Reddend zwemmen in de Zwette.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Nog nooit heb ik een jong dier grootgebracht. En kinderen ook niet. Hoe speciaal is het als er dan onverwachts een dier op je pad komt. Zal het blijven, of niet? En heb ik eigenlijk wel zin om mijn leven zozeer aan te passen? Op een dag kom ik onverwacht voor deze vraag te staan. Uiteindelijk lost het vraagstuk zich vanzelf op.
Het is aan het begin van de avond. Ik fiets over het Swettepaad van de boerderij terug naar huis. Vanuit de verte hoor ik geschreeuw van kraaien. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik hoor dat er echt iets aan de hand is. Opgewonden klinkt het gekras over het water. Snel zet ik mijn fiets neer en loop naar de steiger. En daar, in het midden van het water ligt een kraai. De vogels vliegen weg als ze mij zien, een voor een. De jonge kraai ploetert door. Eerst eens zien of hij het zelf redt. Met een krachtige vlinderslag ploegt hij door het water naar de oever. Aan de kant is de lisdodde hoog opgeschoten, er is nergens een opening om de kant op te krabbelen. Ik zie hoe zijn kracht afneemt bij het zien van deze hopeloze toestand. Het zal ook niet lang duren of hij zakt met zijn kop steeds dieper in het water. Daar wacht ik niet op. Ik trek mijn kleren uit en spring er in. Het water is koud, maar niet ijskoud. Tussen de bladeren van de gele plomp door zwem ik naar hem toe. De stengels slingeren glibberig om mijn benen. Als ik bij hem kom, zet ik het dier op mijn hoofd, zodat ik mijn armen vrij heb om te zwemmen. Het is een jong dier, sterk genoeg om de wereld te verkennen maar nog niet volgroeid. Hij is nog wat kaal en donzig onder de vleugels. Wellicht is hij bij zijn eerste vliegpogingen te water geraakt. Onhandig balanceert het dier nu op dit ongewone plekje, een klein bewegend eilandje boven het water. Zijn scherpe klauwen grijpen zich vast in mijn haar terwijl hij druk met zijn vleugels klappert om zijn evenwicht te bewaren. Met een hand houd ik hem op zijn plek, met de andere arm zwem ik terug naar de steiger. Inmiddels zijn alle kraaien weggevlogen, behalve eentje, die uiteindelijk ook wegvliegt. Zijn moeder?
Ik zet de natte vogel op de steiger en loop weg. Misschien komt de moeder terug. Maar als ik vijf minuten later terugkom zit hij daar nog, in zijn eentje, rillend en met zijn vleugels gespreid. En het word al schemerig. De nacht zal koud zijn. Ik til hem op. Met de jonge kraai op mijn hoofd ga ik naar huis. Daar stop ik hem in een fleecedekentje, met een infraroodpaneel ernaast. Het dier rilt en het duurt lang voor hij is opgewarmd. Ik zit naast hem en kijk. Hij is volledig in zichzelf gekeerd. Ik stap de deur uit om een eindje te wandelen en na te denken. Wat moet ik hiermee? Is dit een kans om een jong dier groot te brengen, voor het eerst van mijn leven? Maar waar moet hij dan blijven? Kan ik hem dan overal mee naar toe nemen? De buschauffeur ziet me aankomen, met zo’n poepende vogel. Dan ga ik terug om op de bank naast de vogel een stukje te lezen. Af en toe kijk ik op. “Hoe is het?” vraag ik. Het dier draait zijn kop en kijkt me aan. Hij knippert vaak met zijn ogen. Een wit vlies dat telkens over zijn felle grijze kraaienogen trekt. Ik trek het dekentje een stuk van hem af, zodat de natte veren beter kunnen drogen bij de kachel. Op zijn borst heeft hij kleine witte veertjes tussen het donkergrijs. Alleen zijn vleugels, staart en kop zijn pikzwart. Dan gaat hij staan, stevig met beide poten op de rand van het geïmproviseerde nest. Wat gaat hij doen? O jee. Een flinke straal poep schiet over de rand. Netjes gedaan, je mag het nest niet bevuilen, zo is hij opgevoed. Maar het is wel mijn bank. Met een oud washandje, water en een beetje zeep maak ik het schoon. De kraai kijkt toe. Mijn huis is geen vogelhok. Dit wil ik niet. Ik zie het aan, voor een nacht.
Net als anders maak ik die avond mijn bed in de hangmat en slaap onmiddellijk in. Als ik de volgende ochtend wakker word weet ik het meteen. De kraai! Zonder nog even na te sluimeren spring ik eruit. Het is half zeven op de wekker. Het huis is nog donker, iets van het licht schemert onder de dichte luiken door. Het dier zit somber en stil naar me te kijken. Ik zet hem op mijn hand, Van schrik schijt hij op de fleecedeken maar toch klauwt hij zijn poten gelijk diep in mijn vel. Ik duw het wat opzij, zodat hij op de mouw van mijn trui zit. Dan open ik de achterdeurtjes. Verrast kijkt de jonge kraai om zich heen. Buiten is de wereld al helemaal begonnen. Het licht en het leven dat hij kent. Een huis is niks voor kraaien. Met vrouwen en doekjes die poep wegvegen. Daar zijn hij en ik het kennelijk over eens. Ik moet hem terugbrengen waar ik hem vond. Met het dier nog steeds op mijn hand loop ik naar de deur. De scherpe klauwen gaan door mijn trui heen. Au. Ik probeer hem op mijn schouder te zetten, waar tamme kraaien ten slotte horen te zitten. Maar deze is niet tam en hij wil niet. Meteen krabbelt hij boven op mijn hoofd, waar hij houvast heeft aan mijn stevig invlochten haar. Stel dat hij toch blijft. Dan heb ik een tamme kraai die alleen maar op mijn hoofd wil zitten. Dan word ik “Die vrouw met die kraai op haar hoofd”. Het was niet mijn bedoeling, maar als het moet mag hij. Het lijkt er echter op dat hij geen zin heeft in mijn moederschap. Hij is zijn kuikentijd ontgroeid en zijn moeder kent hij veel te goed. Ik voel hoe hij af en toe met zijn vleugels fladdert boven mijn hoofd. Logisch, ten slotte zat hij midden in zijn eerste vlieglessen, toen hij te water kwam. Ik loop naar de steiger, naar de plek waar het gebeurde. Dan loop ik terug, ga ik midden op het naastgelegen veldje staan. Op dat moment hoor ik een volwassen kraait krassen ergens hoog in de bomen. Het jonge dier houdt zich nog steeds stevig vast aan mijn haar. “Hop!” zeg ik, en maak een sprongetje. En zowaar, weg vliegt hij, de wilgenboom in. Daar zit hij nu, op een takje rond te kijken. Ik heb wat fruit neergelegd op de grond onder hem, maar hij taalt niet naar eten. Hij blijft daar maar zitten op zijn tak, aan de luwe zijde van een dikke wilg, alsof hij bij de bushalte staat te wachten. Het is zijn leven, en zijn familie. Ze zullen blij zijn als hij terug is. Toch een beetje opgelucht loop ik naar huis. Voor mij geen tamme kraai, geen dier om groot te brengen. Buiten hoor ik de kreet van een bonte specht. Hij komt vogelvoer halen voor zijn kleintjes. Heb ik toch kleintjes. Heel veel zelfs. Bomen, bloemen, vogels, vlinders. Ze groeien als kool, in mijn buurt. Ik ben niet de vrouw met de kraai op haar hoofd. Ik ben een natuurmoeder en herstel het levengevend land. Dat is mijn verhaal, daar gaat het over. Telkens weer.
.










