Al die vormen en smaken!

.

.

Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. (Onderaan de tekst vind je de link naar het voorgelezen verhaal.)

.

Ik sta bij de groente op de markt. Het is al middag en het is rustig. Ze staan met zijn drieën achter de kraam en behalve mij is er maar één andere klant. Femke helpt me. Eén voor één geeft ze alles aan wat ik noem, tot ik al mijn boodschappen bij elkaar heb. De eerste bloemkool van het jaar, valappeltjes en een dikke vuile peen. “Ben je nog steeds Fries aan het leren?” vraagt Femke. Ze is oprecht geïnteresseerd, er is niet veel import die de moeite neemt om de originele taal te leren, een taal die toch uniek is en al eeuwen hier gesproken wordt. Leren hoeft ook niet, de Friezen spreken allemaal Nederlands en het is maar een enkeling die met me in zijn of haar moedertaal spreekt. Ik vind dat wel jammer. “Er is schroom onder de Friezen,”, zegt Femke spijtig. Het Fries is niet de enige uitstervende taal. Elke dag sterft er een taal uit. En daarmee sterven tal van woorden die de wereld beschrijven vanuit een heel eigen cultuur.

“Nee,” antwoord ik op haar vraag. “Ik leer weinig Fries meer. Het ligt stil. Ik ben bomen aan het planten. Dat heeft nu prioriteit. Het is veel werk en het moet nu gebeuren.” Ze kijkt me opgewekt aan. “Hoe heetten die kleine pruimenboompjes nou, die je hebt geplant?” Ik ben verrast dat ze dat nog weet. De pruimenboompjes zijn mij lief. Ik heb er honderd meegenomen naar Friesland, ik heb ze een jaar lang verzorgd tot ze een flinke wortelkluit hadden. Ze hebben op diverse locaties een plek gevonden en ze doen het allemaal goed. “Kerspuim,” zeg ik dan “Maar ze noemen ze ook wel kroosjes. Klein en geel. Is er een naam voor in het Fries?” Femke denkt even na. “Ik denk dat ik het wel weet. Misschien is het de Wichtprume. De Groningers noemen ze ook zo. Een wicht is een meisje.” Terwijl ze vertelt kijk ik even opzij. De andere klant is ondertussen klaar. De man die haar hielp komt naar ons toen om te luisteren waar we het over hebben. Fruit en alles wat er te maken heeft, hij kan er geen genoeg van krijgen. Femke vertelt verder. “Ze heten zo omdat ze een spleetje hebben. Net als een k…..” Onbekommerd noemt ze het woord. De luisterende groenteman verschiet van kleur en kijkt alsof hij een oorwurm heeft ingeslikt. Ik schaterlach. De man schiet met een scheef lachje bij ons vandaan, naar de andere kant van de kraam. ”Hier hoor ik niet bij hoor!” roept hij. Femke en ik lachen uitbundig.

Dit is een moment wat ik koester. Het is sprankelend van vitaliteit, het is een voorval dat ook duizend jaar geleden had kunnen gebeuren. Het leven in al zijn vormen prikkelt onze fantasie, we hebben in al die eeuwen talloze woorden gegeven aan het voedsel dat groeide uit onze eigen bodem. Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. Dat kunnen we. Dat maakt ons mens. Althans, zo is het altijd geweest! Laat het weer zo zijn. Alleen dan keert de vitaliteit terug. De grote variatie in ons voedsel hoort verbonden te zijn met onze oorsprong. Lang leve de vrije komkommer die gewoon krom mag zijn, de tomaat die groeit als een hartje, de verbazing over de zachte perzik en al dat fruit in ontelbare vormen en smaken. Laten we nooit ophouden daar namen aan te geven, het laten groeien, het te bezingen. En laten we tegelijkertijd de talen koesteren die al dat leven hebben beschreven. Voor het te laat is.

Ik betaal en stop mijn tassen vol. Terug naar huis. Terug naar mijn spade en het verhalenpad.

.

Ik heb iets te vieren

.

.

.

Gisteren deed ik een test: ”Je verborgen impact.” Alles wat je doet, alles wat je gebruikt, eet of drinkt, komt ergens vandaan. (Onder de tekst staat de link naar het voorgelezen verhaal.)

Ooit was het leven nog eenvoudig. Toen was het vrij duidelijk waar alles vandaan kwam. De melk die je dronk kwam van een koe die je kon zien. Eten kocht je bij je eigen boer, wol kwam van het schaap, en de meeste vrouwen sponnen en breiden zelf. Er is ook een tijd geweest dat mannen breiden. Er was veel praktische kennis. Veel vakmanschap was lokaal aanwezig en je hoefde nooit ver te gaan. Nu is dat anders. Er is een veelheid aan spullen en mogelijkheden en al die spullen, al die mensen en al dat eten wordt over grote afstanden verplaatst. Er gaan bossen voor naar de vlakte, er wordt water verspild en vervuild. Al zijn Nederlanders grote gebruikers, wij zien maar een fractie van de impact die onze levensstijl heeft. Vandaar de naam van de test: “Je verborgen impact.” Ze noemen het ook wel: ”Je ecologische voetafdruk.” Nou is het niet zozeer dat ik daar dagelijks mee bezig ben en steeds aan het rekenen ben wat mijn impact is. Eigenlijk nooit. Eenvoudig leven in verbinding met de Aarde is mijn enige echte intentie. Het maakt me helder en sterk. Ik woon in een rijk land, maar ik beheers me in mijn doen en laten. Het is een enigszins Spartaanse ontdekkingstocht. Ik wil niet anders, al wijkt mijn leven af van wat tot nog toe normaal gevonden wordt. Maar de wereld verandert. Steeds meer mensen zeggen: “We kunnen niet meer terug naar het oude normaal.” Misschien is wat ik doe niet zo gek meer.

Ik deed de test. Ik was nieuwsgierig. En wat is de uitkomst? Als iedereen leefde zoals ik, dan hadden we maar een halve aarde nodig! Dan kan de wereldbevolking verdubbelen! Wat doe ik en wat doe ik niet? Ik zal het eerlijk vertellen.

  1. Ik douche niet meer. Ik badder elke dag in de Swette en was mijn haar 1x in de tien dagen onder de kraan. Mijn deodorant maak ik zelf van himalayazout en water.
  2. Ik reis maar een paar keer per jaar, en ga dan met de trein. Ik blijf in Nederland.
  3. Ik eet elke dag één boterham met kaas en eet ongeveer twee keer per jaar vlees. Ik ben klein en tanig en kan met weinig voedsel aardig wat werk verzetten.
  4. Mijn huis is 6 M2 meter en goed geïsoleerd, dus weinig energiegebruik.
  5. Omdat ik veel buiten aan het werk ben, heb ik het niet snel koud en heb ik ook niet de hele dag de kachel aan. Ook het koude bad in de ochtend zorgt dat ik mijn bruine vet omzet in eigengemaakte warmte.
  6. Ik haal mijn water in flessen en gebruik ongeveer drie liter per dag.
  7. Kleren koop ik één keer per jaar, soms iets heel moois en nieuw voor netjes, maar verder het liefste tweedehands. Omdat ik maar een klein kledingkastje heb, heb ik maar een kleine garderobe.
  8. Ik koop zelden nieuwe spullen. In een klein huisje ligt het gauw in de weg. In 2020 kocht ik vier mooie kommen in een lokale keukenwinkel, en ook een Molenaarmesje. Verder kocht ik twee mondkapjes, plakband, een tandenborstel, een pen en knijpers en een leesbril. De rest had ik al. Goed gereedschap vind ik belangrijk om te hebben. Ik wil zelf dingen kunnen maken en ook repareren. Kwaliteit is belangrijk. Goed gereedschap gaat vele jaren mee. Als ik spullen koop, koop ik het in de eerste plaats bij kleine zelfstandige ondernemers en nooit bij de Action. De kwaliteit is er stukken beter en ook het persoonlijk contact en het advies.
  9. Ik composteer mijn poep tot compost en laat daar zonnebloemen op groeien.
  10. Ik doe één keer in de twee maanden de was. Daarin speelt mee dat er ’s winters weinig ruimte is om het te laten drogen, en dat het dan zo vochtig is. Maar uiteindelijk bevalt het goed. En voor de wereld is het beter. Vooral het wassen van fleecekleding is erg schadelijk. Het hele strand ligt vol met microscopisch kleine bolletjes plastic, afkomstig van al die wasbeurten.
  11. Ik koop zo weinig mogelijk voedsel verpakt in plastic. Op de markt in Leeuwarden kan ik veel biologisch eten kopen wat los wordt verkocht of wat in papier is verpakt. Ook granen en peulvruchten.

Waarin ik zondig omdat ik er veel plezier aan beleef:

  1. Ik houd van sterke koffie met melk. Koffie komt van ver, dus is het een luxeproduct. Ik drink 1 kopje per dag. Soms meer.
  2. Ik laat één keer per jaar highligts in mijn haar zetten, door de kapper. (Ik schep er veel plezier in om me af en toe heel netjes en vrouwelijk te kleden.)

Het mooist is, dat ik ter compensatie voor mijn bestaan 370 bomen moet planten. Nu heb ik inmiddels meer dan 400 bomen een plek gegeven! Dus nu sta ik net als natuurvolkeren, op de positieve lijst. Mijn bestaan voegt iets toe aan de gezondheid van de aarde. Dat ik daarin iets kan betekenen, op mijn eigen bescheiden wijze, dat is voor mij zo waardevol! Ja, ik ben een goede tekenaar en kan schrijven. Ik kan ontwerpen en bouwen. Maar bovenal kan ik hele mooie plekken scheppen, vol bloemen, grassen en bomen, vol insecten en andere dieren. En ik ga nog meer bomen planten. Levend in eenvoud scheppen we een nieuwe wereld.

Doe de test: https://mijnverborgenimpact.nl/

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

De foto’s zijn van Elske Riemersma.

Ubuntu aan de Oudegracht

.

Uiteindelijk zitten we met zijn allen in hetzelfde schuitje.

.

Ubuntu komt uit Zuid Afrika. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Ook in Utrecht vind ik het terug, op de plek waar ik mijn wortels heb. (Luister naar het voorgelezen verhaal door op de link onderaan te klikken.)

.

Op een geelblauwe OV fiets rijd ik het station van Utrecht uit. Op de brug naar het centrum sta ik even stil om te kijken naar het water in de singel, die opnieuw is uitgegraven. Het is al meer dan twintig jaar geleden, dat we een referendum hadden over de uitvoer van dit plan. Het stukje vierbaansweg dat hier ooit onder de grond verdween, is nu niet meer dan een dwaling in de geschiedenis. Hoeveel dwalingen moeten we maken, om te ontdekken wat van waarde is? Ik kijk naar de grote bomen die pas langs het water zijn geplant. Dan fiets ik verder. Ik heb honger. Hier vlakbij kan ik een biologisch broodje kopen. Dat is al decennialang zo.

Als ik de Zadelstraat in fiets, is tot mijn verbazing de Groene Winkel weg. Er is nu een kledingwinkel. Wat raar. Wie begint er nu een kledingzaak in deze tijd. Dat heeft toch geen prioriteit?? Ik besluit om door te fietsen naar mijn eigen buurtje, de Twijnstraat. Daar is ook een biologische winkel. Ik steek de Oudegracht over, langs de Donkere Gaard en de Lichte Gaard. Het is stil. Terrasjes zijn leeg en er loopt maar een enkeling op straat. Ik slalom weer terug naar de overkant van de Oudegracht. Uiteindelijk nader ik mijn doel en fiets de vertrouwde kleine straat in, die daar al meer dan duizend jaar winkelstraat ligt te zijn. Ik zet mijn fiets neer en ga Ecoplaza binnen. Althans, dat denk ik. Het hoekje van de groente ligt erbij zoals altijd. Ik hoef geen groente en loop door. Dan word ik overvallen door een veelheid aan producten en uitstallingen en de overheersende kleur geel. Verdorie, ik ben in een Jumbo! Ontdaan ga ik naar buiten. Allebei de biowinkels weg. Hoe kan dat nou?

Alles verandert. Veel kleinschaligheid gaat op in grote ketens en anonieme winkels. Gelukkig is er nog de Werf. De plek aan het water van de gracht, waar mijn wortels liggen. Waar de creatieve Willem woont in mijn oude huis, naast zijn buurman David. Soms hoor je hun muziek zacht door de werfdeuren heen. De klanken zwerven over het glinsterende water van de gracht. Alles is stil, de avondklok heeft reeds geluid. Dit is de wereld onder de straat, die je pas ontdekt als je de trap afloopt. In de middeleeuwse catacomben huizen hier nog altijd creatievelingen. Al jaren! Onder de oude bomen is dit een vrijplaats, een bolwerk dat zichzelf steeds vernieuwt. Maar het zijn oude wortels, die de warme glans geven aan dit straatgezicht. En daar, in de hoek, daar zit Jules.

Ik zet mijn fiets neer tegen de reling van de brug en kijk naar beneden. Het is de grijze beeldhouwer, die ik als eerste zie. Nog altijd werkt hij voor zijn kleine werfkelder aan zijn houten beelden. In weer en wind is hij dagelijks buiten, onder een driehoekig wit zeil. Hij is niet vaak alleen. Er zitten nu vijf mensen om hem heen. Twee dames praten aan de picknicktafel. Naast hen liggen van die gekronkelde takken, die ze vaak voor bloemstukken gebruiken. In de hoek liggen er nog veel meer. Twee meter verder is een jonge vrouw aan het werk. Haar werk staat op een hoge boomstronk. Met de beitel houwt ze gestadig aan een beeld vol bochtjes en bollingen. Naast Jules zit een iets oudere vrouw met stijl donker haar. Ze kijkt me ernstig aan. Maar het meest verrast ben ik door de aanwezigheid van een grijnzende zwarte man, in vrolijke kleuren gehuld. Iedereen kijkt hoe ik de trap afkom.

“Wat een gezellige boel hier,” groet ik het gezelschap. “Dit is het enige gezellige plekje in het hele centrum”, vervolg ik, terwijl ik om me heen kijk. Mijn stem klinkt vastbesloten en trots. Ja, trots ben ik op mijn oude buurman, die hier nog altijd werkt. Het rustige geklop van zijn beitel dat al dertig jaar of langer tussen de huizen klinkt. Ik voel me thuis bij zijn eenvoudige manier van leven, en ik heb bewondering voor hem. Steeds weer redt hij het, om van zijn beelden rond te komen. De zwarte man heeft ook een beitel in de hand. De andere steekt hij op naar mij. Ik groet hem vrolijk terug met een handgebaar. Dan kijk ik om naar de donkere vrouw die zit te wiebelen op haar stoel. Zij wil ook kennis maken. “Ik ben Jaqueline,” zegt ze, nog steeds even ernstig. Ik noem mijn naam en ga op de enige lege stoel zitten. Behalve de mensen, is het de boomspiegel die mijn aandacht trekt. Het is met aandacht ingericht tot een mooie tuin. Ik zie longkruid, varens, gele dovenetel… “Mooi zeg, al die plantjes,” zeg ik hardop. Jules wijst naar de zwarte man. “Dat heeft hij gedaan”. Ik lach de man toe, opnieuw verrast. “Dat deed ik vroeger,” zeg ik. “Toen ik hier nog woonde.” Op dat moment komt er iemand uit de deur vlak naast ons. Het is een vitale lange man van een jaar of zestig. “Mag ik bij jou mijn telefoon opladen?” vraagt hij. Jules knikt en de lange man duikt behendig door de kleine deuropening de stoffige werkplaats in. “Wie is dat?” vraag ik. “Hij is mijn buurman,” zegt Jules. “Hij heeft het gekraakt. Een werfkelder zonder elektra en zonder verwarming. Knap hoor, deze winter, met die kou.” Jules kijkt in gedachten voor zich uit. In de gracht zwemt dezelfde gans als vorig jaar, samen met twee eenden. Hoewel ik deze plek zó goed ken, ben ik er stil van hier weer te zijn. Alles lijkt hetzelfde en toch is het anders. De wereld is veranderd. En door al die veranderingen, krijgt deze plek een eeuwigheidsglans. Het is als een parel in een oester, beschermd door de oude werfmuren en de kruin van de moerbeiboom. Beschermd door de mensen die hier zijn. Het is als een Lothloriën van Tolkien, een plek buiten de tijd. Je zou dit overal ter wereld zou kunnen treffen, waar men zichzelf blijft en waar creatieve intelligentie zich thuis voelt. Je vindt er mensen van allerlei afkomst. Dit had in Afrika kunnen zijn, of in Australië.

Wat is van waarde?

Mensen met weinig geld moeten wel creatief zijn. Je bent meer aangewezen op elkaar. Doen wat bij je hoort kun je veel belangrijker vinden dan geld. Daar kies je voor. Een goeie omgang met je buurman ook. Toch gaat de wereld gebukt onder de mensen die in de ban zijn van iets heel anders. Geld, macht, roem. Iedereen mag fouten maken, daarvoor zijn we hier. We mogen gouden torens bouwen en weer afbreken. Naar de top klimmen en naar beneden donderen. Hele volksstammen dragen de gevolgen, door de lawine die er door ontstaat. Daar denk ik aan, terwijl ik hier zit. De straat boven me is stil. Het eens zo bedrijvige centrum van Utrecht ligt er verlaten bij. Maar de verbreding van snelweg moet doorgang vinden, verderop, bij Amelisweerd. Ondanks die gedachte ontspan ik me, en kijk tevreden naar de stoppelbaard van de beeldhouwer naast me. Goddank zijn er nog altijd plekken als deze. Plekken buiten de tijd, waar creatieve gastvrijheid door vele handen wordt gedragen. Dit moet Ubuntu zijn. Ik ben, omdat wij zijn.

.

.

.

“Umuntu Ngumntu Ngbantu: “Ik ben…. omdat wij zijn!”

Ubuntu is een van origine (Zuidelijk) Afrikaanse existentiële wijsheid. Wij in onze wereld kunnen er veel van leren. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Zet hiertegenover onze westerse Descartes-overtuiging: “ik denk dus ik besta”, en ervaar hoe weinig ruimte er in die gedachte zit! De geest van Ubuntu leidt ons naar de transitie die we nodig hebben. We kunnen het vertalen naar onze organisaties en communities. Dit, opdat mensen weer gaan vertrouwen in de kracht van het dialoog.

.

.

.

Leefruimte

.

Uit het boek: Langs kantelende wegen, zie de link onderaan.

.

Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig. (De link naar het voorgelezen verhaal vind je onderaan. )

Op mijn blauwe klompen klos ik het bordes op van m’n vriend Dick. Het is een klein groen huisje, aan de rand van de weilanden. Het is klein, maar toch wel twee keer zo groot als dat van mij. Het is een heel eind lopen, om er te komen. Ik vind het leuk dat hij ook eenvoudig leeft.

De stormachtige wind waait hard over het weiland. Ik veeg mijn modderklompen af aan een opstaande rand. Voorzichtig doe ik de deur open. Hij draait naar buiten, ik moet uitkijken dat hij niet uit mijn handen klapt. Terwijl ik mijn klompen uitdoe, hoor ik binnen het geluid van de radio. Er is reclame. “Stem op 50+”, hoor ik een vrouw zeggen met een wat monotone stem. Dick fronst zijn wenkbrauwen en kijkt op van zijn laptop. “Dit vind ik zo’n irritante partij! Ze hebben het alleen maar over pietluttige geldzaakjes. Ze denken alleen aan zichzelf, terwijl ze gewoonlijk geld zat hebben.” Ik kijk hem aan. “Als ze alleen aan zichzelf denken, hoe kunnen ze dan samenwerken in een partij?” Vraag ik. En ik denk over zijn opmerking na, terwijl ik water opzet voor thee. “Om het tij te keren moeten we meer in verbanden gaan denken, als Ubuntu. Dat is best lastig in een wereld waarin mensen vooral denken aan hun eigenbelang. Is het dat wat je bedoelt?” Hij kijkt op. “Ja, dat”, zegt hij kort. Dan gaat hij weer door met schrijven. Dat is wat we gemeen hebben. Allebei schrijven we over een mooiere aarde, en wat je daaraan kan doen. Alleen schrijf ik vanuit mijn eigen leven, vaak praktisch, soms verdiepend en filosofisch. In de tijd dat ik ’s ochtends de Swette in stap en mijn oefeningen doe, leest hij elders in zijn huurhuisje de krant. Hij heeft een eigen website en houdt interviews. We praten er vaak over. Hoe maak je de wereld mooier. Waarom leven we liever in een tiny house?

Dick is niet de enige met wie ik daarover praat. Er komen soms mensen bij me langs, die er over na denken. Het gaat over landgebruik en mensen, geschiedenis en toekomst. Er is veel te delen. “De dieren hebben woningnood”, schrijft Natuurmonumenten aan de minister. Er is algehele woningnood, voor mensen én voor dieren. Reekalfjes die verstopt liggen in maisvelden worden kapotgereden door grote tractoren. Reekalfjes in natuurgebieden worden gedood en aangevreten door loslopende honden. Recreatie loopt fors uit de klauwen. Het is maar een voorbeeld. Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig.

Ik maak een klein begin. Samen met Linde werk ik aan een nieuw pad. Ik zie het als symbool voor een veel groter pad, waar ieder mens een begin aan kan maken. We laten een klein stuk land begroeien, Linde en ik. Het is een verhaal, dat je delen kan. Slechts een speldeknop is het, in het uitgestrekte biljartlaken van groene weilanden, maar toch, het ís iets.

Al die hectares met monotone akkers. Het tekort aan leefruimte. Hoe kan het anders, en wel zó, dat de boer er ook beter op wordt? Hiermee eindig ik. Precies op de dag van de verkiezingen. Ja, ik ga ook stemmen, en wel met deze vraag in mijn gedachten.

.

Luister hier

.

Bestel hier mijn boek: https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-is-uit-bestellen-kan-hier/

Groene Verhalen, de site van Dick.

.

.

Hoop groeit langs het hazenpad

.

.

.

Ik werk aan het verhalenpad. Een verhalenpad begint waar je bent. Het begint op het moment dat je je niet meer blindstaart op wat je niet wilt, maar kijkt naar wat je wel wilt. (Onderaan het verhaal vind je de link om te luisteren.)

Ik heb eens gezegd dat ik Friesland uit wilde, omdat ik vond dat ik een attractie werd. Nou ben ik er allang achter, het maakt helemaal niet uit waar ik ben. Zodra ik met mijn wagen de straat op ga ben ik al een attractie. Overal. Ik ontkom er niet aan. Als ik daar geen zin in heb, moet ik gewoon niet gaan. Dus dat doe ik ook niet. Niet nu. Ik maak een verhalenpad. Een echte, die je kan voelen en ruiken. Het is een koude dag, maar ik zweet me te pletter.

De ene kruiwagen na de andere rijd ik naar mijn nieuwe landje. Midden in het weiland is een dijkje. Het dient nergens toe, het is grond dat daar ooit gedropt is. Daarnaast is mijn landje. Daar krui ik naartoe. Er zit zand in mijn kruiwagen. Daarstraks was het compost, en gisteren waren het halfwilde prunussen (cerasifera) die ik uitgegraven had. Ik heb ook al kleine meidoorns en vlierstruiken en een sering. Allemaal bomen en struiken voor de houtwal. Ik rij met het wiel over het hazenpad, een kaarsrecht spoor door het gras, waar mijn wiel precies op past. Dat is opmerkelijk. Hazen rennen langs kaarsrechte paden, altijd langs hetzelfde spoor. Toen er sneeuw lag, kon je dat goed zien. Dit pad ken ik goed. Ik zie het vanuit mijn raam. ’s Ochtends vroeg, als er geen mensen zijn, zie ik ze rennen. Ze rennen achter elkaar aan, naar het bosje bij de Swette, naar de oude gevallen wilgeboom en het veilige riet. Nu zie ik de hazen niet. Ze zijn ver uit het zicht. Ik krui de wagen. Het wiel maakt het spoor dieper en dieper. Ik hoop dat de hazen het goed vinden.

Al kruiend maak ik het begin van een verhalenpad. Een pad vol zoemende bijen. Straks wandelen we tussen de bloemen. We plukken bessen, rapen noten en snijden de pompoenen af. Ik zie het al helemaal voor me. Dat moet ook, want voor ik begon was er nog helemaal niks. Het is veel en zwaar werk, maar ik doe het met plezier. Ik laat het aan iedereen zien die wil, en vertel dat het een begin is. Dat het pad op een dag helemaal door loopt, naar de weg. Ergens moet je beginnen. Als iedereen een verhalenpad maakt, dan kunnen we al die paden met elkaar verbinden. Dat lijkt me prachtig. Daarom doe ik dit. Er staat al een heel rijtje bomen en er komen er nog veel meer. Ik werk hard en stel me voor hoe mooi het wordt. En terwijl ik anderen hoor klagen over de beperkingen van deze tijd, groeit bij mij de hoop.

.

Foto’s: Alowieke

.

.

Behoefte aan buitenlucht, aan een frisse neus? Begin in je eigen buurt! Ook in de stad zijn er mogelijkheden. Het kan in je eigen tuin of erbuiten. Je kan natuurlijk ook gaan wandelen in een natuurgebied. Maar daar is het op mooie dagen veel te druk. Het loopt de spuigaten uit. De dieren kunnen nergens meer heen. Door zelf aan de gang te gaan, al dan niet met je buren, creëer je nieuwe leefplekken voor vogels en insecten, zodat ook thuis steeds meer te zien is..

Hoe begin je: https://www.ivn.nl/groendichterbij

Weg met de parkeerplaatsen: https://www.trouw.nl/cs-b7cb2304

Of wordt natuurouder: https://www.ivn.nl/natuurouders

Gratis planten en zaden in Deventer: https://www.stad-en-groen.nl/article/7789/gratis-planten-en-zaden-voor-inwoners-deventer

Lever stenen in voor groen in Den Haag: https://duurzaamdenhaag.nl/activiteiten/operatiesteenbreek

.

Een gedreven greppelkenner

.

.

Ik denk aan de twee die ik achter liet aan tafel, bezielde jonge mensen, beide zullen ze een rol spelen in de transformatie van mens en bodem. Hier, in ons eigen land. Ze zullen verbindingen herstellen en het contact met wat werkelijk van waarde is.

(Luister onderaan het verhaal naar het voorlezen)

.

Er komt iemand het veld oplopen met een rugzak. Vanuit mijn raam zie ik haar verende tred en doelbewust loopt ze op mijn huisje af. Het is Christien uit Leiden. Ze studeert culturele antropologie en is al twee keer op bezoek geweest om te praten over off grid leven en voedselbewustzijn. Ik help haar verder bij het vinden van boeiende contacten. Vandaag gaan we naar Jeroen. Jeroen is mijn buurman. Hij is tien jaar ouder dan Christien en twintig jaar jonger dan ik. Hij is landschapshistoricus en werkt alle zaterdagen bij een boer. De ecologische rijkdom van het culturele boerenlandschap, daar kan hij veel over vertellen. Mensenwerk ziet hij daarin als onmisbaar. Machines kunnen het nooit helemaal overnemen, met diezelfde aandacht. Dat is het gebied wat ook mij interesseert. Mensen. . . Culturele antropologie. . . Omdat ik een vruchtbaar grensgebied vermoed, wil ik ze vandaag aan elkaar voorstellen, Christien en Jeroen.

Ik sta nog in mijn hemd, mijn huid is fris en roze van het koude Swettewater. Een natte handdoek ligt op de grond. Ik hang de handdoek op boven de kachel en kleed me snel aan. Als Christien achter de wagen voor het raam staat, ben ik net precies klaar. “We gaan zo naar Jeroen hè?”zeg ik om het hoekje. “Ik kom er zo aan hoor!” Christien lacht en knikt. “Mag ik mijn rugzak bij jou achterlaten, met de camera?” Als alles klaar is lopen we samen het veld over naar het pad. Alle plassen zijn in korte tijd verdwenen, het veld is niet zompig meer. Er is flink gepompt, de gemalen hebben heel wat grondwater weggekregen uit de velden. Ik zie zoiets meteen. Toen ik van de week in de Swette mijn dagelijkse bad nam, stond het water wel meer dan dertig centimeter hoger. Na een dag was het al weg. Al het zoete grondwater is nu naar de zee gestroomd. Steeds meer mensen maken zich daar druk over. Het geeft problemen. Al meerdere jaren hadden we daarna een lange periode van droogte. Jeroen kan daar niet over uit. Dat ze steeds dezelfde fout maken, terwijl ze weten dat het anders moet. Water en land, het is zijn vakgebied. Greppels als cultuurlandschap wordt ook sterk ondergewaardeerd. We hebben de greppels nodig, hier in Friesland, voor de vochthuishouding. Niet alleen wij mensen hebben het water nodig, maar ook de weidevogels in de eerste plaats. In die keiharde drooggepompte grond is geen sikkepit aan voedsel te vinden.

Dit is het verhaal, wat hij vertelt, wanneer we met zijn drieën om de lage houten tafel zitten. Dit en nog veel meer. Ik zit op een klein stoeltje en nip van mijn hete thee. Ik stel vragen aan beide, en met zijn drieën komt er een boeiend gesprek op gang. Christien vertelt over haar eigen ervaringen. Ook Jeroen geniet. Dit is het verhaal wat hij zo graag wil delen. De bodem en de vogels, ze hebben het nodig. En wij mensen uiteindelijk ook. Wij mensen moeten het doen. Daarom is hij hier. “Hoe lang blijf je hier nog?” vraag ik hem. “Dat weet ik niet.” zegt hij. “Het doel is om 1000 aaneengesloten hectares aan greppellandschap te kunnen herstellen. We zoeken boeren die eraan mee willen werken, Het wordt een gebied vol kruiden en insecten. Het zal een plek bieden aan de grutto’s en andere weidevogels. Die ruimte is nodig. Met minder kan het niet.” Hij vertelt over de weide van de boer waar hij werkt, die daar voor bestemd is. “Het is veel te klein. Er blijft er geen eentje over, van de jongen. Zo’n vogelwei trekt marters aan en andere roofdieren. In een land waar verder niet veel te halen valt, is zo’n broedgebied hun provisiekast. Het moet veel groter. Duizend hectare is minimaal. Ik weet niet hoelang het duurt, voor we dat voor elkaar hebben. Zolang blijf ik hier.” Jeroen weet dat hij geduld moet hebben. Maar er zijn veel mensen die zich ervoor hebben verenigd. “De Kening fan de Greide,” die verbindt hen.

Ik blijf nog heel lang zitten. Dan sta ik op. Achter mij praten ze verder. De deur valt achter me dicht. Er zit geen klink op, hij blijft op een kier staan. Ik loop tussen de bomen door naar de Swette toe. Het is mistig. Ik denk aan de twee die ik achter liet aan tafel, bezielde jonge mensen, beide zullen ze een rol spelen in de transformatie van mens en bodem. Hier, in ons eigen land. Ze zullen verbindingen herstellen en het contact met wat werkelijk van waarde is. Ik staar in de mist en vraag me af wat mijn nu rol is. Dat weet niemand. Het is aan mij. En dan kom ik opnieuw op diezelfde gedachte. We moeten het laten zien. We moeten laten zien hoe het ook kan. Boeren doen dat, die de omslag maakten. Dat kost veel tijd. Maar ik kan het ook laten zien en horen, sneller en lichtvoetiger. Met verbeeldingskracht, ervaring en kleine observaties kan ik in woord en beeld laten zien wat er nog niet is. Verhalenpaden, ja! Songlines. Ik weet dat ze kronkelen. Wat is het volgende lied? Waar komen we uit?

.

.

.

.

.

Het ontkiemen van verhalenpaden

.

.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook mensen moeten wennen aan iets nieuws.

(Het voorgelezen verhaal staat vanaf nu onderaan de pagina)

De lucht is blauw, de wind van gisteren is gaan liggen. Ik loop de donkere hooischuur in. Hij zit vast aan het huis. De deur naar de gang staat open. Daar moet ik zijn. Ik klop op de deur van de boer. “Ja!” klinkt het luid. De boer zit op zijn stoel, wanneer ik binnenkom. Zijn kachel staat open en is bezig uit te gaan. Dat geeft niet, het is warm voor de tijd van het jaar. De groeihormonen van de bomen beginnen op gang te komen. Daarom ben ik hier. Ik kijk hem helder aan.“Ik wilde het hebben over de bomen. Dinsdag gaan we naar de kweker. Zal ik ook nog twee tamme kastanjes voor je meenemen? Ik hoop dat de bodem er klaar voor is”. De boer heeft nog meer wensen, waar ik mooi op in kan spelen. Ik denk aan de zuurbessen, hazelaars en lijsterbessen. “Ik wil…” zeg ik en slik mijn woorden in en zoek naar andere woorden. Nee, geen ik wil. Het gaat erom waar het land om vraagt. Wat de mensen nodig hebben. Daar ben ik voor. Zelfbewust begin ik opnieuw. “Ik zou graag zien…” verbeter ik mezelf. Hij luistert. Terwijl ik met hem praat besef ik hoe bijzonder het is, dat ik opnieuw het vertrouwen krijg om iets te doen op deze grond.

“Je kan het stuk grond naast het dijkje gebruiken. Het is jouw verantwoordelijkheid. Als je het maar zelf maait.” De boer hoeft niet lang na te denken. Hier heeft hij al vaak over gemeimerd. “Hoe doe ik dat? Moet ik dan geen zeisles nemen?” vraag ik. Hij slaat achteloos met zijn arm in de lucht, alsof hij een maaibeweging maakt. “Ach joh, het gaat alleen om het groffe spul. Vooral riet en natuurlijk de distels. Dat gaat heel makkelijk met de zeis.” Ik schud mijn hoofd. “De distels hoeven niet. Die steek ik uit met penwortel en al,” zeg ik beslist. Dat vindt de boer nog mooier. Hij houdt niet van distels. Helaas voor de vlinders, zegt hij spijtig. “Voor de bijen en vlinders zaaien we graag wat anders” antwoord ik. Ik kan al bij voorbaat genieten van het wildebloemenmengsel, de meerjarige luzerne, al dat paars tussen het gras, en de zonnebloemen die we zullen zaaien.

We praten nog even verder en verkennen de mogelijkheden. Ik beheers me om niet te enthousiast te worden. Het groeihormoon kietelt. Maar hardlopers zijn doodlopers. De grond moet er klaar voor zijn en de mensen ook. Het is niet de bedoeling dat ik in mijn eentje fanatiek ga lopen worden. Ik wil er het komende jaar vooral veel zijn, veel kijken, en selectief wieden. Grote bomen komen later wel. Ik glimlach en bedank hem, dat ik dit mag doen. Hij grijnst tevreden en knikt. Het gebeurt niet elke dag, dat hij wordt bedankt. Ik heb herhaaldelijk gezien dat mensen steeds meer grond in gebruik nemen, bijna alsof ze er recht op hebben. Ik ben niet van plan om steeds meer spullen neer te zetten in schuurtjes en opslagplaatsen rond mijn huis. Ik ben een gewortelde nomade. Liever laat ik levende planten groeien, waar alles en iedereen nog jaren van kan genieten als ik allang weg ben. Het hoeft niet van mij te zijn. Liever niet zelfs.

Als ik de deur van de boer dichtdoe, sta ik opnieuw in de donkere stoffige hooischuur. Even sta ik stil, mijn voeten op het beton. Ik krijg de verantwoordelijkheid. Ik weet wat dat betekent. O ja! Pak het niet te groot op. Begin klein en doe het spelenderwijs. Laat mensen zelf kijken en zin krijgen. Linde, als eerste. Linde die het zo hard nodig heeft, om buiten in de natuur te werken. Ze geniet er zo van. Stap voor stap ontdekken we. Alles wat er groeien gaat. Van binnen en van buiten.

Ik ben een gewortelde nomade. De wortels groeien dieper en dieper. Ik ga hier pas weg als ik klaar ben. Als ik geroepen word. Maar nu roept de bodem mij, onder de voeten. Het wil gezien worden, en bezongen.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook de mensen moeten wennen aan iets nieuws. Daar denk ik steeds weer aan. Er is veel tijd. Ik hoef me niet te haasten. En al die tijd kunnen we spelen en genieten! Als gewortelde nomade ben ik begonnen met liedjes schrijven. Ik denk dat het gaat over de verhalenpaden, die langzaam zullen groeien. De bloemen, de bomen, de dijk, de grond. . . de stenen, de beelden. . . Zijn dit niet dezelfde “Songlines” waar de Australische aborigionals over spreken? Begint een nieuwe wereld niet met het lied van de verbeelding? Wij mensen zijn scheppers, zei ooit een boer tegen mij, die de omslag maakte. Daar denk ik nu aan. Maak van de kanteling een dans, en zing!

.

Luister hier naar het verhaal.
Luister hier naar het lied: “Wilgeboom, de eerste van de bomen.”

Bodem voor scheppingskracht (2)

.

Deze tekening komt uit het boek: Langs kantelende wegen. Te bestellen bij Uitgeverij Louise. (Zie bericht in de kantlijn.)

.

.

Hoe plant je een levensboom? Het zoekt naar de juiste omstandigheden. Water wil de boom. Water speelt en verandert steeds van vorm. Het vloeit, het spat en het verdampt in de lucht, om neer te regenen op de zachte verende aarde. De wortels zuigen het op als een spons en de knoppen beginnen te ontkiemen. Alles groeit en groeit.

Een boom wordt oud, valt neer, vergaat. Talloze beestjes helpen verteren. Schimmels doordringen het. Zaad ontkiemt. De jonge loot groeit op, langzaam maar zeker.

Ik was die jonge loot, stil en onwennig zocht ik mijn weg. Mijn wortels zochten naar voeding en water in een bodem die steeds droger werd. Dieper gingen mijn wortels, dieper zocht ik naar water. Eigenheid groeit. Dan is er het moment dat de boom met zijn kruin boven het bos uitsteekt. Het is een wonderlijk moment. Vanuit de ongeziene schaduw van de bodem, komt er steeds meer naar je toe.

Het begint in Utrecht, in de werfkelder met de rondvaarboten. Ik ben met mijn man Michiel. Samen zitten we achter de ploffende motor die kringetjes blaast. Ik bloei op. Na zeven jaar sterft hij, als een oude boom stort hij ter aarde en vormt mijn levensbodem. De rouw is moeilijk maar leert mij veel. Zo kan ik groeien, als een jonge loot met sterke stam. Steeds meer mensen weten me te vinden, met mijn authentieke rondvaartboot. Als ik uit Utrecht vertrek laat ik dat in de krant zetten.

.

“Kathedrale schaduw”, gedicht van Ingmar Heijtze.

.

Ik verhuis naar een camping in Brabant. Voor mij breekt een nieuw tijdperk aan. Het verleden is verwerkt en getransformeerd tot een bodem die me welkom heet. Ik zit boordevol creatieve energie. Ik houd een wekelijks blog bij en maak filmpjes. Een redactielid van tijdschrift Genoeg leest het en komt langs. Scherp stelt ze haar vragen en schrijft een diepgaand artikel over afscheid en ontspullen. Als ze weggaat ben ik doodmoe. Het is klaar, het is zó helemaal klaar! Alles in mijn snakt naar nieuw leven. Het nieuwe leven komt, en krijgt vorm als een huis op wielen. Ik begin met ontwerpen. Petry Gamers ziet er een uniek verhaal in, komt langs en maakt een portret van me voor Omroep Brabant.

Ik bouw drie jaar elke dag, tot het af is. Het voltooien van dit kleine meesterwerk is voor mij een paspoort om verder te kunnen. In 2018 word ik uitgenodigd in Friesland en dus verhuis ik. In 2019 ben ik op tv te zien bij Dennis en de Vrije Geesten.

In diezelfde tijd ga ik op pad. Drie maanden lang trek ik met mijn Wandelhuis van de ene plek naar de andere. Mijn weg leidt door het Noorden van Friesland. Als ik uiteindelijk neerstrijk, heb ik honderdvijftig pagina’s volgeschreven met ervaringen en ontmoetingen. Het is meer dan zat om verder te kunnen. Ik trek me helemaal terug. Een jaar lang schrijf ik aan een boek, dat uiteindelijk gepubliceerd wordt door Uitgeverij Louise. Op de kaft staat een vrouw, wandelend op de weg. Ze trekt haar huis achter zich aan en de lucht erboven is blauw. Die vrouw, dat ben ik. Was ik.

Als de kruin boven het bos uitsteekt gebeurt er veel. Authenticiteit trekt aandacht. Koen Derksen komt langs, om me te filmen voor zijn Tiny House serie op You Tube. “Ik loop met mijn huis,” heet het. Ongeveer tegelijk met de boekpresentatie, pas op 1 november 2020, is het online gezet. Ik maak er helemaal de blits mee! In drie maanden tijd is het 235.000 keer bekeken. Ik moet lachen. Lopen met mijn huis doe ik nu al maanden niet meer! Zo langzamerhand groeit mijn verhaal uit tot een mythe. Het verhaal vormt een spoor van verbeelding, dat een eigen leven leidt. Ik kijk ernaar en laat het voor wat het is. Laat ze maar denken dat er ergens een vrouw is, die eindeloos onder blauwe luchten loopt met een sprookjeswagen.

Na de boekpresentatie van“Langs kantelende wegen”, komen de interviews. De Leeuwarder Courant komt langs en ook het Fries Dagblad is er al snel bij. Lex Bohlmeijer komt me interviewen voor de Correspondent en dat levert opnieuw duizenden luisteraars op.

“Je wordt beroemd!” zegt een verre buurvrouw uit het dorp. Ik haal mijn wenkbrauwen op.“Dat hoeft niet voor mij hoor. Ik hoor het graag wanneer iemand wordt geraakt door wat ik laat zien. Daar geniet ik van met volle teugen. Maar tegelijkertijd ben ik wel blij dat ik zo achteraf woon, aan een zompig blubberpad”. De vrouw kijkt me helder aan met haar blauwe ogen. “Waarom?”

Ik kijk naar de wuivende kruinen van de wilgen langs het pad en geef antwoord. “Het is dat ik in alle rust zelf kan kiezen”.

Laat vertelde verhalen maar waaien, ze vinden hun weg wel. Ik sta hier, als gewortelde nomade. Ik kijk stil om me heen. Er groeit een nieuwe levensboom.

.

.

.

Een bodem voor scheppingskracht

.

Deze tekening komt uit mijn boek: LANGS KANTELENDE WEGEN, zie gegevens in de kantlijn van de website.

.

.

Kleine veranderingen en bewegingen in het veld zijn mij nu genoeg.

.

Boer Jochum heeft mij en mijn buurvrouw Gerlinde toestemming gegeven om dertig amandelwilgen te planten. Daar zijn we heel blij mee. Ze komen over het hele terrein te staan, maar vooral om de 1500 M2 meter grond heen, waar we iets mee mogen doen. De boer geeft de vrije hand om een groentetuin te beginnen en voedselbosje. We doen rustig aan en beginnen dus met de wilgen. Geen ordinaire schietwilgen, nee het zijn lang bloeiende amandelwilgen. Het zijn eigenlijk gewoon afgezaagde takken. Stop ze in de grond en ze doen het. We maakten gaten met de grondboor. Genoeg water en stabiliteit, dat is belangrijk voor de wortelgroei. Daar denk ik aan, terwijl ik naar de pas geplante takken kijk. Ze zitten diep. Ze staan stil met geen ander doel dan zijn. Straks komt de lente en zullen ze door hun aanwezigheid de bodem en het insectenleven laten groeien. Ik zie het als een metafoor. Er is heel veel beweging. En al die bewegingen zijn als richtingaanwijzers langs de weg. Er wordt van alles geroepen. Het kan alle kanten op. Wat doen we daarmee? Is het niet beter om stabiliteit te scheppen en alleen maar rustig om ons heen te kijken? En ik? Wat doe ik? Ik was op zoek naar verhalen. Is het dan nodig om op pad te gaan? Zoals al die mensen denken van mij? Een reizende verhalenvertelster? Nee! Dan schiet ik mijn doel voorbij! Vandaag zie ik het kraakhelder. Dichtbij is al zoveel te zien. Beduusd wandel ik over het grasveld en kijk naar de naam op mijn buitenwand. “Het Rijdende Verhalenhuis.” Ik weet helemaal niet of ik wel weer ga rijden. . .

In één keer was er een publiciteitsgolf, nadat mijn boek uitkwam. Het boek, dat ik schreef over mijn reis. Er staat een mooie foto op de kaft, van mij op de weg met het Wandelhuis. Die aandacht, daar doe je het voor, toch? Dat mensen het lezen en geraakt worden. Een aantal weken geniet ik van de reacties. Er is ontroering, verlangen en bewondering.

Tegelijkertijd komen er meldingen binnen van You Tube. Ik kijk er verbaasd naar. Het heeft weinig met mijn boek te maken, het is puur toeval. Met de dag zie ik het aantal abonnementen groeien. Sommigen noemen me een geweldige vlogger. Een vlogger? Ik? Wat moet ik daar nou weer mee?

De volgende ochtend sta ik op met een zwaarmoedig gevoel. Met doffe blik kijk ik uit het raam. Er is iets wat me bezwaard. Ik ken dit en weet wat me te doen staat. Ik laat alle nieuwe abonnees voor wat ze zijn. Ze gaan zelf maar naar buiten om de frisse lucht in te ademen en te kijken wat er te zien is. Mails gaan vandaag de wachtstand in. Ik ga verder in het echte leven. Ik plof terug in mijn hangmat en staar uit het raam. Ik dompel me onder in oneindigheid. Ik stook de kachel op die vlak naast me staat, tot het zweet me uitbreekt. Twee keer stap ik in het koude water van de Swette en het lichte laagje ijs breekt onder mijn blote voet. Het is als een reinigend bad. Ik ben weer terug bij mijn eigen naakte ik.

Het stormt oordelen en verwachtingen. Overal. Oordelen en verwachtingen zijn korte denkpaadjes om de wereld snel te kunnen vatten. Vooral in deze moeilijke tijd is er behoefte aan houvast. Soms zien we in een ander een lichtend voorbeeld, van wat je zelf zou willen, en soms is die ander een bron van ergernis. Een oordeel is een alarmbel voor een niet vervulde behoefte, leerde ik ooit. Oordelen en verwachtingen groeien op uit voetstappen die achter je liggen. In de geschiedenis van jou en mij, in de voetstappen van kunstenaars en politici, ieder vormt zijn eigen beelden van de ander. Het zijn net draden. Sommige draden leiden tot iets, daar word je blij van, je bouwt iets op. Andere zijn als kleverige spinnewebben, die je belemmeren in je bewegingen. Als het er teveel worden, wordt je moe. Ik spoel het van me af. Van daaruit begin ik opnieuw. Telkens weer vanuit de leegte. Wat bij me hoort keert bij me terug. En dan straal je.

Zo bereid ik mezelf voor om te gaan planten. Hier, in de stevige klei van het Friese land. En te kijken wie en wat er volgt.

(Einde deel 1, wordt vervolgd.)

.

Noot 1 Deze filosofie over het creëren vanuit Zijn, komt overal terug. Wie heeft er goeie voorbeelden?

Noot 2 De amandelwilg bloeit van april tot november en is geweldig voor de bijen. Het is tevens de meest buigzame wilg die er is, dus handig voor vlechtwerk. Ook kun je de schors gebruiken als pijnstiller, bijvoorbeeld tegen hoofdpijn. Voor het planten is het goed om de schors lichtjes te beschadigen om de aangroei van de wortels te stimuleren. Het plantgat mag best 70 cm diep zijn, dan komt de wilg beter aan zijn water!