.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Op een dag wordt er een camper op mijn veldje gezet. Zo’n superhandig ding, blinkend wit, redelijk onderhoudsvrij, praktisch ingedeeld voor optimaal woongenot. Een van de bewoners is bezig hem te verkopen. Kijkers komen en gaan. En daar staat hij nu, dat witte polyester ding. Ik kijk ernaar met een scheve blik. Vooruit dan maar, denk ik dan. Er zijn ten slotte voordelen. Met die hete dagen zorgt hij wel voor een extra schaduwplek. Het longkruid erachter zal de extra schaduw ook waarderen. Bovendien, het ding zal vast wel eens verdwijnen. Met die gedachte laat ik het voor wat het is en ga verder met snoeien, wieden, vogels luisteren en verhalen schrijven.Zoveel campers staan hier niet. Het is hier niet druk met woon en werkverkeer. Er zijn campinggasten in de zomer, en in de winter blijven alleen een paar bewoners over. Er zijn er genoeg die de plek mijden vanwege de ellenlange onverharde weg vol kuilen. Het veld waar ik sta is nog rustiger dan de rest.. Dus eigenlijk bof ik wel. In al de vijf jaar dat ik hier sta is het de eerste keer dat er zo’n blinkend wit geval staat, in dit kleine paradijs. Door maandenlange arbeid is het hier steeds mooier geworden. Daar kijkt iedereen graag naar, ook mensen die hier alleen maar langslopen.
Ik loop op het pad naar de boerderij, de bewoonde wereld in. Hier staan de auto’s van bewoners en bezoekers, hier grenzen de erven dicht op elkaar en is gewoonlijk een tekort aan parkeerruimte. Terwijl ik het pad afloop kom ik eerst de eigenaar van de camper tegen. Hij kijkt me verontschuldigend aan. “Sorry, ik moest hem van de boer naast jou neerzetten. Ik zei nog, past dat wel bij de activiteiten van die plek, maar hij zei: Ik ben de baas.” Ik haal mijn schouders op. “Ja, dat is ook zo, hij is de baas. Bedankt voor het melden”. Ik loop weer verder. Daar staat een tweede man, naast een groene auto. Hij staat pal tegen het erf van Ben geparkeerd, die daar pas verblijft. Maar de wagen is niet van Ben, weet ik. Vindt hij dat wel leuk? “Van wie is die auto?” vraag ik dus maar eens. “Van mij”zegt de man, “Hij moet worden opgehaald en dit is een handige plek daarvoor.” Ik knik: “Dat snap ik “ en wil dan weglopen. Maar de man kijkt me met spleetogen aan. “Jij wil wel alles weten hè?” zegt hij. Ik haal weer mijn schouders op. “Soms wel ja. Dan kan ik het doorgeven als er iemand naar vraagt. Net zoals de vorderingen met verkoop van de camper op mijn veld. Daarover hoor ik ook graag.” Eigenlijk wil ik nu weer doorlopen, want het is tijd om tanden te poetsen en naar bed te gaan. Maar de man brandt los in een lange reeks klachten en moppers. “Hij is de baas zegtie, dat moet ik niet pikken, zo’n ding naast mijn huis en als iemand dat zomaar doet en niks overlegt.” Het lukt me maar net zijn woordenstroom te onderbreken.“De boer is toch ook gewoon de baas?”zeg ik “Hij doet gewoon wat hij nodig vindt, heeft het keidruk en heeft even geen zin in discussie. Dat snap ik best. Sowieso zie ik niks in oeverloze discussies. Mensen verschansen zich dan in hun standpunt. Wat een energieverspilling, ik heb wel wat anders te doen.” De man haalt even adem. “Misschien heb je wel gelijk. Maar ik kan er niet tegen. Ik wind me er altijd over op”. Dat is dan zijn zorg. Het is allang bedtijd. Ik weet me los te maken en loop door naar huis. De gespreksstof blijft nog een tijdje door mijn hoofd dwarrelen. Maar uiteindelijk zak ik gedachteloos in zoete sluimering weg. Na een lange nacht word ik fris als een roos weer wakker. De zon staat al wat hoger aan de hemel. Bij de camper staan twee mannen. Ik vang een paar woorden op en er klinkt gerinkel van sleutels. Morgen gaat het ding weg, hoor ik. Zo zie je maar, alles komt en gaat.
.









