Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.

Doe het!

.

“Maak er wat moois van!” Dat zei hij altijd als hij weg ging. Dat zegt hij nog steeds.
.

Ik zit heel stil op mijn stoel in het zonnetje. De mannen van het glas zijn klaar met koffie drinken en komen uit hun busje om weer aan het werk te gaan, verder met het grote glazen windscherm dat straks mijn terrein omringt. Ik verwerk wat ik net gehoord heb en kan het bijna niet geloven. Ik kan een grote overkapping laten maken, boven het windscherm. Dat is nogal wat. Het plan lijkt te groeien, in razendsnel tempo, als een kuiken dat uit het ei komt.

Ik ben nog niet eens bijgekomen van de verrassing wanneer José komt aanlopen. Ze loopt voorzichtig over het betonpad om mij niet te storen en kijkt me vragend aan. “Hé José! Kom maar hoor!” roep ik uitnodigend. José lacht en neemt nu grotere stappen. “Wat bijzonder dat je mijn kant op komt, terwijl dat nooit gebeurt. Ik ben net een groot plan aan het overdenken, en wilde er niemand mee lastig vallen. En juist nu kom jij naar me toe!” José straalt. Dan leg ik haar uit wat de bedoeling is. Als ik klaar ben kijk ik naar José. Ze denkt na en kijkt naar de kachelpijp, die boven mijn dak uitsteekt. “Dan moet je er wel een gat in laten maken voor je schoorsteen, ” zegt ze nadenkend. Ik knik. Dat is een goeie, daar had ik nog niet aan gedacht. Ik bedank haar en we gaan ieder ons eigen weg.

Even later is in mijn huisje de vensterbank bedekt met schetsen. Niet alleen het windscherm en de overkapping moet erop staan. Ook mijn woonwagen, het podium dat straks een deel uitmaakt van de lichte buitenruimte, maar ook het torentje, waarvan het dakje en de palen al klaar liggen. Alles moet één geheel worden. Ik loop van binnen naar buiten en weer terug. Ik meet en teken tot ik tevreden ben. Dan loop ik naar de gemeenschapsruimte, in de boerderij. Ik wil het laten zien!
Er zitten vier vrouwen in de zithoek. Het is er donker, ik kan niet zien wie het zijn. Het is rustig, het is een geconcentreerd gesprek. “Kom maar binnen hoor,” zegt Elbrecht “We zijn even in bespreking.” Irma neemt het woord over. “Dit is Lia, van de provincie.” Ik heb van Lia gehoord, ze gaat over subsidiepotjes en kent heel veel mensen. “O,” zeg ik blij, “Dan kom ik op het juiste moment.” Irma had gisteren al gezegd dat het een goed idee was om haar in te lichten over mijn plannen. Het zou dat hele uitstraling van het terrein ten goede komen. Wat een toeval dat ik net deze tekening maak!

.

.

Even later staan we met zijn drieën op de betonplaat, waar het allemaal moet gebeuren, Lia, Irma en ik. Ik laat zien hoe je mijn huisje weg kan rijden en hoe de ruimte dan tot zijn recht komt. Op het podium kunnen we een concert geven en de mensen een paradijselijke ervaring  bieden.
“Alowieke is onze artist in residence,” zegt Irma. “Zij gaat over artistieke zaken en cultuur.” Verbaasd luister ik naar Irma. Goh, ben ik dat? Tja, het zou zomaar kunnen.
Irma kijkt naar het werk van de mannen en droomt hardop verder. “Ik vind die blauwe kleur van de palen zo mooi… Het doet me denken aan de zee. Dit wàs ook een zee vroeger, een binnenzee. We zouden een vloer kunnen storten van glad beton en daar kan Alowieke dan een zee op schilderen! We zouden er subsidie voor kunnen vragen. Lia knikt nadenkend. Ze weet wel waar je dan moet zijn, zegt ze.

Daar staan we dan. We kijken en zien het voor ons, drie ondernemende vrouwen met verbeeldingskracht. Lia wordt er heel nieuwsgierig van. “Als het af is kom ik kijken. Ik ben zò benieuwd! Ik schilder zelf ook zie je…”

.

Podiumhoek met overkapping

.

Ik maak de volgende ontwerptekening, dieper in details. Alles verandert nog twee keer. Dan weet ik hoe het moet worden. Er komen twee glazen overkappingen en een dichte, gemaakt op een stevige staalconstructie. Daar komt het podium. Aan één kant komt er zand op de vloer. Er komt transparant blauw doek onder het dak en langs de wand. Het heeft een ribbeltje dat beweegt in de wind. De schaduwen zullen golfjes maken op de vloer, de zeebodem.

Als ik die avond naar bed ga denk ik na over rechten en risico’s en kostenplaatjes. Dan slaat de twijfel toe. Heel even maar. Want opeens zie ik mijn overleden man voor me, mijn grote liefde. Ik had alles voor hem over en andersom. Dankzij hem krijg ik deze kans. Hij maakte mijn talent los. Hij gaf mij de erfenis. “Maak er wat moois van!” Dat zei hij altijd als hij weg ging. Dat zegt hij nog steeds.

Ik hoor het hem fluisteren, nu op dit moment…

“DOE HET”

 

 

 

Een spannende beslissing

.

Het beeld daagt op  wat mogelijk is….

.

Het is maandag 2 juli. Vandaag komen de mannen het windscherm plaatsen. Ik zit met de andere vrouwen met koffie de dag door te nemen, als Marin roept: “Je mannen komen er aan Alowieke!” José kijkt verheugd op. “O mànnen?” Ik lach. “Ja, de mannen voor het windscherm.” Tegelijkertijd schiet ik omhoog en vlieg op een holletje naar de deur. Oscar de hond springt ook op en wil enthousiast mee rennen. “Rustig Alowieke, voor Oscar,” zegt Irma. Overdreven traag loop ik door. De vrouwen praten verder en ik leid de mannen het pad over, naar de plek waar mijn huisje staat.

Mijn huisje staat nu verderop, ik heb gisteren al mijn spullen weggehaald en daarna heb ik met Elbrecht mijn woonwagen naar achteren gereden. Hij staat nu vlak bij de caravan van Anna, waar we kortgeleden dat heerlijke modderbad hadden. “O, heb je het voor ons vrijgemaakt? Wat leuk!” De mannen kijken verrast naar alle ruimte om hen heen. We nemen nog even kort door waar de laatste palen moeten komen. Er zijn weinig woorden nodig. Ze weten precies wat ze moeten doen en gaan ijverig aan de slag.

Even later zit ik met een kop koffie naar de bedrijvigheid te kijken. Het houten bordes is opgewarmd door de zomerzon. De zon stijgt al hoger en als die stevige bries er niet was, zou het warm zijn. Op het zandpad, dat verder het land in leidt, staat hun busje met een aanhanger erachter. Op de aanhanger staan de eerste ruiten en liggen de zeeblauwe palen en de aggregaat. Maar het is het busje wat mijn aandacht trekt. “Vriesia tuinkamers” staat er op, met een foto. Het is een soort tuinhuis met een dak erop. Hé, denk ik, zouden ze er bij mij ook een kap overheen kunnen maken? Ik heb eerder al het plan gehad om een kas te laten bouwen en daar mijn huisje in te zetten. Dat idee strandde. Ik kon er geen eentje vinden waar mijn woonwagen in paste. Er zat bij alle kassen een balk, die in de weg zat. Of ik zou een tunnel moeten kiezen, of een geodetische koepel. Dat wilde ik niet. Al dat plastic en rubber wat je daarbij nodig hebt, daar moet ik niet veel van hebben.

Ik zie hoe de mannen naar hun busje lopen om koffie te drinken. Ik besluit erheen te lopen om het te vragen, of het ook kan, zo’n glazen dak erop.
Ze kijken me verbaasd aan. “Ja hoor, dat kan best. Ze staan op vier palen. Voor de ruimte die jij wilt bedekken zal je er drie of vier stuks voor nodig hebben. Doe ze dan overdwars, dan krijg je in de lengterichting twee mooie golven.” Ik vraag de mannen precies hoe dat dan moet en knik als het genoeg is. Dan ga ik een beetje verbijsterd op een stoel zitten om deze onverwachte informatie te verwerken. Wat ga ik nu doen? Ik besef het in enkele seconden. Dit lijkt een oplossing te zijn voor alles. Het dak van het podium, de verschillende ontwerpen waar ik niet tevreden over was. Daar hoef ik mijn hoofd dan niet meer over te breken. Met één groot dak wordt het een deel van de rest en dat is nog veel mooier!
En wat biedt het nog meer? Ik zal een droge buitenruimte hebben om te leven en planten te laten ontkiemen. Een lichte concertzaal, midden in de natuur om naar muziek te luisteren. Ik kan alles zo vormgeven, dat het één sprookjesachtig geheel wordt, de overkapping, de uitkijktoren, waarvan het dakje en de palen al klaarliggen. Ik kan dezelfde vormen terug laten komen in het podium. En dan is er nog mijn allerliefste wagenhuisje. Wat zal het er mooi in staan en wat een fijn plekje is het dan. Het zal wat kosten en het is nog veel werk. Maar O, als het af is! Het zal een aanwinst zijn… Ik hou mijn adem in. Zal ik het doen?

.

.

Stormdans op het naakte koord

.

.

Daar sta ik dan. Voor het raam, met voor me een uitgestrekt tapijt van wuivend raaigras. Hoewel het zomer is, brandt de kachel. Het is dagenlang mooi weer geweest maar nu is de lucht loodgrijs. Ik draai me om en kijk door het andere raam. Een keiharde noordwestenwind waait woest door de takken van de grote populieren en wilgenbomen, die naast de boerderij staan. Er zijn windvlagen van windkracht tien, die mijn raamkristallen zo heen en weer doen zwaaien, dat ze tegen het raam aan botsen. Een huisvlieg schrikt op en zoekt een rustig plekje op het plafond, boven de kachel. Ik had mijn huisje net zo goed op de dijk aan de kust neer kunnen zetten, zo hard waait het. En ik wist het. Ik wist dat het zo zou gaan en ik wilde het. Ik wilde hier staan. Zelfs de kleuren van mijn huisje kloppen met de plek waar ik nu sta.

Ik hoor een harde bons en gerinkel van glas. Ik kijk uit het raam en zie dat mijn minikeuken is omgewaaid. Een pot met gedroogde bonen ligt in scherven op het beton.
Ach, ik ruim het straks wel op.

Die nacht slaap ik slecht. Ik heb mijn huis nog niet vast op de stapel stoeptegels gezet en word flink heen en weer geschud. Bij hele harde vlagen hoor ik een bonk onder de vloer en ik voel een lichte trilling door mijn matras heen gaan. Ik ga drie keer naar buiten om te kijken wat het is. Ik verplaats een plank en een kist met hout. Het helpt niet. Als het licht wordt eet ik een paar happen havermout. Daarna val ik moe in slaap.

De volgende dag is de wind al een stuk minder. Ik laat de wind door mijn haren waaien en lach naar een doorbrekende zonnestraal. Straks waait de wind niet meer door mijn haar.  Het wordt helemaal anders. Er komt een volglazen windscherm met acht millimeter veiligheidsglas, in een U vorm om mijn huisje heen. Alleen de westkant is nog open, daar komt iets anders. Het scherm wordt vastgezet in het beton met een soort van superlijm. Het is één meter zeventig hoog, dus mijn kruintje blijft net precies uit de wind.

Ik loop langs een perk bij de boerderij, omringd met oude rode stenen. Na één dag storm hebben veel planten dorre bruine rafelranden gekregen door de meedogenloze zweep van de wind. Zelfs een bosje oersterke brandnetels heeft er onder geleden! Ik besef opnieuw hoe belangrijk de luwte is, voor leven op aarde.
Hier op het terrein zullen veel planten profijt hebben van mijn glazen scherm. Maar we doen meer. Er zijn al heuvels, takkenwallen en een paar muurtjes. We gaan er nog veel meer maken, kleine fijne plekjes waar het goed toeven is. Daar kan alles uitbundig gaan groeien.

Ik loop over de betonplaat terug naar mijn huisje. Dit is de westkant. Aan deze kant ga ik zelf een windkering maken, gemaakt van dikke bamboepanelen en stevige palen die een meter de grond in gaan, dwars door het beton heen. Ze komen schuin te staan, zodat de wind er niet keihard tegenaan ramt, maar er langs glijdt. Er komt een rond dak op. Ik wil het zo maken, dat de wind er moeilijk vat op krijgt. Dan kan ik het een heel stuk hoger maken dan 170 cm. Eronder zal ik een podium bouwen. Wat wordt dat een heerlijk plekje! Ik zal er ontbijten en er kunnen mensen logeren. We zullen er muziek maken en praten over de wereld. Achter het glas in de zon zal ik over de winderige vlakte uit kijken. En wie weet wat er nog meer mogelijk is….

Volgende week komen de mannen het neerzetten. Wat zal dat anders zijn! Straks ben ik als een goudvis in het aquarium. Haha.

.

.

Podiumontwerp met veertien palen die de grond in gaan. Tussen de vier bamboepanelen (1800 x 900 x 75 mm) aan de achterkant, tussen de twee palen, zit plexiglas (250 mm) dat bij Oostenwind er uit te schuiven is, zodat de wind het bouwwerk niet omhoog blaast. Als eerst de achterkant maar staat, dan kan ik al lekker werken in de luwte.

 

 

Met modder gooien

.

.

 

Anna staat in de sloot met haar laarzen vast in de modder. Haar voeten zitten vastgezogen in de laarzen, in een vacuümtoestand. “Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”

 

Mijn watervoorraad bewaar ik in mijn fietskar. Op Frijlân is nog maar één watertap, helemaal aan de andere kant. Het is gewoon een tuinslang, die uit de grote betonnen waterput komt, waarin de kraan van de waterleiding zit. Omdat het een eind lopen is, sla ik groot in. Mijn fietskar heeft een mooie plastic bak, genoeg voor zo’n veertig liter water.
Ik heb mijn waskom schoongepoetst met een doek en wil vers water scheppen uit mijn voorraad. Ik til het tentzeil op, dat het water schoon moet houden. Eronder is nog maar een klein bodempje. Het word tijd om het aan te vullen.
Ik pak het handvat van de kar en loop over de betonplaten om het veld knalgele koolzaad heen. Eerst kom ik bij de caravan van Anna. Anna is een jonge blonde vrouw en de kinderen van Elbrecht zijn gek op haar. Ik kijk naar de planten, die voor haar wagen staan. Een roze spirea is op sterven na dood en de anderen liggen droog bij elkaar.
“Hee Anna, zal ik die planten van je even redden?” vraag ik. Anna kijkt me somber aan. “Ik kan het niet, ze gaan dood bij mij. En ik heb mijn dag niet,” moppert Anna.
“Kom op, we leggen ze gewoon in de sloot. Dan kunnen ze zich even flink volzuigen en bij komen. Dan zijn ze vast te redden.” Anna stemt in, dat vindt ze een goed idee. “Ik zou het heel rot vinden als de planten doodgingen”, zegt ze ongelukkig.

Anna voegt daad bij woord. Over de net iets te schuine helling glijdt ze richting sloot. Ze pakt de planten aan die ik haar aangeef. De sloot is dieper dan we dachten, de potten raken de bodem niet. Ik moet aparte kom voor de planten uitgraven, vlak langs de oever. Ik ga weg om de spade te halen. Anna zegt vastbesloten dat zij ervoor zal zorgen dat de planten niet wegdrijven.

Als ik terug kom staat ze nog steeds in het water en  houdt de potten op hun plek. Ik hak een hazetrapje naar beneden, zodat ik makkelijk weer bij de sloot kom. Ik graaf een zijkom aan de sloot. We geven alle planten een plek.  Anna haalt allerlei capriolen uit om niet te vallen. De bodem van de sloot is onbegroeid en de grijze klei is spekglad. “Haal die grote ook nog even, die nog bij de caravan staat.” zegt Anna wankelend. “Die is er ook slecht aan toe.”
Ik klim weer naar boven voor de laatste pot met de grote vergeelde kornoelje. “Zal ik hem eerst even flink nat maken?” vraagt Anna me. Ik knik instemmend. Met alle toewijding die ze in haar onhandige positie kan opbrengen, dompelt ze de rand van de pot onder water. Nu moet hij naar de kant. De pot is tien keer zo zwaar geworden. Anna strekt haar armen om de pot aan te geven. Ze verliest bijna haar evenwicht en laat de pot los. “Help, mijn laarzen zitten muurvast in de modder!” Ze zwaait met haar armen. Het volgende ogenblik ligt ze languit in de sloot. Verbouwereerd en lacherig komt ze overeind en duwt alsnog de pot naar de kant. We klaren de klus. Anna is al die tijd niet van haar plek afgekomen. Haar laarzen en de bodem van de sloot zijn één onbeweeglijk geheel geworden. Haar voeten zitten vastgezogen de laarzen, in een vacuümtoestand.
“Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”
“Jij hebt makkelijk praten!” roept ze quasi verontwaardigd “Jij staat schoon en droog langs de kant!”
“Okee, zal ik dan ook de sloot in komen?” Eigenlijk heb ik daar best zin in.
“Ja!” roept Anna stellig. Solidariteit gaat boven alles.
“Maar dan doe ik wel even mijn badpak aan.”

Even later staan we schaterend in de sloot elkaar met modder te bekogelen. Marin is er ook bij gekomen, in haar mooie jurkje. We smeren de modder in elkaars haar en maken een gezichtsmasker. Wat een heerlijke verfrissing!
Na een tijdje krijg ik het koud. De twee twintigers zijn nog vrolijk bezig, met hun modderbad. Ik ga eruit en trek de handdoek om me heen. Alles tintelt. Ik voel me een heel ander mens. Dit gaan we vaker doen. Zeker weten!

.

.

Ik zag hoe Frijlân groeien kan

.

Voeten in aarde

en bergen

verzetten

 

.

.

.

Ik sta met mijn fiets in de hand naast mijn woonwagen op Frijlân. Vandaag ga ik Martijn bezoeken op zijn volkstuin in Amsterdam. Hoe kort geleden lijkt het nog, dat hij langs kwam fietsen in Brabant, vlak voor ik naar Friesland verkaste! Ik wil hem bezoeken in het tuinhuis waar hij woont, in Amsterdam. Ik ben benieuwd naar die plek.

Ik kijk om me heen. Het erf van de boerderij is gehuld in een diepe stilte. De ochtendzon schijnt warm op het grote veld en het gele koolzaad staat te stralen in het vroege licht. Ik loop met mijn fiets naar de oprijlaan. De betonplaten zijn schoon en droog. Dat is fijn voor mijn nette schoenen. Ik heb me mooi aangekleed en ook mijn nieuwe engelse hoedje opgezet.
Aan de overkant van het pad zie ik mijn buurvrouw, Elbrecht. Ze zit met haar hoofd in het kippenhok. De kippen lopen verderop en pikken in de aarde. Ze trekt haar hoofd weer uit het hok en kijkt bedenkelijk. Ze ziet me niet. Ik glimlach en roep haar geen ochtendgroet toe, zoals anders. Vandaag is de maandelijkse retraite. Voor één dag zeggen we niks tegen elkaar.

Even verderop kom ik langs de gezamenlijke keuken. De oude monumentale koeienstal is koel en donker, een toevluchtsoord op warme dagen als deze. Vanuit de keuken hoor ik gepraat. Het zijn de jongeren onder ons, die kennelijk toch nog even iets kwijt willen. Als ik een stukje verderop langs de open deur rijd is het alweer stil. Marin steekt zwijgend haar hand naar me op.

Amsterdam is druk en warm. Ik vraag drie keer de weg naar lijn 33, maar niemand begrijpt me. Het zijn allemaal buitenlanders. De vierde die ik aanspreek is een oude man. Eindelijk een echte Amsterdammer. Ik moet naar boven, wijst hij. Daar zijn nu de bussen. Alles is anders sinds de verbouwing. Ik vind de bus, die onder het IJ doorgaat. Ik neem de eerste halte na de tunnel, precies zoals Martijn mij vertelde.

Het tuinenpark Buitenzorg bestaat al honderd jaar. Het is opgezet om arme arbeiders van dagelijks voedsel te voorzien. Nu is het een dicht beboste strook, die aan het IJ ligt, vlak naast een fantasieloos bedrijventerrein. In het hek zit een kleine doorgang. Het lijkt een zij-ingang te zijn. Net als ik me afvraag hoe ik binnenkom, zie ik een man met een kruiwagen. Hij komt dichterbij en kijkt me stomverbaasd aan. “Ik had een afspraak met Martijn,” zeg ik en op het moment dat ik het zeg herken ik hem. Zijn verbazing maakt plaats voor een blij verraste blik. “Wat toevallig dat ik hier net loop! Dit is de achteringang. Ik herkende je niet met dat hoedje!”

Martijn heeft verse muntthee. Ik geniet van de opwekkende dampen en van de oude balken en deuren waarmee hij zijn huisje heeft getimmerd. Aan grote haken hangen scharnieren en gereedschap. Ik zie bakjes met schroeven, alles netjes gesorteerd, het huis van een handige tuinman.
“We hadden een stiltedag op de boerderij vandaag,” vertel ik. Martijn haalt zijn wenkbrauwen op. “O? Dat doen ze in kloosters ook. Het is niks voor mij, veel te zweverig.”
“Ik vind het helemaal niet zweverig”, zeg ik, “ juist fijn. Dan kan ik lekker doorwerken en verhalen en gedichten komen ook veel makkelijker uit mijn vingers.”

De schrijver die dit park zo’n eigenwijze stempel gaf, is Simon Vinkenoog. We lopen over het poëziepad en ik lees gedichten van deze markante man. Martijn heeft mooie kastjes voor de teksten getimmerd, met glas erin. We bewonderen rozenstruiken, klimhortensia en bomen van tientallen jaren oud. Ik kijk mijn ogen uit en ruik aan alle bloemen waarin ik een hommeltje zie.

De volgende dag groet ik Martijn en bedank hem voor alles. Ik loop terug over het dicht begroeide pad. Het is lang en op de stoeptegels hebben al vele voeten gelopen. Ik hoop dat er nog veel meer van dit soort plekken komen. Parken, boerderijen en stadstuinen, Plekken die honderd jaar met rust gelaten worden of langer nog. Een thuis voor mensen, dieren en alles wat erop leeft. Hier mag alles zijn wat het is. Ik zag hoe Frijlân groeien kan. Wat een prachtige dag!

.

.

Ps. De handtekening bovenaan mijn blog, heb ik gekopieerd uit de later bijgeplaatste foto. Ik hoop dat weduwe Edith Ringnalda het goed vindt. Ik zag haar nog zitten met vier mensen. Haar lange grijze krullen glansden in de zon.

Lees hier over de laatste keer van Edith en Simon in het tuinhuisje

 

 

Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.