Al ben je de enige

.

En altijd breekt de zon weer door

.

De lucht is grijs, de teller van mijn zonnepanelen blijft maar op nul staan. Het is de donkerste dag van het jaar, de dag van de zonnewende. Ik kijk geen filmpjes, ik luister geen muziek, de laptop staat dagenlang ongebruikt in de hoek. In plaats daarvan maak ik tekeningen, schrijf met pen op papier en speel dwarsfluit. De fluit ligt te glanzen op de vensterbank met een stuk van Bach en Teleman ernaast. Ik heb mijn zuiverheid geoefend en de lenigheid van mijn vingers op de zwarte noten getest, die als mieren over het witte blad kriebelen. Het gaat hartstikke goed, maar nu verlang ik naar frisse wind om mijn hoofd. Ik ben al te lang binnen geweest. En straks komen er drie studenten van de kunstakademie om een korte docu te maken over hoe ik leef. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog mooi een lange wandeling kan maken, voor ze er zijn.

Als ik terugkom loop ik voorbij twee bouwvakkers. De twee vijftigers werken stoer door in wind en mottige regen aan een nieuwe goot. Het is een grote goot en veel werk. Ik loop naar ze toe en bewonder hun werk. Ze stellen me vragen over waar de afvoer moet komen. Ik zeg dat ik het niet weet. Tot nu toe dachten ze dat ik ook een bewoner was, maar nu weet ik ze eindelijk duidelijk te maken dat ik hier te gast ben.
“O, ga je weg? En waarheen dan?” vraagt de dikste en de meest spraakzame van de twee. Kort vertel ik mijn plan. “Ik wil al wandelend de grenzen van Nederland af.”
“En hoe trek je je woonwagen dan?”
“Het is eigenlijk geen woonwagen, maar een wonderwandelhuis, ” begin ik. Daarna beantwoord ik zijn vraag. “Ik heb een electrische mover om er voor te zetten. En als ik dan door Nederland reis, dan kom ik vast en zeker mensen en plekken tegen die me boeien. Dan blijf ik daar een tijdje.”
“Ga toch naar het buitenland! Daarna kom je gewoon weer terug.” Hij begint enthousiast te worden.
“Ik heb geen terug. Ik ben er al. Nederland is mijn thuis. Door te trekken en mensen te ontmoeten kan ik straks overal terugkeren en thuiszijn.”
De man kijkt vaag voor zich uit. Ik vraag me af of hij wel luistert. Opeens begint hij te lachen. “Waarom zet je geen rendier voor je wagen?”
“Doe jij dat maar,” kaats ik terug. “En als je dan met je kar de lucht in vliegt, dan noemen we je Wodan.” Hij kijkt me verbaasd aan, zijn bolle gezicht verschiet en hij buldert van het lachen. Ja ik zie hem wel als Wodan. En ik geloof werkelijk dat hij zich gevleid voelt. Ik groet hem om terug te lopen naar mijn warme wonderwandelhuis. In de verte zie ik drie fietsen aankomen. Het zijn de studentes voor de film.

Ze zetten hun fietsen neer en ik wijs naar de bagagewagen. “Doe daar je tas maar in, met de spullen die je niet nodig hebt.” Ik laat ze binnen en geniet van hun jonge stralende ogen. Ze vinden mijn huis prachtig. Ze stellen vragen en filmen. Het ontwikkelen van je authenticiteit in vrijheid, daar gaat het over. Ze begrijpen goed hoe belangrijk het is om doortastende keuzes te maken, al ben je de enige en al ben je alleen. De dag wordt afgesloten met een prachtige zonsondergang. Met glimmende ogen pakken ze hun spullen om te gaan.
Vanuit mijn warme huisje kijk ik ze na en gloei van tevredenheid. Ik houd van zulke jonge mensen, die hun dromen onderzoeken. We hebben elkaar nodig, zij en ik.

.

De markt als wegwijzer

.

.

Ik sluit de deur van het kleine leskamertje. We hebben lekker gespeeld, mijn docent op de piano en ik op mijn nieuwe dwarsfluit, die nu al zo vertrouwd aanvoelt. Ik kijk nog even op de plek waar ik net nog stond. Er is al weer een andere leerling. Door het glas zie ik twee ruggen, een hele brede en een kleintje. Ik hoor de leraar een vrolijk riedeltjes spelen op het keybord en hij praat geanimeerd met het jochie naast hem. Ik draai me om naar mijn regencape. Onder de kapstok, op het neplaminaat, is een kleine plas ontstaan die almaar groter wordt. Ook de regenbroek voelt nog steeds nat aan. Toch trek ik alles weer aan, pak mijn dwarsfluit, die veilig in de draagtas zit en open de buitendeur.

Dikke druppels waaien hard in mijn gezicht. Het is al donker. Ik pak mijn fiets en waag de tocht huiswaarts. Ik besluit een andere route te nemen dan normaal, dwars door het centrum van Leeuwarden.
Op het grote plein staan kraampjes. Ik wist niet dat hier markt was. Als ik dichterbij kom zie ik kaas en groente, met overal meldingen dat het biologisch is. Ik loop naar de eerste beste kraam die ik zie. Het is een grote felverlichte kaaskraam en ze hebben er veel. Geitenkaas, brie, camenbert, boerenkaas, het ligt allemaal mooi geëtaleerd. Ik koop geitenkaas en loop verder. Na nog wat levensmiddelen te hebben ingeslagen kom ik aan bij het einde van de markt. Daar zie ik, naast een grote broodkraam, een heel klein kraampje, waar in de vitrine nog een laatste restje kazen bij elkaar geschoven ligt op wit etaleerpapier. In het schemerdonker zie ik een man met lange krullen staan. Hij lacht uitnodigend. “Het Marlanner kaashuis” staat op een bord achter hem.
“Jammer,” zeg ik spijtig, “Ik heb al kaas. Maar die wil ik ook wel graag.” Ik wijs naar een verzameling grote kippeneieren. “Dan koop ik bij iedereen wat.” Hij knikt goedkeurend en stopt zes grote eieren in een doosje. Het doosje kan niet dicht, zo groot zijn ze. “Ze hebben dubbele dooiers,” zegt hij verontschuldigend en doet er een elastiekje om. Ik zeg hem dat ik blij ben met dubbele dooiers vanwege de vitamine D die er in zit. Dat heb ik pas nog uitgezocht. “Dan kan je dat nu meteen toepassen!”  Hij lacht tevreden.
Ik vertel hem over mijn huisje op wielen en mijn reisproject. De kaasboer luistert geïnteresseerd. “In de lente vertrek ik. Ik kom graag bij jullie langs als het mag!” zeg ik opgewekt. Hij geeft me hun folder en zegt dat ik van harte welkom ben. Ik zie een oude boerderij afgebeeld, tussen bomen en bloemen. In het verhaaltje lees ik dat de boerderij naast een meer ligt met een eeuwenoud weiland ertussenin, dat de grootste kolonie grutto’s kent van heel Europa. Dat wil ik zien!

Op de markt vinden de mensen elkaar. Dat is al een eeuwigheid zo. Ook nu nog en dit is een moment om het opnieuw te ontdekken. De route rolt al voor me uit. Het wordt almaar echter. De boerenmarkt als wegwijzer, dat onthoud ik.

 

Klik hier voor de website van het Marlanner Kaashuis

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Met grenzeloze belangstelling

.

.

 

Na een klein weekje op Schiermonnikoog, word ik wakker in mijn woonwagen op Frijlân. Ik heb kort geslapen en moet er aan wennen weer terug te zijn. Schiermonnikoog was heerlijk. Ik proefde de ruimte van stranden en kwelders, liep urenlang zonder een mens te zien en kwam terug op een camping vol rommelige gezelligheid. Ik at zelf geoogste broccoli uit de pluktuin, die naast de camping lag en genoot.
Hier is het anders. Als ik uit het raam kijk, zie ik distels, perzikkruid en melde. Het ziet er zwart van. Verder is er geen mens te zien. Somber staar ik ernaar en zie mezelf alweer bezig, eindeloos uittrekken van de distels die zich razendsnel uitzaaien en ineens overal opkomen. De moed zakt me in de schoenen en ik weet maar één ding te doen. Ik zet mijn verstand op nul.
Ik doe mijn oefeningen en ruim mijn huisje op. Zonder discipline ben je nergens. Terwijl mijn wagen er steeds opgeruimder uitziet, denk ik aan een man, die ik ontmoette op de boot. Het was op de terugreis. Vanaf het moment dat ik hem zag kon ik mijn ogen niet van hem afhouden. Die man, wat zou hij doen in mijn plaats?

Aan de tafel bij het raam zitten vier mensen. Een oude man en een oude vrouw en een jonger stel. Achter het vensterglas bewegen langzaam de drooggevallen zandplaten voorbij, vol met watervogels. Het is vooral de grijze man, die mijn aandacht trekt. De ontspannen toon waarmee hij alles in beschouwing neemt, wat hij ziet. En hoe vanzelfsprekend de anderen naar hem luisteren, alsof hij ze al jaren weet te boeien met zijn waarnemingen.

De boot volgt trouw de vaargeul, zoals hij daar al jaren ligt. Wij weten niet anders. Maar de oude man en de oude vrouw kennen het water al hun leven lang en hebben al veel van haar gezichten gezien. Ze kenden het wad al voordat er vaargeulen bestonden. En terwijl buiten het water langs het schip stroomt, zien we binnen een jong zeehondje geboren worden op het beeldscherm dat in de verblijfsruimte hangt. De man kijkt ernaar en leest de titel die bij de beelden hoort. “Er komt een film over het wad,” zegt hij bedachtzaam. Ik spring op. Het is de film waar ik heen ga. De man kijkt me aan met een vermaakte glimlach. Ik vertel erover wat ik weet. Het moet een prachtfilm zijn. Het is in Leeuwarden. “Komt u ook?” vraag ik, maar nee dat kan niet, hij woont in Rotterdam. We praten verder over onze meest geliefde plek, het Eiland.

“In 1929 kwam ik voor het eerst op Schiermonnikoog,” zegt hij. “Bent u er toen geboren dan?” vraag ik een beetje verward, want zou oud kon die man toch niet zijn. “Nee, zegt hij, dat was in 1923.” Ik staar hem ongelovig aan. “Echt waar?!”
Zijn vrouw is even oud. Ze hebben samen al veel meegemaakt. “Toen zij in 1930 voor het eerst op het eiland kwam, toen was er een andere aanlegsteiger. Het was de steiger die nu door zeilboten wordt gebruikt.” Ik knik, ik zie de plek voor me, je kan de masten van de boten nog net zien, als je op de veerboot wacht. Hij gaat verder. “ Je kon er niet naar de oever lopen, als het vloed was. En als je dan zo oud was als mijn vrouw nu, weet je hoe je dan bij de oever kwam?” vraagt hij me.
Ik schud mijn hoofd. “Op de rug van sterke jonge mannen!” De twee oudjes stralen als hij het vertelt en ik lach mee. “Dat wil ik ook wel!” roep ik. De grijsaard grinnikt. “Dan moest je wel eerst oud worden…”

Aan die mensen denk ik nu. Wat een heerlijk echtpaar, wat een mooie man. Zo vrolijk, zo open en belangstellend, terwijl ze toch ongelooflijk veel moeten hebben meegemaakt. Zouden deze mensen zich druk maken om een distelveldje?? Nee toch…..
Dan open ik mijn deuren en haal diep adem. Frisse buitenlucht doordringt mijn longen. Het nodigt mij uit tot iets. Wat is het? Ik kijk over het glanzende gras naar de spoorlijn in de verte. Er gaat een trein voorbij.

.

.

Knipoog van een zielsverwant

.

.

Midden in het stadje Loenen
ligt een zwaar verwaarloosd park
fruit ligt er te rotten
en een breed tapijt aan riet en netels
wint het van de bloemen

Maar tussen opgeschoten vlier
werkt een vrouw zo onvermoeibaar
en elke zondag klinkt haar stem
vertelt zij haar verhalen daar
aan wie dan ook, een mens of dier

Haar handen zijn nu vuil en hard
van het trekken aan het riet
Ze werkt en werkt maar door
of iemand het nou ziet of niet
en legt het mooiste zaad apart.

Kom kijken roept ze menigmaal
Maar bleek van vermoeidheid
of blind door ambitie
loopt mens na mens voorbij.
Ze spreken een andere taal.

Er komt een jonge kunstenares
Zo prachtig wat je doet zegt ze
elke dag zie ik het groeien
wat een bloesems laat jij bloeien
hier houd ik mijn schilderles!

Een ambtenaar komt controleren
of het park wel mag bestaan
ze hangt net in een perenboom
om een nestkast op te hangen
Hij kijkt haar heel belangrijk aan

Diversiteit is hier van groot belang
dat staat in al mijn boeken
Nu ik weet dat u hier bent
Maak ik er notitie van
Die zaak van u krijgt absoluut
boven alles voorrang!

Er komt een oude hovenier
hij pakt haar vuile hand en zegt
Jij begrijpt het, de anderen niet
Ik wil je zeggen het ligt niet aan jou
Voor mij ben jij de mooiste hier!

Ze staart hem na terwijl hij wegloopt
als een stille zielsverwant
hij weet haar ogen in zijn rug
en droomt hetzelfde wat zij hoopt.

Van tientallen voeten in aarde
en duizenden bloeiende bloemen

Dan kijkt hij om
en knipoogt.

Handen voor het land

.

.

Kom op zei de man
na een slapeloze nacht
en hij sprong acuut uit de veren
Niet gedraald het is genoeg
de hoogste tijd om het tij te keren
Hij haalde zijn koperen hoorn
uit het stof en klom snel in de toren
Hij kuchte even voor hij blies
en blies zo luid en koninklijk
dat iedereen kwam
om het te horen.

.

Af en toe kamperen er vrienden en kennissen op de camping. Dan staat er voor op het veld een tentje, op één van de plekken waar we de distels hebben weten weg te krijgen. Soms staat er een caravan. En nu is het een busje. Er kampeert een vrouw in en ze heet Elza. Ze heeft lang grijs glanzend haar en een rimpelloos gezicht. Haar ogen staan helder en direct, als een vrouw die aan kan pakken. Elza heeft een schoenenwinkel in de stad en wil er even uit. Ik sta net achter mijn huisje, wanneer ze aan komt lopen.
“Hallo, ik hoorde van Irma dat ik jou kan komen helpen in de tuin. Er moet meldezaad geoogst worden. Kan je me laten zien waar dat is en hoe ik het moet doen?” Dat wil ik met alle plezier en ik loop met haar mee naar het meldeveldje. “Kijk,” zeg ik, “zo doe ik dat.” Ik pak een stengel tussen duim en wijsvinger en rits het zaad er in één beweging af. “O, dat is simpel,” zegt ze. Ik zoek een emmer voor haar en ze gaat aan de slag. Een tijdje sta ik naast haar, onze handen gaan ritmisch langs de stengels en de kleine lichtgroene korrels rollen van onze handen in de emmer.
“Ik heb een halve hectare in Belgisch Limburg,” zegt ze. “Daar probeer ik een voedselbos te maken maar dat is best lastig. Ik sta midden in het bos en de zon komt pas laat over de boomtoppen heen.” Ze vertelt hoeveel er toch al groeit. Ze is er al een poos niet geweest. Niet zo handig, in de oogsttijd. Ze gaat met haar busje overal naar toe. In de winter gaat ze naar Spanje. Veel leuker dan Nederland en de Spanjaarden zijn zo lekker relaxed! Ze vertelt er enthousiast over. “Er zijn steeds meer mensen die het vrije leven opzoeken op deze manier. Ouderen en ook jongeren,” zegt ze.
Ik kijk haar aan. “Ja ik snap wel dat ze er geen zin meer in hebben om mee te doen in de mallemolen van de economie. Maar ik vind het ook wel jammer dat ze niet hier blijven. Je kan het daar wel leuker vinden, maar hier in ons land is juist zoveel te doen! Het vraagt toewijding om het weer mooi te maken. Steeds wegfladderen werkt niet.” Ik zie tussen de melde een groepje jonge bosliefjes staan en zet mijn voet zorgvuldig op een andere plek. Die kunnen de komende twee maanden nog mooi in bloei komen, paars en prachtig. Als ik zeker weet dat mijn voet goed staat, praat ik weer verder.
“Frijlân is een ambitieus project. Maar het geeft ook voldoening. Er komen hier veel mensen om te kijken hoe we het doen.” Elza kijkt me nadenkend aan. “Ja, dat mis ik wel in België. Ik doe dat helemaal in mijn eentje en mijn man interesseert het niet zo…” Ze kijkt peinzend naar de horizon.

Terwijl ik terug naar mijn huisje loop, denk ik na over dit gesprek. Zo had ik het ook kunnen doen. Ik had ook een halve hectare grond voor mezelf kunnen hebben. Dan zat ik midden in het provinciale Brabant, midden tussen akkers en bosjes in de heerlijke stilte. Maar dan was er zelden iemand die mij bezocht. Hoe anders is het op Frijlân! Het is de grootst denkbare tegenstelling. Een eigen voedselbos is leuk, en het is gaaf als je je creativiteit ongestoord kan uitleven. Maar ik doe het niet voor mezelf alleen. Daarom ben ik hier. Nu.

.

.

Dikke stromen mensen gaan dezelfde kant op. Een raadsel!

 

.

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Een koelhuis vol kinderen

..

Er staan vier grote auto’s op de inrit naar de geitenboer. Wat is er aan de hand? Ik zet mijn fiets neer, pak de lege melkflessen uit mijn fietstas en maak het grote hek open, net ver genoeg om erdoor te kunnen. Ik kijk het erf over. De deur naar de melkstal staat op een kier. Ik zie een flits van lang blond meisjeshaar. Ik loop er niet heen, maar ga verder naar het koelhuis, waar de volle tank staat. Als ik door de open schuurdeur naar binnen kijk, zie ik aan de andere kant een grote drom kinderen. Door de kleine deur komen ze het koelhuis binnen stromen en de kleine ruimte is in één keer vol. Verrast kijk ik om me heen. Zo druk heb ik het hier nog nooit gezien. “We krijgen een rondleiding!” roept iemand me enthousiast toe. De geitenboer sluit de stoet en concentreert zich op zijn verhaal.
“Zal ik later terug komen?” roep ik naar de boer, maar ik krijg geen reactie. Zijn rode krullenbol steekt hoog boven de kinderhoofden uit en hij begint te vertellen.

“Hier gaat de melk naartoe.” Hij wijst naar de koeltank en vertelt een verhaaltje over de melk die warm uit de geit komt. Hij vraagt de kinderen wat er gebeurt als je de warme melk niet koelt. Een  meisje zegt aarzelend dat de melk dan dik wordt, maar verder weten de kinderen niet zo goed wat er dan gebeurt. Kennelijk zorgen hun moeders er wel voor dat er nooit zure melk gedronken wordt. Een wijs jongetje stelt technische vragen, de anderen luisteren, tot de boer is uitverteld en de kinderen naar buiten hollen.
Ik kijk afwachtend naar de boer, benieuwd of hij tijd heeft om mijn flessen te vullen. Hij blijft rustig staan, neemt grijnzend de twee flessen in ontvangst en draait zich om naar de koeltank. Wanneer hij gehurkt op de grond de grote kraan opendraait, staan er drie meisjes door het open raam naar binnen te kijken. Een levendige brunette met lang krulhaar buigt zich ver voorover. Ze wil alles zien. Als de ene fles vol is vraag ik haar: ”Wil je voelen hoe koud hij is?“ Haar bruine ogen glimmen en ze voelt aan de fles. “Oh ja, koud zeg!” roept ze. Nu willen opeens een heleboel meisjes voelen en één voor één raken ze het koude glas gevuld met het witte romige geitenmelk.
“Mwwwuh.. warm!” roept een eigenwijze dreumes.
“Jij bent zeker een eskimo,” zeg ik en verlegen lacht ze. Ik trek mijn hand terug door het raam de koelruimte in, om de andere fles ook aan te pakken, die de boer inmiddels keurig tot de rand toe heeft gevuld. Als ik even later de flessen in mijn fietstas stop, zijn de kinderen de melk alweer vergeten. Het eten staat klaar. Alle kleine voeten gaan op een drafje richting het huis.

Terwijl ik op mijn fiets stap denk ik aan Frijlân, de plek waar ik straks heen ga. Ook daar zullen kinderen zijn om te spelen en te leren op de boerderij. “Leren van nature,” wordt de slogan. Wie weet kom ik vaker in zo’n kinderdrom te staan. Als ik wegfiets over het asfalt, waait een frisse wind om mijn hoofd en zonlicht schijnt over het boerenland. Nog even en het zal ander land zijn, waar ik fiets, waar ik de lente zie ontluiken, een ander land en Friese kinderen. Zou er ook een geitenboer zijn?

In de Metaal Kathedraal

.

.

“Ik ben Alowieke, Ambassadeur van de Leegte,” zeg ik tegen de man van het kabinet, die zoëven nog achter zijn bureau zat. Maar ik praat tegen zijn rug, want razendsnel heeft hij zich omgekeerd en zegt tegen iemand achter een gordijn: “Is Abel er? Hij heeft een afspraak met de Ambassadeur van de Leegte.” Ik dacht dat ik hem zou verrassen met mijn woorden, dat hij op zou kijken met een verwonderde blik. Dat hij met een mond vol tanden zou staan. Niets van dit alles. En nu ben ik degene die sprakeloos is.
Hij loopt de kille hal in van de oude kerk, die een paar jaar geleden ”De Metaal Kathedraal” is genoemd. Het nieuwe leven bruist in de stenen buik van het gebouw. De stralende nazomerzon probeert mij door de openstaande achterdeuren naar buiten te lokken, naar het terrein dat er achter ligt. Wat is daar? Ondanks mijn nieuwsgierigheid blijf ik staan.

Ik kijk de man van het kabinet zwijgend na. Boven mij hangt de zware kettinglier aan de ijzeren balk. Een bekend gezicht voor mij als ex schipper. Ik ken de slome bewegingen van het zware staal, dat gelast of gestraald moet worden. Ik voel de rust van de schipper in mij, als ik ernaar kijk.
Mijn rust staat in groot contrast met de hectiek van het moment. Ineens komt er een vrouw uit een andere deur. De weglopende man van het kabinet draait zich naar mij om en zegt: “Dit is Maureen, onze Hemelbewaarder. Ik moet nu even in gesprek met haar. Ik zal de Aalmoezenier een seintje geven dat je er bent. Abel zal vast in de buurt zijn.” De twee verdwijnen achter een deur.

Ik ga midden in de grote lege hal staan, op de zanderige stenen vloer. Hier blijf ik staan, besluit ik, net zolang tot er iemand komt aan wie ik me voor kan stellen. In mijn hand heb ik het stapeltje visitekaartjes, de afbeelding heb ik gisteren getekend en uitgeprint. Het is mooi geworden. Er staat een groot donkerblauw ei op, met een bokaal erin. Uit het bokaal stijgt een rustteken omhoog. Het is het rustteken uit de muziek.
“Alowieke, Ambassadeur van de Leegte, ” staat er op. Het beeld en de tekst, het vat alles samen waar ik voor kom. En eigenlijk is die naam helemaal niet zo vreemd, op deze plek. Als hier ook een hemelbewaarder en een aalmoezenier rondloopt, dan kan je vroeg of laat een ambassadeur van de Leegte verwachten. Ik glimlach.

Na een half uurtje komt er een vrouw uit een open deur in de hoek. “Stadsherberg” staat er boven. Ze stelt zich voor als Lotte. Ze neemt me mee naar binnen en nodigt me uit om mijn verhaal te vertellen. Ze schenkt koffie in. De suiker is zoek, maar iemand vindt een pot versuikerde honing. Ik vertel haar over mijn plannen en ze luistert aandachtig. Als we klaar zijn met onze bespreking lopen we naar buiten, de zon in. Ze laat me het hele terrein zien. Als we terug komen staat er een man bij de deur. Het is Abel.

“Sorry dat we je zolang hebben laten wachten,” zegt Abel. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet erg vind, als Ambassadeur van de Leegte. Naast hem staat Lotte, met blozende wangen. “Alowieke heeft me zojuist van alles verteld,” legt Lotte hem uit. De vrouw straalt van enthousiasme. Ze werkt hier nog maar drie weken, ontvangt vrijwilligers en voelt zich helemaal thuis. “Alowieke wil een plek maken…” begint Lotte en aarzelt om haar zin af te maken. “Nou ja, vertel het zelf maar,” lacht ze tegen mij. Ik vertel.
“Ik wil hier een plek van Leegte maken. Het wordt een ei, twee-en-een halve meter hoog en rond van binnen, zonder hoeken.” Abel kijkt me aandachtig aan. “In het ei zit een rond eivormig gat, daardoor kan je naar binnen.” Ik ben even stil en kijk nadenkend in de verte. “Het is voor één persoon, ” zeg ik dan. “Je kan ook naar buiten kijken, door het eivormige gat. Binnen is leegte en buiten is rust en er is water en er groeien bloemen.”
Verbaasd kijkt Abel me aan. “Maar waarom kom je daarvoor bij òns? Dat vind je hier toch niet.. rust, water en bloemen?” Ik kijk hem fel aan. “Juist daaròm. Juist omdat het hier zo hectisch is wil ik dit voor jullie maken!”
Abel kijkt me verrast aan, glimlacht en zegt dan langzaam, “Ja… We kunnen zo’n plek scheppen…”

De ontmoeting met Abel is kort. Abel, en ook Lotte, wordt weggeroepen. “Ik zal erover praten met Maureen,” zegt Lotte nog, “Die gaat hier eigenlijk over..”

Ik weet genoeg. Dit is een goed begin. Ik kom hier terug, op een ander moment. Ik loop door de grote hal naar voren. Naast de ingang is een houten trap. Die had ik al gezien toen ik binnenkwam, twee uur geleden. En ik weet dat daarboven iets heel bijzonders is. Dus het enige wat ik nog wil doen is dit, om in mijn eentje nog hèèl even op die prachtige zolder te gaan kijken…

.

Zo’n zolder heb ik werkelijk nog nooit van mijn leven gezien!

.

.

http://www.metaalkathedraal.nl/