Het nodige om te gaan

.

.

Ik, Sankofa, luister naar de Stem uit het Verleden. Ik ben het symbool voor grondige keuzes. Je kan snel en enthousiast een nieuw leven inspringen of wegvliegen vanuit wanhoop. Maar ik vraag om rust. Het ei op mijn rug vraagt er om gekoesterd te worden en bergt verhalen in zich van wat is en was. Het kijken er naar maakt je keuze meer levensvatbaar.

.

Bij toeval kwam ik erachter dat er zondag een toneelvoorstelling zou zijn. Ik besloot er heen te gaan en daar sta ik nu. Het is een klein theater in het centrum van Leeuwarden. Ik zet mijn fiets neer, ga naar binnen en kom in een kleine hal die naar koffie ruikt. Drie mensen staan te praten achter een brede balie. “Heeft u al vooraf betaald?” vraagt iemand. Ik knik. “Ja, ik zag de titel op de folder en heb meteen online een kaartje gekocht.”
De titel van de voorstelling is namelijk: “Het vertrek”. Dit kan ik niet missen, in deze dagen, dat ik me voorbereid op mijn eigen vertrek.
Wat neem je mee, wat laat je achter? Het heeft mij jaren gekost, voor ik zover was, dat ik kon gaan. Dit stuk gaat over een dergelijk proces. Maar dan weer heel anders, want elk verhaal staat natuurlijk op zich. De acteur is een man, ooit wilde hij van alles het beste en van alles kocht hij er twee. Maar zijn twee mannen hebben samen hun hielen gelicht en nu is hij alleen en wat is het leven nog als er geen liefde is. Het valt hem zwaar. Wat moet hij hier nog, in dit oude huis?

Op het toneel staat een antieke telefoon. Je moet er aan slingeren, dan doet hij het. Af en toe belt de acteur de Stem van het Verleden. Hij wil weten waar het rode doosje is gebleven met zijn kinderdromen. Het is het enige waar hij belang in stelt. Verdorie, hij heeft het nodig om te kunnen gaan en hij zoekt zich te pletter. Had de Stem het expres verstopt? Waar is het? Waarom laat hij hem niet vertrekken? Geërgerd vraagt hij het aan de Stem van het Verleden, totdat hij er hondsberoerd van is en geen oog meer dicht doet. Dan, uiteindelijk, vindt hij het. Een doosje, bekleed met glimmendrode stof. Er zit een piepklein muziekdoosje in waar je aan kan draaien, met een piepklein muziekrolletje. Blij als een kind draait hij aan het miniscule slingertje. Teder klinkt een zachte metalige melodie. Dit is alles. Verder heeft hij niets meer nodig. En hij gaat.

En nu is het toneel leeg, het stuk lijkt afgelopen. Eén van de achtergebleven dozen is achteloos op de piano gezet. Ik kijk ernaar en zie een hoofd bewegen. O ja, weet ik ineens, daarachter zit nog steeds de pianist. Hij steekt zijn hoofd boven de piano uit en kijkt rond, verbaasd dat hij nu alleen is. Oplettend kijkt hij rond. Is hij echt alleen? Een brede grijns verschijnt op zijn gezicht, hij rent doelbewust naar één bepaalde doos, kijkt er in, pakt hem en smeert hem, het toneel af. De mensen lachen en klappen, de voorstelling is afgelopen. Nog één keer komen de twee jongens terug, de pianist en de acteur. Alleen de derde personage ontbreekt. Dat is de Stem van het Verleden, de altijd stille aanwezige.

Α….∞….Ω

Het stuk maakt je filosofisch gestemd. Ik praat na met een kunstenares. Ze is klein en tanig, met lang blond haar. Ik leerde haar vanmiddag kennen in haar eigen atelier en tot mijn verrassing is ze hier nu ook. Ik kijk haar aan en vertel wat ik gisteren meemaakte. “Op de markt, bij een kledingkraam, kreeg ik het aanbod om Tiny Houses te helpen bouwen in India, op een camping. Het was een spontane uitnodiging van de Indische marktkoopman.” Ik vertel er bij dat ik Nederland maar heel zelden heb verlaten.
“Waarom niet?” vraagt ze dan. Ik denk na. “Ja, hoe zal ik het zeggen… Eigenlijk past dit verhaal heel goed bij het stuk,” zeg ik. “Het antwoord gaat ver terug. Er is een moment dat ik nooit meer vergeet, hoewel ik gewoon in het Emmeloordse bos liep. Ik was zestien, ik weet nog precies waar ik was, toen ik besloot mijn dromen niet alleen te dromen, maar ze ook grond te geven. Alles wat ik mee zou maken zou mij helpen om dit te kunnen doen, wat ik ook tegen zou komen.”
“Waar was je?” vraagt ze.
“Bij de vijver van het hertenkamp,” antwoord ik en ga meteen verder. “Ik besloot om altijd aandacht  te hebben voor waar ik me begeef en nooit te vluchten. En jemig, wat gebeurde er veel in mijn leven. Ik kreeg de ene klap na de andere. Ik nam er de tijd voor om het te verwerken. Sommige mensen zouden me een pechvogel noemen, maar ik wist dat het precies de ervaringen waren die ik nodig had om te leren staan. Zonder hartgrondige balans kan een mens niet aarden, niet hier, laat staan ergens anders.. En dromen blijven zweven zonder wortels.”
Ze kijkt me nadenkend aan. “En wil je tóch het land uit, naar India?”
“Ik weet het niet. Er is altijd een sterke verleiding om meer van de wereld te zien. Maar er is hier veel te doen. Het is belangrijk hier te zijn, dat denk ik steeds weer. Daarom ga ik zo langzaam. Daarom ga ik straks maar drie km per uur en ben ik nog steeds niet vertrokken. Nederland boeit me. Dit is het land waar ik geboren ben.”

We kijken even stil voor ons uit. Dan kijkt ze me aan. “Ik moet gaan. Ik vond het een mooi gesprek.”
“Ik ook,” zeg ik “Dank je!”
Ik glimlach en kijk haar na.

.

Wat heb je nodig om te gaan? Voor de één betekent het vergeten herinneringen terug te vinden aan de kindertijd. Voor de ander is het de herinnering aan een ooit gemaakte keuze om niets uit de weg te gaan, ergens bij een vijver. Weer een ander worstelt met een angst of een gemaakte fout, die eerst onder ogen wil worden gezien. Wat heb je nodig om te gaan, dat is de vraag.

.
In een van mijn vorige blogs sprak ik over Kairos, en rebelse gaten in dichtgetimmerde tijd. Sankofa is de Afrikaanse variant van Kairos. Net als Kairos vraagt ze om innerlijke rust. Wordt Kairos geschetst als een gespierde man, die je bij zijn staart moet vatten om het juiste moment te grijpen, Sankofa is de vrouwelijke kant ervan, afgebeeld als een vogel met een ei op de rug. Ook in Kairos zijn momenten van stille beschouwing. Er is een zorgvuldig terugkijken naar het verleden. Toch is dat in zijn afbeelding alleen terug te zien in de weegschaal, die het wikken en wegen symboliseert. Verder straalt zijn gestalte vooral mannelijke kracht en actie uit. De vrouwelijke Sankofa met het ei, het is precies de aanvulling die de afbeelding van Kairos nodig heeft. Samen vormen de twee een perfecte uitdrukking van hoe keuzes te maken op het juiste moment.

.

 

.

.

Het theaterstuk met Koos van der Wal: je kan je inschrijven als je belangstelling hebt voor een aparte voorstelling, op nader te bepalen plaats in het Noorden van het land. Die gaan we nog vinden. Vooral de regisseur, maar ook de acteur, zou heel graag een voorstelling met nagesprek hebben, samen met mensen die allemaal bezig zijn met het onderwerp “Vertrekken.” Geef je mailadres aan mij door als je interesse hebt. (tt.alowieke@gmail.com)

 

 

 

.

Geboeid door een plek die tot leven komt

.

.

Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. Ik laat me met plezier afleiden. Maar ik weet dat mijn pad verder gaat.

.

Ik gooi een bosje brandnetels opzij en strek mijn rug. De zon schijnt op een lichte sluier van blaadjes, de meidoorns lopen uit en ook de vlier. Lichtgroene toefjes ontstaan in de donkergroene jungle van braamstruiken en twee fitissen vliegen van tak tot tak. Ze trekken zich niks aan van de doorns en voelen zich beschermd door de stekelige zee. Ik beweeg mijn vingers om ze soepel te maken, na het harde werken. Mijn handen zijn net zo bedrijvig als de vogels, bouwend aan hun nest.

Deze lentedag houdt niet van verfrommelde lijstjes die al wekenlang klaarliggen. Aarde vraagt om handen. Hoe meer kleur en geur hoe meer ik tot leven kom. Lente! Ik kan me niet aan die enorme kracht onttrekken. Alles roept en groeit.
Overal ben ik, luister ik en kijk ik. Ik wied brandnetels langs de paadjes om er munt uit te planten. Ik snoei het enorme braambos een stukje in. Ergens daarachter staat een grote woonwagen, dat ik het kasteel van Doornroosje heb genoemd. Ze heeft ook een prins. Het stel is er niet zo vaak en als ze er wel zijn zie je ze niet.
De braam groeit met grijpgrage scheuten, gretig en snel. Mijn kniptang is voor dit moment de heerser, al is het maar even. Mijn klompen trappen dode stekeltakken stuk. Dan hoor ik een stem. “Hallo!” Opeens staat de prins van Doornroosje naast me, een gespierde vent met lang haar en een tattoo op zijn schouder. Hij kijkt me gespannen aan en vraagt wat. Of ik niet te ver ga met die bramen. Het is hun privacy, legt hij uit. Ik kijk hem aan en zeg dat ik het wel snap van die privacy. Maar het is nodig dat ik meer ruimte maak aan deze kant. Ik knip niet alles kaal, want daar houd ik niet van. En er komt een sering, lekker hoog. Of ze dat ook mooi vinden? Dat moet hij even met Doornroosje bespreken en hij verdwijnt achter een deur waar een gordijn voor hangt. Even later komt hij weer het pad aflopen. Ja, zo’n hoge struik met paarse bloemen, dat is best okee, zegt hij. Maar zelf had hij de bramen liever laten verder groeien en het spijt hem dat dat niet kan op een camping. Dan gaat hij gaat weer.

Ik ga verder en verken elk hoekje. Ik graaf mooie planten uit die in de looproute staan en geef ze een beter plekje. Het zijn Monnikskappen en ze worden lang en paars. Giftig zijn ze ook. Ik zet ze middenin een veld brandnetels, dan kan niemand er bij. Terwijl ik naar het resultaat kijk, komt er een vrouw naar me toegelopen, over het smalle pad tussen de begroeiing door. Haar grijze haren zijn opgestoken boven haar ronde volle gezicht. Zij is hier af en toe, net als Doornroosje. Ik zie haar genieten met haar kersverse echtgenoot. Het geluk dat ze uitstraalt maakt haar mooi en levendig. Vastbesloten komt ze dichterbij, tot ze tegenover me staat. “Weet je een manier hoe ik de brandnetels kwijtraak? Ik vind het zo inspirerend wat je doet, ik ga ook bloemen uitplanten!”
Ik zeg dat ik brandnetels drastisch weg haal en vertel enthousiast hoe ik dat doe. Ze knikt. “Ik ga het proberen”, zegt ze en kijkt me ineens aandachtig aan. “En weet je, jij kàn hier helemaal niet weg!!” Ze groet me lachend, draait zich om en loopt weg. Ik glimlach.

De één wil met rust worden gelaten, de ander laat zich inspireren. Zo gaat het. Als je zo aan het werk bent, dan leer je de mensen snel kennen. Nadenkend was ik mijn zwarte handen in een emmer water en kijk naar mijn huisje. Ik moet nu toch echt voor mezelf bezig gaan. Het plan is immers om te gaan trekken! De banden zijn al opgepompt, maar er is nog veel meer te doen, voor ik zover ben. Ik draai mijn gezicht naar het westen. De zon schijnt laag tussen de bomen door, de dag loopt op zijn eind. Wat nu? Eerst maar die berg uitgetrokken brandnetels opruimen. En de kuilen die ik heb gemaakt in het pad, om die monnikskappen uit te graven, die moeten toch echt weer dicht, anders valt er nog iemand.

De lente geeft me kracht en inspiratie. En die geef ik weer terug aan de plek waar ik ben. Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. En hoe meer mensen er meedoen, hoe liever het me is.

.

 

Alle kruinen geworteld en geplant!

.

.

 Bomen horen bij mensen. Mensen houden van hun bomen en bossen. Dat ontroert me. Toch wordt er nu in Nederland ongeveer vijf keer zoveel gekapt als er wordt geplant. Daarom begon ik dit project. Bomen doen zoveel! Bezoek een oud bos en laat de vruchtbare grond eens door je handen gaan. Voel hoe vochtig die is. Kijk naar de bloesems, naar het feest van bijen en insecten. Luister naar het gehamer van de specht en kijk naar de gaten in een dode bast, vol met kleine beestjes. In het bos is het koeler, het is er heerlijk op warme dagen. Bomen zorgen voor meer evenwicht in het neerslagpatroon. Balans in het weer en een stabieler klimaat, ik zie het als een oogst die voortkomt uit een gezonde wereld, waarin de mensen bescheiden en respectvol zijn. Een wereld waar het goed toeven is voor alles wat leeft. Daarvoor hoef ik niet te rekenen met emissies. Als het goed is, is het goed. En ik doe er mijn best voor.

.

Sommigen zouden er wakker van liggen. Driehonderdvijftig bomen die ergens een plek moeten krijgen. Hoe krijg je dat in hemelsnaam voor elkaar?! Ik had ze, ik was er vol enthousiasme aan begonnen. Vanaf mijn zestiende wilde ik al bomen planten en dit was het moment. Een jaar lang heb ik ze verzorgd. Ik bleef er voor thuis, bij mijn kleine wooncocon op Frijlân, tijdens vele weken van hitte. Een deel van de boompjes werd in november uitgeplant rond de boerderij. Maar toen de winter kwam, stond er nog steeds een grote verzameling potten bij elkaar, tegen de muur met de koude wind in de takken. De hele bomengemeenschap stond te wachten op het moment van de aanplant, stond te wachten op ruimte!

Het is de laatste dag van maart. Ik sta achter een kraam. We zijn bij een bioboerderij en het hele erf is schoongemaakt en opgeruimd voor deze biodiversiteitsmarkt. Naast mij zitten twee vrouwen van het Bijenflinterlint. Het is er druk. Ze geven kleine zakjes met zaad weg. Dat doen ze al jaren. Lichtelijk geïrriteerd kijken ze naar de grote bakken, die onder de kraam staan. Dat hebben ze nog nooit meegemaakt. De inhoud is ven mij. Er liggen boompjes in.

Wat moet dat daar? Ik zie ze denken. Ik glimlach om hun onbegrip en leg het uit. “Deze bomen zijn ook voor bijen! Je moet het eens zien, wanneer een heel bijenvolk de bloesems bezoekt. Dan ben je helemaal verkocht,” zeg ik vol vuur. De vrouwen knikken. Nu snappen ze het. Ik krijg een mierzoet kwarkbroodje en bedank ze hartelijk.
De boompjes steken een beetje uit. Ik probeer ze terug te duwen maar het helpt niet. Af en toe kruip ik onder de tafel om een boompje te pakken. De wortels zijn in natte kranten gewikkeld en erover heen ligt nat zwart zand. Mijn nagels zijn ook zwart.

Er lopen twee mensen tussen de bezoekers, een lange jonge vent en een oudere vrouw. Ik herken de man. Hij is van Living Lab, een Friese organisatie die zich bezig houdt met diversiteit en natuurinclusieve landbouw.
Opeens hoor ik een vrouwenstem. “Zij geeft boompjes weg!” Het is dezelfde vrouw. Ze wijst enthousiast naar me en kijkt hem aan. “O ja? Wat voor boompjes,” vraagt hij. De man is levendig geïnteresseerd. Ik vertel hem dat het kerspruimen zijn, Prunus Cerasifera. “En je moet eens zien wat een enorme wortelkluit er aan zit!” Trots laat ik de lange baarden zien die onder de wortels hangen. “Ik kwam een ervaren tuinman tegen, die had dit nog nooit gezien. Ik heb ze voeding gegeven met micchorizae’s.”
Stralend geef ik hem drie boompjes. Hij pakt ze dankbaar aan en herhaalt mijn woorden als een eurekakreet.
“Voeding met micchorizae! Geweldig!!!”

Hiep hiep hoera. Iets weggeven zonder eigenbelang is goud waard. Soms kan oprecht gemeend enthousiasme meer doen dan een heel jaar werk. Dat heb ik eerder meegemaakt. Informatie die op die manier wordt gedeeld, is van een heel ander kaliber. Maar je weet het vaak niet, wat woorden doen. Ze gaan hun eigen weg. Ik duim voor het allerbeste!

.

DE BOMEN

In de potten zat blaadjescompost uit Brabant en toevoeging van Biohaag met micchorizae’s. Micchorizae’s zijn schimmels. Ze hechten zich aan de wortels van de boom en zorgen dat die mineralen op kan nemen die anders onbereikbaar zouden zijn. Ze geven de wortelgroei een enorme boost en dat maakt de boom veel meer bestand tegen de lange periodes van droogte, die er steeds vaker zijn. Als de boom zijn blaadjes laat vallen geeft hij de overgebleven suikers aan de schimmels, die op dat moment vruchten leveren voor de voortplanting, de paddestoelen.

.

Winterlinde, na een jaar in de pot met nog drie boompjes. Toen ik ze kocht bestond de wortel alleen uit een enkele kale stengel.

.

Alle bomen zijn gekozen om hun bloesems voor insecten en omdat ze voedsel bieden voor de mens. De meidoorn zorgt als boom voor perfect beschermde nestelplekken, door dichte groei en doorns. Bomen en struiken zorgen voor beschutting, langs kale vlaktes van ons land, die steeds groter en talrijker worden.

.

Dit zijn de soorten die ik had.

Meidoorn: Bloeit in mei, fijn voor insecten. Jonge blaadjes voor salades. Bloesems voor thee en siroop. Het ruikt naar bitterkoekjes of amandelen. Goed voor het hart. Bessen zijn melig, maar lekkerder na de eerste vorst.

Wilde Kerspruim: Bloeit uitbundig vóór de andere prunussen en trekt dan hele zwermen bijen aan, als die binnen 3 km te vinden zijn. Kleine rode of gele pruimpjes. Deze zijn geel. Heerlijk zoetzuur van binnen, het schilletje is iets dikker en zuurder dan de gecultiveerde soorten. Lekker uit de hand of voor jam. Ook een verrukking voor loslopende varkens en kippen, konijntjes en rondfladderende vogeltjes. Emmersvol vruchten! Vooral met wat mest erbij. Omdat hij sterk en wild is, wordt de onderstam gebruikt om gecultiveerde varianten op te enten.

Linde: Bloesems voor thee en voor bijen. De honing ervan is heerlijk. Bloeit aan het begin van de zomer, heerlijk op zwoele avonden. Als haag geplant kun je het steeds blijven snoeien, zo gaat je oogst gewoon door. Het jonge blad gebruik je als sla, de smaak is lichtfris.

Hazelaar: Bloeit van januari tot maart. Windbestuiver, maar ook bijen. Lekkere nootjes.

Sering: Komt oorspronkelijk van rotsachtige hellingen van de Balkan. Groeit snel en breeduit als een dichte massa. Wordt 3 tot 5 meter hoog. Bloeit in mei. De paarse bloemen trekken massaal insecten aan. Maar er blijft vast wat over voor ons als een traktatie. Want de bloesems zijn heerlijk in appelsap of witte wijn. Mooi voor speciaal bezoek, bij het ontbijt op een zonnige tuintafel!

Berk: Zoet vocht van de sapstroom, berkensap. Kan alleen in maart, als de sapstroom op gang komt. Zoek een oude boom met een jong takje. Snij het takje af en hang er een fles aan om de druppels op te vangen. Gebruik het met mate en met respect voor de boom. Goed voor de huid en de weerstand.

.

ALLE 350 BOMEN, WAAR KWAMEN ZE TERECHT?

IN TOTAAL HAD IK

50 hazelaars (geen uitval)
80 meidoorns (plus 120 uitval, kreeg ik er gratis bij)
55 kerspruim (plus 5 uitval)
67 seringen (geen uitval)
75 winterlindes (geen uitval)
5 berkjes (rechtstreeks uit Brabantse grond)
1 den (rechtstreeks uit Brabantse grond)

Frijlan kreeg:
24 hazelaars, 10 kerspruimen, 30 lindes, 30 seringen, 1 berkje

Ecocamping De Swetteblom van Jochum Rijpma kreeg:
16 seringen, 18 kerspruimen, 22 lindes

Bijenflinterlint van Marten de Boer en permacultuurtuin van Agaath en Ferry kregen:
19 seringen, 12 kerspruimen, 80 meidoorns, 33 lindes, 26 hazelaars, 4 berkjes.

Verspreid over Friesland kwamen terecht:
25 kerspruimen, 2 seringen en een dennetje. Ze zijn geplant op ongeveer 14 verschillende adressen.

 

Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

Rebelse gaten in dichtgetimmerde tijd

.

.

Er staan veel hoge bomen rond camping de Swetteblom. Ik leg het boek waarin ik lees even opzij, terwijl ik luister naar het gebulder van de harde wind in de toppen. Wat ben ik blij dat ik hier nu sta, eindelijk in de luwte. Het geeft me rust en concentratie. Zo bereid ik me voor.

 

Ik denk veel na, in mijn kleine huisje, terwijl de bomen de wind opvangen en de regen op het dak tikt en het grasveld steeds zompiger maakt. Ik lees veel, ik lees om herkenning te vinden, zo dat het steeds helderder wordt wat mij beweegt.
Ik pak het boek weer op, dat me nu bezighoudt. “Kairos” heet het, het is van Joke Hermsen en de inhoud verrast me. Ik ben zo blij met deze filosofische gedachten die mij de woorden geven waar ik al langer naar zocht. Ik geniet van de verbinding naar oude tijden, oude beschavingen, alles heeft zijn plek in het bestaan. En hoe klein ik ook ben, toch heb ik een plek gekregen in het verhaal Aarde, de planeet die al zolang bestaat. Wat doe ik daarmee? Om dat te weten wil ik helder hebben hoe ik tijd en energie kan zien en wat we ermee doen.

Wat is tijd

In de Griekse oudheid benoemden ze twee soorten tijd. De uiterlijke, chronologische tijd, en de veel ruimere innerlijke tijd. Chronos, de lineaire tijd werd afgebeeld als een oude man, hij is de man van de klok, de metronoom die het ritme van mijn voetstappen bepaalt, maar hij is ook degene die in het spitsuur de mensen hartkloppingen bezorgt.
Chronos heeft een kleinzoon. Hij symboliseert de innerlijke tijd, waar ik het over had. Hij wordt gespierd afgebeeld, vanwege zijn vitaliteit, want hij kan gaten kan slaan in dicht- getimmerde tijd.  Hij is degene die steeds meer ontbreekt in onze wereld, degene die ons opnieuw onze vrijheid kan doen beleven. In Kairos nemen we geduldig de tijd om ons te bezinnen en krijgen we precies op het juiste moment de ingeving om van richting te veranderen, het idee te lanceren, of om drastisch opnieuw te beginnen.

Rebelse gaten naar vrijheid

Mijn inspiratie voor ’t Wandelhuis, mijn eigen huisje op wielen, komt vanuit Kairos, de innerlijke tijd. In die tijd vind ik ruimte voor ingevingen. Ik slenter wat rond en kijk goed om me heen. Zo vind ik wat nodig is, precies op het juiste moment. Het vraagt veel geduld. Het betekent ook dat ik al jaren veel tijd alleen doorbreng, om vanuit eigenheid en volharding, iets heel nieuws vorm te geven. Zo ontwierp ik het huisje op wielen en bouwde tot het af was.
Ik bepaal daarin mijn eigen tempo en Chronos is voor mij een vriendelijke opa die mij helpt in een vast aangenaam ritme te werken. Ondertussen jaagt de maatschappij voort en hier heeft Chronos een heel ander gezicht. Hier raast hij voort als een waanzinnige, met op hol geslagen digitale klokken die niet meer tikken en die geen ritme meer hebben. Hier sluit hij je op in piepjes en poortjes die op van alles zijn ingesteld, behalve op de mensen. Ik begeef me alleen tussen al die klaphekjes als het noodzakelijk is om dingen te regelen.

Vroeger hoorde ik mensen wel eens zeggen, dat ik economisch gezien veel minder presteerde dan ik kon. Ik heb geleerd me daar niks van aan te trekken. Ik wilde leven. Ik wilde zelf schipper zijn en geen manager van een groot rondvaartbedrijf, ik wilde het water en de oevers aan me voorbij zien glijden en verwonderd zijn dat alles steeds weer anders was. Ik genoot van al die onbewaakte momenten, die mij gul in de schoot werden geworpen, zelfs in de zwaarste tijden. Waakzaam en ontspannen, zo kon ik de rebelse Kairos bij zijn staart grijpen, opnieuw beginnen toen het nodig was en ideeën vormgeven die mijzelf verrasten.

Oprechte duurzaamheid

Ik droom ervan dat de inspiratie van Kairos werkt als een magneet, dat steeds meer mensen de tijd nemen voor zichzelf en de wereld om hen heen. Mensen die zich een weg weten te banen dwars door de dichtgetimmerde kloktijd heen en het lef hebben om de sprong naar vernieuwing te wagen. Dit in alle lagen van de maatschappij te laten gebeuren, het is de enige weg naar oprechte duurzaamheid.

 

.

Ik hoop dat ik met mijn Wandelhuis mensen mee kan nemen die andere tijd in, dat ik op elke plek Kairos kan vinden, terwijl onze voeten in rustig tempo over de weg gaan.  Terwijl veel mensen hun vertrouwen verloren hebben en bescherming binnen hun eigen kring zoeken, sta ik open voor mensen van ieder pluimage. Je weet nooit waar de vonk overspringt. Vertrouwen is voor mij een principe. Het is de enige manier om een bres te slaan, om een kiem van hoop te planten dat een nieuw begin echt mogelijk is . Alleen gezamenlijk kunnen we het hart weer te laten kloppen.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

De tekening van mij is een heel eigen interpretatie van het Kairos moment. Het lijkt een merkwaardige tegenstelling met het oorspronkelijke beeld. Daarin zie je een gevleugelde man met een staart op zijn verder kale hoofd. Die staart moet je grijpen, in volle focus. Dat geeft de doorslag tot vernieuwing en bevrijding -Kairos-.

Mijn tekening lijkt juist verspreiding te verbeelden, in plaats van een geconcentreerd grijpen. Maar de concentratie is even intens. De creator is gefocust en is het zelfde moment bewust van alles om zich heen. Er is hier een eenheid tussen de kijker en de schepping. De kijker is met zijn aandacht bij de wortels in de bodem en spreid tegelijkertijd zijn vleugels uit als vogel tussen de vogels. Hij bevrijdt niet alleen zichzelf.

 

.

Terwijl ik de filosofie van de grieken lees, maak ik tegelijkertijd een relatie met oude natuurvolkeren. Het nieuwe begin dat feestelijk wordt ingeluid, gaat in deze afbeelding ook verder dan het persoonlijke. Door Kairos bij de staart te grijpen, kunnen we niet alleen onze eigen plannen, maar ook onze omgeving nieuw leven in  blazen. Ik laat hiermee een doorslaggevend moment zien, hoe het voor mij is om te beginnen met herstel van onze Aarde, met harmonie in lichaam en geest. Hoe groot te denken en klein te beginnen.

.

Recensie “Kairos’ van Joke Hermsen.

 

.

Zeulen voor een gevulde keuken

.

 

Een duurzaam en eenvoudig leven, je moet er wat voor over hebben. Maar ik vandaag train ik mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot. Ze mogen denken dat ik een zwerver ben, van binnen ben ik rijk.

.

Ik sluit de deur. Achter me klinken pianoklanken, de volgende leerling is al bezig. Mijn pianoles is nu afgelopen. Ik loop naar mijn fiets en kijk naar de fietskar. Die moet nu worden gevuld met boodschappen. Ik heb bijna tien kilometer gefietst naar de pianoles en dan is het handig om zaken te combineren. Ik voel in mijn zakken. Die voelen akelig leeg. Shit. Portemonnee vergeten, hij ligt nog op de vensterbank. Ik blaas de donderwolk opzij, die zich boven mijn hoofd begint samen te pakken. Het is zoals het is. Morgen is er weer een kans. En dan ga ik met de bus. Dat scheelt weer een lang eind fietsen met al die bagage, tegen de harde wind in.

De volgende dag fiets ik met rugzak op naar de bushalte. Achter mijn fiets hobbelt het karretje, daar kan ik straks de volle vracht in droppen. Ik parkeer de fiets met de kar bij de halte. De wind is hard en koud, ik ben blij als ik in de warme bus kan stappen.
In Leeuwarden trek ik de riemen van mijn rugzak strakker aan en loop eerst naar een koffietentje om mezelf te verwennen. Als ik met een volle kop Latte Machiato naar een leeg tafeltje loop, zit het gevaarte op mijn rug wel wat in de weg, de tafeltjes staan dicht op elkaar voor zoveel mogelijk klandizie. Een stel kijkt me verstoord aan. “Dank u wel dat ik er even langs mag,” lach ik met mijn vriendelijkste glimlach. Het maakt niks uit. Ze kijken zuur naar de grote rugzak.

Ik loop door naar de Ecowinkel. Ik koop zoveel groente, fruit, pompoenpitten en rozijnen, dat ik mijn rugzak nog net op mijn rug kan hijsen. Ik gesp het riempje op mijn borst dicht en trek de buikriem strak. Het gaat net. Mijn chique wijde jas wordt tot een frommeltje samengeperst, mijn mooie grote sjaal zit onder de riem gepropt tegen de druk van het insnoeren. Als een molenpaard tors ik het gewicht, loop stapvoets terug naar het busstation en kijk niet op of om.
Opeens hoor ik achter me twee jongens grinniken. “Heeft u wèl geld gehad?” Ik begrijp het eerst niet en antwoord het eerste wat in me op komt: “Ik heb een voorraad eten in geslagen. Dat zit in mijn rugzak.”
Hun respons klinkt verontwaardigd. “Ja wij willen ook graag eten, maar we hebben geen geld!”
Ik zeg dat ik dat heel rot voor ze vind en kijk ze verbaasd na. Kennelijk zien ze in mij een gelijke, een vrouw van de straat, zeulend met al haar bezit. Geen welvarend mens gaat lopen sjouwen met zo’n ding, al zit hij nog zo vol met dure biogroente. Ze lopen me in snel tempo voorbij. Het is niet aan ze af te zien, dat het jongens van de straat zijn. Ze zijn jong en vrolijk en goed gekleed. Ik zie er meer uit als een zwerver dan zij, kromgebogen met mijn vracht op de rug, in mijn verfrommelde jas. En dat alles voor een duurzaam en eenvoudig leven. Je moet er wat voor over hebben. Maar ik train mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot.

Als ik thuis ben maak ik de lekkerste yoghurt klaar die ik ooit heb gehad, met een heerlijk cox appeltje er in, een likje honing, rozijnen en een toefje kaneel. Helemaal gelukkig steek ik de lepel in mijn mond. Alles waar je moeite voor doet, smaakt driedubbel zo lekker. Als ik dan toch een zwerver ben, dan wel eentje die best geboft heeft.

.

Ook als ik straks onderweg ben, zal ik er rekening mee moeten houden op de juiste momenten voorraden in te slaan. De voordelen van de stad zijn dan ver weg. Maar wie weet welke verrassingen langs de kant van de weg te vinden zijn. In Friesland en Groningen kan ik zien wat ik aan eetbaars in de berm vind. Verder naar het zuiden, waar steeds meer begroeiing is, zijn ook meer kraampjes langs de weg, waar voedsel verkrijgbaar is. Maar zo ver kom ik dit jaar vast nog niet, want ik begin heeeeeel langzaam.

.

 

Bevochten vrijheid

.

.

Het is zo mooi om na een paar dagen ziek zijn weer helemaal nieuw op te staan. Om de vensterbank op te ruimen en rustig naar buiten te kijken terwijl de kachel brandt. En om de volgende dag fris te beginnen aan wat al wekenlang lag te verstoffen. Het boenen van de vloer, het opruimen van rommelhoekjes en stoffige plankjes. En dan voelen hoe de lente in je lijf zijn eerste knoppen laat barsten. Nu voel ik het! Dat had ik vorige week niet.

Gaandeweg dacht ik dat ik het druk begon te krijgen. Ik had nog vier pianolessen om voor te oefenen, een zeil te maken, zonnepanelen te monteren op de bagagewagen, schilderwerk te doen. Daarnaast had ik mijn vorige project nog niet afgerond. Er waren nog beloofde bomen planten bij diverse mensen en dan staat er ook nog een razend enthousiaste televisieploeg die me graag zo snel mogelijk ziet vertrekken.
Dus eigenlijk ben ik best blij met een lichaam dat gewoon “HO!” roept. Een paar dagen plat heeft me weer helemaal tot mezelf gebracht. Er is niets wat je cadeau krijgt, je moet er altijd aan blijven werken. Ook vrijheid moet steeds opnieuw bevochten worden. Een paar dagen ziekzijn is daarvoor een goed middel. Wat is vrijheid anders dan het voor jou enige juiste doen, op dat moment, op jouw tempo? Er komen constant verwachtingen van anderen naar je toe en dan zijn er nog de verwachtingen die je van jezelf hebt. Dat kan veel worden en onvrij voelen. Vind daar maar eens je weg in.

Ik lig en mijn hoofd is volkomen leeg. Beelden komen en gaan en leiden een eigen leven. Het lichaam hoeft geen eten. Maar het is netjes. Niks van andere ellende, die er aan alle kanten uit kan knallen, het is een rustig en simpel: “Nee, nu even niet.” Wel een knetterende koppijn, die alleen weg is als ik heel stil lig, zo stil dat ik steeds in slaap val. Ik droom veel. Grote huizen van glas zie ik, waarin van alles gebeurt en ik kan alles zien. Het lijkt dat al die dingen verband met elkaar hebben. Ik loop erheen en zie wat er nodig is. En dan ineens zijn en andere handen, en werken we samen.

Nee, ik ben niet de fantastische hoofdpersoon van een avonturenroman. Ik ben een waarnemer en onderzoeker, ik kijk en werk mee aan het herstel van verbindingen. In welke rol anderen me ook graag zien, dit is wat het is. En het lijkt me heerlijk om daarin nog vele anderen te ontmoeten.

.

Ps: Ik denk nog steeds na over het project en schaaf de pagina daarover ook nog steeds bij. Wil je dat nauwkeurig volgen, lees dan de huidige versie.

.

De boerderij van Jochum, gezien vanuit mijn huisje, op camping de Swetteblom

.

Ziek

.

.

Op mijn verjaardag
gaat het nog
maar aan het eind van de dag
zak ik in.

Ik blijf onder de wol
In huis is het een rommeltje
en buiten schijnt de zon.
De dieren mogen de wei in.

Maar ik lig in bed
en leg me erbij neer.

.

Het meisje dat het hooi kwam halen

.

.

Hooi is mooi. Geurend hooi in een kleine baal met een touwtje erom is een kunstwerk. Het laat de schoonheid zien in gewone dingen, die we soms bijna vergeten zijn. Ik sprak met een jonge Friezin die een kar vol balen kwam halen.

.

“Als je de hooizolder nog wil zien, moet je nu gaan, want ze komen het halen,” kwam boer Jochum mij zeggen. Ik klom de ladder op tussen balken vol spinnewebben. Ik dook in het hooi en rook de zoetige geur die doet denken aan vroeger, toen de balen nog niet door grote stalen grijparmen werden ingepakt met enige tientallen lagen lichtgroen of zwart plastic. Die wereld lijkt heel ver weg op deze plek.

En nu staat daar een grote kar, half in de schuur geparkeerd. Ik hang over mijn onderdeur en kijk toe. Jochum gooit de balen in de schuur naar beneden. Vader en dochter geven de balen aan elkaar door en de stapel op de kar wordt hoger en hoger. Tot het vol is en tijd voor vertrek.
Om weg te kunnen, moet de vracht eerst een heel krap hoekje om, vlak langs de oude boerderij. Terwijl de mannen staan te kijken hoe dat het beste kan, begin ik een gesprek met de jonge vrouw. Ze is begin twintig, haar donkerblonde haar is nonchalant opgestoken zodat het niet in de weg zit. Ze kijkt me levendig aan met haar blauwe ogen en wil graag mijn huis zien. De buitenkant vindt ze mooi, maar van de binnenkant is ze pas echt onder de indruk. Samen staan we op het bordes en kijken over de onderdeur heen naar binnen, terwijl de trekker de eerste pogingen doet om de kar de bocht om te krijgen. Vooruit, achteruit en weer terug, vlak langs de bakstenen muur.
“Het zou mooi zijn als je hier echt mee ging trekken,” zegt ze en ik lach opgewekt. “Ja! Dat is ook de bedoeling. Ik dacht eerst dat ik met paarden of muildieren zou reizen. Maar dat is geen optie.” Ze kijkt nadenkend. “Ja dan moeten het wel heel zware dieren zijn. Kan het niet met iets anders? Een trekker?” Grijnzend wijs ik naar de stal. “Daar staat hij! Mijn electrotrekker. Ik kan er maximaal tien kilometer per dag mee. Laden kan met de zonnepanelen die op mijn bagagewagen komen te liggen. Zo ben ik onafhankelijk, wat energie betreft.”
Ondertussen kijken we allebei naar de manoeuvres met de hooiwagen. Een baal steekt wat uit en houdt de boel tegen. De trekker neemt een nog ruimere bocht, tot vlak langs de oude auto die ingegroeid is tussen een paar vlierbomen. Ik hoor wat kraken, maar het effect is duidelijk. Hij komt een stuk verder.
“Tien kilometer per dag? Dat is niet ver,” zegt ze. Ik haal mijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Ik ben een keer twintig meter verhuisd met een woonwagen, gewoon voor een ander uitzicht. Dat was al een hele belevenis.” Ze knikt met een blik vol herkenning. “Ja, ik ben pas naar de andere kant van het dorp verhuisd, dat is ook al heel anders. Maar niet zo anders als Gent, waar ik een jaar heb gestudeerd. Mensen gaan daar toch heel anders met elkaar om. Ze draaien om de hete brij heen. Wij Friezen zijn meer recht voor zijn raap. Dat ben ik zo gewend. Maar ik ben blij dat ik weet dat het ook anders kan.”
“Zou je hier ooit weg willen?” vraag ik.
“Nee nooit!” zegt ze vastbesloten. “Ik woon nu met mijn vriend in een prachtig boerderijtje met twee echte bedstedes. Ik houd van Friesland, dit is mijn thuis. Ik wil hier nooit weg. Al weet je natuurlijk niet wat er gebeurt.”
“Fijn dat je een plek heb waar je helemaal thuis bent, ” zeg ik. “Dat heb ik niet meer. In de polder, waar ik geboren ben, daar is het niet. In Utrecht heb ik mijn netwerk, daar heb ik geschiedenis opgebouwd, daar heb ik mijn roots. Maar ik wil en kan niet terug naar de stad. Dus ik ben nu een echte nomade aan het worden, ” grijns ik.
“Ik ben benieuwd naar je avonturen, ” zegt ze. Ik doe een stap naar binnen en geef haar mijn kaartje. “Kijk maar. Er is van alles te beleven op mijn blog.” Blij pakt ze het aan. Voor hen die blijven zijn er altijd nog de verhalen van reizigers.

De trekker steekt voor de laatste keer, de uitstekende baal schuurt tegen de hoek van de boerderij langs, maar het lukt. “Ik moet gaan,” zegt ze. “Ik wens je heel veel plezier op je reis.” Ik glunder. “En jij ook, in je mooie boerderij met je vriend!” Ze lacht en springt het bordes af, om gauw in de trekker te stappen, naast haar vader, terug naar het dorp waar ze zo mee vergroeid is. Een mooie jonge Friezin, met een heel leven voor zich, dat is ze.

.

.

.

Hooien.

Dit is het andere beeld dat veel meer gangbaar is. Rijke boeren met veel land gebruiken met hun hightech hooimethodes niet alleen veel plastic, maar ook veel subsidie. In dit filmpje kun je zien hoe vernuftig de machines zijn, die ze daarmee kunnen kopen. Je kijkt je ogen uit. Maar de balans raakt zoek. Kleine boeren krijgen nauwelijks of geen geld en moeten wél investeren om zich te blijven aanpassen. Velen redden het niet. Onafhankelijkheid door specialisatie is een oplossing. Ik sta nu met ‘t Wandelhuis bij Boer Jochum. Hij heeft altijd zes koeien gehad en maakte kwark en yoghurt, die hij zelf naar de biologische winkel bracht. Daarbij voerde hij een camping, dezelfde als waar ik nu sta. Hij redde het net, het was hard werken. Nu hij zeventig is, kan hij iets rustiger aan doen en is hij gestopt met de zuivelverwerking. Jammer, ik ben gek op kwark.

.

Het verdwenen verhaal

.

.

Het verdwenen verhaal

Ik had een mooi verhaal
uitgetikt in zwart op wit
Maar het is verdwenen

Een duister avontuur was het
ik was op weg naar huis gegaan
hangend in de harde wind
die ik pal van voren moest weerstaan

Ik duwde mijn zwaarbeladen fiets
langs het voortgestuwde water
de blik op het donkere pad gericht
Er was geen mens en niets
dan de verre contouren van een
stad met licht

De donkere plek waar ik naar keek
en het geel verlichte venster
kwam almaar dichterbij
Dit was de plek van de oversteek

Ik kwam en zag

Donker water, zompige oevers
Ik ploeterde met een enkele spaan
bewaarde dobberend mijn geduld
zoekend naar de andere
die verdwenen was in het tumult
terwijl ik de oever voorbij zag gaan

Omringd met water en kolkende wind
wist ik niets dan enkel dat
dan gestadig door te gaan
Vechtend, knokkend in de wind
naar het huis waar het gele raampje zat

Ik vond de verloren spaan die ik zocht
en maakte de korte overtocht
tot de boot de oever raakte
en ik tevreden het touw vastmaakte
aan de steiger.

Het verdwenen verhaal
duikt steeds weer op.
en toch altijd anders
Met tegenwind dan gloeit mijn kop
zo groeit het vertrouwen bij elke vlaag
als de wortels van de beuk in mijn binnenste.
Als het ritmische antwoord op de vitale vraag
naar een steeds meer veerkrachtig bestaan

.