Zwarte Haan aan Zee, (een lange podcast extra)

.

 

Deze week ben ik in Zwarte Haan. Het is een gehucht dat vanwege zijn ligging heel bekend is. Ik sprak verschillende bewoners en onderzocht de verhalen die er leven. In mijn podcasts kan ik meer vertellen dan binnen de korte tekst van een blog.

Morgen eindigt mijn internetbundel en ik heb mijn nieuwe simkaart niet ontvangen met onbeperkt internet. Ik moet nog uitvinden waar ik WiFi kan vinden hier aan het einde van de wereld.

Ik hoop dat het lukt om zoals gewoonlijk woensdag mijn blog te publiceren, maar in elk geval krijgen jullie vandaag deze lange podcast cadeau, om alvast te beluisteren. Veel plezier!

.

 

 

Een zee van ongekende verhalen

.

 

.

Ondanks toenemende transparantie, groeit de vloed aan ongekende verhalen. Het vormt een ingewikkelde  berg spaghetti die blijft liggen op het strand en die almaar verder groeit. Elk ding dat ik koop of vind, vertelt me iets. Ik wil het weten! De feiten die ik bij nader onderzoek op mijn bord krijg, zijn niet mals. Het vraagt om aandacht en rust om er in te duiken en het te verwerken. Dat kan ik alleen opbrengen als ik eenvoudig leef.

.

Ik sta voor de stal. De ruimte waar de os en de koe in de winter staan, is nu gevuld met fietsen. Langs de muur, in het stof, staat een spade en een bezem. En erachter, onder een dekentje, staat mijn elektrische trekkertje, dat ik aan de hand mee kan voeren. Het is een mooi ding, waar ik straks mee de hort op ga met mijn Wandelhuisje. Maar toch is er iets. Er zit een bijsmaak aan. Elektrisch is beter voor het milieu, zeker als ik ze laad met eigen zonnepanelen. Maar ik heb wel twee zware gelaccu’s, met lood erin. Jakkes. Wat gebeurt daarmee als ze uiteindelijk waardeloos worden? Daar ben ik niet bij.

Accu’s met lood, mijnbouw voor grondstoffen in verre landen, ik kijk naar die dingen. Ik bestudeer het verhaal achter de spullen in mijn leven. Ik voel me net een arts die de ongezonde situatie bestudeert. Alleen als ik ernaar kijk, kan ik bedenken wat er aan te doen. Ik weiger om er depressief van te worden of om te gaan mopperen dat alles zo ingewikkeld is dat ik het ook niet meer weet. Ik ben niet verslaafd aan spullen. Ik kan dingen ook laten, als het moet. Liever iets te laten, dan rond te lopen met een rotverhaal, dat ver van mij plaatsvindt, maar waar ik rechtstreeks mee te maken heb. Ik doe wat ik kan.

Er zijn meer dingen waar ik niet bij ben, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen. Voor de energie in huis heb ik een andere accu, die ik zelf heb gekozen. Hoewel het volgens mij de minst slechte keus was, weet ik niet waar de grondstoffen vandaan komen. Ik heb uitgerekend dat mijn milieuvriendelijke lithiumaccu zeer waarschijnlijk wèl een dikke kilo kobalt bevat. Dat is een hoop! Hoeveel tijd kost het om een kilo kobalt te winnen? Wie heeft mijn kobalt in handen gehad? Was het een kindslaaf uit Congo? Ik weet het niet. Het zou kunnen dat zijn huid nog steeds geïrriteerd is en dat zijn longen pijn doen bij het ademen, door dag in dag uit in de mijnen te kruipen. Het kan zijn dat er voor de aanleg van de mijn mensen uit hun huizen zijn gezet. En dat ze nu ontheemd op onvruchtbare bodem staan, wachtend op de vervulling van loze beloften. Er is geen leefbaar bestaan voor teruggekomen. De mijnbouw plundert meer en meer land, en wat er overblijft is steeds minder. En dan is er nog de zee. Daar zit nog zes keer zoveel kobalt onder dan op land. Dat willen ze straks ook hebben. Ik kijk naar mijn mooie rooie trekding, dat daar stil in de stal staat. Ik kijk naar de zonnepanelen op mijn dak en de accu onder mijn bed. Ik denk aan de verhalen, die ik met mij meedraag, alleen al door een kilootje kobalt. En er is nog zoveel meer dan ik weet!

Zeer waarschijnlijk is mijn kilo kobalt getransporteerd naar China en daar, door wie dan ook, omgetoverd tot de accu. Ik ben er blij mee. O ja! Maar er zit toch een luchtje aan.

Ik leef eenvoudig. Dat is niet alleen voor mijn eigen rust en concentratie. Het is meer. Ik wil dat, wat ik gebruik, zoveel mogelijk van dichtbij halen. Wat ik mijn bezit noem, daar zit veel energie in. Energie van anderen die de tol betalen. Het zit ook in mijn laptop en in mijn mobiele telefoon en in veel meer. Maar ik doe mijn best. Het is een zoektocht en een avontuur, om een weg te slaan in de jungle van deze technologische tijd.

Mijn leven zal steeds eenvoudiger worden. En hoe meer mensen er meedoen, hoe makkelijker het gaat. Nu gebruik ik de computer om deze verhalen te schrijven. Maar in de toekomst heb ik dit medium misschien helemaal niet nodig. Ik zou een nieuwsbrief uit kunnen geven in plaats van een blog, ik zou een boek kunnen schrijven. En er zouden veel meer momenten zijn om elkaar te ontmoeten en om bij te praten in plaats van te chatten of te Whatsappen.
Ik zie was- en koelhuizen. Ik zie dorpstuinen, coöperaties en hereboeren die zorgen voor het landschap en het voedsel. Ik zie droogzolders. Ik zie leraren, studenten en ambachtslieden die je ter plekke tegenkomt, precies wanneer je ze nodig hebt.
Als meer mensen meedoen, wordt het steeds makkelijker om een andere weg in te slaan, letterlijk en figuurlijk. Er kunnen wegen en rustpunten worden aangelegd voor trekdieren in plaats van grondstoffen en parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Degenen die ons land zijn ontvlucht vanwege kaalslag, opgedrongen technologie, de onvruchtbaarheid van de regelgeest, iedereen kan terugkomen. Het kan lang of kort duren, het maakt niet uit. Maar dit is het pad dat ik bewandel en ik ga niet weg. En ik ben niet de enige die richting kiest. Wie gaat er nog meer mee?

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

Het trage tikken van tijd

.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. Gelukkig heb ik een wekker. Ik wind hem op en al draaiend ga ik een spannend nieuwjaar in.

.

Een bleek gezicht kijkt me aan. Het is een wintergezicht, dat mij in de spiegel aanstaart. Het haar is donker, al de door de zon gebleekte plukken zijn eraf. Op de dag van de zonnewende heb ik het geknipt, zodat het tegelijk met het nieuwe licht weer groeien kan. Wiekie gekortwiekt! Ik lach naar het bleke gezicht omlijst door haren die alle kanten opstaan. Het gezicht lacht tot mijn tevredenheid terug.

We missen het licht nu al dagen. Ik heb geleerd te leven in het donker, de jaren dat ik onder straatstenen en herenhuizen in een Utrechtse werfkelder woonde. Ik kan wachten tot de zon weer terug komt, het heerlijke moment dat de energie weer gaat stromen. Ik kan wachten, tot het wachten popelen wordt, vlak voor het voorjaar doorbreekt. Wat een feest is dat! Dat de zonnekracht stroomt door het hele lijf en overal waar het nodig is. Dat het stroomt door mijn stopcontacten, die me nu leeg en doelloos aankijken met hun zwarte oogjes.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. De nutteloos geworden snoeren en stekkers liggen netjes opgeborgen in de kast. Het leven verandert grondig. Ik wen er snel aan, maar tegelijkertijd besef ik hoe weinig mensen dit kennen, behalve dan misschien op een regenachtige dag in de vakantie. Het schrijven met pen en papier is soms een dromerige bezigheid. Ik kijk door het raam naar buiten, terwijl mijn gedachten als wolken door de hemel drijven. Mijn pen maakt met zwarte inkt zinnen op papier. Ik ijsbeer, want dan kan ik beter nadenken. Ik maak muziek of hang op de kop aan mijn plafond. Mijn huis lijkt op een capsule, waar de tijd lijkt stil te staan. Mijn telefoon staat bijna altijd uit, om stroom te sparen. Dus ik heb geen digitale cijfers die de tijd weergeven.
Toch staat de tijd niet helemaal stil. En dat is dankzij een prachtige nieuwe opwindbare wekker.  Ik ben blij met mijn wekker. Ik moet er iets voor doen om het tikken van tijd gaande te houden. Het geeft mij veel voldoening om elke ochtend, wanneer ik uit bed kom, het degelijke tijdklokje op te winden. Ik voel het gewicht van het raderwerk, ik voel de knoppen die niet rammelen, ik luister naar het uurwerk dat strak doordraait zonder zonder speling. Het is een echte goeie, zoeen wide ik altijd al hebben.

En zo tikt mijn wekker het nieuwjaar in. Ik hoop dat het een jaar wordt waarin veel mensen hun wensen waar kunnen maken. Veel geluk iedereen en maak er wat moois van!

Mijn opwindbare tijdklok

Ik draai de tijd op gang.
net zo lang
tot het nieuwe jaar begint
Ik draai tot de dagen lengen
tot het eindeloze weiland wit is
van venijnig koude vorst
en de vogels hun dorst
moeten lessen met sneeuw

Ik draai
tot de oostenwind de hemel schoonmaakt
en de zon weer schijnen gaat
die groeit in warme kracht
Ik draai tot de lente wordt gebracht
op vleugels van de zuidenwind
en dan
als bloesems uit trillende knoppen knallen
is het moment dat mijn reis begint.

.

De man op het laatste perron

.

.

Aan het einde van Nederland staat een man, een man met blauwe ogen en handen als kolenschoppen. Hij staat bij het absolute eindpunt, het perron dat eindigt enkele tientallen meters voor de zee.

Als je het hele land doorkruist hebt en alle grote steden zijn gepasseerd, dan kom je bij het wijdse Friese land. Voorbij Leeuwarden leidt het spoor, met het allerlaatste boemeltje van het land. Het eindpunt is Harlingen haven. Verder kan je niet komen met de trein.

Ik sta op het perron, na een paar dagen Vlieland. Ik ben op weg naar huis. De zon staat al laag aan de hemel op deze zonnige nazomerdag. Mijn groene rugzak hangt stevig op mijn heupen en aan mijn schouders.
Ik loop naar de wachtruimte. Van het bruine glazen hok zijn vier ramen gebroken. Grote sterren zijn vastgeplakt met kit, zodat het niet verder uit elkaar kan vallen. Ik ga met mijn wijsvinger over het wittige spul. Het voelt aan als plastik.
Er komt een man naast me staan. Hij is klein en breed en hij ziet er uit als een dokwerker, onder gespierde schouders hangen zijn stevige armen, de handpalmen naar voren gericht.
“Ja, dat was een flinke baksteen,” begint hij “Die jongelui vinden dat leuk, een beetje rotzooi trappen in het donker. Ik hoop dat ze het zelf moeten betalen. Het is gehard glas, dat kost ze vier keer vierhonderd euro.”
Ik knik bedenkelijk. “Zonde hoor.”
“Ik ben hier vaak.” zegt hij. “Ik help de conducteur. Ik houd het hier in de gaten.”
Ik kijk naar hem. Hij heeft grote blauwe ogen, als van een kind, zijn blauwe trui bedekt een strakke bolle buik. Zijn ronde gezicht kijkt me vriendelijk lachend aan.
“Bent u een schipper?” vraag ik.
“Ook,” zegt hij “En ik heb een harem, met vier dames. Sinds vier weken. Kijk maar eens naar de strootjes op mijn trui.”
“Vier dames?” Ik ben even stil en denk na. “Kippen?”
“Nee, ze zijn een stukje groter.”
“Lama’s?”
“Ook niet,” grinnikt hij “maar je zit in de buurt.”
“Kangoeroes dan!”
“Nee. Ik zal het zeggen. Het zijn vier kamelen. Ze zijn van een vriendin en ik zorg voor ze. Ze krijgen oud brood en stro. Poezelig lief zijn ze! Poezelig lief.”
“Wat een eer dat je ze mag verzorgen!” roep ik uit.
“Dat is het zeker,” knikt hij tevreden.
“En wat doe je nog meer?”
“Ik ben hier,” zegt hij rustig.
“Je helpt de conducteur,” herinner ik me.
“Ik heb er voor gezorgd dat dat afdakje er gekomen is, boven de automaat. Zo lastig, je zag helemaal niks van het scherm met dat licht erin. Formulieren in vullen dan maar hè? Naar de NS. Blijven invullen, die formulieren. Dan komt het er.”
Ik knik bewonderend.
“En ik zorg dat de fietsen op de juiste plek staan. En zeg ze dat het ene deurtje het niet doet en het andere wel.”
“Ik snap het.”
Ondertussen komt de trein aanrijden. “Ik moet nu instappen.” zeg ik “Bedankt voor uw verhalen!”
“Jaja, ik sta hier al twintig jaar…” mompelt hij trots.
De deuren openen zich. Ik stap in. Op het perron staat de kleine brede man met een blauwe trui. Hij is waar hij is. “Je doet goed werk!” roep ik hem na.
Hij glundert.

Van plakband en karton

.

 

.

Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken. (Alowieke)

 

Ik loop de drogisterij van Middelbeers uit en wil mijn fiets pakken. Mijn afgeknipte spijkerbroek is vuil van vele weken werk, maar mijn hemd is fris en groen. De zon staat al twee weken te branden boven mijn hoofd en heeft mijn schouders bruin gemaakt. Ik schuif mijn hoed naar achteren, die ik maakte van een rieten lampekap. Hij moet mijn gezicht en nek beschermen. Het is een goede hoed en hij blijft stevig zitten als het hard waait. Zeker op de lange landweg tussen Haghorst en Middelbeers, daar kan het hard waaien.
Ik stop mijn net gekochte buitenthermometer in mijn fietstas. Ik wil weten hoe warm het is in mijn wagen. Die dorpse drogisterijen hebben van alles, je kan het zo gek niet bedenken. Zelfs thermometers!

Net als ik mijn been over de hoge stang van mijn grote Gazelle wil slingeren om weer naar huis te fietsen, zie ik een rek met slippers. Slippers van hard en zacht schuimspul, bont gekleurd, of zwart met een kraal tussen de tenen. Ik zet mijn been weer op de grond, zet mijn fiets op de standaard en loop terug. Zal ik het doen? Koop ik ze?

Het is elke keer een keus. Wat is mijn behoefte. Ik heb slippers nodig. In elk geval heb ik ze vandààg nodig. De dikke balken van mijn steiger worden gloeiend heet in de zon. Gisteren ging het nog net, maar vandaag wordt het te heet onder mijn blote voeten en met schoenen aan is ook niks. Dag na dag werk ik gestadig door aan het dak van mijn woonwagen en het wordt prachtig. Ik drink veel water tijdens het werk en mijn hoed beschermt me tegen de hitte. Maar mijn voeten willen òòk wat. Koop ik nu die slippers of niet? Sandalen zou beter zijn. Daar heb ik verder ook nog wat aan. Maar die hebben ze hier niet. En ja…. hoe vaak draag ik nou slippers??

Ik koop ze niet. Ik slinger mijn been over de stang en fiets weg. Thuisgekomen is de steiger nog heter geworden dan hij al was. Ik vraag me af hoe ik nu toch verder kan werken.

Dan zie ik een stuk karton liggen en een rol plakband. De oplossing ligt pal voor mijn voeten. Ik spring op en pak het stanleymes. Ik zet mijn voet op het karton, snijdt er met een ruime bocht omheen en bind het plakband om mijn voet en het karton. Het resultaat is een paar prachtige wegwerpslippers, waar elke zigeuner of stadsindiaan trots op zou zijn. Blij klim ik de steiger weer op. Ze werken net zo goed als echte slippers en het plakband blijft goed zitten. Hoera.

Leven in het klein maakt creatief. Steeds vaker ontdek ik dat het veel leuker is om niet alles te hebben en òveral in voorzien te zijn. Leven in het klein betekent leegtes creeëren. Ik bouw niet alleen een huisje, ik bouw ook aan kansen. Elke leegte is een uitnodiging! Laat de tijd zijn werk maar doen.

Ik ben er van overtuigd. Creativiteit is onze redding. Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken.

.

.

BEELDEN TIJDENS DE BOUW

.

Voor dat het dakrubber er op kon, moest ik nog een paar dingen bijwerken. Met deze lamellenschuurschijf op de haakse slijper gaat dat hartstikke snel, terwijl hij toch al flink versleten is en het eigenlijk tijd is voor een nieuwe.

.

 

Bij de verhuizing heb ik per ongeluk al mijn hoeden weg gedaan. Geen nood, ik vond een prachtige lampekap, die ik geschikt heb gemaakt om als hoed te dragen.

.

 

Als schoorsteendoorvoer heb ik een oude petroleumkan gebruikt.

.

 

.

 

.

.

.

Elke centimeter aandacht

.

 

 

Rustig aan,
dan breekt het lijntje niet.
Kijk waar je naar kijkt
en zorg dat je het ziet.

Hardlopers zijn doodlopers
en mensen die het toch blijven doen
zijn hardnekkige knieënslopers

Liever één vogel in de hand,
dan tien in de lucht
Liever hier zijn met verstand
dan met haastig hart op de vlucht

Maak wat moois van wat er is
weet alles heel dichtbij
zonder spinsels van gemis.
boetseer je dagen als met klei
meet je voeten met de rolmaat
elke centimeter aandacht
en nooit ben je te laat.

Ben waar je bent

Wat is,
dat is.

 

.

Ik heb een steiger gemaakt! Alles was er, de metselschragen die ik mocht gebruiken, de lange zware balken, Er was genoeg materiaal om van de steiger een stabiel geheel te maken. Had ik eerder geweten dat dit alles zo makkelijk te vinden was! Nu kan ik verder werken aan het dak.

.

.

 

 

 

 

 

 

.

.

Ik herinner mij vorig jaar maar wat goed. Wat was ik het zat, dat gewiebel op die keukentrap! Mijn wagen staat op een hobbelig grasveldje. De keukentrap had smalle lange poten. Elke keer als ik hem verzette, moest ik plankjes onder de poten schuiven om de ondergrond effen te maken en om te zorgen dat hij niet in de grond zakte. Ik ging op en af. Ik pakte de boor, klom omhoog, boorde een gaatje en klom weer naar beneden voor het volgende.

Ik ben heel wat naar boven en naar beneden gegaan en ik heb heel wat plankjes verschoven, onder die lange wankele poten. Een geweldige oefening voor benen en balans. Al balancerend maakte ik de goot, sloeg deuvels in dakspanten, zodat ze stevig vastzaten en schilderde het dakzeil groen. Het zeil, gemaakt van kunstrubber, vouwde ik aan de randen netjes in de goot. Nu kon het mooi afwateren. Ik maakte het vast met touwen, latten en lijmklemmen en klom voor de laatste keer naar beneden. Hoopte ik.

Ik keek op een afstandje naar mijn werk. Het zou vast nog flink gaan stormen, de herfst moest nog komen. Maar alles zat vast. Ik bekeek mijn werk van binnen en van buiten. Maar het was goed en er was niets dat lekte of wapperde. Voorlopig zou dit het dak zijn, al verdiende het geen schoonheidsprijs. Later zou ik wel verder zien. Opgelucht nam ik dat besluit en ging verder met de binnenkant, het bed, de zithoek, de afwerking, het schilderen. Als dat af was, dan kon ik er in de lente gaan wonen…

.

.

Boven de goot kan ik nog steeds een gat maken in het dak. Achter de isolatie zit niks. Alleen het dakzeil, dat ik hier heb weggeklapt. Ik vind het best geinig, zomaar een gat te kunnen maken, maar het geintje heeft nu lang genoeg geduurd.

.

En nu woon ik er. Maar het dak vraagt steeds luider om aandacht. Het is nog niet af. Dus ben ik weer begonnen. Ik ga de hobbels en bobbels egaliseren met super buigzame plaat en er is meer wat om afwerking vraagt. Op de steiger staat een waterdichte box met al mijn gereedschap. Ik hoef maar één keer omhoog en ik vind wat ik nodig heb. Ik word er net zo blij van als ontbijt op bed. Een cadeautje voor mezelf. Het is wat meer werk voor je kan beginnen, maar het is het waard. Staande op mijn stevige steiger kan ik zien wat ik gedaan heb, ik kan zien of het goed is en wat ik nog wil doen. Dit is nog eens werken! Zonder veel gedoe heb ik overzicht. Daar ga ik van genieten!

.

.

Het dak met het zeil omhoog geslagen, zodat ik aan het werk kan. Hier is het gat te zien, wat ik voor de gein heb gemaakt en wat van binnenuit zichtbaar is op de vorige foto. Er naast het eerste klusje,  cedarhouten plankjes plaatsen, ter afdichting.

.

.

De essenhouten dakspanten zijn niet allemaal van dezelfde kromming. Ze zijn heet en nat gestoomd en daarna gebogen en ze zijn niet zo krom geworden als ik wilde. Om het verschil in hoogte te overbruggen heb ik deze lat gemaakt.

.

.

.

Hier kun je de inkepingen zien, voor elke boog anders. Het meten ervan is een kunstje dat ik leerde bij de bouw van het Statenjacht in Utrecht.

.

.

Deze plaat buigtriplex is zò gemaakt, dat je hem in deze richting  extra ver kan buigen. Aan de binnenkant zijn ribbels uitgezaagd wat dit mogelijk maakt. Daardoor is hij ook lichter van gewicht.

.

.

Engelenvleugels

.

engelenvleugels-woonwagen-luifel

 

.Het is gegaan zoals het hoort. Op een stralende zondagmiddag heb ik, met hulp van Dick, twee engelenvleugels aan de wagen vastgemaakt. Stralend wit in de zon heten ze je welkom, aan weerszijden van de deuropening. De vleugels hebben een open vorm, in het midden is een gat uitgezaagd en gladgebeiteld. Het gat heeft de vorm van een blad of een veer. De vorm kwam vanzelf uit mijn handen, toen ik er deze winter aan werkte.
De engelenvleugel is een bijzondere variant op een traditie. Eigenlijk horen er èngelen aan een woonwagen te hangen, gekrulde koppen met nog meer krullen eromheen. Ze houden niet alleen de dakrand omhoog, ze beschermen je ook tegen ongeluk onderweg.

De warme middagzon straalt nu warm op mijn bruine schouders. Ik sta op een afstandje van mijn wagen, warmgroen en lichtblauw geschilderd, als bossen met een zachte avondhemel erboven. De vleugels zijn nog wit van grondverf. En nu, terwijl ik dit alles gedachtenloos gadesla, zie ik iets merkwaardigs. Mijn engelenvleugels lijken iets heel anders te doen dan beschermen. Ze stralen openheid uit, en vertrouwen. Ze lijken je stralend te omarmen. Ik ben er stil van. Dit is de pure eenvoud die ik bedoel, de kern van wat leven voor mij is. Volledig vertrouwen. Zo hard als een diamant, zo zacht als zijde.

De vleugel zit stevig vast. Dat moet ook. Mensen zullen zonder twijfel de onderkant van de vleugel pakken om zich omhoog te hijsen. Dus het moet ook sterk zijn. Ik vond de oplossing. Ik heb hem vastgelijmd met Superdesuperlijm. Ongelooflijk, ik wist niet dat het bestond, lijm met een kracht van 110 kg per cm2! Meestal gebruik ik de onschadelijke houtlijm, maar in dit geval wil ik geen risico nemen en kies ik de allersterkste lijm die ik kan vinden.

Het werk aan de wagen is nu erg afwisselend. Constructieve klussen wissel ik af met schilderwerk. Met de kwast streel ik de schoonheid van de wagen, en maak hem nog mooier dan hij al is. Heerlijk, om te zien hoe hij uit de verf komt, hoe de vorm eindelijk volledig tot zijn recht komt.

Terwijl ik kijk naar wat gedaan heb, besef ik nog iets. De openheid, de lichtheid, de vloeiende vorm, dit is een wagen om Bach in te spelen, op mijn dwarsfluit! Vroeger speelde ik veel Bach en vond ik dat heerlijk, maar dit zilveren instrument ligt al vele jaren stil opgeborgen in zijn zwarte doos. Hij begint de laatste tijd zachtjes naar me te roepen. Ik moet nog veel weg doen, om op zes vierkante meter te kunnen wonen. Maar mijn fluit gaat mee. Dan zijn het niet alleen engelenvleugels die omarmen. Dan is er ook muziek, die harten kan verwarmen. Ik hoop het.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Afina Kuiper

voetnoot-alina.

Op de afbeelding zie je een favoriet van mij; autobiografisch verhaal van M. Wylie Blanchet die op jonge leeftijd weduwe werd. Ze woonde begin 1920 zeer afgelegen in fairy tale blokhut in British Columbia en besloot daar samen met haar 5 kinderen te blijven wonen nadat haar man niet terugkeerde van een zeiltocht en vermoedelijk verdronken is.
Ze besloot elke zomer haar huisje te verhuren en bracht dan juni t/m september door op hun zeer kleine zeilboot. Ze verkende tijdens hun tochten de kreken en baaien van de toen nog ongerepte kusten van Vancouver Island en doet in dit boek verslag van hun belevenissen.

” our world then was both wilde and narrow – wide in the immensity of sea and mount; narrow in that the boat was very small, and we lived and camped, explored and swam in a little realm of our own making”.

Prachtige verhalen over natuur, verlaten Indiaanse dorpen en over hoe weinig een mens eigenlijk nodig heeft ; elk lid van het gezin kreeg 1 stel kleding mee en de hond mocht mee maar verbleef in het kleine roeibootje omdat er geen plaats meer aan boord was…..

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank. Leg het tussen je blote voeten.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

Leve de eenvoud

.

.

.

Engelenvleugel voor de luifel

.

Eenvoud is voor mij
het steeds compacter maken
van wat er werkelijk toe doet
tot het zichtbaar is voor iedereen
Hard als een diamant

Eenvoud komt niet zomaar
je moet er flink voor werken
het is als hakken in een stam
hout tjokvol met noesten

Er zit een beeld in de stam
en alleen jij
hebt een vermoeden hoe het
er uit gaat zien

Misschien zijn het twee vleugels
om te vliegen als het nodig is
de ganzen achterna.

Vleugels om te trekken,
zoals vlinders en vogels op zoek gaan
naar de plek
waar ze willen zijn.

.

.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank, deze week van Frank de Greef

Franks voetnoot

.

.

Een van mijn favoriete passages staat op p. 535:

“Ik wil haar ogen
zo graag zien, papa.”Haar ogen! Verwilderd
kwam Onno overeind. Ook hij had sinds acht jaar haar ogen niet meer gezien!
Moest hij een zuster halen of kon hij zelf een ooglid optrekken? Met een gevoel
dat het niet deugde wat hij deed, boog hij zich over het bed, legde de top van
zijn middelvinger op een ooglid en schoof het voorzichtig omhoog. Samen keken
zij naar het diepbruine, bijkans zwarte oog dat niets zag – zo min als het oog,
dat zich aan de hemel lijkt te vormen bij een totale zonsverduistering.

.

De bedoeling van de “Voetnoot”:

1 Fotografeer bij zonsondergang of zonsopgang het boek, dat al jouw opruimacties zal doorstaan, dus het laatste  boek van de plank.
2 Vertel waarom je het boek zo mooi vindt.
3 Zoek een favoriete passage uit.

Stuur het op naar tt.alowieke@gmail.com

 

Het laatste boek van de plank

.

.

Paul Biegel, De tuinen van Dorr

Als je moest kiezen
welk boek blijft als laatste
is het enige
dat niet mag verdwijnen
van je boekenplank?

Ik dacht er over na,
om het straks
echt te doen!

.

.

We zitten samen te eten, Dick en ik. Terwijl ik mijn laatste hap havermout in de mond steek, kijk ik omhoog naar de boekenplank. Het is maar een klein plankje, maar er staan toch nog vier-en-twintig boeken op. En dan is er nog een grote stapel planten- en bomenboeken, die in de kast ligt. „Ik zal nog heel wat weg moeten doen, als ik in de kleine wagen ga wonen,“ zeg ik terwijl mijn blik over de titels glijdt. „Kerewin, van Keri Hulme kan wel weg. Kan je die meenemen voor op jullie “weggeefkast“? Bij Dick staat een vitrinekastje bij de deur. Mensen mogen er dingen in stoppen of er uithalen. „Ja, kan wel, maar boeken blijven meestal erg lang liggen. We kunnen het proberen.“ Ik knik en kijk hoe hij de laatste hap brood in zijn mond steekt om dan rustig te gaan verteren met zijn rug tegen de wand van de wagen. Ik kijk weer naar de boekenplank.
„Alleen op de wereld, van Hector Malot. Dat vind ik ook moeilijk om weg te doen, net als de Geheime Tuin van Burnett. Maar dat is niet het moeilijkste. . .“ Ik kijk peinzend naar de twee laatste boeken van de rij. Daar staat Hasse Simonsdochter van Thea Beckman, het elfenkind uit Kampen.. Thea Beckman begon pas met publiceren toen ze 47 was, maar wat kon ze schrijven! Al haar boeken heb ik in één ruk uitgelezen. Ik genoot van de avontuurlijke ondernemende karakters, vaak sterke vrouwen uit vorige eeuwen. Ook de trilogie van “Kinderen van Moeder Aarde” vind ik nog steeds prachtig, over de toekomst. Het speelt in het land Thule, het oude Groenland, dat na de opwarming van de aarde een prachtig groen continent is geworden en waar vrouwen regeren.
Toch, het boek van Hasse Simonsdochter is het enige boek dat ik nog van haar heb. Het lastige van de boeken van Thea Beckman is, dat ze allemáál zo mooi zijn en dik ook nog. Geweldig om op een regenachtige dag in weg te duiken, maar niet handig, zo’n rij zware boeken op een plankje in een woonwagentje van zes vierkante meter. Dus ik heb ze weggedaan. Ook Hasse zal verdwijnen, weet ik nu. Ten slotte heb ik mijn e-reader.

„Ik weet welk boek mij het liefste is,” zeg ik plotseling tegen Dick en ik kijk naar dat ene boek. Het is een geelwitte rug met een groenbruine tekening, waarvan ik nu maar een klein stukje zie. De tekening loopt verder op de voorkant van de kaft. Aan één kant is de rug gebobbeld. Dat komt van water. Hij is nat geworden, toen hij in een kelder lag opgeslagen. “De tuinen van Dorr“, van Paul Biegel.

Ik pak het boek van de plank en sla het open. Dieprood papier, zo rood als bloed, is aan de binnenkant tegen de harde kaft geplakt. Het straalt mij warm tegemoet. Het is ook een warm boek, warm, lief en wanhopig. Het begint met een verboden liefde tussen twee kinderen, een prinses en een tuinmansjongen. “Mijnewel en Jouweniet,” noemen ze elkaar. Een heks verandert de jongen in een bloem om van hem af te zijn. Als de bloem verwelkt, plukt Mijnewel het zaad, om een plek te zoeken waar ze het in de grond kan stoppen, een plek waar ze hem weer terug zal zien, haar liefste, als hij weer ontluikt. Ze verlangt er zo naar hem weer te zien! Het kàn, hij kan weer veranderen in Jouweniet, maar dat weet ze op dat moment nog niet…
Ik houd van de taal van Biegel, zo direct en speels. De grote verbeelding die door alles heen loopt. Zijn boeken leven!

Ja, dit boek is het laatste boek van mijn plank. Dit is het boek dat blijft, straks als ik mijn nieuwe huisje intrek, een woonwagen met een vloer van zes vierkante meter.

.

.

Ik begin te lezen…

.

De verloren stad

Er was maar één manier om het pikzwarte water over te komen: in het rieten bootje van de dwerg.
„Dat kost een zoen op je linkerwang,“ zei de dwerg grinnikend.
Hij had een bochel die hem voorover drukte, alsof hij voortdurend een zware zak op de rug droeg.
„ Goed,“ zei het meisje zacht.
De dwerg draaide zich om en liep hobbelend naar de oever.
„Stap maar in,“ zei hij. . .

 

OPROEP

Kies je lievelingsboek, maak er een foto van, het boek op de grond tussen je blote voeten, net zoals de foto hierboven. De vroege ochtendzon of in de avond, het zijn mooiste tijdstippen voor een foto.

Schrijf heel kort waarom je dit gekozen hebt.

Zoek een alinea die je mooi vindt en zet die erbij.

Stuur het naar tt.alowieke@gmail.com. Dan zet ik ze bij elkaar in een volgende blog. Je kan kiezen of je je echte  naam erbij wilt hebben of een nepnaam.

Leuk, Ik ben benieuwd!