Doorbraak voor vrije voeten

  1. .

.

Mijn Wandelhuisje gaat het veld af. Ik heb een mooi plekje gevonden bij de ingang, naast het laatste bosje, pal tegen de rietkraag aan, van de Swette. Er heeft in al die jaren nog nooit iemand gestaan, ik ben de eerste. Van daar uit kan ik iedereen aan zien komen, over de twee kilometer lange weg, die naar het dorp leidt.

Ik heb niet veel op te ruimen, maar toch is verhuizen vervelend als je ergens langer hebt gestaan. Ik kijk naar het paadje waar ik liep en de bloemen die ik plantte. Zullen andere ogen net zo aandachtig zijn als de mijne? Ach, het zal zijn weg wel vinden, al wordt het een wildernis.
Er is nog iets anders. Het rottigste van verhuizen is, dat ik tientallen kleine beestjes uit hun huis moet gooien. De emmer zit vol met een lijmklem, een uitgedroogde spons en andere dingen. Onder de rand zit een hele rij spinnetjes, met een wit, draderig pluisje naast zich, waar hun nageslacht in zit. Sneu, maar ik peuter ze er toch uit. Het is ontruimen of nat worden. Ik heb een emmer om onderweg water te halen uit de sloot en was niet van plan om spinnetjes te huisvesten, sorry.

Ik til de dissel op en zie er een mier uit lopen, en nog één. In een klein gaatje zit een mierennest. Ze weten het goed te vinden, slimme beestjes. Met die stortbuien kan je maar beter hoog en droog wonen, anders verzuipt de boel. Maar ik ga weg en de dissel ook. Het is niet handig van de mieren. Weten zij veel. Ik vind het beter om het meteen maar goed duidelijk te maken. Keihard sla ik op het gegalvaniseerde staal en de mieren werpen zich halsoverkop naar beneden met hun eieren. Ik hoop dat ze nu niet allemaal doof zijn en dat ze maar gauw een nieuw huis zullen vinden.

Even later staat mijn huisje keurig op zijn plek. Met het wuivende riet voor de deur en het glinsterende water van de Swette naast mij, kan ik mij rustig voorbereiden op de reis. Nog een maand, dan ga ik. Ik zal hier lang genoeg staan om een nieuwe verzameling beestjes rond mijn huisje te verzamelen. Die zal ik straks weer dakloos moeten maken. Maar ach, ze redden zich wel weer. Mij lukt het immers ook steeds!
O ja!
Alles is continue in beweging en het is veerkracht en vertrouwen, waar de natuur vol van is. Ik ben diep onder de indruk van al die kracht, die ik steeds weer ontmoet. Kracht, om mij heen en in mijzelf. Wat is dat toch? Wat ik woorden geef is slechts een glimp van iets wat eigenlijk onbenoembaar is. Toch probeer ik het.

Vertrouwen stroomt mee met de tijdsrivier. Het is een weten dat de aktie die ik onderneem niet met stel en sprong resultaat hoeft op te leveren. Dat ik weg kan wandelen zonder te weten waar ik uitkom en wat ik achterlaat een heel andere vorm kan aannemen dan mijn bedoeling was. Dat ik geliefd kan zijn, maar dat het soms beter is om te gaan. En dat ik soms zou willen gaan, maar het beter is om te blijven. Dat niemand onmisbaar is en toch te beseffen dat elke stap die ik doe onmiskenbaar invloed heeft op alles. Dat ik alle levende wezens bewonder, maar toch het spinneweb doorbreek wanneer ik mij met lichte voeten een weg baan. En dat alles, na elke sprong, weer een evenwicht vindt, een plek in het bestaan. Zonder die veerkracht, zonder dat vertrouwen in het Al, stond ik niet waar ik nu sta. Dit mijn vrijheid en nooit zal die vanzelfsprekend zijn.

.

 

 

Wanneer de haan kraait zonder mij

.

Alleen als er op onverwachte momenten een herinnering terugkeert en wij ontvankelijk zijn voor het belang en de waarde ervan, “komt de permanente, doorgaans verborgen essentie der dingen vrij en ons ware ik, dat soms al dood leek te zijn, maar het niet helemaal was, ontwaakt en roert zich”. (De tijd hervonden, Proust, p. 14.)

.

De zon schijnt door de ramen. Het wordt een zonnige dag en de opperhaan kraait schel en hard voor mijn deur om eten. Door het raampje zie ik zijn zwarte hennetje, die op het bordes springt. Een zwart kraaloog kijkt me vragend aan. Ik trek me er niks van aan. Ik zet de computer aan en open mijn mailbox. Er is een reactie op mijn laatste verhaal. Fijn, daar ben ik altijd blij mee. Dit is wat ik lees:

Alowieke, ik geniet van je verslagen. Hoe komt het dat er zoveel drang in je ziel zit om verder te reizen..? Nieuwsgierigheid? Bindings-angst? Dol op onderweg zijn…?

Ja in mijn ziel huist een flinke portie levenslust en nieuwsgierigheid hoort daar zeker bij. Maar ik ben ook een beetje verbaasd. Dol op onderweg zijn? Dat weet ik niet. Ik ben haast nooit onderweg en zo is het altijd geweest. Ik ben al zeven jaar bezig weg te gaan.

Het is vrij abnormaal in deze tijd, als je in je leven nauwelijks of niet hebt gereisd. Misschien dat sommige bloglezers het helemaal niet in de gaten hebben, omdat ik het er zo vaak over heb.Toch is het zo, sinds ik het ouderlijk nest verliet ben ik maar een paar keer het land uit geweest. Ja, ik heb twee keer echt gereisd en dat was in Nederland. Eén keer een maand op de fiets in mijn eentje, op mijn zevenentwintigste. Dat was toen mijn gebroken been eindelijk genezen was, na twee lange jaren.
De andere reis was met mijn man. Zes weken lang voer ik met hem door onze rivieren en sloten, kanalen en meren, met onze tuindersvlet. We sliepen onder de luikenkap en hadden een allesbrandertje aan boord waar we regelmatig pannekoeken op bakten. Het was een bijzondere reis. Toch was het geen zorgeloze tocht, want mijn man had toen al een slechte gezondheid en moest altijd spuiten voor zijn suikerziekte.

Ik heb me jarenlang gebonden aan de zorg voor mijn man en zijn nalatenschap. Verder zorgde ik voor behoeftige ouderen, hield trouw contact met mijn moeder die ik elke dag belde, ik zorgde dat het rondvaartbedrijf piekfijn werd voortgezet en nam de zorg voor al het materiaal heel serieus. Reizen kwam niet voor in mijn programma. Ik gaf mezelf met toewijding aan de taak die ik te volbrengen had.

In 2012 vloog ik uit. Ik was eindelijk klaar en kon alles achterlaten. En nu heb ik me zeven jaar lang voorbereid om zó te reizen, dat ik mijn huisje mee kan nemen. Omdat ik het zelf gemaakt heb, is het een deel van mezelf. Het is echt helemaal mijn plek. En waar ik ook ben, kan ik mensen uitnodigen in mijn paleisje. Dat maakt me blij en sterk. Het opent gesprekken. Het zijn die gesprekken waar ik naar verlang.

Hoewel ik erg weinig heb gereisd, zit het wel in mijn bloed. Als kind speelde ik zwerfhondje en struinde ik dagenlang door het Emmeloordse bos, alsof het een oerwoud was. Ik hield van ontdekken, alles onderzoeken wat mijn aandacht vroeg. Dat heb ik nog steeds. Maar al is mijn nieuwsgierigheid dezelfde als toen, het is wel gek, om een start te maken, na al die jaren.

Ik rijd straks gewoon naar de dijk langs de Waddenzee en die volg ik tot de Marlanner Kaashoeve. Mijn enige verantwoordlijkheid is mijn blog en te luisteren naar het land en de mensen, verder niets. Ik verlang naar die lichtheid. Het is een sprong in het koele diepe water. En dan verder zwemmen.

De haan kraait nog een keer en springt naast de hen op het bordes. Met zijn tweeën kijken ze me aan door het raam. Straks zijn er geen kippen meer. Dan zijn er rollende wielen op een weg. Dan zijn er de muggen die dansen boven mijn hoofd, terwijl ik wandel.

.

PS Ik mag altijd terugkomen op de Swetteblom. Van zulke positieve mensen kun je er nooit genoeg hebben, zegt boer Jochum.

.

 

Afronden en klaarmaken

.

.

Daar sta ik dan om elf uur, afgesproken tijd. Ik heb hard gefietst om op tijd terug te zijn. Ik heb mijn fiets op de standaard gezet en mijn rugzak op mijn bordes gelegd. Nu sta ik bij de zithoek. Maar er is niemand te zien. We zouden voor de eerste keer samen in de tuin gaan werken. Genoeg mensen waren enthousiast over een samenwerkmiddag. Maar toch, de één moest zich wel goed voelen, de andere vier zijn wèl bezig met verhuizen, weer een ander gaat drie maanden lang naar Ierland om gedichten te schrijven. Bijna allen zijn dit hele jaar weinig beschikbaar. En Mirre wil de boel graag trekken, maar moet toch steeds rekening houden met haar invalide man. Ik hoop dat het goed komt!

Ik ga naar Jochum, hij heeft het telefoonnummer van Mirre. Ik bel haar meteen. Ze vindt het ontzettend rottig dat ik speciaal teruggekomen ben voor deze afspraak en dat ze er niet is. Haar man is niet zo goed vandaag en het lijkt een koude dag te worden.

De volgende dag is Mirre er heel nadrukkelijk wèl, met lekkere koffie en koek. Ik roep rond dat we gezamenlijk gaan koffiedrinken en dan zitten we daar opeens met zijn vijfen. Er ligt al een tijdje een schoolbord tegen de muur. Daar kwam Tineke mee, een paar weken geleden. Ze was blij dat het een functie kreeg. We pakken het schoolbord en vinden een goed krijtje. We vragen aan Jochum wat hij belangrijk vindt. Het krijtje in mijn vingers vormt woorden op het zwarte vlak. Ook anderen weten wel iets in te brengen. Boer Jochum glimlacht. “Als je nou af en toe zò wil kijken, dan weten wij dat je er blij mee bent!” zeg ik grijnzend en hij knikt tevreden. Vrij snel ontstaat er een lijst. En een uurtje later staan we brandnetels te trekken.

Mirre zegt dat ze, wanneer ze maar kan, op zaterdag en woensdag in de zithoek zit om dit voort te zetten. Ze heeft een boot in de Swette liggen en zij heeft ook geen privéterrein, net zo min als ik dat heb, met mijn Wandelhuisje. Haar man zit sinds twee jaar in een rolstoel. Ze is erg gemotiveerd om naast de zorg voor haar man, iets moois op te bouwen met de mensen van de Swetteblom. Dus haar motivatie staat als een paal boven water. Wie er is krijgt koffie en daarna is er het werk.

Dit geeft mij ruimte. Als zij de stationair motor wordt, al is het nu even op een laag pitje, dan kan ik me voorbereiden op vertrek. Dan is mijn taak gedaan, het aanslingeren van vernieuwing. Zo kan ik met een gerust hart gaan. Langzaam maar zeker verandert alles ten goede.

.

De Swetteblom is een groene oase met hoge bomen aan het water. Het is een plek waar mensen kunnen bijkomen van alle hectiek. Ik plantte er vijf en veertig bloesembomen. Ik rooide brandnetels en maakte een tuin langs het pad. Ik maakte samen met Jochum een zithoek bij de boerderij en sprak veel met hem en bewoonster Maria. Ik hoop dat wat ik achterlaat inspiratie biedt om verder te bouwen. Om samen te werken aan gemeenschappelijke ruimte van groeiend en bloeiend groen. Laat het een deel worden van een eindeloze ketting van bomen en bloemen, waar steeds meer mensen aan mee zullen werken. Daar duim ik voor.

.

Een paspoort voor vergeten wegen

.

.

Groene ruimte is een gedicht dat we samen schrijven, regel voor regel.

.

Tussen vierkante gemaaide weides groeit een oase. Het weelderige eiland van groene bomen doet de vierkante weides nog kaler lijken. Het ziet er uit als een exotische plek. Maar eigenlijk laat het zien hoe het overal zou kunnen zijn. “Ecocamping de Swetteblom.”

Nederland is een blokkendoos. Veel is vierkant en drie keer omgedraaid. Al sinds de Middeleeuwen heeft elke vierkante meter een bestemmingsplan. Nut en ratio krijgen alle kans en strippen het landschap voor een enorme knipseldoos aan belangen. Gelukkig zijn er nog altijd plekken om het hart te laten ademen. Camping de Swetteblom is zo’n plek en heeft terecht deze naam gekregen. De meidoorns geuren en geven het groen een witte waas, weerspiegeld in het water. Het fluitekruid maakt van het land een gesluierde bruid die het lentelicht kust. Het laat zien hoe het overal kan zijn.

Vorig jaar zette ik mijn huisje neer op Frijlan, waar ik was uitgenodigd om een tijdje te komen wonen. Het is een kwartier fietsen vanaf de Swetteblom en het is vier keer zo klein als het land van Jochum. Maar al is het aantal vierkante meters een stuk minder, het is een ambitieus project; natuur, cultuur, nieuwe technieken, scholing en dan ook nog eenvoudig leven… De hoeveelheid doelen is verpletterend. Toen ik het hoorde, klonk het helemaal geweldig en ik vond het een eer dat ik mee kon doen. Ik heb er veel van geleerd. En vooral dat het niet bij me past. Ik kan geen uitvoerder zijn van reeds uitgewerkte plannen van een ander. Er zit voor mij geen muziek in.
Ik kies zelf waaraan ik werk in samenwerking met de ander. Ik woon klein, zodat ik mijn aandacht heel kan houden. Het bouwen van mijn Wandelhuisje was een immens project en drie jaar lang maakte ik in mijn eentje ingewikkelde prioriteitenlijstjes. Nu is mijn agenda vrijwel leeg. En dat is niet voor niks. Ik ben waar ik ben. Op reis en ook weer niet, een nomade met een missie.

Ik kijk veel rond. Ik praat met boer Jochum, over de tuin, het hooiland en de bomen. Ik vraag naar zijn wensen, wat hij wil met het land en wat wij als gemeenschap daarin kunnen doen. Ik luister naar zijn ideeën over een dorpstuin in het dorp. “Daar helemaal?” vraag ik, “Zou het niet mooi zijn om onze eigen kruiden te kweken voor thee in de zithoek? Dan kunnen we plantjes uit wisselen met andere tuinen die wèl in het dorp zijn.” Jochum’s ogen lichten op en hij knikt voorzichtig. “Dat is ook een idee.” Met deze boodschap loop ik verder.

Ik ontmoet Mirre, die hier elke week een dag in haar bootje doorbrengt. Ik zie haar zitten tussen het riet, vlak naast de Swetteblom. Ze ziet mij ook en loopt over de smalle loopplank naar me toe om te praten. “Jij wil nieuwe energie brengen in deze plek hè? Ik wil graag met je meedoen!” Ze is zo enthousiast, dat ze meteen een vaste tijd wil afspreken om samen een begin te maken. Twee uur per week, op zaterdag.
Mirre, die al zoveel zorg heeft aan haar gehandicapte man, ze is de eerste die concrete plannen maakt. Het ontroert me, dat juist zij het is die met mij het voortouw neemt.
Samen nemen we een hele middag de tijd om te struinen. We lopen langs de oude boerderij en langs de kleine, uitgeplante boompjes. In vier kerspruimen zitten veel beestjes die kleine blaadjes opvreten. Ze staan niet goed. We moeten ze maar verplanten, in de herfst. En zo gaan we verder. We fantaseren over een wandelpad, met kruiden en bloemen erlangs.
Geïnspireerd vertel ik over deze ontmoeting aan Berry en Hillegonda. Berry heeft straks stekjes van vergeten groenten. Ze zijn op landgoed Oranjewoud bezig met een groentetuin maar hebben veel last van de herten. Ze zoeken een oplossing. Terwijl ik  verder loop, bedenk ik me dat ik best had kunnen  vragen of ik een keer mee mag.
Aan de andere kant van de schuur staat Maria bij de kraan. Ze luistert met schitterende ogen. “Laten we klein beginnen, op vergeten plekjes”, zegt ze, “Vergeten groenten op vergeten plekjes.” Rond en rond ga ik, pratend met wie wil en iedereen voegt er het zijne aan toe. Zo ontstaat er een gemeenschappelijk beeld van wat we voor ons zien. Ik zie boer Jochum in de stal bezig en vertel hem alles. Hij luistert met een glimlach.

Alleen zo, rondcirkelend in ontspannen tijd en ruimte, alleen zo kan ik het nuttige de poëzie meegeven die de dingen levend maakt. De ruimte is een gedicht, dat we samen deschrijven, regel voor regel. Zo ga ik rond, aandachtig, soms tergend langzaam met lange wachttijden, dan weer sneller. In steeds grotere cirkels teken ik de woorden die ik hoor en de woorden vormen een paspoort. Een paspoort voor de wegen die ik mag bewandelen.

 

..

DE BOOMPJES

Met de geplante bomen gaat het keigoed, hier op de Swetteblom. Slechts 4 van de 45 zien er iets minder goed uit. En er zijn seringen die al 70 centimeter zijn gegroeid! En dat alles door de goeie start met Biohaag, vorig jaar. De supergezonde bomenvoeding met micchorizae, waardoor er schitterende wortels aan zijn gegroeid.  (Te koop  bij info@webshopdetuin.nl. Ik kocht een tien kilozak voor 350 boompjes voor 33 euro incl verzenden.)

..

MYCCHORIZAE, de SCHIMMELS

Dit is, in principe, hoe het werkt: planten produceren koolhydraten door middel van fotosynthese, maar niet alleen voor zichzelf. Ze geven een deel van hun koolstofsuikers af in de grond, waardoor de bacteriën en schimmels te eten krijgen. De bacteriën verdringen zich rond de wortelzone en de schimmels vormen enorme netwerken van in elkaar grijpende strengen die de ene plant vaak met de andere verbinden. De bacteriën zetten stikstof en andere voedingsstoffen om in vormen die de planten kunnen gebruiken, vaak door verslonden te worden door andere microben.

Endomycorrhiza-schimmels  vormen met elkaar de uitgestrekte groei van het mycellium, dat  contact heeft met de wortelhuid, maar dat veel verder reikt in de bodem. Ze vormen ook miljoenen vesikels en arbuskels   daarin kan de plant of boom veel voeding en water opslaan.

De schimmelstrengen, het mycelium, verhogen effectief de wortelmassa van zijn waardplant tot wel duizend keer en transporteren een schare goeden naar de waardplanten, waaronder fosfor, koper, calcium en zink. Er zijn ook aanwijzingen dat bomen dit netwerk gebruiken om signalen naar elkaar te sturen als er bijvoorbeeld bladetende plaagdieren zijn aangekomen.

In zijn Ted Talk verwees mycoloog Paul Stamets naar het mycelium als ‘natuurlijk internet van de aarde’.

 

Bronnen: Wikipedia en deze link van Washington Post.

 

 

 

 

 

 

 

Een zee van ongekende verhalen

.

 

.

Ondanks toenemende transparantie, groeit de vloed aan ongekende verhalen. Het vormt een ingewikkelde  berg spaghetti die blijft liggen op het strand en die almaar verder groeit. Elk ding dat ik koop of vind, vertelt me iets. Ik wil het weten! De feiten die ik bij nader onderzoek op mijn bord krijg, zijn niet mals. Het vraagt om aandacht en rust om er in te duiken en het te verwerken. Dat kan ik alleen opbrengen als ik eenvoudig leef.

.

Ik sta voor de stal. De ruimte waar de os en de koe in de winter staan, is nu gevuld met fietsen. Langs de muur, in het stof, staat een spade en een bezem. En erachter, onder een dekentje, staat mijn elektrische trekkertje, dat ik aan de hand mee kan voeren. Het is een mooi ding, waar ik straks mee de hort op ga met mijn Wandelhuisje. Maar toch is er iets. Er zit een bijsmaak aan. Elektrisch is beter voor het milieu, zeker als ik ze laad met eigen zonnepanelen. Maar ik heb wel twee zware gelaccu’s, met lood erin. Jakkes. Wat gebeurt daarmee als ze uiteindelijk waardeloos worden? Daar ben ik niet bij.

Accu’s met lood, mijnbouw voor grondstoffen in verre landen, ik kijk naar die dingen. Ik bestudeer het verhaal achter de spullen in mijn leven. Ik voel me net een arts die de ongezonde situatie bestudeert. Alleen als ik ernaar kijk, kan ik bedenken wat er aan te doen. Ik weiger om er depressief van te worden of om te gaan mopperen dat alles zo ingewikkeld is dat ik het ook niet meer weet. Ik ben niet verslaafd aan spullen. Ik kan dingen ook laten, als het moet. Liever iets te laten, dan rond te lopen met een rotverhaal, dat ver van mij plaatsvindt, maar waar ik rechtstreeks mee te maken heb. Ik doe wat ik kan.

Er zijn meer dingen waar ik niet bij ben, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen. Voor de energie in huis heb ik een andere accu, die ik zelf heb gekozen. Hoewel het volgens mij de minst slechte keus was, weet ik niet waar de grondstoffen vandaan komen. Ik heb uitgerekend dat mijn milieuvriendelijke lithiumaccu zeer waarschijnlijk wèl een dikke kilo kobalt bevat. Dat is een hoop! Hoeveel tijd kost het om een kilo kobalt te winnen? Wie heeft mijn kobalt in handen gehad? Was het een kindslaaf uit Congo? Ik weet het niet. Het zou kunnen dat zijn huid nog steeds geïrriteerd is en dat zijn longen pijn doen bij het ademen, door dag in dag uit in de mijnen te kruipen. Het kan zijn dat er voor de aanleg van de mijn mensen uit hun huizen zijn gezet. En dat ze nu ontheemd op onvruchtbare bodem staan, wachtend op de vervulling van loze beloften. Er is geen leefbaar bestaan voor teruggekomen. De mijnbouw plundert meer en meer land, en wat er overblijft is steeds minder. En dan is er nog de zee. Daar zit nog zes keer zoveel kobalt onder dan op land. Dat willen ze straks ook hebben. Ik kijk naar mijn mooie rooie trekding, dat daar stil in de stal staat. Ik kijk naar de zonnepanelen op mijn dak en de accu onder mijn bed. Ik denk aan de verhalen, die ik met mij meedraag, alleen al door een kilootje kobalt. En er is nog zoveel meer dan ik weet!

Zeer waarschijnlijk is mijn kilo kobalt getransporteerd naar China en daar, door wie dan ook, omgetoverd tot de accu. Ik ben er blij mee. O ja! Maar er zit toch een luchtje aan.

Ik leef eenvoudig. Dat is niet alleen voor mijn eigen rust en concentratie. Het is meer. Ik wil dat, wat ik gebruik, zoveel mogelijk van dichtbij halen. Wat ik mijn bezit noem, daar zit veel energie in. Energie van anderen die de tol betalen. Het zit ook in mijn laptop en in mijn mobiele telefoon en in veel meer. Maar ik doe mijn best. Het is een zoektocht en een avontuur, om een weg te slaan in de jungle van deze technologische tijd.

Mijn leven zal steeds eenvoudiger worden. En hoe meer mensen er meedoen, hoe makkelijker het gaat. Nu gebruik ik de computer om deze verhalen te schrijven. Maar in de toekomst heb ik dit medium misschien helemaal niet nodig. Ik zou een nieuwsbrief uit kunnen geven in plaats van een blog, ik zou een boek kunnen schrijven. En er zouden veel meer momenten zijn om elkaar te ontmoeten en om bij te praten in plaats van te chatten of te Whatsappen.
Ik zie was- en koelhuizen. Ik zie dorpstuinen, coöperaties en hereboeren die zorgen voor het landschap en het voedsel. Ik zie droogzolders. Ik zie leraren, studenten en ambachtslieden die je ter plekke tegenkomt, precies wanneer je ze nodig hebt.
Als meer mensen meedoen, wordt het steeds makkelijker om een andere weg in te slaan, letterlijk en figuurlijk. Er kunnen wegen en rustpunten worden aangelegd voor trekdieren in plaats van grondstoffen en parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Degenen die ons land zijn ontvlucht vanwege kaalslag, opgedrongen technologie, de onvruchtbaarheid van de regelgeest, iedereen kan terugkomen. Het kan lang of kort duren, het maakt niet uit. Maar dit is het pad dat ik bewandel en ik ga niet weg. En ik ben niet de enige die richting kiest. Wie gaat er nog meer mee?

.

Losmaken wat vastzit

.

.

 

Er zijn maar weinig mensen die het leuk vinden om brandnetels te rooien. Trekken, met wortel en al. Je erin vastbijten om de bodem lucht te geven, ruimte voor alle andere kiemen die eronder liggen en die geen kans krijgen. En al prikt de netel stiekum in het stukje blote vel, precies in de kier van je handschoen en je mouw, je laat je niet weerhouden. Het geeft een opgeruimd gevoel van ritme om elke ochtend, als er nog niemand is, weer een stuk te doen.

 

Op mijn modderige klompen sta ik te kijken hoe het licht speelt in het fijne blad van het fluitekruid. Ik kniel bij een stukje zwarte grond en zie hoe het Kruipend Zenegroen ontkiemt, dat ik zaaide. Maar ik zie nog veel meer.Wat zou het allemaal zijn? De bodem is prachtig, hij is donker en vochtig, het is los en rul gemaakt door de uitgetrokken wortels van de brandnetels. Als ik een zaadje was, dan wist ik het wel. Ontkiemen, wortelen en blaadjes maken, en dan omhoog, omhoog! O, wat gebeurt er nu veel op deze groeizame dagen van de lente. Ik kijk naar de bodem als een ander naar Netflix, maar het vervult me tot in mijn tenen, dat is het grote verschil. Ik maak er zelf deel van uit. Zelfs een week vol bewolkte dagen maakt mij niet meer bedrukt, in deze heerlijke lente.

Ja, de bodem bevat ongelooflijk veel mogelijkheden. En als de eerste bloemen zijn uitgebloeid zal ook de lucht vol van zaden zijn, verlangend naar een plek om te ontkiemen. Die plek moet er zijn. Vruchtbare bodem maken, luchtigheid en ruimte creëeren, het is een taak op zich.

Ik heb die ruimte! Het zit in mijn adem, in mijn borst en in mijn geest. Het zit in het genieten van mijn voeten die lopen kunnen en in nieuwsgierigheid naar al wat is.
Ik loop terug naar mijn kleine wandelhuisje. Niets houd me tegen om te gaan. Maar nu ben ik hier, in Friesland, op Ecocamping de Swetteblom. Het is hier goed, ik ben hier nodig. Ik plant bomen en maak plek voor iets anders, in de schuur en op het land. Anderen zien het en doen mee. Mogelijkheden vermenigvuldigen zich, verder dan ik kan kijken.

Ik doe de deur van mijn huisje open en geniet van de lichte wooncocon die ik heb gecreëerd. Hoewel het buiten fris is, is het er behaaglijk warm. De zon komt onder een wolk vandaan en schijnt op de vensterbank. Ik pak het kopje dat er staat en zet het aan de kant op de plank. Ik wil voorkomen dat het dicht slipt met alledaagse dingen. Ik ga zitten op de schapenvacht en vouw mijn benen op, zodat ik mijn koude voeten kan warmen met mijn eigen lichaam. Stil kijk ik naar buiten, waar de bomen steeds groener worden. Het licht dat door het raam naar binnenvalt weerkaatst op het warme hout. Het licht, de leegte, het wast me schoon van binnen. Dan sta ik op, mijn voeten zijn weer warm. Ik doe mijn klompen aan en stap het bordes af.

Er zal een dag zijn dat ik weer verder ga. Maar nu is het tijd om brandnetels te rooien, ruimte te maken voor het nieuwe dat zich steeds meer openbaart. De Swetteblom zal tot bloei komen. Dan ben ik klaar en ga ik. Op een rollende steen groeit geen mos, zei ooit één van mijn drie broers. Dat ben ik nooit vergeten. Beweging en ruimte, ik heb het nodig. Alleen zò kan ik creëren. Stap voor stap, als een ketting die ik rijg met mijn handen, samen met wie er is.

O, die heerlijke onvolkomenheden

 

.

.

 

De kop koffie is lekker warm in mijn handen. Het onweer, waar ik zojuist nog middenin fietste, heeft de lucht afgekoeld. Ik zit aan tafel bij Anneke, in het kleine huisje naast de boerderij. Anneke is een levendige vrouw van vijftig. Ze speelt contrabas en maakt theater. Ooit had ze ook een groot schip, net als ik. Haar stem is lager dan de mijne en ze kan ruig en stoer doen. Net als ik klimt ze nog steeds in bomen. Het huisje heeft uitzicht op de weilanden. Door het raam zie je het lichten en ik hoor de donder in de verte wegtrekken.
Ik kijk om me heen, ik zit hier voor het eerst. Aan tafel zit Maria, in serieus gesprek verwikkeld met een bezoeker. Haar lange blonde haar hangt over haar armen en over de houten tafel. Naast mij zit een jongen van vijftien met blonde krullen, het is Anneke haar zoon Sebe. Hij kijkt me aan, alsof hij een gesprek wil aanknopen en niet weet hoe. “Hoe vond jij het om in het onweer te fietsen?” vraag ik hem. Het is een startschot. Meteen raken we in een levendig gesprek verwikkeld.

Heerlijk zo’n huiskamer vol mensen, zo onverwacht. Hoe kom ik hier verzeild? Het komt omdat hier geen brug is. Aan de oever van het met rietomzoomde riviertje zijn vier steigers. Aan één ervan ligt een grote roestige roeiboot. Er hoort een zeil op en er is een mast. Jochum heeft die al zijn leven lang op een volle, stoffige zolder liggen en ze zijn nooit gebruikt. Wel liggen er roeispanen in de boot. Die doen bijna dagelijks hun werk. Verderop ligt nòg een boot, die iets kleiner is, maar de grote is het handigst. Daarmee steken we over, soms met fiets, grote zakken boodschappen en al. Ook onze gasten halen we op met de boot. Langs de Swette fietsen en dan oversteken, het scheelt vier kilometer.
Vanavond was ik niet de enige die zeiknat naar huis fietste. Terwijl ik mijn fiets aan het hek vastmaakte zag ik aan de overkant Anneke ploeteren. Ze had Sebe over gevaren, die ook laat thuis kwam. Hij stapte net de steiger op en zij was bezig met het touw. Ik gaf een harde kreet. Ze zag me staan en vloekte lachend, “Ik ben net over en nou moet ik weer terug om jou te halen!” Ze maakte het touw weer los en kwam meteen naar me toe varen, want al moppert ze luidruchtig, ze meent er niks van en heeft een hart vol gastvrijheid.

Ik zit in mijn Wandelhuisje en laat alle belevenissen door me heen gaan. Ongemak schept een band. Als er een brug was geweest, dan was het hier een stuk saaier. Gebrek aan een brug breekt het ijs. Anders had ik geen koffie gedronken bij Anneke, in een huiskamer vol mensen. Ik glimlach voor me uit. Het is stil, en de vogels fluiten. Mijn huisje staat midden op het veld, rondom lopen af en toe mensen. Het gras groeit hoog op onder mijn raam, ik heb geen hek of haag, het regenwater uit de goot maakt de klei bij mijn deur tot blubber. Dankzij al die onvolkomenheden is alles zoals het moet zijn.
Ik sla een maf boekje open, over plantenleven, ik kreeg het gisteren van een vriendin. Ze had het dubbel. Er staan filosofische stukken in over plantenzielen, elfjes en faunen. Zou die mevrouw dat allemaal zelf zien, vraag ik me af. Ik kan het nergens uit opmaken. Maar misschien is dit nou net een boekje om als orakel te gebruiken. Na kort bladeren kies ik een bladzijde en steek mijn vinger er in. Die vinger wijst naar deze zin: “Zodra één lid der gemeenschap uitvalt, is de harmonie verbroken en begint het verval.” Haha, lach ik. Dus ik mag hier niet weg voorlopig. Nou dat is goed. Het bevalt me eigenlijk wel, deel zijn van een gemeenschap.

Even later hang ik over de onderdeur en voor me staat boer Jochum. Ik zeg hem dat ik blijf. Dat het mijn bedoeling is om elke plek waar ik ben, mooier achter te laten dan het was. Hij knikt. “Het is nog niet klaar,” zegt hij. “Nee, het is nog maar net begonnen” vul ik aan en leg uit wat mijn bedoeling is. “Als je iets wilt, dan ben ik er om met je mee te denken en om te helpen met de uitvoering.” Tevreden lacht hij me toe en we schudden elkaar de hand. Een handige en sociale meedenker, dat kan hij goed gebruiken, zeker als die persoon ook nog een eigen gereedschapswagen bij zich heeft.

Het project “Met ’t Wandelhuis de landsgrens langs,” blijft tegelijkertijd bestaan. Ik begin dit jaar met korte stukjes, eerst maar eens naar de dijk, langs de Waddenzee. Dan kan ik eetbare planten zoeken op zilte grond. Zo kan het project langzaam groeien, langzaam, precies wat de bedoeling is. Groeien, als een vrucht aan de boom. En als die zwaar genoeg is, dan valt hij vanzelf in mijn hand.

.

De zin in de tekening komt uit het boekje “Plantenzielen” van Mellie Uyldert. Het komt uit het hoofdstuk over heidegebieden en gaat onder andere in op de rol van de schaapherder.

Een plek om thuis te komen

.

.

Een plek om thuis te komen. Nu ik er ben, weet ik dat ik op reis kan gaan.

.

Met mijn ogen halfdicht geniet ik van het vroege licht dat door mijn koekoek schijnt. Slaperig mijmer ik over wat ik ga doen vandaag. Het is blogschrijfdag. Waar ga ik het over hebben? Gaat het over mijn vertrek op 30 mei? Ik weet het nog niet en laat het maar even. Ik doe het deurtje van de bedstee open om de slaap eruit te laten waaien. Dan  stap ik mijn bed uit. Ik open de deur. Vlak voor het bordes zit een groepje kippen, die halsreikend naar me opkijken. Ze willen eten. Ik stap in mijn pyjama op het vochtige gras en doe mijn klompen aan.

 

.

 

.

De camping met de bomen, het lange gras, alles is nog in een vochtige stilte gehuld. De koele lucht van de ochtend is heerlijk. De kippen pikken driftig van de kruimels die ik strooi. Ik loop terug over het paadje, tussen de essen, lindebomen en de vlierstruiken door. Maar ik ga niet mijn huisje in. Nee, ik pak een paar dikke werkhandschoenen die een vast plekje hebben gekregen in de bagageruimte onder mijn vloer. Ze liggen vooraan, ik kan er makkelijk bij. In mijn pyjama loop ik weer naar het kleine paadje. Het is zo hard als steen, door vele voeten en langdurige droogte. Rondom het pad staat het vol met speenkruid en fluitekruid. Hier en daar zie ik een teunisbloem en zelfs een kleine ooievaarsbek. Maar de grote overwinnaar is de alles overwoekerende brandnetel.

 

.

Wilde bijtjes op Ecocamping de Swetteblom

 

 

Overal in Nederland zie je hem, gestimuleerd door al die uitgespoelde mest, die door de sloten spoelt, zich mengt met het grondwater en onze bodem doordrenkt. Het is een netelige toestand. Mijn handen werken door. Ik trek ze uit of pluk ze af. Ik zie steeds meer wat onder de brandnetels vandaan komt en wat ik nu de ruimte geef. Ik zie het voor me, dit wordt een prachtplek, op deze oude, onberoerde grond. Een hemeltje voor bijen en insecten.
De zon staat al een stuk hoger aan de hemel, wanneer Maria haar yurt uit komt. Haar lange blonde haar glanst als een aureool om haar bruine gezicht. Haar helderblauwe ogen lachen en tientallen fijne lijntjes op haar wangen lachen mee. “Ik vind het zo heerlijk om te zien dat je zo lekker bezig bent! Wil je een kopje koffie met havermelk?” “O ja!” roep ik. “Koffie met havermelk vind ik het aller-allerlekkerste!”
Samen drinken we onze koffie, niet aan tafel op een stoel, nee, we lopen langzaam het hele terrein over. We staan stil bij wat we zien, vertellen wat het ons doet en ik vertel wat ik ervan weet. En Maria blijkt een haarscherpe intuïtie te hebben voor wat de oude honderd jarige appelboom nodig heeft. Er komen herinneringen op en verhalen. Het is een prachtige wandeling.

 

.

 

.

Het is heerlijk, om alleen op het land te werken in de vroege ochtend. Maar ik werk ook graag samen met de boer. We planten boompjes. Jochum  werkt stevig door. Hij is een vitale man en je zou niet zeggen dat hij zeventig is. Hij doet elke ochtend oefeningen, net als ik en gedichten schrijft hij ook nog, in het Fries natuurlijk. Tussen het scheppen door, praten we over onze belevenissen en idealen, en zo komt van het één het ander. Boer Jochum wil minder plastic. Ik wil hem er graag bij helpen. Samen zullen we de ruimte bij de WC’s transformeren in een sfeervolle zithoek.

Zwart landbouwplastic hangt stoffig aan de balken. Vuilnisemmers en dozen met oud papier en karton liggen op een slordige hoop, gemengd met andere zooi die mensen kwijt wilden. Jochem maakt de ruimte helemaal leeg en gaat weg. Nu is het mijn beurt. Ik trek het plastic er af, maak er een pakket van en gooi het op de aanhangwagen, om af te voeren.
Ik kniel op het beton van het erf. Voor me ligt een dikke rol stof, gisteren bezorgd door de postbode. Het is prachtige stevige jute en dit gaat het plastic vervangen.

 

.

 

.

Terwijl ik mijn schaar zet in de dikke jute komt Berry aanlopen. “Wat een mooie stof,” zegt hij. Berry is de man van Hillegonda. Het donkergrijze haar hangt in de war om zijn hoekige gezicht. Zijn ogen kijken vriendelijk en nieuwsgierig de wereld in. Een wereld waarin genoeg te zien is, want hij is tuinman op een landgoed van 24 hectare. Er woont een echte freule. Berry is heel gelukkig met zijn allerliefste Hillegonda, maar ook met dit werk. “Met al die dassen en reeën om me heen, hoe zou ik me er ooit eenzaam kunnen voelen?!” zegt hij.  In zijn aanhanger ligt mooi kastanjehout, dat er vandaan komt. Het is een dikke schijf die uit het onderste van de stam komt. We maken er een stoere tafel van, besluiten we.

 

.

Jochum ziet graag het bordje in het Fries, “Sithoeke”.

.

 

Ik werk de hele dag door en aan het eind van de dag is de transformatie compleet. Jochum komt aanfietsen. Verbluft stapt hij af. “Ongelooflijk,” zegt hij.
In de verte komt Tineke haar woonwagen uit, een kleine vrouw met rood haar. Ze is hier net een paar dagen. Deze plek inspireert haar. Ze ziet van alles en haar handen zijn bezig als een bij. Als boerendochter komen er veel herinneringen omhoog, op deze oude grond. Ze komt hier straks ook wonen. Meewerken op de boerderij, dat lijkt haar hartstikke leuk. Haar kinderen zijn het huis uit en nu kan ze doen wat haar hart haar ingeeft. Ik zie hoe ze rondloopt en hier en daar een bloem plukt. En als ik even later weer kijk, staat er een prachtig wildboeket op de stoere tafel.

Alles klopt. Ik geniet met volle teugen. Dit lijkt op de chemie van transformatie. Dit is wat ik hoopte te vinden. Hier is het, nu. En we doen het met elkaar.

 

.

.

 

Maar ik zou toch vertrekken? Ja ik ga vertrekken. Dertig mei is de grote dag, over vijf weken al. En ik ga ook! Maar nu weet ik dat ik hier terug kan keren, waar mensen er naar uitzien dat ik er ben en waar we in de herfst samen vlinderstruiken gaan planten en andere bloeiende planten. En nu, pas nu, weet ik dat ik kan vertrekken. Reizen is prachtig. Maar vooral als er een plek is waar je thuis kan komen.

 

.

Koe en de os in de wei.

.

 

Trekker met kantelaar

.

 

.

 

Veld met Wiekies Wandelhuisje

.

.

Het nodige om te gaan

.

.

Ik, Sankofa, luister naar de Stem uit het Verleden. Ik ben het symbool voor grondige keuzes. Je kan snel en enthousiast een nieuw leven inspringen of wegvliegen vanuit wanhoop. Maar ik vraag om rust. Het ei op mijn rug vraagt er om gekoesterd te worden en bergt verhalen in zich van wat is en was. Het kijken er naar maakt je keuze meer levensvatbaar.

.

Bij toeval kwam ik erachter dat er zondag een toneelvoorstelling zou zijn. Ik besloot er heen te gaan en daar sta ik nu. Het is een klein theater in het centrum van Leeuwarden. Ik zet mijn fiets neer, ga naar binnen en kom in een kleine hal die naar koffie ruikt. Drie mensen staan te praten achter een brede balie. “Heeft u al vooraf betaald?” vraagt iemand. Ik knik. “Ja, ik zag de titel op de folder en heb meteen online een kaartje gekocht.”
De titel van de voorstelling is namelijk: “Het vertrek”. Dit kan ik niet missen, in deze dagen, dat ik me voorbereid op mijn eigen vertrek.
Wat neem je mee, wat laat je achter? Het heeft mij jaren gekost, voor ik zover was, dat ik kon gaan. Dit stuk gaat over een dergelijk proces. Maar dan weer heel anders, want elk verhaal staat natuurlijk op zich. De acteur is een man, ooit wilde hij van alles het beste en van alles kocht hij er twee. Maar zijn twee mannen hebben samen hun hielen gelicht en nu is hij alleen en wat is het leven nog als er geen liefde is. Het valt hem zwaar. Wat moet hij hier nog, in dit oude huis?

Op het toneel staat een antieke telefoon. Je moet er aan slingeren, dan doet hij het. Af en toe belt de acteur de Stem van het Verleden. Hij wil weten waar het rode doosje is gebleven met zijn kinderdromen. Het is het enige waar hij belang in stelt. Verdorie, hij heeft het nodig om te kunnen gaan en hij zoekt zich te pletter. Had de Stem het expres verstopt? Waar is het? Waarom laat hij hem niet vertrekken? Geërgerd vraagt hij het aan de Stem van het Verleden, totdat hij er hondsberoerd van is en geen oog meer dicht doet. Dan, uiteindelijk, vindt hij het. Een doosje, bekleed met glimmendrode stof. Er zit een piepklein muziekdoosje in waar je aan kan draaien, met een piepklein muziekrolletje. Blij als een kind draait hij aan het miniscule slingertje. Teder klinkt een zachte metalige melodie. Dit is alles. Verder heeft hij niets meer nodig. En hij gaat.

En nu is het toneel leeg, het stuk lijkt afgelopen. Eén van de achtergebleven dozen is achteloos op de piano gezet. Ik kijk ernaar en zie een hoofd bewegen. O ja, weet ik ineens, daarachter zit nog steeds de pianist. Hij steekt zijn hoofd boven de piano uit en kijkt rond, verbaasd dat hij nu alleen is. Oplettend kijkt hij rond. Is hij echt alleen? Een brede grijns verschijnt op zijn gezicht, hij rent doelbewust naar één bepaalde doos, kijkt er in, pakt hem en smeert hem, het toneel af. De mensen lachen en klappen, de voorstelling is afgelopen. Nog één keer komen de twee jongens terug, de pianist en de acteur. Alleen de derde personage ontbreekt. Dat is de Stem van het Verleden, de altijd stille aanwezige.

Α….∞….Ω

Het stuk maakt je filosofisch gestemd. Ik praat na met een kunstenares. Ze is klein en tanig, met lang blond haar. Ik leerde haar vanmiddag kennen in haar eigen atelier en tot mijn verrassing is ze hier nu ook. Ik kijk haar aan en vertel wat ik gisteren meemaakte. “Op de markt, bij een kledingkraam, kreeg ik het aanbod om Tiny Houses te helpen bouwen in India, op een camping. Het was een spontane uitnodiging van de Indische marktkoopman.” Ik vertel er bij dat ik Nederland maar heel zelden heb verlaten.
“Waarom niet?” vraagt ze dan. Ik denk na. “Ja, hoe zal ik het zeggen… Eigenlijk past dit verhaal heel goed bij het stuk,” zeg ik. “Het antwoord gaat ver terug. Er is een moment dat ik nooit meer vergeet, hoewel ik gewoon in het Emmeloordse bos liep. Ik was zestien, ik weet nog precies waar ik was, toen ik besloot mijn dromen niet alleen te dromen, maar ze ook grond te geven. Alles wat ik mee zou maken zou mij helpen om dit te kunnen doen, wat ik ook tegen zou komen.”
“Waar was je?” vraagt ze.
“Bij de vijver van het hertenkamp,” antwoord ik en ga meteen verder. “Ik besloot om altijd aandacht  te hebben voor waar ik me begeef en nooit te vluchten. En jemig, wat gebeurde er veel in mijn leven. Ik kreeg de ene klap na de andere. Ik nam er de tijd voor om het te verwerken. Sommige mensen zouden me een pechvogel noemen, maar ik wist dat het precies de ervaringen waren die ik nodig had om te leren staan. Zonder hartgrondige balans kan een mens niet aarden, niet hier, laat staan ergens anders.. En dromen blijven zweven zonder wortels.”
Ze kijkt me nadenkend aan. “En wil je tóch het land uit, naar India?”
“Ik weet het niet. Er is altijd een sterke verleiding om meer van de wereld te zien. Maar er is hier veel te doen. Het is belangrijk hier te zijn, dat denk ik steeds weer. Daarom ga ik zo langzaam. Daarom ga ik straks maar drie km per uur en ben ik nog steeds niet vertrokken. Nederland boeit me. Dit is het land waar ik geboren ben.”

We kijken even stil voor ons uit. Dan kijkt ze me aan. “Ik moet gaan. Ik vond het een mooi gesprek.”
“Ik ook,” zeg ik “Dank je!”
Ik glimlach en kijk haar na.

.

Wat heb je nodig om te gaan? Voor de één betekent het vergeten herinneringen terug te vinden aan de kindertijd. Voor de ander is het de herinnering aan een ooit gemaakte keuze om niets uit de weg te gaan, ergens bij een vijver. Weer een ander worstelt met een angst of een gemaakte fout, die eerst onder ogen wil worden gezien. Wat heb je nodig om te gaan, dat is de vraag.

.
In een van mijn vorige blogs sprak ik over Kairos, en rebelse gaten in dichtgetimmerde tijd. Sankofa is de Afrikaanse variant van Kairos. Net als Kairos vraagt ze om innerlijke rust. Wordt Kairos geschetst als een gespierde man, die je bij zijn staart moet vatten om het juiste moment te grijpen, Sankofa is de vrouwelijke kant ervan, afgebeeld als een vogel met een ei op de rug. Ook in Kairos zijn momenten van stille beschouwing. Er is een zorgvuldig terugkijken naar het verleden. Toch is dat in zijn afbeelding alleen terug te zien in de weegschaal, die het wikken en wegen symboliseert. Verder straalt zijn gestalte vooral mannelijke kracht en actie uit. De vrouwelijke Sankofa met het ei, het is precies de aanvulling die de afbeelding van Kairos nodig heeft. Samen vormen de twee een perfecte uitdrukking van hoe keuzes te maken op het juiste moment.

.

 

.

.

Het theaterstuk met Koos van der Wal: je kan je inschrijven als je belangstelling hebt voor een aparte voorstelling, op nader te bepalen plaats in het Noorden van het land. Die gaan we nog vinden. Vooral de regisseur, maar ook de acteur, zou heel graag een voorstelling met nagesprek hebben, samen met mensen die allemaal bezig zijn met het onderwerp “Vertrekken.” Geef je mailadres aan mij door als je interesse hebt. (tt.alowieke@gmail.com)

 

 

 

.

Geboeid door een plek die tot leven komt

.

.

Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. Ik laat me met plezier afleiden. Maar ik weet dat mijn pad verder gaat.

.

Ik gooi een bosje brandnetels opzij en strek mijn rug. De zon schijnt op een lichte sluier van blaadjes, de meidoorns lopen uit en ook de vlier. Lichtgroene toefjes ontstaan in de donkergroene jungle van braamstruiken en twee fitissen vliegen van tak tot tak. Ze trekken zich niks aan van de doorns en voelen zich beschermd door de stekelige zee. Ik beweeg mijn vingers om ze soepel te maken, na het harde werken. Mijn handen zijn net zo bedrijvig als de vogels, bouwend aan hun nest.

Deze lentedag houdt niet van verfrommelde lijstjes die al wekenlang klaarliggen. Aarde vraagt om handen. Hoe meer kleur en geur hoe meer ik tot leven kom. Lente! Ik kan me niet aan die enorme kracht onttrekken. Alles roept en groeit.
Overal ben ik, luister ik en kijk ik. Ik wied brandnetels langs de paadjes om er munt uit te planten. Ik snoei het enorme braambos een stukje in. Ergens daarachter staat een grote woonwagen, dat ik het kasteel van Doornroosje heb genoemd. Ze heeft ook een prins. Het stel is er niet zo vaak en als ze er wel zijn zie je ze niet.
De braam groeit met grijpgrage scheuten, gretig en snel. Mijn kniptang is voor dit moment de heerser, al is het maar even. Mijn klompen trappen dode stekeltakken stuk. Dan hoor ik een stem. “Hallo!” Opeens staat de prins van Doornroosje naast me, een gespierde vent met lang haar en een tattoo op zijn schouder. Hij kijkt me gespannen aan en vraagt wat. Of ik niet te ver ga met die bramen. Het is hun privacy, legt hij uit. Ik kijk hem aan en zeg dat ik het wel snap van die privacy. Maar het is nodig dat ik meer ruimte maak aan deze kant. Ik knip niet alles kaal, want daar houd ik niet van. En er komt een sering, lekker hoog. Of ze dat ook mooi vinden? Dat moet hij even met Doornroosje bespreken en hij verdwijnt achter een deur waar een gordijn voor hangt. Even later komt hij weer het pad aflopen. Ja, zo’n hoge struik met paarse bloemen, dat is best okee, zegt hij. Maar zelf had hij de bramen liever laten verder groeien en het spijt hem dat dat niet kan op een camping. Dan gaat hij gaat weer.

Ik ga verder en verken elk hoekje. Ik graaf mooie planten uit die in de looproute staan en geef ze een beter plekje. Het zijn Monnikskappen en ze worden lang en paars. Giftig zijn ze ook. Ik zet ze middenin een veld brandnetels, dan kan niemand er bij. Terwijl ik naar het resultaat kijk, komt er een vrouw naar me toegelopen, over het smalle pad tussen de begroeiing door. Haar grijze haren zijn opgestoken boven haar ronde volle gezicht. Zij is hier af en toe, net als Doornroosje. Ik zie haar genieten met haar kersverse echtgenoot. Het geluk dat ze uitstraalt maakt haar mooi en levendig. Vastbesloten komt ze dichterbij, tot ze tegenover me staat. “Weet je een manier hoe ik de brandnetels kwijtraak? Ik vind het zo inspirerend wat je doet, ik ga ook bloemen uitplanten!”
Ik zeg dat ik brandnetels drastisch weg haal en vertel enthousiast hoe ik dat doe. Ze knikt. “Ik ga het proberen”, zegt ze en kijkt me ineens aandachtig aan. “En weet je, jij kàn hier helemaal niet weg!!” Ze groet me lachend, draait zich om en loopt weg. Ik glimlach.

De één wil met rust worden gelaten, de ander laat zich inspireren. Zo gaat het. Als je zo aan het werk bent, dan leer je de mensen snel kennen. Nadenkend was ik mijn zwarte handen in een emmer water en kijk naar mijn huisje. Ik moet nu toch echt voor mezelf bezig gaan. Het plan is immers om te gaan trekken! De banden zijn al opgepompt, maar er is nog veel meer te doen, voor ik zover ben. Ik draai mijn gezicht naar het westen. De zon schijnt laag tussen de bomen door, de dag loopt op zijn eind. Wat nu? Eerst maar die berg uitgetrokken brandnetels opruimen. En de kuilen die ik heb gemaakt in het pad, om die monnikskappen uit te graven, die moeten toch echt weer dicht, anders valt er nog iemand.

De lente geeft me kracht en inspiratie. En die geef ik weer terug aan de plek waar ik ben. Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. En hoe meer mensen er meedoen, hoe liever het me is.

.