Het meisje dat het hooi kwam halen

.

.

Hooi is mooi. Geurend hooi in een kleine baal met een touwtje erom is een kunstwerk. Het laat de schoonheid zien in gewone dingen, die we soms bijna vergeten zijn. Ik sprak met een jonge Friezin die een kar vol balen kwam halen.

.

“Als je de hooizolder nog wil zien, moet je nu gaan, want ze komen het halen,” kwam boer Jochum mij zeggen. Ik klom de ladder op tussen balken vol spinnewebben. Ik dook in het hooi en rook de zoetige geur die doet denken aan vroeger, toen de balen nog niet door grote stalen grijparmen werden ingepakt met enige tientallen lagen lichtgroen of zwart plastic. Die wereld lijkt heel ver weg op deze plek.

En nu staat daar een grote kar, half in de schuur geparkeerd. Ik hang over mijn onderdeur en kijk toe. Jochum gooit de balen in de schuur naar beneden. Vader en dochter geven de balen aan elkaar door en de stapel op de kar wordt hoger en hoger. Tot het vol is en tijd voor vertrek.
Om weg te kunnen, moet de vracht eerst een heel krap hoekje om, vlak langs de oude boerderij. Terwijl de mannen staan te kijken hoe dat het beste kan, begin ik een gesprek met de jonge vrouw. Ze is begin twintig, haar donkerblonde haar is nonchalant opgestoken zodat het niet in de weg zit. Ze kijkt me levendig aan met haar blauwe ogen en wil graag mijn huis zien. De buitenkant vindt ze mooi, maar van de binnenkant is ze pas echt onder de indruk. Samen staan we op het bordes en kijken over de onderdeur heen naar binnen, terwijl de trekker de eerste pogingen doet om de kar de bocht om te krijgen. Vooruit, achteruit en weer terug, vlak langs de bakstenen muur.
“Het zou mooi zijn als je hier echt mee ging trekken,” zegt ze en ik lach opgewekt. “Ja! Dat is ook de bedoeling. Ik dacht eerst dat ik met paarden of muildieren zou reizen. Maar dat is geen optie.” Ze kijkt nadenkend. “Ja dan moeten het wel heel zware dieren zijn. Kan het niet met iets anders? Een trekker?” Grijnzend wijs ik naar de stal. “Daar staat hij! Mijn electrotrekker. Ik kan er maximaal tien kilometer per dag mee. Laden kan met de zonnepanelen die op mijn bagagewagen komen te liggen. Zo ben ik onafhankelijk, wat energie betreft.”
Ondertussen kijken we allebei naar de manoeuvres met de hooiwagen. Een baal steekt wat uit en houdt de boel tegen. De trekker neemt een nog ruimere bocht, tot vlak langs de oude auto die ingegroeid is tussen een paar vlierbomen. Ik hoor wat kraken, maar het effect is duidelijk. Hij komt een stuk verder.
“Tien kilometer per dag? Dat is niet ver,” zegt ze. Ik haal mijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Ik ben een keer twintig meter verhuisd met een woonwagen, gewoon voor een ander uitzicht. Dat was al een hele belevenis.” Ze knikt met een blik vol herkenning. “Ja, ik ben pas naar de andere kant van het dorp verhuisd, dat is ook al heel anders. Maar niet zo anders als Gent, waar ik een jaar heb gestudeerd. Mensen gaan daar toch heel anders met elkaar om. Ze draaien om de hete brij heen. Wij Friezen zijn meer recht voor zijn raap. Dat ben ik zo gewend. Maar ik ben blij dat ik weet dat het ook anders kan.”
“Zou je hier ooit weg willen?” vraag ik.
“Nee nooit!” zegt ze vastbesloten. “Ik woon nu met mijn vriend in een prachtig boerderijtje met twee echte bedstedes. Ik houd van Friesland, dit is mijn thuis. Ik wil hier nooit weg. Al weet je natuurlijk niet wat er gebeurt.”
“Fijn dat je een plek heb waar je helemaal thuis bent, ” zeg ik. “Dat heb ik niet meer. In de polder, waar ik geboren ben, daar is het niet. In Utrecht heb ik mijn netwerk, daar heb ik geschiedenis opgebouwd, daar heb ik mijn roots. Maar ik wil en kan niet terug naar de stad. Dus ik ben nu een echte nomade aan het worden, ” grijns ik.
“Ik ben benieuwd naar je avonturen, ” zegt ze. Ik doe een stap naar binnen en geef haar mijn kaartje. “Kijk maar. Er is van alles te beleven op mijn blog.” Blij pakt ze het aan. Voor hen die blijven zijn er altijd nog de verhalen van reizigers.

De trekker steekt voor de laatste keer, de uitstekende baal schuurt tegen de hoek van de boerderij langs, maar het lukt. “Ik moet gaan,” zegt ze. “Ik wens je heel veel plezier op je reis.” Ik glunder. “En jij ook, in je mooie boerderij met je vriend!” Ze lacht en springt het bordes af, om gauw in de trekker te stappen, naast haar vader, terug naar het dorp waar ze zo mee vergroeid is. Een mooie jonge Friezin, met een heel leven voor zich, dat is ze.

.

.

.

Hooien.

Dit is het andere beeld dat veel meer gangbaar is. Rijke boeren met veel land gebruiken met hun hightech hooimethodes niet alleen veel plastic, maar ook veel subsidie. In dit filmpje kun je zien hoe vernuftig de machines zijn, die ze daarmee kunnen kopen. Je kijkt je ogen uit. Maar de balans raakt zoek. Kleine boeren krijgen nauwelijks of geen geld en moeten wél investeren om zich te blijven aanpassen. Velen redden het niet. Onafhankelijkheid door specialisatie is een oplossing. Ik sta nu met ‘t Wandelhuis bij Boer Jochum. Hij heeft altijd zes koeien gehad en maakte kwark en yoghurt, die hij zelf naar de biologische winkel bracht. Daarbij voerde hij een camping, dezelfde als waar ik nu sta. Hij redde het net, het was hard werken. Nu hij zeventig is, kan hij iets rustiger aan doen en is hij gestopt met de zuivelverwerking. Jammer, ik ben gek op kwark.

.

Hoe vertel ik het mijn oude pa

.

.

Ik heb mijn vader aan de lijn. Hij snapt er niks van. “Ik hoorde dat je nu ergens anders woont!” roept hij verbaasd en met een ondertoon van verontwaardiging. Mijn pa nadert de negentig. Hij stelt scherpe doelen, schrijft boeken voor de historische vereniging in Drenthe, maakt elke dag een fikse wandeling, heeft een strak schema in het schoonhouden van het grote huis en het onderhoud aan de tuin. Daarmee houdt hij zichzelf in conditie en houdt hij grip op zijn bestaan. Maar stilletjes aan wordt zijn wereld kleiner.
“Ja pa,” zeg ik “Ik sta nu vier kilometer verderop, in de buurt van Jellum.”
”Jellum? Waar ligt dat?“ Hij loopt even weg met de telefoon en kijkt ergens in om te zoeken.
“O, ik zie het al. Jellum. Ja hier!” Hij klinkt voldaan en tevreden. Het is even stil.
“Je bent binnenkort jarig hè, ik wilde dan graag langs komen waar je nu zit.” Hij zegt het aarzelend en tegelijkertijd vastbesloten. Sinds de dood van mijn moeder tien jaar geleden, is hij heel trouw geworden in het contact naar al zijn vijf kinderen, belt af en toe en komt één of twee keer per jaar met de auto, want rijden doet hij nog als de beste. “”Fijn zeg, dan kan je het nog mooi even zien waar ik nu ben.” zeg ik opgewekt en ik vermoed dat ik hiermee opnieuw verwarring zaai. Dat klopt als een bus.
“Wat?! Ga je daar weer weg dan?!”
“Ja pa, ik ga straks naar een geoloog en zijn vrouw. Zij is keramiste. Hij weet heel erg veel van Friesland. Ze kunnen me veel vertellen en daar verheug ik me op. Ik ga er ook in de tuin werken, een paar weken.”
“Oh..” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. “En hoe heet dat plaatsje dan?”
“Ja, hoe heet het ook alweer. Het is ook weer zo’n typische Friese naam. Ik vertel het nog wel.” We praten nog even verder, groeten elkaar en hangen op. Ik kijk nadenkend uit het raam. Mijn pa is het dus al helemaal vergeten, dat ik hem vertelde over mijn reis. Wat nu?

Een paar weken geleden zat ik nog bij mijn vader in de huiskamer. “Ik ga trekken pa, met mijn huisje op wielen.” Ik keek hem vol spanning aan. Het grote woord was er uit. Zijn stem klonk ijl en bibberig toen een zwak “Neeeee……” aan zijn lippen ontsnapte. Ik staarde naar mijn voeten. Ik wist het. Alle slecht-nieuws berichten van de televisie kwamen langs zijn geestesoog voorbij. Ik verharde mezelf en keek hem aan. “Ja pa,” zei ik onverbiddelijk, maar ik dacht, shit, wat rot voor hem. Maar ik wil deze reis nu maken. Hoe leg ik hem het uit??

Een week later sta ik op het perron van Deinum. Zo dadelijk komt de trein naar Leeuwarden. Ik loop net naar het bord met vertrektijden als mijn vader me belt. Ik vertel hem  waar mijn wandelhuis nu staat. Niet Jellum, maar Bears. Ik had me vergist. “De bus vertrekt vanuit Jellum, niet vanuit Bears. Daarom dacht ik dat. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Je schrijft het met een e en een a.” leg ik hem uit. “Bears?” vraagt hij, “Het lijkt wel Engels.”
“Ja, het Engels heeft veel invloed gehad op het Fries. En andersom is het net zo,” vertel ik.
Aan de andere kant van de lijn luistert mijn pa aandachtig. Er komt een idee bij me op. Ik hoef mijn vader niet te zeggen dat ik op reis ga. Als ik heel langzaam ga, en alleen zeg hoe het plek heet waar ik ben, dan zal hij het kunnen volgen. Traagheid is de sleutel en zeker als ik mijn verhalen doorspek met interessante historische details. Ik glimlach. Dit wilde ik toch?  Heel langzaam reizen en zo volledig mogelijk verslag doen? Met zo’n oude vader gaat dat alleen maar beter. Het zal me niet nog een keer gebeuren dat ik de naam niet kan noemen, van mijn volgende standplaats!
Je kan in alles een voordeel en een nadeel zien. Ik kies voor de meest werkzame optie. Mijn oude, maar zeer nauwkeurige  pa ervoor zorgt ervoor dat ik nog grondiger te werk zal gaan.

De trein komt er aan en stopt. Ik stap in en kijk hoe het weidse land aan me voorbij trekt. Het ziet er onbekend uit. Voor de zekerheid vraag ik het nog even. “Gaat deze trein naar Leeuwarden?”
“Nee,” zegt een jong meisje met lang bruin haar “De andere kant op, naar Harlingen.”
Wat een bof, denk ik bij mezelf. Ik zie almaar meer van de wereld. Mijn reis word steeds mooier. En ach, mijn vader hoeft ook niet alles te weten. Er valt nog genoeg te verdwalen… Ik tuur naar de horizon. In de verte zie ik het silhouet van een kleine provinciestad. “Franeker,” zegt het meisje.

.

Jellum en Bears vormen een tweelingdorp. Bears ligt aan de Swette, het plaatsje waar Ecocamping de Swetteblom zich bevindt. Er staan er oude bomen langs de oever en de boerderij. Kinderen slingeren in de zomer aan een touw boven het water en plonzen en spatteren er heerlijk rond. Het is een kanaaltje omringd door dikke rietkragen. Als het heel hard gaat vriezen, dan kan ik hier de schaatsers voorbij zien gaan van de elfstedentocht. Nu zwemmen er meerkoeten en eenden. De Swette vormde zich in de tijd dat de zee hier zijn arm nog uitsloeg en de getijden hun gang konden gaan. Het was het afwateringsriviertje voor de kwelders, bij hoog water. Toen de zee geen vrij spel meer had, is het gekanaliseerd. Vanaf het moment dat de kwelders verdwenen, doet het dienst als trekvaart tussen Leeuwarden en Sneek. Maar net zoals overal is het vervoer op het water sterk verminderd. Alleen in de zomer vaart er af en toe een plezierjachtje.

.

.

PS Ik heb mijn motivatie onder woorden gebracht, waarom ik dit wil doen. Het langzaam voortgaan langs de grens is niet alleen een verkenningstocht, maar is ook een vorm van protest voor mij. Als je meer weer lezen over die gedachtegang, lees dit.

   Klik hier voor de link

 

.

De eerste tocht met het Wandelhuis

.

.

Het was eind november, toen mijnheer Verhagen mij de elektrische mover kwam brengen, op Frijlân. Hij was helemaal van Leiden naar Leeuwarden gekomen. En nu was het apparaat van mij. Het knalrode ding van 150 kilo bevat een sterke elektromotor, die mijn wandelhuis makkelijk zou kunnen trekken, op een trage en lange reis, heel Nederland door.

 

“Ik ben benieuwd hoe ver je komt, met volle accu’s,” zei mijnheer Verhagen. “Ik heb er voor jou een tweede in gezet, twee van 100 Ampère. Kijk, hier zit het metertje. Let op dat je altijd drie streepjes stroom laat staan,” vervolgde hij ernstig. Ik knikte. “Tuurlijk, hij mag nooit leger zijn dan twintig procent, toch? En dan een marge van tien procent voor de veiligheid, dat lijkt me logisch,”zei ik. Mijnheer Verhagen knikte tevreden. “Hier is de oplader en hier zit het contact waar de stekker in moet.” Ik keek. Het was heel eenvoudig.

Drie maanden later is het zover. Het moment waar ik al een poos naar uitkeek is aangebroken. Dick wilde niets liever dan er bij zijn, de allereerste keer, trekken met het wandelhuis. Hij loopt stil genietend naast me. Het is een prachtige dag, de lucht is kraakhelder. Bij elke stap groeit het besef dat dit het begin is van een volkomen nieuwe levensfase. Er is alle tijd om te kijken en filosofische gedachtes te laten stromen. De mover staat op een laag standje en traag schrijden we voort. In dit koninklijke tempo ga ik dus straks de grenzen van ons land af. Het is even wennen, maar dan is het heerlijk. Het tempo is even vast als een metronoom en zo spaar ik stroom. Hoe minder hard de motor hoeft te werken, hoe langer de accu meegaat, net als bij mensen.
We hoeven niet ver, het is maar acht kilometer. Toch kan die afstand te ver zijn, voor de elektrische mover in deze omstandigheden. De knalrode trekmachine heeft een paar maanden in een schuur gestaan, in de kou. Bijladen kon ook niet, want er is geen netstroom op Frijlân en de zonnekracht, die de panelen moest laden, was maar zwak in de donkere tijd van het jaar.

Ik kijk oplettend naar de rij streepjes, die na het opstarten snel kleiner werd. Het kostte kennelijk veel energie. “Kijk je nou alweer op dat metertje?” grinnikt Dick, “ Straks ben je nog verslaafder aan dat ding, als anderen aan hun smartphone.” Ik lach en zeg niks terwijl ik mijn hand boven de groene lampjes houd om ze beter te kunnen zien. De accu is kennelijk opgewarmd, de lampjes blijven nu veel langer branden dan in het begin.

De lucht is blauw en de weilanden zijn eindeloos groen. Samen schrijden we door het land en voor menig raam zien we iemand staan. Een automobilist trapt acuut op de rem en twee mensen komen enthousiast de auto uit, terwijl aan de andere kant een dorpeling zijn erf af loopt, recht naar ons toe, met een grote grijns op zijn gezicht. Dit is het. Dit is gaan, zo langzaam dat de mensen tijd hebben om te komen. Zo langzaam, dat ik de verhalen kan volgen, die rond mijn wandelhuisje rondtollen.

De enorme ruimte van het Friese land is indrukwekkend. Ik adem diep in en uit en het is of bij elke ademhaling een tweede universum groeit in mijn borst, net zo weids en blauw als het land.
Nog even en we zijn er, op Ecocamping de Swetteblom, vlak bij het riviertje dat al een eeuwigheid de veranderlijke hemel weerspiegelt. Het Friese water, dat onvermoeibaar door het Friese land slingert. Hier begint mijn nieuwe leven als nomade. Hier maak ik me klaar.

.

.

.

Nootje na

De accu redde het net niet. Het was nog ongeveer 500 meter, naar de bestemming. Vlak bij de plek waar we noodgedwongen stil stonden, zag ik een schaap in de sloot staan. Met zijn dunne pootjes was hij diep in de modder gezakt en hij keek me aan alsof hij het meer dan logisch vond dat ik hem uit de nood zou helpen. Dat vond ik ook. Ik keek mijn vriend Dick aan en na een moment van twijfel trok hij vrolijk zijn broek uit en ging met blote benen in het ijskoude zwarte water staan. Ik haalde een hele sterke hangmat uit mijn wandelhuis en dat trok Dick onder het schaap door, door de modder heen. We trokken en sjorden en toen we het dier op de schuine slootkant hadden gekregen, rolden we het verder omhoog. Zodra ze vlakke grond onder haar poten voelde, rende het schaap opgelucht de wei in. Even later kwam er een trekker aan met daarin boer Jochem van ecocamping de Swetteblom. Hij was zo aardig mijn Wandelhuis te halen en naar zijn camping te brengen.
En hier ben ik nu. De camping heeft stroom voor kampeerders, dus ook voor mij, en er is Wifi. Er is warm water en een douche en een wasmachine. Wat een luxe allemaal. Morgen ga ik de was doen en achterstallig nieuws lezen op mijn laptop!

.

 

De stoute schoenen aan

.

.

Ik ga vandaag op pad. Mijn fiets staat al klaar naast mijn huisje, en ik trek het vloerluik open om mijn jas te pakken. Er staat weer een frisse wind. Ik heb ook mijn muts opgedaan en handschoenen met bont er in. Ik doe de deur open en wurm mij er zo snel mogelijk doorheen, zodat de koude wind het huis niet in komt. Dan pak ik mijn fiets en rijd langzaam het pad af. Als ik bij de boerderij ben, kijk ik opzij naar mijn woonwagen, aan de andere kant van het veld, dat nog steeds volstaat met bloeiend koolzaad.
Ik woon hier hu zeven maanden, op Frijlân, een kleine gemeenschap van vrouwen woont hier in tenten. En terwijl de onderlinge banden met elke kop koffie sterker worden als bij een echte familie, merk ik dat ik meer en meer afdrijf van dit gebeuren. Hier sta ik nu. Ik stop met trappen en stap af om naar mijn huisje te kijken. Het beeld is schitterend, zoals de kleuren samenvallen met het eindeloze weiland en de mistige blauwgrijze lucht. Het is alsof hij ervoor gemaakt is om hier voor eeuwig te staan.
Maar het is als een schilderij dat af is. En daar woon ik in. Mijn leven wordt meer en meer als een standbeeld. De dagen zijn donker en als ik om vijf uur de kaarsen aansteek om bij het schemerige licht te gaan koken, krijg ik het gevoel dat mijn huis me inspint tot ik er stijf als een mummie binnenin zit. Hier denk ik aan terwijl de wind om me heen blaast en ik met de fiets in de hand sta te kijken. Ik besef dat mijn tijd hier ten einde loopt. Het wordt tijd dat mijn wooncocon een wandelhuis wordt, van een statisch museumstuk naar levende inspiratie, gedragen door sterke wielen en benen.

Ik stap op de fiets. Vandaag trek ik de stoute schoenen aan. Vier kilometer verderop is een boerderij. Ik weet dat de eigenaar Jochum heet. Er is al vaker over hem gesproken. Ik wil het zien, die man en zijn plek. En vragen wat er kan.

De achterdeur zit niet op slot. Ik trek hem open. “Volluk!” roep ik de donkere ruimte in, net als de oude buurman vroeger bij ons thuis en ik glimlach bij die gedachte. Ik zie aan de andere kant een deur op een kier staan waar licht doorheen schemert. Een man komt uit de achterliggende huiskamer naar me toe. Hij heeft krulhaar dat glanst als zilver en een baardje. Na een korte kennismaking komt hij meteen ter zake. “Wat kan ik voor je doen?”
“Ik zoek een plek om de reis met mijn woonwagen voor te bereiden,” antwoord ik, “Half april vertrek ik.”
Hij vraagt naar de maten van mijn wagen. Als hij hoort hoe bescheiden de afmetingen zijn, laat hij onmiddellijk zien waar ik kan staan. Mooi beschut op het beton, tussen een tachtigjarige boomgaard in en de boerderij. Achter een openstaande deur zie ik een grote hoop stront liggen en de kont van een enorme koe. Het is een prachtplek, er is netstroom voor de laatste aanpassingen aan mijn wandelhuis en om weer eens uitgebreid naar muziek te luisteren. Het is er heerlijk beschut. Het terrein is een rommelige chaos waar iedereen zijn gangetje gaat. Acht mensen en een stuk of wat kippen hebben plezier van dit landje en ik zie steeds meer minihuisjes verscholen in beboste hoekjes. Achter de boerderij glinstert het water van de Swette. Hier wil ik heen. We praten nog wat over koetjes en kalfjes, tot hij opnieuw ter zake komt.
“Wanneer kom je?” vraagt hij.
“In de derde week van januari,” beslis ik ter plekke. Ik ben verbaasd over mijn stelligheid. Maar ik weet het.
De cocon opent zich en ik ruik de frisse lucht, die mijn nieuwsgierigheid en creatieve geest opnieuw tot leven wekt.
“Ik verheug me erop,” zeg ik tegen hem en ik loop terug naar mijn fiets. Nog twee weken. Opeens is er een einde gekomen aan de tijdloze tijd. Ik ga me klaarmaken, klaar voor vertrek.

.

 

Ik ga, waar ik het land versta

.

.

Het is weer een winderige dag. Af en toe schijnt de zon even door de sluierwolken door. Ik sta voor het raam en geniet van het licht met mijn ogen half dicht. Er klinkt vriendelijke muziek door mijn luidsprekers, muziek als een glooiend landschap in de zomerzon. Glimlachend doe ik mijn ogen open, terwijl ik mijn blik over het weiland laat gaan.

Meeuwen stampend in het natte gras
op jacht naar regenwormen.
Drie kraaien wassend in een plas
spatterend met hun vleugels.

Dat is wat ik nu zie. En ook mijn buurvrouw zie ik, die ontspannen in haar zwarte zomerjurkje door de koude wind loopt en haar voeten wast in de diepe plas bij de schuurdeur. Ook dat is een moment, een ogenblik in de lange film van een beweeglijk leven.
De muziek is afgelopen. Ik hoor de stem van Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij praat over de muziek van zojuist. Het gaat over de inspiratiebron van de componist.

Heerlijk, op een muilezeltje door Italië trekken.
Trekt me niet zo aan eigenlijk.
Veel te langzaam natuurlijk.

Dat zegt hij. En hij praat over musici, die door het landschap reisden en zich onderweg lieten inspireren door wat ze zagen. Precies wat mij ook zo trekt. Maar die laatste opmerking snap ik niet. Te langzaam? Ik wil juist stapvoets gaan, dat lijkt me prachtig.
Ik aarzel geen moment en typ een kort gedichtje uit, dat ik meteen naar hem opstuur.

Wat hoor ik nou?
Zeg dat eens nog een keer?
Ik geloof het voor geen meter
Langzaam gaande zie ik meer
Heel veel meer!

PS Ik vertrek in de lente.

Niet veel later hoor ik mijn naam noemen op de radio. De mij zo bekende presentator zegt dat ik een boze luisteraar ben en leest mijn gedichtje voor. Daarna vertelt hij dat ik van plan ben in de lente te vertrekken, in een huifkar, op weg naar Roemenië. Ik lach uitbundig. Haha, ik ben helemaal niet boos en ik ga helemaal niet naar Roemenië. Dat was ik zeven jaar geleden van plan, maar nu niet meer. Kennelijk heeft het veel indruk gemaakt. Het verhaal dat ik daarheen ben, zoemt nog steeds rond, dat heb ik wel vaker gemerkt. Ik hoop niet dat er veel bekenden luisteren die nu opnieuw denken dat ik naar Roemenië ga. Ik stuur meteen een berichtje terug.

Ik ga niet naar Roemenië. Ik blijf in Nederland!

Het antwoord volgt snel. Hij zal het niet meer vergeten. Mooi zo, denk ik tevreden. Ik kijk nog een paar keer naar mijn mailbox. Er komen geen verbaasde berichten binnen, niemand heeft het gehoord. Of misschien denken mijn lezers wel: “Die vent weet er helemaal niks van! Wij weten wel beter.”
Gelukkig maar. Want voorlopig ben ik hier en het lijkt me hartstikke leuk om mensen te ontmoeten, bekenden en onbekenden. Inspiratie komt in eerste plaats van de plek waar je bent, waar je voeten hun afdruk maken in de aarde, waar mensen je begrijpen, waar de echo van je woorden wordt weerkaatst, maar dan net een beetje anders dan je het zei, de plek waar je spiegelbeeld in het water rimpelt en waar de man op de radio je antwoord geeft. Daar begint het toch…. Is het niet?

Ik ga, waar ik het land versta.

.

Klik hier voor de link naar het programma “Passaggio” van radio 4, elke werkdag om 19.00 te beluisteren of via Uitzending gemist.

.

 

Prinsessetrein

.

.

“Het wordt een treintje,” zeg ik tegen de vogelspotter, die vaak naar Frijlân komt om foto’s te maken. We staan bij mijn nieuwe bagagewagen, die straks achter de woonwagen aan komt te hangen. Het is een blauwe. Ik heb hem zojuist opgehaald met buurvrouw Anna. Hij heeft een deksel dat aan beide kanten schuin afloopt en hij is maar een dikke meter breed. “Kan die mover dat allemaal trekken??” vraagt hij met grote ogen. Ik knik vol vertrouwen. Tegelijkertijd klinkt achter ons een vogelkreet. “O wacht, dat kan een kiekendief zijn. Even een foto nemen.” Hij draait zich om en kiekt de vogel die hoog in de lucht vliegt. Daarna neemt hij rustig de tijd om te kijken wat hij geschoten heeft. Ik wacht. Even later stopt hij zijn camera weer weg en richt zijn blik weer op mij.
“Ja hoor, hij kan het makkelijk trekken. Ik kan zelfs in mijn eentje de woonwagen in beweging brengen. Hoewel hij 1500 kilo weegt, rolt hij makkelijk en licht.” Zijn bezorgde blik wordt nu vrolijk. “Dat moet wel lukken!”

Ik zie het al voor me. Daar loop ik, in mijn strakke rode prinsessenjurkje en mijn rode hoed met de veer. Ik trek de wagen, met de rode mover vlak achter me. Anderen hebben grote dieselslurpende trekkers voor hun wagens, die veel herrie maken. Een enkeling heeft een paard ervoor, of een ezel. Maar ik heb alleen een glimmend rood bakkie, dat volkomen geruisloos is en 3500 kilo kan trekken. Het is iets ongekends. Een mens die een treintje voortrekt, bestaande uit een woonwagen, een bagagewagen en een fietskarretje. En het is nog wel een vrouw! Hoe komt een vrouw daar nou aan? In mijn sjieke verschijning zal men allerminst de gedachte hebben dat ik mijn tiny tiny house zelf heb gebouwd. Maar ja, een sjieke dame die een treintje achter zich aan trekt, dat hebben ze ook nooit gezien. En als dat mogelijk is, dan is alles mogelijk, nietwaar ?

 

Die gedachte hoop ik wakker te maken,
alleen maar door te zijn,
door te gaan,
door het wonder van het bestaan
iets los te toveren bij de passant,
die mij voorbij ziet gaan.

Dat het ene wonder
het andere wonder doet ontluiken.
Dat is hopelijk mijn kracht.
Het is geen loodzwaar doel of ideaal.
maar juist klein en heel dichtbij
ik kan het bijna ruiken

 

 

.

 

Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.

De aantrekkingskracht van eenmalige magie

.

.

Iemand kwam eens naar mijn huisje kijken. “Deze woonwagen heeft iets magnetisch. Het wordt een plek van communicatie..” merkte hij op, helder en bedachtzaam. Op dat moment waren we met zijn tweeën. Na een dag als vandaag denk ik daar aan terug.

,

Ik sta achter mijn glazen windscherm en kijk over het veld naar de boerderij. De didgeridoospeler die net bij me was, loopt terug naar de feestende menigte. Bij de boerderij brandt een vuur en er lopen mensen. Ik zie het van uit de verte, ik zie hoe hij met zijn vrouw bij het vuur gaat staan. Zo juist hebben we getest hoe het klonk, de diepe bas van het instrument, terwijl ik spreek. Hij gaat het verhaal begeleiden dat ik zodadelijk ga vertellen. Af en toe zal hij een zachte ondertoon te laten horen als achtergrond. We hebben niet geoefend, dus ik heb geen idee op welke momenten hij invalt. Ik vind het wel spannend.
Vastbesloten om er iets moois van te maken, kniel ik bij het vuur en leg het hout er op. De snel in elkaar getimmerde bankjes staan er in een halve boog omheen. Ik kan zeker dertig mensen ontvangen.

Ik componeerde een verhaal voor Samhain, het feest wat we nu vieren en waarop we terugkijken en ons bezinnen. Wat kunnen we oogsten en wat laten we los? Vroeger geloofde men dat dit de tijd was, waarin de levenden en de doden het dichts bij elkaar zijn. Niet voor niets hebben de Christenen er Allerzielen en Allerheiligen van gemaakt en de Amerikanen Halloween.
Het inspireerde mij. Ik dacht, wat heeft het Friese volk in het verleden zodanig geraakt, dat het nog lang rond bleef spoken? Ik ging op zoek naar een trauma in de geschiedenis. Iets wat ongelooflijke impact moet hebben gehad. Ik vond de oorlog bij de Middelsee in 734, de dag dat de Franken binnenvielen met een enorme vloot, de dag dat het Friese volk niet alleen zijn onafhankelijkheid kwijt raakte, maar ook alles waar ze tot nog toe in geloofden, hun god Wralda en hun godin Fostare, hun priesteressen, hun rechtsysteem brokkelde af, met de Lexion Frisia, hun dagelijkse gewoonten. Alles wat ze al eeuwen en eeuwen lang kenden, er bleef niets meer van over dan een rokende ruïne.

Ik wilde het helemaal voor me kunnen zien, en terwijl ik meer en meer ontdekte over die tijd, ontspon zich in snel tempo een verhaal, dat begint op de plek waar ik nu ben, maar dan in 2060. Ik ben Beitske. In haar dromen keert Beitske terug naar het oude Friesland, in de gedaante van een uil.

Ik spreek de laatste zinnen uit van het verhaal. Het einde is hoopvol en hartverwarmend. Ik zie stralende ogen en in de hoek zit een man die bij elk woord heel wijs knikt, alsof hij alles wat ik zeg wil bevestigen. Na de laatste woorden is het stil. Iedereen kijkt me aan, alsof ze nog iets van mij verwachten. Ik geef een nawoord, ik vraag of ik de mensen mee heb kunnen nemen, een andere tijd in. Ja, knikken er velen, ja!
Ik ben blij. We kijken naar de sterrenhemel boven ons. Die is zo mooi, dat hebben we al vele nachten niet meer gezien.

En nu is het voorbij. Het verhaal is verteld. Het duurde iets meer dan een half uur, maar het lijkt of we veel langer zijn weggeweest. Ik heb het niet opgeschreven. Het is wat het is en het was wat het was. Het is een vertelling die nu alleen nog bestaat in de herinnering. Ik denk ook niet dat ik het nog een keer vertel. In deze tijd waar alles eindeloos herhaald kan worden op talloze manieren geef ik mijn verhaal de magie van de eenmaligheid. Ik wil passanten duidelijk maken, het gebeurt nu! Wees erbij of niet. Daar heb je dan vast een goede reden voor. Maar wees je bewust van de pareltjes die opbloeien op de plek waar je bent. Dat is wat ik wil zeggen. Het liefst zou ik zien dat, net als in Ierland in de kroeg, elk verhaal of lied alle aandacht zou krijgen, wie het ook zingt of vertelt, volledige, oprechte aandacht.

Dus deze gedachte neem ik straks mee op mijn reis. Elke plek heeft zijn eigen verhaal en ik hoop dat ik het mag vertellen, misschien wel samen met anderen. Het is wat het is. Als ik weer vertrek laat ik het verhaal achter. Want daar heeft het zijn wortels. Elke plek is uniek, elk mens is uniek. En het moment is eeuwig en altijd nieuw.

.

.

.

 

Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Knipoog van een zielsverwant

.

.

Midden in het stadje Loenen
ligt een zwaar verwaarloosd park
fruit ligt er te rotten
en een breed tapijt aan riet en netels
wint het van de bloemen

Maar tussen opgeschoten vlier
werkt een vrouw zo onvermoeibaar
en elke zondag klinkt haar stem
vertelt zij haar verhalen daar
aan wie dan ook, een mens of dier

Haar handen zijn nu vuil en hard
van het trekken aan het riet
Ze werkt en werkt maar door
of iemand het nou ziet of niet
en legt het mooiste zaad apart.

Kom kijken roept ze menigmaal
Maar bleek van vermoeidheid
of blind door ambitie
loopt mens na mens voorbij.
Ze spreken een andere taal.

Er komt een jonge kunstenares
Zo prachtig wat je doet zegt ze
elke dag zie ik het groeien
wat een bloesems laat jij bloeien
hier houd ik mijn schilderles!

Een ambtenaar komt controleren
of het park wel mag bestaan
ze hangt net in een perenboom
om een nestkast op te hangen
Hij kijkt haar heel belangrijk aan

Diversiteit is hier van groot belang
dat staat in al mijn boeken
Nu ik weet dat u hier bent
Maak ik er notitie van
Die zaak van u krijgt absoluut
boven alles voorrang!

Er komt een oude hovenier
hij pakt haar vuile hand en zegt
Jij begrijpt het, de anderen niet
Ik wil je zeggen het ligt niet aan jou
Voor mij ben jij de mooiste hier!

Ze staart hem na terwijl hij wegloopt
als een stille zielsverwant
hij weet haar ogen in zijn rug
en droomt hetzelfde wat zij hoopt.

Van tientallen voeten in aarde
en duizenden bloeiende bloemen

Dan kijkt hij om
en knipoogt.