Wij zijn open!

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zeven minuten.

.

Ik sta op het ingeklonken grindpad, met mijn klompen naast een diepe plas. Op het tegelpaadje, dat de bosjes inloopt, staat buurvrouw Manja. Ze kijkt naar iets wat ik niet kan zien. Verderop is haar vriend bezig. Hij probeert een autodeur terug te hangen in het scharnier. Hun huis is van hout en staat midden tussen hoge wilgenbomen. Het waait flink, maar daar hebben zij geen last van! De kruinen zwaaien wild heen en weer en houden alle wind tegen. Ik roep mijn buurvrouw en ze kijkt meteen op. ‚Manja, mag ik af en toe je elektrische fiets lenen, als ik met noodweer ergens heen moet?’ Ze kijkt op. ‚O ja hoor, natuurlijk! Wij hebben nu toch allebei een auto.’ Ik bedank haar opgewekt en loop door. Ik moet nog boodschappen doen. De dichtsbijzijnde supermarkt is zes kilometer. Het waait stevig, maar noodweer kan je het niet noemen. Zal ik haar fiets lenen of niet? Ik heb er zo’n hekel aan om tegen de wind in te fietsen! Wat een luxe, als je vanzelf gaat! Het is zo verleidelijk!
Ik twijfel. Dan recht ik mijn rug en kijk naar de horizon. Nee. Ik ga niet overstag. Ik ga ook niet tegen de wind in ploeteren, op mijn eigen eenvoudige fietsje. Ik ga lopen.

Even later loop ik met ferme pas het onverharde pad af. Na een heel eind steek ik de straat op, die naar het dorp loopt waar de winkel is. Ik ga over het fietspad. Er staan iepen naast de weg. Of zijn het lindebomen? Nee, toch iepen. Een vrouw staat in haar tuin onkruid te wieden en groet mij enthousiast. Dan ziet ze dat ik het niet ben. Niet degene die ze dacht. Ik grijns haar toe en loop door. Ik zie kortgemaaide gazons en gladgeschoren hagen. Dan kom ik bij het eetcafé, Jonker Sikke. Een gezellige tent. En best groot, voor op het platteland. Alle houten banken zijn leeg, buiten. De deur staat open. Er komt muziek uit. Folkmuziek met de stem van Maddy Prior, die ik zo bewonder. Ik loop verbaasd naar binnen. Vlak achter de deur staat de eigenaar, met zijn grijze krullen. De grote houten tafel staat vol met flessen wijn en nogablokken. ‚Zijn jullie niet dicht?’ vraag ik nogal overbodig. Hij is blij dat hij me ziet. ‚Nee we zijn open voor afhaal.’ Hij kijkt naar de tafel. ‘Ik ben maar winkeltje gaan spelen. Ik ben blij als ik wat verkoop!’ Met grote ogen kijkt hij me aan. De beweeglijke man blijft jongensachtig. Altijd druk bezig met de mensen en wat er zich voor doet. Maar nu mag hij niks meer. Hij blijft zoeken. Wat kan hij nog wèl doen? Ik zie hem denken. Vastbesloten kijk ik hem aan. ‚Ik wil appeltaart. Heb je dat? Met slagroom? We moeten elkaar steunen!’ Hij knikt bevestigend. Blij loopt hij naar achteren en komt terug met een gevouwen kartonnetje met inhoud. Hij heeft er heel veel slagroom op gedaan. Lekker. Hij vertelt hoe moeilijk hij het heeft. Hij moet alle zeilen bijzetten om maar een klein beetje omzet te vangen. Langs de plattelandsweg raast iedereen in auto’s voorbij. Op de elektrische fiets had ik precies hetzelfde gedaan.

Ik smul van mijn appeltaart, op één van de vele lege banken, die uitkijken op de weg. Dan vouw ik het kartonnetje op en doe het in mijn zak. Aanmaakmateriaal. Dan loop ik verder. Ik heb alle tijd om na te denken. Dat we langzamer moeten. Dat we door voor gemak en luxe te kiezen, steeds individualistischer worden. De verleidelijke auto, snel en met een dak tegen de regen, is wel het uiterste hiervan. We spreken elkaar niet meer. Ik probeer de verleiding te weerstaan. Elke keer weer. Vandaag kan ik maar één ding zeggen:

Steun elkaar! En geniet van je wandeling.

.

Vlechtwerk van leven

.

.

Re-cover
Work in progress, 2011 Collectie Verbeke Foundation
Dit is een omgevingsproject gemaakt met acht oude wilgen, die werden gered en herplant op de Verbeke Foundation in januari 2011.
Het project zal veranderen en uitdijen. Het toont ons hoe biodiversiteit op een zeer unieke manier kan werken, bij een enkele plantensoort, de Salix. Verschillende kunstwerken vergroeien met elkaar tot een levende installatie.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van acht minuten.

Mijn kleine huis staat op een oude wei. Het is een weide vol paardebloemen en boterbloemen. In de lente is alles geel. Dat is mooi, want de boer houdt van geel. Maar nu is het veld alleen maar groen. Het is herfst.
Ik loop op mijn hemelsblauwe klompen over het veld. Het gras komt tot mijn enkels. Het is nat. En het blijft nat. De lucht is vochtig en de dauw droogt niet op. Ik voel de blubber bewegen onder mijn voetzool. Dat is een heel ander gevoel dan een paar weken geleden. De grond is de hele zomer keihard geweest.
Ik kijk op. Je kunt zien dat het land oud is. De glooiingen zijn niet geëgaliseerd, zoals in andere weides. Ooit is er een gelijkmatige golf in het land gebracht. Niet veel, maar genoeg voor het doel. De hogere delen blijven droger. Op de lagere stukken voel ik nattigheid. Dat hebben de oude boeren vroeger mooi gedaan. Hoe lang geleden al? Ik weet het niet.
Ik loop naar de rand van het veld, waar wilgen staan. Onder de bomen voelt de grond anders. Zachter, minder blubberig. Er liggen takjes en blaadjes die vergaan tot aarde. Ze maken de grond veerkrachtig en nemen vocht op. Ik kijk omhoog, naar de wir war van takken. Wat zijn er toch veel bomen geplant op dit terrein, in de loop der jaren. Een paar ruige oude knotwilgen spannen letterlijk de kroon. Het zijn sterke jongens. De wilgen, die willen wel! Elke wei maken ze met gemak soldaat. Met hun wortels maken ze de bodem los, ze laten hun bladeren vallen. De grond wordt toegankelijk voor andere bomen. Zo groeit er iets. De aarde wordt rijker en rijker.

Een dikke grijze wolk komt dichterbij. Een windvlaag waait koud om mijn oren. Ik ga naar binnen om mijn muts te pakken. Vandaag wil ik de wilgen aan elkaar vlechten. Met een groene wand kan ik mooi de koude wind tegenhouden. Dan is er straks steeds meer te zien. Hoe meer luwte, hoe drukker het wordt. Vogels, insecten… maar ook planten! Er moet een strook vol bloemen en bessen komen. Is het plan.
Ik buit een tak tot het uiterste. Hij breekt. Zonde. Het is eigenlijk al te laat, de takken in de haag zijn veel te dik. Ik voel hoe ver ik kan gaan, en vlecht zoveel mogelijk omringende takken mee. Vooral kleine dunne. Ik vind een techniek uit die me bevalt. Misschien moet ik de dikke aan elkaar binden, in plaats van ze te buigen. Ja, als je van beide een stukje afsnijdt, dan groeien ze daar aan elkaar! Ik herinner me steeds meer, van wat ik heb gehoord.
Toch vraag ik me af, is dit de beste wilg om mee te vlechten? Of zijn er betere? Er staan hier alleen maar knotwilgen.

Terwijl ik me dit afvraag, komt er een rode auto aanrijden. Er zit een vrouw achter het stuur. De weg is vol hobbels. Voorzichtig rijdt ze om de kuilen heen. Als ze vlakbij me is, stopt ze en draait het raampje open.
‚Is die prachtige woonwagen van jou?’ vraagt ze stralend. Ik knik. Ze praat gelijk verder. ‚Ik ben geboren in een woonwagen. Mijn ouders trokken ermee rond.’ Ik loop naar haar toe. Ze steekt haar ronde gezicht uit het raampje, omlijst met grijze krullen. Nieuwsgierig kijk ik haar aan. Ik heb al veel gehoord, van de oude reizigers met hun ambachten, die allemaal verloren zijn gegaan. ‚Bijzonder!’ zeg ik. ‘En waar verdienden ze hun geld mee, je ouders?’ Het antwoord komt snel. ‚Stoelen matten,’ zegt ze met trots in haar stem. ‚Ik kan het ook. Maar het is zwaar werk, ik doe het nu niet meer.’ Ik grijns haar toe. ‚En kan je ook met wilgentenen vlechten?’ vraag ik dan. Ze schudt haar hoofd. ‚Nee, dat deed een oom van me. Lang geleden. Hij haalde zijn materiaal van de grienden, daar stonden duizenden kleine wilgen, speciaal voor dat doel.’ Ik wil nog veel meer vragen, maar ze moet weer verder.

Ik onderzoek het, en vind uit dat er wel vierhonderd wilgensoorten bestaan. En inderdaad, er is er eentje die altijd gebruikt werd voor fijner vlechtwerk: De wilg met de wilgenkatjes, die zulke lange rechte scheuten kan maken. Het roept herinneringen op. Hoe ik als kind de zachte katjes streelde met mijn vingers, en de zilveren glans bewonderde. Wat heb ik ze lang niet meer gezien! Waar zijn ze gebleven?
De bosjes waar ik als kind langs liep zijn allemaal weg. Ja, en inderdaad, ze stonden in grienden, voordat het plastic werd uitgevonden. Toen had iedereen nog een boodschappenmand.

Ik zie door mijn venster hoe de wind waait, in het riet. Ik verbeeld me een hele rij wilgen, bittere wilgen, amandelwilgen en katwilgen, met katjes. Ik zie bloeiende meidoorns en lijsterbessen met rode bessen in de herfst. En heel veel vogels. Als die daar ooit staan, daar naast de sloot. Wat zal dat prachtig zijn. En als ze daar dan mogen blijven. En niet meer weg hoeven.

.

Heggenvlechten is in 2015 erkend als immaterieel cultureel erfgoed.

.

.

Meer over wilgentenen vlechten:

KIJKEN
https://www.willbeckers.com/projects
https://verbekefoundation.com/2017/03/will-beckers-nl-o1967/
DOEN
http://www.rimboerob.nl/vlechtwerk.html
https://taffelberg.wordpress.com/2017/02/15/hoe-bouw-ik-een-levende-wiglo/
Tips, als afscheiding, als je het netjes wil doen: https://dehofmaekers.nl/tuintips/randjes-vlechten-van-wilgentenen.html

Praktisch gebruik van diverse soorten:

Van fijnere soorten als katwilg, maak je manden. Voor constructies gebruik je de knotwilg, of nog liever de grauwe wilg. Vroeger werden wanden van hutten gemaakt van vlechtwerk van wilgentenen, afgedicht met klei, en funderingen van dijken werden gelegd op matten van gevlochten wilgentenen. Deze zinkstukken blijven op hun plaats door ze af te zinken met basaltstenen. Ze beschermen de bodem tegen erosie. Het meest buigzaam is het hout van de amandelwilg, die is het meest geschikt voor kunstzinnige toepassingen.

De schors van enkele soorten, zoals amandelwilg en schietwilg, bevatten salicine, dat lang geleden gebruikt werd als pijnstiller. Er werd daarvoor op de wilgenbast gekauwd, of er werd een drank van getrokken. Salicine wordt ook gebruikt als looistof, voor het looien van leer. Wilgenhout wordt net als het hout van populieren gebruikt voor het maken van klompen en papier. Om een windmolen af te remmen wordt een ‘vang’ bestaande uit blokken wilgenhout gebruikt. Voor de teelt van wilg als biobrandstof is sinds kort zaad van enkele snelgroeiende rassen beschikbaar.

(Biomassa: Is er sinds dit jaar, op braakliggende stukken en lege bedrijfsterreinen, onder andere. Het zijn restjes grond in de economische lappendeken van Nederland. Zolang als het duurt. Oogsten en nog eens oogsten. Daar gaat het om. De grond gaat achteruit als hij geen organisch materiaal terug krijgt. Kleigrond wordt harder en droger. Zandgrond valt uiteen tot stof. In de winter komt de blubber. De wilgen worden verbrand. Ze gaan op in rook. Enige oplossing: Kleiner leven, minder stoken.)

De houtskool van de wilg wordt gebruikt in buskruit; het heeft een veel hogere verbrandingssnelheid dan bijvoorbeeld barbecue-houtskool.

Maar het mooiste is als bomen kunnen blijven groeien, en niet meer weg hoeven. Daarom is het volgende museum een grote inspiratiebron.

Meer over de Verbeke Foundation:

Onze tentoonstellingen willen geen oase zijn. Onze presentatie is onaf, in beweging, ongepolijst, contradictorisch, slordig, complex, onharmonieus, levend en onmonumentaal, zoals de wereld buiten. Met zijn 12 hectare natuurgebied en zijn 20.000 m² overdekte ruimten is de Verbeke Foundation één van de grootste privé-initiatieven voor hedendaagse kunst in Europa.  De loodsen van het vroegere transportbedrijf van Geert Verbeke werden omgebouwd tot unieke expositieruimtes. Eén van de gebouwen werd ingericht  om de uitzonderlijke verzameling collages en assemblages tentoon te stellen. De Verbeke Foundation is in een aanhoudend groeiproces. Kunstenaars kunnen er in residentie verblijven en grotere en kleinere tentoonstellingen wisselen elkaar af, waardoor de foundation er elke dag anders uitziet, zoals een ademend organisme.

De Verbeke Foundation wenst een plek te zijn waar cultuur, natuur en ecologie samenkomen. Het werk van bio-artiesten en van kunstenaars die met levende materialen werken (planten, dieren, geuren) sluit hier naadloos bij aan. Sinds de opening van de Verbeke Foundation in 2007 kon de verzameling uitgebreid worden met hedendaagse werken en ter plekke gebouwde installaties. Helaas heb ik hier zelf geen foto van. Bovenstaande foto komt uit het museumverslag van Job Ebben en bevat meer interessante bronnen. https://jobebbenh4e.weebly.com/belgieuml-excursie.html

De ene hand wast de andere

.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van acht minuten.

.

Hoera. Wat ik geef, keert bij me terug. En andersom. Wederkerigheid bestaat. Overal.

Een vrolijke jongen steekt zijn hoofd uit het raam van de kleine vrachtwagen. In de open laadbak ligt een hele berg hout. Brandhout, voor mij. ‚Je hoefde maar een klein stukje te rijden hè! ’ Zeg ik lachend. Zijn ogen fonkelen als hij antwoordt. ‚Ja! Fijn zeg! En ik zag de rode kruiwagen al van verre, die je hebt klaargezet. Soms moet ik veel langer rijden. Mijn vorige rit ging helemaal naar Groningen.’ Verbaasd kijk ik hem aan. ‚Is daar geen hout dan? Of is het om de gratis bezorging? Lullig zeg.’ Ik heb besloten dat ik daar niet meer aan doe. Voordeeltjes uitzoeken. Ik heb expres de dichtsbijzijnde handelaar gekozen, omdat de prijs toch niet veel uit maakt. Sommigen halen slimme truukjes uit met hoeveelheden en getallen. Maar uiteindelijk is de prijs vrijwel overal hetzelfde. En als de bezorger van mijn vrachtje zo blij kijkt, dan is mijn dag helemaal goed.
Ik wijs de jongen op het zeil, dat ik heb uitgespreid. Daar moet het op. Het ligt vlak langs het pad. De jongen kijkt opgewekt naar beneden. ‚Ha mooi’, zegt hij. Dan stort hij het hout netjes op het zeil. Er liggen maar een paar blokken naast, in het gras. Ik gooi ze gauw in de kruiwagen. Het weiland is nat en de bodem ook. Ik heb een reservezeil klaarliggen, voor als het gaat regenen. Maar nu is het droog. Dat scheelt. De jongen plaatst de laadbak weer terug. ‚Tot de volgende keer!’ roept hij. Ik zie dat hij het meent. Een klant zo dichtbij, in zo’n ruige uithoek, dat is leuk. En dat alles klaar ligt om zonder heisa zijn vrachtje neer te storten, dat ziet hij graag. Hij grijnst, draait zijn raampje dicht en rijdt weg.

Ik kijk naar de lucht. Het wordt iets donkerder. Er zouden een paar spatjes kunnen vallen. Ik begin maar gauw. Ik gooi de eerste blokken in de kruiwagen. Dan duikt er ineens een grijs hoofd op, vanachter de wilgenhaag. Het is boer Jochum. ‚Ik kom je even helpen. Misschien gaat het regenen.’ Dat had ik niet verwacht! Nu kunnen we de taken verdelen en lekker doorpakken. ‚Als jij ze nou door dat gat in de wilgenhaag kruit, dan stapel ik ze op in het pleehok. Dat wordt nu toch niet gebruikt.’ Dat is goed. In een sneltreinvaart kruit Jochum met de kruiwagen heen en weer door het gat in de haag. Ik krijg de stapel maar net weggewerkt, voor er weer een nieuwe portie wordt gedropt. Ik begin net een achterstand te krijgen, als Jochum nóg een volle kar neergooit. Maar hij draait zich niet om voor de volgende. Hij recht zijn rug en kijkt naar mijn stapelwerk. Ik kijk op. ‚Dat was het?’ vraag ik. ‚Ja,’ zegt hij. We praten gemoedelijk door, terwijl ik verder werk. Als ik klaar ben stapt hij weer op zijn fiets.

Terug in mijn huisje bedenk ik hoe leuk en gezellig dit is. Elkaar helpen. In het Oosten van het land noemen ze het ’noaberschap’. Hier heet het ‘mienskip.’ De ene hand wast de andere. Zo hoort het! Morgen komt het hout van Marja aan. Dat is veel meer dan dat van mij, zij heeft een grote yurt om warm te stoken. Ik ben zo dankbaar voor de hulp die ik kreeg, natuurlijk, ik ga haar óók helpen! Meteen stuur ik een berichtje. Marja is blij. Even later komt ze voorbijrijden over het pad. Ze stopt haar auto en doet de deur open. ‚HOi!’ roept ze. ‚Ga je mee? Ik ga boodschappen doen. Misschien heb jij ook wat nodig? Ik had er niet aan gedacht, maar nu ik jouw wagen daar zie staan moest ik er ineens aan denken.’ Ik pak mijn tas en stap in. Ze komt precies op het goede moment.

De volgende dag schijnt de zon. Ik ben net achter mijn wagen koffie aan het zetten, wanneer ik buurman Rob hoor roepen. Hij staat naast zijn auto. We lopen naar elkaar toe. Ik kijk hem nieuwsgierig aan. ‚Als ik in het vervolg boodschappen doe, zal ik dan vragen of je meewil? Ik moest er ineens aan denken. Dat is voor jou wel makkelijk!’

Hoera. Het is er. Wat je geeft, keert bij je terug. Het burenhulp bestaat. Overal.

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

Twente: https://www.twentefm.nl/nieuws/63069/0/vld-losser-zoekt-noaberschap-idee%C3%ABn–.html
Friesland: https://www.friesland.nl/nl/uitgelicht/omtinken/yn-ferbining
Groningen: https://www.zorgzamedorpengroningen.nl/zorgsaam/
Amsterdam: https://www.burennetwerk.nl/ik-wil-hulp/
Den Haag: https://www.denhaag.nl/nl/zorg-en-ondersteuning/zorg-voor-elkaar/den-haag-doet-burenhulp.htm
Rotterdam: https://www.opzoomermee.nl/lief-leed/
Utrecht (Meerdere): https://www.wijkconnect.com/utrecht/hoograven/organisaties/3290/burennetwerk-utrecht-zuid
https://burennetwerkzuilen.nl/
Arnhem: https://burenhulpvoorelkaar.nl/

Enzovoort! Het is grappig om te zien hoe trots iedereen is op zijn burenhulptraditie. Het gebeurt overal, alleen het heet steeds anders. In het Oosten noemt men het noaberschap ‚Typisch iets van ons,’ zeggen ze. De Rotterdammers verkondigen dat de ‚Lief en Leed’ organisatie écht Rotterdams is, en in Friesland is de mienskip’ iets wat onlosmakelijk bij Friesland hoort. Maar…. burenhulp is overal!

Minder blogs, meer diepgang

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van negen minuten.

.

Daar sta ik dan. Terug op de camping van Jochum, precies op hetzelfde plekje waar ik vorig jaar op 4 juli vertrok. Alles is hetzelfde, maar toch niet. De rietkragen van de Zwette liggen plat door de regen en wind. De bomen die ik plantte zijn gegroeid. Vanuit mijn raam zie ik er een drie. Het zijn kerspruimen. Ze staan in het riet naast het water. Ze hebben het daar kennelijk goed, want ze zien er alle drie goed uit. Ik kijk vaak naar ze. Misschien groeien ze dan nóg meer. Aan beide kanten van mijn huis zie ik de horizon. Aan de ene kant, tussen het riet door, schittert het water van de Zwette. Aan de andere kant van mijn huisje, lopen zwarte paarden in een verre wei. Soms gaan ze met zijn allen rennen. Daar kijk ik graag naar. In de verte zie ik de kerktoren van Jellum. De luchten zijn wijds en veranderen continue. Het leven is een stroom. Ik navigeer om mijn eigen koers te varen.

Wanneer begon mijn nieuwe leven? Het was Utrecht, mijn geliefde stad, die mij te klein werd. Te benauwd. Te veel spullen en herinneringen. Ik had nieuwe lucht nodig en een groene bodem. Ruimte. Na jarenlang opruimen verliet ik de werfkelder, het huis onder de kloostermoppen. Dat is nu acht jaar geleden. Ik stap terug in de tijd en vertel.

Ik laat mijn schepen achter me. Ik neem afscheid van mijn bestaan als rondvaartschipper. Maar ook van de plek waar ik trouwde en rouwde. Het leven ligt voor me open. Ik trek in een woonwagen op een Brabantse camping. Ik ken hier helemaal niemand, behalve mijn vriend Dick, die 24 kilometer verderop zit. Het is belangrijk om te blijven communiceren. Ik besef dat ik anders in een isolement kan terecht komen. Ik besluit een blog te beginnen en begin direct. Zo wil ik de band mijn achterban te onderhouden. Ik doe het elke week en besteed er veel tijd aan. Ik vertel vrienden en kennissen over mijn nieuwe leven op het platteland. Ik schrijf verhalen, maar maak ook filmpjes, tekeningen, gedichten. Ik train mijn concentratie, vaardigheden en waarneming.
Dan komt er een creatieveling langs, die een oude vonk in me losmaakt. Ik wil mijn eigen huisje bouwen. Iets in mij zegt dat dit belangrijk is voor mijn toekomst. Dat ik het nodig heb in mijn levensverhaal. Ik ontwerp, ik bouw en ik film elke fase. Het huisje groeit. Ik verwerk het materiaal tot een complete film en zet hem op You Tube. Na drie jaar is mijn huis klaar. Op wielen! Ik kan verder en laat me per trailer naar Friesland vervoeren. Want een trekker heb ik nog niet en paarden ook niet.
Gaandeweg begint de reden om te schrijven te veranderen. Ik denk dat ik iets te vertellen heb, wanneer ik mijn verhaal weet te verweven met dat van anderen. Misschien kan ik slapende vonken laten gloeien, zoals die ene creatieveling bij mij deed. Een boek is een goed middel voor mij. Een aanééngesloten verhaal, waarmee ik lezers meeneem op mijn wandeling. Ik wil zo zuiver mogelijk kunnen weergeven wat ik zie en hoor. Ik train mezelf steeds meer daarin. En steeds meer mensen lezen mijn verhalen.
Een half jaar sta ik op de camping van Jochum, waar ik nu ook ben. Ik werk veel op het terrein, plant bomen en bloemen. Tot de grote dag gekomen is. Ik ga op reis en begin met mijn boek. Inmiddels heb ik een trekhond gekocht, met een elektromotor erin. Ik kan hem laden met zonnepanelen. Het is zo spannend! Waar zal ik uitkomen? Ik ben van plan de landsgrens af te gaan. Maar ik weet niet in welke haven ik zal eindigen.

Zo vertrek ik. Mijn plan verandert onderweg. Ik ga niet de landsgrens af. Ik blijf in Friesland en reis door ’t Bildt. Elke dag schrijf ik. Het is een grote inspanning. Maar het verhaal wordt steeds vollediger. De stroom van mijn leven bundelt zich in een ketting van ontmoetingen en gedachten. Ik geniet van de gastvrijheid die ik overal vind. Ik laat me overweldigen door de ruimte en de elementen. Ik zie uitdagingen waar mensen mee worstelen. En wat ik verlangde, dat lukt. Ik verweef mijn eigen verhaal met dat van anderen.

Nu zijn we dik een jaar verder. De laatste wijzigingen in het manuscript zijn verwerkt.Vanmiddag komt de uitgever mijn boek ophalen. Eind oktober komt het uit. En dan nadert de presentatie, een feestelijk moment met muziek en een verhaal.
Na zeventien maanden hard werken, kan het manuscript naar de drukker. Inclusief de vijftien pentekeningen. Dit was één van de redenen waarom ik jarenlang elke week schreef. Het was een schrijftraining en ik bouwde een lezerskring op. Het doel is bereikt. Nu het boek er komt, houdt het blog dan op? Nee. Het houdt niet op. Ik heb het nodig. Contact met lezers. Maar ik zal niet meer elke week iets publiceren. Voorlopig ga ik over op een maandelijks blog. Dan kan ik meer tijd in het verhaal stoppen, waardoor het meer diepgang krijgt. Wellicht vormt zich op die manier iets nieuws.
We zullen zien. Ik kijk uit naar het moment dat het boek er is!

’Langs kantelende wegen,’
Alowieke van Beusekom
Uitgeverij Louise (1e druk, 500 exemplaren)

 

Nieuwe tijdstip van mijn blog: Eerste maandag van de maand als de sirenes afgaan.

 

 

Presentjes bij vertrek

Ò.

Er staan mij onderweg meerdere presentjes te wachten. De nacht op dit unieke plekje is er óók eentje van. Een wereldplek. Met deze aardbol als symbool van de gemeenschap, die het leven met elkaar verbindt.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten.

.

Ik ben terug bij Annemarie om bij te komen van een onrustige week. Onderweg zijn is niet altijd makkelijk. Het is belangrijk om geconcentreerd te blijven. Hoe is de situatie, wil of kan  ik hier blijven of niet. Dat is altijd in beweging. Soms wordt het constant waakzaam zijn me teveel. Maar bij Annemarie kan ik altijd terecht. Tussen de heggen naast haar oprit gebeurt niet veel. Er vliegt een groepje mussen en mezen rond. Er is een steenmarter, die tussen mijn houtvoorraad piest. Dat zijn de meest opmerkelijke gebeurtenissen. Dit lijkt misschien saai, maar voor mij is saaiheid onontbeerlijk om de stroom aan indrukken te verwerken en opnieuw richting te kiezen. Alleen in rust schrijf ik verhalen, maak ik een film, een gedicht, een lied of een tekening.

Er zijn zes dagen voorbij. De onrust is bezonken, de prullenbakken zijn geleegd. De keuken is gepoetst en de was is gedaan. Ik heb een hele berg houtbriketten geladen in mijn huisje, achter mijn kachel. De nachten worden kouder en ik zal ze nodig hebben. Vandaag is de dag van vertrek. Ik wil weer de weg op! Ik heb heerlijk geslapen. De egaal grijze lucht is niet erg vrolijk, maar ik ben het wel. Graag ben ik bereid om mijn vrolijkheid te delen. Er zijn immers altijd mensen die stoppen. Die naar me toekomen, het tuinpad af. Of staan te zwaaien voor het raam.
Ik ga niet zomaar weg, ik heb een doel. Ik ga terug naar Bears. Naar de camping van Jochum, waar ik een jaar geleden stond. Dit is de plek waar ik toen mijn reis begon. De reis met de vele ontmoetingen. De unieke verhalen van boeren en dorpelingen zijn nu verweven met mijn eigen verhaal. Dit is de plek waar ik me voorbereidde, waar ik de eerste zinnen schreef voor het boek: ‘Lang kantelende wegen.’ Op diezelfde plek, op deze camping, ga ik de presentatie voorbereiden. Ik zal mensen opzoeken, die ik vorig jaar heb ontmoet. We kunnen bijpraten. Er is alle tijd. De presentatie is pas over twee maanden.

Ik rijd de weg op. De motregen is opgehouden en het wordt al iets lichter. Annemarie loopt naast de wagen met haar twee kleinkinderen. Ze lachen en de kleinste holt op een drafje mee met haar kleine beentjes. „Daar gaan we dan!“ roep ik. En ik loop naar de bel en slinger de klepel flink heen en weer. „En nu is de reis ingeluid!“ grinnik ik. „Tot ziens!“ roep ik luid.
Ze zwaaien nog een laatste keer. Dan draaien ze zich om. En ik loop verder, over het natte asfalt. Het is een reis van 38 kilometer. Ik doe 10 km per dag, en praat onderweg met allerlei mensen. Sommigen vertellen me hun levensverhaal, anderen praten over toekomstdromen of over de wereld. Anderen kijken alleen maar. Weer anderen gluren meteen door de ramen. Dat vind ik niet erg. Ik houd van nieuwsgierige mensen en neem de tijd voor ze. Maar rust op zijn tijd is onontbeerlijk!
Na een kilometer gelopen te hebben staat er een man naast de weg. Hij zet zijn fiets op de standaard en komt naar me toe lopen. Ik sta stil en kijk hem nieuwsgierig aan. „Ik heb je al eerder ontmoet,“ zegt hij „Ik vind het zo mooi wat je doet, ik wil je iets geven.“ Hij stopt zijn hand in zijn zak en haalt er een briefje van vijftig uit. Verbaasd kijk ik naar het bruine papiertje in mijn hand. „Wat een hartelijk gebaar!“ roep ik uit „Dat heeft nog nooit iemand gedaan!“ De man grijnst stil voor zich uit, met zijn ronde gezicht. Hij loopt terug naar zijn fiets en kijkt nog eens om naar mij. Ik sta nog steeds met open mond te kijken. Tot hij wegfietst. De lange weg af.

.

 

Kom eerst maar eens los!

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 4 minuten.

Ik ben verhuisd. Het is maar een klein stukje. Maar toch betekent dat heel wat. Het is de eerste stap richting vertrek. Op dit moment sta ik pal voor de weg. Ik blokkeer de oprit. Een auto kan er niet meer langs. ‘Geeft niet,’ zegt mijn buurvrouw. ‘Ik zet de auto wel verderop neer, in de berm’. Dat is aardig van haar.

Nee, ik kan niet zomaar weggaan, van de ene dag op de andere. Dat heb ik de voorgaande keren ook gemerkt. Al drie keer eerder ben ik eerst een stukje opgeschoven, voor ik uiteindelijk vertrok. Om te wennen. Al heb ik wielen die rollen, ze zakken toch de grond in. Zo voelt het voor mij zelf ook. Ik raak geworteld op een plek. Dus voor het losmaken neem ik de tijd. Zoals een beer uit zijn hol komt na zijn winterslaap. Die rent ook niet meteen weg. Hij gaat eerst om zich heen zitten kijken. Toch?

De kachel brandt. Buiten valt een fijne motregen die kleine spatjes maakt op het raam. De asfaltweg glimt van de vele regen. Auto’s rijden nu pal voor mijn deur langs. Ik wen aan de weg, want dat wil ik. Campina melkwagens, sportpaardentransport, trekkers, het komt allemaal voorbij. Ik doe de bovendeur open en kijk naar buiten. Tegelijkertijd stapt aan de overkant de buurvrouw in haar auto. Ze steekt achteruit de weg op en wanneer ze voor me staat, draait ze het raampje open. ‚We zouden nog steeds thee bij je komen drinken. Je gaat toch nog niet weg??’ Ik stel haar gerust. Nee, ik ga nog niet weg. Ik ben nog niet klaar. We hebben nog het hele weekend. Ze glimlacht tevreden. ‚Dat is dan afgesproken.’ Ze draait het raampje weer dicht en rijdt verder.

Ik kijk naar de dikke haag waar ik tegenaan sta. Het lichtgroene blad groeit als een fris kleed over de gesnoeide haag heen. Kijkend door het raam zie ik hoe het uitzicht compleet veranderd is, door een paar meter verderop te gaan staan. Het is al heel wat, dat die verhuizing gelukt is. Want vijftienhonderd kilo verplaats je niet zomaar. Er komt van alles bij kijken. Het is leuk om daar de tijd voor te nemen. Hoe dat ging, dat kan je zien in dit grappige filmpje.

Nog even, en dan ga ik de weg op. Wanneer dit blog uitkomt, ben ik onderweg!

Ijs en weder dienende.

.

.

.

Vertrekken met aandacht

.

Ik sta stil aan de kant, en luister naar de klok van ’t Universum, die vertrouwen tikt.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

.

Vorig jaar ben ik drie maanden door Friesland getrokken. Dat was hard werken, want ik schreef ondertussen een boek. Het plan is om nu weer te gaan reizen. Niet om een lang verhaal te schrijven en ook niet om een film te maken. Gewoon om te genieten. Want in oktober is de boekpresentatie, iets om naar uit te kijken!

Dus ik ga op reis voor mijn plezier en ontspanning. Al een paar weken bereid ik me voor.

Weggaan is altijd anders. Soms loopt het soepel als van een leien dakje. Alles helpt mee. Het is als surfen op de golven. Een ander moment waait de wind woest om de oren. Golven woelen onvoorspelbaar om je heen en het is onmogelijk om richting te kiezen. Dan lig je de halve nacht met open ogen in het donker te staren. De volgende ochtend komen er van alle kanten berichten die je afleiden van je vertrek. Alles komt tegelijk.

Zo is het nu. Ik had een datum genoemd. Vier juli zou ik gaan. Dat heb ik gezegd tegen mijn buurvrouw. Hoe kwam ik er eigenlijk bij? De vorige keer gaf het ook stress. Dat was toen SBS6 kwam filmen. Wat een gedoe was dat. Ik kon mijn doe lijst niet afmaken en vertrok gehaast omdat de regisseur me riep.
Ook nu ben ik niet nog klaar. Ik zou mijn hoofd vergeten. En als ik mijn hoofd vergeet, dan kan ik het wel schudden.

Dus: Ik spreek nooit meer een datum af. Want weggaan vraagt om een goede afstemming. Ik kan ook niet zomaar wegrijden. De diverse manoeuvres vragen om rust en aandacht. Daarvoor moet ik van te voren een plan maken. Doet mijn krik het nog? Want ik moet eerst los komen. En waar plaats ik dan de mover, in welke richting trek ik, hoeveel ruimte heb ik? Hoe vaak moet ik loskoppelen en de mover verplaatsen? Niemand kent mijn wagen en mijn elektrische trekkertje zo goed als ik. Dus dat doe ik lekker alleen.

Het waait hard. Mijn hoofd is wazig door te weinig slaap. De wagen schudt heen en weer in de Westenwind. Alles stormt vandaag. Het stormt in de lucht en in levens van vrienden en kennissen. Het stormt in de wereld. Ontelbare verhalen klotsen wild door elkaar heen. Ik weet, hoe harder het stormt, hoe belangrijker is de stilte. Ik luister naar mijn eigen kloppende hart. Ik ga nog niet weg. Niet vandaag. Ik luister. Want alleen mijn eigen hart vertelt mij het juiste moment om te gaan. Heel stil ben ik.

Wat hoor ik daar? Ik sta op en spits mijn oren. Is het de klok van het universum die mijn vertrek inluid? Nee, ik vergis me. Het is een jonge uil in de schemering, die roept. Het is zo hoog en ijl dat je het bijna niet hoort. Een volwassen uil antwoordt met een rauw geluid. Dan zwijgen ze. Rustig ga ik weer zitten en luister naar de wind. Het komt zoals het komt.

.

 

 

.

.

Het ego is een wild paard

.

.

Iets doen wat ik eng vind. Vooral als het een groter belang dient. Die uitdaging. Dat is goed voedsel voor mijn wilde paard.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10.30 minuten.

.

Langs de blauwe hemel jagen wolken met witte schuimkoppen. Een frisse wind waait door het huis en blaast alle bedompte warmte eruit. Mijn hoofd wordt weer helder. En dat is maar goed ook. Vandaag gaan we uit, mijn buurvrouw en ik. We gaan een beginnend voedselbos bekijken, het is vlak in de buurt. ‚Het kost wel tien euro’, zegt Annemarie. Ik haal mijn schouders op. ‚Dan verdient die man ook wat’ zeg ik.

Even later wandelen we een terrein op dat vol met jonge bomen staat, elzen, hazelaars, lijsterbes, en hier en daar een tamme kastanje of een stel fruitbomen. Eronder groeit lang gras en ik zie allerlei struiken en ook smeerwortel. We gaan we in een ruime kring om de jonge man heen staan. Hij begint zijn verhaal.
‚Hebben jullie wel eens gehoord van permacultuur?’ vraagt hij. Hier en daar gaat aarzelend een vinger omhoog. Maar die van mij gaat snel en heel parmantig.
‚Ik heb twee keer de jaaropleiding gedaan,’ zeg ik trots. Ik schrik een beetje van mezelf. Wat zeg ik nu weer. Ik lijk wel een haantje de voorste. Maar hij kijkt niet raar op van mijn opmerking. Hij knikt. ‚Okee dan weet jij er alles al van, wat ik ga vertellen. Zijn hier ook nog mensen die een bedrijf hebben met permacultuur?’ Niemand steekt zijn vinger op. Hij glimlacht een beetje opgelucht. Dat snap ik wel. Het kan lastig zijn om een verhaal te vertellen als er mensen omheen staan die meer weten dan jij. Vooral als je nauwelijks dertig bent en nog niet lang bezig. Bij het ouder worden is dat steeds minder een probleem. Je kan steeds makkelijker anderen een podium geven. Laat ze maar vertellen wat ze weten. Leuk! Maar ik geloof niet dat deze jongen daar nu op zit te wachten. Ik besluit ik om zo min mogelijk te zeggen en vooral te luisteren, tenzij ik een uitnodiging krijg.

Het is een inspirerende wandeling. De voedselbosbouwer komt van oorsprong uit een vinexwijk. Zijn groene vingers zijn nog maar tien jaar geleden begonnen met groeien. En nu staat hij hier, enthousiast te vertellen waarom hij doet wat hij doet. Heel af en toe stel ik een vraag en tot mijn plezier vraagt hij mij ook wat. Helaas heb ik geen antwoord, want ik sta nog na te denken over iets anders. Maar even later gaat het over bouwen,  waar ik meer van weet. Ik spring overeind en roep welke cursus die ik daarvoor gedaan heb. Het floept er gewoon uit. Geïrriteerd kijk ik over mijn schouder en zie de enthousiaste blik van mijn ego.  Koest! Zeg ik tegen hem. Dat is toch helemaal niet interessant voor deze mensen. Ik merk het al. Jij wil óók wat. De volgende keer ga jij met mij voor zo’n groep staan! Oeps, denk ik tegelijkertijd. Spannend!

Als ik weer thuis ben, denk ik erover na. Ik zie het ego als een wild paard. Tijdens mijn rustige teruggetrokken leventje staat hij vaak te dommelen, ergens tussen de struiken, terwijl ik geconcentreerd aan het werk ben. Ik werk, uur na uur, dag na dag. Meestal alleen. Want vooral dàn komt er iets uit mijn vingers. In opperste concentratie. En dat wilde paard staat daar maar, steeds op dezelfde plek. Het paard is een groepsdier. Zijn talenten komen vooral  tot zijn recht met anderen. Ik denk niet dat alle paarden hetzelfde zijn. Ook die zullen verschillende behoeften hebben. Maar ik geloof dat mijn paard wel temperament heeft. En dat terwijl hij door mij soms jaren achtereen op een klein stukje grond wordt gezet.

Wat gebeurt er dan. Langzaam wordt hij ongedurig. Met zijn hoeven stampt hij de grond plat. Dan verzuurt de bodem. Maar ik train hem, ik maan hem tot kalmte en geduld. Dus dan dommelt hij maar weer wat. Maar toch. Het vennetje waaruit hij drinkt begint te stinken, bij gebrek aan zuurstof.  En langzamerhand kan ik hem niet meer tegenhouden. Hij wil wat.

Als ik daar niet naar luister, dan heeft dat gevolgen. Je krijgt er verzuring van. Net als in die platgetrapte grond. Er zijn verzuurde mensen. De beste stuurlui, die aan wal staan. De betweters die roepen hoe je iemand moet redden die verdrinkt, maar zelf droge voeten houden. Niets is goed. We noemen ze vaak zeurpieten. Niks aan. Ik wil geen zeurpiet worden.
Dus hoe prettig ik ook doorwerk, af en toe moet ik er uit. Even wat anders. En dan sta ik daar, tussen zo’n groep mensen. Ik luister naar wat er gebeurt. Ik  ben mijn wilde paard even helemaal vergeten. Maar hij is er wél. Natuurlijk! Eindelijk gebeurt er iets! Hij staat pal achter me te popelen en hinnikt plotseling hard in mijn oor. ‘Hier ben ik!’ Roept hij. Help! Ik schrik. Mijn wilde paard!  Laat ik daar eens goed voor zorgen.

Hoe doe ik dat, daarvoor zorgen? Op pad gaan met mijn huisje is leuk, maar niet genoeg. Mijn ros vraagt om uitdagingen. Iets wat ik eng vind, maar heel graag wil.  Want als ik dat tòch doe, dan ben ik daarna extra trots. Vooral wanneer ik er iets anders mee dien.  Iets wat bijdraagt aan een groter geheel. Want dan gaat mijn ros echt glimmen, als dat is gelukt. Het gaat niet om mij, en tegelijkertijd voedt het mij. Dat is gezond voedsel voor het wilde dier. Daar houdt hij van, mijn paard. Dat voel ik.

Er zijn zoveel soorten paarden! Er zijn kleine en grote, met allerlei talenten. Er zijn er die vreselijk onhandelbaar zijn. Hun mens zal  het  moeilijk hebben. Hun paard is verwaarloosd, heeft geen duidelijke taak gekregen. En dat wil het graag. Dan wordt het wild en is niet te houden. Krijg het dier dan maar weer eens in toom. Daar kun je lang zoet mee zijn.

Anderen hebben hun ros al vroeg voor de kar geplaatst, die ze in beweging willen hebben. Dat scheelt een hoop tijd en gedoe. Soms zitten ze op zijn rug en rijden de eindeloze vlakte af tot de horizon. Die doen er wat mee. Ze doen precies wat ze willen.

Alle talentvolle rossen bij elkaar kunnen wat. Laten we er met elkaar een sterke troep van maken. Wat een mooi gezicht lijkt me dat, al die glanzende paardenlijven in beweging. Ik zie het al helemaal voor me. We galopperen door het leven als wolken in een blauwe hemel. We rusten bij dezelfde bron. En we zijn allemaal trots op elkaar.

.

PS: ik ben geen psycholoog. Ik denk gewoon hardop en iedereen mag het verder zelf invullen.

 

Het nieuwe schuifbed

 

.

Ik heb ook geschilderd.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 4,5 minuut.

Stof, stof, stof. Ik trek het mondkapje over mijn neus. Het is coronakapje. Die mogen maar één keer gebruikt. Maar hier in de werkplaats kan hij nog wel tien jaar mee. Ik houd niet van eenmalige wegwerpartikelen.
Ik ben bezig met een nieuwe bedconstructie. Het is een heel handig schuifsysteem, dat nauwelijks plek inneemt. Ik moest het oorspronkelijke idee een beetje aanpassen, om het geschikt te maken voor mijn huisje. Ik verheug me er op om het uit te proberen.
De werkplaats van Annemarie geurt naar grenen. In het witte TL licht zweeft een wolk van geschuurd hout. Ik til de haakse slijper op. Met de lamellenslijpschijf erop kan ik snel werken. Hartstikke leuk, zulke razendsnelle machines. Maar hoe sneller het gaat, hoe meer stof. Het lijkt wel of er een bom gevallen is. Ik tuur naar de lijn die ik heb ingezaagd. Als die helemaal weg is, moet ik stoppen met schuren. Ben ik er al? Is de inkeping strak en haaks? Ik kan het niet goed zien en ik voel met mijn vingers. Er zit een bobbel. Die moet weg.
Op mijn hoofd heb ik oordoppen en o ja, ook nog een leesbril. Dat is wel handig. Ik zet hem op mijn neus. Misschien kan ik zo meer zien. De bril beslaat meteen door de adem, die via het kiertje bij mijn grote neus naar boven ontsnapt. Ik zie nog minder dan net. Hoe doen chirurgen dat?

Ik werk aan mijn kleine huis op wielen. Het is nu vier jaar geleden, dat het zover af was, dat ik het kon schilderen. Dit is het jaar voor onderhoud, en ook maak ik een enkele constructieve aanpassingen.  Zoals: Het nieuwe schuifbed!  Want nu weet ik dat ik dít wil.

.

.

Zodra alles getimmerd en opnieuw geschilderd is, ga ik een zomerreis maken, richting het Oosten van Friesland, en misschien Groningen. Het wordt een rondje. Ik zal korte verhalen schrijven, maar nog geen nieuw boek. Straks komt Langs kantelende wegen uit. Dan wil ik weer in Heerenveen zijn. Soms is het tijd om te verkennen, soms is het tijd om een honk te kiezen. En daarna zien we wel weer verder.

Wie het boek graag wil bestellen, of wil weten wanneer de presentatie is, kan via deze link verder lezen en zijn of haar mailadres opgeven.

 

https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-komt-uit-bestellen-kan-hier/

Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.