Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

Met grenzeloze belangstelling

.

.

 

Na een klein weekje op Schiermonnikoog, word ik wakker in mijn woonwagen op Frijlân. Ik heb kort geslapen en moet er aan wennen weer terug te zijn. Schiermonnikoog was heerlijk. Ik proefde de ruimte van stranden en kwelders, liep urenlang zonder een mens te zien en kwam terug op een camping vol rommelige gezelligheid. Ik at zelf geoogste broccoli uit de pluktuin, die naast de camping lag en genoot.
Hier is het anders. Als ik uit het raam kijk, zie ik distels, perzikkruid en melde. Het ziet er zwart van. Verder is er geen mens te zien. Somber staar ik ernaar en zie mezelf alweer bezig, eindeloos uittrekken van de distels die zich razendsnel uitzaaien en ineens overal opkomen. De moed zakt me in de schoenen en ik weet maar één ding te doen. Ik zet mijn verstand op nul.
Ik doe mijn oefeningen en ruim mijn huisje op. Zonder discipline ben je nergens. Terwijl mijn wagen er steeds opgeruimder uitziet, denk ik aan een man, die ik ontmoette op de boot. Het was op de terugreis. Vanaf het moment dat ik hem zag kon ik mijn ogen niet van hem afhouden. Die man, wat zou hij doen in mijn plaats?

Aan de tafel bij het raam zitten vier mensen. Een oude man en een oude vrouw en een jonger stel. Achter het vensterglas bewegen langzaam de drooggevallen zandplaten voorbij, vol met watervogels. Het is vooral de grijze man, die mijn aandacht trekt. De ontspannen toon waarmee hij alles in beschouwing neemt, wat hij ziet. En hoe vanzelfsprekend de anderen naar hem luisteren, alsof hij ze al jaren weet te boeien met zijn waarnemingen.

De boot volgt trouw de vaargeul, zoals hij daar al jaren ligt. Wij weten niet anders. Maar de oude man en de oude vrouw kennen het water al hun leven lang en hebben al veel van haar gezichten gezien. Ze kenden het wad al voordat er vaargeulen bestonden. En terwijl buiten het water langs het schip stroomt, zien we binnen een jong zeehondje geboren worden op het beeldscherm dat in de verblijfsruimte hangt. De man kijkt ernaar en leest de titel die bij de beelden hoort. “Er komt een film over het wad,” zegt de hij bedachtzaam. Ik spring op. Het is de film waar ik heen ga. De man kijkt me aan met een vermaakte glimlach. Ik vertel erover wat ik weet. Het moet een prachtfilm zijn. Het is in Leeuwarden. “Komt u ook?” vraag ik, maar nee dat kan niet, hij woont in Rotterdam. We praten verder over onze meest geliefde plek, het Eiland.

“In 1929 kwam ik voor het eerst op Schiermonnikoog,” zegt hij. “Bent u er toen geboren dan?” vraag ik een beetje verward, want zou oud kon die man toch niet zijn. “Nee, zegt hij, dat was in 1923.” Ik staar hem ongelovig aan. “Echt waar?!”
Zijn vrouw is even oud. Ze hebben samen al veel meegemaakt. “Toen zij in 1930 voor het eerst op het eiland kwam, toen was er een andere aanlegsteiger. Het was de steiger die nu door zeilboten wordt gebruikt.” Ik knik, ik zie de plek voor me, je kan de masten van de boten nog net zien, als je op de veerboot wacht. Hij gaat verder. “ Je kon er niet naar de oever lopen, als het vloed was. En als je dan zo oud was als mijn vrouw nu, weet je hoe je dan bij de oever kwam?” vraagt hij me.
Ik schud mijn hoofd. “Op de rug van sterke jonge mannen!” De twee oudjes stralen als hij het vertelt en ik lach mee. “Dat wil ik ook wel!” roep ik. De grijsaard grinnikt. “Dan moest je wel eerst oud worden…”

Aan die mensen denk ik nu. Wat een heerlijk echtpaar, wat een mooie man. Zo vrolijk, zo open en belangstellend, terwijl ze toch ongelooflijk veel moeten hebben meegemaakt. Zouden deze mensen zich druk maken om een distelveldje?? Nee toch…..
Dan open ik mijn deuren en haal diep adem. Frisse buitenlucht doordringt mijn longen. Het nodigt mij uit tot iets. Wat is het? Ik kijk over het glanzende gras naar de spoorlijn in de verte. Er gaat een trein voorbij.

.

.

De geur van Duindoorn in september

.

.

Het schelpenpad maakt

voor vele voeten een weg

de horizon kraakt

.

Zon rijst warm en traag

uit oranje bessenzee

vruchten die ik draag

.

Wortels in de kust

vlak voor de wereld afsterft

spreid ik levenslust

.

Hier en nergens anders

 

 

 

(Bezoek aan Schiermonnikoog met rijpe duindoornbessen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Knipoog van een zielsverwant

.

.

Midden in het stadje Loenen
ligt een zwaar verwaarloosd park
fruit ligt er te rotten
en een breed tapijt aan riet en netels
wint het van de bloemen

Maar tussen opgeschoten vlier
werkt een vrouw zo onvermoeibaar
en elke zondag klinkt haar stem
vertelt zij haar verhalen daar
aan wie dan ook, een mens of dier

Haar handen zijn nu vuil en hard
van het trekken aan het riet
Ze werkt en werkt maar door
of iemand het nou ziet of niet
en legt het mooiste zaad apart.

Kom kijken roept ze menigmaal
Maar bleek van vermoeidheid
of blind door ambitie
loopt mens na mens voorbij.
Ze spreken een andere taal.

Er komt een jonge kunstenares
Zo prachtig wat je doet zegt ze
elke dag zie ik het groeien
wat een bloesems laat jij bloeien
hier houd ik mijn schilderles!

Een ambtenaar komt controleren
of het park wel mag bestaan
ze hangt net in een perenboom
om een nestkast op te hangen
Hij kijkt haar heel belangrijk aan

Diversiteit is hier van groot belang
dat staat in al mijn boeken
Nu ik weet dat u hier bent
Maak ik er notitie van
Die zaak van u krijgt absoluut
boven alles voorrang!

Er komt een oude hovenier
hij pakt haar vuile hand en zegt
Jij begrijpt het, de anderen niet
Ik wil je zeggen het ligt niet aan jou
Voor mij ben jij de mooiste hier!

Ze staart hem na terwijl hij wegloopt
als een stille zielsverwant
hij weet haar ogen in zijn rug
en droomt hetzelfde wat zij hoopt.

Van tientallen voeten in aarde
en duizenden bloeiende bloemen

Dan kijkt hij om
en knipoogt.

Handen voor het land

.

.

Kom op zei de man
na een slapeloze nacht
en hij sprong acuut uit de veren
Niet gedraald het is genoeg
de hoogste tijd om het tij te keren
Hij haalde zijn koperen hoorn
uit het stof en klom snel in de toren
Hij kuchte even voor hij blies
en blies zo luid en koninklijk
dat iedereen kwam
om het te horen.

.

Af en toe kamperen er vrienden en kennissen op de camping. Dan staat er voor op het veld een tentje, op één van de plekken waar we de distels hebben weten weg te krijgen. Soms staat er een caravan. En nu is het een busje. Er kampeert een vrouw in en ze heet Elza. Ze heeft lang grijs glanzend haar en een rimpelloos gezicht. Haar ogen staan helder en direct, als een vrouw die aan kan pakken. Elza heeft een schoenenwinkel in de stad en wil er even uit. Ik sta net achter mijn huisje, wanneer ze aan komt lopen.
“Hallo, ik hoorde van Irma dat ik jou kan komen helpen in de tuin. Er moet meldezaad geoogst worden. Kan je me laten zien waar dat is en hoe ik het moet doen?” Dat wil ik met alle plezier en ik loop met haar mee naar het meldeveldje. “Kijk,” zeg ik, “zo doe ik dat.” Ik pak een stengel tussen duim en wijsvinger en rits het zaad er in één beweging af. “O, dat is simpel,” zegt ze. Ik zoek een emmer voor haar en ze gaat aan de slag. Een tijdje sta ik naast haar, onze handen gaan ritmisch langs de stengels en de kleine lichtgroene korrels rollen van onze handen in de emmer.
“Ik heb een halve hectare in Belgisch Limburg,” zegt ze. “Daar probeer ik een voedselbos te maken maar dat is best lastig. Ik sta midden in het bos en de zon komt pas laat over de boomtoppen heen.” Ze vertelt hoeveel er toch al groeit. Ze is er al een poos niet geweest. Niet zo handig, in de oogsttijd. Ze gaat met haar busje overal naar toe. In de winter gaat ze naar Spanje. Veel leuker dan Nederland en de Spanjaarden zijn zo lekker relaxed! Ze vertelt er enthousiast over. “Er zijn steeds meer mensen die het vrije leven opzoeken op deze manier. Ouderen en ook jongeren,” zegt ze.
Ik kijk haar aan. “Ja ik snap wel dat ze er geen zin meer in hebben om mee te doen in de mallemolen van de economie. Maar ik vind het ook wel jammer dat ze niet hier blijven. Je kan het daar wel leuker vinden, maar hier in ons land is juist zoveel te doen! Het vraagt toewijding om het weer mooi te maken. Steeds wegfladderen werkt niet.” Ik zie tussen de melde een groepje jonge bosliefjes staan en zet mijn voet zorgvuldig op een andere plek. Die kunnen de komende twee maanden nog mooi in bloei komen, paars en prachtig. Als ik zeker weet dat mijn voet goed staat, praat ik weer verder.
“Frijlân is een ambitieus project. Maar het geeft ook voldoening. Er komen hier veel mensen om te kijken hoe we het doen.” Elza kijkt me nadenkend aan. “Ja, dat mis ik wel in België. Ik doe dat helemaal in mijn eentje en mijn man interesseert het niet zo…” Ze kijkt peinzend naar de horizon.

Terwijl ik terug naar mijn huisje loop, denk ik na over dit gesprek. Zo had ik het ook kunnen doen. Ik had ook een halve hectare grond voor mezelf kunnen hebben. Dan zat ik midden in het provinciale Brabant, midden tussen akkers en bosjes in de heerlijke stilte. Maar dan was er zelden iemand die mij bezocht. Hoe anders is het op Frijlân! Het is de grootst denkbare tegenstelling. Een eigen voedselbos is leuk, en het is gaaf als je je creativiteit ongestoord kan uitleven. Maar ik doe het niet voor mezelf alleen. Daarom ben ik hier. Nu.

.

.

Dikke stromen mensen gaan dezelfde kant op. Een raadsel!

 

.

Kwikstaartjes en slangenkruid

.

.

 

Achter het glas van mijn windscherm zit een jonge kwikstaart. Ik ken hem. Ik kijk al weken naar hem, sinds hij met zijn ouders hier verscheen. Nu is hij alleen. Zijn lange staart wipt op en neer en hij hapt net zo kwiek naar een vliegje als een volwassen exemplaar. De kwikstaart is nu groot genoeg om zichzelf te redden. Zijn ouders zie ik nergens meer. Als ze er waren zou ik ze zien. Ze zijn duidelijk te herkennen aan het zwarte kapje op hun hoofd, het kapje, dat nog zwarter lijkt door de witte omlijsting eronder, net als de kleren van een non. De jonge vogel heeft nog geen kapje, hij is grauw gekleed, als een novice uit vervlogen tijden. Ik herken de vogel aan zijn lange wippende staart, die de wereld toe lijkt te lachen.

Hij heeft een mooi plekje daar, uit de wind, achter het glas. Het geeft een heerlijke beschutting, zo’n glazen windscherm. Maar zelf heb ik er vandaag minder aan. De wind komt uit het westen. Aan de westkant is op dit moment nog niks. Het windscherm houdt daar op en waar de betonplaten eindigen, begint de uitgestrekte grasvlakte, waar de  westenwind zijn kracht ongestoord kan verdubbelen.

Dus ik sta nu in de wind met mijn kleine huis, de wielen op het beton, terwijl het kwikstaartje aan de luwe oostkant van het glas naar vliegjes hapt. Er staat een stapelmuurtje van oude stenen, waar ook insecten kunnen schuilen. Tussen de droge restanten van het koolzaad, naast een parmantig berkje, heb ik diverse soorten munt laten groeien en citroenmelisse. Er staat een grote pot met Slangenkruid vol paarse bloemen. In dat windstille hoekje komen vaak dieren langs, vogels, hommels en soms een kip. De kat komt er ook graag. Ze lopen daarna het hele terrein over. Het stekelige zaad van het Slangenkruid nemen ze mee in vacht of veren. Langs alle paden van ons terrein zie ik de bladrosetten terug, die plant in het eerste jaar maakt. Ik kijk er naar met veel plezier. Nu krijgen we volgend jaar overal blauwpaarse bloemen, wekenlang!
Slangenkruid groeit eigenlijk op zand, en houdt van droge plekken. En droog was het, deze zomer! Misschien heeft hij het daarom zo naar de zin nu, op de kleigrond, langs het wat zanderige pad. De voorspelling is, dat we vaker lange en droge periodes krijgen. Dat zet veel mensen aan het denken. Deze zomer alleen al heeft grote gevolgen. Het kan jaren duren voor de schade in de natuur zich herstelt, zeggen ze. Maar dan vraag ik me af, wat gebeurt er als het vaker gebeurt? En als het weer drastisch verandert? Misschien is dit wel een voorbeeld, hoe leeg gevallen plekken zich kunnen vullen met nieuw leven, zo als deze prachtige paarse bloem, die zo  onverwacht opduikt. Wellicht zijn er meer soorten, die in de naden van het bestaan hun mogelijkheden verkennen.

Alles verandert. Na de leegte komt vervulling. Beweging is eindeloos. Dit te weten, dat vult mij met vertrouwen, maar ook met veel nieuwsgierigheid!

.

Ik maakte een filmpje over de terugkeer van het water.

.

Terug naar waterland

.

.

Elke ochtend als ik wakker word denk ik aan water. Water in rivieren, water in vennen. Ik denk aan het water in mijn sloot. Als ik opsta ga ik meteen kijken hoe het ermee is. Het is nog maar een kleine poel. Als ik aan kom lopen hoor ik overal kleine plonsjes, van de kikkers die hier hun laatste toevluchtsoord vonden. Ik sta op het houten vlonder en zie dat het opnieuw is gezakt. Als het niet snel gaat regenen verdampt alles, ondanks de schaduw die ik heb gemaakt, door deze vlonders over de sloot heen te leggen. Gisteren heb ik het aangevuld. Ik had er 40 liter kraanwater voor nodig. Dat ga ik niet elke dag doen.
Zo is het nu overal in Europa. Ik denk aan jonge bomen die nog moeten groeien, aan schippers en laag water, aan de boeren die de helft van hun oogst mislopen. Wie had kunnen denken dat ook Nederland te kampen zou krijgen met droogte?

.

.

Ik kijk naar mijn poel, die hopelijk net op tijd wordt gered door regenval. Woensdag slaat het weer om, zeggen ze. Ik verlang naar die regen, de geur van natte grond, jonge dieren en jonge vogels die verbaasd rond spetteren in grote plassen, een vrolijke verkenning van de nieuwe natte wereld.

.

.

Ik verlang niet alleen naar een natte wereld, ik ben ook blij met de droogte. Nederland heeft geleerd om tegen het water te moeten vechten. Daarom hebben we nu een tekort. Alles is ingericht op het afvoeren ervan. Rivieren zijn gekanaliseerd, polders zijn droog gepompt. En nu hebben we spijt. Spijt dat we het water zo snel laten weglopen. Er worden plannen gesmeed om het water weer terug te krijgen, terug in de polders en in de bodem.

.

.
In het gebied rond Frijlân wordt ook gesproken over de terugkeer van het water. Wordt het grondwaterpeil straks weer omlaag gebracht in het voorjaar? Gaat het net als anders en voeren we het af via sloten en kanalen? Of houden we het water vast? Vroeger was hier overal water. Het was een nat en drassig land. Voor dit land is deze droogte vreemd..

Ik ben geboren in de NoordOostPolder. Ik zwom en kanoode in de Lemstervaart en speelde langs de sloot. Later werd ik rondvaartschipper en voer met mijn grote liefde door heel Nederland. Ik ging door rivieren en door sluizen. Ik liet me acht meter naar beneden schutten om mijn geboortedorp te bezoeken per boot. Ik keek naar de ontzagwekkende hoge natte wand boven mij, voor de sluisdeuren zich weer openden en de polder voor mij lag.

.

.

Ik hou van water en modder, mijn leven lang al. Daar heeft nooit iemand iets aan kunnen veranderen. Ik hoop al heel lang dat er veel meer aandacht komt voor waterreservoirs, die werken net zoals mijn kleine poel in de sloot, maar dan in het groot. Alles heeft het nodig, ons land wordt er mooier van! Met meer waterbuffers hebben we niet alleen zelf een reserve, maar ook planten en dieren van vroeger komen weer terug.
Laten we het water bij ons houden en koesteren. Laten onze kinderen weer met modder in de sloot spelen en geulen graven langs meren en kusten. Laat ze helpen met het zorgen voor de jonge bomen. Straks, als de jonge loten groot zijn, zullen de groene oases zorgen voor verkoeling en het zal verdamping tegengaan en zorgen voor een klimaat dat veel minder extreem is dan nu wordt voorspeld.

Laten we ons land weer mooi maken, het lage land aan de zee, met meanderende rivieren, meren en vennen. Dat is mijn droom, daarom werk ik zo hard. Daarom groef ik deze poel in de bodem van de sloot toen het water er nog ruimschoots in stond. Alleen al om te zien hoe machtig het is en hoe het werkt als het water zakt. En daarom plant ik straks vierhonderd bomen, om voor verkoeling te zorgen en aangename luwtes en om het vocht in de bodem vast te houden. Daarom vertel ik dit verhaal, in de hoop dat het elders wordt voortgezet, in ons natte landje aan de zee.

.

.

Alle tekeningen zijn van eigen hand. De tekeningen met tekst maakte ik in 1996, na één van onze reizen met de boot door Nederland.

.

 

Link naar Vroege Vogels: Grondwaterstand moet omhoog.

 

Elke verandering is een spel

.

.

Ik werk waar ik ben
in Brabant was ik Brabander
kwam ik jandorie op tv
En nu doe ik vol overtuiging
met een groepje Friezen mee

Frijlân is in Friesland ja
het is een piepklein dorp
ik woon en werk en onderga
de harde winden en denk na

In een wereld zo verstoord
wil ik eenvoudig leven
en het landschap om mij heen
iets van zijn eigenheid terug geven

Ik ben waar ik ben
en kijk
Hoe geef ik vruchtbaarheid aan ‘t land
hoe laat ik voedsel groeien
en hoe geef ik voeten aan
de mogelijkheden die ‘t verstand
keer op keer te boven gaan

Ik kijk met de spade in de hand
naar uitverkoren wriemelbeestjes
vochtig onder stenen
en vliegensvlugge zwaluwen
die in de blauwe hete hemel
zo weer zijn verdwenen

Ik werk en kijk en maak er wat moois van
Ik plant en bouw en kijk opnieuw
tot ik bijna alles
rond mijn huis wel dromen kan

Maar nooit zeg ik
Ik weet het wel want
elke verandering
is een spel

Vrij om te gaan
blijf ik nu hier
om bodem te vormen
te praten met de regenwormen
Hoe maken we een paradijs

En doen het.

 

.

.

.

.

De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.