Meer verhalen, minder auto’s

Met groene verhalen trek ik rubbers aan die over het hete asfalt gaan. Kan dat ook anders?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Na alle grijze dagen voelt de zon extra warm aan. We staan voor een oude stacaravan, hier op de Swetteblom. Rondom was een soort vuilnisbelt ontstaan van dingen die mensen niet weg konden gooien. Tussen de bosjes was het een jungle met van alles en nog wat. IJzer en plastic, groen uitgeslagen. In de zomer lag de zooi verscholen in het groen. De winter onthult de naakte waarheid. Buizen, pijpen, lege jerrycans, en nog veel meer. En nu in de prille lente, zie je nog steeds alles liggen. Zulke dingen groeien. Er kwam dus steeds meer bij, een afgereden auto en nog een auto, een kapotte scooter. “O laat maar staan, ik kan er misschien nog wel onderdelen uit halen” zei de buurman die van knutselen houdt. Dat laten staan, dat kan nu niet meer. Alles wordt opgeruimd, want er komen oude bekenden in de caravan en dat is een mooi excuus. Iedereen probeert een handje te helpen. Twee mensen houden net pauze als ik aankom, maar ik ga aan het werk. Ik pak mijn schep van de fiets en zet hem in de berg grind. Het moet in de aanhanger. Net als de eerste schep in de bak klettert stopt er een auto. Een rode. De man die pauze hield springt op: “Oooooh een oude fiat 128! Die heb ik ook gehad, wat heb ik daar veel plezier van gehad zeg!” Op een holletje rent hij ernaar toe. Het is alsof hij een oude boezemvriend ontmoet. De chauffeur stapt grijnzend uit. De mannen staan nog een poosje te praten over hun Fiat. De verliefde man geeft het ding een klapje op de motorkap, hij kan maar moeilijk scheiden.
Auto’s zijn handig en ellendig. Haal je twee oude auto’s weg, komen er andere voor in de plaats. Zelf heb ik er geen en in wil het ook niet. Hoe minder wegen en parkeerplaatsen, hoe meer ruimte voor andere dingen. Ik wil geen ellendige oorlog om olie, ik wil groen en bloemen. Ik zorg voor het Verhalenpad, voor de levende wereld die steeds verder gekrompen is. Dat wil ik helpen veranderen. Om te beginnen waar ik ben. Zouden er dit jaar ook vogels gaan broeden op de bult? Ik zie nog niks. Er gebeuren wel andere dingen. Er wilde dit weekend wel iemand komen kijken naar mijn initiatief. Kom maar met buslijn 93, zei ik. Die rijd altijd zonder dat er iemand in zit, de buschauffeur zal blij zijn met een klant, opperde ik. “Ik kom met de auto,”zei mijn bezoeker. Ja, het autoseizoen breekt aan. Auto’s naast de Swette, auto’s naast het Verhalenpad.

Met groene verhalen trek ik dikke rubbers aan, die over het asfalt gaan. Kan dat ook anders?

Auto’s hebben we nodig, denken we. Om naar het werk te gaan, om je LAT relatie vol te houden, voor een dagje uit, voor een unieke natuurbeleving en om te gaan joggen in het bos samen met de hond. En om interessante locaties te bezoeken zoals de mijne.
Toch heeft een kwart van de huishoudens geen auto, waarvan bijna twee derde als een bewuste keuze. Meer dan een half miljoen mensen kunnen het gewoon niet betalen. Door de oorlog in het Verre Oosten wordt alles duurder. Vooral dit stalen beest wordt getroffen, dat fijne ding waar je in kan kruipen en waar je heerlijk op jezelf bent. Lekker op je vertrouwde stoel, de handen aan het stuur. Hoe zal dat nu verdergaan? Blijven mensen verstokt aan hun kar? Zal mijn bezoek vaker de fiets pakken? Ik denk dat er veel voor nodig is om die gewenning te doorbreken. Sommigen zal het lukken om zichzelf te overwinnen en de auto te laten staan. Ik hoop dat het aanstekelijk werkt. Je krijgt er namelijk veel voor terug: Uithoudingsvermogen, meer contact met je omgeving, een vollere portemonnee.
Dus. Wil je langs komen? Dan zijn er drie alternatieven. Kom lekker op de fiets, met buslijn 93 of zet je auto neer bij Jonker Sikke op de parkeerplaats. Vandaar is het maar twee kilometer lopen, een prachtige wandelmeditatie onder de hemelkoepel, tussen de groene weiden. Tenslotte is de weg naar het Verhalenpad toe langer dan het pad zelf. Het doel is maar een klein onderdeel van de onderneming. Je kan er natuurlijk ook een pelgrimsroute van maken en het hele eind gaan lopen van huis naar hier. Tenslotte: overal zijn verhalen! Goed voor het lichaam ook. Het lichaam is de tempel van de geest tenslotte. Ophemeling van de auto is een aftakeling van die tempel en alles wat je met een sterk en gezond lichaam kan creeëren. Hoe minder auto’s hoe meer verhalen we kunnen scheppen, hoe meer ruimte en een grotere groene wereld. Welkom in die andere wereld!

.

Gedichtje uit 1991

In de geest
kan alles
Als de bomen sterven
het water
niet te drinken is
en de vissen
zeldzaam zijn
Dan nog
kunnen wij keren
en onze mythe
opnieuw creëren
voeden de Aarde
tevreden zijn.

.

Alowieke

.


.

.

De dag dat je je bril kwijtraakt

.

.


Met een volle agenda keer je het cyclisch bestaan de rug toe. Gelukkig is mijn nieuwe boek geen bestseller. Want dan was de heilige traagheid ver te zoeken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. ( Duur 15 min.).

Het is vroeg in de ochtend, net niet schemerig meer. Gauw wip ik naar buiten om de luiken te openen, om dan terug te duiken in de hangmat. Ik koester de behaaglijke sluimer die me nog niet verlaten heeft. Buiten is het mistig en stil. Het mooiste moment van de dag. Mijn oog valt op een mantelmeeuw die overvliegt. Hoe lang duurt een moment van geluk en verstilling? Niets is eeuwig. Ik rek het moment zo lang mogelijk, tot het me begint te vervelen. Mijn lijf vraagt om actie. In mijn pyjama stap ik naar buiten, doe mijn klompen aan. Er is helemaal niemand en ook op de snelweg verderop is het stil. Ik loop een rondje over het Verhalenpad, langs de opgroeiende gemeenschap van bomen, langs de volle wadi’s. Het water steekt glinsterend af tegen de donkere aarde, de bomen eromheen zijn nog nauwelijks uit de knop. Maar de grauwe wilg bloeit al en de prunus cerasifera heeft vele honderden witte bloemen, die talloze insecten tevreden zouden kunnen stellen, als ze er waren. Gisteren, op dat warmste uur van de dag, 15 graden was het, zag ik een blinde bij, een kleine vos en twee aardhommels. Maar nu is de dag nog jong en koud. Zelfs de aardhommel met zijn dikke jas aan zie je pas over een paar uur. Hoewel het fris is houd ik van dit moment. Al wandelend begin ik te wieden, Het groeit onder mijn handen, langzaamaan wordt het echt een mooie wilde plek.

Maar nu mijn boek van de pers is, wordt het leven anders. Het stille werk in de ochtend verdwijnt en ik voel de band met mijn flora en fauna verslappen. In plaats daarvan komt de doelijst op de eerste plaats. “De heilige traagheid der dingen” loopt goed. Het zijn de eerste weken na publicatie. Met frisse moed begin ik de ochtend met het verwerken van bestellingen, het beantwoorden van mails. Dan inpakken. Er komen steeds meer dingen bij. Het leven dat al vijf jaar zijn vaste cyclus heeft, wordt ineens een leven met een agenda. Een stapel boeken ligt klaar op de tafel in de kas. Daar mogen ze maar kort liggen, het is daar vochtig. En terwijl er steeds meer dingen moeten, begin ik voor het eerst sinds jaren dingen te vergeten. Mijn tas met tekenspullen als ik naar Atelier Binnenstad ga. De fles om onderweg even melk te halen bij melktap Jellum. Ik ben druk! Maar de zuurbessen naast de sloot willen iets van me. Dat zag ik vanuit een ooghoek. Het gaat niet goed daar. Verdorie, ik heb geen tijd. Maar de buurman heeft toch in de gauwigheid grote stukken karton voor me gehaald van de fietsenmaker. Die vierkante meters kunnen er mooi onder. Want zuurbessen groeien niet in een jungle van andere planten, ze willen graag ruimte. Dus die plat gevouwen dozen liggen alweer twee dagen op een hoop, langs de kant van de weg. En ik wilde hem ook nog bedanken, die goeie buurman van me. Dat komt er dus ook niet van. Er is zoveel te doen! Veel meer dan ik op kan noemen. Behalve de boeken die roepen, heb ik veel werk verzet. Alles wat ik geplant en gebouwd hebt, doet nu een beroep op mijn gevoel van verantwoordelijkheid. Rondom mij begint alles opgetogen te fluiten, te fladderen en te woelen. Het is lente, de tijd van de voortplanting. Ook dat nog. Onder de kas is een rat aan de gang, hij heeft al twee pogingen gedaan om een hol te graven onder mijn vloer van grote zware tegels die ik zelf heb gelegd. Een rat in het riet of in de bosjes vind ik niet erg. Als ze maar van mijn kas afblijven. Ik maak mijn handen leeg en als een speer gooi ik het hol weer dicht en raak vervolgens mijn bril kwijt. Twee dagen later vind ik hem in het zand. Hij keert terug naar de vertrouwde plek in mijn borstzak en dan ga ik op de fiets naar Mantgum. Er moet een stapeltje boeken op de post. Als ik terug kom spreekt de buurvrouw me aan. Of ik nog even tegen haar man wil zeggen dat het karton zijn bestemming bereikt heeft. Hij hoort maar steeds niks van me. O ja. Dat was er niet van gekomen. Gauw naar de buurman.

Na elke dag wordt het avond. Ook na deze, vol chaos en drukte. En ik weet, binnenkort wordt het weer een stuk rustiger. Want mijn boek is goddank geen bestseller. En dan zit ik stil in mijn kleine huis en denk: Stel je voor dat mijn boek wèl een bestseller werd. Dat lijkt geweldig. Maar dan heb ik wel extra opslagruimte nodig. En dan moest ik toch echt personeel aan nemen en een degelijke werkruimte gaan zoeken, want in mijn tiny house past dat niet. En als ik denk dat ik daarmee mijn leven weer net zo cyclisch zou maken als daarvoor, kwam ik van de kouwe kermis thuis. Evengoed zou het leven steeds ingewikkelder worden en ik zou de hele dag mijn bril kwijt zijn. Ondertussen groeven de ratten een doolhof aan gangen onder de tegels van mijn kas. Tegelijkertijd zouden de zuurbessen overwoekerd raken en kon mijn buurman nog lang wachten op dat bedankje en het praatje aan de deur. “Men moat it seal net heger lûke as de mest” zeggen de Friezen. Je moet het zeil niet hoger hijsen dan de mast. Maar met allerlei kunstgrepen lukt het toch, almaar door te hijsen. Om te beginnen word je agenda je bijbel. Daarna heb je steeds meer personeel nodig. Het eenvoudige cyclische bestaan keer je de rug toe. Duurzaamheid wordt een theoretisch streven. Succes is leuk, maar niet teveel.
Veel mensen zitten vast in het web van verwachtingen dat we zelf met zijn allen hebben gemaakt. Het is normaal dat je dit allemaal wilt: een gezin, een goeie baan, kinderen, een auto, succes en vrijetijdsbestedingen. Wat dat alles van je vraagt weet je niet van tevoren. Deze tijd vraagt om oogkleppen en doorgaan als een trein. Als je van alle kanten verwikkeld bent geraakt in een overvol bestaan, dan kom je niet zomaar terug in het eenvoudige cyclische leven. Maar ja, het is zoals het is. Toch kan je iets doen. Stukje bij beetje.

Rust in de vroege ochtend. Langzaam wakker worden, kijken wat er is. Leven in het ritme van de seizoenen. Kijken naar de sterren en planeten, zie hoe ze hun baan volgen in de hemelkoepel. Kijken naar de eerste zwaluw en de akkerhommel in de wilgenbloesems. Alles wacht op je.

Ps: Ik heb nog honderd en tien boeken over en na de eerste golf ligt het nu helemaal stil. Ik vind het nog steeds hartstikke leuk als je er een bestelt.

Overleven of erbij neerleggen

Wat we van dieren kunnen leren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst..

Met mijn legerkistjes aan de voeten loop ik het Swettepaad af. Het is een grote open vlakte. Ik heb me warm aangekleed, een extra sjaal om mijn capuchon tegen de harde wind. Er zijn korte buien, hier en daar is de lucht lichter, maar nergens is hij blauw. Hagel slaat in mijn gezicht en ik trek mijn sjaal hoger op tot over mijn neus. Het doel is melk halen bij de melktap, drie kilometer verderop. Maar dat is slechts een excuus om de wereld te bekijken op een bijzondere dag als deze.
Ik kijk mijn ogen uit. Vooral in de sloten zie ik hele berglandschappen, overhellende taluten van sneeuw, soms met een scheur erin, soms afgebroken. Ik denk aan het boek van bergbeklimmer Joe Simpson, “Over de rand”. Hoe hij tijdens het beklimmen van de Siula Grande over de rand viel, terwijl zijn maat verder liep omdat hij dacht dat hij wel dood moest zijn. Dat was hij niet. Van de holtes en scheuren waarin hij terecht kwam is dit een minitiatuur. Gebiologeerd loop ik verder. Het is mooi en wreed.

.

.

Voor wie de tijd dringt dat zijn de dieren. Ganzen blijven maar rondvliegen, volkomen in de war, lijkt het. Oud en nieuw heeft ze opgeschrikt van hun vertrouwde weilanden en daarna kwam de sneeuw. Ik zie hele groepen voorbijgaan, soms naar het zuiden, dan weer naar het westen of het noorden. Een keer zag ik ze neerstrijken, onwennig om zich heen kijkend, maar gelijk daarna waren ze alweer verdwenen. Ze zullen ondertussen wel erg moe en hongerig zijn na die stress en al dat vliegen en zoeken in de koude harde wind.
Als de huizen langs de Hegedyk niet ver meer zijn zie ik iets zwarts op het smeltende ijs van de sloot. Als ik dichterbij kom herken ik een jonge rat. Zijn ogen staan angstig als hij me ziet, hij probeert weg te komen maar zijn pootjes vinden geen houvast in de gladde drab van het halfgesmolten ijs. Ik ga zitten op de schuine sloothelling, voel eerst waar het water begint onder de sneeuw, zet dan mijn voet neer op het laatste stukje oever. Dan strek ik mijn arm uit, ik kan hem zo pakken. Zijn kleine lijf staat strak van de spanning, maar is lekker warm. Even speel ik met het idee om er een tamme rat van te maken. Heel even maar. Dan zet ik hem toch maar neer, op een droge plek onder een hek. Als ik een uur later terug kom is hij dood. Wat moet een jonge rat ook in zijn eentje in dit koude desolate landschap. Daar is geen lol aan.

.

Soms help ik de muizen.


De muizen hebben van de sneeuw niet zoveel last. Ik zie sleuven en gangetjes in de sneeuw die op het pad ligt. Ze graven zich een weg van het riet aan de ene kant, naar het gras dat aan de andere kant van de weg groeit. Ik denk dat ze slapen in de droge rietpollen en elke dag gras eten aan de overkant. Klein als ze zijn kunnen ze daar makkelijk onder de sneeuw doorlopen, tussen de pollen is ruimte genoeg voor muizen en onder het sneeuwdak kunnen ze ongezien knabbelen. Er zijn allerlei muizen. Veldmuizen, spitsmuizen, die beschermd zijn.  Ik zie ook vaak kleine zwarte. Nee, sneeuw is voor hen niet erg.
Als ik thuiskom sneeuwt het weer een hele tijd door. Het pak wordt dikker en dikker. Maar die nacht gaat het dooien, de regen tikt op mijn dak wanneer ik in de vroege ochtend wakker word. Ik denk aan de ganzen, die komen straks weer makkelijker aan hun voedsel. Ik denk aan de muizen. Als dat dikke pak sneeuw in een keer smelt komt al dat koude water eensklaps in hun holletjes. En misschien vriest het nog weer op ook. Dan krijgen ze het een stuk moeilijker. Maar ik denk ook aan de hommels die hun winterslaap doen. Het is te hopen dat hun slaapplaats wat droger ligt.

.

Een wat rommeliger paadje van henzelf

Sneeuw is mooi maar ook een verschrikking. Niet voor mij, in mijn warme huis. Maar wel voor andere schepselen. Ik neem de tijd zodat ik me kan inleven in alles wat mij omringt. Er is lijden maar ik zie ook: het is zoals het is. De dood is ook een bevrijding. Je legt je er letterlijk bij neer. Dieren kunnen dat heel goed, daar kunnen we een voorbeeld aan nemen. Het sneeuwlandschap brengt mij dit inzicht: een verhaal over leven en dood. Om mij heen zie ik andere zorgen. Mensen denken aan hun auto, hun warme jas, het pakketje dat niet aankomt of de geannuleerde vlucht naar hun vakantieland. Sommige toeristenlanden lopen inkomsten mis. We moeten sneeuwproof worden, overal tegen kunnen. Maar je kunt je er ook bij neerleggen, zoals de dieren dat doen. Het uiterste van je erbij neerleggen is sterven. De dood is heel gewoon, leren dieren mij. Ik zoek naar mensen die hetzelfde denken op dit moment, die nu filosoferen over overleven en de dood. Die zullen er vast zijn, maar ik vind tot nog toe niemand. Daarom dit verhaal. Een oeroud verhaal, dat steeds opnieuw verteld wil worden.

.

Klik hier om te luisteren.

Het winkeltje dat alles goedmaakt

Na een stressvolle dag kom ik in een winkel die gerund wordt met  gehandicapten. Hier kan ik opgelucht ademhalen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Je kent het wel. Er is een gevoel van onvrede en iemand moet de schuld krijgen. Soms gebeurt het op straat, soms op het werk of elders. Het is een ketting, de een steekt de ander aan. Er is al prestatiedruk en dan komt dit er nog bij. De stress neemt toe. Harde woorden gaan over en weer. Die ketting moet doorbroken worden. Om dat duidelijk te maken schrijf ik dit verhaal. Ik noem geen namen, geen locatie. Vraag je dus niet af waar dit zou zijn, of wie de mensen zijn waarover ik spreek. Dat is niet belangrijk. En vooral: Het gaat over hoe eenvoudige lieden met een beperkt verstand een groot geluk kunnen zijn in onze drukdoenerige wereld.

Naar de stad is bijna een uur fietsen. Het is een hele onderneming soms, zeker met veel bagage. Dit keer geef ik een klein optreden, een verhaal over bomen en mijn leven, met een uitstalling erbij. Het was passen en meten om alles mee te nemen, de boeken, de boomstronken en takken. Het is een klein zaaltje. Vijf mensen zitten uiteindelijk aan een lange tafel naar me te luisteren. Zojuist waren ze nog met iets anders bezig. Nu hebben ze hun bezigheden opzijgelegd en ik vertel het verhaal waarvoor ik uitgenodigd ben. Een beetje onwennig, met een publiek van maar vijf mensen. Ik weet niet wie ik aan moet kijken en dat maakt me verlegen. Ik vertel naar beste kunnen, een half uur lang. Dan kom ik tot het einde, alleen het liedje moet nog. Ik heb er opnieuw voor geoefend, het lied van de wilgeboom. Mijn gitaar ontbreekt helaas, de kar zat al zo goed als vol. Maar hier hangt er een aan de muur, dat wist ik. Vragend kijk ik naar degene die ernaast zit. Ze drukt hem verwachtingsvol in mijn handen. Mijn vingers beroeren zachtjes de snaren. Hij moet gestemd worden. Dat kan ik snel doen, het instrument is mij vertrouwd. De vijf toeschouwers wachten. Vlot stem ik een voor een de snaren. Dan kom ik bij de een na laatste, de B snaar. Er is iets mis. Het maakt me verward en zenuwachtig. Ik probeer het nog eens en nog eens. Hij reageert niet, de knop lijkt lam te zijn. De vrouw die me de gitaar aangaf begint te ongeduldig te roepen. Ik probeer het te negeren, maar het roepen houdt niet meer op. “Die gitaar is prima, wat doe je toch, begin nou maar gewoon, wat zit je daar nou allemaal te doen!” Ik zucht. Dan maar een liedje zonder gitaar. De vrouw kijkt boos en ontevreden. Toch zet ik opgewekt de eerste tonen in van mijn levenslustige lied en zing het uit tot het einde. Dan klinken de laatste woorden en is het optreden klaar. Een mager applausje volgt. Sommigen glimlachen, tot mijn opluchting. De vrouw doet haar best om vrolijk te kijken. Toch moet ze het daarna nog eens kwijt. Wat zat ik nou allemaal te doen met die gitaar. Daar was niks mis mee. Ze kijkt me kwaad aan. Denkt ze soms dat ik hem heb stukgemaakt? Ik wil iets terugzeggen maar beheers me. Ze moet het instrument maar eens laten nakijken door iemand die ze vertrouwt, zeg ik dan. Ondertussen denk ik aan het boekje dat ik gister las van de Boeddha, die zegt dat iedereen je vriend is. Geweld lost niks op. Terugschreeuwen ook niet. Ik denk aan het kleine gitaartje thuis. Dat had ik best cadeau willen doen, als de situatie anders was geweest. Nu houd ik verder mijn mond maar.
Het inpakken van de kar is nog een heel werk. Bij de kapstok zit ik op de grond om eerst mijn laarzen weer aan te doen, mijn regenbroek ligt naast me. Voor ik daarmee klaar ben gaat ineens het licht uit. “Ik ben hier nog bezig hoor!” roep ik. Een vrouwenstem roept haastig sorry, maar het licht gaat niet meer aan. Vreemd. Een man komt terug, hij komt in het donker naar me toe, wacht tot ik klaar ben en sluit de deur achter ons. Door de lange gang loop ik naar buiten met mijn kar. Dat was het dan. Nu gewoon maar weer naar huis. Gelukkig is de wind gaan liggen, dat scheelt. Anders had ik wind tegen gehad. De man wuift me vriendelijk na.

Ik slaap onrustig en de volgende dag heb ik een brakke kop. Ik besluit om lekker te gaan fietsen, er is nog steeds nauwelijks wind. In Wirdum is een winkel met gehandicapten, ik ben er lang niet geweest, daar wil ik heen. Als ik er binnenkom, zie ik een stevige meid in kerstmannenkleding. Onderuitgezakt zit ze tussen de kerstballen en andere versierselen. “Rustig aan hoor, rustig aan” zegt ze en nog eens. “Rustig aan.” Haar gemoedelijke gezicht is onverstoorbaar. Bedarend beweegt ze met haar handen alsof ze een hele menigte gerust moet stellen. Ze lijkt wel op een Boeddha met een kerstmuts. In de winkel is echter geen enkel teken van onrust, stress of rumoer. Er zijn overal mensen bezig en het is er gezellig. Veel schappen zijn leeg, maar dat is totaal geen probleem. Ik zie een paar mensen met een beperking , maar vooral hun familie en begeleiders. Iemand verkoopt zelfgemaakt gebak, ja wel even apart afrekenen graag. Een klein meisje loopt met een gebakje naar buiten, alsof het een schat is. Ik lach naar haar en ze begint te stralen. Wat een verademing. Wat is er nou eigenlijk voor nodig, om met elkaar een goed gevoel te krijgen. Zo belangrijk is het allemaal niet. En dan weet ik het: hier ligt mijn verhaal, in dit eenvoudige winkeltje vol lieve mensen en lege schappen. Deze plek heeft mijn hart gestolen.

.

Een gelukkige pechvogel

Als de stroom ermee ophoudt pak ik vrolijk de beugelzaag

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is pechtijd. De kunst is het gelijkmoedig te ondergaan. Dat probeer ik, maar toch word ik wel even sjaggerijnig als er zich weer een nieuw probleem aandoet. Het meest hardnekkig zijn stroom en online-obstakels. De volgende tweedehands smartphone doet het de eerste week aardig, mits ik dat ene kabeltje gebruik, en geen andere. Het contact hapert, en in de tweede week werkt ook dat ene kabeltje niet meer. Ik had net alles geïnstalleerd.

Wat me toch elke keer genoegen doet is het werk met de bomen. Om het veldje waar mijn huis staat, groeit een wilgenrij. De bomen staan heel dicht op elkaar, en groeien schots en scheef alle kanten op, alles om naar het licht te groeien. Ze moeten hoognodig worden uitgedund. In het schuurtje ligt de kettingzaag, maar ook een hele fijne beugelzaag. Ik begin met de kettingzaag. Dat gaat net lekker, maar dan valt de stroom uit. Ik probeer een ander stopcontact. Gelijk begint het ding weer te brommen. Het is dus het snoer. Het past goed in de serie stroomproblemen. Een wolk komt nooit alleen. Maar hierover haal ik mijn schouders op. Ik heb immers een prima alternatief. Ik pak gewoon de beugelzaag. Ondertussen denk ik na. Ik heb nog wel een mooie dikke kabel liggen zonder stekker eraan. Die maak ik een andere keer wel compleet. Nu wil ik doorgaan.
Tussen de grote en kleine bomen door loop ik naar de meest overhangende wilg. Hij is niet zo heel dik. Onderaan de stam zet ik de zaag in het overhangende stuk. Twee keer schuin inzagen, en met een klein tikje valt het kleine schijfje hout er uit. Nu ik heb een mooie inkeping. Dan is de andere kant aan de beurt. Ik begin te zagen en langzaam begint de boom door te buigen, waardoor mijn zaag meer ruimte krijgt. De inkeping doet krakend zijn werk, anders was de zaag vast komen te zitten. Dat vastzitten krijg je anders altijd en hoe dikker de boom, hoe vaster zit de zaag, als je er niet op bedacht bent. Als het echt een dikke stam is, kun je dat ook oplossen door een keg in de snede te slaan, vlak achter de zaag. Maar dat hoef ik nu niet te doen, deze is dun genoeg om het alleen met een inkeping op te lossen. Met een doffe plof valt de wilg neer, precies tussen een jonge meidoorn en twee elsjes in, zonder ook maar een takje te breken. Ik loop naar het midden van de boom en trek hem naar de nieuwe takkenwal. Boven mijn hoofd klinkt gekwetter. Een koolmees heeft mij gadegeslagen en zit nu een meter van me af op een tak. Luidkeels maakt hij zijn aanwezigheid duidelijk. Twee keer per dag krijgt hij zonnebloempitten van me, op de hoge voertafel. Ik heb twee zaadsilo’s, maar die gebruik ik alleen als er sneeuw ligt of als ik weg ben. Als hij eten krijgt, is het direct van mij en niet anders. Daarom komt hij nu zo dichtbij. Hij fladdert tussen de bomen door naar die ene tak en kijkt toe wanneer ik de voerpot pak. Als ik even later wegloop zijn ook de pimpelmezen aan komen vliegen. Elke dag is het feest. Grijnzend ga ik verder met het slepen van de stam. Het zagen en sjorren en stouwen. Werk wat mij altijd weer gelukkig maakt, al zijn er nog zoveel GSM’s die ermee ophouden.

.

.

Van kolossale glorie naar draaglijke lichtheid

Het grote werk verminderen naar duurzaam en klein. Vanzelfsprekende passiviteit vervangen voor onafhankelijke en veerkrachtige helderheid. Hoe kom je er toe?

.

.

Onverwacht is het er. Iemand komt met iets uit mijn verleden op de proppen. Het brengt me terug in de tijd en dat zet me aan het denken. Hoe alles er stap voor stap toe heeft geleid dat ik nu eenvoudig leef in mijn kleine huis, op deze plek.
Het begon bij een ex-collega schipper, die komt soms met beelden van schepen of vaarwegen waar we allebei wat mee hebben. Nu liet hij een site zien, waar mijn oude schip, de Koophandel 2 werd beschreven. Voor zulke gepassioneerde liefhebbers zijn schepen persoonlijkheden en dit schip was zeker een persoonlijkheid. Ons schip was gebouwd in 1903, was 21 meter lang, robuust met een elegante geveegde kont. Veel mensen hebben ervan gehouden. In die tijd bouwden ze de boten heel zwaar, de huid was wel 8 millimeter dik, met spanten om de twintig centimeter. Het was nog gebouwd met klinknagels waarvoor twee mannen aan het werk waren, eentje binnen en eentje buiten. Die werkten elke dag met elkaar samen. Mensen wisten wat werken was. De schepen werden met sterke handen goed onderhouden en dat was de instelling ook in die tijd. Als je ergens goed voor zorgt, dan gaat het lang mee.

Mijn man M. en ik wilden dat ook, er goed voor zorgen. Maar M. ging eerder ter ziele dan onze schuit, waar we zoveel plannen mee hadden. Ik hield veel van de Koophandel 2 en wilde hem niet kwijt. Nog een jaar heb ik het geprobeerd, met vrijwilligers. Die vonden het vooral leuk en gezellig. Het project was groot voor dit gezelschap, dit vroeg eigenlijk om een degelijke aanpak met mensen die er helemaal voor gingen. Bovendien had ik nog drie boten en een middeleeuwse werfkelder. In totaal was het 800 M2 aan oppervlak wat ik moest onderhouden. Bikken, schuren, schilderen, of stuken en betegelen. Toen ik ook nog de ligplaats kwijtraakte was het duidelijk. Er was geen andere keus, ik moest het schip wel verkopen. In 2006 kwam hij in Drachten terecht, en daar lag hij vanaf dat moment te verkommeren. Er waren mensen die dit aan het hart ging, via via hoorde ik dat.\

.

De Koophandel 2 in de jaren 50 aan de Albrechtskade in Rotterdam.

Je kunt spijt hebben van alles wat verloren gaat. Maar de ziel gaat door, het krijgt een andere vorm. Het schip heeft mij geïnspireerd in de manier hoe het gemaakt is, hoe het leeft als hoedanigheid. De vormen die ik maak, komen rechtstreeks van de schepen waaraan ik heb gewerkt, alleen is alles veel kleiner en lichter. Ik heb begrepen hoe je moet zwoegen om het schip in zijn volle glorie te laten stralen en dat dit werk nooit ophoudt. Dit heeft mij tot bepaalde keuzes geleid. Ik bouwde mijn huis klein en op wielen. Het kan bewegen, net als een schip, maar dan op het droge. Het nodige onderhoud heb ik minimaal gehouden, zodat ik hier oud kan worden zonder dat ik door het vele werk snel oud en moe ben. Het is niet groot, maar wel behaaglijk en ik ben onafhankelijker dan de meeste mensen. In noodsituaties zal ik nauwelijks verschil ervaren, met mijn manier van leven. Ik red me wel.
Iets moois bestaat niet zomaar. Iets groots en indrukwekkends ook niet. In deze tijd leven we op grote voet, grote huizen, grote auto’s. We weten niet meer wat een werk ervoor nodig was. Alles wordt vanzelfsprekend onderhouden of vervangen zonder dat we er zelf veel voor hoeven te doen. Hoelang nog? Ondertussen zijn er steeds minder mensen die praktisch werk kunnen verrichten. Dat is jammer en we worden steeds afhankelijker van grote bedrijven die ons moeten voorzien. Ik leef nu met veel genoegen in mijn kleine huis zonder badkamer of waterleiding. Ik heb het zelfgebouwd en ken elk hoekje. Als er een probleem is kan ik dat tot nog toe altijd oplossen. Ik vind het niet erg minder voorzieningen te hebben en heb mijn manier om daarmee om te gaan. Toch, maar weinig mensen zullen vrijwillig zo’n simpele levensstijl aannemen en soms worden ze er op veroordeeld.
Er zal een dag zijn dat niets meer vanzelfsprekend is. Dan zal het veranderen. De dag dat niet alles zomaar te vervangen is en de dingen weer een ziel krijgen. Alles in het leven moet hanteerbaar zijn, voor nu en in de toekomst. Dus ga ik uit van wat ik zelf wil en aan kan. Dus hier woon ik dan, in mijn eigen mooie lieve zelfgebouwde huis. Klein, maar wel geïnspireerd door de schepen waar ik aan werkte. Het ritme van de spanten, de huid, en hoe dit alles leeft in zomer en winter, bijna als een organisme. Het leven inspireert mij zelf en ik pas me aan aan de omstandigheden. Ik zou hier nog jaren kunnen wonen. Laat iedereen die eenvoudig leven wil dit kunnen doen.

.

.

Stroomstruikels en verdwijningen

Merkwaardige omstandigheden zetten mij aan om na te denken over mijn digitale verslaving.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Eigenlijk is het al van begin af aan zo. Ik heb hem, maar eigenlijk vind ik het waanzin. De smartphone. Sinds 2018 neemt dat ding een van de eerste plekken in binnen mijn intiemste kring. Ik verbaasde me er meteen al over wat je er allemaal mee kon en de snelheid waarmee de duim van mijn voorlichter over het scherm ging. Het was een jongen van vijftien en al gauw deed ik het net zo vanzelfsprekend als hij, bezocht sociale apps, checkte vijf keer per dag mijn mail en het ding ging steeds vaker met me mee.
De eerste jaren gaat dat probleemloos. Maar na een tijdje denk ik het steeds vaker: Deze onzin moet maar weer eens afgelopen zijn. Terwijl die gedachte groeit neemt mijn gebruik juist toe. Voor het eten korte filmpjes kijken op Facebook. Steeds teruggaan naar de commentaren en Instagram. Goed voor de wereld, want ik steun immers oorlogsslachtoffers in mijn commentaren. Een goed excuus, vind ik. Maar de stem van mijn onbewuste roept en het wordt steeds sterker. Maak jezelf vrij! Weg met dat ding! Onbewust doe ik pogingen om ervan af te komen. Achteloos laten liggen op een tafeltje bijvoorbeeld. Maar van zo’n kostbaar ding afkomen, dat is nog niet zo makkelijk, in een maatschappij waar iedereen er verschrikkelijk afhankelijk van is. Al gauw komen mensen naar me toe met opgehaalde wenkbrauwen. Ze heffen het roze hoesje in de lucht waar mijn verslaving in zit. Met nadruk klinkt steeds weer hetzelfde zinnetje: “Is dit van jou?” Ik moet dus beter mijn best doen met kwijtraken.

Maar dan lijkt de tijd langzaam rijp te worden. Rijp om af te kicken van de dikke vette digitale tiet, die mij afhoudt van mijn eigen voedzame stroom. Welke gedachten en scheppingen wachten op een lege geest maar krijgen de kans niet? De achterliggende kracht om ervan af te komen wordt almaar sterker. De innerlijke bron die door steen kan breken. Dingen haperen of verdwijnen. Het strekt zich verder uit dan alleen de telefoon. Op een gegeven moment lijkt elk digitaal contact te worden belemmerd. Het stekkertje van mijn laptop past opeens niet meer, hij is gegroeid. Terwijl hij altijd op dezelfde plek ligt en ik hem nooit ergens mee naar toe neem. Ook mijn vriend buigt zich erover en we snappen er niks van. Daar blijft het niet bij. De volgende dag komen er mensen voor een interview. Ik ruim het huis op van voor naar achter, van onder tot boven. Als laatste leg ik mijn smartphone op de vensterbank, het roze hoesje is beduimeld en glad van de vele aanrakingen. Er zitten transparante stickers op van Treesistance. Liefkozend gaat mijn vinger over het roze leer, dat een plantaardige oorsprong heeft. Ik bedenk me net hoe vreemd het is dat ik dit doe. Een telefoonhoesje aaien. Alsof het mijn vriendje is! Wil ik dat wel?
Precies op dat moment komt er een auto aan. Het zijn de mannen waar ik op wacht, die van het interview, De een komt als interviewer, de andere is fotograaf. De auto rijdt het veld op om te parkeren, precies op het laagste stuk. Hij zwaait vrolijk door het raam, maar ik weet: daar komt hij vast te zitten. Dat is al zo vaak gebeurd! Ik moet ernaartoe, hoe eerder hij daar weg is hoe beter. En hoewel ik zojuist nog besloot dat mijn telefoon daar prima lag, kleeft hij nu als vanzelf aan mijn hand vast, zonder dat ik er acht op sla. In mijn gedachten is alleen nog de gestrande auto. Daarna draag ik een antislipmat aan, help duwen. Uiteindelijk lukt het. Maar als het interview voorbij is en de mannen zijn weg, ligt mijn telefoon niet meer op dat plekje in de vensterbank. Na een poos zoeken op plekken waarvan ik weet dat hij er toch niet ligt, dringt het besef bij me door, heel langzaam, van een telefoon in mijn hand. De razendsnelle keuze om hem niet in het natte gras te leggen maar op het droge staal van de auto. En daarna het rumoer van het moment en het vergeten. Ergens onderweg viel hij van de auto af. Dat was zelfs te traceren. Toen ik daarna mezelf belde deed hij het eerst nog. Maar van het ene op het andere moment was er geen bereikbaarheid. Gevallen en overreden. Zo moet het gegaan zijn.
Maar nu! Eindelijk is het gelukt. Ik ben ervan af. Ik ben er beduusd van. En er was nog een afscheid ook. Een laatste liefkozing van het roze leer.

Ik laat het tot me doordringen. Op het moment dat mijn smartphone weg is, kan ik helemaal nergens meer bij, ook niet bij mijn mail. Want dat stekkertje van mijn laptop was immers ook al op wonderlijke wijze van vorm veranderd en hij past nog steeds niet. Alles zet me aan om een pauze te nemen en me te bezinnen op deze verslaving. Bleek kijk ik voor me uit. En neem dan een radicale beslissing.

In de winkel van Odido zeggen ze dat het niet kan, mijn abonnement opzeggen. Dat kan alleen een paar maanden van tevoren en mijn abonnement loopt pas af in augustus. Dat zou betekenen dat ik nog tien maanden blijf doorbetalen, dat is meer dan tweehonderd euro. Omdat ik dat toch zonde vind, koop ik een tweedehands smartphone met een barst erin. Facebook en Instagram gooi ik eraf. Dat is dat. Maar Spotify wordt meteen geïnstalleerd en gelijk ga ik die avond naar mijn luisterboek alsof er niks gebeurd is. Als een kleuter lig ik te luisteren, zoals ik dat nu al avond na avond doe. Luisterboeken zijn tegenwoordig onbeperkt beschikbaar, actief lezen hoeft niet meer. Je hoeft steeds minder zelf te doen. Vlak voor het slapen gaan zie ik dat het apparaat nog maar zes procent stroom heeft. De lader, die ik meteen had aangesloten, heeft niks gedaan. En dat terwijl het stekkertje gewoon leek te passen. Ik probeer nog drie andere stekkertjes en fiets dan naar Dick die ook al zijn plugjes uitprobeert, echter zonder resultaat. Net als bij de laptop.

Is dit een les? Tuimel ik er opnieuw in, door gewoon op dezelfde voet door te gaan? Er is een wijze stem in mijn hoofd die zegt: Ga ook van Spotify af en zet door. Bel Odido persoonlijk en vraag of ze nu al kunnen vastleggen om het abonnement te laten aflopen in augustus. Maak afspraken zodat je voor jezelf geen uitvluchten meer kan zoeken, of stiekum van uitstel afstel maakt. Tenslotte zit ik straks echt niet helemaal zonder internet. Ik kan altijd op de camping terecht, daar is Wifi. Het is maar vierhonderd meter hiervandaan. Toch zal die afstand mijn gedrag volkomen veranderen. Pech is niet voor niets. In feite is het een hele eer om met pech te worden bediend. Je bent uitverkoren om van koers te wijzigen en de signalen worden als duidelijke bakens voor je voeten geplaatst. Dat neemt niet weg dat ik kwaad ben. Ik weet niet op wie, maar heb zin om een bushokje in elkaar te trappen. Dat doe ik natuurlijk niet. Want eigenlijk is het helemaal niet leuk om bushokjes in elkaar te trappen. Een hele hoop mensen hebben daar last van.

De volgende dag ga ik vol goede moed naar de winkel. Gek genoeg is er geen probleem, bij hem doet het stekkertje precies wat het moet doen. Ik krijg het bewuste draadje mee naar huis, maar dan blijkt het plugje niet te passen op mijn adaptor. Mijn vriend lacht zich slap, maar mij verbaast niks meer. Ik weet nu dat het in elk geval goed komt. Ik ga door met afkicken en demp de stroom van buiten.

Er is ten slotte nog iets, waarom dit steeds belangrijker wordt. In deze tijd, waarin steeds meer bedrijven door Chinese of Amerikaanse multinationals worden opgeslokt, dient een digitale verslaving vooral de machthebbers. Ik geef mijn stekker dus niet alleen een andere aansluiting voor mezelf, maar ook uit maatschappelijke overwegingen. De oorlogsslachtoffers vergeet ik evengoed niet. Ik zal ze op gepaste tijden schrijven.
En nu is het stil. Stil genoeg om het te laten ontstaan, vanuit het binnenste, de innerlijke bron. Ik luister naar de wind, die buiten ijskoud waait. En verdraaid, ik hoor nog iets. Heel duidelijk. Een bel die rinkelt in de verte. Iemand roept wat. Zowaar! Het is de telefoonjuf van het universum. “Verbonden!” roept ze en knipoogt. Ik steek mijn vuist in de lucht en lach. Mijn dag is weer helemaal goed.

.

Groots en succesvol of klein en vitaal

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.

De mist die twee dagen en nachten het land omhulde, is opgetrokken. De zon schijnt uitnodigend en ik zit achter de laptop omdat ik op zondagochtend altijd mijn blog schrijf. Het liefst zou ik naar buiten gaan, verder met wilgen snoeien, verder met creëren van het landschap. Hier wil ik zijn, dit wil ik opbouwen.

Ik schreef een boek, over het proces van het planten van de bomen, bespiegelingen over tijd. Het was fijn om te doen, en het zal voor sommige mensen vast heel fijn zijn om te lezen. Er kwamen negen schilderijen uit mijn handen, die het verhaal illustreren. En nu is dit project ten einde. En dan komt het pas, het publiek opzoeken, het aan de man brengen. Mijn eerste uitgever zei dat hij zijn werk in wilde krimpen en ik viel buiten de boot. Daarna ben ik nog vier andere afgegaan. Een zei gelijk ja, het boek viel helemaal in haar lijn, maar ik moest wel zelf een publiciteitsplan maken. Het maakte me moe. Ik wil helemaal niet eindeloos bezig zijn met iets dat af is. Het werkelijke verhaal is immers hier gaande, op en onder deze grond en in het water dat stroomt door de Swette. Een boek is slechts een fixatie van momenten en gedachten. Het verhaal dat hier gaande is vraagt ook niet om een plot of een spanningsboog, het is er in het ritme van de seizoenen dat nooit ophoudt. En ik werk het allerliefste mee, om het steeds meer te laten bloeien, steeds meer dieren te zien die zich te goed doen aan zaden en insecten waar ik voor zorg. Ik luister naar het geritsel in de bosjes waar een dier een schuilplaats vindt in de beschutting die ik maakte. Ooit vond ik een oude pot in de grond, en legde hem onder de opgroeiende kastanje. Als ik de pot oppak zie ik dat er een grote segrijnslak in zit. Een heel gewone slak, maar de patronen op zijn huis lijken wel gouddraden tegen het donkerrood en azuurblauw dat bijna onzichtbaar doorschemert in het bruin van het halfvergane aardewerk. Hoe zou ik dit kunnen missen.

Het boek dat klaar is heet: “De heilige traagheid der dingen.” Maar alleen al de titel heeft een tegenstrijdigheid in zich als ik het boek wil uitbrengen. Als de publiciteit ervan erom vraagt dit terrein steeds vaker te verlaten dan verlaat ik ook de kern waar het om begonnen is. Dit land, waar ik bomen plant, en waar het verhaal langzaam ontluikt. En het is ook langzaam dat ik de omwonenden leer kennen. Alles wat duurzaam is duurt ook lang voor je het verkrijgt. Snel gewonnen, snel geronnen. Liever onopvallend, maar wel klein vitaal en stevig, dan tijdelijk succes waar je mager en moe uit komt. En wat blijft? Ik kijk naar de segrijnslak, die zich voor de winter heeft teruggetrokken in zijn kleine fijne huis. Ik zie het gouden patroon tegen de oude ingetogen kleuren van de oude pot, nog vochtig van de ochtendmist. En dan neem ik een besluit. Ik wil de traagheid der dingen bewaren. En daarom ga ik niet verder in mijn zoektocht naar uitgevers, met hun afspraken en al hun eigen ideeën. Ik geef het uit in eigen beheer. Er zijn nu bijna zeventig mensen die zich hebben ingeschreven en er zijn negen grote schilderijen bij het verhaal gemaakt. Die zullen een plek vinden en het verhaal op hun manier verder vertellen. Het hoeft ook niet vandaag of morgen. Als ik iets wil laten zien, als ik ergens over wil vertellen, dan is het hier. Bij mijn huis aan het Verhalenpad, waar ik bomen plantte en waar ik nog steeds met liefde voor zorg. Ik ga niet weg om vluchtig succes na te jagen. Mijn boek hoeft geen bestseller te worden. Het is de trouw aan de heilige traagheid der dingen, trouw aan het pad, de bomen en de dieren waar het om gaat. Wat daar uit voortkomt is kostbaar als water. Ik werk aan dit land en hier groeien de verhalen en de beelden. De enkeling zal het zien. Wie verhalen of planten heeft uit te wisselen komt maar hierheen of nodigt me maar uit. Als het niet te ver is kom ik. Alleen zo komt mijn verhaal in een groter geheel te staan, spiegelend in wat er is en steeds weer anders. Alleen zo. Zo is het goed.

.

Opgejaagd of uitgerust

.

Stel dat er zich een moment voordoet dat je carrière kan maken. Maar je moet het wel meteen doen, anders is het moment voorbij. Maar je goeie schoenen zitten onder de modder en je fiets staat bij de fietsenmaker, je telefoon is stuk en je bent moe. Wat doe je? Eerst de uitrusting, dan de man, zeggen ze in het leger. Ongeveer dat is het waarover we praten tijdens een fietstocht door Fryslân.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Rustig fietsen we samen op onze ouderwetse stalen rossen onder de wijde blote hemel. In een rustig tempo, af en toe tegen de wind in, op smalle fietspaden en betonpaden die als een netwerk door het weidelandschap lopen. De zon schijnt laag tussen de sluierwolken door en aan de horizon komen de eerste regenwolken. Al fietsend bekijken we hoeveel energie we nog hebben, hoelang het nog zal duren tot de regen valt en hoever het nog is naar huis. We wijken af van de route, die Natuurmonumenten ons heeft opgegeven. Zo hoeven we ons niet te haasten om thuis te komen en kunnen rustig doorpraten tijdens het fietsen. Ik kijk opzij naar Dick.

“Ik moest nog denken aan ons gesprek van gisteren. Over carrière maken en wat daarvoor nodig is. Ineens wist ik wat het laatste moment was, dat ik hoger op de ladder had kunnen komen. Dat was aan het einde van het interview met Lex Bohlmeijer.” Het is een moment waar ik wel vaker aan denk. Dick houdt zijn blik op het pad terwijl ik verder vertel. Ik houd zijn schouder vast, zodat we afstand kunnen houden op het smalle fietspad naast het riet. Anders raken onze sturen in elkaar verwikkeld tijdens het praten. Ik kijk voor me uit terwijl ik het gezicht van Bohlmeijer voor me zie. “Ik weet het nog precies. Aan het eind vroeg hij: En wat ga je nu doen? Ik zei: Eerst onderhoud plegen. Vol onbegrip keek hij me aan en met enige stemverheffing riep hij uit dat ik natuurlijk verder moest trekken. Nee, hield ik vol. Maar zo was het dus wel gegaan als ik aan de weg had getimmerd. Dan had ik gelijk mijn volgende themareis klaar moeten hebben, zodat alle luisteraars zich daarop konden richten en er meteen op konden intekenen. In dat opzicht was het een gemiste kans.” Dick ziet daar de wijsheid niet van in. “In het leger zeggen ze: Eerst de uitrusting, dan de man. Anders had je meteen haastig verder gemoeten, dat is toch niks!” Ik kijk naar de zon en het wuivende riet, waar ik nu onbezorgd van kan genieten, en niet plichtmatig omdat ik beroemd moet worden met het beschrijven van mooie natuurtaferelen. “En jij bent nog niet beroemd, je zou hard moeten werken om zulke themareizen op de kaart te krijgen en mensen naar je toe te trekken,” zegt Dick. Ik knik. Het had me binnen de kortste tijd uitgeput. Maar nu ben ik zestig en de nieuwe basis is gelegd. Het bevalt me prima om riet te maaien, gras te knippen, compost en humus te maken. Het gaat altijd door en je hoeft er niet steeds bij na te denken. Tussendoor leer je mensen kennen en er groeit vertrouwen. Die energie zal steeds meer bodem vinden en niet worden weggeworpen in een lekke mand. Er zijn ideeën genoeg, voor wat ik hier kan doen. Liever in de diepte dan in de breedte. Gejaagd de maatschappelijke ladder beklimmen, dat doen er al veel te veel. Een goeie uitrusting en gestage organische groei, daarmee begint het pas: een duurzaam leven.

Zachtjes begint het te regenen. Gelukkig hebben we onze regenbroeken aan. Precies als we thuis de deur binnenstappen begint het te hozen. Alles is perfect.

Landschapspijn en werken aan hoop

Blijven vertellen, blijven delen wat je hoort en doorgaan. Zo komen we er samen wel.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er komt iemand naar me toe, een vrouw en ze is boos en in. Er waren weilanden vol zonnebloemen. Ze kwam er graag langs op de fiets, stopte dan en keek hoe hele zwermen vogels genoten van het gerijpte zaad. Nu is alles weg. Ze zag hoe de boer alles maaide. Waar moesten al die vogels naartoe? Er was niks! Nee, ze had de boer niet gesproken. Ze was boos en verdrietig. Begrijpelijk.

Even later, als ze weer weg is, kom ik mijn buurman tegen. Hij is landschapshistoricus en werkt freelance voor de provincie. “Goh ja”, zegt hij als ik het verhaal vertel, “dat is natuurlijk zo. De boer krijgt subsidie voor bloemen en insecten en zaait daarvoor die bloemen. Maar daarna begint het eigenlijk pas met het zaad en de vogels. Een boer zou méér subsidie moeten krijgen om het ook de hele winter nog te laten staan.” Hij kijkt in gedachten voor zich uit, zijn blik is vastberaden. “Het komt goed uit” zegt hij. “Binnenkort spreekt ik een man, gespecialiseerd in landschaps-subsidies. Die werkt met boeren.” Hij kon natuurlijk niet zeggen of het een gevolg zou krijgen, maar hij zou het aan hem voorleggen. Dat scheelt zoveel, te weten dat er mensen aan werken.

Ik loop van mijn buurman terug naar mijn eigen afgelegen veldje en kijk naar de bult aan de overkant van de sloot. Daar ligt het Verhalenpad, waar ik aan werk. Het Wetterskip heeft bij het hekkelen veel riet laten staan. Het ziet er mooi uit. Wat gemaaid was of wat plat op de grond lag heb ik opgeruimd of overeind gezet. Het gemaaide riet ligt nu in dikke bulten onder de jonge bomen, op de helling van de bult. Het zal het huis vormen van insecten tijdens de koude winter. Het zal vergaan tot compost en het houdt brandnetels en de groei van het levende riet tegen. Tussen de bulten en het wuivende riet kunnen de hazen blijven rondscharrelen en vogels vinden er een schuilplaats. De plek wordt steeds specialer. Zo zag ik deze zomer een jongetje. Hij holde bij zijn ouders vandaan en riep over zijn schouder: “Ik ga naar het natuurgebied!” Dat is het dus, deze plek waar ik aan werk. En nu werkt het Wetterskip ook nog mee. “Dat laten staan van riet hebben ze niet zomaar gedaan. Er moeten meer van zulke stukjes natuur komen vinden ze.” Dat zegt de buurman, landschapshistoricus. Zo werkt dat dus, je begint ergens aan en op een gegeven moment wordt het gezien en sluit het aan bij een grotere beweging. Je laat iets zien, praat over dingen die je raken, en dan opeens luistert er iemand, die doet er wat mee. Het kan overal gebeuren. Houd dus hoop en blijf geloven in wat je doet en zegt. Het kan zomaar zijn dat iemand vastberaden achter je gaat staan. Samen komen we verder.

.