De laatste hand aan de dingen

.

.

Ik sta over mijn onderdeur geleund, kijk en geniet. Als je bijna weggaat koester je de dingen nog meer. De ochtendzon schijnt lijkt nog helderder te schijnen en schittert in het water. Bij het riet en de wilgebomen fladdert, kruipt en zwemt van alles. Onophoudelijk klinkt het schorre gepiep van jonge meerkoeten. Af en toe hoor ik een plons van het jagende visdiefje en ik bewonder de behendigheid van de kleine stern.
Aan de noordoostkant zie ik de skyline van Leeuwarden en de autoweg die de stad omringt. Ik zie auto’s en vrachtwagens voorbijgaan zonder dat ik ze hoor, want de wind komt uit het zuidwesten. Het enige geluid is het ruisen van het riet.

Wat zal ik achterlaten? Het is boer Jochum die me bedankt voor het junspraetsje* voor het slapen gaan. Hebe, de vijftienjarige zoon van Anneke, de eerste jongen die ontdekt heeft dat hij mij kan laten gillen als hij me aan het schrikken maakt. Anneke zelf, die een kist vol duetten blijkt te hebben en met mij dwarsfluit wil spelen, net nu ik wegga. Maria, met haar stille aandacht voor alles wat haar omgeeft. En ook de spontane Hillegonda en haar man Berry, die samen zo’n warme belangstelling tonen voor de wereld.

Ik staak mijn overpeinzingen. Er is nog veel werk te doen. Ik spring van het bordes af en kom in de benen.
Ik wil twee smalle kastjes. In de schuur van Jochum heb ik een bergje beukenhouten latjes gescoord, dat uit een bedbodem komt. Ik kan het goed gebruiken en werk geconcentreerd door tot het klaar is. Dan plaats ik mijn aanwinsten zorgvuldig op het bordes, aan weerszijden één. Het rechtse kastje is voor afval, de linker voor flessen water. Tevreden kijk ik naar mijn extra bergruimte. Hèhè, dit is een goeie zet.
Ik loop naar de bagagewagen om op te ruimen. Ik ben zo blij met dat ding! Ik zou hem niet meer kunnen missen. De wagen heeft vijf gebruikslagen.

Op het deksel zitten zes flexibele panelen die stroom leveren voor de mover XL waarmee ik mijn huisje trek.

Aan de binnenkant van het deksel komen drie schilderijen te hangen, die ik nog ga maken.

In de bak is de buitenkeuken, een plank met gasstel, gasfles en wat potjes en pannen. Het aanrecht ligt op dezelfde hoogte en bestaat uit twee brede stroken plaatmateriaal.

Als je die opzijschuift zie je mijn werkplaats. In keurige zwarte veilingkistjes vind je een mooie sortering aan gereedschappen en materialen. Ik laat mijn oog gaan over machines, bouten, schroeven, stroken EPDM, touw, harpjes, slangeklemmen en nog veel meer. Ik knik tevreden.

Dan buk ik me om onder de bodem te kijken. Daar is de vijfde laag van mijn multifunctionele kar. Ik heb er eenzelfde veilingkistje bevestigd. Het dient als koelkast. Hangt het nog steeds recht? Ja, het hangt goed in de touwen en de boter die erin ligt is ook niet gesmolten.

Na een dag werken in de hete zon ben ik echt moe. Toch neem ik de moeite om de hele rotzooi keurig op te ruimen en ik kan mijn kar weromtsjoenen* tot een mooie keuken. Ik raap de laatste energie bij elkaar om de deksel dicht te doen. Maar net op dat moment laten mijn spieren het af weten. Met een bonk valt het deksel op mijn rug. Au.
Die avond doe ik rustig aan. Voor ik naar bed ga doe ik het kelderluik in mijn woonwagen open, om een appel te pakken. Drie nachtvlinders en twee oorwurmen kruipen verschrikt in de plooien van mijn mooie zomerjas, die er naast ligt. Ik laat ze maar. Voor ik weg ga schud ik de boel wel even uit. Ik sluit het luik, neem een hap van de appel en kijk naar mijn blote rug in de spiegel. Het doet niet zeer en er is geen blauwe plek. Mooi zo. Maar een gewaarschuwd mens telt voor twee. Morgen maar eens een dagje niksen.

*Junspraetsje: Avondpraatje in het Fries.
*Weromtsjoenen: Omtoveren in het Fries. (Vergeten woord)

.

.

.

PS: Ik heb nog iets gedaan. Op de mover heb ik de reserveband van de bagagewagen gelegd. Daarop ligt een dik vierkant tafelblad van 110 x 110 cm met afgeronde hoeken. De tafel is gedekt met een licht, hemelsblauw tafelzeil dat er uit ziet als linnen. Ik heb het vastgeklemd met kleine roestvrijstalen klemmen. Als ik onderweg ben loop ik dus met een gedekte tafel, en in het midden komt een antieke fruitschaal te staan met bananen, appels, sinaasappels en ongepelde noten.
Nu heb ik al speurend op internet een leuke ontdekking gedaan. Warempel, bij een winkel voor medische hulpmiddelen vond ik adaptwandelstokken met zitje. Die kan je uitklappen. Het wordt dan een krukje met drie poten en het zitje heeft dezelfde kleur blauw als mijn tafelkleed. Haha! Meteen besteld natuurlijk! Drie stuks. Iedereen die mee wil krijgt een wandelstok. Bezoek tot maximaal 2 personen anders moet ik bijbestellen.

.

Wanneer de haan kraait zonder mij

.

Alleen als er op onverwachte momenten een herinnering terugkeert en wij ontvankelijk zijn voor het belang en de waarde ervan, “komt de permanente, doorgaans verborgen essentie der dingen vrij en ons ware ik, dat soms al dood leek te zijn, maar het niet helemaal was, ontwaakt en roert zich”. (De tijd hervonden, Proust, p. 14.)

.

De zon schijnt door de ramen. Het wordt een zonnige dag en de opperhaan kraait schel en hard voor mijn deur om eten. Door het raampje zie ik zijn zwarte hennetje, die op het bordes springt. Een zwart kraaloog kijkt me vragend aan. Ik trek me er niks van aan. Ik zet de computer aan en open mijn mailbox. Er is een reactie op mijn laatste verhaal. Fijn, daar ben ik altijd blij mee. Dit is wat ik lees:

Alowieke, ik geniet van je verslagen. Hoe komt het dat er zoveel drang in je ziel zit om verder te reizen..? Nieuwsgierigheid? Bindings-angst? Dol op onderweg zijn…?

Ja in mijn ziel huist een flinke portie levenslust en nieuwsgierigheid hoort daar zeker bij. Maar ik ben ook een beetje verbaasd. Dol op onderweg zijn? Dat weet ik niet. Ik ben haast nooit onderweg en zo is het altijd geweest. Ik ben al zeven jaar bezig weg te gaan.

Het is vrij abnormaal in deze tijd, als je in je leven nauwelijks of niet hebt gereisd. Misschien dat sommige bloglezers het helemaal niet in de gaten hebben, omdat ik het er zo vaak over heb.Toch is het zo, sinds ik het ouderlijk nest verliet ben ik maar een paar keer het land uit geweest. Ja, ik heb twee keer echt gereisd en dat was in Nederland. Eén keer een maand op de fiets in mijn eentje, op mijn zevenentwintigste. Dat was toen mijn gebroken been eindelijk genezen was, na twee lange jaren.
De andere reis was met mijn man. Zes weken lang voer ik met hem door onze rivieren en sloten, kanalen en meren, met onze tuindersvlet. We sliepen onder de luikenkap en hadden een allesbrandertje aan boord waar we regelmatig pannekoeken op bakten. Het was een bijzondere reis. Toch was het geen zorgeloze tocht, want mijn man had toen al een slechte gezondheid en moest altijd spuiten voor zijn suikerziekte.

Ik heb me jarenlang gebonden aan de zorg voor mijn man en zijn nalatenschap. Verder zorgde ik voor behoeftige ouderen, hield trouw contact met mijn moeder die ik elke dag belde, ik zorgde dat het rondvaartbedrijf piekfijn werd voortgezet en nam de zorg voor al het materiaal heel serieus. Reizen kwam niet voor in mijn programma. Ik gaf mezelf met toewijding aan de taak die ik te volbrengen had.

In 2012 vloog ik uit. Ik was eindelijk klaar en kon alles achterlaten. En nu heb ik me zeven jaar lang voorbereid om zó te reizen, dat ik mijn huisje mee kan nemen. Omdat ik het zelf gemaakt heb, is het een deel van mezelf. Het is echt helemaal mijn plek. En waar ik ook ben, kan ik mensen uitnodigen in mijn paleisje. Dat maakt me blij en sterk. Het opent gesprekken. Het zijn die gesprekken waar ik naar verlang.

Hoewel ik erg weinig heb gereisd, zit het wel in mijn bloed. Als kind speelde ik zwerfhondje en struinde ik dagenlang door het Emmeloordse bos, alsof het een oerwoud was. Ik hield van ontdekken, alles onderzoeken wat mijn aandacht vroeg. Dat heb ik nog steeds. Maar al is mijn nieuwsgierigheid dezelfde als toen, het is wel gek, om een start te maken, na al die jaren.

Ik rijd straks gewoon naar de dijk langs de Waddenzee en die volg ik tot de Marlanner Kaashoeve. Mijn enige verantwoordlijkheid is mijn blog en te luisteren naar het land en de mensen, verder niets. Ik verlang naar die lichtheid. Het is een sprong in het koele diepe water. En dan verder zwemmen.

De haan kraait nog een keer en springt naast de hen op het bordes. Met zijn tweeën kijken ze me aan door het raam. Straks zijn er geen kippen meer. Dan zijn er rollende wielen op een weg. Dan zijn er de muggen die dansen boven mijn hoofd, terwijl ik wandel.

.

PS Ik mag altijd terugkomen op de Swetteblom. Van zulke positieve mensen kun je er nooit genoeg hebben, zegt boer Jochum.

.

 

Afronden en klaarmaken

.

.

Daar sta ik dan om elf uur, afgesproken tijd. Ik heb hard gefietst om op tijd terug te zijn. Ik heb mijn fiets op de standaard gezet en mijn rugzak op mijn bordes gelegd. Nu sta ik bij de zithoek. Maar er is niemand te zien. We zouden voor de eerste keer samen in de tuin gaan werken. Genoeg mensen waren enthousiast over een samenwerkmiddag. Maar toch, de één moest zich wel goed voelen, de andere vier zijn wèl bezig met verhuizen, weer een ander gaat drie maanden lang naar Ierland om gedichten te schrijven. Bijna allen zijn dit hele jaar weinig beschikbaar. En Mirre wil de boel graag trekken, maar moet toch steeds rekening houden met haar invalide man. Ik hoop dat het goed komt!

Ik ga naar Jochum, hij heeft het telefoonnummer van Mirre. Ik bel haar meteen. Ze vindt het ontzettend rottig dat ik speciaal teruggekomen ben voor deze afspraak en dat ze er niet is. Haar man is niet zo goed vandaag en het lijkt een koude dag te worden.

De volgende dag is Mirre er heel nadrukkelijk wèl, met lekkere koffie en koek. Ik roep rond dat we gezamenlijk gaan koffiedrinken en dan zitten we daar opeens met zijn vijfen. Er ligt al een tijdje een schoolbord tegen de muur. Daar kwam Tineke mee, een paar weken geleden. Ze was blij dat het een functie kreeg. We pakken het schoolbord en vinden een goed krijtje. We vragen aan Jochum wat hij belangrijk vindt. Het krijtje in mijn vingers vormt woorden op het zwarte vlak. Ook anderen weten wel iets in te brengen. Boer Jochum glimlacht. “Als je nou af en toe zò wil kijken, dan weten wij dat je er blij mee bent!” zeg ik grijnzend en hij knikt tevreden. Vrij snel ontstaat er een lijst. En een uurtje later staan we brandnetels te trekken.

Mirre zegt dat ze, wanneer ze maar kan, op zaterdag en woensdag in de zithoek zit om dit voort te zetten. Ze heeft een boot in de Swette liggen en zij heeft ook geen privéterrein, net zo min als ik dat heb, met mijn Wandelhuisje. Haar man zit sinds twee jaar in een rolstoel. Ze is erg gemotiveerd om naast de zorg voor haar man, iets moois op te bouwen met de mensen van de Swetteblom. Dus haar motivatie staat als een paal boven water. Wie er is krijgt koffie en daarna is er het werk.

Dit geeft mij ruimte. Als zij de stationair motor wordt, al is het nu even op een laag pitje, dan kan ik me voorbereiden op vertrek. Dan is mijn taak gedaan, het aanslingeren van vernieuwing. Zo kan ik met een gerust hart gaan. Langzaam maar zeker verandert alles ten goede.

.

De Swetteblom is een groene oase met hoge bomen aan het water. Het is een plek waar mensen kunnen bijkomen van alle hectiek. Ik plantte er vijf en veertig bloesembomen. Ik rooide brandnetels en maakte een tuin langs het pad. Ik maakte samen met Jochum een zithoek bij de boerderij en sprak veel met hem en bewoonster Maria. Ik hoop dat wat ik achterlaat inspiratie biedt om verder te bouwen. Om samen te werken aan gemeenschappelijke ruimte van groeiend en bloeiend groen. Laat het een deel worden van een eindeloze ketting van bomen en bloemen, waar steeds meer mensen aan mee zullen werken. Daar duim ik voor.

.

Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

Opruimen als levenstaak

.

.

Ik sta bij mijn opslaghoek, in de schuur. Het gaat weer gebeuren. Voor de ik-weet-niet-hoeveelste-keer, ga ik opnieuw kiezen wat ik meeneem op mijn levenspad. Voor me staan zwarte veilingkistjes, met daarin gereedschappen, band, rolletjes EPDM, touwen van diverse diktes, schroeven, bouten en moeren, beitels, een lang snoer en een piepklein ladenkastje vol handige dingetjes, zoals slangenklemmen, musketonhaken en een prachtig hardhouten katrolletje. Ik wil helemaal niets meer weg doen. Maar als het moet, dan moet het.
Buiten staat de bagagewagen. Eén meter twintig breed en twee meter lang is hij.Er zit een mooi deksel op van dunne staalplaat, dat schuin afloopt naar beide zijkanten. Het is niet groot, maar misschien nèt genoeg.
De inhoud van de kistjes is netjes gesorteerd, sinds de verhuizing. Eén voor één zet ik ze er in. En wat heerlijk, het past precies! Ik maak een sprongetje van blijdschap. Ik hoef niet nog meer weg te doen. Dit is het! Dit is echt wat het is, wat ik meeneem op mijn tocht! Het is het eindresultaat van 18 jaar kiezen.

.

Voor de Correspondent schreef ik in een reactie een rake en beknopte samenvatting onder een stuk over opruimen. De vraag die gesteld werd was: Hoe ontprikkel jij je leven? Dit is mijn antwoord.

 

O, deze vraag is mij op het lijf geschreven. Er zit een heel lang verhaal aan vast. Ik verloor mijn man op mijn 37e. Ik bleef achter met een enorme berg emoties en spullen. Ik had een heel oud huis (een werfkelder in Utrecht) een hele werkplaats tjokvol machines, houten kunstwerken, ijzer, boomstammen, dekenkisten, draaibanken, bouten en moeren, oude gereedschappen, wieltjes, enz enz. Alleen al de werkplaats was 70 M2 met grote bergen en een paadje erdoorheen. En dat was nog lang niet alles. Want ook was er de vloot van vier boten. De grootste was 20 meter, een schip uit 1903, onze grote droom. Mijn man en ik wilden het schip in de oude staat herstellen en een varend bestaan gaan leiden. Wat moest ik doen? Kon ik de droom handhaven? Waar moest ik beginnen?

Het was een bijzonder proces, het opruimen. Ik heb er 12 jaar over gedaan, in diverse fasen. Hier in het heel erg kort:

1 Ik heb een jaar aan het schip gewerkt met een groepje van 3 vrijwilligers, elk weekend. Het was niet te doen. Ik werd er doodmoe van en het kostte veel te veel geld. In totaal besloeg het oppervlak aan onderhoud wat ik had 800M2, schepen en huis samen. Dat was van de zotte. Ik verkocht het schip en zette mijn rondvaartbedrijf voort met een kleinere.

2 Ik maakte van mijn huis een werkplaats met oude gereedschappen. Daar heb ik zeven jaar over gedaan.

3 Ik was klaar en het was mooi geworden. Ik dacht, ik maak er een repaircafé van. Er kwam een vrouw binnen van Repaircafé Nederland om te vertellen hoe dat moest. Ik zei haar goedendag en voelde me leeg. Ik wist het even niet meer. Ik besefte dat ik alles deed uit respect voor hem, om het een plek te geven. Wat wilde ik nu zelf??

4 Ik ruimde een groot deel van wat ik had opgebouwd weer op. Dat was enorm zwaar werk. Het leek wel een grafkelder, die werfkelder van mij, zonder daglicht met al die oude spullen, sommige bewaard vanuit nostalgie, andere om hun schoonheid of vanuit functionele overwegingen, alles leek nu doelloos geworden.

5 De kelder was voor een groot deel leeg en moest opnieuw worden opgeknapt. Ik kon niet meer, was helemaal op en organiseerde maandelijkse klusfeesten. Als toevalstreffer ontmoette ik een netwerker die me hielp mensen te verzamelen.

6 Na een jaar was de kelder omgetoverd tot een prachtige middeleeuwse catacombe. Witte muren en spaarbogen, de laatste twee bogen nog de oude kloostermoppen, een groot sisalkleed van 32 M2. Als dank organiseerde ik elke maand een feest met vuur en soep. Er kwamen veel muzikanten op af. Het werd een succes.

7 Het was niet mijn bedoeling een muziekcafé te worden. Het was voor mij allemaal bedoeld als afscheid. Ik had behoefte aan een heel klein en eenvoudig huis. Ik kocht een woonwagen van 12 M2. Ik zette de feesten stop en plantte een bord in de tuin, samen met de makelaar. TE KOOP.
Binnen een half uur was het verkocht. Voor de vraagprijs.

8 Ik leefde in de woonwagen op een camping en schreef me in bij vrienden. Ik ontdekte hoe ik mijn eigen ideale huis voor me zag. Ik begon te ontwerpen. Na drie en een half jaar was het klaar. Een huis dat nog kleiner was, en waar ik mee de weg op kan. Een wooncocon op wielen. Daarin woon ik nu.

9 Ik ben nu 53 jaar oud. Ik maak me klaar voor een hele lange voettocht, met mijn huis achter me aan. Ik wil kijken of ik er een elektrische mover voor kan zetten. Ik hoop dat het lukt! Maar zou eigenlijk niet weten waarom niet. Ik moet wél nog meer spullen gaan opruimen…

.

En nu is het gelukt! Ik ben zover. Ik kan in de lente op pad gaan. Ik ga met wat ik heb, niets meer en niets minder. Na al die tijd is het moment gekomen.

 

Klik hier voor de link naar het artikel in de Correspondent.

 

Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Halters in het maanlicht

.

De maan verbindt ons met elkaar, als één groot lied van de nacht

.

Het is vrijdagavond en windstil. De laatste roodborstjes zijn gestopt met zingen, de boeren zijn gestopt met het injecteren van drijfmest en het ploegen van het land, de Brabantse mannen zitten bij hun gezinnen en drinken hun biertje. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik heb mijn plan uitgevoerd, ik maakte een goeie condenskier onder de dakrand. Tevreden zie ik de details voor me, het is gelukt, ik weet bijna zeker dat dit gaat werken. Nu de andere helft van het dak nog. En dan?

Dan is het tijd om te vertrekken naar Friesland. Een vreemd idee lijkt het. Ik kijk naar buiten. De zon is al helemaal onder gegaan. Ik heb de luiken nog niet gesloten. Wat is het stil! De tijd lijkt stil te staan als in een schilderij. Het is of ik hier nog eeuwen zal blijven, alsof er nooit iets zal veranderen. En dat terwijl ik hier misschien al heel snel weg ben! Gek hoor, een vreemd idee.
Ik gaap en staar dromerig door het raam. Het licht van de maan schijnt in de vijver. In de wei staan de schapen nog steeds te grazen. Ik gooi mijn benen van de hoge bank af en sta op om naar buiten te gaan en de luiken te sluiten. Ik schuif een half vergane rieten stoel onder het raam en zet mijn voet op een plek waar geen gat is. Ik glimlach tevreden en duw tot ik het luik zachtjes dicht hoor klikken. Met luiken dicht is mijn huis een echte wooncocon, waar je heerlijk in kan slapen. Nu de andere kant nog. Aan de andere kant staat de steiger, omdat ik daar nog aan het dak moet werken. Ik klim op de dikke planken en sluit ook deze kant af.
Ik klauter weer naar beneden en blijf bewonderend staan. De hemel is zwart en de sterren lijken op speldenprikjes in bordkarton. De toenemende maan is helder. Het is dezelfde maan als die in Friesland schijnt, dezelfde als op Frijlân. En ook is het dezelfde als die een Nederlandse sojahaven oplicht in Brazilië en die het verlaten dorp beschijnt wat er naast ligt. Er zijn zoveel verhalen! De maan verbindt ons met elkaar, als goede en de trieste strofes, alles in één groot lied van de nacht.

Ik maak mijn blik los van de nachtelijke hemel en buk me. Bij het bordes staat een kistje, dat ik gebruik als opstapje. Hij ligt omgekeerd, met een extra plank erop, zodat je er niet opeens doorheen zakt. Ik leg de plank opzij en draai het kistje op zijn kant. Eronder liggen twee halters van zes kilo. Ik heb ze aan een stuk bezemsteel bevestigd en voel het warme ronde hout in mijn eeltige werkhanden. Ik ga op mijn rug op het kistje liggen en doe één voor één alle oefeningen om arm, rug, en borstspieren te trainen. De maan lacht recht in mijn gezicht en verdwijnt half achter wolkenflarden. Hij speelt ermee en maakt een kring van roze weerschijn in bewegende sluiers. Ik vraag me af, wie kijkt er nu nog meer naar de maan? Ik ben vast niet de enige…

.

.

.

 

 

Terwijl ik mijn halters hef, op en neer en weer en weer, straalt het maanlicht in mijn gezicht. Ik voel mijn armspieren werken en denk aan wat ik vandaag las. Het waren een paar artikelen over de Nederlandse bemoeienis in Brazilië. Ik zie het voor me als in een droom.
Terwijl ik naar de zwarte lucht tussen de sterren kijk, zie ik enorme majestueuze wouden. In snel tempo worden de bomen gekapt en met vrachtauto’s naar binnenvaartschepen gebracht, met Nederlandse namen erop. De schepen varen naar de haven. Het hout wordt netjes opgestapeld voor verkoop in Europa. Naast de exporthaven ligt een verlaten dorp. Overrijpe mango’s liggen te rotten op straat. Wie woonde er en waarom is iedereen verdwenen?
Als een vogel vlieg ik verder. Verder het land in staat een boswachtershuisje. Maar er is geen bos meer. Het staat nu in een eindeloos grote sojaplantage, soja voor veevoer en biobrandstoffen. Ik zie hoe een vrachtwagen heen en weer zwaait op een blubberige weg. Het beeld vervaagt.

Ik voel mijn rug op het harde houten kistje en weet het. Het Amazonegebied wordt uitgekleed, ontbost, gestript.  De laatste vijf jaar zijn er veel wegen en spoorlijnen aangelegd. Het is een voorproefje van wat komen gaat. Een enorme spoorlijn moet er komen om dit proces te versnellen. Het is een bom die op ontploffen staat, zeggen bewoners die naar de hoofdstad zijn gekomen om hun noodkreet te laten klinken. Twee rijke en machtige families worden nog veel rijker en een paar Nederlandse bedrijven ook. Waarom? Is het zo leuk om te bulken van het geld? 

Ik lees verhalen van noodkreten, die niet alleen in Brazilië, maar overal ter wereld klinken. De bevolking heeft geen grond meer om op te staan en mensen verdwijnen spoorloos. Niemand weet waar ze zijn heen gevlucht of wat er met ze is gebeurd. Het zijn de eerste bewoners, die nooit of met heel veel moeite een eigendomsbewijs krijgen, van de grond waarop ze al eeuwen leefden. Het zijn vreemde zakenlieden, die worden verwelkomd door rijke machtshebbers, zakenlieden uit rijke landen als Nederland.

Het zijn niet alleen lokale dorpelingen, die er onder lijden. Het gaat ons net zo goed aan, het gaat de hele aarde aan. Met het kappen van bomen ontstaat erosie en een grote opslag aan CO2 gaat verloren. En met het verdwijnen van de enorme vochtige wouden verandert het weer. De gevolgen zouden nog wel eens ver kunnen reiken. En nu kijk ik naar de maan. En ik besef, de maan en het water zijn het, die ons met elkaar verbinden en de lucht is het, die we inademen en uitademen, de lucht die waait met de wind en overal komt. De aarde met alles erop, het werkt met elkaar als één levend systeem. Dit systeem levend houden, dat is het enige wat duurzaam is. Dit denk ik, terwijl ik mijn gewichten neerleg om naar bed te gaan.

Lees hier het artikel in de Trouw over de sojaroute

Survival International doet verslag hoe bewoners vechten voor hun rechten.

Soja als biobrandstof zou verder aan banden worden gelegd.

.

.

 

Alsof ik er nooit was

.

.

Het is een tijd van dubbele gevoelens. Ik ben blij dat ik naar Friesland ga, en mee kan doen aan een project waar mijn hart naar uit gaat, “Frijlân”.  Ik zit in de wachtkamer. En terwijl de lente met rasse schreden nadert, is het bij mij herfst. Afscheid komt dichterbij.

Ik kijk naar de rotanstoel. Toen ik hier kwam wonen heb ik hem daar neergezet, in de bosjes. Ooit zat ik er vaak in, hand in hand met mijn lief en poes Gijs op schoot. Ze zijn allebei dood. De glimmende rotan wordt groener en groener en de zitting verzakt, tot het volledig uit elkaar valt.
Ik stel me voor hoe het is, als ik hier straks weg ben. Meesjes hippen er in en omheen, pikken er rietjes uit voor hun nesten. Ze kijken overal rond, op zoek naar de heerlijke zonnebloempitten die daar te vinden waren. Maar die zijn er niet meer. Ook niet tussen de struiken, die ik daar plantte en die steeds meer overwoekerd raken door kweekgras en brandnetel. Alowieke is weg.

Zo zal het zijn. Straks is er niemand, die hier pitten strooit. Niet meer op deze plek. Het is er niet meer. Ik  ben er niet.

 

De dag komt nader
De wereld wordt stiller
Handen maken zich los
en een laatste voet
trekt zich los uit de aarde
Ik excuseer mij, ik moet gaan
Het is nu zo
Het moet.

En hoe is het dan als ik weg ben.

De mezen hebben niks gehad
de zaadpot blijft nu leeg
De droge kikker mist het nat
wacht op water wat hij kreeg
mijn gieter voor zijn bad

Braam zal woekeren in de perken
alles wordt als voor mijn komst
als voor mijn hele harde werken
en overal komt gras
alsof ik er nooit was.

Maar het zaad van dode bloemen
wacht in de grond op het juiste moment
En niemand weet wanneer
Er is zaad en hoop op meer
bloemen en bijen die zoemen.

En wie weet komt er wel hulp
van een groene mensenhand
komt ergens ooit een keer
een natuurmens uit zijn schulp

Wie weet.

.

.

.

.

.

Wachten

.

.

Wie jachtig voort raast, niet bij machte om te wachten, gaat een vitale bron voorbij. Want wachten haalt kracht uit het kleine. (Alowieke)

.

Het is of ik een jas aan heb die niet meer past. Hij is veel te klein en ruikt muf. Ik neem een ijskoude douche om de benauwenis open te breken, maar het helpt maar even. Ik maak een fietstocht in de harde frisse wind, maar als ik thuis kom, bekruipt mij hetzelfde gevoel. Ik zet mijn fiets weg en loop door het zompige gras naar mijn woonwagen. Het bordes staat halfvol met spullen, die koel moeten blijven. Eerst waren het maar twee dingen, maar langzamerhand is het helemaal vol komen te staan. Ik klim er op en zet mijn voeten neer waar nog plek is. Ik pak de knop van de deur. De andere helft van de deuropening is geblokkeerd door de verzameling levensmiddelen. Ik heb net genoeg ruimte om de smalle deur te openen en mezelf ertussendoor te wringen. Ik baal. Dit is niks, ik wil het niet meer zo. Het kan en moet anders.
Ik stap naar binnen. Daar staar ik naar de dooie hoek achter de kachel. Er ligt van alles, een kartonnen doosje vol stof, hout voor de kachel, een lege waterfles, een thermosfles, mijn terreinlaarzen… bah! Ik wil het huis opruimen, ik wil een betere inrichting maken. Hoe ga ik dat doen?
Ik kijk naar buiten en denk na. Ik had een paar smalle dunne planken. Die zouden prima geschikt zijn om een ruimtelijk kastje van te maken. Dat zou ik in dat hoekje kunnen zetten. Alles wat er moet staan zou er inpassen, zodat het er netjes en ruim uit ziet. Waar zijn die planken gebleven? Al snel weet ik het. Ik heb ze gebruikt als aanmaakhout. Ik weet al langer dat ik ga verhuizen. Wat moet ik straks met zo’n berg planken? Ik kan het niet allemaal meenemen. Dat heb ik me al eerder bedacht.

Ik ga op de bank zitten en weet het even niet meer. Een harde windvlaag doet mijn huisje schudden, even maar. Dan is het weer stil. Ik pieker. Hoe moet ik nu dat kastje timmeren?  Het lijkt zinloos om hier op dit moment over na te denken. Waarom zou ik nog opnieuw beginnen met bouwen, met de karige middelen die ik over heb?

Buiten blaten de schapen, maar er komt niemand aan. Ze wachten op iets, net als ik.

Ik leg me erbij neer. Ik kijk naar de rommel achter de kachel en weet, dat kastje komt er nog even niet.
Ik voel hoe de wind mijn woonwagen wiegt. Kon hij hem maar oplichten, op een stevige wolk zetten en dan voorzichtig laten zakken op de plek waar ik moet zijn. Dáár, in Friesland waar de kustwind waait, daar is het landje van mij en de anderen. Daar gaat het gebeuren. We kunnen er samen plannen maken. Er kan een werkplaats worden ingericht. In die sfeer van bedrijvigheid zal het timmerwerk een plezier zijn en kan ik mijn kastje maken en nog veel meer. Ook kan ik helpen met het bouwen aan en inrichten van het gemeenschapshuis. Waar iets nieuws geboren wordt en waar alle krachten samenwerken, daar heeft iedereen stroom mee. Maar voor het zover is! Wat een geduld is er voor nodig. Ik ben niet de enige die traint in lange adem. De wind rukt aan mijn wooncocon.

.

.