De geest van het land

.

.

Op de thee bij Ege. Een gesprek: “Misschien is dat het wel, waarom we hier zijn. Om het Weefwerk te herstellen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Rather li

Ik zit in de kamer van Ege. Het is een klein oud huisje dat bij de boerderij hoort, met zware balken in het plafond. Er hangt een dik gordijn om de warmte van de kachel vast te houden. Daarachter is de keuken. Ege maakte een kast naast het fornuis, voor de potten en de pannen. “Ik kan alleen maar vierkant timmeren,” zegt Ege. “Zo heb ik het geleerd.” Hij pakt zijn glas van tafel en neemt een slok kruidenthee. Ik ben net binnen. Ik zag zijn fiets staan. Even buurten, dacht ik. En nou zit ik hier. Zijn opmerking maakt iets wakker. “Ja, nou je het zegt,” denk ik hardop, “ Er was niemand die mij leerde timmeren. Dat was niet voor vrouwen. Ik maakte een hut van het riet dat langs het kanaal groeide. Of ik weefde met takken. In het bos leer je heel andere dingen…”

Ik denk aan mijn moeder. Toen zij vijfenveertig was, was ik tien. Ik ben nu meer dan tien jaar ouder dan zij, toen. We woonden op de bodem van de Zuiderzee, in de polder. Ze vroeg nooit waar ik heen ging. Ik speelde waar ik wilde, het Emmeloordse bos was mijn oerwoud en ik was volledig vrij in wat ik deed. Behalve toen we een diep hol hadden gegraven in een bult. Dat moesten we dichtgooien vanwege instortingsgevaar. Wel klauterde ik in de hoogste bomen, zwom in het kanaal, groef klei uit langs de oever en boetseerde er beeldjes van. Met mijn vriendinnen plukten we meidoornbloesems voor thee, die naar amandelen smaakte. Soms was ik alleen met mijn moeder Janky en zochten we naar hazelnoten. Ik was wel eens hebberig en daar zei ze wat van. “Niet alles hè! Ook wat laten liggen”, leerde ze mij. We kregen schapenvachten van de boer, sponnen wol en verfden het. Mama breide er meestal truien van. Ik hield niet van breien. Ik weefde liever. Mijn moeder had geen vastomlijnd plan. Ze was nieuwsgierig en probeerde gewoon van alles uit. “Hé, zullen we deze wol eens met zuring verven? Kijken welke kleur dat geeft,” opperde ze vrolijk, en dan gingen we samen het bos in. Zuring stond er genoeg, daar hoefden we niet zuinig mee te zijn. Even later stond ze in keuken te roeren met een dikke houten stok. De ketel dampte en ik stond er met mijn neus bovenop. Ik rook de geur van wol, gekookte planten en een vleugje kopersulfide.

Mijn moeder gaf me vrijheid, die ik met beide handen aangreep. Samen waren we nieuwsgierig en dol op dit soort creatieve experimenten. Voor al die dingen ben ik nog steeds dankbaar.

Ege kijkt me lachend aan. “Dat is jouw geluk geweest! Ik wil graag meer organisch leven. En bouwen ook. Dat ik niet steeds alles van te voren bepaal. Meer kijken in vrijheid, wat er is en wie er is. Dat we het samen laten groeien. Dat wil ik leren.” Ik begrijp dat zijn kindertijd heel anders was dan de mijne. “Hoe heb jij leren timmeren?” vraag ik.

“Op school en van mijn vader. Vierkant denken en bouwen leerde ik, zoals veel meer jongens. Alles volgens plan.” Hij glimlacht even en vervolgt “Op de boerderij was altijd wel wat te doen…” Ege groeide op in Fryslân, niet ver bij ons vandaan. We kenden elkaar niet. En nu zitten we samen thee te drinken.

Ik kijk uit het raam. Tussen het hoog opgeschoten gras en verwilderde bramen loopt boer Jochum met Jeroen, de greppelkenner. Die is pas terug uit Groningen. Ze lopen tussen de struiken naar de open vlakte. Daar, bij het weiland, staan ze een poos stil, alsof ze het helemaal in zich opnemen. Jeroen wijst en zegt wat. Er komt een gedachte in me op. “Ik denk dat de natuur in onszelf zit, dat het deze weiden zijn, de grutto en het water, de wilgen langs de kant…” zeg ik en draai me om naar Ege. “Weet je” ga ik verder “De Yanomami, de Hopi en vele anderen, ze geloven dat het land een geest heeft. Dat de geest van het land zich met de mensen wil verweven. Ik voel dat ook. Misschien is dat het wel, waarom we hier zijn. Om het Weefwerk te herstellen. Om de gescheiden werelden weer één te maken. Te spelen als kunstenaars, met draden en kleuren die er tevoorschijn komen.” Ik denk aan de dagen met mijn moeder, toen ik een meisje was en zwijg even. Ege is ook stil. Hij kijkt alsof hij een wortel uit de grond trekt die niet mag breken. Rustig buigt hij voorover en zet zijn glas op tafel. Dan recht hij zijn rug en kijkt me aan.

“Ja,” zegt hij. “Dat denk ik ook. Het begint bij luisteren. Ik heb geen zin meer om overal een oplossing voor te zoeken. Dat houdt me er alleen maar vanaf.” Ik kijk naar de vastbesloten trek op zijn gezicht, het lange donkerblonde haar met maar ietsje grijs erin. Graag ga ik nog eens vaker op de thee bij dit taaie manmens. “We doen het met elkaar!” beëindig ik het gesprek. “Zo is het” grijnst hij en zijn ogen schitteren.

.

The hidden creek speaks

I am just a simple creek
hidden, out of sight
they covered me with heavy ground
and now I long for light

Where are the hands of former days
of people wise and strong
who came to cut the reed with sickles
and free me for a season long

My existance did not count
the gouvernment that choose
the way of money, not of life
so I had to loose

The wheels that cross me
four of a kind
I don’t get them
they are blind

I am just a hidden creek
covered in a bottom of clay
when will my water flow again
when will it be, that day

.

De Nederlandse versie van deze tekst heb ik speciaal geschreven voor Groene Verhalen, en zal daar op 1 februari, om 10.00 te beluisteren zijn.

Nederlands
Engels

Nachtverkeer

.

.

Ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Liever luisteren? Klik op de eerste knop onderaan de pagina.

. . . . If you want to listen to the English version, press the second button at the bottom of the text.

.

Het is een onrustige nacht en ik lig wakker in mijn hangmat. De maan is bijna vol. Ik zie hem nog net door het dakraam. Hij verdwijnt achter een wolk, komt weer tevoorschijn en zet de kamer in een blauw licht. Er is geen wind en ik hoor alweer het eerste verkeer op de grote weg die naar Leeuwarden leidt. Die ligt ongeveer vijfhonderd meter achter de Swette. Een onophoudelijke bromtoon maakt het bestaan van de weg meer dan duidelijk. Het wegdek is nat van de motregen en dat maakt het nog erger. Het lijkt veel dichterbij dan anders.

Mijn ouderlijk huis staat op een soortgelijke plek. Eerst is er het kanaal en daarachter de grote weg. De Friese Weg heette hij, maar dat was voor de vierbaansweg werd aangelegd. Toen verloor hij zijn naam en kreeg een nummer met een A ervoor, zoals alles wat groter wordt een nummer krijgt. Mijn moeder was een opgewekte vrouw. Maar ’s nachts lag ze vaak wakker. Als de wind uit de verkeerde hoek kwam, dan hoorde ze het suizen van het verkeer. “Ik voel me dan zo eenzaam”, zei ze eens “Al die anonieme mensen in die auto’s, daar in het donker…” Het zijn er steeds meer geworden. De auto maakt ons vreemden voor elkaar. Het is een merkwaardig ding. Hoewel elke auto vier zitplaatsen heeft, zitten veel mensen in hun eentje in die capsule. De motor draait op benzine of diesel, brandstof die schijnbaar onuitputtelijk beschikbaar is. Niemand weet waar het vandaan komt. Je tankt en kan weer verder. De olie die de aarde sinds het oer bewaarde, verdwijnt als uitlaatgassen de lucht in. En ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is grietje-en-janky-van-diermen-1.jpg
Mijn moeder en haar oudere zus, omstreeks 1936.

.

De elektrische auto kan dan wel schoner zijn, maar verder verandert er niet veel. Het is even anoniem. En nog steeds weet niemand hoe hij gemaakt is en waar de grondstoffen vandaan komen. Ik weet het nu. Nog lang niet alles, maar wat ik weet zegt mij genoeg. In het Noorden van Chili en Argentinië wordt lithium gewonnen. Dat is voor de accu van die schone auto. Fijn. Maar daar in Chili, daar houden mensen hun hart vast. De winning ervan laat een dode uitgedroogde zoutvlakte achter. Vlak ernaast ligt een heel bijzonder natuurgebied. Er is geen buffer tussen. Hier en daar is de grens al overschreden. De mensen die er wonen verdienen er niks aan. Maar ze zien wel hoe hun wereld verdwijnt. En dat van de dieren, die er woonden. Ze zien de flamingo die wegvliegt. Ze blijven kijken, maar hij komt niet terug. Dat weten wij allemaal niet. Mijn buurvrouw is heel blij en trots dat ze nu duurzaam op de weg kan rijden. Maar in Chili pikken de mensen het niet meer. Er verandert iets. Een groep van 144 Chilenen werkt aan een nieuwe grondwet. Er is grote weerstand tegen de plundering van die grondstoffen, zonder maat. En dat terwijl de ongelijkheid alleen maar groeit. Dit kan niet langer zo.

Ik denk aan de elektrische mover waar ik drie maanden mijn huis mee rondgetrokken heb. Nog steeds denken mensen dat ik straks weer verder ga. Maar die gedachte heb ik definitief achter me gelaten. Ik weet teveel. Ik zie die Chilenen voor me, op de grens van die troosteloze vlakte. Nee, ik hoef niet een steeds betere high tech accu, met nog meer lithium en kobalt erin. Waarom zou ik? Ik hoef niet weg. Ik leef simpel en ben blij met deze plek en met de mensen. Ik ben blij dat ik hier een thuis gevonden heb, op deze bodem van Friesland. Dat Dick er is. En Ege en Jeroen. En dat ik straks weer bomen mag planten van boer Jochum. Wel driehonderd! Ik grijns in het schemerdonker, en trek het dekbed omhoog tot aan mijn oren. Het plafond omvat mij als een buik. De maan komt achter een wolk vandaan en schijnt helder door de lange streep van het dakraam. De snelweg in de verte maakt steeds meer lawaai. Maar mijn hart is zacht en tevreden. Ik denk aan mijn moeder, die wakker lag, toen ze nog leefde. “Maak je geen zorgen mam” zeg ik zachtjes “Alles is okee. We maken er wat moois van. Gewoon waar we zijn en nergens anders.” Ik doe mijn ogen dicht en zie haar gezicht voor me. Even later weet ik niks meer.

.

.

.

De Nederlandse versie

The English version

.

Enkele bronnen:

https://indianexpress.com/article/world/chile-constitution-confronting-climate-change-mining-companies-ecological-emergency-lithum-mining-7695748/

https://www.mo.be/reportage/wat-chili-vandaag-gebeurt-moet-een-waarschuwing-zijn-aan-ieder-land-de-wereld-dat-nog-meer/

https://www.ou.nl/-/grondwet-chili

https://www.mo.be/analyse/bolivia-sleutelt-aan-de-korte-keten/

.

.

.

.

Hoe razendsnelle anonimiteit kan leiden tot totale vervreemding. Het is niets minder dan “Koyaanisqatsi”, een begrip van de hopi indianen. Het betekent: Onbalans, een leven in gekte, een toestand die vraagt om verandering.

.

.

.

.

Ruimte maken

.

.

De boer heeft het laatste woord. Als het nou gaat over het land, de schuur, het erf of de weg… Het is allemaal van hem. Zijn keuzes groeien traag, alsof ze moeten rijpen. In de natuur gaat dat ook zo. Eigenlijk vind ik dat wel mooi.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ik zit op het bankje van de biologische winkel en eet een koek. Haverkoek is het, dat vind ik de lekkerste. Ik heb twee pakken in mijn tas. Morgen gaan we samen eten, met de hele Swetteblom. Dan is dit het toetje, heb ik bedacht. Ik neem nog een hap van de koek. Er zit lekker weinig suiker in. Dan proef je de smaak veel beter. Dan hoor ik wat. De deur van de winkel gaat open. Een lange man komt naar buiten met twee volle tassen. “Smaakt het?” vraagt hij. Ik knik en we raken in gesprek over lokaal voedsel en zelf dingen verbouwen. “Ik zoek al een tijdje naar grond”, zegt hij. Ik vertel over het stukje land, waar ik bomen plant, op het land van boer Jochum. “Voor hem was het een stuk waardeloze grond”, zeg ik. Hij kijkt me bezorgd aan. “Ik hoop dat je wel een contract hebt? Anders ben je je bomen straks zo weer kwijt . . .” Glimlachend kijk ik hem aan. “Nee”, zeg ik liefjes “Ik heb hem gezegd: Als je het er niet meer mee eens bent, dan mag je ze allemaal weer omhakken”. Hij kijkt me met lichte verbazing aan. “Jij liever dan ik”, antwoordt hij. “Succes ermee!” Hij propt de zware tassen in zijn fietstas steekt zijn hand op en fietst weg.

Ik kan me de bezorgdheid wel voorstellen. Het is logisch dat je graag je eigen ideeën wilt uitwerken en dat je dat wilt beschermen. Contracten en pachtovereenkomsten zijn daarvoor handig. Je kan je eigen gang gaan en doen wat je wilt. Tot op bepaalde hoogte dan. Want hoeveel zekerheid heb je uiteindelijk, en wat is nou echt van jou? Je deelt het land altijd met anderen. Dieren, buren en boeren, de gemeente, de overheid, de archeologische dienst… Daarom wil ik geen paradijsje voor mezelf, ik wil het samen doen. Ik werk op basis van vertrouwen, ik kijk en onderzoek en leg ik mijn bevindingen keer op keer weer terug op tafel. Nu is dat de tafel van boer Jochum. Het is zíjn land. Hij heeft het laatste woord. Ook als het gaat over de schuur, het erf of de weg… Het is allemaal van hem. Zijn keuzes groeien traag, alsof ze moeten rijpen. In de natuur gaat dat ook zo. Eigenlijk vind ik dat wel mooi. Wij moeten ons aanpassen aan zijn tempo. Dat heeft voordelen. Pas kwam dit weer goed naar voren. Toen ging het over de schuur.

Ik sta met Gerlinde op het erf. We hebben goeie zin, allebei. Het is de eerste dag dat we samen gaan eten, met alle mensen van de Swetteblom. Nou ja, bijna allemaal. Ege heeft het bedacht. Sinds kort woont hij in het huisje dat grenst aan het erf. Zijn deur is vlak naast de kleine stal. Nadat hij had ingericht, had hij zijn volgende idee al klaar. Hij vertelde iedereen dat hij elke maand voor ons wilde koken. “Ik vind het leuk”, zegt hij “En het is mooi om af en toe met elkaar te zijn”. Hij kwam als geroepen. Het hing al in de lucht. Bijna iedereen beloofde dan ook te komen. En daar staan we dan. Gerlinde en ik. De rest is er nog niet.

“Hoe laat begint het?” vraagt Gerlinde. Ege staat tien meter van ons af, in de deuropening van zijn huisje. “Om vier uur”, antwoordt hij. Jochum, de boer, komt net de stal uit, waar de drie koeien staan. “Vier uur? Dat is toch veel te vroeg!” roept hij. Na een korte discussie komen ze overeen dat het half vijf wordt.

Samen staan we voor de schuur, waar het moet plaatsvinden. Boer Jochum, Ege, Gerlinde en ik. De schuur is aan één kant open. Tot voor kort stond hij vol spullen, die stuk voor stuk betekenis hadden, voor de boer. Jarenlang kon je er niet in. Er is nu meer ruimte. Jochum heeft opgeruimd. Dat is een hele prestatie. Halverwege houdt de lege ruimte op. Daar staat de trekker in de winterstalling. “We kunnen er wel een gordijn voorhangen”, oppert de boer, “Dan zie je hem niet”. Zijn grote hand wijst naar de eerste dikke balk. “Daar.” Ege kijkt kritisch. “Neeee”, bromt hij. “Hij moet aan de tweede balk! Dan rijden we de trekker naar achteren. Die rotzooi daar kan best weg, dan heb je een hele meter erbij”. Hij staat er actief bij, alsof hij meteen wel daad bij woord wil voegen. Maar Jochum kijkt hem woest aan. “Rotzooi?! Dat zijn spúllen hoor en zo makkelijk gaat dat niet!” Ege houdt zich in. Hij snapt het. “Ach, het heeft ook geen haast” zegt boer Jochum. Hij draait zich resoluut om en loopt het erf af. Ege duikt weer zijn huis in, waar de pannen staan te dampen. Gerlinde en ik blijven achter en kijken naar de eerste en de tweede balk. Erboven is nog meer opslag en alles zit onder het spinrag en dikke lagen stof. “Ik heb er nu geen tijd voor” zegt ze “Maar ik heb een naaimachine. Als jij me wilt helpen, dan hangen we hem toch gewoon aan de eerste balk, als Jochum dat wil? Verplaatsen kan altijd”. Ik glimlach. “Zo is het. Alles op zijn tijd. Je roept maar. Ik doe met je mee”.

Van het pad komt een man aanlopen met een vuurkorf en hout. Ik loop naar de leeggemaakte werkbank en haal de haverkoeken uit mijn tas. Uit de keuken komt een heerlijke geur. Dat wordt smullen!

(Dit verhaal is een collage van verschillende momenten, die ik in dit verhaal heb samengevoegd, tot een aanéénsluitend verhaal. Sommige namen zijn gefingeerd en sommige details ook.)

Met modderklompen de toekomst in

Hoe wij haar samen maken.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de omastoel van mijn vriend Dick en pak mijn mobiele telefoon uit mijn jaszak. Ik heb zin om iets zinnigs op te zoeken. Iets wat past in deze tijd. Het nieuwe jaar, dat begonnen is. Of misschien is het wel iets onzinnigs, dat weet je maar nooit.

“Zal ik de jaarhoroscoop maar eens voorlezen? Dat hoort er toch ook bij.” Dick zit op zijn bed en kijkt me wakker aan. “Doe die van vorig jaar maar,” zegt hij. Ik twijfel even en geef toe. Ja, het oudejaar is eigenlijk interessanter. Dat kan je checken en bespiegelen, het nieuwe jaar is nog leeg. Ik vind een redelijk serieuze site en lees zijn horoscoop voor. Af en toe zegt hij wat. Sommige dingen kloppen, maar het meeste klopt niet. We zijn er al snel doorheen. Ik kijk op. “Ze hebben ook een horoscoop voor de wereld. Iets met Uranus en dat er een nieuwe tijd begint,” zeg ik. Dick kaatst de bal meteen terug. “Een nieuwe tijd? Het komende jaar? Daar hebben ze het al heel lang over toch? Aquarius… Dat was in de jaren zeventig al.” Ik knik bevestigend. “Ja. Er zijn mensen die zeggen dat de wereld wel verandert, van binnen zeg maar, maar dat het aan de buitenkant nog moet doorbreken. Het systeem zit nog te vast.” Hij grijnst. “Het systeem? Dat zijn wijzelf hoor! Het zijn alle mensen samen.” Daar kan ik geen speld tussen krijgen. Maar toch, hoe zit dat dan? Terwijl ik het me afvraag komen de woorden vanzelf. “Wat mensen als groep bedenken, daar heb je als eenling maar weinig invloed op. Samen vormen ze het systeem.” Ik ben even stil. Er komt een herinnering bij me op. “Er was een tijd dat ik in een huis woonde met vijf anderen. Ik had een gebroken been. Het genas niet, het duurde máánden. Daar zat ik dan op mijn kamertje van vier bij drie. Omdat ik me verveelde begon ik te snoepen. En omdat mijn maag daar niet tegen kan, kotste ik het weer uit. Dat heb ik altijd al gehad en daarom snoep ik nooit. Behalve toen. Zo ging het een paar weken. Toen kreeg ik er genoeg van en ik stopte er weer mee. Maar “het huis” had intussen besloten dat ik boulimia had, een eetziekte. Als ik wat anders zou zeggen, hadden ze het waarschijnlijk niet eens gelooft. Ik denk dat het in het groot ook zo gaat. De groep samen maakt een verklaring voor wat er gebeurt en daar gedragen ze zich naar. Die normen en waarden zijn hard als marmer. Je moet lang bikken, voor er iets verandert.” Dick grijnst niet meer. Hij knikt serieus. “Ja, dat is zo.” Ik vertel verder. “Nou gaat het niet om mij. Ik vond het eigenlijk heel boeiend om mee te maken. Het laat zien hoe dat werkt, met groepen, die ergens in geloven. Voor de één is het Jezus, voor de ander de techniek of een gevaarlijke vijand. In een groep versterken mensen elkaar in hun mening en je kan jezelf erin verstoppen. Het geeft een twijfelachtige vorm van zelfvertrouwen. En samen vormen zij de werkelijkheid, al die grote groepen maken de wereld uit, waarin we leven…

Ik moet denken aan een droom, die ik toen had. Er was een stem die tegen me zei: All in all it’s just a fascinating fuzz.

Ik kijk naar Dick. Hij laat de woorden even op zich inwerken en hij knikt. “Ja..” zegt hij alleen maar. Dit heeft niet meer woorden nodig. Het is immers een groot deel van zijn leven geweest. Er te zijn voor die eenlingen, die de wereld anders zien en die er op eigen wijze wat moois van willen maken, duurzaam, praktisch en in harmonie met de aarde. Nu zit hij hier voor het raam. Sinds tien jaar mijn vriend. De groene mok in de vensterbank is leeg, op een klein bodempje koffie na. Ik kijk van zijn gezicht, de grijze krullen, de blauwe ogen, naar het landschap achter hem. Het weiland is nat van de regen. De zon komt door en schijnt op de plassen in het gras. Het is alsof alles oplicht. Er komt een sprankeling in mijn gedachten, die meteen zijn weg naar buiten vindt. “Maar als we leren daar niet in mee te gaan…” begin ik dan, “Als we leren onszelf te zijn en onbevooroordeeld…” Dick kijkt me aandachtig aan. “…..dan kunnen er wèl dingen veranderen” besluit ik. Op het serieuze gezicht komt een lach. “Ja. Zo is het.”

Ik lach terug terwijl ik mijn muts pak. “Ik ga naar buiten. De zon lokt.” Mijn vriend wenst me veel plezier. Ik stap in mijn blauwe klompen en zoek mijn weg door de modder. We komen er wel.

.

.

Aardgenoten!

.

.

Korte nieuwjaarstoespraak van Alowieke

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

.

Aardgenoten,

Een nieuw lichtjaar is gekomen. De zon heeft zich gewend en de dagen lengen. Blijft u vooral vermenigvuldigen, vissen in de zee, kreeften op de bodem van de grachten en dieren van wie niemand weet. Beter water is op komst. Verheugt u ook in een betere bodem, gij pieren, kevers, springstaartjes. Ringmussen, blijf dansen in de lucht eet van het zaad dat rijkelijk zal groeien. Ganzen mogen gakkend overvliegen om te grazen in het land en te broeden aan verre kusten. Ik wil me verontschuldigen voor het vuurwerk, met nieuwjaar.

Het wordt een jaar dat alles mag blijven liggen. Alle mensen houden op met druk doen. Er wordt minder gereisd, meer tijd besteed aan de grond onder de voeten. Het zand in de zee mag blijven liggen en er varen bijna geen containerschepen. Ouders en jonge meiden maken weer zelf hun kleren en kinderen zullen tijd krijgen om samen zandtaartjes te bakken in de tuin. We zullen meer zaaien en minder graven, meer wandelen en minder leidingen leggen, meer genieten van weinig. Kleine mensen bouwen zandkastelen. Ze zien hoe de zee, de aarde en de wind alles weer mee neemt. Grote mensen zien het ook en zullen bescheiden worden. Ze bouwen alleen nog maar kleine huizen van hennep en leem. Er komt geen uitbreiding van wegen meer. Nieuwe bruggen hoeven ook niet, in het vervolg doen we alles per pont, lopend en op de fiets. De schipper krijgt een zoen van elke blije griet en een grijns van de buurman die eindelijk weer stromend water ziet. Vrienden nemen de tijd om samen naar de overkant te kijken, zonder er heen te hoeven. Het gras zal niet alleen maar groen zijn. Het zal overal bloeien van bloemen en kruiden en het zal fladderen en zoemen van vlinders en bijen. De regen zal zacht en groeizaam neervallen en de hele aarde zal zich hullen in een nieuw kleed van leven, dat iedereen zacht en tevreden maakt.

Een gelukkig nieuwjaar.

.

.

.

..

.

Vlot te water

.

Swetteverhalen . . .

.

Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Daar sta ik dan. De stress is voorbij, het vlot waaraan ik werk, is te water. Wat ging het mooi en voorspoedig! De studenten die het filmden zijn naar huis. Ik heb opnieuw de tijd aan mezelf. De zon schijnt veelbelovend op mijn bouwsel. Het warmbruine hout ligt stil te wachten op een vervolg en ik denk na over hoe nu verder. De zachtblauwe lucht weerspiegelt in het water, roerloos als een spiegel, er is geen zuchtje wind. Ik kijk ernaar en naar de blauwe lucht erboven. Een groep ringmussen danst tjilpend boven mijn hoofd naar de brede rietkraag, onder de wilgenboom. Alles zingt hoop en vrolijkheid. Ik denk aan gisteren, aan mijn buren. Iedereen was er, zomaar. Zonder dat we het hadden afgesproken. Voor het eerst had ik het gevoel een gemeenschap te zijn. Het contrast met het grote nieuws was tekenend. Diezelfde avond nog werd de lock down afgekondigd. Net als vorig jaar kunnen we geen kerst vieren en zijn vele openbare ruimtes gesloten. Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het vlot bestaat uit zes kletsnatte steigerdelen, plus nog drie halve. Hij ligt op de kop op het gras, de onderkant ligt boven. Er zitten dikke balken onder om het bij elkaar te houden met slotbouten. Vier vastgeklemde tonnen van tweehonderd liter bieden een fors drijfvermogen. Het weegt nogal wat. Al dat kletsnatte hout is dubbel zwaar. Ik heb geroepen naar Evert, mijn buurman: “Neem iedereen mee die wil, we hebben veel handen nodig!” En nu staan ze daar. Wel tien mensen, plus de filmploeg. Het lijkt een hele happening te worden. De mannen stappen naar voren. “Wat is de bedoeling?” vraagt mijn vriend Dick. Hij is de enige die vraagt. De andere mannen staan druk te praten over wat zij het beste vinden. Ik luister naar iedereen en beslis. “We trekken hem eerst een stuk het veld op, dan kiepen we hem om.” Dat moet wel, anders zou hij in het riet komen.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het omkiepen gaat zonder moeite. Het kraakt zelfs niet. Ik ben tevreden over de extra aanpassingen die ik deed, speciaal voor dit kwetsbare moment. Dan ligt het vlot zoals het hoort. Het is een groot oppervlak, al die steigerdelen bij elkaar. De mannen bukken zich en tillen. Het is zwaar, maar de vele handen maken het werk licht. Naar de Swette toe is maar een paar meter. De voorste mannen lopen een klein eindje de steiger op en laten het vlot dan zakken. De eerste plastic ton dobbert nu in het bruine water. Vier mannen staan aan de achterkant en duwen. De ronde tonnen zijn een perfecte geleiding. Alsof ze gesmeerd zijn, zo makkelijk glijden ze het water in. Ik juich luid. Dit gaat boven verwachting!

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Ik ben blij met mijn schippersverleden. “Hola, dat wil ik niet!” roep ik tegen een man die zonder te vragen het vlot een stuk verder het water op legt. “Hij moet aan de kant blijven, ik moet er nog met mijn fiets op. Voor de film.” Mijn vriend bromt ook wat. “Als iedereen maar wat gaat doen, dan werkt het niet. Zij is de baas.” Ik knik hem dankbaar toe. Op zo’n moment sta ik helemaal scherp. Ik zie en hoor alles. Dit is het, waar ik een paar weken naartoe heb gewerkt. Ik had niet de tijd aan mezelf, zoals anders. Nee, ik had een deadline. Ik werkte samen met Michelle en Emma. Twee twintigers in opleiding maken een docu. Maar eigenlijk maken we hem met zijn drieën. Het gaat niet over mij, het gaat mét mij. Ik ben alleen maar het middel, om dit verhaal te vertellen. Voor Michelle is het een boodschap van hoop. Ze wil de mensen van haar generatie laten zien dat er na elk einde een nieuw creatief begin mogelijk is. En waar grote structuren vastlopen, daar begint het kleine. Volg het water, volg de stroom van de rivier. Kijk daar gaat het vlot te water! De buren kijken mee en iedereen lacht.

.

.

.

Auteursrechten Michelle van der Plas

De man voor mijn raam

.

Ze beschermen de machtigste bossen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Voor mijn raam staat een man. Zijn haar is zwart, zijn huid is iets donkerder dan de mijne. Hij staat er al twee nachten. ’s Ochtends om half vijf wordt ik wakker en hij staat er nog steeds. Ik klim de hangmat uit, doe de deur open en ga naar buiten. Het is koud maar het waait niet. Maar de man is weg. Of zie ik hem toch staan daar, tussen de bomen? Hoe dan ook, hij blijft in mijn gedachten. Die man, dat is Davi Yanomami. In mijn verbeelding staat hij voor mijn raam en roept me. Hij is een sjamaan in Brazilië. Ze noemen hem Kopenawa, hoornaar, omdat hij zo strijdvaardig is. Hij vocht en vecht nog steeds. In 1985 begon de strijd voor de landrechten van zijn volk. Vier jaar later won hij de UN Global 500, als erkenning voor zijn strijd voor het regenwoud. In 1992 werd het gebied van de Yanomami eindelijk erkend door Brazilië. Het is meer dan 9,2 miljoen hectare groot, en er wonen 20.000 Yanomami.

Het land is een paradijs. Er leven tal van diersoorten en er groeien planten die je nergens anders meer vindt. Zelfs natuurparken halen het niet bij de diversiteit die er in hun gebied te vinden is. Zij leven allemaal samen in een “shabanos”, hun grote ronde huis. Sommige Westerlingen denken dat die manier van leven al honderden jaren geleden is uitgestorven. Al is het land van de Yanomami erkend in 1992, daarmee is de erkenning van hun bestaan helaas nog niet compleet. Onder president Lulu hadden ze het goed, hij beschermde hun rechten. Tot het moment dat er iets helemaal verkeerd ging. Er werd een grote oliebron gevonden in het land. Multinationals doken er meteen boven op. “Prima dat jullie komen helpen met oppompen”, zei Lulu “Maar de inkomsten zijn van ons.” Lulu wil tegelijkertijd alternatieve energiebronnen ontwikkelen en goed onderwijs in zijn land en gezondheidszorg. Dat geld kon goed gebruikt worden. Er kwam echter niks van terecht. Een slimme jurist hielp de hebberige zakenlui en wist Lulu in de gevangenis te krijgen op valse gronden. Bolsonaro kwam aan de macht en zijn invloed was desastreus. Hij trok zich niks aan van landrechten. De houthakkers en mijnbouwers konden hun gang gaan. Die inheemse mensen, die zijn alleen maar lastig, vindt hij. En die bomen van het Amazonegebied, die staan ook in de weg. De beste bomen zijn verhandelde bomen, zodat er ruimte komt voor mijnbouw en grote velden soja. De strijdlustige hoornaar staat nu machteloos aan de kant. Hij ziet hoe zijn volk ziek wordt, hoe het land in een gapend gat verandert dat steeds groter wordt. Hij wil het niet. Hij wil niet kwaad worden, maar hij kan niet anders.

Hij staat voor mijn raam. Ik heb het goed hier in mijn huisje. Ik weet dat ook ons land opnieuw moet worden hersteld, dat we moeten zorgen voor meer diversiteit. Maar hun zorgen zijn vele malen groter dan de mijne. Wat hen wanhopig maakt, bezwaart mij net zo goed. Want zij beschermen de machtigste longen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

De volgende dag krijg ik bericht van een vriend. Of ik mijn naam wil zetten onder de politieke werkgroep, waar ik tien jaar geleden mee naar Den Haag ging. Ik staar uit het raam. . Politiek, dat is niet echt mijn ding. Maar dan denk ik aan de man, de man die voor het raam stond. En met hem tal van andere stamhoofden, sjamanen, lokale leiders en kleine boeren, die vechten voor gezond land, een gezonde aarde en voor hun volk. “Ja”, zeg ik. “Ik doe mee”.

.

Nawoord:

Lulu is dit jaar in maart vrij gekomen. De beschuldigingen waren onterecht. Volgend jaar zijn er nieuwe verkiezingen. Ik hoop dat hij wint en dat hij het land en de mensen opnieuw bescherming geeft. Ik hoop ook dat hij een streep zet door het Mercosurverdrag met Europa. Daarvoor strijdt ook onze werkgroep: “Klimaatrechtvaardigheid en voedselsouvereiniteit”. We hebben een petitie, die naar de tweede kamer gaat en de nodige ministeries. (Zie hieronder). Zulke handelsverdragen zorgen voor nóg meer houtkap en eindeloze soja-akkers. Ook voor onze eigen boeren is die concurrentie een ramp. Je kunt meer erover horen bij Zembla. Kijk bij zembla/artikelen/bord-vol-ontbossing.

Meer over de Yanomami: https://www.survivalinternational.org/tribes/yanomami

.

.

.

.

Het lege boekje in mijn binnenzak

.

Nu niet leeg meer.

.

Ik vind het vervelend als mensen tegen een dicht geblokte horizon aan moeten kijken. Zelfs al ken ik ze niet. Ik wens ruimte voor iedereen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Met mijn fietskar volgeladen rijd ik door de binnenstad van Leeuwarden. Iedereen kan zien wat ik eet. Fruit, groente, zonder zakje, vanuit de boodschappenmand heb ik alles zo in mijn bak gelegd. Havervlokken ook, in papier, en melk in een fles. Gelukkig regent het niet, het is èèn van die zeldzame dagen dat de lucht helemaal blauw is. Ik voel me vrolijk en opgeruimd. Temeer omdat ik net een belangrijke beslissing heb genomen. Ik leef sober en verzamel zo min mogelijk. Zo min mogelijk afval, maar ook minder nutteloze mooie dingen. Vanochtend heb ik een heleboel foto’s weggegooid op internet. En filmpjes. Het waren er veel te veel. In die diarree van beelden wordt het steeds lastiger te vinden wat ik zoek. Ik heb er genoeg van. Het benauwd me. Ik heb me ook voorgenomen minder op de laptop te zitten. Maar ik weet nog niet precies hoe ik het ga doen. Ik gedachten rijd ik langs de gracht.

Precies op dat moment kom ik langs een knutselwinkel. Door de deuropening zie ik rijen papier en pennen in alle soorten en kleuren. Daar moet ik zijn! Ik zet mijn fiets neer, duw het karretje tegen de gevel aan, zodat hij niet in de weg staat. Eenmaal binnen loop ik gelijk naar de kast met pennen. Ik koop vier zwarte fineliners, precies dezelfde als waar ik vroeger ook mee schreef. Ook tekeningen maakte ik ermee. Wat heerlijk dat ik ze nu weer heb! Te kunnen genieten van de zwarte vloeiende lijn op maagdelijk papier. Ik koop ook nog twee kladblokken, een leeg boekje, en briefpapier. Het is een begin.

Het was gisteren, dat ik op het idee kwam. De aanleiding was een bericht over een toekomstig datacenter in Zeewolde, een enorm terrein van meer dan 160 ha. Dat zijn honderdzestig voetbalvelden! Er moeten vijf blokkendozen op komen van 400 meter lang en 20 meter hoog. En dan nog een muur van 25 meter. Nou kan ik denken: Dat is mijn zorg niet. Maar daar voel ik me niet prettig bij. Volgens mij ben ik medeverantwoordelijk door al mijn computergebruik, al is het maar een heel klein stukje. Al die data die moeten worden opgeslagen. Daarom ga ik in de toekomst weer veel meer op papier doen. Geen eindeloze stroom van foto’s en berichtjes meer. Alleen enkele, waar ik echt voor kies. En de rest komt in dit mooie boekje. Ik steek het bij me, samen met de pen. Ik schrijf het vol met hele kleine mooie lettertjes. Dat wordt een heerlijk creatief proces! Nieuw en als vanouds tegelijk.

Mijn bijdrage in de digitale diarree wordt vanaf vandaag drastisch beperkt. En foto’s? Die zet ik gewoon op een memorystick. Als hij vol is ga ik schrappen of ik druk er een paar af. Zo houd ik het bij mezelf, en niet ergens, waar dan ook, in een megagroot datacenter. Ik vind het vervelend als mensen tegen een dicht geblokte horizon aan moeten kijken. Zelfs al ken ik ze niet. Ik wens ruimte voor iedereen.

Het is niet zomaar, dat dit me bezig houd. Ik was getrouwd met een verzamelaar. Na zijn dood ben ik jarenlang bezig geweest met opruimen. Ik had 300 vierkante meter te doen, waar alleen maar een gangetje doorheen liep, tussen bergen hout, ijzer, dekenkisten en wat al niet meer. Er stonden machines, in goede staat, maar wel groot en zwaar. In een huis waar alles vol staat, moet je wel met oogkleppen gaan lopen. Als je alles ziet dan wordt je gek. Je leefruimte krimpt en krimpt. Het doet me denken aan een krantenberichtje, lang geleden. “Man dood gevonden in zijn huis. Waarschijnlijk zelfmoord. Hij was verzamelaar en zijn huis stond tot de nok toe vol. Vermoedelijk zag hij geen uitweg meer.”

Wij leven in net zo’n wereld. Alles moet bewaard worden. Spullen staan veilig achter slot en grendel in huizen en kluizen, data worden opgeslagen in datacenters. Volgens mij kunnen we best een heel stuk minderen. Dan hoef je niet eens alles weg te doen, Facebook, Gmail, Foto’s die je wil bewaren. Als het maar minder is. Dus dat doe ik. Niet alleen omdat het me helderheid geeft, maar ook omdat ik me verantwoordelijk voel.

Ik loop terug naar mijn fiets. Tevreden voel ik het mooie boekje in mijn binnenzak. Het past precies!

https://www.trouw.nl/buitenland/computers-en-mobieltjes-slurpen-een-flink-deel-van-onze-energie~b43f8b3c/

Klik om toegang te krijgen tot Brief-aan-gemeente-Zeewolde.pdf

.

.

.

.

.

.

Een paadje van niks, maar ondertussen. . .

.

.

Ik wil boodschappen doen en sta voor mijn huis te peinzen. De kleine brug over de Swette is gesloten. De borden met “fietsers afstappen” zijn verwijderd, evenals het knip en plakwerk waarmee de boel bij elkaar gehouden werd. Het wordt weer als nieuw. Maar we moeten nu wel een andere route nemen, intussen. Een loodrecht fietspad pal naast het spoor. Kaal en winderig. Je ziet er haast niemand. Het is een rechte streep vanuit Deinum. Heras hekwerk aan de ene kant, asfalt aan de andere. Dan een diep gat in, onder het kanaal door. Als je weer het licht in fietst, zie je lelijke blokkendozen van een bedrijventerrein. Tot nog toe weet ik niet beter en is dit de enige andere mogelijkheid. Ik heb er weinig zin in. Ik ga toch maar en loop met mijn fiets over het blubberige gras. Voorzichtig en met korte afgemeten stappen, om niet uit te glijden. Achter mijn fiets hobbelt de fietskar, vol rammelende lege flessen. Wanneer ik bij het grindpad kom, zie ik de buurvrouw aankomen. “Ga je boodschappen doen?” vraagt ze. “Moet je langs Ritsumasyl gaan, dat is veel leuker dan die rotweg.” Ze wijst me hoe te fietsen.

Er zijn bedachte wegen, economisch bepaald en zonder uitstraling. Er zijn ook oudere wegen, gegroeid door de jaren heen. Het spoor volgt een concentratie van kleine bedrijvigheid, ingesleten paden langs het water. Nog niet zo lang geleden was het water de beste route om vracht te vervoeren en dat zie je nog steeds terug. Het is pas in de jaren zestig van de vorige eeuw geweest, dat dit veranderde. Asfalt werd uitgerold, sloten en grachten werden gedempt. Het land veranderde soms compleet van karakter. Maar op sommige plekken zijn ze er nog, de oude kanalen met hun bedrijvigheid. De weg die me gewezen is, dat is zo’n route.

.

.

Het is ietsje verder doorfietsen. Dan zie ik de afslag al. Een hoge fietsbrug daagt op. Het is een draaibrug en hij staat open. Twee vrachtschepen gaan er net onderdoor. Ik krijg het gevoel thuis te komen. Hoe vaak keken we vroeger naar de voorbijtrekkende schepen, Michiel en ik, vanaf ons honderd jaar oude beurtschip. Het was een ander leven. Hij is er niet meer. Maar het water dat ik achterliet, spoelt steeds weer terug. Nu stroomt het ver onder mijn voeten door, terwijl ik naast mijn fiets sta te wachten. Het zwaaiende brugdeel draait langzaam weer op zijn plek. De bomen gaan omhoog en ik rijd verder. Aan het einde van de brug staat iets geschreven op het asfalt, slordige rode letters met krijt. “Trap af”, lees ik. Er staat een pijl bij. Wat betekent dat? Er staan twee mannen te werken met gele hesjes aan. “Waarom is dat?” wijs ik. De mannen weten het wel en geven me rustig antwoord. “O dat heeft de jeugd vast gedaan. Een speurtocht denk ik”. Er zijn hier dus kinderen! Komen die uit Ritsumasyl? Het zijn maar een paar huizen. Er liggen ook woonboten. Ik fiets langs een sloot en een braakliggend veld. Een leuke plek om te spelen. Ik kijk mijn ogen uit. Dan duikt er vlak naast me ineens een ijzeren hek op. Fonkelnieuw. Een veld vol zonnepanelen drukt de openbare ruimte in elkaar. Hè jakkes. Dit hoort er niet bij. Dit hoort bij die grote rotweg verderop, niet bij dit fijne kleine pad. Ik fiets er langzaam aan voorbij. Er zitten wel wat wilde eenden naast. Die worden daar in elk geval met rust gelaten, troost ik me.

Uiteindelijk kom ik uit bij een splitsing van kanalen. Ik zie de achterkant van een sloperij met bergen verkreukeld staal. Er liggen schepen aan de kade. Ook dit beeld is me vertrouwd. Hoe vaak lagen wij daar, aangemeerd bij de sloop, om materiaal te zoeken in die paradijselijke jungle voor technische creatievelingen!

Ik stap af om te kijken. Wat zou het mooi zijn, als mensen niet alleen aan zichzelf zouden denken, maar ook de sociale charme van dit gebied zouden zien. Het pad hoeft echt niet op en top onderhouden te zijn, juist niet. Het is goed, precies zoals het is. Velen genieten ervan, zonder uit te kunnen leggen waarom. Maar dat het niet altijd in woorden te vatten is, dat maakt het niet onbelangrijk. Laten we juist die dingen benoemen. En wellicht kom je samen tot veel mooiere oplossingen, die niet vallen als een baksteen in de publieke ruimte. Ook voor kinderen en buren!

Ik stap weer op mijn fiets. De dagen zijn kort, ik moet verder. Nog even, en dan ben ik bij mijn favoriete winkeltje. Het is lokaal en coöperatief. Kijk, dat bedoel ik nou!

.

Voor de nieuwe fietsbrug er lag was er een pontje. Terwijl we stonden te wachten op het sluiten van de brug, hoorde ik anderen daarover spreken. De rust, de gezelligheid van het moment van oversteek, ze missen het nog steeds, hoe mooi de nieuwe fietsbrug ook is. Er is trouwens ook een brugwachter bij. Dus qua werkgelegenheid maakt het niks uit….. https://frieschdagblad.nl/regio/Fietspont-over-Van-Harinxmakanaal-was-een-rustpunt-26798712.html

.

.

Het bewaken van de brede rietkraag

De laatste hazen op het land

.

Ik had zelf een haas willen fotograferen, maar ik heb er geen één meer gezien, hoe vaak ik ook uit het raam kijk. Dus dit is een uitgeknipt exemplaar, van een oude vintagekaart. Het spijt me!

.

Ik heb grond nodig, om me betrokken te voelen. Zorg voor het land verbindt ons. Ik weet dat ik op aarde te gast ben om die zorg ook te dragen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Vijf mannen jagen op de laatste paar hazen. Ik ontdek het, wanneer ze net precies langs de overkant van de sloot lopen, vlak langs mijn huisje. Als ze me zien nemen ze meer afstand. Goed zo. Ik blijf staan kijken terwijl ze een schot lossen. In één keer raak. Een man pakt het dier bij de achterpoten en loopt verder. Ik kijk hem na. Ik zie hem nog eens omkijken in mijn richting. Hee, een nieuwe bewoner. Die hebben we hier nog niet gezien. Ik denk hetzelfde. Ik heb de jagers hier ook nooit gezien. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mag dit wel? Dan hoor ik wat aankomen. Ik kijk om. Op het pad rijdt een auto. Hij is van mijn buurman. Ik steek mijn hand op en hij stopt. Hij draait zijn raampje open en we praten er over. We zijn het eens. Jagen als er een plaag is, okee, maar ze staan op de rode lijst. Mijn buurman denkt dat ze inmiddels beschermd zijn. “Nee”, zeg ik “Nog altijd niet. Maar..” Voor ik mijn zin af kan maken, komt er vanuit het niets een haas langs ons heen scheren. Gillend van angst rent hij de bocht om, onder de haag van wilgenbomen door, achter mijn huisje langs. Een vuilgele hond zit hem achterna, kwijlend van jachtdrift. Hij is nog maar drie meter van hem verwijderd. Grommend als een beer schiet ik toe. Ik hol hem achterna, het hele veld over en zwaai breed met mijn armen. De hond taait af, schichtig omkijkend naar dat woeste vrouwbeest. De buurman maakt het af. Met zijn auto zit hij de hond op de hielen, tot het begin van Jochumsreed.

Wat ontdaan loop ik even later het veld af. In de verte lopen de jagers, richting de sloot die naar Bears loopt. Ze lopen evenwijdig aan het land van Jochum. Dat is een lang smal stuk, van acht hectare, vlak langs de Swette. Ik zie nu dat ze niet één, maar drie honden hebben. Die kunnen met elkaar een drijfjacht houden, de hazen achterna het riet in. Oppassen! Ik loop gelijk met de jagers op, zo’n honderd meter van ze af. Ik zie dat ze naar me kijken. Vlak bij de Bearservaart blijft het groepje staan. Ik weet dat hier de meeste dieren zitten. Het is het verst van de weg, en er komen zelden mensen. Er is aan twee kanten water. In die dooie hoek, tussen het riet, kunnen dieren echt tot rust komen. Daarom voelt het voor mij des te meer als heiligschennis. De jagers hebben al zoveel hectare, laat dit hoekje dan met rust! Gelukkig heb ik een zwart leren jas aan. Dat oogt stevig en stoer. De honden staan rustig naast hun bazen. De vuilgele hond kijkt mijn kant op, de kop in de nek, alsof hij me ruikt.

Ik denk aan de Yanomami indianen in Brazilië. Hoe zij de grenzen van hun land bewaken, zoals ik nu doe. Ik stel me voor hoe ze kijken naar die mannen. Ook daar hebben ze geweren. Met één verschil, die kogels zijn voor hen gevaarlijker dan voor mij. Activisten verdedigen hun leefgebied, de planten en de dierenwereld. Meerderen zijn gesneuveld. Via onze bodem zijn wij met dat net verbonden. Zelfs al woon ik duizenden kilometers verderop.

De mannen kijken nog even mijn kant op en draaien zich om. Ze lopen steeds verder van Jochums land vandaan. Een enkel schot klinkt nog luid over de vlakte. Ik zie een haas de goede kant op rennen, naar ons stuk. Hij schiet de brede rietkraag in, die langs de Swette loopt. Die te bewaken, dat is mijn doel. Ik tuur naar de handen van de jagers. Hebben ze nog meer gevangen? Het lijkt van niet. Maar ze zijn al ver weg en ik weet het niet zeker. Verder lopen ze. De mist in, met hun geweren. Even later tref ik boer Jochum in de deuropening van zijn schuur. Ik vraag hoe het zit. Mag dit hier, jagen? Zijn antwoord is duidelijk. “Ik heb dit jaar de vergunning opgezegd. Ze mogen niet meer op mijn land komen. Het gaat slecht met de hazen. Niet door de jacht, maar door de agrarische monocultuur. En om nou voor de sport die laatste hazen te laten schieten, dat is mij te bar.” Hij praat erover zonder zich op te winden. Zijn leven lang al komen er jagers, hij is het gewend. “Ze zouden maar één keer komen, zeiden ze.” Ik zucht opgelucht. Terwijl ik terugloop denk ik aan de Yanomami. En aan alle anderen die geworteld zijn op grond, die deel uitmaakt van hun identiteit. Ze maken zich sterk en niet alleen voor zichzelf. Het gaat om veel meer. Is het genoeg? Al die mensen, hoe sterk zijn wij, met elkaar? Hoe sterk, en hoe verbonden?

.

De jagers die hier komen, beweren dat de populatie niet veel verandert, ze vangen elke herfst evenveel hazen, zeggen ze. Maar hazen, en ook konijnen, staan op de rode lijst. Toch mochten de jagers dit jaar weer jagen. Het gaat nu heel hard achteruit. Vergelijk het met een worst. Je kan er steeds een stuk afsnijden en zeggen dat er niet heel veel veranderd is, ten opzichte van vorig jaar.

In de politiek is er al jaren gesteggel over het wel of niet verbieden van de jacht. In 2013 was er bijna een verbod gekomen voor plezierjacht, maar dat ging niet door omdat de PvdA het toch weer uit zijn verkiezingsprogramma haalde. Nu is de tweede kamer vóór een verbod op het schieten van specifiek hazen en konijnen. Meerdere mensen vinden dat niet wijs. De hele plezierjacht moet stoppen, anders wordt het volgende dier de klos, zoals de wilde eend. Die mogen ze nog wel schieten. De traditie van de jacht al eeuwenoud en een eventueel verbod is een emotioneel beladen onderwerp.

.

Maar eh….. Kunnen ze niet op muggen gaan schieten? Of muizen? Daarvan hebben we regelmatig teveel!.

.

.

.

Bij een drijfjacht zit er voor de hijgende haas niks anders op dan de sprong het water in. Een passant uit Sneek zag ze, bij een andere gelegenheid. De één na de ander maakte een noodsprong. Het was een rotdag, zei hij. Dat begrijp ik. Er zullen er vast hazen verdrinken zonder dat iemand er acht op slaat.

.

Artikel uit de Leeuwarder Courant, 26 dec 2021. Dit gebeurde niet ver hier vandaan, bij kennissen van ons.