Afkicken van de smartphone, de bank

De duurzame Triodosbank lift mee op een niet duurzame trend. (Maar verder is het een goeie bank.)

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Als je terug wilt naar de eenvoud, zwem je dikwijls tegen de stroom in. Niet alleen door een klein maar goed overdacht huisje te bewonen of geen auto te hebben of nooit verre reizen te maken. Het zit hem niet alleen in het kopen van zo min mogelijk spullen en nieuwe kleding. Al die dingen horen vanzelfsprekend bij mijn leven en daar schrijf ik over. Maar het blijft ook een onderzoek naar wat wel en niet van belang is, want ik leef ten slotte in een wereld die er anders mee omgaat dan ik. Er zijn mensen die zeggen duurzaam bezig te zijn, maar daar een andere visie op hebben. Het gaat dit keer om de smartphone en de bank.
Nu heb ik op dit moment een telefoon die tien jaar oud is, hij heeft een kleine batterij die snel vol is. De vorige telefoon is op raadselachtige wijze verdwenen, en ligt waarschijnlijk ergens in een sloot of kapotgereden in een berm. Het moderne leven vraagt steeds meer om het constante gebruik van een smartphone, waardoor de kans op dit soort ongelukken ook steeds groter wordt. Het ding trekt aan je, vraagt constant aandacht, en blijft als een magneet naar je hand toetrekken. Op de raarste momenten neem je hem mee, terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wil of hoeft. Toch kan je niet zonder smartphone in deze maatschappij. Mijn vorige is dus op de motorkap van een auto terechtgekomen en spoorloos verdwenen. Toen zat ik weer zonder en ik wilde mijn gebruik drastisch verminderen en het ding ook niet meer meenemen bij alles wat ik doe. Dus nam ik de gift van mijn buurvrouw aan, een oude smartphone van 2016, die al een jaar in de la lag. Het mankement was voor haar het kleine geheugen. Geen probleem voor mij, eigenlijk juist handig, die verplichting om te kiezen. Ik zette een heleboel apps uit, wiste de geschiedenis van chats, gooide er een hoop foto’s af en toen was het goed te doen. Ik heb geen Facebook of Instagram meer. En ook geen app van de bank, want dat is net precies teveel. Dus nu gebruik ik de identifiër voor betalingen.
Online bankieren met een identifiër is meer gedoe dan overmaken met de app. Er komen heel wat wachtwoorden aan te pas, en soms heb je zelfs nog een extra code nodig om de rekening te kunnen bekijken die je als bijlage in je mailbox krijgt. Alles is erop gericht om gelijk op die ene knop te drukken: Betalen. Dan gaat alles vanzelf. Althans, dat lijkt zo, want wat er precies gebeurt, daar heb ik geen inzicht in. Hoe minder je nadenkt, hoe makkelijker het gaat.
Maar terwijl alles vanzelf gaat, worden we steeds afhankelijker van de smartphone. Juist! Alles gaat zo vanzelf dat we steeds meer naar ons toe laten komen, zonder te hoeven kiezen. Ook staan we er niet meer bij stil hoe ontzettend kostbaar het apparaat eigenlijk is, en wat er aan grondstoffen aan te pas komt. Niet alleen kost het veel energie om elke keer weer grotere smartphones te maken. Ook zijn het kobalt lithium batterijen die erin zitten. Lithiumwinning waardoor grote gebieden verzilten en uitdrogen. Kobalt waarvoor kinderen de mijnen in gaan. Ook goud zit er in de telefoon, wat hele gebieden vergiftigt met chemicaliën, terwijl de winning gepaard gaat met illegaliteit en inheemse mensen worden lastig gevallen door gewelddadigheden en verkrachting. Daar sta je niet bij stil als je je telefoon afdankt en hij in de la komt te liggen. Alleen al in Nederland ligt voor 35 miljoen aan goud in de lades. En elke keer komt er weer een nieuwe telefoon. Er wordt nu onderzoek gedaan naar siliciumkoolstof om de batterijen extra lang mee te laten gaan. Maar dat is slecht afbreekbaar.
Hoe je het wendt of keert, het blijft een belasting voor de aarde, al die telefoons. Ik wil dus niet weer een nieuwe en doe het met dit oude ding van mijn buurvrouw. Nu neem ik een keer per week rustig de tijd om de nodige betalingen te doen op ouderwetse manier, op de laptop en met een identifiër. Dat heeft voordelen. Je bent geconcentreerder. Het zorgt er ook voor dat je minder geld uitgeeft, omdat je er meer voor moet doen. Je kijkt vaker naar de stand van zaken, op je bankrekening.
Maar de Triodosbank is het er niet mee eens. Elke keer krijg ik medewerkers die mij fanatiek van de identifiër af willen helpen. Maar die doet het nog prima. Toch heb ik op een dag even hulp nodig, omdat er iets vast loopt. “Ik zal hem even verversen” zegt de jongen, en dan: “O, ik zie dat uw identifiër al tien jaar oud is! Dat valt me mee.” Toch probeert hij me over te halen om de app te downloaden. Hij zegt dat dat minder energie kost, want al die identifiërs zijn kastjes met elektronica die worden weggegoooid.
Okee, dat is zo. Maar als je ze donker en koel bewaard gaan ze lang mee. Langer dan de gemiddelde smartphone, die overal mee naartoe wordt gesleept, en waar nog veel meer electronica en zeldzame metalen in zitten. Moet ik nu een nieuwe telefoon kopen met grotere geheugencapaciteit om de bank te behagen? Hoe berekenen zij eigenlijk of iets goed is voor het milieu en een kleiner energiegebruik heeft? Kennelijk rekenen zij alleen hun deel. Maar er blijft een megagrote blinde vlek, en dat is het consumentengebruik, de talloze telefoons die verdwijnen, in lades blijven liggen, het steeds makkelijker aankopen van een nieuwe. “Tegenwoordig heeft toch iedereen een smartphone”, is de aanname. Daarmee lift de duurzame bank mee op een niet duurzame trend. En dan heb ik nog niet eens het mentale deel meegerekend, de verslaving, de onrust, het slechter kunnen slapen.

Zolang als mijn identifiër het doet gebruik ik hem. En hoe het daarna moet weet ik niet. Ik denk dat ik dan maar eens uitgebreid ga corresponderen met de Triodosbank. Het leven is een stuk makkelijker als je niet hoeft na te denken. Maar de rekening komt later. Ik wil geen onheilsprofeet zijn, maar eerlijk is eerlijk.

.

.

Behoud het stille eiland

Terug op Schiermonnikoog wandel ik door het landschap en voel hoe bijzonder het is. Dit zou de minister eens moeten ervaren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Terug op het eiland. Het is me vertrouwd, de veerboot, de pier, de weg naar de kampeerboerderij en het dorp. Ik ben niet de enige die van het waddeneiland houdt. Schiermonnikoog wordt zelfs in januari goed bezocht door zijn trouwste gasten. Al is het maar een dag of een weekend, de noorderlingen weten de weg te vinden. Het is een dag uit duizenden. Vanaf vanmorgen schijnt de zon in een uitgestrekte blauwe hemel. De laatste sluierwolken zijn verdwenen. Vanochtend bezocht ik het uitgestrekte strand, het geluid van de kleine golven hoorde ik pas na een kilometer lopen, zo ver was de zee. Over het zand lag een klein laagje water, dat glinsterde in de zon. Het maakte mijn voetstappen licht. Met schoenen aan kon ik er doorheen lopen zonder dat mijn sokken nat werden. Na honderden meters lag het zand weer hoger, en vormden zich kleine duinen, als een lang schiereiland, dat evenwijdig aan het eiland ligt. Er was geen mens te zien, het was nog vroeg. Daarna heb ik een middagdutje gedaan en nu bezoek ik de Kobbeduinen. De zon staat al laag aan de hemel, maar het is nog steeds niet koud. Er is geen zuchtje wind en als ik mijn ogen dicht doe om te luisteren, hoor ik geen enkele auto, geen vliegtuig, niets van menselijke oorsprong. Wel hoor ik wulpen, scholeksters en ganzen. Er is een houtduif die roept in de bosjes. Alsof het lente is. Het gras onder mijn voeten is gemilimeterd. Het is niet alleen maar gras, het is ook fluitekruid dat zo kort is begraasd, dat het een onherkenbaar tapijt is geworden van allemaal miniscule blaadjes. Hier lopen de koeien in de zomer en nu zijn het de duizenden ganzen die hier het gras kort houden. In de verte zie ik ook een fazant pikken. Hij verdwijnt tussen de lange halmen als ik dichterbij kom. Ik passeer een man en een vrouw die minutenlang doodstil naar de zonsondergang staan te kijken. Ze groeten met een knikje. Een wandelaarster in de verte loopt stevig op. Ze is in het groen gekleed als een boswachter. Net als ik. Dan ben ik weer alleen. De zon zakt lager en lager. De dieren zoeken hun slaapplaatsen op en ik loop terug. Zie hoe de ganzen gewoon gras eten op deze plek, zonder te worden verdreven. Slapen op de plek waar ze zijn zonder bed of slaapkamer. Geen douche, haardroger, deospray of Kellochs cornflakes of roze leggings die nooit gaan lubberen. Geen waterbestendige Pfas-jas, geen havermout of brood van Bakker Bolhuis. Gewoon gras eten ze en hun veren houden hen warm. Hier worden ze met rust gelaten. Hier kunnen de vogels zichzelf zijn zonder al te veel stress. Voor me ligt een uitgestrekte vlakte, kilometers lang waar op dit moment niemand is. In het broedseizoen broeden er talloze vogels, er zit zelfs een lepelaarkolonie. Hoe lang nog? Minister Sophie Hermans heeft vorig jaar gezegd, toen ze demissionair was, dat er stroomkabels worden gelegd om het windmolenpark op de Noordzee te verbinden met de Eemshaven.  Dwars door het eiland, omdat dat de kortste weg is en het snelste. Een andere optie is een tunnel naast het eiland, die dan ook voor andere kabels kan worden gebruikt in de toekomst. Maar zoals gewoonlijk wordt zo’n verstandige duurzame oplossing nauwelijks bekeken en de minister zegt dat het haar spijt, maar dat ze voet bij stuk houdt. Ik krijg subiet een hekel aan haar. Lekker makkelijk, zeggen dat het je spijt maar het toch gewoon doen. Ook de LTO heeft bezwaar aangetekend. De route loopt dwars door gevoelige landbouwgronden, het er is gevaar voor verzilting en verspreiding van plantenziektes. Het drainagesysteem kan beschadigd raken.Toch moet het, zeggen ze. De windmolens moeten er sowieso komen. Dat vindt iedereen. Linksom of rechtsom. Het windmolenpark is hard nodig. Waarom hebben we steeds meer en meer energie nodig, en lijkt er geen einde te zijn aan de menselijke behoefte? En waarom heeft het eiland geen eigen stem, die het opneemt voor de lepelaars en de zeewolfsmelk? De stilte wordt straks verstoord door drones die onderzoek moeten doen. Is er dan niets heilig meer? Het hele noorden is tegen. We willen dit niet, niet zó. Er is een route die veel beter is, en de aanleg duurt maar drie jaar langer. Ik hoop dat de regering tot bezinning komt, voordat de eerste drone in de lucht in gaat. Het is Unesco natuurgebied en als dit kortzichtige plan wordt doorgezet stappen de noordelijke overheden waarschijnlijk naar de rechter. Het laatste woord is nog niet gesproken.

Dat denk ik als ik allang weer thuis ben. Maar nu loop ik nog hier, in de stilte die er nu is en die we willen behouden en heb maar een enkele gedachte: Kon ik maar een wolk zijn, een gouden wolk in het licht van de ondergaande zon. In een stilte die heilig was.

.

Overleven of erbij neerleggen

Wat we van dieren kunnen leren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst..

Met mijn legerkistjes aan de voeten loop ik het Swettepaad af. Het is een grote open vlakte. Ik heb me warm aangekleed, een extra sjaal om mijn capuchon tegen de harde wind. Er zijn korte buien, hier en daar is de lucht lichter, maar nergens is hij blauw. Hagel slaat in mijn gezicht en ik trek mijn sjaal hoger op tot over mijn neus. Het doel is melk halen bij de melktap, drie kilometer verderop. Maar dat is slechts een excuus om de wereld te bekijken op een bijzondere dag als deze.
Ik kijk mijn ogen uit. Vooral in de sloten zie ik hele berglandschappen, overhellende taluten van sneeuw, soms met een scheur erin, soms afgebroken. Ik denk aan het boek van bergbeklimmer Joe Simpson, “Over de rand”. Hoe hij tijdens het beklimmen van de Siula Grande over de rand viel, terwijl zijn maat verder liep omdat hij dacht dat hij wel dood moest zijn. Dat was hij niet. Van de holtes en scheuren waarin hij terecht kwam is dit een minitiatuur. Gebiologeerd loop ik verder. Het is mooi en wreed.

.

.

Voor wie de tijd dringt dat zijn de dieren. Ganzen blijven maar rondvliegen, volkomen in de war, lijkt het. Oud en nieuw heeft ze opgeschrikt van hun vertrouwde weilanden en daarna kwam de sneeuw. Ik zie hele groepen voorbijgaan, soms naar het zuiden, dan weer naar het westen of het noorden. Een keer zag ik ze neerstrijken, onwennig om zich heen kijkend, maar gelijk daarna waren ze alweer verdwenen. Ze zullen ondertussen wel erg moe en hongerig zijn na die stress en al dat vliegen en zoeken in de koude harde wind.
Als de huizen langs de Hegedyk niet ver meer zijn zie ik iets zwarts op het smeltende ijs van de sloot. Als ik dichterbij kom herken ik een jonge rat. Zijn ogen staan angstig als hij me ziet, hij probeert weg te komen maar zijn pootjes vinden geen houvast in de gladde drab van het halfgesmolten ijs. Ik ga zitten op de schuine sloothelling, voel eerst waar het water begint onder de sneeuw, zet dan mijn voet neer op het laatste stukje oever. Dan strek ik mijn arm uit, ik kan hem zo pakken. Zijn kleine lijf staat strak van de spanning, maar is lekker warm. Even speel ik met het idee om er een tamme rat van te maken. Heel even maar. Dan zet ik hem toch maar neer, op een droge plek onder een hek. Als ik een uur later terug kom is hij dood. Wat moet een jonge rat ook in zijn eentje in dit koude desolate landschap. Daar is geen lol aan.

.

Soms help ik de muizen.


De muizen hebben van de sneeuw niet zoveel last. Ik zie sleuven en gangetjes in de sneeuw die op het pad ligt. Ze graven zich een weg van het riet aan de ene kant, naar het gras dat aan de andere kant van de weg groeit. Ik denk dat ze slapen in de droge rietpollen en elke dag gras eten aan de overkant. Klein als ze zijn kunnen ze daar makkelijk onder de sneeuw doorlopen, tussen de pollen is ruimte genoeg voor muizen en onder het sneeuwdak kunnen ze ongezien knabbelen. Er zijn allerlei muizen. Veldmuizen, spitsmuizen, die beschermd zijn.  Ik zie ook vaak kleine zwarte. Nee, sneeuw is voor hen niet erg.
Als ik thuiskom sneeuwt het weer een hele tijd door. Het pak wordt dikker en dikker. Maar die nacht gaat het dooien, de regen tikt op mijn dak wanneer ik in de vroege ochtend wakker word. Ik denk aan de ganzen, die komen straks weer makkelijker aan hun voedsel. Ik denk aan de muizen. Als dat dikke pak sneeuw in een keer smelt komt al dat koude water eensklaps in hun holletjes. En misschien vriest het nog weer op ook. Dan krijgen ze het een stuk moeilijker. Maar ik denk ook aan de hommels die hun winterslaap doen. Het is te hopen dat hun slaapplaats wat droger ligt.

.

Een wat rommeliger paadje van henzelf

Sneeuw is mooi maar ook een verschrikking. Niet voor mij, in mijn warme huis. Maar wel voor andere schepselen. Ik neem de tijd zodat ik me kan inleven in alles wat mij omringt. Er is lijden maar ik zie ook: het is zoals het is. De dood is ook een bevrijding. Je legt je er letterlijk bij neer. Dieren kunnen dat heel goed, daar kunnen we een voorbeeld aan nemen. Het sneeuwlandschap brengt mij dit inzicht: een verhaal over leven en dood. Om mij heen zie ik andere zorgen. Mensen denken aan hun auto, hun warme jas, het pakketje dat niet aankomt of de geannuleerde vlucht naar hun vakantieland. Sommige toeristenlanden lopen inkomsten mis. We moeten sneeuwproof worden, overal tegen kunnen. Maar je kunt je er ook bij neerleggen, zoals de dieren dat doen. Het uiterste van je erbij neerleggen is sterven. De dood is heel gewoon, leren dieren mij. Ik zoek naar mensen die hetzelfde denken op dit moment, die nu filosoferen over overleven en de dood. Die zullen er vast zijn, maar ik vind tot nog toe niemand. Daarom dit verhaal. Een oeroud verhaal, dat steeds opnieuw verteld wil worden.

.

Klik hier om te luisteren.

Nieuwe rondes, nieuwe kansen

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Kerst is voorbij. En nu brengt mijn pa ons weg, mijn vriend Dick en ik. Wie heeft nou een pa van 96 die je wegbrengt, niemand toch? Meestal is het andersom. Kinderen brengen hun pa weg. En uiteindelijk naar zijn graf. We boffen dat hij er nog steeds is en dit doet. Dus daar zeg ik geen nee tegen en met een korte opmerking maak ik hem bewust van dit opmerkelijke feit. Ondertussen zijn we bijna bij de Swetteblom. We rijden over een weg die ik goed ken, maar die me toch volkomen vreemd is. Ik zie hem dagelijks van afstand maar nooit zat ik erop in een auto. Het is de Haak. De weg die niet zo lang geleden is gemaakt om het vele verkeer de ruimte te geven. De weg is plompverloren in het land gelegd, volgens bewoners. Er is protest aangetekend met een alternatief, maar dat hebben ze niet eens bekeken. Rijkswaterstaat, de provincie en de gemeente Leeuwarden legden het besluit bij twee ministers en die hebben getekend. In 2014 lag hij er. Die stomme weg. Maar wel razendsnel. We rijden rakelings langs een gehucht dat ik nog nooit gezien heb. De drukke verkeersweg loopt zowat in hun tuin en toch heeft de gemeente er geen geluidswal voorgezet. “Ze willen het uitzicht behouden,” zeg ik “Ze doen hier niet aan bosjes en geluidswallen.”Dat snapt mijn pa wel, best mooi al die kerktorentjes aan de horizon. “Maar wel heel lullig voor de bewoners.” zeg ik nog. Pa knikt bedachtzaam. Lang tijd om erover na te denken hebben we niet. Verrassend snel zijn we ineens op de weg naar Weidum en wordt het landschap ons vertrouwd en even later kunnen we thuis uitstappen.

Nu heb ik voor het eerst op die vervloekte weg gereden. Ik heb er tot nog toe alleen nog maar naar geluisterd en gekeken. Geruis in de verte dat soms dichtbij klinkt. De stroom van lichten in de nacht. Een natuurlijke geluidswal is wenselijk. Ook dorpelingen willen dat. Zouden we opnieuw een initiatief kunnen starten voor een strook bomen langs de weg? Inmiddels zijn er dingen veranderd. Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Er lag een weidevogelbeleid. Maar de weidevogels zijn er niet meer. De weg heeft ze weggejaagd. Er zijn sowieso nog maar een paar plekken in Friesland waar het goed gaat met de vogels. Dat vraagt om een nieuw beleid. Ondertussen klinkt de roep naar meer bomen steeds luider.

Soms zijn dingen jarenlang hetzelfde, is verandering nauwelijks mogelijk. Maar dan beginnen er zaken vast te lopen en moeten we breken met wat was. Hortend en stotend krijgen nieuwe mogelijkheden een kans. Op elke plek is dat weer anders. En ik ben vooral bezig met bomen en wat er onder groeit. Er zijn meer mensen bezig met bomen in deze streek en ik ontmoet ze. Binnenkort vindt hier een groenlunch plaats met MeerbomenNu. Het lijkt erop dat dingen gaan samenkomen. Het wordt tijd. En niet alleen hier. Overal broeit het en ontstaan nieuwe initiatieven. De tijdgeest leidt ons in de nieuwe stroom. We kunnen een nieuwe wind laten waaien. Laten groeien wat groeien wil, jeukende handen een bestemming geven en ’s avonds in slaap vallen bij het beeld van een landschap dat steeds levendiger wordt. Sommigen denken dat het te laat is. Uitsterving van soorten, klimaatverandering, alles zou niet meer te stoppen zijn. Maar zoals ik hier sta, met de rouwranden nog onder mijn nagels van het werk, voel ik hoop. Dat is wat aarde doet. Het maken van vuile vingers is werken aan hoop. Denk er niet alleen over na, je voelt het pas als je het ook doet. Voel de kluiten onder je klompen op weg naar het land, voel hoe ze breken. Voel de aarde in je handen. We zullen doorgaan met planten en zaaien. Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Op naar de nieuwe tijd.

Luister naar het liedje dat spontaan ontstond:

We zullen doorgaan, doorgaan
met jeukende handen
met haar op de tanden tot het komt
ha
tot het komt!

.