De robuuste kiem van Alles (The robust seed of Everything)

.

.

.

Een verrassend gesprek in de trein over autonomie en zelf voedsel verbouwen en zaden telen. Met aan het eind een cadeautje van de conductrice.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Ik sta in de trein van Antwerpen naar Rotterdam en kijk door de open deur naar de bewegende menigte op het perron. Twee dagen lang verdiepte ik me in de autonomie van zadenteelt en ik ben geheel vervuld van het onderwerp, dat zo verbonden is met lokaal voedsel telen en sociale verbondenheid.

Het is erg druk in de trein, maar ik vind toch nog een klapstoel op het balkon. We zijn nog niet weg, we hebben nog even de tijd. Naast me staat een pittige conductrice met een blonde staart. Al snel raken we in gesprek en ik laat haar mijn kaartje zien, de lichtblauw met groene woonwagen, het Rijdende Verhalenhuis. Nee, vertel ik, ik reis er niet meer mee. Ik ben geworteld, om me te verbinden met het land. “Ben je ook zelfvoorzienend?” vraagt ze. “Wat bedoel je daarmee?” vraag ik, “Ik kan me redden met mijn zonnepanelen, als het moet. Maar mijn eigen voedsel kan ik nog niet telen. Een heel klein beetje maar. Die kennis te verrijken, dat vind ik belangrijker dan energie…”

Tot mijn verrassing vind ik herkenning. En dat op de laatste plek waar je het kan verwachten. Hier, bij een conductrice in een Vlaamse trein. Ik noem haar Lena. We praten over voedsel. Voedsel uit zaad, knollen of wortels, dat opgroeit vanuit een vruchtbare bodem, liefdevol bewonderd en verzorgd. Het wordt geproefd, gedeeld en besproken. Het wordt geoogst en gaat van hand tot hand, tot het op tafel belandt. Ons lichaam verwerkt de voedingsstoffen en die belanden opnieuw in de bodem. Zo hoort het te zijn. We hebben het niet alleen nodig om te leven, maar ook om het leven zin te geven, met elkaar. Het maakt het leven op aarde vol, levendig en vruchtbaar. Lena noemt het: “Wakker zijn.” Het maakt mij niet uit hoe ze het noemt, we willen hetzelfde: handen terug in de aarde. Eigen voedsel kweken en de afscheiding met de natuur ongedaan maken.

“We hebben de productie helemaal uitbesteed aan slechts enkele multinationals,”zegt Lena strijdvaardig. Ze wil er niet meer aan meedoen. “Ja,” zeg ik. “Voedsel is een mager gebeuren geworden. Het gaat allang niet meer om de honger van mensen te stillen. Het gaat om de portemonnee van de aandeelhouders. Het voedsel zelf is van ondergeschikt belang. Het is een optelsom van nutriënten van de industrie. Die wordt steeds efficiënter. Steeds vaker zie je pasklare maaltijddrankjes, zodat je altijd door kan werken in de veeleisende groei economie. Dat heeft met voedsel weinig te maken. Ik vind het ongelooflijk dat mensen daar intrappen. Snap jij dat?” Lena schudt haar hoofd. “Weten zij het nog, van het zaad? Daar komt het leven uit voort! Ik wil dat het zaad weer in onze handen komt, in handen van levendige en geïnspireerde mensen met liefde in hun lijf. Zoals jij en ik.” Haar gezicht staat vastbesloten. Ze is niet de enige. Er zijn er steeds meer. Ik vertel haar wat ik geleerd heb, de afgelopen dagen. Hoe kunnen we weer zelf onze zaden telen? Het is niet vanzelfsprekend, bedrijven ondervinden een hoop regels en wetten, daarin. Lena luistert, ik vertel.

Pierre Rabhi, Het geluk van het genoeg.

De teelt van zaden wordt heel strikt gecontroleerd. Enerzijds is dat om de handel gezond te houden. Er mogen absoluut geen ziektes en schimmels worden verspreid. Dat is begrijpelijk. Maar schimmels en ziektes kan je ook bestrijden door je systeem gezond te maken. Uiteindelijk is dat ook veel efficiënter! Dat doet ecologische landbouw. Door meer soorten bij elkaar te zetten maken de planten elkaar gezond. Maar niet alleen ondersteunen ze elkaar, je bent ook niet meer afhankelijk van één enkel product. Wie meerdere paarden voor zijn wagen spant, is minder kwetsbaar. Als het één wat minder is dat jaar, dan is er altijd nog het ander wat het wel doet. Toch overheerst vooral de angst dat het mis kan gaan en dat is allesbepalend. Vandaar die grote controle op zaadgoed, bij gangbare en biologische zaden.
“Dus daarmee wordt de natuurlijke voortgang gefixeerd!” zegt Lena. “Dat is belemmeren van de evolutie! En dat in deze tijd van verandering. Alles wil in beweging komen, toch?” Ik knik en ga verder.

“En dan heb je bovendien nog de patenten. Het patent op zaden. Zaden kunnen vaak niet worden vermeerderd, gewoonlijk zijn ze niet zaadvast,” zeg ik. “Als je er iets uit laat groeien krijg je allemaal rare dingen, maar niet meer de oorspronkelijke kool of sla. Er zijn maar een paar bedrijven die zorgen voor ons voedsel. Zij hebben het zaad in handen. Elk jaar opnieuw moet de boer daar zaad inkopen en zo hebben die multinationals de macht. Het gaat immers om geld. Gangbaar voedsel en zaad is volledig gebonden aan de financiële markt. De aandeelhouders, daar gaat het om. Maar wat gebeurt er als die markt instort? Wat staat er dan nog op tafel?” We kijken allebei stil voor ons uit. Ik vraag me af of Lena niet nodig kaartjes moet gaan knippen. De trein rijdt alweer een poosje. Inderdaad, ze kijkt onrustig om zich heen. Iemand van de beveiliging komt langslopen. Ze groet me en verdwijnt gauw door de schuifdeuren.

Als ik alleen ben, denk ik na over die eerste vraag van haar. Lena vroeg mij of ik zelfvoorzienend ben. Tegenwoordig wordt daar vrijwel altijd eigen opgewekte elektriciteit bedoeld. De focus van de samenleving ligt nu op alternatieve energiebronnen. Toch, zonder laptop, telefoon en andere elektrische apparaten kan ik nog wel leven. Maar zonder voedsel en warmte kan ik niet. En daarin zit hem de clou. Daarom plant ik bomen. Voor snoeihout om mijn kleine, goed geïsoleerde huisje te warmen. Voor noten en bessen. Op de uitgestrekte Friese weiden vormt het een windhaag. Dat is nodig voor de jonge planten die erachter zullen groeien: de kruiden, de pastinaken en de koolrabi. De vlinders en de bijen zoemen rond in de luwte en bezoeken de ene bloem na de andere. Er moeten veel meer van deze plekken komen, voor ons én voor de dieren. Voor voedsel en diversiteit. Alleen zo kunnen we weer deel uit gaan maken van het ecosysteem Aarde. We hebben veel meer mensen nodig, die weten hoe je voedsel laat groeien, en daar met liefde mee bezig kunnen zijn. Daarom schrijf ik erover. We moeten het terugpakken, weg van de grote industrie en de aandeelhouders. Met elkaar weer gaan genieten van de vele variaties en smaken die er zijn, het proeven en er samen over hebben.

Een poosje later komt ze terug, Lena, de conductrice. Ze wil graag nog iets vertellen. Ze heeft een nieuw baantje, zegt ze. Bij een bejaarde bollenteler, in Noord Holland. Hij kweekt alleen geen bollen meer. Hij teelt nu een variëteit aan biologisch voedsel. Er werken allerlei mensen op zijn land. Hij is bijna doof en blind, die man. Maar dat houdt hem niet tegen. Hij wil het goedmaken, wat hij verkeerd heeft gedaan. Ze vertelt het met glimmende ogen. Geboeid luister ik. Goddank, het is overal. We zijn niet alleen. Alles is in beweging en werkt aan dat ene. De robuuste kiem van alles.
“Ik vond het een heel bijzondere ontmoeting,” zegt Lena. “Daarom wil ik je iets aanbieden. Je mag van mij in de eerste klas gaan zitten.” Dankbaar sta ik op van mijn klapstoel en kijk haar stralend aan. Ik pak mijn versleten groene rugzak en zoek de weg naar mijn erezetel. Er is nog een lange reis te gaan. Buiten hangt een dichte mist. Ik ga zitten en staar in het niets.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

A surprising meeting in the train. We talk about being self sufficient and our food supply. About multinationals and how the food market is completely in hands of just a few. We have to take it back again!

PS: De conductrice heeft in werkelijkheid een andere naam en uiterlijk. Ook is het gesprek uitgebreider weergegeven dan het was, vanwege de leesbaarheid en de wezenlijke inhoud.

.

Dit boekje van Velt werd mij tot driemaal toe in handen gedrukt.

Schapen scheppen een band ( Sheep bring us together)

.

Schapen achter mijn huis.

.

Er zijn twee grote zakken wol gedumpt, bij Wiersma. Zomaar in de tuin. Ik mag ze hebben. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Dot you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Er lopen schapen in de wei. Boer Sjoerd uit Jorwerd heeft hun dieren hierheen gebracht. Ze houden het gras deze winter kort. Ik heb hier nog nooit schapen gezien, het is voor het eerst. Het zijn Texelaars. Ze mogen een heel jaar in de wei lopen. Daarna worden ze niet ver van hier geslacht. Tevreden kijkt Sjoerd er naar. “Ze worden al lekker dik!” zegt de jonge boer. Dat moet ook wel. Ze eten de hele dag gras en klaver en paardebloemen. Het is kauwen en slikken. Na lang grazen gaan ze liggen en dan floept alles weer terug, omhoog in de bek. Terwijl ze glazig in de verte staren kauwen ze weer verder. En uiteindelijk worden al die groene blaadjes vlees, botten en wol. Ongelooflijk. Ik denk daaraan terwijl ik naar ze kijk. Dat kan ik nu, kijken. Daar heb ik nu het geduld voor. Als kind kende ik een man die schapen filmde. Dat vond ik zo raar! Ik vond ze maar saai. Maar nu ik ouder ben kijk ik er graag naar. Hoe ze met elkaar opgrazen en de lekkerste hapjes zoeken. En ik denk eraan hoe ze straks onder het mes gaan.

.

.

Het hele biologisch leven bestaat uit eten en gegeten worden. En al die verorberde eiwitten gaan rond en transformeren van het één in het ander. Eigenlijk is de aarde één grote toverbal, vol verrassingen. Zelfs zo’n suffe grazer kan er wat van. Behalve dat het rustgevend is om naar te kijken, zorgen ze voor vlees. En wol! Maar wat gebeurt daar dan mee? De boeren kunnen het aan de straatstenen niet meer kwijt. Dat hoor ik overal. Dat komt zo: Er zijn kerels met enorme kuddes. Die laat hij verzorgen door anderen. Die baas is boer noch herder. Het is een zakenman. Hij stuurt de wol massaal op naar China en als we het weer terug willen, moeten we het importeren. Daarom is er geen boer meer die schapen voor de wol heeft. Ze weten bij God niet wat ze ermee moeten. Menig boer gooit het maar ergens neer, soms met pijn in het hart.

.

Pruik van buurman Rachid

.

Een dag later fiets ik door het dorp, de lange weg naar het station in Deinum. Dan zie ik letters op een schuur. “Wolhandel” lees ik. Gek, dat heb ik nog nooit gezien. Ik zie een man lopen op het erf. Hij komt richting de weg. Dat is een mooie kans voor een kennismaking. Ik stap af en loop naar de man toe. “Heeft u hier nog steeds een bedrijf?” wijs ik naar het bord.

“Nee, al een tijd niet meer,” zegt hij. “Die tekst moet er nodig af. We hebben vijftig jaar in wol gehandeld. Elke ochtend waren we om vijf uur op. Alle boeren van de streek kwamen hier, met hun wol. Het was een druk bestaan. Het is mooi geweest, maar ik ben blij dat we nu eens ontspannen kunnen, mijn vrouw en ik.” Hij was een van de laatste wolhandelaren van het land. En nu is ook hij ermee gestopt. Waar moeten de boeren nu met hun wol heen? Wie weet het?

Twee weken later wordt ik geroepen door Jochum. “Heb jij interesse in schapenwol? Wiersma heeft voor je gebeld!” Het is de wolhandelaar in ruste. Hij heeft twee bigbags vol, zegt hij. In de tuin gevonden, gewoon gedumpt. “Ik wil ze graag,” zeg ik. Ik kom ze zo snel mogelijk halen.

Wat kan je daar allemaal mee doen? Tochtgaten opvullen in het dak. En als afscheiding, tussen paden en perken in de tuin. We kunnen ook gaan spinnen!

.

Buurman Jeroen

.

Ik praat erover met buurman Jeroen, hij doet graag mee. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in. Gelukkig is het maar een klein stukje. Eenmaal terug parkeert Jeroen de auto op het erf, en we gooien de twee bigbags leeg op het beton. Het is een mooi gezicht, die warme kleuren in de zon. We sorteren de grote stukken uit één stuk, en gooien de losse flodders op een andere hoop. Het is prachtige wol, met maar weinig stront erin. De kleur is diepbruin, soms met licht rossige uiteinden, of met stukken grijs er in, als zilver. Soms zijn er stukken in elkaar gedraaid, als rasta haar. Ik geniet van het werk. Net als ik dat wil zeggen, haalt Jeroen de woorden uit mijn mond. “Als ik dit in handen heb, is het net of ik het altijd al gedaan heb. Alsof mijn DNA weet, dit is mooi materiaal, daar hebben we wat aan. En nu wordt het gedumpt… Hoe ver is de wereld afgedwaald dat het nu afval is!” Ik knik. “Ja, dat dacht ik ook..”

Als de wol gesorteerd is hebben we drie zakken. De flinkste met grote stukken, eentje met kleinere stukken, en één met alleen maar wolvlokken en poep erin. Die wol komt bij de kont vandaan. De eerste twee gaan naar de hooizolder, de laatste gaat mijn landje op. Samen lopen we het pad af, de witte zak tussen ons in. We lopen het Verhalenpad op, en ik leg de wol neer waar ik het wil. Het zal hier de grond bedekken. Het zal het kweekgras tegenhouden in zijn groei en er zullen beestjes onder schuilen deze winter. Uiteindelijk zal het verteren, als voeding voor planten en struiken. Van de grond naar het gras naar het schaap naar de grond. Zo maken we de cirkel rond en laten we er iets moois op groeien.

.

Wol tussen pad en perk

Al is het wel een hele korte kringloop… Daarom wil ik ook niet ál de wol hier neer leggen. Er moet meer mee. “Laten we elke maand een handwerkavond houden!” zegt Jeroen. “Spinnen, weven en breien…”
“Maar eerst een spinnewiel,” besluit ik, “Ik ga ernaar uitkijken.”
Ik denk er nog steeds aan als ik even later Sjoerd tegen kom. Ik vertel hem van al die wol en wat we willen. “Hij lacht stralend. O! Dat vind mijn zus ook leuk. Zij verft wol, met planten.” Ik loop glimlachend verder. Dat deed ik vroeger ook, samen met mijn moeder…

Schapen scheppen een band. Het is het land zelf, dat het doet. Samen maken we de cirkel rond. Hier, waar we zijn. Wij en het land, het land en wij.

(Toegift in de luisterversie)

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

.

There are sheep in de meadow. They are from farmer Sjoerd. What happens with their wool? The woolmerchant has stopped. But still this man found two bigbags of wool in his garden. My neighbor and I pick up the dropped bales , we admire the beautifull material and come up with ideas.

Wachten op de zonnewende (Waiting for the solstice)

.

Steeds weer terugkeren naar een plek. Niet omdat je er toevallig langskomt, maar omdat je het wilt. Omdat je er je wortels hebt en je de mooiste momenten met iemand kunt delen.

Een van de vele stegen in Utrecht, met opkomende zomerzon.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button under the text.

.

Al noem ik mij een gewortelde nomade, ik ben het niet altijd geweest. Emmeloord, mijn geboorteplaats zei me niet zoveel. Toen ik 18 was verhuisde ik naar Zwolle. Toen ik 19 was ging ik een half jaar terug naar Emmeloord. Op mijn twintigste woonde ik in Arnhem. Op mijn 22e vertrok ik naar Leeuwarden. Toen ik 25 was vertrok ik naar Utrecht. Zoeken. Steeds weer verhuizen. Het was een rusteloos bestaan en ik was een slechte slaper. Net goed en wel in Utrecht brak ik mijn been bij een verkeersongeluk. De genezing duurde twee jaar. De beperking deed me goed. Talent kwam nu tot uitdrukking: schrijven, tekenen. Karakter heeft stilte nodig om zich te kunnen vormen.
Mijn been genas. De lange beperking had me rust gegeven en ik was bereid om grondige keuzes te maken. Een paar jaar later ontmoette ik Michiel en hij werd mijn man, een man met diepe wortels. Zijn leven speelde zich af langs de werven, in het middeleeuwse Utrecht. Hij was een hartelijke creatieve ambachtsman. Iedereen in de buurt kende hem. Samen begonnen we een rondvaartbedrijf en zijn wortels vergroeiden met de mijne. Met elkaar voeren we enige jaren over het water en met elkaar deden we het onderhoud. Hard was zijn dood en het leven dat erna kwam. Ik heb alles door mijn handen laten gaan en mijn wortels groeiden dieper en dieper. Tot het jaar 2012.
Toen ik vertrok dacht ik de stad achter me te laten. Maar het is niet zo. Ik ben daar nog steeds. Mijn wortels strekken zich onzichtbaar uit naar dat ene plekje in het centrum van Utrecht. Mijn verhalen worden er nog trouw gelezen. Ik ken de stenen, de bomen, de hoekjes en de mensen. En zij kennen mij.

Dat is precies wat ik denk, als ik de monumentale deur achter me sluit. Hier, bij mijn oude buren, vond ik een hartelijk welkom. Ik kon er blijven slapen. Waar ik vandaag heen moet, is vlakbij. Vandaag draait de film: “Rooted nomad” in het Louis Hartlooper Complex. Het is de docu over mij, waar ik al vaker over sprak. Met een zachte klik valt de deur dicht en ik hoor de echo in de lege gang er achter. De donkergroene verf glimt, alsof er pas geschilderd is. Voor de deur staat een bord met “Te koop”. Mijn oude buren willen weg. “De stad wordt almaar drukker en we hebben nauwelijks een tuin.” Ik doe een paar stappen de stille straat in en vraag me af. Hoeveel mensen denken dat? Wanneer komt de dag, dat iedereen die ik hier ontmoet me vreemd is? Of staan straks al die huizen leeg en woont iedereen “tiny” op het platteland? Op dit moment is er nog niks te merken van drukte. De zon is al op, maar is verborgen achter de huizen. Het wordt een warme dag.

Beneden aan de gracht zijn mensen. Ik hoor gemoedelijk gelach en zacht gepraat. Ik loop naar de gietijzeren reling en kijk naar beneden. Daar zitten de jongens die op de werf wonen. Ik ken ze allebei. Ze kijken omhoog en groeten me. “Kom beneden!” roept de één. Er zijn gasten. Twee jongens en een meisje. Ik ken ze niet. Hun ogen staan helder, hun huid is koffiebruin. Op de tafel staan een paar halfvolle glazen wijn en een lege. Ik loop de trap af en groet ze. “Welkom” zegt Dave. “We hadden hier een mooie nacht. Je maakt nu het staartje mee.” Dave is de bewoner van de werfkelder. Zijn buurman, Daan, kijkt me stralend aan.
“Wat leuk dat je er bent! Ik vond het zo jammer toen ik hoorde dat je gisteren was langs geweest!” Ook de anderen kijken naar me. “Was je toevallig hier?” Vraagt een van de jonge gasten. “Nee” zeg ik. “Ik woonde hier en kom steeds terug. Niet toevallig, maar omdat ik het graag wil”. Ondertussen denk ik: Wat is er toch met dat woordje “toevallig”. Het lijkt te horen bij deze tijd. Misschien is het de persoonlijke levensreis, die steeds individueler lijkt te worden. Je ontmoet wie je tegen moet komen, spreekt niks af en kijkt niet verder dan de dag van morgen. Alles komt vanzelf op je pad. Vernieuwing is een toverwoord. En “Shift”. Ik zie vernieuwing als een zeldzame noodzaak. Een prachtig avontuur, een sluisdeur die opent naar nieuwe wateren. Of een wissel, waar de trein langsgaat. Maar het leven spoort niet met alleen maar wissels. Zeker niet als iedereen zo’n bestaan leidt en er steeds minder mensen zijn die een geregeld leven leiden bij de technische dienst.

De zon komt op en schijnt precies door het steegje aan de overkant. Het is een vertrouwd beeld. Ik kijk ernaar en herinner me de tijd dat ik hier woonde. Het hele jaar was ik omsloten door de hoge muren van de herenhuizen, als een stedelijke vallei. Alleen het water glinsterde in de gracht en stroomde de stad uit, vrij de wijde wereld in. Ik keek ernaar en mijn gedachten stroomden mee. Ik keek naar de weerspiegelingen van de bomen die braken in de bries. Als de zon dan eindelijk kwam, dan stond hij al hoog aan de hemel en scheen fel boven de huizen. Het steegje waar ik nu naar kijk, was niet zomaar een steegje. Ik keek uit naar de dagen rond de zonnewende. Dan kwam het zonlicht precies erdoorheen, vroeg in de ochtend. Hij kwam als een gouden vloed de gracht over, en vloeide mijn werfhuis in. Ik kijk naar de streep van zonlicht op de straatstenen en voel me gelukkig. Daan kijkt er ook naar. Hij woont nu al tien jaar in mijn oude huis. “Zo mooi is dat ..” zegt hij stilletjes. Gastheer Dave praat ondertussen steeds door. Hij zegt dat ik zijn huis eens moet bekijken. Het is hartelijk bedoeld, maar ik negeer hem. Ik kijk naar de zon en dan weer naar Daan. We wisselen een glimlach. “Ik ken het zo goed, dit moment!” zeg ik. Hij steekt zijn hand uit en we geven elkaar de vijf. “Wij begrijpen elkaar!” zeg ik. Daan straalt van genoegen. “Zo is het,” zegt hij ferm.

Je kunt terug gaan naar een stad omdat je hem mooi vindt. Dat doe je dan eens in de tien jaar, op zijn hoogst. Maar nog mooier is het om momenten van schoonheid te kunnen delen. En om te horen hoe het is. Daarom is het, dat ik steeds weer terug ga. Vaker dan zomaar een keer. Het is waarom ik de band onderhoud, met mijn oude buurt én de bewoners. Niet toevallig, maar omdat ik het graag wil. Wortels maken doe je samen.

.

De documentaire “Rooted Nomad” is te zien op 2Doc.nl. Een bijzondere film, ontstaan uit een fijne samenwerking met twee twintigers. Het gaat over deze Friese bodem en de speelse creativiteit die een nieuwe levensfase brengt, na een lang en zwaar afscheid. Het is tegelijkertijd ter nagedachtenis aan Michiel, mijn lieve man, die 20 jaar geleden stierf. De documentaire van Michelle van der Plas en Emma Sidlauska is prachtig geworden en staat nu online:

https://www.2doc.nl/documentaires/series/makers-van-morgen/2022/rooted-nomad.html

NEDERLANDS:

ENGELS:

Keep returning to one place. Not because you happen to pass by, but because you want to. Because you have your roots there. That’s why I go back to Utrecht, again and again. I had an early meeting down by the water.

Uitvliegen

.

.

Dit verhaal gaat verder waar ik vorige week stopte. Hoewel er een week tussen zit in mijn blogs, is dat in werkelijkheid niet zo. Het één volgt op het ander, dit alles gebeurde op één dag.

Liever luisteren? Klik op de link onderaan de tekst.

Daar sta ik dan, als gewortelde nomade. Ik heb er even genoeg van. Ik sluit de deur om eens een flinke wandeling te gaan maken. Wat heb ik nog op de camping te zoeken? Het is wel klaar hier. De bomen en de velden munt hebben de top van hun groei bereikt. De weiden zijn gemaaid en wachten op de laatste oogst van hooi. Vaste gasten en bewoners zijn óf druk, óf niet fit, of met eigen sores bezig. Enkele oudere mannen kijken mij lonkend na. Hun leven is op een dood pad gekomen en daarom zijn ze een tijdje hier. Ze kijken naar me. Leuk, zo’n vrouwtje dat van alles doet. Maar ze kijken zonder vragen te stellen. Niet aan mij, laat staan over mijn gewortelde ideaal: te Zijn en en te Blijven.

Ik zal even uitleggen hoe ik het zie. Ik denk dat zijn waar je bent precies is waar de aarde behoefte aan heeft. Je gebruikt geen brandstof, eet lokaal en poept voor de composthoop die de aarde vruchtbaar maakt. Je praat met de buren en bent er voor ze wanneer ze je nodig hebben. Op die manier verbindingen maken. Dat is mijn streven. Ik zorg ook voor de vogels, de wormen, de salamanders en de krekels. Zo te zijn, dat noem ik “Mijn gewortelde ideaal.” Maar wat als de aarde hard is en de buren vooral druk zijn met eigen dingen? Ik heb gebikkeld, met spades, grondboor en de sikkel. Bomen geplant, gemaaid. Ik ben er als de boer me nodig heeft, voor het hooien, voor een politieke actie. Of voor iemand anders. Eerst was het leuk. Maar energie moet worden gevoed en aangevuld. Soms krijgen de wortels te weinig voeding. Dan is er iets nodig. Wat? Heerlijk is het om dan te spelen en te lachen om niks. Of te verdwijnen in meerstemmig zang en je stem te mengen met andere! Je lievelingsnummer draaien voor een echte luisteraar die je ontroert aankijkt. Kijken hoe mooi de bomen groeien, die je ooit samen plantte. Die dingen. En dan bedenk ik me, kan een ideaal wel altijd geworteld zijn en standvastig? Ik denk dat er ook licht en lucht bij moet. Het liefst lekker veel. En vleugeltjes en gezoem, waarvan je gaat trillen en gloeien. Soms moet je weggaan. Het verstikte ideaal achter je laten. De hoek om en lekker rondkijken. Misschien staat je liefste droom daar vroeg of laat wel weer opnieuw. Zomaar. Helemaal fris en gevoed.

Dat beeld is de aanzet. Het gezoem, de vleugeltjes, het weggaan.

Ik hoef er niet eens over na te denken. Ik trek mijn jas aan en veter mijn wandelschoenen vast. Met stevige pas loop ik over het lange grindpad. Ik voel me gelijk anders. De vrijheid waait me tegemoet. De twee kilometer naar de weg heb ik in een oogwenk afgelegd. Het lijkt wel of de tijd met me mee stroomt, alsof alles sneller gaat. Bij de asfaltweg tussen Weidum en Jellum ga ik links de bocht om. Daarna zie ik rechts van me de landweg die door Bears leidt. Een mooi oud dorp. Daar is de kerk en de kinderboerderij. Ik sta stil, kijk even en loop door. Voor mij daagt het bord op, van een heel klein gehucht. “It Wiel”. Ik ben er vaak doorheen gereden, zonder te zien wat het nou eigenlijk is. Het is tijd dat ik het eens ga onderzoeken. Het is zo klein, sommige mensen weten niet eens dat het bestaat. Maar de echte Friezen hier kennen het allemaal.

Het zijn maar een paar huizen. Erachter staat een oud fabrieksgebouw. Wat zou dat toch zijn? Ik heb het me wel vaker afgevraagd. Meteen verdwijnt die vraag uit mijn gedachten. Want er staat een klein kastje naast de weg. Het is een kleine straatbieb. Ik pak er een boek uit en ga op mijn hurken in het gras zitten lezen. Dan hoor ik het geluid van voetstappen. De zon schijnt op schoenen die vlak voor mij stoppen. Ik kijk omhoog. Er staat een man van middelbare leeftijd. “Is het wat?” vraagt hij. “Ja, het gaat over Afrika,” zeg ik. We praten verder. Hij weet warempel nog wie ik ben. “O, jij bent het, je kwam toen langs met je wagen. Ben je niet meer op pad?” Ik antwoord van nee. “Veel mensen hebben allang van me gehoord of gezien, op televisie, in de krant. Opnieuw weggaan is voor mij niets anders dan de herhaling van een kleurplaat die al is ingekleurd. Bovendien is het een onrustig bestaan. En er is al zoveel onrust.” De man knikt. “Dat snap ik helemaal.” We praten over bijen, want hij is imker. Het gaat heel goed met zijn bijen. Ook kleine wilde grondbijtjes doen het goed. Er waren er heel veel van dit jaar. Of ik de buurvrouw niet eens wil ontmoeten? Zij werkt mee met zaaien voor het Bijenflinterlint en zingt in het zangkoor van Weidum. Ik kijk hem verbaasd en hoopvol aan. Goh, ik wist niet dat Weidum een zangkoor had. Ik dacht dat dat was opgedoekt.

Het is een genoeglijk gesprek, maar de man heeft nog meer te doen vandaag, zegt hij. Hij wil teruglopen naar de deur. Ik heb nog een vraag en ben net op tijd. “Wat een rij brievenbussen staat er hier naast de oprit! Van wie zijn die allemaal?” Rustig geeft hij antwoord. “De bussen zijn van de mensen hierachter. In de oude fabriek is een bedrijfsverzamelgebouw. Er zit van alles. Ook zijn er nog een paar kleine huisjes waar mensen wonen. Ga gerust eens kijken!” Ik gloei van nieuwsgierigheid en kom meteen overeind. “Ik wist niet dat dat mocht.” Hij grijnst. “Er staat een bord bij met een plattegrond, daar kan je zien wat hier allemaal is.”

Mijn bloed gaat sneller stromen. In mijn borst trilt en gonst het, precies zoals ik vanochtend hoopte. Ik loop dichter en dichterbij naar het oude gebouw. Bedrijvigheid… Wat was ik daar aan toe! Voor het bord sta ik stil, en kijk. Het is een lange lijst en rustig lees ik de namen. Wie zullen dat allemaal zijn?

.

.

.

.

.

.

Eigenlijk wilde ik gaan zwemmen.

.

.

.

.

.

Als het spandoek valt

.

.

Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.

Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.

De mens graaft en weegt en wikt

De aarde slikt en slikt en slikt

We kunnen niet meer zonder

maar straks komt het gedonder

.

Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.

“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.

De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.

Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.

Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”

We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

.

Het rijdende verhalenhuis

kwam in Bears tot stilstand

hier weef ik mijn verhaal aan één

met het bloeiend groots verband

van water, weiden, wilgen,

en mensen van het vlakke land

.

(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)

.

.

.

Groene likes of paarse liefde

.

.

Vlinders houden van paars. Dit is een Atalanta op de kattestaart die ik in Brabant heb laten groeien. In het verhaal gaat het over een koninginnepage. Die heb ik helaas niet kunnen fotograferen.

.

Liever luisteren? Scroll naar onderen en klik op de knop onder de tekst.

Terwijl vrienden zich afvragen of hun vakantie wel door kan gaan, heb ik geen zorgen. Code geel of oranje, het doet me niks. Ik ben waar ik ben. Ik loop langs de onverharde weg, die in de volksmond “Jochumsreed” wordt genoemd. Het is het einde van een twee kilometer lange grindweg. Jochums deel loopt langs kruidige weiden met klaver en boterbloemen, en op het laatst kom je langs grote wilgenbosjes, met essen en esdoorns er tussen in. Er achter glinstert de Zwette.Tussen de bomen kun je de bodem niet meer zien, alles is bedekt met een dikke massa groen. De bergen kleefkruid en opgeschoten brandnetels lijken al het andere leven te hebben overwoekerd. Toch heb ik hier vorige week kattestaarten ontdekt, onder die halfvergane deken van planten. Ze zijn nog klein, maar eentje bloeit al. De heldere paarse kleur steekt mooi af, tegen al dat donkere groen. Elke dag kijk ik er even naar. Voorzichtig haal ik de laatste slierten kleefkruid weg en trek een grote dorre pol gras uit de grond. Ik denk aan een vijver, in het verre Brabant, waar ik ooit naast woonde. Net als hier ontdekte ik een paar kattestaarten. Ik gaf ze de ruimte en al gauw werd het een paarse zee van bloemen. Vlinders houden van paars. Op een dag landde er een koninginnepage. De prachtige witte vlinder was mijn beloning. Het was maar even, toen trok hij weer verder. Ik glimlach bij de herinnering. Dan raap ik de achteloos neergegooide sikkel weer op en loop verder naar het Verhalenpad, dat kronkelend door de wei loopt. Ik hak hier en daar lang gras door, dat door de wind over het pad is gaan hangen. Het waait hard, maar niet zo hard als gisteren. Ik bewonder de bomen, die het zo goed doen. Als gouden sterren duikt de honingklaver op in een zee van gebogen halmen.

Ik kijk en werk. Want werk is er altijd. Ik houd het speels, want van spelen krijg je nooit genoeg. Soms moet er opgeruimd worden. Gisteren was hier een groot feest, vlak naast mijn veldje. Allemaal jongens van twee dorpen verder. Ze waren uitgelaten enthousiast. Eindelijk kon het weer, feesten! Na de lange stilte van de lock down waren ze er duidelijk aan toe. Ze hadden het erg naar de zin. Ik ben al gauw vertrokken naar mijn hangmat in de hooiberg. Daar was het heerlijk rustig. De volgende ochtend kwam ik weer terug. Er lag er een hele berg afval naast Jochumsreed, met een hoop plastic flessen erbij. De jongens zijn er op aangesproken en mogen niet meer terug komen. Dat is mooi, vind ik. Maar wat te doen met die flessen? Een voorbijganger wees mij op het nieuwe merkje: De flessen hebben sinds kort statiegeld. Het idee werd al snel geboren. Als ik nou elke keer de flessen wegbreng en van de opbrengst nieuwe bomen koop? Met een fietskar vol statiegeldflessen kwam ik in het dorp aan. Bij de automaat van de supermarkt stond een jongen. “Van de opbrengst koop ik bomen,” vertelde ik. Hij keek me met grote ogen aan. “Echt waar? Dan krijg je al mijn kleingeld erbij. Ik ben heel erg voor méér natuur.” Verbaasd bedankte ik hem.

Dit biedt mogelijkheden, dacht ik. Als ik dit nou vaker ga doen, dan maak een T shirt met “Petflessen voor bomen”! Ik plaatste het idee op facebook. “Zo maak je iets dus groter dan je eigen erf!” schreef ik. Ik kreeg tientallen likes.

Mijn eigen woorden galmden na in mijn gedachten. Hoezo groter maken? Wat betekenen die petflessen eigenlijk voor mij? Niks. Het is en blijft rotspul. Mij gaat het immers om levende dingen. En dat geld? Geld heb je soms nodig. Maar het kan ook zonder. En hoeveel energie steek ik straks in die stomme plastic flessen, terwijl er in al die kleine hoekjes hier zoveel levends groeit? En die jongen van dat geld, waar is die nou?

⁠Te snel, teveel willen. Grote plannen, waar je veel likes voor krijgt of geld. Goed voor je ego! Ik denk dat op die manier al vele luchtballonnen zijn opgelaten. Subsidie aanvragen werken ook zo. Ik heb eenmaal subsidie aangevraagd voor de restauratie van het schip met mijn man, de Koophandel 2. Ik kreeg het ook nog! Wat was ik blij. Maar mijn lief stierf, ik moest het schip verkopen. Uiteindelijk is het naar de sloop gegaan, in Drachten, hoorde ik. Ik besef nu dat het niet om het geld gaat, maar vooral om de betrokkenheid. Die jongen van de flessenautomaat zie ik misschien nooit meer terug. Ik had hem beter kunnen uitnodigen. Geld is leuk. Maar als je er alleen voor staat met handenvol werk dan is de waarde van geld maar betrekkelijk. En is het niet veel leuker als mensen levend groen komen brengen? En helpen planten? En zijn de mooiste verrassingen niet heel stilletjes verscholen onder bergen brandnetels en kleefkruid? De kattestaart groeit daar gratis en voor niets. Ze wacht op mij.

.

Dit filmpje is gemaakt vanuit mijn enthousiasme voor de sikkel. Ik noem het hier een handzeis, maar een handzeis ziet er anders uit. Hij is recht. Er zijn een hele hoop mensen geweest die me dat hebben vertelt, dus ik zeg het er maar meteen bij! Als je in de winkel een zeis of sikkel koopt, kom je sowieso uit bij de afdeling “zeisen”. Voor het slijpen heb ik een stenen schijfje. Er zijn ook mensen die vinden dat je een zeis nooit met de haakse slijper moet slijpen, daar zijn hele oude technieken voor. Wellicht komt dat nog een andere keer aan bod. Mooi om te weten: De sikkel is één van de oudste gereedschappen van de mens!

.

Broedsels langs het smalle pad

.

Al die mensen met hun wensen, het zijn allemaal eilandjes.. Zou dit ooit een kralenketting kunnen worden? En is vertrouwen in elkaar dan niet de draad om mee te rijgen?

Luister naar het voorgelezen verhaal onderaan de tekst.

Ik loop met boer Jochum langs het Verhalenpad. Het pad ligt op zijn land, dus ik bespreek met hem wat ik doe. Een verhalenpad moet groeien. De zon schijnt, maar de wind waait al dagenlang uit het Noorden. “In de zon is het warm, maar de wind is koud!” zegt Jochum, terwijl hij om zich heen kijkt. Zo is het, elke lente opnieuw. De vinken en de mussen kwetteren hetzelfde als de mensen, zolang de seizoenen bestaan. “De wind is koud, koud koud!” roepen ze. Maar hier, langs het verhalenpad, zijn nog geen mezen en mussen. De bomen zijn nog veel te klein, ze hebben hier niks te zoeken. Ik ben benieuwd wanneer het zover is, dat ze dit nieuwe groeiende bosje gaan ontdekken.

We lopen links langs het dijkje het kronkelpad op, waar de eerste bomen zijn geplant. De boer kijkt om zich heen. Eigenlijk wou hij hier een moestuin, maar niemand op de camping had er zin in om op die winderige vlakte te gaan tuinieren. Ik pak het anders aan. Ik begin met een windhaag. Daar moet boer Jochum aan wennen. Hij is ook gehecht aan het uitzicht. “Dus als het me toch niet bevalt, dan mag ik van jou alles omzagen?” vraagt hij me. Ik moet even slikken maar geef resoluut antwoord. “Ja. Zo is het. Dat hebben we afgesproken. Jij hebt het laatste woord, het is jouw land.” Gelijk daarna denk ik, als dat zo is, wil ik dat niet meemaken. Dan ga ik aan de wandel, met mijn huis! Maar er is niet veel wat er op wijst, dat dit nodig zal zijn. Jochum zijn gezicht staat steeds vrolijker, vooral wanneer hij aan het einde komt. Daar heb ik al meer dan honderd wilgen geplant, dicht opéén, zodat het een haag kan worden. In een halfronde cirkel ligt het om het einde van het dijkje heen en houdt zo het meeste van de zuidwestewind tegen die daar flink tekeer kan gaan. Het wordt een heerlijke beschutte plek. “Dit wordt de theetuin,” zegt Jochum. Stil laten we onze verbeelding gaan. Hoe zal dit uitgroeien?

Ik doe dit met het vertrouwen dat het wat wordt. Ik beloof dat de boer het laatste woord heeft, maar ik praat met hem over mijn keuzes en met anderen die komen kijken. Het is een groot stuk grond, wel honderd meter lang en vijftien meter breed. Er ligt over de hele lengte een dijkje op. Dat is grond uit de sloot, die ooit is verbreed en uitgediept. Alles is klei en nog eens klei. Het werk gaat langzaam. Langzaamaan, dan breekt het lijntje niet, luidt een oud, vergeten spreekwoord. Daar denk ik vaak aan. Gestadigheid maakt dat er iets kan wortelen. Gestadigheid en vertrouwen liggen dicht bij elkaar.

Zal het verhalenpad doorgaan? Zal het deel uit gaan maken van iets groters in dit land? Wie zal er het zijne toevoegen, wanneer ik vertrokken ben? Steeds meer mensen verlangen naar een holistischer benadering. Dat gaat ook over landverdeling. Boeren zijn verplicht om drie procent van hun land natuur te behouden. Er wordt over nagedacht hoe die stukken aanééngesloten kunnen worden. Misschien moeten er landschapsmanagers komen, om met al die boeren tot overéénstemming te komen. Zou een verhalenpad daar ook in passen? Een pad waar je buiten het broedseizoen toegang hebt? Ik ken meer mensen die ermee bezig zijn. De één wil een heel oud dijkpad herstellen, anderen willen een gedichtenpad maken. Het zijn allemaal eilandjes, om me heen. Zou dit ooit een kralenketting kunnen worden? En is vertrouwen in elkaar dan niet de draad om mee te rijgen?

Ik loop met Jochum terug. Trots kijk ik naar mijn paadje. Je kan goed zien dat het een paadje is. Het gras is kort, de grond is droog en hard, soms met wit zand, dat ik heb aangevoerd. Sommige stukken zijn opgehoogd met plaggen. We lopen langs de twee kruiwagens, langs de grondboor, achteloos neergegooid in het gras. Ernaast ligt het plamuurmes, waarmee ik hem telkens schoonmaak. We lopen verder, achter elkaar over het smalle pad, langs de kleine hoop compost, tot we weer bij het hek zijn. “Hier broedt een meerkoet,” zeg ik, terwijl ik terloops naar beneden kijk. “O ja?” vraagt Jochum opgewekt. Daar beneden is een kruising van twee sloten. Op de hoeken van de sloothelling wordt minder goed gemaaid. Er blijft wat riet staan. Ik heb er een wilgje geplant. Precies daaronder zie ik een zwartwit kopje waakzaam omhoog gericht. Van ons heeft ze niks te vrezen. We lopen door. Maar ik glimlach stilletjes. Zie, het eerste verhaal is er al, langs het pad. Het vult zich vanzelf in, met de sprankelende tover van lente. Mooier kan ik niet bedenken.

PS: De eieren zijn een dag later verdwenen. Er zijn geen kuikens. De twee meerkoeten zwemmen een eind verderop in de sloot. Bovenin een grote schietwilg zit een kraaiennest. Er is nog te weinig beschutting.

Artikel: https://www.groene.nl/artikel/boeren-zijn-als-artsen

Struinen om te planten

.

Alowieke van Beusekom

.

“Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” (Onder het verhaal vind je de link om te luisteren.)

Het is lente, zeggen ze. Maar in Friesland is het nog koud, en het blad aan de bomen heeft zich nog niet ontvouwd. Ik heb tot 1 mei om te planten, zegt de kweker. Ik werk aan het verhalenpad. Het groeit onder mijn handen. Ik heb een paar mooie hazelaars gekocht met grote noten. Ja dat komt straks pas, want eerst moeten ze nog groeien. Maar daarvoor hebben ze wel beschutting nodig, hier op de vlakte. Daarvoor heb ik veel bomen en struiken nodig. Ik verzamel stekken en jonge loten, al dan niet geworteld. Ik spit ze uit hier op het terrein of ik zie ze als ik wandel of op de fiets zit. Ik geef mijn ogen de kost en aarzel niet om te vragen.

Bij de kozijnenhandel staan verwilderde bosjes met bloeiende gele Forcitia. Daar fiets ik nu heen.

Mijn fietskarretje rammelt op de weg. Het zit met een touw vastgeknoopt aan mijn bagagedrager. Dat gaat best goed, als ik maar geen scherpe bocht neem, dan schiet hij ernaast. Ik verlaat het fietspad en steek met ruime bocht in bij de kozijnenhandel. Ik zet mijn fiets op de standaard en loop op twee mannen af, gekleed in overals. Een enorme viking grijnst me toe, de ander bekijkt me aandachtig. “Bent u van hier?” vraag ik. Het is de kleinere man die antwoord geeft. “Ja. Zeg het maar.” Ik vertel wat ik van plan ben. “Vorige week was ik hier ook al even, om te vragen of ik wat jonge uitlopers mag wegscheppen. Ik leg verderop een bosje aan, zie je. Bij mij krijgen ze een nieuw leven als volwassen struik.” De Viking grijnst nog breder. De kleinere man is kennelijk de baas hier. Hij knikt en haalt zijn schouders op. “Je schept maar raak,” zegt hij. Het zal hem een worst zijn. Ik pak mijn schep en loop naar voren. Er is een hek, dat gesloten is. Erachter zie ik verwilderde buxussen en laurierkers met takken die ver over het pad hangen. Een merel schiet weg onder de struiken en ergens hoor ik een tjifttjaf. Dit is een vogelplek. Zou hier ooit nog iemand komen? Ik ga in elk geval niet door het hek. Laat maar. Ik loop terug naar de Forsitia, die vooraan staat. Over een paar liggende takken is een berg blad verteerd. Onder die voedselrijke compost zijn de takken gaan wortelen. Ik steek mijn spade er onder en raak meteen iets hards. Ik schraap de aarde weg en zie grindtegels. Kennelijk heeft het er hier bij de opening van het bedrijf heel netjes uit gezien. Ik kan de geworteld takken zo wegscheppen en knip ze af van de moederstruik. Ik schraap drie tegels schoon, zodat ze weer kunnen zien dat hier een mooi stoepje ligt. Zou iemand het zien? Ik denk het niet. Dan laad ik mijn karretje tot ik de bodem niet meer kan zien. Ik steek mijn hand op naar de mannen en fiets weg, naar het volgende adres.

Vlakbij een statig landhuis groeit een katjeswilg langs de weg. Welke het is weet ik niet precies. Er zijn wel vierhonderd wilgensoorten. De snelle schietwilg is overal dominant aanwezig. Er komen nauwelijks katjes aan. De katjeswilg die ik opzoek, bloeit met lieve gele pluisjes. Hij maakt overal takken waar hij kan, die als lange armen tussen de andere doorkronkelen. Het geheel maakt de indruk van een chaotische, uit de klauwen gegroeide struik. De onderste takken zijn altijd dood, maar sommige nog niet. Die red ik door ze te snoeien. Ik geef ze een eigen leven als boom. Dat gaat heel makkelijk. Je zet ze in de grond en ze doen het. Toch heb ik hier in de wijde omtrek maar vijf van die mooie katwilgen ontdekt. Dat kunnen er veel meer worden.

Zonder aarzelen zet ik mijn fiets langs de weg en loop de oprit op van het prachtige huis. Ik wil eerst even toestemming vragen. Naast het huis groeit een klein bos, op hoge ronde ruggen met greppels ertussen. Er staat een deftige paal in de hoek van het bos, met een tekst die je niet kan lezen. De stenen zijn groen van het mos. Je kan aan alles zien dat het heel oud is. Sinds ik het ontdekt heb, ben ik erdoor gefascineerd. Ik zou er graag eens op ontdekkingstocht gaan. Maar het hoort bij het landhuis.

Ik loop langs het keurig onderhouden grasveld naar het huis toe. Ergens achter hoor ik stemmen. Kleine jongens en een kort antwoord van een volwassen man. Als ik het hoekje omloop, zie ik twee jochies in de weer met een groot kleed. Een grijze man met een jong gezicht staat met een telefoon in zijn hand. Hij groet me opgewekt. “Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” Hij knikt. “Ga je gang maar.” Ik bedank hem en kijk nog even bewonderend om me heen. Achter het huis staat een heel oud mooi gemetseld huisje met raampjes erin. Een schuurtje? “Wat een prachtige plek is dit!” zeg ik, nog steeds om me heen kijkend. De man grijnst. “Ja dat vonden wij ook,” zegt de man grijnzend. De jongetjes hebben intussen het kleed over een tafel gelegd en kruipen er onderdoor. Ze schieten tussen de man en mij door, de tuin in. Weg zijn ze. Ik vraag hoelang hij hier woont. “Een half jaar,” antwoord hij rustig. Dan kijkt hij abrupt naar zijn telefoon. “Ik moet nu even antwoord geven,” zegt hij verontschuldigend. Ik steek mijn hand op en loop weg. Als ik halverwege ben valt mijn oog op de struik, in het midden van het grasveld. Wat is het? Op dat moment gaat opnieuw zijn telefoon af. Hij pakt hem uit zijn zak en praat weer. Het is wat, als je zo’n drukke baan hebt en ook nog een groot huis, een tuin, en kleinkinderen. Ik ben maar wat blij met mijn kleine huis op wielen!

Ik loop het pad af. In de verte zie ik de katjeswilg al. Wat een mooie lange takken! Straks, als de lente komt, mogen ze bomen worden. Het wordt wat. Nee, het ís al wat!

.

Het ontkiemen van verhalenpaden

.

.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook mensen moeten wennen aan iets nieuws.

(Het voorgelezen verhaal staat vanaf nu onderaan de pagina)

De lucht is blauw, de wind van gisteren is gaan liggen. Ik loop de donkere hooischuur in. Hij zit vast aan het huis. De deur naar de gang staat open. Daar moet ik zijn. Ik klop op de deur van de boer. “Ja!” klinkt het luid. De boer zit op zijn stoel, wanneer ik binnenkom. Zijn kachel staat open en is bezig uit te gaan. Dat geeft niet, het is warm voor de tijd van het jaar. De groeihormonen van de bomen beginnen op gang te komen. Daarom ben ik hier. Ik kijk hem helder aan.“Ik wilde het hebben over de bomen. Dinsdag gaan we naar de kweker. Zal ik ook nog twee tamme kastanjes voor je meenemen? Ik hoop dat de bodem er klaar voor is”. De boer heeft nog meer wensen, waar ik mooi op in kan spelen. Ik denk aan de zuurbessen, hazelaars en lijsterbessen. “Ik wil…” zeg ik en slik mijn woorden in en zoek naar andere woorden. Nee, geen ik wil. Het gaat erom waar het land om vraagt. Wat de mensen nodig hebben. Daar ben ik voor. Zelfbewust begin ik opnieuw. “Ik zou graag zien…” verbeter ik mezelf. Hij luistert. Terwijl ik met hem praat besef ik hoe bijzonder het is, dat ik opnieuw het vertrouwen krijg om iets te doen op deze grond.

“Je kan het stuk grond naast het dijkje gebruiken. Het is jouw verantwoordelijkheid. Als je het maar zelf maait.” De boer hoeft niet lang na te denken. Hier heeft hij al vaak over gemeimerd. “Hoe doe ik dat? Moet ik dan geen zeisles nemen?” vraag ik. Hij slaat achteloos met zijn arm in de lucht, alsof hij een maaibeweging maakt. “Ach joh, het gaat alleen om het groffe spul. Vooral riet en natuurlijk de distels. Dat gaat heel makkelijk met de zeis.” Ik schud mijn hoofd. “De distels hoeven niet. Die steek ik uit met penwortel en al,” zeg ik beslist. Dat vindt de boer nog mooier. Hij houdt niet van distels. Helaas voor de vlinders, zegt hij spijtig. “Voor de bijen en vlinders zaaien we graag wat anders” antwoord ik. Ik kan al bij voorbaat genieten van het wildebloemenmengsel, de meerjarige luzerne, al dat paars tussen het gras, en de zonnebloemen die we zullen zaaien.

We praten nog even verder en verkennen de mogelijkheden. Ik beheers me om niet te enthousiast te worden. Het groeihormoon kietelt. Maar hardlopers zijn doodlopers. De grond moet er klaar voor zijn en de mensen ook. Het is niet de bedoeling dat ik in mijn eentje fanatiek ga lopen worden. Ik wil er het komende jaar vooral veel zijn, veel kijken, en selectief wieden. Grote bomen komen later wel. Ik glimlach en bedank hem, dat ik dit mag doen. Hij grijnst tevreden en knikt. Het gebeurt niet elke dag, dat hij wordt bedankt. Ik heb herhaaldelijk gezien dat mensen steeds meer grond in gebruik nemen, bijna alsof ze er recht op hebben. Ik ben niet van plan om steeds meer spullen neer te zetten in schuurtjes en opslagplaatsen rond mijn huis. Ik ben een gewortelde nomade. Liever laat ik levende planten groeien, waar alles en iedereen nog jaren van kan genieten als ik allang weg ben. Het hoeft niet van mij te zijn. Liever niet zelfs.

Als ik de deur van de boer dichtdoe, sta ik opnieuw in de donkere stoffige hooischuur. Even sta ik stil, mijn voeten op het beton. Ik krijg de verantwoordelijkheid. Ik weet wat dat betekent. O ja! Pak het niet te groot op. Begin klein en doe het spelenderwijs. Laat mensen zelf kijken en zin krijgen. Linde, als eerste. Linde die het zo hard nodig heeft, om buiten in de natuur te werken. Ze geniet er zo van. Stap voor stap ontdekken we. Alles wat er groeien gaat. Van binnen en van buiten.

Ik ben een gewortelde nomade. De wortels groeien dieper en dieper. Ik ga hier pas weg als ik klaar ben. Als ik geroepen word. Maar nu roept de bodem mij, onder de voeten. Het wil gezien worden, en bezongen.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook de mensen moeten wennen aan iets nieuws. Daar denk ik steeds weer aan. Er is veel tijd. Ik hoef me niet te haasten. En al die tijd kunnen we spelen en genieten! Als gewortelde nomade ben ik begonnen met liedjes schrijven. Ik denk dat het gaat over de verhalenpaden, die langzaam zullen groeien. De bloemen, de bomen, de dijk, de grond. . . de stenen, de beelden. . . Zijn dit niet dezelfde “Songlines” waar de Australische aborigionals over spreken? Begint een nieuwe wereld niet met het lied van de verbeelding? Wij mensen zijn scheppers, zei ooit een boer tegen mij, die de omslag maakte. Daar denk ik nu aan. Maak van de kanteling een dans, en zing!

.

Luister hier naar het verhaal.
Luister hier naar het lied: “Wilgeboom, de eerste van de bomen.”

Signaal voor koerswijziging

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

Na een korte vakantie ben ik terug in het dorp vanwaaruit ik een maand geleden vertrokken ben. Het is tijd om weer aan het werk te gaan. Ik ben nog lang niet klaar met het boek, dat er straks komt. Hoe ga ik de presentatie aanpakken? Blijf ik hier, in deze buurt? Het is hier mooi. Het is me bekend, want ik heb hier de hele winter gestaan, achter de heg van Annemarie. Ik sta nu een stuk verderop, in een brede berm. Leuk, maar niet een plek om twee maanden te blijven staan. Maar waar dan wel? Weer bij Annemarie achter de heg? Ik twijfel. Dan sta ik weer zo ingepakt in een hoekje….Dat is meer iets voor de winterstormen. Voor knusse veiligheid als de kachel weer brandt. Ik kijk naar het glimmende raaigras en de vele eikenbomen die langs de weg staan. Ik kijk naar het wuivende riet in de sloot. Het is hier mooi. Wat zal ik doen? Waar ga ik heen? Ik weet het niet.

Dan stopt er opeens een fiets, naast me. Het is een tanige oudere man. Ik schat hem ergens in de zeventig. Ik doe de deur open.
‚Hee, stond jij niet in de krant van Wolvega en omgeving?’ vraagt hij me.
Ik knik uitdrukkingsloos. ‚Ja, dat klopt. Dat was ook de laatste keer dat ik meewerk aan krantenvulling in komkommertijd.’ Hij gaat er niet op in.
‚Heb je nooit problemen onderweg? Zo alleen?’
Ik haal mijn schouders op. ‚Nee hoor, eigenlijk nooit. Als ik maar niet te vaak in de krant kom.’
Hij kijkt me onderzoekend aan. ‚Je heb wèl een goeie kapper. Het is mooi in een coupe geknipt.’
‚Doe ik zelf,’ zeg ik. ‚De wagen heb ik ook zelf gebouwd.’
Hij kijkt me aan met grote ogen. ‚Oh… Ik zie mijn dochter dat al doen. Apart hoor!’
Ik krijg een beetje de kriebels. Dit soort bewondering is niet waar ik naar vis.
‚En is het niet eenzaam, zo helemaal alleen?’ vraagt hij me. Het is dezelfde vraag die altijd terug keert. Ik antwoord dat ik onderweg eigenlijk nooit alleen ben. Er zijn veel gastvrije mensen, die me graag een paar dagen een plek bieden.
Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‚En dan moet je zeker weer weg. Wat een onrust. Wil je niet een vast plekje, bij familie of zo? Mensen vinden je toch een beetje raar, als je jezelf buiten de maatschappij plaatst,’ zegt hij. ‚In je eigen wereldje blijven is toch veel veiliger!’
Ik kijk hem fel aan. ‚Ik sta niet buiten de maatschappij! Ik heb een leven achter me gelaten, en niet voor niets. Ik ben niet zomaar wat aan het zwerven. Ik baan mezelf een weg voor een nieuwe taak. Dat is niet makkelijk. Ik weet ook nog niet hoe het gaat lopen, maar ben vastbesloten mijn rode draad te blijven volgen.’ Nu zie ik even een andere blik op zijn gezicht. Heel even maar. ‚Maar is dit dan de manier om dat te doen? Als mensen je maar raar vinden?’
Ik vertel hoeveel ik geniet van al die goede gesprekken onderweg en hoeveel ik er aan heb. En dat ik vooral blije gezichten zie. Hij kijkt naar zijn voeten. Ik zie dat hij me niet gelooft.
‚Dat lijkt misschien wel zo, maar…..’ Hij slikt zijn woorden in. ‚Maar ík zie wel dat je karakter hebt hoor!’ haast hij zich te zeggen. ‚Jij kan wel wat. Zo’n huisje bouwen. Tjonge. Het is best leuk om met zo’n apart mens te praten.’
Ik kijk hem uitdrukkingsloos aan.
‚Ik begrijp het wel,’ zegt de man snel ‚Ik heb al zoveel mensen leren kennen, en zoveel meegemaakt, daar kan je wel een boek over schrijven. Ik snap het allemaal wel.’
Ik besluit er een einde aan te maken, zonder mijn wrevel te laten blijken.
‚Wilt u nog even binnen kijken?’ vraag ik opgewekt.
‚Neu…..,’ zegt hij. ‚Ik zie je vast nog wel een keer. Kom maar een keer bij ons koffie drinken,’ zegt hij goed bedoelend. Hij vertelt waar zijn huis is. Ik knik vriendelijk. Toch wel aardig dat hij dat zegt. Al kan ik er niks mee.

Hij stapt weer op zijn fiets en rijdt weg over de smalle landweg. Ik kijk hem verbaasd na. Dit is zo’n gesprek waardoor ik me afvraag: Wat doe ik hier? Moet ik niet heel ergens anders zijn op dit moment? Het voelt als tijdverspilling en de enige zin is, dat ik weet dat ik koers moet wijzigen.
Voor mij ligt de weg. Ik kan zo wegrijden. Waar leidt het pad naartoe? Terug naar Annemarie? Nee. Dat is het niet. Straks nadert de herfst. Dan is de boekpresentatie. Daar wil ik iets moois van maken. Daar moet ik nu mee bezig. En ik mag niet langer dralen.

Opeens weet ik het. Het is zo klaar als een klontje. Ik moet terug naar het Noorden. Naar één van de plekken waar het boek over gaat. Alleen dàn gaat het leven, en kan ik er echt iets van gaan maken. De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

.