De markt als wegwijzer

.

.

Ik sluit de deur van het kleine leskamertje. We hebben lekker gespeeld, mijn docent op de piano en ik op mijn nieuwe dwarsfluit, die nu al zo vertrouwd aanvoelt. Ik kijk nog even op de plek waar ik net nog stond. Er is al weer een andere leerling. Door het glas zie ik twee ruggen, een hele brede en een kleintje. Ik hoor de leraar een vrolijk riedeltjes spelen op het keybord en hij praat geanimeerd met het jochie naast hem. Ik draai me om naar mijn regencape. Onder de kapstok, op het neplaminaat, is een kleine plas ontstaan die almaar groter wordt. Ook de regenbroek voelt nog steeds nat aan. Toch trek ik alles weer aan, pak mijn dwarsfluit, die veilig in de draagtas zit en open de buitendeur.

Dikke druppels waaien hard in mijn gezicht. Het is al donker. Ik pak mijn fiets en waag de tocht huiswaarts. Ik besluit een andere route te nemen dan normaal, dwars door het centrum van Leeuwarden.
Op het grote plein staan kraampjes. Ik wist niet dat hier markt was. Als ik dichterbij kom zie ik kaas en groente, met overal meldingen dat het biologisch is. Ik loop naar de eerste beste kraam die ik zie. Het is een grote felverlichte kaaskraam en ze hebben er veel. Geitenkaas, brie, camenbert, boerenkaas, het ligt allemaal mooi geëtaleerd. Ik koop geitenkaas en loop verder. Na nog wat levensmiddelen te hebben ingeslagen kom ik aan bij het einde van de markt. Daar zie ik, naast een grote broodkraam, een heel klein kraampje, waar in de vitrine nog een laatste restje kazen bij elkaar geschoven ligt op wit etaleerpapier. In het schemerdonker zie ik een man met lange krullen staan. Hij lacht uitnodigend. “Het Marlanner kaashuis” staat op een bord achter hem.
“Jammer,” zeg ik spijtig, “Ik heb al kaas. Maar die wil ik ook wel graag.” Ik wijs naar een verzameling grote kippeneieren. “Dan koop ik bij iedereen wat.” Hij knikt goedkeurend en stopt zes grote eieren in een doosje. Het doosje kan niet dicht, zo groot zijn ze. “Ze hebben dubbele dooiers,” zegt hij verontschuldigend en doet er een elastiekje om. Ik zeg hem dat ik blij ben met dubbele dooiers vanwege de vitamine D die er in zit. Dat heb ik pas nog uitgezocht. “Dan kan je dat nu meteen toepassen!”  Hij lacht tevreden.
Ik vertel hem over mijn huisje op wielen en mijn reisproject. De kaasboer luistert geïnteresseerd. “In de lente vertrek ik. Ik kom graag bij jullie langs als het mag!” zeg ik opgewekt. Hij geeft me hun folder en zegt dat ik van harte welkom ben. Ik zie een oude boerderij afgebeeld, tussen bomen en bloemen. In het verhaaltje lees ik dat de boerderij naast een meer ligt met een eeuwenoud weiland ertussenin, dat de grootste kolonie grutto’s kent van heel Europa. Dat wil ik zien!

Op de markt vinden de mensen elkaar. Dat is al een eeuwigheid zo. Ook nu nog en dit is een moment om het opnieuw te ontdekken. De route rolt al voor me uit. Het wordt almaar echter. De boerenmarkt als wegwijzer, dat onthoud ik.

 

Klik hier voor de website van het Marlanner Kaashuis

Ik ga, waar ik het land versta

.

.

Het is weer een winderige dag. Af en toe schijnt de zon even door de sluierwolken door. Ik sta voor het raam en geniet van het licht met mijn ogen half dicht. Er klinkt vriendelijke muziek door mijn luidsprekers, muziek als een glooiend landschap in de zomerzon. Glimlachend doe ik mijn ogen open, terwijl ik mijn blik over het weiland laat gaan.

Meeuwen stampend in het natte gras
op jacht naar regenwormen.
Drie kraaien wassend in een plas
spatterend met hun vleugels.

Dat is wat ik nu zie. En ook mijn buurvrouw zie ik, die ontspannen in haar zwarte zomerjurkje door de koude wind loopt en haar voeten wast in de diepe plas bij de schuurdeur. Ook dat is een moment, een ogenblik in de lange film van een beweeglijk leven.
De muziek is afgelopen. Ik hoor de stem van Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij praat over de muziek van zojuist. Het gaat over de inspiratiebron van de componist.

Heerlijk, op een muilezeltje door Italië trekken.
Trekt me niet zo aan eigenlijk.
Veel te langzaam natuurlijk.

Dat zegt hij. En hij praat over musici, die door het landschap reisden en zich onderweg lieten inspireren door wat ze zagen. Precies wat mij ook zo trekt. Maar die laatste opmerking snap ik niet. Te langzaam? Ik wil juist stapvoets gaan, dat lijkt me prachtig.
Ik aarzel geen moment en typ een kort gedichtje uit, dat ik meteen naar hem opstuur.

Wat hoor ik nou?
Zeg dat eens nog een keer?
Ik geloof het voor geen meter
Langzaam gaande zie ik meer
Heel veel meer!

PS Ik vertrek in de lente.

Niet veel later hoor ik mijn naam noemen op de radio. De mij zo bekende presentator zegt dat ik een boze luisteraar ben en leest mijn gedichtje voor. Daarna vertelt hij dat ik van plan ben in de lente te vertrekken, in een huifkar, op weg naar Roemenië. Ik lach uitbundig. Haha, ik ben helemaal niet boos en ik ga helemaal niet naar Roemenië. Dat was ik zeven jaar geleden van plan, maar nu niet meer. Kennelijk heeft het veel indruk gemaakt. Het verhaal dat ik daarheen ben, zoemt nog steeds rond, dat heb ik wel vaker gemerkt. Ik hoop niet dat er veel bekenden luisteren die nu opnieuw denken dat ik naar Roemenië ga. Ik stuur meteen een berichtje terug.

Ik ga niet naar Roemenië. Ik blijf in Nederland!

Het antwoord volgt snel. Hij zal het niet meer vergeten. Mooi zo, denk ik tevreden. Ik kijk nog een paar keer naar mijn mailbox. Er komen geen verbaasde berichten binnen, niemand heeft het gehoord. Of misschien denken mijn lezers wel: “Die vent weet er helemaal niks van! Wij weten wel beter.”
Gelukkig maar. Want voorlopig ben ik hier en het lijkt me hartstikke leuk om mensen te ontmoeten, bekenden en onbekenden. Inspiratie komt in eerste plaats van de plek waar je bent, waar je voeten hun afdruk maken in de aarde, waar mensen je begrijpen, waar de echo van je woorden wordt weerkaatst, maar dan net een beetje anders dan je het zei, de plek waar je spiegelbeeld in het water rimpelt en waar de man op de radio je antwoord geeft. Daar begint het toch…. Is het niet?

Ik ga, waar ik het land versta.

.

Klik hier voor de link naar het programma “Passaggio” van radio 4, elke werkdag om 19.00 te beluisteren of via Uitzending gemist.

.

 

Prinsessetrein

.

.

“Het wordt een treintje,” zeg ik tegen de vogelspotter, die vaak naar Frijlân komt om foto’s te maken. We staan bij mijn nieuwe bagagewagen, die straks achter de woonwagen aan komt te hangen. Het is een blauwe. Ik heb hem zojuist opgehaald met buurvrouw Anna. Hij heeft een deksel dat aan beide kanten schuin afloopt en hij is maar een dikke meter breed. “Kan die mover dat allemaal trekken??” vraagt hij met grote ogen. Ik knik vol vertrouwen. Tegelijkertijd klinkt achter ons een vogelkreet. “O wacht, dat kan een kiekendief zijn. Even een foto nemen.” Hij draait zich om en kiekt de vogel die hoog in de lucht vliegt. Daarna neemt hij rustig de tijd om te kijken wat hij geschoten heeft. Ik wacht. Even later stopt hij zijn camera weer weg en richt zijn blik weer op mij.
“Ja hoor, hij kan het makkelijk trekken. Ik kan zelfs in mijn eentje de woonwagen in beweging brengen. Hoewel hij 1500 kilo weegt, rolt hij makkelijk en licht.” Zijn bezorgde blik wordt nu vrolijk. “Dat moet wel lukken!”

Ik zie het al voor me. Daar loop ik, in mijn strakke rode prinsessenjurkje en mijn rode hoed met de veer. Ik trek de wagen, met de rode mover vlak achter me. Anderen hebben grote dieselslurpende trekkers voor hun wagens, die veel herrie maken. Een enkeling heeft een paard ervoor, of een ezel. Maar ik heb alleen een glimmend rood bakkie, dat volkomen geruisloos is en 3500 kilo kan trekken. Het is iets ongekends. Een mens die een treintje voortrekt, bestaande uit een woonwagen, een bagagewagen en een fietskarretje. En het is nog wel een vrouw! Hoe komt een vrouw daar nou aan? In mijn sjieke verschijning zal men allerminst de gedachte hebben dat ik mijn tiny tiny house zelf heb gebouwd. Maar ja, een sjieke dame die een treintje achter zich aan trekt, dat hebben ze ook nooit gezien. En als dat mogelijk is, dan is alles mogelijk, nietwaar ?

 

Die gedachte hoop ik wakker te maken,
alleen maar door te zijn,
door te gaan,
door het wonder van het bestaan
iets los te toveren bij de passant,
die mij voorbij ziet gaan.

Dat het ene wonder
het andere wonder doet ontluiken.
Dat is hopelijk mijn kracht.
Het is geen loodzwaar doel of ideaal.
maar juist klein en heel dichtbij
ik kan het bijna ruiken

 

 

.

 

Snotterig maar goed gestemd

.

.

Hartstikke verkouden ben ik. Slap als een washandje hang ik op de bank, terwijl de oostenwind hard tegen de voordeur blaast. Het doek dat ervoor hangt beweegt zachtjes in de tocht. Ondanks mijn gesnotter, geniet van het gedachteloze zijn. Tevreden drink ik een slok van mijn verse kruidenthee. Ik geef me over aan het geluid van de wind en mijn lichaam dat zich los heeft gemaakt de drukke buitenwereld.

Het begint bij een slechte weerstand. De symptomen zijn duidelijk. De afgelopen tijd kon ik voor me uit staren zonder iets te zien. Kon ik bij mezelf denken, waarom doe ik dit allemaal en waar leidt het toe? Loop ik daar straks in mijn eentje door het land, wat een lol, haha. Mijn haar hing even futloos langs mijn hoofd als ik me voelde.
“Kom op,” probeerde ik mezelf op te peppen, “ Het zijn toch mooie vooruitzichten!” “Ach,” zei een sombere stem vanuit een stoffig hoekje van mijn geest, “Er zit toch niemand op me te wachten.”

Die somberheid verdween als sneeuw voor de zon, toen ik een uitnodiging kreeg van een bloglezer. Als ik op pad zou gaan, zou ik onderweg best een paar weken in hun weitje mogen staan, aan het water. Een golf van blijdschap en vertrouwen spoelde alle naargeestigheid weg, sneller dan welke zuiveringsthee dat ook kon doen. En er kwam nog meer. Pal daarop kreeg ik een afbeelding van een prachtig schilderij toegestuurd. Ik wist meteen van wie het was. Het was van die jonge vrouw met die zwarte krullen, die met glimmende ogen zat te luisteren, die ene magische avond dat ik het verhaal vertelde, bij de drie vuren. Ze was erdoor geïnspireerd geraakt en dit was het resultaat. Ik was ademloos. Wat een zegeningen.

Dit zijn geweldige cadeaus. Maar er is nog iets, wat me goed gestemd kan maken, iets waar ik zelf voor kan zorgen. Dat ontdek opnieuw, nu ik snotterig op de bank lig. Het draait doodsimpel om goede voeding. En in mijn geval, nu op dit moment: extra vitamine D. Elke keer word ik verrast door het effect ervan. Zodra ik eieren, boter en kaas toevoeg in mijn menu, voel ik me helderder, kan ik al het muffe stof naar buiten vegen. En als je dan weer buiten loopt en de lage herfstzon op je gezicht schijnt, dan lacht het leven je weer toe. Soms is het leven niet zo moeilijk!

We vergeten het vaak in de drukte van de dag, hoe belangrijk voedzaam en smaakvol voedsel is en het genieten van wat is. En hoe we eigenlijk gemaakt zijn voor beweging en ritme in ons lijf en om buiten te zijn. We zijn nog altijd etende en poepende Aardbewoners, kleine mensjes onder de wijde hemel. Hoeveel er ook in onze kop omgaat en hoeveel er ook verandert.

.

PS Betreft de vitamine D: Er zijn ook vitaminepillen zonder rotzooi er in. Ik slik een pil zodra mijn energie sterk afneemt en dit is naarmate de winterse duisternis toeneemt. Het helpt bij mij onmiddellijk.

Met de hartelijke groet aan Bernadette, die het nu zonder man moet stellen, nu hij voor een half jaar naar Afrika vertrekt, voor het project “Fit for learning”.  Dapper allebei!

.

.

https://sofiaesmeralda.files.wordpress.com/2018/11/img_9011.jpg?w=300&h=225

https://sofiaesmeralda.me/

 

.

Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.

De aantrekkingskracht van eenmalige magie

.

.

Iemand kwam eens naar mijn huisje kijken. “Deze woonwagen heeft iets magnetisch. Het wordt een plek van communicatie..” merkte hij op, helder en bedachtzaam. Op dat moment waren we met zijn tweeën. Na een dag als vandaag denk ik daar aan terug.

,

Ik sta achter mijn glazen windscherm en kijk over het veld naar de boerderij. De didgeridoospeler die net bij me was, loopt terug naar de feestende menigte. Bij de boerderij brandt een vuur en er lopen mensen. Ik zie het van uit de verte, ik zie hoe hij met zijn vrouw bij het vuur gaat staan. Zo juist hebben we getest hoe het klonk, de diepe bas van het instrument, terwijl ik spreek. Hij gaat het verhaal begeleiden dat ik zodadelijk ga vertellen. Af en toe zal hij een zachte ondertoon te laten horen als achtergrond. We hebben niet geoefend, dus ik heb geen idee op welke momenten hij invalt. Ik vind het wel spannend.
Vastbesloten om er iets moois van te maken, kniel ik bij het vuur en leg het hout er op. De snel in elkaar getimmerde bankjes staan er in een halve boog omheen. Ik kan zeker dertig mensen ontvangen.

Ik componeerde een verhaal voor Samhain, het feest wat we nu vieren en waarop we terugkijken en ons bezinnen. Wat kunnen we oogsten en wat laten we los? Vroeger geloofde men dat dit de tijd was, waarin de levenden en de doden het dichts bij elkaar zijn. Niet voor niets hebben de Christenen er Allerzielen en Allerheiligen van gemaakt en de Amerikanen Halloween.
Het inspireerde mij. Ik dacht, wat heeft het Friese volk in het verleden zodanig geraakt, dat het nog lang rond bleef spoken? Ik ging op zoek naar een trauma in de geschiedenis. Iets wat ongelooflijke impact moet hebben gehad. Ik vond de oorlog bij de Middelsee in 734, de dag dat de Franken binnenvielen met een enorme vloot, de dag dat het Friese volk niet alleen zijn onafhankelijkheid kwijt raakte, maar ook alles waar ze tot nog toe in geloofden, hun god Wralda en hun godin Fostare, hun priesteressen, hun rechtsysteem brokkelde af, met de Lexion Frisia, hun dagelijkse gewoonten. Alles wat ze al eeuwen en eeuwen lang kenden, er bleef niets meer van over dan een rokende ruïne.

Ik wilde het helemaal voor me kunnen zien, en terwijl ik meer en meer ontdekte over die tijd, ontspon zich in snel tempo een verhaal, dat begint op de plek waar ik nu ben, maar dan in 2060. Ik ben Beitske. In haar dromen keert Beitske terug naar het oude Friesland, in de gedaante van een uil.

Ik spreek de laatste zinnen uit van het verhaal. Het einde is hoopvol en hartverwarmend. Ik zie stralende ogen en in de hoek zit een man die bij elk woord heel wijs knikt, alsof hij alles wat ik zeg wil bevestigen. Na de laatste woorden is het stil. Iedereen kijkt me aan, alsof ze nog iets van mij verwachten. Ik geef een nawoord, ik vraag of ik de mensen mee heb kunnen nemen, een andere tijd in. Ja, knikken er velen, ja!
Ik ben blij. We kijken naar de sterrenhemel boven ons. Die is zo mooi, dat hebben we al vele nachten niet meer gezien.

En nu is het voorbij. Het verhaal is verteld. Het duurde iets meer dan een half uur, maar het lijkt of we veel langer zijn weggeweest. Ik heb het niet opgeschreven. Het is wat het is en het was wat het was. Het is een vertelling die nu alleen nog bestaat in de herinnering. Ik denk ook niet dat ik het nog een keer vertel. In deze tijd waar alles eindeloos herhaald kan worden op talloze manieren geef ik mijn verhaal de magie van de eenmaligheid. Ik wil passanten duidelijk maken, het gebeurt nu! Wees erbij of niet. Daar heb je dan vast een goede reden voor. Maar wees je bewust van de pareltjes die opbloeien op de plek waar je bent. Dat is wat ik wil zeggen. Het liefst zou ik zien dat, net als in Ierland in de kroeg, elk verhaal of lied alle aandacht zou krijgen, wie het ook zingt of vertelt, volledige, oprechte aandacht.

Dus deze gedachte neem ik straks mee op mijn reis. Elke plek heeft zijn eigen verhaal en ik hoop dat ik het mag vertellen, misschien wel samen met anderen. Het is wat het is. Als ik weer vertrek laat ik het verhaal achter. Want daar heeft het zijn wortels. Elke plek is uniek, elk mens is uniek. En het moment is eeuwig en altijd nieuw.

.

.

.

 

Een mooie dag voor zandkastelen

.

.

.

Een waterige wind blaast ijskoud om de oren. Ik ben weer thuis. Het lijkt het een eeuwigheid terug, dat ik op het strand liep.  En het is nog niet eens een week geleden! Wat een mooie ontmoetingen had ik daar. Ik denk er met plezier aan terug.

.

Het lijkt net alsof het vandaag een dag ervoor is, een speciale dag om op het strand mooie dingen te maken. Misschien is het vanwege het weer, het is zo warm en bijna windstil, terwijl het al een maand herfst is. Met mijn stevige wandelschoenen loop ik door het mulle zand. Dan zie ik ze, ver en veilig boven de vloedlijn.
De eerste kastelen zijn klein en speels en slordig. Ik ga ernaast zitten op mijn hurken en zie afdrukken van kleine handen in het zand. Het zand is droog, het heeft al lang niet meer geregend. Ik ga op mijn buik ernaast liggen en kijk nog eens, vanuit het perspectief van een kuikentje. Nu lijken het net echte torens, die afsteken tegen de horizon.

.

.

.

.

Ik sta op en loop verder. Daar staat nog een kasteel met echte kantelen, gevormd uit hoekige schelpen. Er zijn twee cirkelvormige slotgrachten, die er als gladde ringdijken omheen liggen. Ik zie bruggen en poorten, afgewerkt met zwaardschedes, lange bruine schelpen die vandaag met massa’s op het strand liggen. Het bouwsel is zo strak afgewerkt, dat een klein gezin er vol bewondering naar staat te kijken. Hun zoontje gaat op zijn hurken naast het kasteel zitten en prikt rondjes in de buitenste slotwal, met een stokje. Maar zijn ouders lopen alweer verder, in gesprek, zonder om te kijken. “Vergeet je zoon niet!” roep ik ze na. “O ja, die hebben we ook nog,” mompelt de vrouw. Het joch staat op en rent ze achterna.

.

.

 

.

.

Ik heb nog maar een klein stukje gelopen, of ik zie een heel dorp uit zand oprijzen, met een gigantische dijk erom heen. Vader bouwt aan de dijk. Die is zo hoog, dat hij tot boven zijn knieën komt en hij is bijna twee keer zo hoog als de huizen in het dorp dat er naast ligt. De zoon werkt aan de infrastructuur, en maakt bruggen en sluizen in de rivier, die langs het dorp loopt. Ik zie een kronkelige geul en de sluis is gemaakt van dezelfde langwerpige schelpen als bij het vorige kasteel.
Ik kijk naar de werkende man. Hij heeft een mal gevuld met zand. Die heeft hij nou op zijn kop gezet en hij staat er op te springen. Dan haalt hij hem eraf. De dijk is nu nog langer. Alleen de overgang naar het nieuwe stuk is een beetje rul geworden. Gefascineerd kijk ik toe. “Heb je ervaring als bouwer?” vraag ik. Hij kijkt me heel even aan, om dan geconcentreerd verder te werken..

.

.

.

.

“Ik bouw normaal gesproken niet met zand. Ik ben meubelmaker.” Hij strijkt de bovenkant glad met een stuk hout. “Ik ben een creator. Ik moet iets te doen hebben. Dat wandelen is wel even leuk, maar ik doe veel liever dit.”
Terwijl ik met hem praat, is zijn zoon in het hele kleine tentje gedoken, dat erbij staat. Er staat een hond naast. “Ooo, hij zit stiekem te snoepen. Dat ruikt ie!” Zijn vader grinnikt.

Als ik me eindelijk losruk van dit creatieve gezelschap vraag ik zijn naam. “Ik heet Coen,” zegt hij. “Met een C.” Ik groet hem ten afscheid. Terwijl ik wegloop komt zoonlief het tentje uit. Hij zwaait naar me. Ik wuif terug en loop verder, met mijn stevige wandelschoenen door het mulle zand.

.

.

.

.

De oude man en een zingend meisje

.

.

Lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee omhoog,
hoog in de wolken wil ik wezen
hoog in de wolken wil ik zijn
lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee

.

De zon staat laag boven de Waddenzee. Aan de horizon ligt een streep land, die de blauwe lucht van het water scheidt. De rode vuurtoren steekt fier de hemel in. Het is het eiland Schiermonnikoog. Ik sta op het bovendek van de veerboot en laat mijn oog gaan over de contouren. Wat lijkt het kwetsbaar, die smalle streep land, met al dat water er voor. Dit schitterend stuk land kan zomaar van vorm veranderen. Ik denk dat dit de magie is, voor mij. Daarom word ik er zo door aangetrokken. Hier is de natuur ongerept en er wordt zo min mogelijk ingegrepen. Wat er ook gebeurt.

Het is druk op de boot, want het is herfstvakantie. Opa’s en oma’s, moeders en vaders met kinderen komen het dek oplopen, om even weg te zijn uit de warme verblijfsruimte en de zee te zien. Zeemeeuwen vliegen over de boot heen en weer. Een klein meisje houdt de hand vast van haar moeder. Ze kijkt omhoog, naar één van de grote witte vogels boven haar. Haar ogen stralen als een kleine engel en dan opeens, dan zingt ze. Ze zingt over de zeemeeuw die zijn vleugels spreidt en naar de wolken vliegt. Ik kijk naar haar. Die ogen staan voorgoed in mijn geheugen geprent. Ik weet het.

Er is nog een gezicht dat ik nooit vergeet. Een gezicht dat alles te maken heeft met het eiland. Het is het gezicht van de oude eigenaar van het beroemde Hotel Van Der Werff. Altijd was hij daar, met zijn hangende schouders en lichtelijk gebogen rug. Ingetogen nam hij de wereld in zich op, altijd gekleed in een sjofel blauw pak.
Het hotel is nog altijd wat het was, de kroonluchters, de bruine wanden en eenvoudige houten tafels, de schilderijen aan de muur. Het lijkt alsof de tijd er stil staat.

Ik loop naar binnen en ga aan een tafel zitten bij het raam.  Achter de toog staat nu geen oude man meer, maar wel een jongen, rustig kijkt hij om zich heen, recht van lijf en leden, keurig in blauw pak gestoken. Zachtjes praat hij met twee meisjes. Eén van de meisjes komt naar me toe. Ik bestel een kopje filterkoffie voor een euro, met appeltaart van het eiland.

Ik geniet met volle teugen hoe alles is zoals het is en neem een slok van mijn koffie. Het venster waar ik achter zit, lijkt wel een oeroude lijst. Het schilderij dat het omvat blijft altijd in beweging, met kleuren die nooit verbleken. Vlak achter het raam zie ik wandelaars voorbij gaan en fietsers. En dan, achter op de huurfiets van haar moeder, zie ik tot mijn verrassing het meisje van de boot voorbij komen. Ze kijkt naar mij. Ik zwaai naar haar en ze zwaait terug. Haar lange donkerblonde haar wappert in de wind.

.

 

De handen van mijn moeder

.

.

Alles beweegt. Wat ooit vol was, is nu leeg. Huizen zijn gesloopt, bloementuinen omgespit over overwoekerd. Kruideniers zijn verdwenen, oude bomen gekapt en vervangen door jonge. Kasten zijn leeg geruimd, huiskamers ontspuld. Maar iets in die stromen van tijd en materie, is nog steeds zoals het is.
De kamer waar ik sliep, samen met mijn zusje.
.
Ik ben weer terug in mijn ouderlijk huis. Het is ochtend en ik ben net wakker. Vanuit mijn bed kijk ik naar het hare, een ombouwbed, de planken erboven krom gezakt door het gewicht van jaren. Al vijfenveertig jaar woont daar, op de bovenste plank, een kleine gemeenschap van poppen, poppen van mijn zusje en mij.Het stof is keurig afgenomen, maar de poppen liggen achteloos door elkaar en lachen me niet meer toe. Ik mis iets. Het is de hand van mijn moeder. Ik stap uit bed, pak ze één voor één en geef ze een nieuwe plek. De grote pop met een kleine op schoot, de kikker bij de andere kikker. Door de schemering van tijd zie ik haar handen bezig, zoals de mijne nu en een speelse glimlach op haar gezicht, mijn moeder, zoals ze was.
.
Het is een bijzondere plek. Nu mijn vader bijna negentig wordt, besef ik steeds meer de tijdelijkheid van dit alles. Ik hoop dat er meer plekken zijn zoals deze, waar alles jaar na jaar mag zijn wat het is, vergeten verhalen, scheef zakkend tot een bekende hand het aanraakt, zich herinnert en terugkerende ogen het steeds opnieuw ontdekken. Zacht gloeit het stilleven, als in een eeuwigheid.

.

.

 

Uitnodiging:

Van 28 oktober tot 1 november exposeer ik met de beste tekeningen uit mijn blog in de boerderij van Frijlan, Boksumerdijk 5, Leeuwarden. Je bent welkom van 14.00 tot 17.00!

.

 

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.