Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.

De aantrekkingskracht van eenmalige magie

.

.

Iemand kwam eens naar mijn huisje kijken. “Deze woonwagen heeft iets magnetisch. Het wordt een plek van communicatie..” merkte hij op, helder en bedachtzaam. Op dat moment waren we met zijn tweeën. Na een dag als vandaag denk ik daar aan terug.

,

Ik sta achter mijn glazen windscherm en kijk over het veld naar de boerderij. De didgeridoospeler die net bij me was, loopt terug naar de feestende menigte. Bij de boerderij brandt een vuur en er lopen mensen. Ik zie het van uit de verte, ik zie hoe hij met zijn vrouw bij het vuur gaat staan. Zo juist hebben we getest hoe het klonk, de diepe bas van het instrument, terwijl ik spreek. Hij gaat het verhaal begeleiden dat ik zodadelijk ga vertellen. Af en toe zal hij een zachte ondertoon te laten horen als achtergrond. We hebben niet geoefend, dus ik heb geen idee op welke momenten hij invalt. Ik vind het wel spannend.
Vastbesloten om er iets moois van te maken, kniel ik bij het vuur en leg het hout er op. De snel in elkaar getimmerde bankjes staan er in een halve boog omheen. Ik kan zeker dertig mensen ontvangen.

Ik componeerde een verhaal voor Samhain, het feest wat we nu vieren en waarop we terugkijken en ons bezinnen. Wat kunnen we oogsten en wat laten we los? Vroeger geloofde men dat dit de tijd was, waarin de levenden en de doden het dichts bij elkaar zijn. Niet voor niets hebben de Christenen er Allerzielen en Allerheiligen van gemaakt en de Amerikanen Halloween.
Het inspireerde mij. Ik dacht, wat heeft het Friese volk in het verleden zodanig geraakt, dat het nog lang rond bleef spoken? Ik ging op zoek naar een trauma in de geschiedenis. Iets wat ongelooflijke impact moet hebben gehad. Ik vond de oorlog bij de Middelsee in 734, de dag dat de Franken binnenvielen met een enorme vloot, de dag dat het Friese volk niet alleen zijn onafhankelijkheid kwijt raakte, maar ook alles waar ze tot nog toe in geloofden, hun god Wralda en hun godin Fostare, hun priesteressen, hun rechtsysteem brokkelde af, met de Lexion Frisia, hun dagelijkse gewoonten. Alles wat ze al eeuwen en eeuwen lang kenden, er bleef niets meer van over dan een rokende ruïne.

Ik wilde het helemaal voor me kunnen zien, en terwijl ik meer en meer ontdekte over die tijd, ontspon zich in snel tempo een verhaal, dat begint op de plek waar ik nu ben, maar dan in 2060. Ik ben Beitske. In haar dromen keert Beitske terug naar het oude Friesland, in de gedaante van een uil.

Ik spreek de laatste zinnen uit van het verhaal. Het einde is hoopvol en hartverwarmend. Ik zie stralende ogen en in de hoek zit een man die bij elk woord heel wijs knikt, alsof hij alles wat ik zeg wil bevestigen. Na de laatste woorden is het stil. Iedereen kijkt me aan, alsof ze nog iets van mij verwachten. Ik geef een nawoord, ik vraag of ik de mensen mee heb kunnen nemen, een andere tijd in. Ja, knikken er velen, ja!
Ik ben blij. We kijken naar de sterrenhemel boven ons. Die is zo mooi, dat hebben we al vele nachten niet meer gezien.

En nu is het voorbij. Het verhaal is verteld. Het duurde iets meer dan een half uur, maar het lijkt of we veel langer zijn weggeweest. Ik heb het niet opgeschreven. Het is wat het is en het was wat het was. Het is een vertelling die nu alleen nog bestaat in de herinnering. Ik denk ook niet dat ik het nog een keer vertel. In deze tijd waar alles eindeloos herhaald kan worden op talloze manieren geef ik mijn verhaal de magie van de eenmaligheid. Ik wil passanten duidelijk maken, het gebeurt nu! Wees erbij of niet. Daar heb je dan vast een goede reden voor. Maar wees je bewust van de pareltjes die opbloeien op de plek waar je bent. Dat is wat ik wil zeggen. Het liefst zou ik zien dat, net als in Ierland in de kroeg, elk verhaal of lied alle aandacht zou krijgen, wie het ook zingt of vertelt, volledige, oprechte aandacht.

Dus deze gedachte neem ik straks mee op mijn reis. Elke plek heeft zijn eigen verhaal en ik hoop dat ik het mag vertellen, misschien wel samen met anderen. Het is wat het is. Als ik weer vertrek laat ik het verhaal achter. Want daar heeft het zijn wortels. Elke plek is uniek, elk mens is uniek. En het moment is eeuwig en altijd nieuw.

.

.

.

 

Een mooie dag voor zandkastelen

.

.

.

Een waterige wind blaast ijskoud om de oren. Ik ben weer thuis. Het lijkt het een eeuwigheid terug, dat ik op het strand liep.  En het is nog niet eens een week geleden! Wat een mooie ontmoetingen had ik daar. Ik denk er met plezier aan terug.

.

Het lijkt net alsof het vandaag een dag ervoor is, een speciale dag om op het strand mooie dingen te maken. Misschien is het vanwege het weer, het is zo warm en bijna windstil, terwijl het al een maand herfst is. Met mijn stevige wandelschoenen loop ik door het mulle zand. Dan zie ik ze, ver en veilig boven de vloedlijn.
De eerste kastelen zijn klein en speels en slordig. Ik ga ernaast zitten op mijn hurken en zie afdrukken van kleine handen in het zand. Het zand is droog, het heeft al lang niet meer geregend. Ik ga op mijn buik ernaast liggen en kijk nog eens, vanuit het perspectief van een kuikentje. Nu lijken het net echte torens, die afsteken tegen de horizon.

.

.

.

.

Ik sta op en loop verder. Daar staat nog een kasteel met echte kantelen, gevormd uit hoekige schelpen. Er zijn twee cirkelvormige slotgrachten, die er als gladde ringdijken omheen liggen. Ik zie bruggen en poorten, afgewerkt met zwaardschedes, lange bruine schelpen die vandaag met massa’s op het strand liggen. Het bouwsel is zo strak afgewerkt, dat een klein gezin er vol bewondering naar staat te kijken. Hun zoontje gaat op zijn hurken naast het kasteel zitten en prikt rondjes in de buitenste slotwal, met een stokje. Maar zijn ouders lopen alweer verder, in gesprek, zonder om te kijken. “Vergeet je zoon niet!” roep ik ze na. “O ja, die hebben we ook nog,” mompelt de vrouw. Het joch staat op en rent ze achterna.

.

.

 

.

.

Ik heb nog maar een klein stukje gelopen, of ik zie een heel dorp uit zand oprijzen, met een gigantische dijk erom heen. Vader bouwt aan de dijk. Die is zo hoog, dat hij tot boven zijn knieën komt en hij is bijna twee keer zo hoog als de huizen in het dorp dat er naast ligt. De zoon werkt aan de infrastructuur, en maakt bruggen en sluizen in de rivier, die langs het dorp loopt. Ik zie een kronkelige geul en de sluis is gemaakt van dezelfde langwerpige schelpen als bij het vorige kasteel.
Ik kijk naar de werkende man. Hij heeft een mal gevuld met zand. Die heeft hij nou op zijn kop gezet en hij staat er op te springen. Dan haalt hij hem eraf. De dijk is nu nog langer. Alleen de overgang naar het nieuwe stuk is een beetje rul geworden. Gefascineerd kijk ik toe. “Heb je ervaring als bouwer?” vraag ik. Hij kijkt me heel even aan, om dan geconcentreerd verder te werken..

.

.

.

.

“Ik bouw normaal gesproken niet met zand. Ik ben meubelmaker.” Hij strijkt de bovenkant glad met een stuk hout. “Ik ben een creator. Ik moet iets te doen hebben. Dat wandelen is wel even leuk, maar ik doe veel liever dit.”
Terwijl ik met hem praat, is zijn zoon in het hele kleine tentje gedoken, dat erbij staat. Er staat een hond naast. “Ooo, hij zit stiekem te snoepen. Dat ruikt ie!” Zijn vader grinnikt.

Als ik me eindelijk losruk van dit creatieve gezelschap vraag ik zijn naam. “Ik heet Coen,” zegt hij. “Met een C.” Ik groet hem ten afscheid. Terwijl ik wegloop komt zoonlief het tentje uit. Hij zwaait naar me. Ik wuif terug en loop verder, met mijn stevige wandelschoenen door het mulle zand.

.

.

.

.

De oude man en een zingend meisje

.

.

Lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee omhoog,
hoog in de wolken wil ik wezen
hoog in de wolken wil ik zijn
lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee

.

De zon staat laag boven de Waddenzee. Aan de horizon ligt een streep land, die de blauwe lucht van het water scheidt. De rode vuurtoren steekt fier de hemel in. Het is het eiland Schiermonnikoog. Ik sta op het bovendek van de veerboot en laat mijn oog gaan over de contouren. Wat lijkt het kwetsbaar, die smalle streep land, met al dat water er voor. Dit schitterend stuk land kan zomaar van vorm veranderen. Ik denk dat dit de magie is, voor mij. Daarom word ik er zo door aangetrokken. Hier is de natuur ongerept en er wordt zo min mogelijk ingegrepen. Wat er ook gebeurt.

Het is druk op de boot, want het is herfstvakantie. Opa’s en oma’s, moeders en vaders met kinderen komen het dek oplopen, om even weg te zijn uit de warme verblijfsruimte en de zee te zien. Zeemeeuwen vliegen over de boot heen en weer. Een klein meisje houdt de hand vast van haar moeder. Ze kijkt omhoog, naar één van de grote witte vogels boven haar. Haar ogen stralen als een kleine engel en dan opeens, dan zingt ze. Ze zingt over de zeemeeuw die zijn vleugels spreidt en naar de wolken vliegt. Ik kijk naar haar. Die ogen staan voorgoed in mijn geheugen geprent. Ik weet het.

Er is nog een gezicht dat ik nooit vergeet. Een gezicht dat alles te maken heeft met het eiland. Het is het gezicht van de oude eigenaar van het beroemde Hotel Van Der Werff. Altijd was hij daar, met zijn hangende schouders en lichtelijk gebogen rug. Ingetogen nam hij de wereld in zich op, altijd gekleed in een sjofel blauw pak.
Het hotel is nog altijd wat het was, de kroonluchters, de bruine wanden en eenvoudige houten tafels, de schilderijen aan de muur. Het lijkt alsof de tijd er stil staat.

Ik loop naar binnen en ga aan een tafel zitten bij het raam.  Achter de toog staat nu geen oude man meer, maar wel een jongen, rustig kijkt hij om zich heen, recht van lijf en leden, keurig in blauw pak gestoken. Zachtjes praat hij met twee meisjes. Eén van de meisjes komt naar me toe. Ik bestel een kopje filterkoffie voor een euro, met appeltaart van het eiland.

Ik geniet met volle teugen hoe alles is zoals het is en neem een slok van mijn koffie. Het venster waar ik achter zit, lijkt wel een oeroude lijst. Het schilderij dat het omvat blijft altijd in beweging, met kleuren die nooit verbleken. Vlak achter het raam zie ik wandelaars voorbij gaan en fietsers. En dan, achter op de huurfiets van haar moeder, zie ik tot mijn verrassing het meisje van de boot voorbij komen. Ze kijkt naar mij. Ik zwaai naar haar en ze zwaait terug. Haar lange donkerblonde haar wappert in de wind.

.

 

De handen van mijn moeder

.

.

Alles beweegt. Wat ooit vol was, is nu leeg. Huizen zijn gesloopt, bloementuinen omgespit over overwoekerd. Kruideniers zijn verdwenen, oude bomen gekapt en vervangen door jonge. Kasten zijn leeg geruimd, huiskamers ontspuld. Maar iets in die stromen van tijd en materie, is nog steeds zoals het is.
De kamer waar ik sliep, samen met mijn zusje.
.
Ik ben weer terug in mijn ouderlijk huis. Het is ochtend en ik ben net wakker. Vanuit mijn bed kijk ik naar het hare, een ombouwbed, de planken erboven krom gezakt door het gewicht van jaren. Al vijfenveertig jaar woont daar, op de bovenste plank, een kleine gemeenschap van poppen, poppen van mijn zusje en mij.Het stof is keurig afgenomen, maar de poppen liggen achteloos door elkaar en lachen me niet meer toe. Ik mis iets. Het is de hand van mijn moeder. Ik stap uit bed, pak ze één voor één en geef ze een nieuwe plek. De grote pop met een kleine op schoot, de kikker bij de andere kikker. Door de schemering van tijd zie ik haar handen bezig, zoals de mijne nu en een speelse glimlach op haar gezicht, mijn moeder, zoals ze was.
.
Het is een bijzondere plek. Nu mijn vader bijna negentig wordt, besef ik steeds meer de tijdelijkheid van dit alles. Ik hoop dat er meer plekken zijn zoals deze, waar alles jaar na jaar mag zijn wat het is, vergeten verhalen, scheef zakkend tot een bekende hand het aanraakt, zich herinnert en terugkerende ogen het steeds opnieuw ontdekken. Zacht gloeit het stilleven, als in een eeuwigheid.

.

.

 

Uitnodiging:

Van 28 oktober tot 1 november exposeer ik met de beste tekeningen uit mijn blog in de boerderij van Frijlan, Boksumerdijk 5, Leeuwarden. Je bent welkom van 14.00 tot 17.00!

.

 

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Het plan

.

“Volg je hart!” roept iemand me toe. Ik heb verteld dat ik van plan ben op pad te gaan, met mijn woonwagen, te voet. Maar ik ga niet zomaar weg. Mijn hoofd en handen vragen allebei om tijd. Een onhandig hart maakt een slechte start.

Het is begonnen met een droom. Ik  zou met paard en wagen op weg gaan. Ik ontwierp een woonwagen. Ik maakte het ontwerp zo, dat ik ook het fietspad op zou kunnen. Het onderstel mocht niet meer dan 150 cm breed zijn. De Witte Smid bouwde het voor mij op maat, met een paar brede wielen er onder.
Al snel had ik door dat het een enorme klus zou worden, met dieren de drukke weg op te gaan. Ik besloot dat mijn woonwagen in eerste plaats een woonhuis moest worden, dat voor mij perfect was. Daarna zou ik wel verder zien.

En nu sta ik ermee op Frijlân, ecoparadijs in wording. De wielen staan op een betonplaat, waar vroeger de mest van de boer op lag. Daar is niks meer van te zien. Ik kijk door het raam naar buiten. Er staat een harde koude westenwind. Ik ben lekker binnen en de zon schijnt warm door het raam. Voor me ligt het oranje pannendak van de boerderij en het grote veld. Bosjes riet met bruine pluimen golven in de wind. Tussen het lange gras staan gele bloemen, die stralen in de zon. Wolken met dikke koppen drijven voorbij. Nu ik weet dat ik weg ga, geniet ik extra.

Frijlân wil een broedplaats zijn voor cultuur en verandering. Er is veel energie voor nodig en ik help mee met het geven van vitale en creatieve voorzetten, waar straks op kan worden voortgeborduurd. Er is veel te doen. Ondertussen bereid ik me voor op een leven als voetganger. Ik zoek uit of ik mijn wagen kan trekken met een elektrische mover. Als dat werkt, dan ga ik hem testen. Waar zou dat kunnen, vraag ik me af. Ah! De ontdekkingstocht kan nu al beginnen.

Ik loop met mijn vriend Dick over het betonpad, dat in een rechte lijn langs het eindeloze raaigras loopt. In de zak van mijn paarse regenjas bungelt iets zwaars. Het is mijn rolmaat. We gaan meten of ik hier straks mijn woonwagen langs kan trekken.
“Dit is vast veel te krap,” zegt Dick twijfelend. Ik kijk naar het pad onder onze voeten en maak een inschatting. “Nou, ik denk dat het meevalt. Als je in mijn woonwagen staat, lijkt een meter veel breder, zo’n pad dat in de verte verdwijnt geeft aan alles een andere verhouding.” Ik kniel met de rolmaat op het beton en betast het omzomende gras, dat er over heen is gegroeid. “Ïk kan dit niet goed meten Dick, ik weet niet waar de rand is.”
Ik kijk op en zie verderop een brug, die over de sloot ligt. Het beton steekt daar een eindje boven het gras uit en de randen zijn afgebrokkeld. Hier trek ik opnieuw mijn rolmaat uit. “Een meter zes en vijftig,” zeg ik hardop. “Dat kan nèt.”

Ik zou op weg willen gaan als landschouwer en mensen ontmoeten. Ik zou doorgaan met mijn blog. Maar dan met een vraag op mijn lippen. “Wat betekent het land voor jullie, en de manier waarop ons voedsel wordt verbouwd?” Ik ben benieuwd of er een kentering gaande is.
Onderweg zal ik ongetwijfeld plekken vinden waar ik een tijdje blijf.

Dat is het plan. Maar voor de reis mag beginnen, dan hebben vast al een hele winter achter de rug…

.

PS: Scroll op de website eens naar onderen, daar heb ik een collectie van al mijn tekeningen. Een kleurrijk geheel is het. Als je op een tekening klikt, kan je hem in het groot bekijken.

.

Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

Met grenzeloze belangstelling

.

.

 

Na een klein weekje op Schiermonnikoog, word ik wakker in mijn woonwagen op Frijlân. Ik heb kort geslapen en moet er aan wennen weer terug te zijn. Schiermonnikoog was heerlijk. Ik proefde de ruimte van stranden en kwelders, liep urenlang zonder een mens te zien en kwam terug op een camping vol rommelige gezelligheid. Ik at zelf geoogste broccoli uit de pluktuin, die naast de camping lag en genoot.
Hier is het anders. Als ik uit het raam kijk, zie ik distels, perzikkruid en melde. Het ziet er zwart van. Verder is er geen mens te zien. Somber staar ik ernaar en zie mezelf alweer bezig, eindeloos uittrekken van de distels die zich razendsnel uitzaaien en ineens overal opkomen. De moed zakt me in de schoenen en ik weet maar één ding te doen. Ik zet mijn verstand op nul.
Ik doe mijn oefeningen en ruim mijn huisje op. Zonder discipline ben je nergens. Terwijl mijn wagen er steeds opgeruimder uitziet, denk ik aan een man, die ik ontmoette op de boot. Het was op de terugreis. Vanaf het moment dat ik hem zag kon ik mijn ogen niet van hem afhouden. Die man, wat zou hij doen in mijn plaats?

Aan de tafel bij het raam zitten vier mensen. Een oude man en een oude vrouw en een jonger stel. Achter het vensterglas bewegen langzaam de drooggevallen zandplaten voorbij, vol met watervogels. Het is vooral de grijze man, die mijn aandacht trekt. De ontspannen toon waarmee hij alles in beschouwing neemt, wat hij ziet. En hoe vanzelfsprekend de anderen naar hem luisteren, alsof hij ze al jaren weet te boeien met zijn waarnemingen.

De boot volgt trouw de vaargeul, zoals hij daar al jaren ligt. Wij weten niet anders. Maar de oude man en de oude vrouw kennen het water al hun leven lang en hebben al veel van haar gezichten gezien. Ze kenden het wad al voordat er vaargeulen bestonden. En terwijl buiten het water langs het schip stroomt, zien we binnen een jong zeehondje geboren worden op het beeldscherm dat in de verblijfsruimte hangt. De man kijkt ernaar en leest de titel die bij de beelden hoort. “Er komt een film over het wad,” zegt hij bedachtzaam. Ik spring op. Het is de film waar ik heen ga. De man kijkt me aan met een vermaakte glimlach. Ik vertel erover wat ik weet. Het moet een prachtfilm zijn. Het is in Leeuwarden. “Komt u ook?” vraag ik, maar nee dat kan niet, hij woont in Rotterdam. We praten verder over onze meest geliefde plek, het Eiland.

“In 1929 kwam ik voor het eerst op Schiermonnikoog,” zegt hij. “Bent u er toen geboren dan?” vraag ik een beetje verward, want zou oud kon die man toch niet zijn. “Nee, zegt hij, dat was in 1923.” Ik staar hem ongelovig aan. “Echt waar?!”
Zijn vrouw is even oud. Ze hebben samen al veel meegemaakt. “Toen zij in 1930 voor het eerst op het eiland kwam, toen was er een andere aanlegsteiger. Het was de steiger die nu door zeilboten wordt gebruikt.” Ik knik, ik zie de plek voor me, je kan de masten van de boten nog net zien, als je op de veerboot wacht. Hij gaat verder. “ Je kon er niet naar de oever lopen, als het vloed was. En als je dan zo oud was als mijn vrouw nu, weet je hoe je dan bij de oever kwam?” vraagt hij me.
Ik schud mijn hoofd. “Op de rug van sterke jonge mannen!” De twee oudjes stralen als hij het vertelt en ik lach mee. “Dat wil ik ook wel!” roep ik. De grijsaard grinnikt. “Dan moest je wel eerst oud worden…”

Aan die mensen denk ik nu. Wat een heerlijk echtpaar, wat een mooie man. Zo vrolijk, zo open en belangstellend, terwijl ze toch ongelooflijk veel moeten hebben meegemaakt. Zouden deze mensen zich druk maken om een distelveldje?? Nee toch…..
Dan open ik mijn deuren en haal diep adem. Frisse buitenlucht doordringt mijn longen. Het nodigt mij uit tot iets. Wat is het? Ik kijk over het glanzende gras naar de spoorlijn in de verte. Er gaat een trein voorbij.

.

.