Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Halters in het maanlicht

.

De maan verbindt ons met elkaar, als één groot lied van de nacht

.

Het is vrijdagavond en windstil. De laatste roodborstjes zijn gestopt met zingen, de boeren zijn gestopt met het injecteren van drijfmest en het ploegen van het land, de Brabantse mannen zitten bij hun gezinnen en drinken hun biertje. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik heb mijn plan uitgevoerd, ik maakte een goeie condenskier onder de dakrand. Tevreden zie ik de details voor me, het is gelukt, ik weet bijna zeker dat dit gaat werken. Nu de andere helft van het dak nog. En dan?

Dan is het tijd om te vertrekken naar Friesland. Een vreemd idee lijkt het. Ik kijk naar buiten. De zon is al helemaal onder gegaan. Ik heb de luiken nog niet gesloten. Wat is het stil! De tijd lijkt stil te staan als in een schilderij. Het is of ik hier nog eeuwen zal blijven, alsof er nooit iets zal veranderen. En dat terwijl ik hier misschien al heel snel weg ben! Gek hoor, een vreemd idee.
Ik gaap en staar dromerig door het raam. Het licht van de maan schijnt in de vijver. In de wei staan de schapen nog steeds te grazen. Ik gooi mijn benen van de hoge bank af en sta op om naar buiten te gaan en de luiken te sluiten. Ik schuif een half vergane rieten stoel onder het raam en zet mijn voet op een plek waar geen gat is. Ik glimlach tevreden en duw tot ik het luik zachtjes dicht hoor klikken. Met luiken dicht is mijn huis een echte wooncocon, waar je heerlijk in kan slapen. Nu de andere kant nog. Aan de andere kant staat de steiger, omdat ik daar nog aan het dak moet werken. Ik klim op de dikke planken en sluit ook deze kant af.
Ik klauter weer naar beneden en blijf bewonderend staan. De hemel is zwart en de sterren lijken op speldenprikjes in bordkarton. De toenemende maan is helder. Het is dezelfde maan als die in Friesland schijnt, dezelfde als op Frijlân. En ook is het dezelfde als die een Nederlandse sojahaven oplicht in Brazilië en die het verlaten dorp beschijnt wat er naast ligt. Er zijn zoveel verhalen! De maan verbindt ons met elkaar, als goede en de trieste strofes, alles in één groot lied van de nacht.

Ik maak mijn blik los van de nachtelijke hemel en buk me. Bij het bordes staat een kistje, dat ik gebruik als opstapje. Hij ligt omgekeerd, met een extra plank erop, zodat je er niet opeens doorheen zakt. Ik leg de plank opzij en draai het kistje op zijn kant. Eronder liggen twee halters van zes kilo. Ik heb ze aan een stuk bezemsteel bevestigd en voel het warme ronde hout in mijn eeltige werkhanden. Ik ga op mijn rug op het kistje liggen en doe één voor één alle oefeningen om arm, rug, en borstspieren te trainen. De maan lacht recht in mijn gezicht en verdwijnt half achter wolkenflarden. Hij speelt ermee en maakt een kring van roze weerschijn in bewegende sluiers. Ik vraag me af, wie kijkt er nu nog meer naar de maan? Ik ben vast niet de enige…

.

.

.

 

 

Terwijl ik mijn halters hef, op en neer en weer en weer, straalt het maanlicht in mijn gezicht. Ik voel mijn armspieren werken en denk aan wat ik vandaag las. Het waren een paar artikelen over de Nederlandse bemoeienis in Brazilië. Ik zie het voor me als in een droom.
Terwijl ik naar de zwarte lucht tussen de sterren kijk, zie ik enorme majestueuze wouden. In snel tempo worden de bomen gekapt en met vrachtauto’s naar binnenvaartschepen gebracht, met Nederlandse namen erop. De schepen varen naar de haven. Het hout wordt netjes opgestapeld voor verkoop in Europa. Naast de exporthaven ligt een verlaten dorp. Overrijpe mango’s liggen te rotten op straat. Wie woonde er en waarom is iedereen verdwenen?
Als een vogel vlieg ik verder. Verder het land in staat een boswachtershuisje. Maar er is geen bos meer. Het staat nu in een eindeloos grote sojaplantage, soja voor veevoer en biobrandstoffen. Ik zie hoe een vrachtwagen heen en weer zwaait op een blubberige weg. Het beeld vervaagt.

Ik voel mijn rug op het harde houten kistje en weet het. Het Amazonegebied wordt uitgekleed, ontbost, gestript.  De laatste vijf jaar zijn er veel wegen en spoorlijnen aangelegd. Het is een voorproefje van wat komen gaat. Een enorme spoorlijn moet er komen om dit proces te versnellen. Het is een bom die op ontploffen staat, zeggen bewoners die naar de hoofdstad zijn gekomen om hun noodkreet te laten klinken. Twee rijke en machtige families worden nog veel rijker en een paar Nederlandse bedrijven ook. Waarom? Is het zo leuk om te bulken van het geld? 

Ik lees verhalen van noodkreten, die niet alleen in Brazilië, maar overal ter wereld klinken. De bevolking heeft geen grond meer om op te staan en mensen verdwijnen spoorloos. Niemand weet waar ze zijn heen gevlucht of wat er met ze is gebeurd. Het zijn de eerste bewoners, die nooit of met heel veel moeite een eigendomsbewijs krijgen, van de grond waarop ze al eeuwen leefden. Het zijn vreemde zakenlieden, die worden verwelkomd door rijke machtshebbers, zakenlieden uit rijke landen als Nederland.

Het zijn niet alleen lokale dorpelingen, die er onder lijden. Het gaat ons net zo goed aan, het gaat de hele aarde aan. Met het kappen van bomen ontstaat erosie en een grote opslag aan CO2 gaat verloren. En met het verdwijnen van de enorme vochtige wouden verandert het weer. De gevolgen zouden nog wel eens ver kunnen reiken. En nu kijk ik naar de maan. En ik besef, de maan en het water zijn het, die ons met elkaar verbinden en de lucht is het, die we inademen en uitademen, de lucht die waait met de wind en overal komt. De aarde met alles erop, het werkt met elkaar als één levend systeem. Dit systeem levend houden, dat is het enige wat duurzaam is. Dit denk ik, terwijl ik mijn gewichten neerleg om naar bed te gaan.

Lees hier het artikel in de Trouw over de sojaroute

Survival International doet verslag hoe bewoners vechten voor hun rechten.

Soja als biobrandstof zou verder aan banden worden gelegd.

.

.

 

Alsof ik er nooit was

.

.

Het is een tijd van dubbele gevoelens. Ik ben blij dat ik naar Friesland ga, en mee kan doen aan een project waar mijn hart naar uit gaat, “Frijlân”.  Ik zit in de wachtkamer. En terwijl de lente met rasse schreden nadert, is het bij mij herfst. Afscheid komt dichterbij.

Ik kijk naar de rotanstoel. Toen ik hier kwam wonen heb ik hem daar neergezet, in de bosjes. Ooit zat ik er vaak in, hand in hand met mijn lief en poes Gijs op schoot. Ze zijn allebei dood. De glimmende rotan wordt groener en groener en de zitting verzakt, tot het volledig uit elkaar valt.
Ik stel me voor hoe het is, als ik hier straks weg ben. Meesjes hippen er in en omheen, pikken er rietjes uit voor hun nesten. Ze kijken overal rond, op zoek naar de heerlijke zonnebloempitten die daar te vinden waren. Maar die zijn er niet meer. Ook niet tussen de struiken, die ik daar plantte en die steeds meer overwoekerd raken door kweekgras en brandnetel. Alowieke is weg.

Zo zal het zijn. Straks is er niemand, die hier pitten strooit. Niet meer op deze plek. Het is er niet meer. Ik  ben er niet.

 

De dag komt nader
De wereld wordt stiller
Handen maken zich los
en een laatste voet
trekt zich los uit de aarde
Ik excuseer mij, ik moet gaan
Het is nu zo
Het moet.

En hoe is het dan als ik weg ben.

De mezen hebben niks gehad
de zaadpot blijft nu leeg
De droge kikker mist het nat
wacht op water wat hij kreeg
mijn gieter voor zijn bad

Braam zal woekeren in de perken
alles wordt als voor mijn komst
als voor mijn hele harde werken
en overal komt gras
alsof ik er nooit was.

Maar het zaad van dode bloemen
wacht in de grond op het juiste moment
En niemand weet wanneer
Er is zaad en hoop op meer
bloemen en bijen die zoemen.

En wie weet komt er wel hulp
van een groene mensenhand
komt ergens ooit een keer
een natuurmens uit zijn schulp

Wie weet.

.

.

.

.

.

Wachten

.

.

Wie jachtig voort raast, niet bij machte om te wachten, gaat een vitale bron voorbij. Want wachten haalt kracht uit het kleine. (Alowieke)

.

Het is of ik een jas aan heb die niet meer past. Hij is veel te klein en ruikt muf. Ik neem een ijskoude douche om de benauwenis open te breken, maar het helpt maar even. Ik maak een fietstocht in de harde frisse wind, maar als ik thuis kom, bekruipt mij hetzelfde gevoel. Ik zet mijn fiets weg en loop door het zompige gras naar mijn woonwagen. Het bordes staat halfvol met spullen, die koel moeten blijven. Eerst waren het maar twee dingen, maar langzamerhand is het helemaal vol komen te staan. Ik klim er op en zet mijn voeten neer waar nog plek is. Ik pak de knop van de deur. De andere helft van de deuropening is geblokkeerd door de verzameling levensmiddelen. Ik heb net genoeg ruimte om de smalle deur te openen en mezelf ertussendoor te wringen. Ik baal. Dit is niks, ik wil het niet meer zo. Het kan en moet anders.
Ik stap naar binnen. Daar staar ik naar de dooie hoek achter de kachel. Er ligt van alles, een kartonnen doosje vol stof, hout voor de kachel, een lege waterfles, een thermosfles, mijn terreinlaarzen… bah! Ik wil het huis opruimen, ik wil een betere inrichting maken. Hoe ga ik dat doen?
Ik kijk naar buiten en denk na. Ik had een paar smalle dunne planken. Die zouden prima geschikt zijn om een ruimtelijk kastje van te maken. Dat zou ik in dat hoekje kunnen zetten. Alles wat er moet staan zou er inpassen, zodat het er netjes en ruim uit ziet. Waar zijn die planken gebleven? Al snel weet ik het. Ik heb ze gebruikt als aanmaakhout. Ik weet al langer dat ik ga verhuizen. Wat moet ik straks met zo’n berg planken? Ik kan het niet allemaal meenemen. Dat heb ik me al eerder bedacht.

Ik ga op de bank zitten en weet het even niet meer. Een harde windvlaag doet mijn huisje schudden, even maar. Dan is het weer stil. Ik pieker. Hoe moet ik nu dat kastje timmeren?  Het lijkt zinloos om hier op dit moment over na te denken. Waarom zou ik nog opnieuw beginnen met bouwen, met de karige middelen die ik over heb?

Buiten blaten de schapen, maar er komt niemand aan. Ze wachten op iets, net als ik.

Ik leg me erbij neer. Ik kijk naar de rommel achter de kachel en weet, dat kastje komt er nog even niet.
Ik voel hoe de wind mijn woonwagen wiegt. Kon hij hem maar oplichten, op een stevige wolk zetten en dan voorzichtig laten zakken op de plek waar ik moet zijn. Dáár, in Friesland waar de kustwind waait, daar is het landje van mij en de anderen. Daar gaat het gebeuren. We kunnen er samen plannen maken. Er kan een werkplaats worden ingericht. In die sfeer van bedrijvigheid zal het timmerwerk een plezier zijn en kan ik mijn kastje maken en nog veel meer. Ook kan ik helpen met het bouwen aan en inrichten van het gemeenschapshuis. Waar iets nieuws geboren wordt en waar alle krachten samenwerken, daar heeft iedereen stroom mee. Maar voor het zover is! Wat een geduld is er voor nodig. Ik ben niet de enige die traint in lange adem. De wind rukt aan mijn wooncocon.

.

.

Laat ze nog eenmaal hun carnaval vieren

.

.

De Friezen die al zolang wachten. Laten ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de Dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

Ik ben nog steeds in Brabant. Mijn wooncocon staat op wielen, daarom kan ik er makkelijk voor kiezen om weg te gaan. Toch denk ik goed over die keus na. Het is bijzonder dat het nu gaat gebeuren, na vijf en een half jaar op deze minicamping te hebben gewoond en gewerkt. Nog even geduld en dan is het zover. Dan zetten we hem op een trailer, die mij en mijn huisje naar Friesland zal brengen.
Terwijl ik denk aan de verhuizing, kijk ik naar buiten. Ik kijk naar de plassen in het zand, zand, waar alles zo makkelijk op groeit. Het makkelijke, losse zand heeft de vanzelfsprekende gezelligheid van een tuin die al heel snel bloeit. Maar nu bloeit er niks. Het heeft de hele ochtend hard gewaaid. Ik open de twee bovendeuren en zie donkere wolken wegdrijven. De wind is gaan liggen. Ik open nu ook de onderdeuren en trek mijn terreinlaarzen onder het bordes uit en doe ze aan. Ik wil fietsen en rondkijken. Nu ben ik nog hier. Nu kan het. Ik struin door de plassen en pak mijn grote Gazelle uit het fietsenhok. Ik fiets door het natte land en rijd door de dorpen.

Nog nooit zag ik het, voor ik hier kwam, de stijgende opwinding van het Carnaval. Al weken prijken olijke namen bij de grens van ieder dorp, de Stopnaolden, de Durdauwers, de Tuutefluiters… Soms leg ik mijn oor te luisteren bij een passant en hoor de verhalen. Alles draait om Carnaval. Een ieder zet zich in, elk jaar opnieuw. De golf van gekheid is niet te houden. Het is een golf die groeit met de dag, tot hij schuimend en bruisend valt. Dan is er een tijdje rust, tot dat alles zich opnieuw verzamelt en dan begint het weer van voren af aan.
Straks fiets ik hier opnieuw, onder de kraakheldere hemel van februari, als het feest voorbij is. Dan rijd ik in het prille ochtendlicht over ditzelfde bospad naar Diessen en zie daar weer die verloren damesslip, vlakbij dat bankje…

Dat is wat, zo’n feest waar iedereen naar uit ziet! Dat hebben ze in Friesland niet. Of wel?

Friesland, ik ken het wel een beetje. Er vlak bij ben ik geboren. Vanuit de poldertoren kon je het bijna zien liggen. Van Emmeloord naar Lemmer is niet zo ver. We gingen er wel eens kamperen. Het land was net zo vlak als onze polder, maar tegelijkertijd was het heel anders. Ik zag de geschiedenis van de sloten, de graspollen die ruiger groeiden dan de onze, de kronkelige waterlopen. Bij ons was alles recht en monotoon. Ik hield van de klei, van het zoete en zoute water van het oude land, meer dan van het land waar ik geboren was. Ik ken de klank van hun taal. Ik weet ook dat ze wachten. Daar zijn ze keigoed in en niet alleen de boeren, die hun oogst uit de trage klei willen halen. Er is méér waarop ze wachten. Wachten maakt kracht, kracht, om te gáán. Hun Friese verlangen gaat uit naar één ding.

“Het carnaval van het noorden”

De Friezen wachten jaar naar jaar en soms, ineens, dan is het er. In 1986 en in 1997 gaan de schaatsen uit het vet. Een bonte mengeling van mensen krioelt op pleinen in dorpen, naar de bruggen, op weg in een stroom naar vaarten en meren. De tocht leidt door dorpen, elf in getal. De Tocht der tochten is een gekkenhuis. Kapotte knieën, blauwe tenen, gebroken kaken en/of benen, werkelijk niets houdt de Friezen tegen. Het is nu of nooit.

Maar het wachten duurt steeds langer. Wordt hun liefste wens nog ooit vervuld? Als de wereld dan toch warmer wordt, dan gun ik de Friezen het poolijs dat wegdrijft in de oceaan.
Laat het zijn weg naar Friesland vinden, laat het hun meren en sloten bevriezen tot het hardste en gladste ijs wat er is. Laat ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar dan bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

.

.

Marjolein van ’t Spoorhuis in Utrecht stuurde mij deze link. De jaren zestig waren rebels en bevrijdend. Niet alleen in Amsterdam waaide deze tijdgeest, ook in Tilburg met carnaval.

.

.

Kleine enquête

Ik fietste rond in de omgeving van Brabant waar ik woon. Ik stelde een aantal mensen de volgende vraag. “Doet u mee met carnaval?” Soms ontstond er een lang gesprek. Dit is een korte weergave.

Haghorst, jonge twintiger: Geweldig, we leven er naar toe en al mijn vrienden doen mee.
Haghorst, man veertiger: Ik ga er wel even heen, maar niet vol ertegenaan.
Haghorst, twee zestigers: Carnaval is voor de jeugd. Wij passen wel op de kleintjes.

Meisje onderweg, twintiger: Ik woon in een klein dorp bij de Belgische grens. Ik ga altijd met een groepje. Bij ons doet het hele dorp mee, alleen mensen boven de zestig doen het wat rustiger aan. Maar ze komen wel meegenieten van de optocht.
Ik studeerde in ‘s Hertogenbosch, daar was de hele stad ook één groot feest met carnaval.

Moergestel, man vijftiger: Ik ga er nog wel even heen! Hier wordt carnaval echt gevierd! Er zijn wel vier carnavalsverenigingen, allemaal met eigen pronkwagens, kleding en hun prinsen. Ik denk dat carnaval hier nooit zal verdwijnen.

Moergestel, vrouw van de kledingwinkel, zestiger: Toen ik kinderen had van 10 en 11 ongeveer, toen was het geweldig, al die moeders met hun kinderen waren er. Dat was zo gezellig! Maar we deden niet de volle vijf dagen mee, dat was te lang voor de kinderen en voor ons. Het is vooral de jeugd die doorgaat van begin tot eind. Steeds meer ouderen geven hun geld liever uit aan wintersport dan aan bier met carnaval. Er zijn nog wel ouderen die wel graag zouden willen, maar die hebben dan niemand meer om mee te gaan.
Carnaval gebeurt hier vooral in zalen en op pleinen. In Weert is het nog echt op straat. Als je carnaval wil beleven, moet je daar naar toe!

Ik denk dat ik het doe ook! Ik heb nu de kans nog.

Doop in het land bij de zee

.

Friesland. Een land met kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar schrok iedereen op van  een flinke tornado. Je kan er van alles verwachten, in deze tijd vol extremen. Ik ga er toch heen. Dit jaar ga ik verhuizen.

.

EÉN van de schapen blaat. Vanuit mijn raam zie ik de andere schapen naar het hek rennen. Tussen de spijlen door kijkt het eerste schaap reikhalzend over het veld. Komt er eten? Is het de beheerder? Ik sta op van mijn bank. Als het de beheerder is dan moet ik zeggen dat de stroom er uit ligt. Ik hoor het schrikdraad niet meer tikken. Ik loop naar het raam van mijn deur en kijk. Het is niet de beheerder.
Een vrouw komt rechtstreeks naar mijn huisje gelopen. Ik open de bovendeuren. Ik voel de koude vochtige buitenlucht naar binnen stromen.
“Hallo!” roep ik haar toe. Ik ben een beetje verbaasd over dit onverwachte bezoek en moet mezelf even wakker schudden.
“Hoi, ik ben Judith,” zegt de vrouw “Ik had toch gezegd dat ik deze week zou komen?” Ik knik enthousiast. Judith leest graag mijn verhalen. Ze heeft het glas in lood raampje gemaakt, dat in de nok prijkt, hemelsblauw en rood. Het is prachtig. Ze heeft het opgestuurd met de post. We hebben elkaar nooit ontmoet.
“Ik ben een beetje dromerig, want ik ben vannacht snipverkouden geworden,” zeg ik.
“O, ik ga zo weer verder hoor,” lacht ze en komt dichterbij lopen tot ze vlak voor me staat.
“Zie je je raampje wel zitten?” vraag ik en doe een stap opzij zodat ze het kan zien. “Ja hoor,” knikt ze, zonder er veel aandacht aan te besteden. Dat is nogal logisch, ze heeft het allang gezien, want ik heb de bouw van mijn woonwagen uitgebreid gedocumenteerd en naar haar doorgestuurd.
“Leuk dat we elkaar nou zien,” zeg ik. Judith knikt tevreden. “Weet je wel dat ik binnenkort naar Friesland verhuis,” ga ik verder “Ik heb gisteren de bevestiging gehad dat het doorgaat. Het is een landje bij een vervallen boerderij. Het ligt schuin onder Leeuwarden.” “O, Friesland?” Haar gezicht licht op. “Wat leuk, ik heb veel meer met het noorden dan met het zuiden.”
“Ja, ik eigenlijk ook.” Ik denk aan de dag dat ik hier terecht kwam, volkomen vreemd in het Brabantse platteland. Zes weken lang werd ik wakker met de gedachte, wat doe ik hier?? Ik kijk naar Judith. Ze kijkt voor zich uit en glimlacht.
“Wat is dat voor plek, waar je heen gaat?” vraagt ze dan.
“Het heet Frijlân,” vertel ik opgewekt. “Het is nog in oprichting, het contract met de gemeente is deze week getekend. Ik ben nu de vierde die meedoet. We kunnen er ècht gaan wonen. Het vervallen gebouw wordt opgeknapt voor de gemeenschap. Alles wordt nieuw leven in geblazen. Mijn leven en visie strookt met het hunne en ze zijn blij met een Tiny House in hun midden, mijn wooncocon is de eerste! Ze willen er graag meer. Er komen ook yurts, om te beginnen. Dat zijn die ronde tenten uit Mongolië, met een houtkachel in het midden.”
Judith luistert aandachtig. “Ja ik ken ze. Maar zeg… Is het in de buurt waar die nieuwe woonwijk komt?”
Ik knik. “Het ligt er pal naast.”
“Dan weet ik waar het is! Een vriend van me kijkt daar altijd naar weidevogels.” Judith kijkt er wat treurig bij.
“Ja, er zal een hoop wei verdwijnen. Maar er komt wat voor terug. Dit wordt vast iets moois. Vaak draaien dit soort plekken om zelfvoorzienend leven, maar dit is een plek waar ook de omgeving bij betrokken wordt, mens èn dier.”
Judith haar blik gaat even naar de witte schapen met hun krullende horens. Met hun tanden schrapen ze de schors van de bomen. Kennelijk zit daar iets in wat ze nodig hebben. Dan kijkt ze weer naar mij. “Ja het geeft vaak problemen als mensen een paradijs voor zichzelf willen houden.” beaamt ze.
“Dit wordt een gastvrije plek, ” antwoord ik kort. “Kom maar eens langs, als het zover is. Ik geef wel een seintje.”
Judith knikt tevreden. “Dat ga ik zeker doen!”
“En dan kom ik een keer bij jou,” zeg ik.
Dat is goed. Judith bedankt me hartelijk dat ik tijd voor haar nam en loopt terug naar het parkeerterrein.

Ik mijmer nog even na over dat bijzondere project, Frijlân, waar ik straks deel van uit maak. Wat maakt het zo bijzonder? Het is niet grootschalig, het begint klein. Dat maakt het levensvatbaar, dat maakt dat het rustig kan groeien. Het verwelkomt nieuwsgierigheid naar andere manieren van leven en mensen met hart voor de natuur. Het wordt vast een levendige plek die aanstekelijk werkt om nieuwe ideeën uit te werken. Er zal een eetbaar landschap ontstaan waarin ook dieren zich thuis voelen. Straks sta ik met mijn wooncocon op hun minicamping, als “artist in recidence”. Wat ga ik er doen, vraag ik me af. Maar ik zet de vraag gauw uit mijn hoofd. Ideeën heb ik genoeg. Eerst maar eens kijken.

Het is weer stil. De schapen hebben de boom met rust gelaten en liggen in een hoek van de wei te herkauwen. Er steekt een windje op en mijn huisje schudt zachtjes. In Friesland zal het nog veel harder waaien. Daar is kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar was er zelfs een tornado. Ik lach om mezelf. Had ik mezelf maar geen “ambassadeur van de leegte” moeten noemen. Dat vraagt om een doop in het uiterste noorden, dat vlakke land bij de zee.

.

https://m.facebook.com/Frijlan/

.

 

.

 

Voet aan de grond

.

.

 

Ik bouwde een huisje op wielen
en ga.
De Aarde zelf
weet wel waarheen.

Ik ga waar de bodem
mij asiel verleent
om klei te wroeten
compost te broeien
voet aan de grond
om te groeien.

Ik ben in klei geboren
en ben te gast op zand
om dit van de grond
in de hoogte te bouwen
ik investeer mijn ademhaling
in dagelijks vertrouwen

Waar ga ik heen
naar welke taak
ik wil geen toerist zijn
slechts voor vermaak.

En alléééé

dan is het er
of wellicht was het er al

Ik krijg voet aan de grond
een gunst aan mij verleend
Ik spreid het laken
voor ‘t laatste stille ontbijt
krachten worden nu vereend
en alles is op tijd
om een brede lach te maken
om lippen
van elke mond

Dat ieder zich verheugen kan
op die ochtendstond
nog verzonken in mist
en het ei dat zachtjes sist
in de koekepan

.

.

 

De wolken achterna

.

.

Ik loop rond de werktafel en verzamel een handje vol kromme spijkers. Ik ben weer alleen op de camping en werk aan de luiken, die voor de ramen komen. Ze worden hemelsblauw met een lila rand en zullen me beschermen tegen hitte en kou. Ik sta stil en kijk naar de horizon. De toppen van de bomen staan roerloos, alleen de wolken bewegen. Heel zachtjes drijven ze verder. Gelukkig, denk ik, niet àlles is roerloos.

Wat moet ik met die spijkers? Ze zijn klein en dun en van roestvrij staal. Het RVS is wat zacht voor het harde hout, dat ik voor de vensterluiken gebruik. Ik sla ze steeds krom. Ik had beter staal kunnen nemen. Keihard staal.

Er is geen zuchtje wind. Het maakt me suf. Slaperig gooi ik de kromme spijkers in een afvalemmer. Ik duik onder de wagen en pak het doosje oude roestige nagels. Er zitten er nog net genoeg in. Roestig of niet, deze laten zich tenminste rechtstandig in het hout slaan.

Ik werk tot het schemerig wordt. Ik zaag, ik lijm, ik schroef en ik timmer. Al doende word mijn hoofd helder en zelfs de zachte spijkers gaan er nu  loodrecht in. Ik werk tot ik het vijfde luik af heb. Een lichte bries steekt op. Steeds meer wolken bedekken de blauwe hemel.

De zon zakt als rood goud weg achter de vlierstruik, tussen de takken van de eikenboom en verder zakt hij, achter de meidoornhaag, tot hij alleen nog maar uit gouden vonken bestaat, die schitteren tussen de bosjes.
Ik kijk er naar, mijn handen hangen slap naast mijn lijf. Het is genoeg. Tevreden sta ik naast mijn werk. Vijf van de vensterluiken zijn klaar, ik moet er nog drie. Ik tuur naar de toppen van de bomen. Ze bewegen nu heen en weer in de wind. De wolken drijven verder, op weg naar de horizon. Ze verdampen, regenen leeg of ze waaien uit elkaar door de wind. Gelukkig, er is beweging. Niets staat stil, nooit.

Ik stapel het hout op elkaar, de onderdelen die ik heb afgemeten en uitgezaagd. Ik bedek het tegen de dauw en berg het gereedschap op. Morgen ga ik weer verder. Nog even. Nog even doorwerken. Dan kan ik straks misschien de wolken achterna, wie weet met welke bestemming..

.

.

.

Almaar lichter

.

De verf van mijn nieuwe buitenkeuken is nog zacht, maar ik wil koffie zetten, met verse geitenmelk. Alles is zo nieuw!  Daar sta  ik, voelend waar de wind vandaan komt, voor het gasstel, met in de andere hand de aansteker.

.

Met twee lege flessen in de hand, sta ik bij de open deur van een kleine koele ruimte. Het is er wit betegeld en schoon. Vóór mij staat een grote roestvrijstalen tank, waarin geitenmelk is opgeslagen. De boer komt aanlopen, een veertiger met rode krullen. Ik groet hem en geef hem mijn flessen. „Ik hoef in het vervolg maar twee liter melk, want ik heb geen koelkast meer,“ zeg ik terloops. Hij kijkt zo verbaasd alsof hij een geit ziet vliegen. „Tja, ja, eeeh… “ stamelt hij, „Het kàn natuurlijk wel…. als het niet goed meer is proef je het wel!“ Ik moet stilletjes lachen om zijn gezicht. „De nachten zijn koud en ze staan in de schaduw. Als het warmer wordt maak ik een kuil,“ zeg ik.
Hij kijkt nog steeds een beetje aarzelend. „Tja, toch zal het wel niet voor niets zijn uitgevonden. Dan moet het vast handig zijn, zo’n koeling.“ meent de boer.
„Vast,“ bevestig ik zijn woorden.“Maar ik vind het leuk om uit te vinden wat er nou écht in de koelkast moet. Het valt reuze mee. Groenten kun je op een koele plek leggen met een natte doek erover. Bladgroenten kunnen in een vaas of kleine emmer met water. Dat gaat prima. Mensen doen tegenwoordig bijna álles in de koelkast! Dat vind ik zwaar overdreven.“
„Ja dat klopt. En sommige dingen mògen helemaal niet zo koel,“ is hij het met me eens.
„Zoals komkommer en banaan,” vul ik aan.
Hij lacht.

Het weg doen van de koelkast is maar één ding. Er is veel meer wat weggaat. Het zijn keuzes die dieper gaan. Vanaf mijn dertigste ben ik veel met materialen en machines bezig geweest. Mijn handen wisten steeds beter wat ze moesten doen en mijn inzicht in de materie groeide. Deze wagen is de kroon, de afsluiting van die tijd en tegelijk een nieuw begin.
Nu mijn wagen bijna af is, rijst de volgende vraag. Wil ik dit blijven doen? Bouwen, schroeven, schaven, zagen en schuren? Wil ik het gereedschap en ijzerwerk, alles wat ik al zolang met me meedraag nóg langer meenemen? Het is een zware last. Een deel ervan is nog afkomstig van de werkplaats van mijn overleden man.

Ik weet het eigenlijk best. Ik kies voor licht. Elke keer weer. Ik geef weg wat ik niet meer kan gebruiken. Handige verzamelaars zijn er blij mee. De oude ELU schaafmachine, de nieuwe cirkelzaagtafel, een paar grote lijmklemmen en de gietijzeren slijpmachine. Ik heb het allemaal in mijn handen. Uiteindelijk komt de Japanse kettinglier aan de beurt… Het is dezelfde waarmee we ooit onze prachtige tuindersvlet van de bodem hebben gehesen en gered. De boot waarmee ik vijftien jaar rondvaarten deed.
Ik kies en kies nog eens. Ik houd de basis bij me. Het moet genoeg zijn voor het dagelijkse werk rond de wagen en in de tuin. Maar ook een zware werkriem met een grote musketonhaak en het lange touw gaan mee. Ik hoop toch nog eens een hut te bouwen in een mooie boom.

Telkens denk ik, nou stop ik met weg doen. En toch blijkt het elke keer nog steeds te zwaar, te veel, wat ik heb. Bij alle keuzes die ik maak, bepaal ik mijn toekomst. Door het één uit te sluiten, worden andere wegen geopend. Ik verlang ernaar licht te zijn, met gemak te kunnen bewegen. Liever deel ik al mijn ervaringen in ideeën, tekeningen en verhalen, dan om verder te trekken als een rijdende werkplaats. Dit doel wil ik scherp houden. Dàt is belangrijk. En bij elke kist die ik wegdraag, komt mijn volgende bestemming dichterbij.

Als ik het moeilijk vind, dan denk ik dit: Er zijn mensen die kiezen voor lichtheid en anderen zijn verzamelaars. Mocht ik ooit helpen bouwen aan een natuurtempel, gemeenschapshuis of huttendorp, dan is mijn ervaring en souplesse méér waard dan dat ik allerlei materiaal meesleep. Bovendien kan ik kijken en luisteren en heb geduld. De verzamelaars hebben de spullen. Zo heeft iedereen zijn taak. Dit te beseffen, dat helpt mij kiezen. Samen dóen we het.

.

Kiezen is niet mijn liefste ding
maar een springer kiest voor matiging
De piste schoonmaken is wat ik doe
om straks en ik zal weten hoe,
op beide voeten klaar te staan
en voor de volgende sprong te gaan!

                        .

                        .

                       .

                       .