Contact met de wereld

Luister hier naar het gesproken verhaal van 11 minuten.

.

.

 

Ik kijk uit het raam naar de uitgestrekte vlakte. Daar heb ik alle tijd voor, want mijn telefoon doet het niet en internet ook niet. Ik wacht op mijn nieuwe Simkaart. Daarom blijf ik staan waar ik sta, want hij wordt bezorgd bij Hiske. Hiske woont zes kilometer verderop. Ze weet dat ik hier zit. Zij zal hem naar me toe brengen zodra ze hem ontvangt. Dus blijf ik staan. Hoe lang nu al? Vijf dagen tel ik.
Het uitzicht is magnefiek, ik zie de ene na de andere indrukwekkende wolkenlucht en het verandert continue. Hier vind je grootschalige akkerbouw, maar ook de langste weg van Nederland, de Bildtdijk. Daar kijk ik op uit. De rij dijkhuisjes gaat wel meer dan veertien kilometer door. Het hoogste nummer is om en nabij de 1200. Er zijn verschillende dorpen en buurtschappen langs de dijk.

Ik sta langs een landweg, gemaakt van betonplaten. Als ik de betonweg verder afrijd, kom ik vlak langs het bord “Westhoek.” Vanuit mijn raam kan ik het nog net lezen. Langs de weg zijn bietenplaatsen gemaakt, voor de boeren. Die zie je hier overal. Maar het is nog geen tijd voor de bieten. Voor zolang het duurt zijn het ideale plekken om even je Wandelhuisje te stallen. Er is niemand die daar moeilijk over doet.
Ik sta naast drie weides. In twee kleintjes staan de paarden. Gisteren stonden ze in de grote wei, maar de grote wei is vandaag bezet. Er staat een partytent in. Dit weekend is de jaarlijkse barbeque van de buurt. Er hollen jongetjes en meisjes op het gras. De hele dag hoor ik vrolijke kinderstemmen, want de stille betonweg is ideaal om als racebaan te gebruiken. Ik zie een skelter, een driewieler en een fietsje vermomd als brommer met een echte uitlaat die ratelt. Meisjes met blonde lange haren, kleine stoere jongetjes die headbangend doortrappen en weer omkeren. Ik sta buiten. “Ik heb al wat lekkers op!” roept het meisje op de skelter, als ze ziet dat ik groenten snij. “Het was eh.. het was… een broodje gehakt!”.

De volgende ochtend regent het langdurig. Maar dan breekt als bij toverslag de zon door en de rest van de dag is de lucht boven ons hoofd egaal blauw. Steeds meer kinderen weten mij te vinden, hartstikke leuk als dat bovendeurtje opengaat en er is een hoofd dat wat terug zegt. Als ik er drie tegelijk naar mijn deur zie staren kan ik twee dingen doen. Een poppenkastvoorstelling geven of weggaan. Ik besluit het laatste. Maar hoe moet dat dan met mijn Simkaart? Ik sta buiten voor mijn huis te denken wat ik zal doen. Zal ik naar Hiske om te melden dat ik gewoon door trek en dat ze me dan maar moet opzoeken? Tja…

Precies op dat moment stopt er een auto. Er stapt een man uit. Ik kijk er niet van op dat er mensen stoppen om te weten wat het allemaal voorstelt wat ik heb neergezet. Maar dit komt precies op tijd. Na een korte kennismaking biedt hij me aan me naar Hiske te brengen. We gooien mijn fiets achterin en al gauw gaat het gesprek over muziek. Ik vertel dat ik zing, en fluit en wat piano speel. “Begeleid je wel eens liederen van Schubert?” vraagt hij. “Nee,” zeg ik. Ik houd mijn mond maar. Graag had ik veel meer gedaan in de muziek, maar het lag niet op mijn pad. Maar wel op het zijne! Hij is pianist en hij is helemaal weg van de cellospeelster Jaqueline Du Pré. Ik luister vol aandacht naar de warmte in zijn stem, wanneer hij over haar praat. Hij blijft maar over haar vertellen, over haar magische muziek, hoe ze MS kreeg, haar korte leven, over films van haar. De namen van de makers is hij vergeten. “Ik word oud,” zegt hij. Wanneer we voor het huis van Hiske aankomen, blijf ik nog een kwartier in de auto zitten, zodat hij het verhaal af kan maken. Bij vertrek geeft hij zijn telefoonnummer. Als ik ook helemaal weg ben van Jaqueline Dupré, dan vindt hij het leuk als ik hem bel.

Hiske is thuis. Ze heeft zelfgebakken broodjes en het is lunchtijd. Ik schuif aan. Ik vertel haar over mijn koerswijziging, niet door Groningen langs de kust, maar terug en dan landinwaarts. In de eerste plaats omdat ik hoofdpijn krijg van elke dag urenlang in de wind lopen en tegelijkertijd al die gesprekken voeren. En ik zie ertegenop straks wéér een winter in dit kale land door te brengen. “Ach wat zonde!” reageert ze vurig “Ik vond het zo’n mooi plan, de Groningse kust is prachtig, waarom ga je niet de uitdaging aan?”
“Ik zit hier nu een jaar. Ik mag de Friezen graag, maar die wind, daar heb ik schoon genoeg van,” zeg ik vastbesloten “En in Groningen zal het aan de kust niet veel anders zijn.”
Friezen die zeggen dat zij de wind nooit zat zijn, die wonen wèl in grote stenen huizen die nooit wiebelen. En ze hebben een auto om mee naar de stad te gaan. Fietsen in de wind, dat doen ze als ze er zin in hebben, niet omdat het moet omdat de voorraad op is, of omdat je nou eenmaal tien pianolessen hebt besproken op een vaste tijd. Het is al gauw twee uur heen en twee uur terug. En als je pech hebt is alles nat van de regen en je huis is te klein om al die natte dingen steeds maar te drogen te hangen. Ga eerst maar eens een jaar in mijn huisje wonen, midden in de open vlakte. Daarna spreken we elkaar wel weer. Dat gaat allemaal in een flits door me heen. Maar daarover heb ik het niet met Hiske. Er is iets wat veel belangrijker is.
“Mijn uitdaging is een andere,” zeg ik “Ik koos voor de meest rustige route omdat ik bang was, bang voor de drukte midden in het land,” Hiske luistert stil en aandachtig naar me. “Maar nu heb ik me bedacht. Op mijn huisjes staat: Kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen. Mijn uitdaging is juist het drukke midden op te zoeken, daar kan ik mijn protest duidelijk maken. Daarom keer ik om. Maar ik vind het wel reuze dat ik helemaal in Zwarte Haan ben geweest, het Finisterra van het Noorden.” Hiske begrijpt het onmiddellijk, ze knikt stil. Het is de eerste keer dat ik het hardop zeg. Het nieuwe plan is leven ingeblazen. Even later lopen we samen naar de brievenbus. En, boven verwachting, de Simkaart zit er in! Ik ben precies op het juiste moment gekomen, met dank aan de pianoman.

Soms is het leven net als surfen. Als je precies op tijd klaar staat, dan kan je zo mee.

.

 

.

In de schaduw van een rijk verleden

.

.

Luister hier als je mij wilt horen voorlezen.

.

Elke keer wanneer ik een stukje verder trek, stap ik een wereld in van weer andere mensen. Ik zoek ruimte om te landen, als een vlinder op een bloem. Lang genoeg om de geur te leren kennen, de nectar te proeven en me te omringen met de kleur die zo eigen is aan elke unieke plek. De bloem geniet van de vlinder en de vlinder van de bloem. Nu ga ik naar Nynke en Michiel, die wonen op de oude grasdrogerij in Tsjeintgum. Het moet een inspirerende plek zijn, waar twee-en twintig jaar jang een bekende kunstenaar woonde en werkte.

Het is nog vroeg, wanneer ik vertrek. Het is niet ver, maar vijf kilometer, van Weidum naar Tsjeintgum. Ik kijk naar het acculampje. Die staat nog op “vol”. Ik loop zo langzaam, dat het bijna geen energie kost. De accu laadt tegelijkertijd bij, al zal het nu nog niet veel zijn, met dit prille ochtendlicht.
Ik ga de bocht om, door een laan met aan weerszijden bomen. Aan het einde ervan loop ik Mantgum in, langs het cafetaria, de kerk en het weitje met de schapen. Een moeder met een klein meisje staan te kijken. “Dit is een wandelhuis!” roep ik “Ik reis met energie van zonnepanelen!” De vrouw lacht geïnteresseerd. “Wat een goed idee!” roept ze. En ik loop verder, de statige huizen langs die het dorp rijk is, tot ik het spoor oversteek en ik het bord zie van buurtschap “Tsjeintgum.” Daar is het, achter die dichte bossages is mijn nieuwe stek.

Nynke en Michiel zijn er nog niet, ze komen wat later, zeiden ze aan de telefoon. Ik kon rustig mijn gang gaan, voegde hij er aan toe. Ik parkeer mijn huisje op de betonplaten omringd door Japanse duizendknoop. Er is een doorkijkje naar de weiden waar twee koeien staan. Eentje staart me aan en loeit. Ik groet terug, gelukkig is hier toch een levend wezen. De stilte is vreemd. Ik voelde me al helemaal thuis in het dorpsleven van Weidum en mis het.
Ik open de deur om mijn fiets naar buiten te sjouwen. Eerst wil ik het dorp in, eens kijken bij dat cafetaria, naast de kerk. Ik ben benieuwd naar de reacties.
Het is er druk. Er wordt een tafeltje bijgezet op het terras. Natuurlijk hebben veel mensen me gezien. Eén voor éen komen ze naar me toe. Ze willen weten wat ik doe. Een klein gezelschap zit patat te eten. “Ik reis en schrijf een boek,” vertel ik. “Nu sta ik op het terrein waar de kunstenaar Mander woonde.” “Mader,” verbetert één van de mannen. “Hein Mader. Hij was een vriend van mij. Mooie vent, maar flink ziek op het laatst. Ook ziekzijn deed hij op zijn eigen manier. Overdag sliep hij onder zijn bed, en ’s nachts erboven. Ritme moet er zijn,” zei hij, “Zo wassie.”
Ik denk aan het erf waar ik de komende dagen zal verblijven. Bijzonder dat ik hier nu terecht kom. Een aantal grote beelden van hem zijn achter gebleven, en vormen langzaam maar zeker één geheel met de bomen en struiken er om heen. Zo is zijn schaduw nog steeds aanwezig op de plek waar hij zo lang woonde. Een schaduw, die langzaam wordt opgeslokt door de wildernis.

Die avond steken we het vuur aan. Nynke en ik kijken toe, terwijl Michiel het werk doet. Deskundig hakt hij kleine houtjes en stapelt ze luchtig tegen elkaar aan. Toch wil het niet meteen branden. Aandachtig volgen Nynke en ik zijn bewegingen. In mijn hand heb ik een heerlijk glas wijn die zacht en stevig smaakt. Ik ben benieuwd bij wie ik ben terechtgekomen en mijn gastheer en vrouw zijn net zo nieuwsgierig naar mij. De sfeer is licht en ontspannen. Ze vertellen over het huis. Het zijn twee arbeiderswoningen, aan elkaar. Zij hebben er hard aan gewerkt om er een mooi geheel van te maken. Iedereen vraagt hen: “Wanneer is het af?” Ik glimlach, dat is herkenbaar. Het is net zo’n vraag als: “Waar ga je naar toe?” Inmiddels zijn er al zeven jaar voorbij en af is het nog steeds niet. Gelukkig wisten ze niet waar ze aan begonnen, destijds. Anders hadden ze het nooit gedaan. Maar nu zijn ze erg gelukkig en genieten met volle teugen, samen met hun eenjarige dochtertje.

.

.

De volgende dag wandel ik samen met Nynke over het terrein. Overal op het beton groeit sedum. Tenmidden van dat tapijt van vettige kleine blaadjes, staat een beeld dat Mader maakte, een gekrulde vorm met een horizontaal licht gebogen blad erin. Het straalt rust en harmonie uit en het kan draaien op zijn as, net een bloem! Nynke vertelt. “We zijn door zijn familie uitgekozen omdat wij respect hebben voor wat Hein achterliet. Maar dat was ook best lastig. We hebben er heel wat werk aan gehad om ons deze plek eigen te maken,” zegt ze. “Hij is op dit terrein doodgegaan, een gepassioneerde beeldhouwer. Het lag overal vol met materialen, staal, steen, gereedschappen, Hij was er dan wel niet meer, maar toch ook weer wel. Het was moeilijk om daar een eigen weg in te vinden.” Ik knik begrijpend en net op dat moment komt er gehuil uit het huis. “Elvike is wakker, ik moet naar haar toe!” zegt ze en ze is meteen verdwenen.
Elvike is nog maar veertien maanden. Wat zal ze hier heerlijk kunnen opgroeien, in dit paradijs voor jonge ontdekkingsreizigers! Onder de duizendknoop door is een pad, de lange stengels buigen diep door over de betonplaten eronder. Het meisje zou er zo onderdoor kunnen wandelen, maar ik niet. De zon is zinderend heet en de schaduw onder de dicht opeenstaande planten is weldadig. Ik kruip onder de stengels door en weet niet waar ik uit kom.
Ik kom een brok steen tegen, er zijn diep geulen in gehakt. Het is bijna verdwenen onder de groene stengels. Ernaast liggen een paar oude boomstronken. Dit is de schaduw van Hein die ik tref. En daar tussen zie ik opeens Elvike, balancerend op haar babybeentjes, lachend en onbevangen. Wat een contrast.

Als ik gelijk was vertrokken, dan had ik deze plek nooit de aandacht kunnen geven die het verdient. Het is het verhaal, dat mijn tempo bepaalt, niet de snelheid van mijn wielen.

.

.

O, die heerlijke onvolkomenheden

 

.

.

 

De kop koffie is lekker warm in mijn handen. Het onweer, waar ik zojuist nog middenin fietste, heeft de lucht afgekoeld. Ik zit aan tafel bij Anneke, in het kleine huisje naast de boerderij. Anneke is een levendige vrouw van vijftig. Ze speelt contrabas en maakt theater. Ooit had ze ook een groot schip, net als ik. Haar stem is lager dan de mijne en ze kan ruig en stoer doen. Net als ik klimt ze nog steeds in bomen. Het huisje heeft uitzicht op de weilanden. Door het raam zie je het lichten en ik hoor de donder in de verte wegtrekken.
Ik kijk om me heen, ik zit hier voor het eerst. Aan tafel zit Maria, in serieus gesprek verwikkeld met een bezoeker. Haar lange blonde haar hangt over haar armen en over de houten tafel. Naast mij zit een jongen van vijftien met blonde krullen, het is Anneke haar zoon Sebe. Hij kijkt me aan, alsof hij een gesprek wil aanknopen en niet weet hoe. “Hoe vond jij het om in het onweer te fietsen?” vraag ik hem. Het is een startschot. Meteen raken we in een levendig gesprek verwikkeld.

Heerlijk zo’n huiskamer vol mensen, zo onverwacht. Hoe kom ik hier verzeild? Het komt omdat hier geen brug is. Aan de oever van het met rietomzoomde riviertje zijn vier steigers. Aan één ervan ligt een grote roestige roeiboot. Er hoort een zeil op en er is een mast. Jochum heeft die al zijn leven lang op een volle, stoffige zolder liggen en ze zijn nooit gebruikt. Wel liggen er roeispanen in de boot. Die doen bijna dagelijks hun werk. Verderop ligt nòg een boot, die iets kleiner is, maar de grote is het handigst. Daarmee steken we over, soms met fiets, grote zakken boodschappen en al. Ook onze gasten halen we op met de boot. Langs de Swette fietsen en dan oversteken, het scheelt vier kilometer.
Vanavond was ik niet de enige die zeiknat naar huis fietste. Terwijl ik mijn fiets aan het hek vastmaakte zag ik aan de overkant Anneke ploeteren. Ze had Sebe over gevaren, die ook laat thuis kwam. Hij stapte net de steiger op en zij was bezig met het touw. Ik gaf een harde kreet. Ze zag me staan en vloekte lachend, “Ik ben net over en nou moet ik weer terug om jou te halen!” Ze maakte het touw weer los en kwam meteen naar me toe varen, want al moppert ze luidruchtig, ze meent er niks van en heeft een hart vol gastvrijheid.

Ik zit in mijn Wandelhuisje en laat alle belevenissen door me heen gaan. Ongemak schept een band. Als er een brug was geweest, dan was het hier een stuk saaier. Gebrek aan een brug breekt het ijs. Anders had ik geen koffie gedronken bij Anneke, in een huiskamer vol mensen. Ik glimlach voor me uit. Het is stil, en de vogels fluiten. Mijn huisje staat midden op het veld, rondom lopen af en toe mensen. Het gras groeit hoog op onder mijn raam, ik heb geen hek of haag, het regenwater uit de goot maakt de klei bij mijn deur tot blubber. Dankzij al die onvolkomenheden is alles zoals het moet zijn.
Ik sla een maf boekje open, over plantenleven, ik kreeg het gisteren van een vriendin. Ze had het dubbel. Er staan filosofische stukken in over plantenzielen, elfjes en faunen. Zou die mevrouw dat allemaal zelf zien, vraag ik me af. Ik kan het nergens uit opmaken. Maar misschien is dit nou net een boekje om als orakel te gebruiken. Na kort bladeren kies ik een bladzijde en steek mijn vinger er in. Die vinger wijst naar deze zin: “Zodra één lid der gemeenschap uitvalt, is de harmonie verbroken en begint het verval.” Haha, lach ik. Dus ik mag hier niet weg voorlopig. Nou dat is goed. Het bevalt me eigenlijk wel, deel zijn van een gemeenschap.

Even later hang ik over de onderdeur en voor me staat boer Jochum. Ik zeg hem dat ik blijf. Dat het mijn bedoeling is om elke plek waar ik ben, mooier achter te laten dan het was. Hij knikt. “Het is nog niet klaar,” zegt hij. “Nee, het is nog maar net begonnen” vul ik aan en leg uit wat mijn bedoeling is. “Als je iets wilt, dan ben ik er om met je mee te denken en om te helpen met de uitvoering.” Tevreden lacht hij me toe en we schudden elkaar de hand. Een handige en sociale meedenker, dat kan hij goed gebruiken, zeker als die persoon ook nog een eigen gereedschapswagen bij zich heeft.

Het project “Met ’t Wandelhuis de landsgrens langs,” blijft tegelijkertijd bestaan. Ik begin dit jaar met korte stukjes, eerst maar eens naar de dijk, langs de Waddenzee. Dan kan ik eetbare planten zoeken op zilte grond. Zo kan het project langzaam groeien, langzaam, precies wat de bedoeling is. Groeien, als een vrucht aan de boom. En als die zwaar genoeg is, dan valt hij vanzelf in mijn hand.

.

De zin in de tekening komt uit het boekje “Plantenzielen” van Mellie Uyldert. Het komt uit het hoofdstuk over heidegebieden en gaat onder andere in op de rol van de schaapherder.

Het nodige om te gaan

.

.

Ik, Sankofa, luister naar de Stem uit het Verleden. Ik ben het symbool voor grondige keuzes. Je kan snel en enthousiast een nieuw leven inspringen of wegvliegen vanuit wanhoop. Maar ik vraag om rust. Het ei op mijn rug vraagt er om gekoesterd te worden en bergt verhalen in zich van wat is en was. Het kijken er naar maakt je keuze meer levensvatbaar.

.

Bij toeval kwam ik erachter dat er zondag een toneelvoorstelling zou zijn. Ik besloot er heen te gaan en daar sta ik nu. Het is een klein theater in het centrum van Leeuwarden. Ik zet mijn fiets neer, ga naar binnen en kom in een kleine hal die naar koffie ruikt. Drie mensen staan te praten achter een brede balie. “Heeft u al vooraf betaald?” vraagt iemand. Ik knik. “Ja, ik zag de titel op de folder en heb meteen online een kaartje gekocht.”
De titel van de voorstelling is namelijk: “Het vertrek”. Dit kan ik niet missen, in deze dagen, dat ik me voorbereid op mijn eigen vertrek.
Wat neem je mee, wat laat je achter? Het heeft mij jaren gekost, voor ik zover was, dat ik kon gaan. Dit stuk gaat over een dergelijk proces. Maar dan weer heel anders, want elk verhaal staat natuurlijk op zich. De acteur is een man, ooit wilde hij van alles het beste en van alles kocht hij er twee. Maar zijn twee mannen hebben samen hun hielen gelicht en nu is hij alleen en wat is het leven nog als er geen liefde is. Het valt hem zwaar. Wat moet hij hier nog, in dit oude huis?

Op het toneel staat een antieke telefoon. Je moet er aan slingeren, dan doet hij het. Af en toe belt de acteur de Stem van het Verleden. Hij wil weten waar het rode doosje is gebleven met zijn kinderdromen. Het is het enige waar hij belang in stelt. Verdorie, hij heeft het nodig om te kunnen gaan en hij zoekt zich te pletter. Had de Stem het expres verstopt? Waar is het? Waarom laat hij hem niet vertrekken? Geërgerd vraagt hij het aan de Stem van het Verleden, totdat hij er hondsberoerd van is en geen oog meer dicht doet. Dan, uiteindelijk, vindt hij het. Een doosje, bekleed met glimmendrode stof. Er zit een piepklein muziekdoosje in waar je aan kan draaien, met een piepklein muziekrolletje. Blij als een kind draait hij aan het miniscule slingertje. Teder klinkt een zachte metalige melodie. Dit is alles. Verder heeft hij niets meer nodig. En hij gaat.

En nu is het toneel leeg, het stuk lijkt afgelopen. Eén van de achtergebleven dozen is achteloos op de piano gezet. Ik kijk ernaar en zie een hoofd bewegen. O ja, weet ik ineens, daarachter zit nog steeds de pianist. Hij steekt zijn hoofd boven de piano uit en kijkt rond, verbaasd dat hij nu alleen is. Oplettend kijkt hij rond. Is hij echt alleen? Een brede grijns verschijnt op zijn gezicht, hij rent doelbewust naar één bepaalde doos, kijkt er in, pakt hem en smeert hem, het toneel af. De mensen lachen en klappen, de voorstelling is afgelopen. Nog één keer komen de twee jongens terug, de pianist en de acteur. Alleen de derde personage ontbreekt. Dat is de Stem van het Verleden, de altijd stille aanwezige.

Α….∞….Ω

Het stuk maakt je filosofisch gestemd. Ik praat na met een kunstenares. Ze is klein en tanig, met lang blond haar. Ik leerde haar vanmiddag kennen in haar eigen atelier en tot mijn verrassing is ze hier nu ook. Ik kijk haar aan en vertel wat ik gisteren meemaakte. “Op de markt, bij een kledingkraam, kreeg ik het aanbod om Tiny Houses te helpen bouwen in India, op een camping. Het was een spontane uitnodiging van de Indische marktkoopman.” Ik vertel er bij dat ik Nederland maar heel zelden heb verlaten.
“Waarom niet?” vraagt ze dan. Ik denk na. “Ja, hoe zal ik het zeggen… Eigenlijk past dit verhaal heel goed bij het stuk,” zeg ik. “Het antwoord gaat ver terug. Er is een moment dat ik nooit meer vergeet, hoewel ik gewoon in het Emmeloordse bos liep. Ik was zestien, ik weet nog precies waar ik was, toen ik besloot mijn dromen niet alleen te dromen, maar ze ook grond te geven. Alles wat ik mee zou maken zou mij helpen om dit te kunnen doen, wat ik ook tegen zou komen.”
“Waar was je?” vraagt ze.
“Bij de vijver van het hertenkamp,” antwoord ik en ga meteen verder. “Ik besloot om altijd aandacht  te hebben voor waar ik me begeef en nooit te vluchten. En jemig, wat gebeurde er veel in mijn leven. Ik kreeg de ene klap na de andere. Ik nam er de tijd voor om het te verwerken. Sommige mensen zouden me een pechvogel noemen, maar ik wist dat het precies de ervaringen waren die ik nodig had om te leren staan. Zonder hartgrondige balans kan een mens niet aarden, niet hier, laat staan ergens anders.. En dromen blijven zweven zonder wortels.”
Ze kijkt me nadenkend aan. “En wil je tóch het land uit, naar India?”
“Ik weet het niet. Er is altijd een sterke verleiding om meer van de wereld te zien. Maar er is hier veel te doen. Het is belangrijk hier te zijn, dat denk ik steeds weer. Daarom ga ik zo langzaam. Daarom ga ik straks maar drie km per uur en ben ik nog steeds niet vertrokken. Nederland boeit me. Dit is het land waar ik geboren ben.”

We kijken even stil voor ons uit. Dan kijkt ze me aan. “Ik moet gaan. Ik vond het een mooi gesprek.”
“Ik ook,” zeg ik “Dank je!”
Ik glimlach en kijk haar na.

.

Wat heb je nodig om te gaan? Voor de één betekent het vergeten herinneringen terug te vinden aan de kindertijd. Voor de ander is het de herinnering aan een ooit gemaakte keuze om niets uit de weg te gaan, ergens bij een vijver. Weer een ander worstelt met een angst of een gemaakte fout, die eerst onder ogen wil worden gezien. Wat heb je nodig om te gaan, dat is de vraag.

.
In een van mijn vorige blogs sprak ik over Kairos, en rebelse gaten in dichtgetimmerde tijd. Sankofa is de Afrikaanse variant van Kairos. Net als Kairos vraagt ze om innerlijke rust. Wordt Kairos geschetst als een gespierde man, die je bij zijn staart moet vatten om het juiste moment te grijpen, Sankofa is de vrouwelijke kant ervan, afgebeeld als een vogel met een ei op de rug. Ook in Kairos zijn momenten van stille beschouwing. Er is een zorgvuldig terugkijken naar het verleden. Toch is dat in zijn afbeelding alleen terug te zien in de weegschaal, die het wikken en wegen symboliseert. Verder straalt zijn gestalte vooral mannelijke kracht en actie uit. De vrouwelijke Sankofa met het ei, het is precies de aanvulling die de afbeelding van Kairos nodig heeft. Samen vormen de twee een perfecte uitdrukking van hoe keuzes te maken op het juiste moment.

.

 

.

.

Het theaterstuk met Koos van der Wal: je kan je inschrijven als je belangstelling hebt voor een aparte voorstelling, op nader te bepalen plaats in het Noorden van het land. Die gaan we nog vinden. Vooral de regisseur, maar ook de acteur, zou heel graag een voorstelling met nagesprek hebben, samen met mensen die allemaal bezig zijn met het onderwerp “Vertrekken.” Geef je mailadres aan mij door als je interesse hebt. (tt.alowieke@gmail.com)

 

 

 

.

Het meisje dat het hooi kwam halen

.

.

Hooi is mooi. Geurend hooi in een kleine baal met een touwtje erom is een kunstwerk. Het laat de schoonheid zien in gewone dingen, die we soms bijna vergeten zijn. Ik sprak met een jonge Friezin die een kar vol balen kwam halen.

.

“Als je de hooizolder nog wil zien, moet je nu gaan, want ze komen het halen,” kwam boer Jochum mij zeggen. Ik klom de ladder op tussen balken vol spinnewebben. Ik dook in het hooi en rook de zoetige geur die doet denken aan vroeger, toen de balen nog niet door grote stalen grijparmen werden ingepakt met enige tientallen lagen lichtgroen of zwart plastic. Die wereld lijkt heel ver weg op deze plek.

En nu staat daar een grote kar, half in de schuur geparkeerd. Ik hang over mijn onderdeur en kijk toe. Jochum gooit de balen in de schuur naar beneden. Vader en dochter geven de balen aan elkaar door en de stapel op de kar wordt hoger en hoger. Tot het vol is en tijd voor vertrek.
Om weg te kunnen, moet de vracht eerst een heel krap hoekje om, vlak langs de oude boerderij. Terwijl de mannen staan te kijken hoe dat het beste kan, begin ik een gesprek met de jonge vrouw. Ze is begin twintig, haar donkerblonde haar is nonchalant opgestoken zodat het niet in de weg zit. Ze kijkt me levendig aan met haar blauwe ogen en wil graag mijn huis zien. De buitenkant vindt ze mooi, maar van de binnenkant is ze pas echt onder de indruk. Samen staan we op het bordes en kijken over de onderdeur heen naar binnen, terwijl de trekker de eerste pogingen doet om de kar de bocht om te krijgen. Vooruit, achteruit en weer terug, vlak langs de bakstenen muur.
“Het zou mooi zijn als je hier echt mee ging trekken,” zegt ze en ik lach opgewekt. “Ja! Dat is ook de bedoeling. Ik dacht eerst dat ik met paarden of muildieren zou reizen. Maar dat is geen optie.” Ze kijkt nadenkend. “Ja dan moeten het wel heel zware dieren zijn. Kan het niet met iets anders? Een trekker?” Grijnzend wijs ik naar de stal. “Daar staat hij! Mijn electrotrekker. Ik kan er maximaal tien kilometer per dag mee. Laden kan met de zonnepanelen die op mijn bagagewagen komen te liggen. Zo ben ik onafhankelijk, wat energie betreft.”
Ondertussen kijken we allebei naar de manoeuvres met de hooiwagen. Een baal steekt wat uit en houdt de boel tegen. De trekker neemt een nog ruimere bocht, tot vlak langs de oude auto die ingegroeid is tussen een paar vlierbomen. Ik hoor wat kraken, maar het effect is duidelijk. Hij komt een stuk verder.
“Tien kilometer per dag? Dat is niet ver,” zegt ze. Ik haal mijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Ik ben een keer twintig meter verhuisd met een woonwagen, gewoon voor een ander uitzicht. Dat was al een hele belevenis.” Ze knikt met een blik vol herkenning. “Ja, ik ben pas naar de andere kant van het dorp verhuisd, dat is ook al heel anders. Maar niet zo anders als Gent, waar ik een jaar heb gestudeerd. Mensen gaan daar toch heel anders met elkaar om. Ze draaien om de hete brij heen. Wij Friezen zijn meer recht voor zijn raap. Dat ben ik zo gewend. Maar ik ben blij dat ik weet dat het ook anders kan.”
“Zou je hier ooit weg willen?” vraag ik.
“Nee nooit!” zegt ze vastbesloten. “Ik woon nu met mijn vriend in een prachtig boerderijtje met twee echte bedstedes. Ik houd van Friesland, dit is mijn thuis. Ik wil hier nooit weg. Al weet je natuurlijk niet wat er gebeurt.”
“Fijn dat je een plek heb waar je helemaal thuis bent, ” zeg ik. “Dat heb ik niet meer. In de polder, waar ik geboren ben, daar is het niet. In Utrecht heb ik mijn netwerk, daar heb ik geschiedenis opgebouwd, daar heb ik mijn roots. Maar ik wil en kan niet terug naar de stad. Dus ik ben nu een echte nomade aan het worden, ” grijns ik.
“Ik ben benieuwd naar je avonturen, ” zegt ze. Ik doe een stap naar binnen en geef haar mijn kaartje. “Kijk maar. Er is van alles te beleven op mijn blog.” Blij pakt ze het aan. Voor hen die blijven zijn er altijd nog de verhalen van reizigers.

De trekker steekt voor de laatste keer, de uitstekende baal schuurt tegen de hoek van de boerderij langs, maar het lukt. “Ik moet gaan,” zegt ze. “Ik wens je heel veel plezier op je reis.” Ik glunder. “En jij ook, in je mooie boerderij met je vriend!” Ze lacht en springt het bordes af, om gauw in de trekker te stappen, naast haar vader, terug naar het dorp waar ze zo mee vergroeid is. Een mooie jonge Friezin, met een heel leven voor zich, dat is ze.

.

.

.

Hooien.

Dit is het andere beeld dat veel meer gangbaar is. Rijke boeren met veel land gebruiken met hun hightech hooimethodes niet alleen veel plastic, maar ook veel subsidie. In dit filmpje kun je zien hoe vernuftig de machines zijn, die ze daarmee kunnen kopen. Je kijkt je ogen uit. Maar de balans raakt zoek. Kleine boeren krijgen nauwelijks of geen geld en moeten wél investeren om zich te blijven aanpassen. Velen redden het niet. Onafhankelijkheid door specialisatie is een oplossing. Ik sta nu met ‘t Wandelhuis bij Boer Jochum. Hij heeft altijd zes koeien gehad en maakte kwark en yoghurt, die hij zelf naar de biologische winkel bracht. Daarbij voerde hij een camping, dezelfde als waar ik nu sta. Hij redde het net, het was hard werken. Nu hij zeventig is, kan hij iets rustiger aan doen en is hij gestopt met de zuivelverwerking. Jammer, ik ben gek op kwark.

.

Al ben je de enige

.

En altijd breekt de zon weer door

.

De lucht is grijs, de teller van mijn zonnepanelen blijft maar op nul staan. Het is de donkerste dag van het jaar, de dag van de zonnewende. Ik kijk geen filmpjes, ik luister geen muziek, de laptop staat dagenlang ongebruikt in de hoek. In plaats daarvan maak ik tekeningen, schrijf met pen op papier en speel dwarsfluit. De fluit ligt te glanzen op de vensterbank met een stuk van Bach en Teleman ernaast. Ik heb mijn zuiverheid geoefend en de lenigheid van mijn vingers op de zwarte noten getest, die als mieren over het witte blad kriebelen. Het gaat hartstikke goed, maar nu verlang ik naar frisse wind om mijn hoofd. Ik ben al te lang binnen geweest. En straks komen er drie studenten van de kunstakademie om een korte docu te maken over hoe ik leef. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog mooi een lange wandeling kan maken, voor ze er zijn.

Als ik terugkom loop ik voorbij twee bouwvakkers. De twee vijftigers werken stoer door in wind en mottige regen aan een nieuwe goot. Het is een grote goot en veel werk. Ik loop naar ze toe en bewonder hun werk. Ze stellen me vragen over waar de afvoer moet komen. Ik zeg dat ik het niet weet. Tot nu toe dachten ze dat ik ook een bewoner was, maar nu weet ik ze eindelijk duidelijk te maken dat ik hier te gast ben.
“O, ga je weg? En waarheen dan?” vraagt de dikste en de meest spraakzame van de twee. Kort vertel ik mijn plan. “Ik wil al wandelend de grenzen van Nederland af.”
“En hoe trek je je woonwagen dan?”
“Het is eigenlijk geen woonwagen, maar een wonderwandelhuis, ” begin ik. Daarna beantwoord ik zijn vraag. “Ik heb een electrische mover om er voor te zetten. En als ik dan door Nederland reis, dan kom ik vast en zeker mensen en plekken tegen die me boeien. Dan blijf ik daar een tijdje.”
“Ga toch naar het buitenland! Daarna kom je gewoon weer terug.” Hij begint enthousiast te worden.
“Ik heb geen terug. Ik ben er al. Nederland is mijn thuis. Door te trekken en mensen te ontmoeten kan ik straks overal terugkeren en thuiszijn.”
De man kijkt vaag voor zich uit. Ik vraag me af of hij wel luistert. Opeens begint hij te lachen. “Waarom zet je geen rendier voor je wagen?”
“Doe jij dat maar,” kaats ik terug. “En als je dan met je kar de lucht in vliegt, dan noemen we je Wodan.” Hij kijkt me verbaasd aan, zijn bolle gezicht verschiet en hij buldert van het lachen. Ja ik zie hem wel als Wodan. En ik geloof werkelijk dat hij zich gevleid voelt. Ik groet hem om terug te lopen naar mijn warme wonderwandelhuis. In de verte zie ik drie fietsen aankomen. Het zijn de studentes voor de film.

Ze zetten hun fietsen neer en ik wijs naar de bagagewagen. “Doe daar je tas maar in, met de spullen die je niet nodig hebt.” Ik laat ze binnen en geniet van hun jonge stralende ogen. Ze vinden mijn huis prachtig. Ze stellen vragen en filmen. Het ontwikkelen van je authenticiteit in vrijheid, daar gaat het over. Ze begrijpen goed hoe belangrijk het is om doortastende keuzes te maken, al ben je de enige en al ben je alleen. De dag wordt afgesloten met een prachtige zonsondergang. Met glimmende ogen pakken ze hun spullen om te gaan.
Vanuit mijn warme huisje kijk ik ze na en gloei van tevredenheid. Ik houd van zulke jonge mensen, die hun dromen onderzoeken. We hebben elkaar nodig, zij en ik.

.

De markt als wegwijzer

.

.

Ik sluit de deur van het kleine leskamertje. We hebben lekker gespeeld, mijn docent op de piano en ik op mijn nieuwe dwarsfluit, die nu al zo vertrouwd aanvoelt. Ik kijk nog even op de plek waar ik net nog stond. Er is al weer een andere leerling. Door het glas zie ik twee ruggen, een hele brede en een kleintje. Ik hoor de leraar een vrolijk riedeltjes spelen op het keybord en hij praat geanimeerd met het jochie naast hem. Ik draai me om naar mijn regencape. Onder de kapstok, op het neplaminaat, is een kleine plas ontstaan die almaar groter wordt. Ook de regenbroek voelt nog steeds nat aan. Toch trek ik alles weer aan, pak mijn dwarsfluit, die veilig in de draagtas zit en open de buitendeur.

Dikke druppels waaien hard in mijn gezicht. Het is al donker. Ik pak mijn fiets en waag de tocht huiswaarts. Ik besluit een andere route te nemen dan normaal, dwars door het centrum van Leeuwarden.
Op het grote plein staan kraampjes. Ik wist niet dat hier markt was. Als ik dichterbij kom zie ik kaas en groente, met overal meldingen dat het biologisch is. Ik loop naar de eerste beste kraam die ik zie. Het is een grote felverlichte kaaskraam en ze hebben er veel. Geitenkaas, brie, camenbert, boerenkaas, het ligt allemaal mooi geëtaleerd. Ik koop geitenkaas en loop verder. Na nog wat levensmiddelen te hebben ingeslagen kom ik aan bij het einde van de markt. Daar zie ik, naast een grote broodkraam, een heel klein kraampje, waar in de vitrine nog een laatste restje kazen bij elkaar geschoven ligt op wit etaleerpapier. In het schemerdonker zie ik een man met lange krullen staan. Hij lacht uitnodigend. “Het Marlanner kaashuis” staat op een bord achter hem.
“Jammer,” zeg ik spijtig, “Ik heb al kaas. Maar die wil ik ook wel graag.” Ik wijs naar een verzameling grote kippeneieren. “Dan koop ik bij iedereen wat.” Hij knikt goedkeurend en stopt zes grote eieren in een doosje. Het doosje kan niet dicht, zo groot zijn ze. “Ze hebben dubbele dooiers,” zegt hij verontschuldigend en doet er een elastiekje om. Ik zeg hem dat ik blij ben met dubbele dooiers vanwege de vitamine D die er in zit. Dat heb ik pas nog uitgezocht. “Dan kan je dat nu meteen toepassen!”  Hij lacht tevreden.
Ik vertel hem over mijn huisje op wielen en mijn reisproject. De kaasboer luistert geïnteresseerd. “In de lente vertrek ik. Ik kom graag bij jullie langs als het mag!” zeg ik opgewekt. Hij geeft me hun folder en zegt dat ik van harte welkom ben. Ik zie een oude boerderij afgebeeld, tussen bomen en bloemen. In het verhaaltje lees ik dat de boerderij naast een meer ligt met een eeuwenoud weiland ertussenin, dat de grootste kolonie grutto’s kent van heel Europa. Dat wil ik zien!

Op de markt vinden de mensen elkaar. Dat is al een eeuwigheid zo. Ook nu nog en dit is een moment om het opnieuw te ontdekken. De route rolt al voor me uit. Het wordt almaar echter. De boerenmarkt als wegwijzer, dat onthoud ik.

 

Klik hier voor de website van het Marlanner Kaashuis

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Met grenzeloze belangstelling

.

.

 

Na een klein weekje op Schiermonnikoog, word ik wakker in mijn woonwagen op Frijlân. Ik heb kort geslapen en moet er aan wennen weer terug te zijn. Schiermonnikoog was heerlijk. Ik proefde de ruimte van stranden en kwelders, liep urenlang zonder een mens te zien en kwam terug op een camping vol rommelige gezelligheid. Ik at zelf geoogste broccoli uit de pluktuin, die naast de camping lag en genoot.
Hier is het anders. Als ik uit het raam kijk, zie ik distels, perzikkruid en melde. Het ziet er zwart van. Verder is er geen mens te zien. Somber staar ik ernaar en zie mezelf alweer bezig, eindeloos uittrekken van de distels die zich razendsnel uitzaaien en ineens overal opkomen. De moed zakt me in de schoenen en ik weet maar één ding te doen. Ik zet mijn verstand op nul.
Ik doe mijn oefeningen en ruim mijn huisje op. Zonder discipline ben je nergens. Terwijl mijn wagen er steeds opgeruimder uitziet, denk ik aan een man, die ik ontmoette op de boot. Het was op de terugreis. Vanaf het moment dat ik hem zag kon ik mijn ogen niet van hem afhouden. Die man, wat zou hij doen in mijn plaats?

Aan de tafel bij het raam zitten vier mensen. Een oude man en een oude vrouw en een jonger stel. Achter het vensterglas bewegen langzaam de drooggevallen zandplaten voorbij, vol met watervogels. Het is vooral de grijze man, die mijn aandacht trekt. De ontspannen toon waarmee hij alles in beschouwing neemt, wat hij ziet. En hoe vanzelfsprekend de anderen naar hem luisteren, alsof hij ze al jaren weet te boeien met zijn waarnemingen.

De boot volgt trouw de vaargeul, zoals hij daar al jaren ligt. Wij weten niet anders. Maar de oude man en de oude vrouw kennen het water al hun leven lang en hebben al veel van haar gezichten gezien. Ze kenden het wad al voordat er vaargeulen bestonden. En terwijl buiten het water langs het schip stroomt, zien we binnen een jong zeehondje geboren worden op het beeldscherm dat in de verblijfsruimte hangt. De man kijkt ernaar en leest de titel die bij de beelden hoort. “Er komt een film over het wad,” zegt hij bedachtzaam. Ik spring op. Het is de film waar ik heen ga. De man kijkt me aan met een vermaakte glimlach. Ik vertel erover wat ik weet. Het moet een prachtfilm zijn. Het is in Leeuwarden. “Komt u ook?” vraag ik, maar nee dat kan niet, hij woont in Rotterdam. We praten verder over onze meest geliefde plek, het Eiland.

“In 1929 kwam ik voor het eerst op Schiermonnikoog,” zegt hij. “Bent u er toen geboren dan?” vraag ik een beetje verward, want zou oud kon die man toch niet zijn. “Nee, zegt hij, dat was in 1923.” Ik staar hem ongelovig aan. “Echt waar?!”
Zijn vrouw is even oud. Ze hebben samen al veel meegemaakt. “Toen zij in 1930 voor het eerst op het eiland kwam, toen was er een andere aanlegsteiger. Het was de steiger die nu door zeilboten wordt gebruikt.” Ik knik, ik zie de plek voor me, je kan de masten van de boten nog net zien, als je op de veerboot wacht. Hij gaat verder. “ Je kon er niet naar de oever lopen, als het vloed was. En als je dan zo oud was als mijn vrouw nu, weet je hoe je dan bij de oever kwam?” vraagt hij me.
Ik schud mijn hoofd. “Op de rug van sterke jonge mannen!” De twee oudjes stralen als hij het vertelt en ik lach mee. “Dat wil ik ook wel!” roep ik. De grijsaard grinnikt. “Dan moest je wel eerst oud worden…”

Aan die mensen denk ik nu. Wat een heerlijk echtpaar, wat een mooie man. Zo vrolijk, zo open en belangstellend, terwijl ze toch ongelooflijk veel moeten hebben meegemaakt. Zouden deze mensen zich druk maken om een distelveldje?? Nee toch…..
Dan open ik mijn deuren en haal diep adem. Frisse buitenlucht doordringt mijn longen. Het nodigt mij uit tot iets. Wat is het? Ik kijk over het glanzende gras naar de spoorlijn in de verte. Er gaat een trein voorbij.

.

.