkinderen. Enkele kijken me vrolijk aan, anderen gaan rustig door met wat ze doen.
Ik houd mijn laptop in de lucht en zeg sip: “Kapot.” De twee jongens willen me meteen helpen en Wander blijkt het meeste ervaring te hebben. We sluiten de laptop aan op de televisie en ik begroet juichend een voortreffelijk beeld. Gelukkig, de computer zelf is niet stuk.
“Je kan makkelijk een tweedehands monitor kopen, die dingen staan overal en bij iedereen in de weg,” zegt Wander. Hij heeft gelijk, we kijken even op internet en na een paar tellen zien we er al eentje. Het is dan wel een vierkante, maar hij kost maar vijf euro, en het is slechts een kwartiertje fietsen hiervandaan. Ik bel en kan meteen komen.

Even later heb ik mijn nieuwe monitor al in huis. Ik sta in een zootje kabels en stekkers te graaien. Welke moet waarin? Waar zet ik die monitor neer? Ik probeer het kleine wandkastje, en daar blijkt hij precies op te passen. Ik kan hem er alleen niet laten staan, hij staat pal voor de lamp. Ik moet hem elke keer weghalen. Ik kan hem misschien wel achter het gordijntje, onder de bank zetten. Maar dan zit ik nog met die kabels erbij. Wat een rommel, in mijn kleine huisje. Zal ik niet toch een nieuw beeldscherm kopen?

Wander staat me opnieuw met raad en daad terzijde. We zoeken een beeldscherm uit. Ik kan precies de goeie krijgen in Nederland voor 150 euro, maar het kan ook bij Ebay voor 70. Ik vertrouw dat niet, zulke megabedrijven weten de macht aan zich te binden en ook het geld. Daar moet ik eigenlijk niks van hebben. Ga ik nu toch overstag? Ik twijfel.
Ondertussen schroeft Wander mijn hele laptop open en laat zien hoe het allemaal zit. “Kijk, dit dunne snoertje moet je vervangen, dat loopt naar het beeldscherm toe.” Hij legt tegelijkertijd uit wat alle andere onderdelen zijn. Ik prent het goed in mijn kop, zodat ik het straks zelf kan, als ik wil. Dan schroeft hij de laptop weer dicht.

Als ik weer in mijn huisje ben, gaat de zon net onder. Ik zit op het houten bankje voor het raam en kijk naar de winterse lilatinten en het groenige blauw, wat de lucht mooier kleurt dan het duurste juweel. Ik denk na. Misschien hoef ik wel helemaal geen nieuw beeldscherm. In feite zijn het maar vier stekkers en twee kabels meer, die ik moet aansluiten. Is dat nou zo erg? Ben ik zo verwend dat ik alles zonder moeite moet kunnen en moet ik daarvoor per se een nieuwe?
Ik sta op en rol de kabels klein en economisch op. Ik knip een stukje ijzerdraad van de rol en bind ze vast en leg ze naast elkaar in het wandkastje. Eigenlijk valt het best mee, zo neemt het niet eens zoveel ruimte in. En de monitor kan ik prima wegmoffelen onder de bank, wanneer ik er niet aan werk.

Het is altijd verleidelijk, om toch weer een nieuwe te kopen, eentje die perfect is. Maar ik doe het niet. Ik ga met een schoon geweten het nieuwe jaar in. Hoera!

Ik wens iedereen een veel geluk en wijsheid toe, en dat je in 2020 een magische tijd mag beleven!

.

.

Levenslust en -liefde

.

Utrecht 1995: De Oudegracht waar ik woonde, vitale ader van leven.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 12 minuten.

.

Tijd bestaat niet. We zijn bevooroordeeld over tijd en levensfases. De vorige keer liet ik heel serieuze dagboekfragmenten lezen van bijna veertig jaar oud. Heb je het gedicht gelezen, dat er onder staat? “Alles wat ik wil is tijd?” Ik schreef het toen ik vijftien was. Nou, die tijd heb ik genomen en nu ben ik bijna vijf en vijftig. Misschien denk je, jemig, zo oud al, die heeft het leven al bijna gehad, die is bijna toe aan de herfstfase. Nou echt niet! Laat ik zeggen, ik ben begonnen met de herfst en ben nu toe aan de lente. Bij mij gaat alles omgekeerd. Want wat gebeurde er na mijn vijftiende? Ik verdeel mijn leven over drie blokken.

De tweede vijftien jaar.

Ik moest me schikken aan het leven als scholier, tot mijn zeventiende. Daarna heb ik tot mijn dertigste manieren gezocht om van de verstomming af te komen, die ik opgelopen had toen ik me bewust werd van de wereld en mezelf. Hoe kon ik mezelf een weg maken? Ik moest veel leren en dat ging niet zomaar. In de eerste plaats wilde ik leren spreken en luisteren. Ik heb alle registers van communicatie opengetrokken ondanks een constant gevoel van angst en onzekerheid. Ik was een dappere angsthaas en zocht de uitdaging die ik wilde en nodig had. Ik deed Handvaardigheid/Tekenen ik volgde de opleiding voor Expressie en Communicatie, ik deed de Schrijversvakschool, hield me bezig met verhalen vertellen, en altijd was er muziek of zangles. Ik deed het met volle overtuiging, maar als ik alleen was, voelde ik me vaak herfstig, melancholiek en had ik angst voor alles.

De derde vijftien jaar.

Op mijn dertigste was ik na vele worstelingen van mijn angst en onzekerheid af. Ik was net precies een geliefd tekenares aan het worden, toen ik een jongen ontmoette waar ik erg verliefd op werd. Hij gaf mij een fikse lading zelfvertrouwen, wat me definitief wortels gaf. Ik liet het tekenwerk voor wat het was, leerde met mijn handen werken en hij liet me inzien dat er goud in zat, goud, in mijn eigen handen! Die jongen werd mijn man. Ik gaf hem al mijn liefde en aandacht, en nog meer toen hij ziek werd.
Na zijn dood heb ik lang gerouwd en heeft het tien jaar geduurd voor ik zijn grote erfenis had verwerkt. Daar was veel geduld, handigheid en doorzettingsvermogen voor nodig, je eigen persoonlijkheid en talenten raken bij de dood van je geliefde verstrengeld met wat de ander aan materie en herinneringen achterlaat. Het is de kunst om het leven weer van jezelf te maken. Dat is me gelukt, ik heb de ballast van me afgelegd, terwijl ik hem nog altijd in mijn hart blijf dragen, met alle lessen die ik van hem leerde.

De vierde vijftien jaar, nu in het tiende jaar, dus nog niet afgelopen.

Drie jaar lang maakte ik ruimte om een nieuw leven mogelijk te maken, om het rondvaartbedrijf en de Utrechtse werfkelder achter met laten. Dat lukte in 2012. De Oudegracht was voor mij een vitale waterader, vanwaaruit ik springlevend de wereld in kon stappen. Het jaar 2012 is het jaar waarvan ik zeg: Dit was het moment dat het leven kon beginnen, een nieuwe geboorte en ik was rijk geworden aan ervaringen en gereedschappen.
Ik vond een camping in Brabant, waar ik uiteindelijk mijn Wandelhuisje heb gebouwd, vanwaaruit ik filmpjes maakte en verhalen schrijf en tekeningen maak.
Dit jaar heb ik mijn eerste reis gemaakt, drie maanden lang. Ik maak mijn weg alleen. Dat maakt elke ontmoeting oprecht en uniek en nu maak ik er een boek van. Ik bén er, met alle aandacht voor waar ik op dat moment aan werk. Ik ben veel alleen om te doen wat ik nu doe en ik geniet daarvan. Toch blijft altijd de wens  aanwezig om weer samen creatief te zijn, zoals in mijn kindertijd met mijn vriendinnen in het bos, en zoals het later in goeie tijden was. Samen een boomhut bouwen en daar liedjes zingen en gedichten schrijven bij schemering,  en nog veel meer.

Je kan denken, iemand die al bijna vijfenvijftig is, die heeft alles al gehad, die gaat afbouwen. Nou echt niet! Ik heb nog een hele hoop in te halen. Toneel en zang bijvoorbeeld, het zijn kiemen die nog altijd verder willen  groeien. Elke ochtend doe ik oefeningen, ik houd mijn lichaam sterk en lenig, ik train mijn stem in strakke toon vanuit mijn buik en gevoelige helderheid. Ik doe het omdat het me kracht geeft, omdat ik er vrolijk en opgewekt van word en omdat ik na al die jaren nog steeds hoop dat ik nog eens met een paar mensen kan gaan zingen.
Er was weinig samenzang en er was veel herfst voor mij. Er zijn ook maar weinig kinderen in mijn leven geweest, herhaaldelijk kwam ik dood, ongeluk en ziekte tegen, na mijn vijftiende. Ik heb ook nog nooit een levend wezen geboren zien worden. Kinderen, jonge dieren, ontkiemende natuur, dit alles betekent lente, voor mij mag de lente wel eens helemaal doorbreken, en niet alleen bij mij, nee, mijn wens is veel groter, ik wil deel uitmaken van een alles omvattende lente. Eén die de wereld hoop geeft en barstensveel energie.

Vaak betekent leven doorgaan, blijven doorgaan, in je eentje. Er zijn talloze lichtpuntjes, mensen die komen en gaan, of dat je gewoon gelukkig bent met jezelf. Stap voor stap gaan we verder. Ik droom ervan te helpen bouwen aan een ontkiemend paradijs en misschien komt het zover, misschien ook niet, dat is ook goed. Hoe dan ook, met mijn vitaliteit en fantasie is het niet anders gesteld dan toen ik vijftien was, sterker nog, het is gevoed en bekrachtigd door het leven en ik kan nu realiseren waar ik eerder niet toe in staat was. Voor mij begint het leven pas. Ik hoop in 2020 nog genoeg andere jongeren tegen te komen met dezelfde intentie als ik, om er wat moois van te maken. Ik stel voor dat we eigenwijs onze gang gaan en somberheid links laten liggen.

Ik ben nu bijna vijfenvijftig, dat is pas de helft van mijn leven. Ik word namelijk 110. Als je dat maar weet.

.

PS, Bovenstaande tekening is mijn eerste stijl van tekenen. Dit is de stijl die ik opnieuw heb omarmd voor mijn boek.

.

Een stille mijlpaal van lang geleden

 

De tekening is van 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min. En vergeet niet naar de onderstaande dagboekfragmenten te kijken, na afloop.

.

Het is heerlijk rustig in huis. Ik hou van de wind, als ik erin fiets, of aan de dijk sta. Ik neem hem voor lief, wanneer hij dagenlang tegen mijn kleine huis aan beukt, precies vanuit het zuidwesten, waar geen beschutting is. De dikke deken, die nu voor mijn achterdeur hangt, beweegt dan zachtjes. Ik ben blij dat ik de wind buiten kan houden, dat ik een huisje heb. Maar nog blijer ben ik als de wind is gaan liggen.

Ik wil me opnieuw concentreren voor de volgende fase van mijn boek. Hoe meer ik me concentreer, hoe beter het wordt. Dat is de hele clou. Dus ik klap de laptop dicht en kijk bewust niet naar de nieuwsberichten. De afgelopen dagen is er weer veel stof opgewaaid, ik heb de discussies gevolgd en meegedaan, ik heb gezegd wat ik wilde zeggen en laat het nu bezinken. Ik hoef niet al het nieuws op de draad te volgen, liever kijk ik af en toe, zodat ik op gepaste momenten een beeld kan maken van het geheel en mijn aandacht niet vervliegt in de stormen van deze tijd. Niemand heeft wat aan me, als ik gespannen in bed lig te staren en me druk maak om iets, waar ik op dat moment niks aan kan doen.

Mijn interesse gaat bijna altijd over de aarde en hoe we daar mee om gaan. Het gaat over boeren en het gaat over bouwers en waar ze hun grondstoffen vandaan halen, het gaat over water, of we het vasthouden of laten vloeien, het gaat over mensen die zich verbonden voelen met hun grond en die ze maar al te vaak moeten verliezen. Ik heb niet veel met reizigers, die zoveel mogelijk indrukken willen opdoen, overal en ergens. Ik bewonder het rijke palet aan culturen en luister naar wat er elders gaande is. Maar ik hoef er niet per se naar toe. Mensen noemen mij een reiziger, denken dat ik dat ben. Ik denk dat ik dat helemaal niet ben. Mij boeit de band die mensen hebben met wat er híer is. Met elkaar moeten we het klaarspelen. Wij hier, zij daar en altijd wetend van elkaar. Ik heb dit vanaf mijn pubertijd beseft en ik wist ook dat het niet makkelijk zou worden. Ik herinner me één speciaal moment.

Het is 1981, ik ben zestien en loop door het Emmeloordse bos, over het brede grindpad. Ik loop langs het gras naast de eendevijver en het hertenkamp. Mijn lange haar licht op in de zon, sinds ik van meisje tot vrouw opgroeide, werd het tot mijn verassing opeens twee keer zo dik. Niet dat ik er de show mee steel, ik houd me daar niet mee bezig. Nee, het is iets anders wat me boeit. Ik heb een boekje, lichtgrijs met subtiele rode letters, een heel klein boekje, van Tagore. Ik vond het in de weggeefmand van de bieb en nu heb ik het heel vaak bij me. Het past precies in mijn jaszak. Tagore is een dichter en filosoof uit India en er staan korte tekstjes in die me de wereld laten zien alsof ik een vogel ben of een vlinder. Maar ook maakt het inzichten bij me los. Ik denk er graag over na en weet dat ik slechts te gast ben op deze aardbol.
Ik voel het boekje in mijn zak en loop naar het kleine veld verderop. Ik stap tussen de bloeiende paardebloemen door naar de picknicktafel, die in het midden staat, ik klim  erboven op en ga op het randje zitten. Mijn benen bungelen naar beneden.
Ik kijk over het veld en sta stil bij het moment. Ik kijk naar de zon die boven de bomen uitklimt, hoger en hoger in zijn baan. Wie ben ik? Ik was een creatief kind met veel vriendinnen. Nu zit ik hier, alleen, als dromerige tiener en ik heb nog maar weinig meegemaakt. Langzaam zie ik hoe de wereld is, kaalslag, oorlog en vluchtende volkeren, het smerige geld waar alles om draait. Het maakt me stom van verbazing en ik kan er niet over uit dat het is zoals het is. Maar toch wil ik hier mijn weg in maken. Ik heb iets te doen, al weet ik nog niet wat. Wat moet ik nog veel leren, denk ik, wiebelend met mijn benen over de rand van de dikke tafel. Ik zie hoe de zon achter een kleine wolk verdwijnt en mijmer. Ik kan een dromer blijven, denk ik bij mezelf, en altijd op picknicktafels naar de zon, het bos en het water blijven staren. Maar dat wil ik niet. Ik kies ervoor om te leven en ik zal elke uitdaging aangaan, die ik nodig heb. Even houd ik mijn adem in. Tjee, denk ik, dat is nogal wat. Ik kruip naar het midden van de tafel toe en leg mijn benen in kleermakerszit. Een tijdje sluit ik mijn ogen, geniet van de zon in mijn gezicht en luister naar de wind in de boomtoppen. Dan pak ik het boekje uit mijn zak en sla ik het open. Op de kleine bladzijde staat maar één ding.

“Je kunt de zee niet oversteken door alleen naar het water te staren.”

Ik kijk getroffen op, klap het dicht zonder er bij na te denken en haal diep adem. Ik staar naar de grijze kaft. Tagore slaat de spijker op zijn kop. Ik kijk weer op, aan de overkant van het veld loopt een man voorbij, hij kijkt niet op of om. Ik stop het boekje terug in mijn zak en klauter van de tafel af om verder te lopen, het veld in, het pad op. Er is net onderhoud gepleegd en het grind knerst onder mijn schoenen. Knersend gaan mijn voetstappen voort, de bekende bocht om en verder, tot waar ik niet meer kijken kan.

(Wordt vervolgd)

.

Hier volgen verschillende dagboekfragmenten uit 1980 (Ik was toen vijftien en letterlijk met stomheid geslagen toen ik me bewust werd van de wereld waarin ik terecht gekomen was.)

.

.

 

.

 

.

.

.

https://www.ad.nl/opinie/boer-komt-klem-te-zitten-door-vrije-wereldhandel~a520c8cc/

.

Als tegenhanger van deze serieuze kost luister ik naar een voorleesboek van Roald Dahl: De GVR