Waarom de muggen dansen

.

.

Dit is mijn verbond. Eén mugje mag me prikken, vlak voor het slapen gaan. Maar dan is het afgelopen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

De wind is gaan liggen, de regen is gestopt. Indrukwekkende wolkenluchten zijn verdwenen achter de horizon. De zon schijnt door de sluierwolken en werpt een zacht licht in mijn kleine fijne huis. Zoals het nu is, zo heb ik het graag. De stilte, het licht, de eenvoud, het is perfect om te schrijven. Ik had bedacht dat ik het over muggen wilde hebben. Er zijn allerlei muggen, ik heb er hier vele gezien, grote en kleine. Maar één ding doen ze allemaal. Ze dansen in de schemering. Waarom?

Ik ga naar buiten om een luchtje te scheppen. Ik heb een nieuw bankje gemaakt, van twee ijzeren kratten en een plank. Het zit heerlijk. Ik heb nog nooit zo’n bankje gehad. Een vrouw met twee honden komt aanlopen over het pad. De honden rennen een stukje het veld op, en de vrouw loopt achter ze aan. Kritisch kijk ik ernaar. Twee honden los kúnnen een haas vangen. Als ze willen. De vrouw lacht naar me. “Je hebt een mooi hoekje daar,” zegt ze. “Met dat windscherm en vlak achter dat wilgenbosje.” Ik lach terug. “Ja, dat is ook wel nodig, hier op de vlakte. Zo’n wilgenbosje is eigenlijk maar een klein obstakel, de wind laat zich niet gauw tegenhouden, straks als alles kaal is”. Ja, dat begrijpt ze wel. Ze haakt haar honden aan de riem. Ik kijk tevreden toe. Dan loopt ze verder.

Ik heb een fijne beschutting gemaakt. De bomen, het vlechtwerk van takken, het windschut van riet. Het is niet alleen voor mezelf. Ook insecten profiteren ervan. Muggen verstoppen zich overal. Ook binnen, af en toe. In de hoek van mijn kamer, achter het warmtepaneel daar zitten ze. En onder mijn jas, die aan een haak onder de markies hangt. Als ik hem pak, vliegt er een kleine wolk onder vandaan. Gelukkig hangt er nog een jas, waar ze hun toevlucht kunnen vinden. Ook onder mijn wagen zitten ze. Soms wil ik alleen maar even een krant pakken, voor de kachel. Ik open het luik in de vloer, waar de berging is. Die staat in open verbinding met de buitenlucht. Dat moet, anders schimmelt alles zomaar weg, daar beneden. Ik zie het gras en het hout, eronder. Vijf muggen vliegen door de grote kier. Gauw pak ik wat ik hebben moet en doe het luik weer dicht. Ik volg de muggen en zie hoe ze een schuilplaats zoeken in een stil hoekje. Daar blijven ze, de hele dag, tot de schemering inzet. Ik houd het licht zo lang mogelijk uit en kijk naar het vallen van de nacht. Binnen komen de muggen uit hun hoekjes vandaan. Ze vliegen zigzaggend maar toch zeer beslist naar de ruit en doen onvermoeibare pogingen om buiten te komen. Dansen willen ze, dansen in de schemer, achter het scherm in de luwte. Waarom toch? Ik doe de deur open en wapper ze naar buiten. Ze verdwijnen in de zwerm die voor de deur hangt, de wolk dansende neefjes. Op en neer gaan ze, in een eindeloze choreografie die sinds mensenheugenis nooit anders is geweest. Ik kijk geboeid, net als gisteren en eergisteren. Ik spits mijn oren tot de grens van het mogelijke. Dan hoor ik het. “Wij dansen het ritme van vochtige aarde,” zeggen ze. “Het maakt ons heet en warm…” Hun gezoem klinkt omfloerst, als een zachte sensuele toon. Ik probeer nog beter te luisteren en tegelijkertijd probeer ik één specifieke mug te volgen, maar het lukt me niet. Het leid me eerder af. Ik concentreer me opnieuw. “ Zoemmm, zoemmm, Wij zijn een zwerm! We vieren de dans van Al wat is. Want wij hebben het zaad. Levend zaad! Waar zijn de vrouwtjes, kom, kom toch kom! Kom bij Ons, ons, ons! Hier zijn wij, de mannetjes! We willen je, we willen je. Zzzoem….. De gons die gaat door alles heen, wat stil is en wat luistert.

En zo dansen ze de eeuwen door. Gehekeld door mens en warmbloedige dieren. Geslagen en gemept, maar ongelooflijk in getal. De dansende mannetjes, heet en onweerstaanbaar voor de vrouwtjes. In hun eentje vliegen ze rond, de wijfjes. Tot ze, aangetrokken als door een magneet, de Zwerm ontmoeten. Die heerlijke opwinding! Het duurt maar even, want het leven is kort. Ze legt haar eieren, verdwijnt in een bek of snavel. Uiteindelijk. Wat rest wordt verteerd en uitgepoept. Miljoenen tonnen aan insecten, die eindigen als mest. Mest voor de aarde. Misschien wel voor de wilgenboom, de boom waaronder de muggen dansen.

Dit is mijn verbond. Eén mugje mag me prikken, vlak voor het slapen gaan. Maar dan is het afgelopen. Met zachte hand veeg ik het tweede mugje van de dunne huid van mijn pols. Jij niet. Pech gehad. Ik kruip in mijn hangmat en sluit zorgvuldig de kieren van het fijne gaasdoek om me heen. De muggenzwerm buiten is stil. De zon is onder, wijfjes zijn bevrucht. Ergens komen de eitjes, ze zinken in een stille plas en belanden in de modder. Ik heb mijn bijdrage gedaan. Maar nu rust ik, als in een veilige buik.

.

Alles is ritme.

Een dans tussen hemel en vochtige aarde.

Aarde ademt

het ritme van seizoenen

Wat sterft verteert

grondig en donker

komt vrij in het licht

als voedsel voor het nageslacht

Voedsel, warmte, vuur

Alles dient

de eindeloze dans

van het Al.

.

.

Bronnen: https://www.onzenatuur.be/artikel/word-je-achtervolgd-door-muggenzwermen

https://nos.nl/artikel/2230904-jaarlijkse-muggeninvasie-in-friese-stavoren

https://www.2doc.nl/docs/2021/43-Nul-muggen.html

De bevroren wereld van een schrijver

.

.

Schrijven is als een golf die stil staat. Je beschrijft de kleuren en facetten van het licht, de belletjes die je ziet, het zout dat je ruikt en hoe hij misschien verder rolt. Je maakt er een wereld van die op zichzelf staat. Het is een uitvergrote momentopname. Het is geen privéverhaal. Door het uit te vergroten probeer ik het universeel te maken en herkenbaar.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het is een heerlijke herfstdag. Ik zit in de cocon van de buitenkeuken. De zon schijnt laag en legt de wereld in een warm licht. De wespen doen zich tegoed aan de honingdauw, afkomstig van de zwarte luis. Sinds ik de wilgentakken consequent naar binnen heb gevlochten, is er een luwe zone ontstaan. Beestjes houden daarvan. Ook spinmot en luis dus. Daar komen vogels op af en ook wespen. Want de luizen poepen een zoet stofje uit. Alles zit eronder en wordt zwart en vuil. Heel romantisch noemt men die gore plak: Honingdauw. Hoe dan ook, de wespen zijn er gek op, en nu er voor hem in het nest niks meer te halen valt, is dit een mooie manier om het korte wespenleven nog even te rekken.

Als je steeds op dezelfde plek zit, is het soms lastig om in gewone dingen het bijzondere te blijven zien. Soms lijkt het een wachten op Godot. Je blijft op je post omdat er elk moment iets kan gebeuren en dan moet je er zijn. In die toestand is elk spoortje twijfel een mooi onderwerp om over te schrijven. Immers, twijfel is ook een soort beweging, als er verder weinig gebeurt. Ten slotte is het niet niks, om elke week een verhaal te hebben. Het leven is als een voedselbos. Soms rijpt er meer, dan rijpt er minder. Soms denk je, komt er nog wel wat? Als schrijver kies ik een onderwerp waar je hopelijk iets mee kunt. Waar je met elkaar over kan praten. Ik schrijf niet van me af, ik werk iets uit. Ik loop door mijn bos en de kruidentuin en kijk wat ik plukken kan. Het verhaal is als een gemengde kruidenthee of soms zelfs een heel diner, van alles wat ik geplukt heb. Dat ligt aan het aanbod.

Als er weinig te vinden is, maak ik kleine gedachtes en voorvallen groot. Als ik geen schrijver was geweest, dan was ik het gelijk alweer vergeten. Eigenlijk is het een raar vak, je creëert iets wat in feite buiten de werkelijkheid staat, want het leven is één en al beweging. Door te schrijven bevries je het moment en borduurt daar op voort. Als een golf die plotseling stil staat. Je beschrijft de kleuren en facetten in het licht, de belletjes die je ziet, het zout dat je ruikt en hoe hij misschien verder rolt. Je maakt er een wereld van die op zichzelf staat.

Deze week vroeg ik een aantal lezers of ze een idee hadden waar ik mee bezig was. “Ja, je twijfelt nog al eens,” zeiden ze. Daar kan ik ja en nee op zeggen. Soms is een klein spoor van twijfel een verhaal waard. Omdat mensen zich erin kunnen herkennen. Daarom doe ik het. Maar eigenlijk heb ik geen enkele twijfel. Ik weet dat ik op deze plek blijf en doorga met het Verhalenpad, dat ik wil vervlechten met de rest van de wereld. En terwijl ik kijk naar de zon in de wilgen, die steeds grijzer worden, vind ik de woorden. Het is het zijn, hier. Dit is de bodem van mijn bestaan, nu op dit moment. Het is de ondertoon die er altijd is, als de lage tonen van een cello in een muziekstuk. Ik luister naar het ijle gepiep van winterkoninkjes, tussen de wilgetakken. Ook zij genieten van het vlechtwerk dat ik maakte. Zo meteen moet ik weer aan het werk. De oevers zijn gemaaid en overal ligt riet. Dat wil ik allemaal naar het Verhalenpad sjouwen. Ik maak er hele bergen van. Daar kunnen allerlei beestjes overwinteren, met duizenden verhalen, die allemaal de moeite waard zijn. Hoe klein ze ook zijn.

.

.

Er komen af en toe jongeren naar me toe voor hun studie. Ze zijn nieuwsgierig naar een eenvoudige levensstijl, en halen daar elke keer net weer een ander aspect uit. Ook Christien van de Pavert is zo’n student, zij studeert Culturele antropologie en maakte een film voor haar Master. Hartje winter hebben we bijzondere beelden gemaakt, die mooi aansluiten bij het thema: “Connecting by disconnecting.

“Christien van de Pavert deed onderzoek naar mensen die off-grid leven, dat wil zeggen dat ze bewust afzien van bepaalde, als essentieel beschouwde, voorzieningen.” (Leiden universiteit, studentenwebsite, Festival werk antropologiestudenten.)

Wil je kijken, stuur een berichtje naar christienvdp@hotmail.com. Ze zal je graag het wachtwoord opsturen.

.

.

.

.

.

.

Wat je wilt en wat je krijgt

.

Afbeelding van Alowieke

“Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn de mezen, die me het eerst begroeten als ik weer thuis ben. Zodra ik ’s ochtends in mijn buitenkeuken zit, komen ze tevoorschijn. “Twiet!” roept de zwartgekapte koolmees. Ik fluit terug en pak wat zonnepitten uit de glazen pot. Ik doe ze in de schil van de kokosnoot. Die hing er al voor ik kwam. Het is kennelijk een traditie die hoort bij deze plek. Ik doe daar graag aan mee. Na mij komt vast weer een ander, het zal de mezen niet uitmaken. Ik hoop dat die ook voor de vogels zorgt. Elke mezenpopulatie die overleeft is er eentje. En al komt er na mij toch wel weer een ander, nú zijn ze mijn vriendjes en ze weten heel goed dat ik het ben.

Ik kook mijn havermout op het elektrisch plaatje en kijk. De pimpelmees is een mooi geel met blauw vogeltje. Hij is minder doelgericht dan zijn verre neven en nichten uit de koolmeesfamilie. Rustig neemt hij de tijd, kijkt even hier en daar, voor hij uiteindelijk in het ronde bakje pikt. Hij neemt het zaadje mee in zijn snavel. Geklemd tussen de poten peuzelt hij het op, net als de anderen.

Na het ontbijt begint de dag. Het eerste wat ik wil doen, is terug gaan naar It Wiel. Voor ik op vakantie ging, had ik een plan gemaakt. Ik zou een vlot bouwen, en tot mijn verrassing vond ik vlak bij de juiste mensen die me zouden kunnen helpen. In It Wiel staat een bedrijfsverzamelgebouw. Er is klein bedrijfje dat me steigerdelen kan leveren en mijnheer Arnold heeft tweedehands plastic tonnen. Gisteren ben ik er geweest. Hij was er niet. Vol goed moed ga ik opnieuw op pad. Ik heb wind tegen. Rammelend komt de fietskar achter me aan. Er in zit een spanband, om de ton straks vast te maken. Als ik het terrein op fiets, vind ik opnieuw de deur gesloten. Bij het timmerbedrijf is wel iemand. Een vrouw komt van achter naar voren lopen. Ze is van de administratie en ontwerp, zegt ze. Over ruim een maand gaan ze verhuizen. Beduusd vraag ik wat er dan in komt, maar dat weet ze weet niet. “Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer. Die zit vol smalle latten. Mooi aanmaakhout. Ik stal mijn karretje vlak naast de ijzeren bak en klim erin. Er zit een mooi rond gat in het ijzer, dat op de rand gelast is. Het is bedoeld om de container op te kunnen hijsen. Ik gebruik hem voor wat anders. Ik steek de latten in het gat en breek de één na de ander op maat. Tussen de latten liggen ook tientallen trommelstokjes van beukenhout. De meesten zijn beschadigd. Zouden die van Sytze Pruiksma zijn? Zorgvuldig werp ik ze in mijn karretje, tot het vol is. Dan klim ik de container uit en beland met een sprongetje op de grond. Het is een mooie oogst, al was het niet waarvoor ik op pad ging.

Wat je bedenkt is niet altijd wat er gebeurt. Hoezeer ik ook geloof in wat ik doe, en dat dat goed is. De mens wikt, maar God beschikt, zei opoe. Nou had God kennelijk beschikt dat ik maar beter warm de herfst in kon, dan met dat vlot bezig te gaan. Om in Opoes woorden te spreken; alles op zijn tijd. Ik ga het volgende week wel weer proberen, met die drijvers. Nu dit. Ik buk me, pak de lange latten die ik opzij had gelegd. Ik leg ze op de berg hout in mijn karretje, precies zó, dat ik ook nog de bocht om kan. Ik open mijn zwarte fietstas. Die is nat van de regen. Ik pak de tweede spanband die daarin zit. Die trek ik strak over de berg hout heen. Nu zit het muurvast. Vol vertrouwen fiets ik weg. Zo kan ik elke kuil in Jochums Reed aan.

Ik draai met een vaart het veld op en rijd in één stuk door naar het houten hok in de hoek. De wilgebomen ernaast buigen steeds verder over het dak heen. Dat lekt nog steeds en het wacht op de laatste werkzaamheden. Eigenlijk is dat een pleehok. Er is nu toch niemand, dus gebruik ik het maar, in ruil voor het onderhoud. Fijn hoor, zo’n hok. Ik open de houten deur, trek de plastic bak uit het frame van de fietskar, en kieper hem leeg. Het begint te regenen met dikke droppels. Met een armvol houtjes ren ik de vijfentwintig meter terug naar huis. Snel klauter ik het natte bordes op en duik in mijn hol in. De herfst is echt aangebroken. En hier sta ik dan. Vlak voor me op de vloer ligt mijn welverdiende warmte. Ik open de klep van de kachel en verheug me.

.

.

Hoe nu verder

.

.

Een verhaal over twijfel en het ongewisse.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Een herfstige wind waait om mijn kleine huis. Ik sta ernaast te kijken. De grote zonnebloem voor mijn raam, waar ik zo trots op was, is geknakt. Vier hommels zitten eronder te schuilen. Al is het wat triest hem nu zo te zien hangen, toch is het een wonderbaarlijke transformatie, die zij in korte tijd tot stand hebben gebracht. Ze gingen door, de nijvere beestjes, uur na uur op die ene bloem, als boeren die een akker bewerken. Nu staat de enorme bloem bol van het zaad, als een goudgele koningin tussen de kale, gemaaide weiden. Een onthoofde koningin, met de geknakte bloem hangend aan een heel dun draadje.

.

.

De lucht is grauw van een grote wolk en de wind waait door mijn haren. Het motregent. Ik laat me er niet door weerhouden en loop over het smalle pad door het gras. Ik kijk naar de wilgebomen. Wat zijn ze gegroeid. Ja, de bomen wél, en ook het riet, dat wel twintig meter is opgeschoten, de wei in. Het vele vocht heeft de wortelstokken doen groeien en groeien. Zal het waar zijn, dat we in de toekomst veel meer regen krijgen, hier in Noord Europa? Dat hier alles riet wordt, terwijl elders nauwelijks meer water uit de lucht valt? Dan zal er veel veranderen. Het was een jaar van slakken en spinselmotten. Zal dat vaker gaan gebeuren? De jonge mezen en winterkoninkjes hadden er veel profijt van. Maar van de pompoenen die ik verbouwde is weinig terechtgekomen. De slakken aten ze op en de grond was niet luchtig genoeg. Ik besteedde er veel tijd aan maar velen gingen kapot en de bloemen droegen nauwelijks vrucht. Er meer zaken die ik graag wil helpen groeien. Zo’n jaar als dit zet mij aan het denken. En ook de geknakte zonnebloem. Wat is zinnig? Ik weet het niet en loop verder.

Ik steek het Swettepaad over, daar is de berm die aan het riet grenst. Rondom de bloeiende paarse kattestaart en trek gras uit. Zo maak ik kleine plekjes met zwarte aarde. Heel weinig maar, net genoeg om ze ruimte te geven om verder te groeien. Uit de jonge brandnetel ernaast vliegt een vlinder op. Die laat ik staan. Voor de vlinder en wie weet voor nog wel meer. Dan vind ik het wel weer even genoeg en ga rechtop staan. De lucht breekt open en het blauw ertussen verandert steeds van vorm. Is dit niet net zoiets, wat ik doe? Alles wat ik doe zal weer vervagen in het grote geheel. En toch draagt elke stap die ik zet bij aan iets groters, al weet ik niet wat het worden zal. Of misschien denk ik dat maar en wordt alles toch wel riet, ooit, als het hier altijd regent. Misschien wonen hier dan wel geen mensen meer. Toch blijf ik de bloemen verzorgen en gras trekken.

Ik zoek naar evenwicht. Hoe help ik het groeien? Waarin stroom ik mee, en hoever stuw ik voort op wilskracht? Ik denk aan de bloem, die meer mest kreeg dan de andere, omdat ik dat wilde. Ik was blij, hij groeide keihard, veel sneller dan de andere drie. Op eenzame hoogte hield hij het niet lang vol en brak af. Waarschijnlijk door een ekster, die dacht daar even te gaan zitten kijken. Zo’n hoge bloem is een mooi uitkijkpunt. Die extra mest voor dat ene zaadje was geen goed idee. Wat heeft dan wél baat bij mijn extra inzet? Misschien is dat het bouwen van een pontje. Een pontje van staal. Dat is hard en constructief. Ik moet uitdenken hoe dat moet. Maar het vraagt ook om inspiratie. Anders krijgt het geen eigen karakter. Ik denk aan een ijzeren vogel op de kant. Een reiger of zo. Dan zie je waar het is. En een steiger met een bankje tussen het riet. Palen slaan, ijzer snijden, lassen. Nadenken over de voortstuwing van het ponton. Het vraagt om burenhanden bij zwaar werk. Mensen die begrijpen wat het Web van Leven betekent. Het is de zachte glimlach van de gemeenschap, die zo’n idee levensvatbaar maakt en de plek compleet. Zonder dat heb ik niets aan die mooie ijzeren platen. Soms heb ik twijfel. Moet ik hier wel gaan investeren, op deze plek? Wordt het wel gedragen door de gemeenschap? Op dit moment is dat minimaal. Kan ik niet beter ergens anders heen gaan, bijvoorbeeld naar waar Dick is, mijn vriend? Dan staar ik naar de lucht en wil ik even helemaal niets. Ik recht mijn rug naast het buigende riet. De wolken trekken voorbij. Wat er ook gebeurt, de tijd zal het me leren.

.

.

.

.

Te gaan wanneer je blijven wilt

.

Moeten kiezen wanneer je je verdeeld voelt is moeilijk. Maar zonder knopen door te hakken vind je geen grond onder de voeten.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Waar ben ik en wat doe ik hier? Die vraag heb ik mezelf gesteld, de afgelopen maanden. Ik ben er uit. Ik weet waar ik ben, en dat is op oude zeebodem, niet ver van waar ik geboren ben. Ik, Alowieke Margreeth, Dochter van de Zee. En ik weet wat ik hier te doen heb. Ik noem dat “geworteld” zijn. Dat vind ik belangrijk. Een mens kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn. Dat wordt altijd schipperen. Daar kies ik niet voor. Maar al wil ik het niet, ik kom het nu toch tegen.

Toen mijn vriend voor drie en een halve maand naar een holistische leefgemeenschap vertrok, bleef ik hier. We bellen elkaar bijna elke dag. Zodoende verdeel ik mijn aandacht nu toch. Ik hoor verhalen over mensen die ik niet ken op een plek die me vreemd is. Dat is raar. Dus moet ik er toch maar eens heen vind ik. Ik pak mijn rugzak in en ga op pad. Het is vier uur reizen naar de Vlierhof, net over de Duitse grens, vlakbij Nijmegen. Ik word met open armen ontvangen. Mijn vriend omhelst me, anderen schudden de hand of lachen vriendelijk. Ik spreek met diverse bewoners en overal is werk te doen. Aan de gebouwen, langs het pad, in de moestuin. Er staan iets minder brandnetels dan thuis en er groeien even veel vlierstruiken. Ik help met het schoonmaken van het gastenverblijf en zet een houten vloer in de was. Ik geniet van al die bedrijvige handen en de dag is snel voorbij. ’s Avonds aan tafel spreek ik hardop mijn twijfel uit, om morgen weer weg te gaan. Ik zie mensen knikken en grijnzen en de één na de ander wil me overhalen om te blijven. Met moeite hak ik de knoop door: Ik ga wèl terug.

Ja, de hele wereld is mijn thuis en ik kan met veel mensen door één deur. En mijn vriend is nu ergens anders dan waar ik ben. Maar ik kan niet overal zijn.

Waarom ga ik terug naar huis? Het is niet alleen de band met het weidse Friese land, er is een extra reden voor. Ik heb me voorgenomen mijn buren te helpen en dat doe ik ook. Ik wil naar Frijlân, het kleine ecodorp waar ik in 2018 bijna een jaar verbleef. Ik sta de volgende dag vroeg op. Het is niet heel ver, maar toch een paar kilometer. In het open landschap kan je het oranje pannendak van verre zien. Linea recta lijkt het dichtbij. Je zou een leuke route kunnen nemen er naar toe. Aan de overkant van de Zwette is een fietspad, dat leidt tussen een sloot en de trekvaart door. Linksaf en vlak voor de kleine brug naar rechts, dan ben je er zo. Maar ik kan niet over het fietspad, er is geen boot vrij om over te steken en er is ook nog geen pontje. Dus fiets ik om, over de weg, door de dorpen. Als vanzelf gaan mijn trappers rond. De lucht is vochtig en staat bijna stil. De wijde hemel is weldadig. Wat een ruimte! Witte wolken drijven door het blauw. In de wei grazen schapen en op het hok staat een pauw zonder staart. Dat herinnert me eraan dat het weer herfst wordt. Ik sla af, het bekende pad in. Het oranje pannendak, dat ik thuis al kon zien, komt steeds dichterbij. Ik rijd langs de oude stal het erf op, zet mijn fiets neer en trek mijn vest uit. Een zacht briesje verkoelt mijn bezwete hals.

Aankomen is thuiskomen. Frijlân is een gastvrije plek geworden waar je kan oefenen in zelfvoorzienend leven. Er is hart voor de natuur. Dat zie je. De groene stip op de kaart wordt steeds groter. Op het erf lopen mannen en vrouwen rond. Een jongen begroet me lachend. Hij heeft er zin in. En zo vieren we de dag. We gooien met vergane strobalen, en scheppen containers leeg met iets wat twee jaar geleden stront en zaagsel was. Een oudere vrouw kijkt fronsend toe, als ze ziet dat ik zonder handschoenen werk. Ik leg uit dat stront die al zo lang vergaan is, niet vies meer is. Het is prachtige aarde aan het worden. We mixen alle ingrediënten op de grote hoop en pluizen wat klonten stro uit elkaar. Het is een composthoop om trots op te zijn. En als de spades en hooivorken terug de schuur in gaan, is er soep. Ik boen mijn handen met water en zeep en loop naar de grote houten tafel. Die zit vol mensen. De gastvrouw straalt. “Is dit niet mooi? Eèn en al levendigheid!” Vlak voor mijn neus staat een dampende kom. Ik lach haar warm toe.

Een mooie wereld maken we stap voor stap, met elkaar. Dat gaat het beste als je bent waar je bent, onverdeeld en toegewijd. Soms is dat lastig. Dit verhaal van mij is maar een voorbeeld. Ook jongeren in onze tijd zitten er vaak mee. Dat je niet weg wilt, maar toch moet. En omgekeerd precies hetzelfde. Dat hoor je ook op Frijlân terug. Sommigen zouden graag bij familie en vrienden zijn, op geboortegrond. Dat kan meestal niet. We worden uit elkaar getrokken. Hoe blijf je trouw aan jezelf? Die keus te maken, dat is een hele opgave. Maar wie zich verdeeld voelt en de keus niet maakt, vindt geen grond onder de voeten.

PS: Zijn er jongeren uit Jellum en Bears die graag in de buurt zouden willen blijven wonen in een tiny house? Dan zou ik je graag ontmoeten. Ook jongeren uit andere dorpen zijn welkom voor een kop thee. Ik wil hier graag meer over horen en meedenken.

.

.

“”

Als er maar eerst een pad is

.

De wens om zelf iets kleins te bouwen en wegen daar naartoe.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Een levendige wolkenlucht drijft over het vlakke land. Behalve het geluid van de wind is het stil. Alleen een groep paarden vertegenwoordigt de vitale noot in het schilderij van het Friese weidelandschap. Maar ik zie ze niet, vanaf de plek waar ik nu sta. Er staat een haag van wilgebomen voor en het poortje is pas verderop. De boer maakte het en ik houd het bij, zodat je er altijd doorheen kan.

Achter het poortje in de haag is weiland met bloeiend gras. Verderop beginnen velden van glanzend raaigras tot aan de horizon. Een kerktoren en wat bomen doorbreken de strakke lijn. Kampeerders rijden af en toe over het hoofdpad, verlangend naar vertier bij het water of een moment van samenzijn met vrienden. Soms loopt er iemand uit het dorp. Maar nooit jongeren. Waar zijn ze? Ik weet het eigenlijk wel. Ze vertrekken. Zoals Janne, uit Jorwerd.

.

Waar het pad is, daar breidt de witte klaver zich uit.

Het is vrijdag, marktdag, wanneer ik haar ontmoet. Ik tref haar achter de bekende groentekraam. Hee, denk ik. Het lijkt wel of er steeds weer andere mensen achter staan. Ik groet haar. Ze kijkt me iets langer aan dan normaal. “Ben jij die vrouw die bomen plant?” vraagt ze dan “Ik heb van je gehoord. Dat was jij toch? Ik was pas bij jullie op de camping.” Ik kijk verrast. Jammer, ik heb haar niet gezien. In een kort gesprek vertelt ze over haarzelf. Het is al later op de dag en er zijn geen andere klanten. We hebben de tijd. Ik vraag wat ze vindt van haar geboortedorp, Jorwerd. “Ik woon er niet meer.” zegt ze. “Ik vind het dorp zó duf en ingeslapen. Sorry hoor. Al die oude mensen in die grote huizen inspireren me niet. En voor er eens iets leegstaat ben je jaren verder. Wat moet ik trouwens met zo’n groot huis. Ik zou heel graag mijn eigen kleine huis bouwen!” Ik bevestig haar wens hartgrondig. “Ja. En ik zou je graag helpen. Ik zit er verdorie op te wachten. Ik wil creatief meedenken met bouwen en planten erom heen. Als het zou kunnen stond ik meteen klaar.”

.

Het pad naar het schuurtje, vanuit mijn huis gezien.

Maar het kan nog niet. Al ben ik op de juiste plek. Ik ben bij een boer beland die veel hart heeft voor de zaak. “Houdt het platteland vitaal, en zorg voor de jonge mensen! Kleine betaalbare huizen moeten er komen.” Hij werkt er graag aan mee, door een deel van zijn land een nieuwe bestemming te geven. Maar elke keer loopt hij tegen een muur op. De gemeente wil alleen maar grote wijken bouwen met eensgezinswoningen. Dorpen krijgen steevast “Nee” te horen als ze een paar huizen bij willen bouwen. Het gaat allang niet meer om mensen, het gaat om economisch belang. Wanneer zal het tij keren? Ik denk dat we moeten geduld hebben, doorwerken aan wat er wél kan, en de wens levend houden. Dus tijdens het wachten werk ik. Ik maak paden. Daarmee kun je vast beginnen, niet waar? Ik knip en snijd. De sikkel en de heggenschaar liggen altijd klaar. Ik werk op mijn hurken. Soms ga ik iets sneller en schuifel ik licht gebukt met gebogen knieën door het land. Ik kan het uren volhouden, als het moet. Mijn spieren zijn taai en sterk geworden. Dat kan nog goed van pas komen. Oefening baart kunst. En kunst, dat is het. Veel veranderingen beginnen bij kunst, bij verbeeldingskracht, en discipline. Dus ga ik door. Ik knip en snijd het gras en langzamerhand ontstaat er een soort spinneweb om mijn woonwagen heen. Als ik in het midden sta, geniet ik van het aanblik. De eerste route leidt naar het schuurtje in de hoek van het veld. De tweede naar het grindpad, de hoofdweg van de camping. Het derde pad loopt naar een keurig ingerichte bouwkeet. Hij is hier pas gestald, er is voorlopig niemand. Het onderhouden van het pad zie ik als een welkom, voor als er straks wél mensen komen. Dan weten ze me te vinden. Het vierde is een poortje door de heg heen. Hèt poortje. Het is mijn achterdeur en het leidt naar het veld waar de boer al jaren plannen over maakt. Tiny houses voor de jongeren uit de dorpen. Mensen zoals Janne.

.

Pad naar de gestalde keet.

.Ik werk en wacht. Ik praat met bezige buren. Sommigen zijn met dezelfde dingen bezig als ik. Daar put een mens moed uit. Zo sta ik de volgende dag fris weer op. Ik adem in en uit en onderhoud de paden. En niet voor niets! Het is voor de klaver die de ruimte krijgt. Voor de haas, die graag eens iets anders eet dan gras. Voor de eenden die uit willen rusten is er een paadje tussen het riet en dieren die willen drinken kunnen bij het water. Ik zie vlinders, libellen en krekels, die uitrusten in de luwte van het kortgehouden gras. Elke keer als ik er loop, schieten er tientallen weg, voor mijn voeten, het hoge gras in. Alles wat ik doe laat een spoor van leven achter. Ook dat geeft moed. Elke dag pak ik de sikkel en de heggenschaar. Elke dag een stukje. En het is meer dan een oefening. Het zijn de eerste lijnen voor bestendigheid. Paden als basis voor wat komt. Eerst de dieren. Dan de kinderen. En uiteindelijk, de grote mensen. Mensen die er zijn en blijven.

.

Waterpaadje door het riet.

.

.

.

Als het spandoek valt

.

.

Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.

Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.

De mens graaft en weegt en wikt

De aarde slikt en slikt en slikt

We kunnen niet meer zonder

maar straks komt het gedonder

.

Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.

“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.

De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.

Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.

Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”

We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

.

Het rijdende verhalenhuis

kwam in Bears tot stilstand

hier weef ik mijn verhaal aan één

met het bloeiend groots verband

van water, weiden, wilgen,

en mensen van het vlakke land

.

(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)

.

.

.

Gestolde snelheid

.

.

In het spinrag van gestolde tijd wemelt het van leven.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

En hier sta ik dan. Al negen maanden. In de gevlochten wilgenhaag rond mijn veldje zit spinmot en er vliegen steeds meer karekieten heen en weer. Een heel nest jongen heeft de weg gevonden naar de dichte takkenhaag achter mijn wooncocon. Mijn onvermoeibare vlechtwerk heeft veel gedaan en de lente was vochtig en groeizaam. Op de horizontaal omgebogen takken zijn overal verticale scheuten gekomen. Gaten worden gevuld met talloze buigzame groene loten, die ik opnieuw samen vlecht. Vliegjes en motjes zoeken die plekken op, het is lekker uit de wind. Ze vormen een voedselbron. Vogels vliegen af en aan. Ik kijk er steeds naar. Ja, ik ben tevreden over mijn werk. En toch leken de afgelopen dagen eindeloos saai. Buren en gasten rijden en lopen langs, twintig meter verderop. Ik hoor af en toe het knarsen van het grind en allen gaan hun gang. Ik kijk ze stilletjes na. Als je niks terughoort over het werk wat je doet, dan vraag je je toch wel eens af voor wie je het doet. Ondanks de karekieten. Snelle keuzes worden snel beloond. Soms, niet altijd. En àls het rolt dan rolt het als een trein, die van het één naar het ander rolt. Voor gewortelde keuzes is vaak meer geduld nodig, voor het langzaam maar zeker groter groeit en gezien wordt. En dan opeens blijken bezoekers vlak om de deur te staan, de één na de ander.

.

.

“Woon je hier nog maar negen maanden? Het lijkt alsof je huisje hier al veel langer staat. Het is een gezellig hoekje, dat je gemaakt hebt.” De jongen die naast me staat kijkt bewonderend naar mijn zelfgebouwde huisje en het driehoekje gras wat er achter ligt, keurig groen en gemaaid. Aan twee kanten wordt het minituintje omzoomd door de gevlochten wilgenwanden. Er zijn gele en paarse bloemen en er is een plantenkasje. Ook ligt er een hele dikke boomstam, om op te zitten. Er is in gehakt, kennelijk wilde iemand er ooit een beeld van maken. Ja, dit is nu mijn plek. Mijn Rijdende Verhalenhuis kwam hier in november aan. Het gras was nat, de bodem begon al wat zompig te worden. Ik moest hard door blijven rijden met die kleine wieltjes van de elektrische trekhond. En het begon ook nog te regenen. Als niet snel zou zijn en tempo zou minderen dan zou het gladde rubber gaan slippen. Ik had mijn oog op de bosjes gericht. Daar moest ik stoppen. Het liefst vlák ervoor. Het was de enige plek waar ik nog enigszins beschutting kon verwachten. Dat zou ik nog hard nodig hebben. Ik wist hoe heftig hij kan zijn, die zuidwestenwind, hier in het Noorden. In volle vaart stuurde ik haaks naar links en door die beweging was meteen de vaart eruit. Vlak voor de bosjes. De buurman keek toe. “Wil je niet wat meer ruimte bij je ingang?” Nee, zei ik. Het was goed zo. En dat is het nog steeds. In volle vaart is mijn Rijdende Verhalenhuis tot stilstand gekomen. De verhalen zijn bezonken in de klei en ontkiemen weer opnieuw, in de hete zon, in de donder en de bliksem of in weer en wind, aftastend naar ruimte en voedingsstoffen. In gestolde snelheid zijn tal van kleine groeisels ontstaan.

.

Sinds het hooien in mei, is de wilgenhaag al veel dikker en groener geworden.

.

De bezoeker kijkt tevreden en steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. “Het was geweldig om het eens in het echt te zien. Als je nog eens iemand nodig hebt, dan weet je me te vinden.” Ik knik en schud hem de hand. Ik zal het onthouden. Terwijl ik terug naar binnen ga, duikt er een groepje mussen op de zonnepitten, die ik vanmorgen op de boomstam heb gelegd. De rest van de dag is stil, maar toch anders. Die avond klim ik tevreden in mijn hangmat en de volgende dag wordt opnieuw een verrassing. Ik ga mee met een groep mensen die zich sterk maken voor herstel van het landschap, we trekken er op uit, determineren grassen en zoeken uit welke kruiden er staan. We praten erover, we zien donkere luchten over het weidse landschap trekken en de blauwe lucht erachter. We worden net niet nat en zijn tevreden dat we elkaar kunnen ontmoeten. We weten allemaal hoeveel werk het is, wat er ons te doen staat. “Als je weinig terughoort over wat je hebt gedaan dan is het goed. Dan klopt het in de omgeving,” zegt een jongen. Ik zucht opgelucht. Ik denk aan de wilgenhaag bij mijn veldje. De dag gaat voorbij en ik kijk naar de mensen terwijl ze in de verte verdwijnen op hun fietsen. Het is of het water een nieuwe bedding heeft gevonden, die daar altijd al lag. Alsof dit een stam is, waarin ik altijd al thuishoorde en die verspreid over het land met hun groene vingers de ruimte doen herleven. Ik weet dat ze er zijn.

.

.

Laat de tijd maar eens stilstaan. In het spinrag van gestolde snelheid gaat het wemelen van leven. Altijd. Dat is de wet van de natuur.

.

.

Copyrights foto’s: Alowieke van Beusekom.

.

.

Als alles vanzelf gaat

.

.

Hebben we onze spieren nog wel nodig? Een e-bike of een auto, je hoeft hem alleen maar van energie te voorzien en je gaat er als een speer vandoor. Elk moment dat je wilt vlieg je over de weiden, als in een droom.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan het verhaal.

Mijn fiets wordt gemaakt. Dat doet de buurman. Die is daar handig in en hij houdt van fysiek werk. Vaak zie je hem in de weer met planken of het lasapparaat. Of met een fiets die hij gevonden heeft bij het grofvuil. Hij weet er veel van. En nu maakt hij mijn fiets, terwijl ik zijn e-bike te leen heb gekregen. Wat een luxe! Ik krab eens aan mijn hoofd, terwijl ik naar het zware rijwiel kijk. Het hebben van een e-bike is voor mij een beetje dubbel, maar wel een mooie kans. Wat zal ik daar eens mee doen. Naar vrienden toe, in Oosterbierum? Dat lijkt me een goed plan en ik regel een afspraak voor morgen. Het is een boerenfamilie, die ik leerde kennen op mijn reis. Ik ben er altijd welkom.

De volgende dag waait het hard. Mooi zo, dan heb ik extra profijt van de gratis energie. Ik zal er moeiteloos doorheen rollen. Met de fiets aan de hand loop ik naar het grindpad toe. Precies op hetzelfde moment komt Ellis aanfietsen. Ook op een e-bike. Ze stopt als ze me ziet. “Mooi hè! Ik heb hem te leen”, zegt ze. Ik lach en kijk naar de mijne. “Ik toevallig ook. Maar ik wil er nooit eentje hebben. En zo min mogelijk gebruiken. Je spieren worden er steeds dunner van weet je, want je doet eigenlijk niks. En als je verder ook niks uitvoert, dan kunnen ze zo verschrompelen, dat je je evenwicht niet meer kan bewaren. Dan val je met fiets en al om.” Ze kijkt me enigszins geschrokken aan. “Echt waar? O..” Bemoedigd door haar blik ga ik nog even verder. “Ja. En dan te bedenken dat de mensen vroeger wel 60 km op een dag liepen. Wat een degradatie van de mensheid!” Ze kijkt nadenkend in de lucht. “Is dat zo? Misschien kunnen we steeds meer andere dingen en hebben we dat niet meer nodig.” Verbaasd kijk ik naar haar jonge bruine ogen. Ze zal twintig jaar jonger zijn dan ik. Jonger nog, misschien. Wat gaat ze nog meemaken in de toekomst? Ik denk hardop verder. “We zullen onze spieren nog hard nodig hebben,denk ik. Eigenlijk zweven we op de vondst van olie en andere grondstoffen. De gemakkelijke manier waarop alles nu gaat, maakt ons los van de aarde. Maar al die grondstoffen zijn tijdelijk. En met geestkracht kunnen we nog steeds geen treinen en auto’s laten rijden.” Bij het woord geestkracht zie ik haar blik even verlangend naar de lucht kijken. Ik ken die blik. Ik zie hem vaker. Bij jonge mensen met smalle duimen van het klikken op de virtuele toverdoos. Als alles vanzelf gaat, dan lijkt er heel veel mogelijk, zonder dat je je fysiek hoeft in te spannen.

De e-bike is leuk. Ik kan er heel hard op. Het is wel raar. Het feit dat ik niks hoef te doen geeft me eenzelfde ervaring als televisie kijken. Als een toerist kijk ik naar het landschap als door een glazen raampje. Er vliegt een eend op uit de sloot. Geschrokken. Ik merk dat het me weinig kan schelen. Verbaasd constateer ik het bij mezelf. Dit wil ik niet. Zo ga ik niet met de wereld om. Ik zet de snelheid twee standjes lager en rijd rustig verder.

Vele betonpaden en weilanden verder ligt de dijk, met een aantal kleine dorpen op een rij. Eén van die dorpen heet Oosterbierum. (Easterbierum op zijn Fries.) Vlak ernaast is de boerderij waar ik moet zijn. “Pluktuin”, staat er op een bordje naast de weg en “Boerderijwinkel.” De blonde boerin komt me lachend tegemoet en biedt thee aan. “Lust je deze?” vraagt ze en ze plukt een blaadje watermunt af naast het terras. Daar zeg ik geen nee op en terwijl er ook nog vers geplukte aardbeien voor mij op tafel worden gezet met heerlijke koeken, verwonder ik me over de grote gastvrijheid. Deze mensen werken keihard om al die aardbeien, groenten, bomen en bloemen uit de grond te laten groeien en ik mag daar zomaar in delen! We praten over de oogst van bloemkolen. Over de bioboer verderop die met pijn in zijn hart moest zien hoeveel van zijn oogst was aangetast. Slakken ja, zoveel slakken! We praten over de jongens die met zware kisten sjouwen door de modder, in de regen. En in de winkel liggen ze te koop, soms maar voor één euro per stuk, mooi roomwit en onaangetast. Alsof ze zo uit de fabriek komen rollen en er geen mensen aan te pas komen. Dat is hard. Pijnlijk, en oneerlijk.

Terwijl ik naar huis fiets denk ik terug aan de woorden van Ellis. “Misschien hebben we dat wel niet meer nodig.” Wat hebben we niet meer nodig? Onze spieren? Als je dood bent, ja dán heb je ze niet meer nodig. Maar nu zijn we op aarde. We moeten eten en een plek onderhouden waarin we leven. En je weet maar nooit, hoelang deze tijd van luxe duren zal. Dat alles vanzelf gaat. Als in een droom vliegt de e-bike door de weiden, en het vliegtuig door de lucht boven mij. Wie hoog vliegt kan ver vallen. Ik ben voor een geleidelijke landing. En dat die jongens die het zware werk doen op het land en elders ook een keer gezien worden.

Ik neem een beslissing. Als ik thuis ben breng ik de e-bike meteen terug. De volgende keer ga ik weer écht fietsen.

.

Tot het krakend neerstort

.

.

Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen, al was het maar tijdelijk. Maar dat hoeft ook niet. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt, kraakt en barst en zegt: Nou is het eens afgelopen met al dat drukke mensengedoe. (Onderaan de tekst vind je een knop om naar het verhaal te kunnen luisteren.)

.

Marja heeft het gehoord. Het regende, iedereen zat binnen. Toen klonk er luid gekraak. Marja zat op het puntje van haar stoel, vlakbij, in haar kleine huis. “O jee, als er maar niks bovenop mij valt,” dacht ze. Maar dat was niet zo. Toen ze naar buiten kwam zag ze het. De boom.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje. Ik sta op Jochumsreed met de sikkel in de hand. Ik wil gras snijden. Dagelijks houd ik het Verhalenpad bij. Het is een eindeloos creatief proces van laten groeien en laten verteren. Ik wil net het veld oversteken, als Dick komt aanfietsen. Hij grijnst en stopt vlak naast me. “Er is een boom omgevallen. Hij ligt over de weg heen, auto’s kunnen er niet meer langs”, glundert hij. Hij groet en fietst verder om boodschappen te doen. Ik loop nieuwsgierig naar de boerderij toe. Ik denk dat ik weet welke het is. Het is van verre te zien. Het pad eindigt in een donkergroene massa. Als ik dichterbij kom zie ik dat een dikke tak is afgescheurd. Hij hangt nog met zijn oksel aan de boom, die verder helemaal niks mankeert. Het gewicht moet te groot zijn geworden, door al het blad en die regen. Hij leunt op een dikke zijtak op de oever, pal naast een omgekeerde boot. Het vormt een poortje. Ik kan er net rechtop onderdoor. Een paar mensen staan aan de andere kant te kijken. Boer Jochum, de gedreven greppelkenner Jeroen, en een gast. Verbaasd nemen ze de onverwachte verandering in zich op. Bewonderend, en tegelijkertijd prakkiserend: Wat moeten we hiermee aan? Maar boer Jochum twijfelt niet. “Ik laat hem een tijdje liggen. Het komt me wel goed uit. Het erf is leeg. Ik moet hooien, en nu hoef ik niet steeds iemand aan zijn jas te trekken dat zijn auto in de weg staat.” De mannen praten nog even verder. Ik loop door naar het erf. De rust is heerlijk en de schoonheid van oude boerderij komt nog beter tot zijn recht.

De natuur heeft vandaag terrein gewonnen. Voorlopig. De houtduif, die anders schichtig op het pad scharrelt, klaar om weg te schieten, doet dat nu op zijn dooie akkertje. “Dit is nu ook van ons,” lijkt hij te zeggen. De donkere bladermassa beschermt hem. De tak is zijn vriend. Ik begrijp dat sommigen het gevaarlijk vinden, bomen en zwaartekracht. Maar ik geniet hiervan, ik houd van risico’s, die bij het leven horen. Ik houd van dingen laten zijn zoals ze zijn en eenvoud. Ik doe boodschappen op de fiets en reis maar af en toe een keer met de trein. Ik plant bomen en struiken en houd mijn voetstap bewust klein, om de natuur de ruimte te geven. Maar hier op de camping staat het vaak vol blik. Allemaal mensen die van de rust willen genieten. Nogal tegenstrijdig, vind ik. Al die auto’s die het terrein domineren, waarom moet dat? Het lijkt een vanzelfsprekend recht te zijn op het uiterste gemak. Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen. Maar dat hoeft ook niet. Hoera. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt en kraakt en zegt: Nou is het afgelopen met al dat drukke mensengedoe. Ik steek er een stokje voor. Ik hoop dat die tak daar nog lang blijft liggen.

Hoelang kunnen we de wereld naar onze hand zetten, inrichten naar ons gemak? De politiek kan eindeloos debatteren over stikstof. Over de noodzaak van verstedelijking en over natuur die het onderspit delft. Vogelweides krijgen een bouwbestemming. De bouwnorm moet gehaald worden. We moeten wel, zegt de gemeente. De economie dendert voort. Het dreunt, het ruist, het piept, en toetert tot je oren ervan fluiten. Er komt geen einde aan. Zo lijkt het. Tot de Aarde beeft en een monsterlijk grote boom het dreunend begeeft. Het is de Wilg, het toonbeeld van levenskracht. Symbool van de eindeloos taaie natuur. De Wilg die vanuit zijn wortels voortleeft. Vanuit de liggende takken ontspringt een nieuw bos. Het groeit zo snel, dat er geen houden aan is. Niemand had het voorzien. En niemand had er ooit aan gedacht. Het leven gaat waar het wil, en trekt zich nergens iets van aan. Als een zwaluw in zijn vlucht.

.

.