Hoe nu verder

.

.

Een verhaal over twijfel en het ongewisse.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Een herfstige wind waait om mijn kleine huis. Ik sta ernaast te kijken. De grote zonnebloem voor mijn raam, waar ik zo trots op was, is geknakt. Vier hommels zitten eronder te schuilen. Al is het wat triest hem nu zo te zien hangen, toch is het een wonderbaarlijke transformatie, die zij in korte tijd tot stand hebben gebracht. Ze gingen door, de nijvere beestjes, uur na uur op die ene bloem, als boeren die een akker bewerken. Nu staat de enorme bloem bol van het zaad, als een goudgele koningin tussen de kale, gemaaide weiden. Een onthoofde koningin, met de geknakte bloem hangend aan een heel dun draadje.

.

.

De lucht is grauw van een grote wolk en de wind waait door mijn haren. Het motregent. Ik laat me er niet door weerhouden en loop over het smalle pad door het gras. Ik kijk naar de wilgebomen. Wat zijn ze gegroeid. Ja, de bomen wél, en ook het riet, dat wel twintig meter is opgeschoten, de wei in. Het vele vocht heeft de wortelstokken doen groeien en groeien. Zal het waar zijn, dat we in de toekomst veel meer regen krijgen, hier in Noord Europa? Dat hier alles riet wordt, terwijl elders nauwelijks meer water uit de lucht valt? Dan zal er veel veranderen. Het was een jaar van slakken en spinselmotten. Zal dat vaker gaan gebeuren? De jonge mezen en winterkoninkjes hadden er veel profijt van. Maar van de pompoenen die ik verbouwde is weinig terechtgekomen. De slakken aten ze op en de grond was niet luchtig genoeg. Ik besteedde er veel tijd aan maar velen gingen kapot en de bloemen droegen nauwelijks vrucht. Er meer zaken die ik graag wil helpen groeien. Zo’n jaar als dit zet mij aan het denken. En ook de geknakte zonnebloem. Wat is zinnig? Ik weet het niet en loop verder.

Ik steek het Swettepaad over, daar is de berm die aan het riet grenst. Rondom de bloeiende paarse kattestaart en trek gras uit. Zo maak ik kleine plekjes met zwarte aarde. Heel weinig maar, net genoeg om ze ruimte te geven om verder te groeien. Uit de jonge brandnetel ernaast vliegt een vlinder op. Die laat ik staan. Voor de vlinder en wie weet voor nog wel meer. Dan vind ik het wel weer even genoeg en ga rechtop staan. De lucht breekt open en het blauw ertussen verandert steeds van vorm. Is dit niet net zoiets, wat ik doe? Alles wat ik doe zal weer vervagen in het grote geheel. En toch draagt elke stap die ik zet bij aan iets groters, al weet ik niet wat het worden zal. Of misschien denk ik dat maar en wordt alles toch wel riet, ooit, als het hier altijd regent. Misschien wonen hier dan wel geen mensen meer. Toch blijf ik de bloemen verzorgen en gras trekken.

Ik zoek naar evenwicht. Hoe help ik het groeien? Waarin stroom ik mee, en hoever stuw ik voort op wilskracht? Ik denk aan de bloem, die meer mest kreeg dan de andere, omdat ik dat wilde. Ik was blij, hij groeide keihard, veel sneller dan de andere drie. Op eenzame hoogte hield hij het niet lang vol en brak af. Waarschijnlijk door een ekster, die dacht daar even te gaan zitten kijken. Zo’n hoge bloem is een mooi uitkijkpunt. Die extra mest voor dat ene zaadje was geen goed idee. Wat heeft dan wél baat bij mijn extra inzet? Misschien is dat het bouwen van een pontje. Een pontje van staal. Dat is hard en constructief. Ik moet uitdenken hoe dat moet. Maar het vraagt ook om inspiratie. Anders krijgt het geen eigen karakter. Ik denk aan een ijzeren vogel op de kant. Een reiger of zo. Dan zie je waar het is. En een steiger met een bankje tussen het riet. Palen slaan, ijzer snijden, lassen. Nadenken over de voortstuwing van het ponton. Het vraagt om burenhanden bij zwaar werk. Mensen die begrijpen wat het Web van Leven betekent. Het is de zachte glimlach van de gemeenschap, die zo’n idee levensvatbaar maakt en de plek compleet. Zonder dat heb ik niets aan die mooie ijzeren platen. Soms heb ik twijfel. Moet ik hier wel gaan investeren, op deze plek? Wordt het wel gedragen door de gemeenschap? Op dit moment is dat minimaal. Kan ik niet beter ergens anders heen gaan, bijvoorbeeld naar waar Dick is, mijn vriend? Dan staar ik naar de lucht en wil ik even helemaal niets. Ik recht mijn rug naast het buigende riet. De wolken trekken voorbij. Wat er ook gebeurt, de tijd zal het me leren.

.

.

.

.

Te gaan wanneer je blijven wilt

.

Moeten kiezen wanneer je je verdeeld voelt is moeilijk. Maar zonder knopen door te hakken vind je geen grond onder de voeten.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Waar ben ik en wat doe ik hier? Die vraag heb ik mezelf gesteld, de afgelopen maanden. Ik ben er uit. Ik weet waar ik ben, en dat is op oude zeebodem, niet ver van waar ik geboren ben. Ik, Alowieke Margreeth, Dochter van de Zee. En ik weet wat ik hier te doen heb. Ik noem dat “geworteld” zijn. Dat vind ik belangrijk. Een mens kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn. Dat wordt altijd schipperen. Daar kies ik niet voor. Maar al wil ik het niet, ik kom het nu toch tegen.

Toen mijn vriend voor drie en een halve maand naar een holistische leefgemeenschap vertrok, bleef ik hier. We bellen elkaar bijna elke dag. Zodoende verdeel ik mijn aandacht nu toch. Ik hoor verhalen over mensen die ik niet ken op een plek die me vreemd is. Dat is raar. Dus moet ik er toch maar eens heen vind ik. Ik pak mijn rugzak in en ga op pad. Het is vier uur reizen naar de Vlierhof, net over de Duitse grens, vlakbij Nijmegen. Ik word met open armen ontvangen. Mijn vriend omhelst me, anderen schudden de hand of lachen vriendelijk. Ik spreek met diverse bewoners en overal is werk te doen. Aan de gebouwen, langs het pad, in de moestuin. Er staan iets minder brandnetels dan thuis en er groeien even veel vlierstruiken. Ik help met het schoonmaken van het gastenverblijf en zet een houten vloer in de was. Ik geniet van al die bedrijvige handen en de dag is snel voorbij. ’s Avonds aan tafel spreek ik hardop mijn twijfel uit, om morgen weer weg te gaan. Ik zie mensen knikken en grijnzen en de één na de ander wil me overhalen om te blijven. Met moeite hak ik de knoop door: Ik ga wèl terug.

Ja, de hele wereld is mijn thuis en ik kan met veel mensen door één deur. En mijn vriend is nu ergens anders dan waar ik ben. Maar ik kan niet overal zijn.

Waarom ga ik terug naar huis? Het is niet alleen de band met het weidse Friese land, er is een extra reden voor. Ik heb me voorgenomen mijn buren te helpen en dat doe ik ook. Ik wil naar Frijlân, het kleine ecodorp waar ik in 2018 bijna een jaar verbleef. Ik sta de volgende dag vroeg op. Het is niet heel ver, maar toch een paar kilometer. In het open landschap kan je het oranje pannendak van verre zien. Linea recta lijkt het dichtbij. Je zou een leuke route kunnen nemen er naar toe. Aan de overkant van de Zwette is een fietspad, dat leidt tussen een sloot en de trekvaart door. Linksaf en vlak voor de kleine brug naar rechts, dan ben je er zo. Maar ik kan niet over het fietspad, er is geen boot vrij om over te steken en er is ook nog geen pontje. Dus fiets ik om, over de weg, door de dorpen. Als vanzelf gaan mijn trappers rond. De lucht is vochtig en staat bijna stil. De wijde hemel is weldadig. Wat een ruimte! Witte wolken drijven door het blauw. In de wei grazen schapen en op het hok staat een pauw zonder staart. Dat herinnert me eraan dat het weer herfst wordt. Ik sla af, het bekende pad in. Het oranje pannendak, dat ik thuis al kon zien, komt steeds dichterbij. Ik rijd langs de oude stal het erf op, zet mijn fiets neer en trek mijn vest uit. Een zacht briesje verkoelt mijn bezwete hals.

Aankomen is thuiskomen. Frijlân is een gastvrije plek geworden waar je kan oefenen in zelfvoorzienend leven. Er is hart voor de natuur. Dat zie je. De groene stip op de kaart wordt steeds groter. Op het erf lopen mannen en vrouwen rond. Een jongen begroet me lachend. Hij heeft er zin in. En zo vieren we de dag. We gooien met vergane strobalen, en scheppen containers leeg met iets wat twee jaar geleden stront en zaagsel was. Een oudere vrouw kijkt fronsend toe, als ze ziet dat ik zonder handschoenen werk. Ik leg uit dat stront die al zo lang vergaan is, niet vies meer is. Het is prachtige aarde aan het worden. We mixen alle ingrediënten op de grote hoop en pluizen wat klonten stro uit elkaar. Het is een composthoop om trots op te zijn. En als de spades en hooivorken terug de schuur in gaan, is er soep. Ik boen mijn handen met water en zeep en loop naar de grote houten tafel. Die zit vol mensen. De gastvrouw straalt. “Is dit niet mooi? Eèn en al levendigheid!” Vlak voor mijn neus staat een dampende kom. Ik lach haar warm toe.

Een mooie wereld maken we stap voor stap, met elkaar. Dat gaat het beste als je bent waar je bent, onverdeeld en toegewijd. Soms is dat lastig. Dit verhaal van mij is maar een voorbeeld. Ook jongeren in onze tijd zitten er vaak mee. Dat je niet weg wilt, maar toch moet. En omgekeerd precies hetzelfde. Dat hoor je ook op Frijlân terug. Sommigen zouden graag bij familie en vrienden zijn, op geboortegrond. Dat kan meestal niet. We worden uit elkaar getrokken. Hoe blijf je trouw aan jezelf? Die keus te maken, dat is een hele opgave. Maar wie zich verdeeld voelt en de keus niet maakt, vindt geen grond onder de voeten.

PS: Zijn er jongeren uit Jellum en Bears die graag in de buurt zouden willen blijven wonen in een tiny house? Dan zou ik je graag ontmoeten. Ook jongeren uit andere dorpen zijn welkom voor een kop thee. Ik wil hier graag meer over horen en meedenken.

.

.

“”

Als er maar eerst een pad is

.

De wens om zelf iets kleins te bouwen en wegen daar naartoe.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Een levendige wolkenlucht drijft over het vlakke land. Behalve het geluid van de wind is het stil. Alleen een groep paarden vertegenwoordigt de vitale noot in het schilderij van het Friese weidelandschap. Maar ik zie ze niet, vanaf de plek waar ik nu sta. Er staat een haag van wilgebomen voor en het poortje is pas verderop. De boer maakte het en ik houd het bij, zodat je er altijd doorheen kan.

Achter het poortje in de haag is weiland met bloeiend gras. Verderop beginnen velden van glanzend raaigras tot aan de horizon. Een kerktoren en wat bomen doorbreken de strakke lijn. Kampeerders rijden af en toe over het hoofdpad, verlangend naar vertier bij het water of een moment van samenzijn met vrienden. Soms loopt er iemand uit het dorp. Maar nooit jongeren. Waar zijn ze? Ik weet het eigenlijk wel. Ze vertrekken. Zoals Janne, uit Jorwerd.

.

Waar het pad is, daar breidt de witte klaver zich uit.

Het is vrijdag, marktdag, wanneer ik haar ontmoet. Ik tref haar achter de bekende groentekraam. Hee, denk ik. Het lijkt wel of er steeds weer andere mensen achter staan. Ik groet haar. Ze kijkt me iets langer aan dan normaal. “Ben jij die vrouw die bomen plant?” vraagt ze dan “Ik heb van je gehoord. Dat was jij toch? Ik was pas bij jullie op de camping.” Ik kijk verrast. Jammer, ik heb haar niet gezien. In een kort gesprek vertelt ze over haarzelf. Het is al later op de dag en er zijn geen andere klanten. We hebben de tijd. Ik vraag wat ze vindt van haar geboortedorp, Jorwerd. “Ik woon er niet meer.” zegt ze. “Ik vind het dorp zó duf en ingeslapen. Sorry hoor. Al die oude mensen in die grote huizen inspireren me niet. En voor er eens iets leegstaat ben je jaren verder. Wat moet ik trouwens met zo’n groot huis. Ik zou heel graag mijn eigen kleine huis bouwen!” Ik bevestig haar wens hartgrondig. “Ja. En ik zou je graag helpen. Ik zit er verdorie op te wachten. Ik wil creatief meedenken met bouwen en planten erom heen. Als het zou kunnen stond ik meteen klaar.”

.

Het pad naar het schuurtje, vanuit mijn huis gezien.

Maar het kan nog niet. Al ben ik op de juiste plek. Ik ben bij een boer beland die veel hart heeft voor de zaak. “Houdt het platteland vitaal, en zorg voor de jonge mensen! Kleine betaalbare huizen moeten er komen.” Hij werkt er graag aan mee, door een deel van zijn land een nieuwe bestemming te geven. Maar elke keer loopt hij tegen een muur op. De gemeente wil alleen maar grote wijken bouwen met eensgezinswoningen. Dorpen krijgen steevast “Nee” te horen als ze een paar huizen bij willen bouwen. Het gaat allang niet meer om mensen, het gaat om economisch belang. Wanneer zal het tij keren? Ik denk dat we moeten geduld hebben, doorwerken aan wat er wél kan, en de wens levend houden. Dus tijdens het wachten werk ik. Ik maak paden. Daarmee kun je vast beginnen, niet waar? Ik knip en snijd. De sikkel en de heggenschaar liggen altijd klaar. Ik werk op mijn hurken. Soms ga ik iets sneller en schuifel ik licht gebukt met gebogen knieën door het land. Ik kan het uren volhouden, als het moet. Mijn spieren zijn taai en sterk geworden. Dat kan nog goed van pas komen. Oefening baart kunst. En kunst, dat is het. Veel veranderingen beginnen bij kunst, bij verbeeldingskracht, en discipline. Dus ga ik door. Ik knip en snijd het gras en langzamerhand ontstaat er een soort spinneweb om mijn woonwagen heen. Als ik in het midden sta, geniet ik van het aanblik. De eerste route leidt naar het schuurtje in de hoek van het veld. De tweede naar het grindpad, de hoofdweg van de camping. Het derde pad loopt naar een keurig ingerichte bouwkeet. Hij is hier pas gestald, er is voorlopig niemand. Het onderhouden van het pad zie ik als een welkom, voor als er straks wél mensen komen. Dan weten ze me te vinden. Het vierde is een poortje door de heg heen. Hèt poortje. Het is mijn achterdeur en het leidt naar het veld waar de boer al jaren plannen over maakt. Tiny houses voor de jongeren uit de dorpen. Mensen zoals Janne.

.

Pad naar de gestalde keet.

.Ik werk en wacht. Ik praat met bezige buren. Sommigen zijn met dezelfde dingen bezig als ik. Daar put een mens moed uit. Zo sta ik de volgende dag fris weer op. Ik adem in en uit en onderhoud de paden. En niet voor niets! Het is voor de klaver die de ruimte krijgt. Voor de haas, die graag eens iets anders eet dan gras. Voor de eenden die uit willen rusten is er een paadje tussen het riet en dieren die willen drinken kunnen bij het water. Ik zie vlinders, libellen en krekels, die uitrusten in de luwte van het kortgehouden gras. Elke keer als ik er loop, schieten er tientallen weg, voor mijn voeten, het hoge gras in. Alles wat ik doe laat een spoor van leven achter. Ook dat geeft moed. Elke dag pak ik de sikkel en de heggenschaar. Elke dag een stukje. En het is meer dan een oefening. Het zijn de eerste lijnen voor bestendigheid. Paden als basis voor wat komt. Eerst de dieren. Dan de kinderen. En uiteindelijk, de grote mensen. Mensen die er zijn en blijven.

.

Waterpaadje door het riet.

.

.

.

Als het spandoek valt

.

.

Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.

Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.

De mens graaft en weegt en wikt

De aarde slikt en slikt en slikt

We kunnen niet meer zonder

maar straks komt het gedonder

.

Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.

“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.

De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.

Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.

Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”

We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

.

Het rijdende verhalenhuis

kwam in Bears tot stilstand

hier weef ik mijn verhaal aan één

met het bloeiend groots verband

van water, weiden, wilgen,

en mensen van het vlakke land

.

(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)

.

.

.

Gestolde snelheid

.

.

In het spinrag van gestolde tijd wemelt het van leven.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

En hier sta ik dan. Al negen maanden. In de gevlochten wilgenhaag rond mijn veldje zit spinmot en er vliegen steeds meer karekieten heen en weer. Een heel nest jongen heeft de weg gevonden naar de dichte takkenhaag achter mijn wooncocon. Mijn onvermoeibare vlechtwerk heeft veel gedaan en de lente was vochtig en groeizaam. Op de horizontaal omgebogen takken zijn overal verticale scheuten gekomen. Gaten worden gevuld met talloze buigzame groene loten, die ik opnieuw samen vlecht. Vliegjes en motjes zoeken die plekken op, het is lekker uit de wind. Ze vormen een voedselbron. Vogels vliegen af en aan. Ik kijk er steeds naar. Ja, ik ben tevreden over mijn werk. En toch leken de afgelopen dagen eindeloos saai. Buren en gasten rijden en lopen langs, twintig meter verderop. Ik hoor af en toe het knarsen van het grind en allen gaan hun gang. Ik kijk ze stilletjes na. Als je niks terughoort over het werk wat je doet, dan vraag je je toch wel eens af voor wie je het doet. Ondanks de karekieten. Snelle keuzes worden snel beloond. Soms, niet altijd. En àls het rolt dan rolt het als een trein, die van het één naar het ander rolt. Voor gewortelde keuzes is vaak meer geduld nodig, voor het langzaam maar zeker groter groeit en gezien wordt. En dan opeens blijken bezoekers vlak om de deur te staan, de één na de ander.

.

.

“Woon je hier nog maar negen maanden? Het lijkt alsof je huisje hier al veel langer staat. Het is een gezellig hoekje, dat je gemaakt hebt.” De jongen die naast me staat kijkt bewonderend naar mijn zelfgebouwde huisje en het driehoekje gras wat er achter ligt, keurig groen en gemaaid. Aan twee kanten wordt het minituintje omzoomd door de gevlochten wilgenwanden. Er zijn gele en paarse bloemen en er is een plantenkasje. Ook ligt er een hele dikke boomstam, om op te zitten. Er is in gehakt, kennelijk wilde iemand er ooit een beeld van maken. Ja, dit is nu mijn plek. Mijn Rijdende Verhalenhuis kwam hier in november aan. Het gras was nat, de bodem begon al wat zompig te worden. Ik moest hard door blijven rijden met die kleine wieltjes van de elektrische trekhond. En het begon ook nog te regenen. Als niet snel zou zijn en tempo zou minderen dan zou het gladde rubber gaan slippen. Ik had mijn oog op de bosjes gericht. Daar moest ik stoppen. Het liefst vlák ervoor. Het was de enige plek waar ik nog enigszins beschutting kon verwachten. Dat zou ik nog hard nodig hebben. Ik wist hoe heftig hij kan zijn, die zuidwestenwind, hier in het Noorden. In volle vaart stuurde ik haaks naar links en door die beweging was meteen de vaart eruit. Vlak voor de bosjes. De buurman keek toe. “Wil je niet wat meer ruimte bij je ingang?” Nee, zei ik. Het was goed zo. En dat is het nog steeds. In volle vaart is mijn Rijdende Verhalenhuis tot stilstand gekomen. De verhalen zijn bezonken in de klei en ontkiemen weer opnieuw, in de hete zon, in de donder en de bliksem of in weer en wind, aftastend naar ruimte en voedingsstoffen. In gestolde snelheid zijn tal van kleine groeisels ontstaan.

.

Sinds het hooien in mei, is de wilgenhaag al veel dikker en groener geworden.

.

De bezoeker kijkt tevreden en steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. “Het was geweldig om het eens in het echt te zien. Als je nog eens iemand nodig hebt, dan weet je me te vinden.” Ik knik en schud hem de hand. Ik zal het onthouden. Terwijl ik terug naar binnen ga, duikt er een groepje mussen op de zonnepitten, die ik vanmorgen op de boomstam heb gelegd. De rest van de dag is stil, maar toch anders. Die avond klim ik tevreden in mijn hangmat en de volgende dag wordt opnieuw een verrassing. Ik ga mee met een groep mensen die zich sterk maken voor herstel van het landschap, we trekken er op uit, determineren grassen en zoeken uit welke kruiden er staan. We praten erover, we zien donkere luchten over het weidse landschap trekken en de blauwe lucht erachter. We worden net niet nat en zijn tevreden dat we elkaar kunnen ontmoeten. We weten allemaal hoeveel werk het is, wat er ons te doen staat. “Als je weinig terughoort over wat je hebt gedaan dan is het goed. Dan klopt het in de omgeving,” zegt een jongen. Ik zucht opgelucht. Ik denk aan de wilgenhaag bij mijn veldje. De dag gaat voorbij en ik kijk naar de mensen terwijl ze in de verte verdwijnen op hun fietsen. Het is of het water een nieuwe bedding heeft gevonden, die daar altijd al lag. Alsof dit een stam is, waarin ik altijd al thuishoorde en die verspreid over het land met hun groene vingers de ruimte doen herleven. Ik weet dat ze er zijn.

.

.

Laat de tijd maar eens stilstaan. In het spinrag van gestolde snelheid gaat het wemelen van leven. Altijd. Dat is de wet van de natuur.

.

.

Copyrights foto’s: Alowieke van Beusekom.

.

.

Als alles vanzelf gaat

.

.

Hebben we onze spieren nog wel nodig? Een e-bike of een auto, je hoeft hem alleen maar van energie te voorzien en je gaat er als een speer vandoor. Elk moment dat je wilt vlieg je over de weiden, als in een droom.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan het verhaal.

Mijn fiets wordt gemaakt. Dat doet de buurman. Die is daar handig in en hij houdt van fysiek werk. Vaak zie je hem in de weer met planken of het lasapparaat. Of met een fiets die hij gevonden heeft bij het grofvuil. Hij weet er veel van. En nu maakt hij mijn fiets, terwijl ik zijn e-bike te leen heb gekregen. Wat een luxe! Ik krab eens aan mijn hoofd, terwijl ik naar het zware rijwiel kijk. Het hebben van een e-bike is voor mij een beetje dubbel, maar wel een mooie kans. Wat zal ik daar eens mee doen. Naar vrienden toe, in Oosterbierum? Dat lijkt me een goed plan en ik regel een afspraak voor morgen. Het is een boerenfamilie, die ik leerde kennen op mijn reis. Ik ben er altijd welkom.

De volgende dag waait het hard. Mooi zo, dan heb ik extra profijt van de gratis energie. Ik zal er moeiteloos doorheen rollen. Met de fiets aan de hand loop ik naar het grindpad toe. Precies op hetzelfde moment komt Ellis aanfietsen. Ook op een e-bike. Ze stopt als ze me ziet. “Mooi hè! Ik heb hem te leen”, zegt ze. Ik lach en kijk naar de mijne. “Ik toevallig ook. Maar ik wil er nooit eentje hebben. En zo min mogelijk gebruiken. Je spieren worden er steeds dunner van weet je, want je doet eigenlijk niks. En als je verder ook niks uitvoert, dan kunnen ze zo verschrompelen, dat je je evenwicht niet meer kan bewaren. Dan val je met fiets en al om.” Ze kijkt me enigszins geschrokken aan. “Echt waar? O..” Bemoedigd door haar blik ga ik nog even verder. “Ja. En dan te bedenken dat de mensen vroeger wel 60 km op een dag liepen. Wat een degradatie van de mensheid!” Ze kijkt nadenkend in de lucht. “Is dat zo? Misschien kunnen we steeds meer andere dingen en hebben we dat niet meer nodig.” Verbaasd kijk ik naar haar jonge bruine ogen. Ze zal twintig jaar jonger zijn dan ik. Jonger nog, misschien. Wat gaat ze nog meemaken in de toekomst? Ik denk hardop verder. “We zullen onze spieren nog hard nodig hebben,denk ik. Eigenlijk zweven we op de vondst van olie en andere grondstoffen. De gemakkelijke manier waarop alles nu gaat, maakt ons los van de aarde. Maar al die grondstoffen zijn tijdelijk. En met geestkracht kunnen we nog steeds geen treinen en auto’s laten rijden.” Bij het woord geestkracht zie ik haar blik even verlangend naar de lucht kijken. Ik ken die blik. Ik zie hem vaker. Bij jonge mensen met smalle duimen van het klikken op de virtuele toverdoos. Als alles vanzelf gaat, dan lijkt er heel veel mogelijk, zonder dat je je fysiek hoeft in te spannen.

De e-bike is leuk. Ik kan er heel hard op. Het is wel raar. Het feit dat ik niks hoef te doen geeft me eenzelfde ervaring als televisie kijken. Als een toerist kijk ik naar het landschap als door een glazen raampje. Er vliegt een eend op uit de sloot. Geschrokken. Ik merk dat het me weinig kan schelen. Verbaasd constateer ik het bij mezelf. Dit wil ik niet. Zo ga ik niet met de wereld om. Ik zet de snelheid twee standjes lager en rijd rustig verder.

Vele betonpaden en weilanden verder ligt de dijk, met een aantal kleine dorpen op een rij. Eén van die dorpen heet Oosterbierum. (Easterbierum op zijn Fries.) Vlak ernaast is de boerderij waar ik moet zijn. “Pluktuin”, staat er op een bordje naast de weg en “Boerderijwinkel.” De blonde boerin komt me lachend tegemoet en biedt thee aan. “Lust je deze?” vraagt ze en ze plukt een blaadje watermunt af naast het terras. Daar zeg ik geen nee op en terwijl er ook nog vers geplukte aardbeien voor mij op tafel worden gezet met heerlijke koeken, verwonder ik me over de grote gastvrijheid. Deze mensen werken keihard om al die aardbeien, groenten, bomen en bloemen uit de grond te laten groeien en ik mag daar zomaar in delen! We praten over de oogst van bloemkolen. Over de bioboer verderop die met pijn in zijn hart moest zien hoeveel van zijn oogst was aangetast. Slakken ja, zoveel slakken! We praten over de jongens die met zware kisten sjouwen door de modder, in de regen. En in de winkel liggen ze te koop, soms maar voor één euro per stuk, mooi roomwit en onaangetast. Alsof ze zo uit de fabriek komen rollen en er geen mensen aan te pas komen. Dat is hard. Pijnlijk, en oneerlijk.

Terwijl ik naar huis fiets denk ik terug aan de woorden van Ellis. “Misschien hebben we dat wel niet meer nodig.” Wat hebben we niet meer nodig? Onze spieren? Als je dood bent, ja dán heb je ze niet meer nodig. Maar nu zijn we op aarde. We moeten eten en een plek onderhouden waarin we leven. En je weet maar nooit, hoelang deze tijd van luxe duren zal. Dat alles vanzelf gaat. Als in een droom vliegt de e-bike door de weiden, en het vliegtuig door de lucht boven mij. Wie hoog vliegt kan ver vallen. Ik ben voor een geleidelijke landing. En dat die jongens die het zware werk doen op het land en elders ook een keer gezien worden.

Ik neem een beslissing. Als ik thuis ben breng ik de e-bike meteen terug. De volgende keer ga ik weer écht fietsen.

.

Tot het krakend neerstort

.

.

Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen, al was het maar tijdelijk. Maar dat hoeft ook niet. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt, kraakt en barst en zegt: Nou is het eens afgelopen met al dat drukke mensengedoe. (Onderaan de tekst vind je een knop om naar het verhaal te kunnen luisteren.)

.

Marja heeft het gehoord. Het regende, iedereen zat binnen. Toen klonk er luid gekraak. Marja zat op het puntje van haar stoel, vlakbij, in haar kleine huis. “O jee, als er maar niks bovenop mij valt,” dacht ze. Maar dat was niet zo. Toen ze naar buiten kwam zag ze het. De boom.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje. Ik sta op Jochumsreed met de sikkel in de hand. Ik wil gras snijden. Dagelijks houd ik het Verhalenpad bij. Het is een eindeloos creatief proces van laten groeien en laten verteren. Ik wil net het veld oversteken, als Dick komt aanfietsen. Hij grijnst en stopt vlak naast me. “Er is een boom omgevallen. Hij ligt over de weg heen, auto’s kunnen er niet meer langs”, glundert hij. Hij groet en fietst verder om boodschappen te doen. Ik loop nieuwsgierig naar de boerderij toe. Ik denk dat ik weet welke het is. Het is van verre te zien. Het pad eindigt in een donkergroene massa. Als ik dichterbij kom zie ik dat een dikke tak is afgescheurd. Hij hangt nog met zijn oksel aan de boom, die verder helemaal niks mankeert. Het gewicht moet te groot zijn geworden, door al het blad en die regen. Hij leunt op een dikke zijtak op de oever, pal naast een omgekeerde boot. Het vormt een poortje. Ik kan er net rechtop onderdoor. Een paar mensen staan aan de andere kant te kijken. Boer Jochum, de gedreven greppelkenner Jeroen, en een gast. Verbaasd nemen ze de onverwachte verandering in zich op. Bewonderend, en tegelijkertijd prakkiserend: Wat moeten we hiermee aan? Maar boer Jochum twijfelt niet. “Ik laat hem een tijdje liggen. Het komt me wel goed uit. Het erf is leeg. Ik moet hooien, en nu hoef ik niet steeds iemand aan zijn jas te trekken dat zijn auto in de weg staat.” De mannen praten nog even verder. Ik loop door naar het erf. De rust is heerlijk en de schoonheid van oude boerderij komt nog beter tot zijn recht.

De natuur heeft vandaag terrein gewonnen. Voorlopig. De houtduif, die anders schichtig op het pad scharrelt, klaar om weg te schieten, doet dat nu op zijn dooie akkertje. “Dit is nu ook van ons,” lijkt hij te zeggen. De donkere bladermassa beschermt hem. De tak is zijn vriend. Ik begrijp dat sommigen het gevaarlijk vinden, bomen en zwaartekracht. Maar ik geniet hiervan, ik houd van risico’s, die bij het leven horen. Ik houd van dingen laten zijn zoals ze zijn en eenvoud. Ik doe boodschappen op de fiets en reis maar af en toe een keer met de trein. Ik plant bomen en struiken en houd mijn voetstap bewust klein, om de natuur de ruimte te geven. Maar hier op de camping staat het vaak vol blik. Allemaal mensen die van de rust willen genieten. Nogal tegenstrijdig, vind ik. Al die auto’s die het terrein domineren, waarom moet dat? Het lijkt een vanzelfsprekend recht te zijn op het uiterste gemak. Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen. Maar dat hoeft ook niet. Hoera. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt en kraakt en zegt: Nou is het afgelopen met al dat drukke mensengedoe. Ik steek er een stokje voor. Ik hoop dat die tak daar nog lang blijft liggen.

Hoelang kunnen we de wereld naar onze hand zetten, inrichten naar ons gemak? De politiek kan eindeloos debatteren over stikstof. Over de noodzaak van verstedelijking en over natuur die het onderspit delft. Vogelweides krijgen een bouwbestemming. De bouwnorm moet gehaald worden. We moeten wel, zegt de gemeente. De economie dendert voort. Het dreunt, het ruist, het piept, en toetert tot je oren ervan fluiten. Er komt geen einde aan. Zo lijkt het. Tot de Aarde beeft en een monsterlijk grote boom het dreunend begeeft. Het is de Wilg, het toonbeeld van levenskracht. Symbool van de eindeloos taaie natuur. De Wilg die vanuit zijn wortels voortleeft. Vanuit de liggende takken ontspringt een nieuw bos. Het groeit zo snel, dat er geen houden aan is. Niemand had het voorzien. En niemand had er ooit aan gedacht. Het leven gaat waar het wil, en trekt zich nergens iets van aan. Als een zwaluw in zijn vlucht.

.

.

Gluren naar de karekiet

De stem van de natuur en haar rechten

.

.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan, zoals deze kennismaking met de karekiet het begin daarvan illustreert. (Je kunt ook luisteren naar dit verhaal. Klik op de link onder de tweede foto in deze tekst.)

Het is zomer aan het worden. De Swetteblom wordt steeds meer bezocht door stadsmensen, die het drukke leven moe zijn. De rust die deze plek uitstraalt is weldadig en steeds meer mensen weten het te vinden. Er zijn weekendgasten en soms mensen die hier langere tijd verblijven. Het veldje naast de Swette is erg populair. De hele winter liep ik daar om naar de aangrenzende steiger te gaan, voor mijn dagelijks bad. Nu doe ik dat niet meer. Niet nu er mensen staan. In plaats daarvan heb ik een geheim paadje gemaakt, verderop, dwars door het riet.

Het is half acht in de ochtend. Ik haal de kleden weg die mijn kleine huis verduisterden voor de nacht en open de deur. De zon schijnt met een zacht licht. In de verte hoor ik het heldere gefluit van de winterkoning. Ik denk dat hij een tweede nest heeft in de oude wilg. Ik wikkel de handdoek om mijn heupen en zet het vast met een ijzeren knijper. Nu heb ik een groen rokje aan. Met blote voeten in de klompen stap ik het bordes af, loop om mijn wagen heen en kruip door het poortje in de wilgenhaag. Nu het veld steeds vaker bezet is door gasten, heb ik mijn eigen paadje gemaakt, naar de weg. Zachtjes loop ik over het veld, mijn klompen pletten de harde stengels van het gemaaide gras. Ik steek Jochumsreed over, de zandweg vol stenen en kuilen, die naar de boerderij leidt. Ik speur naar de plek waar ik moet zijn. Een inheemse berenklauw markeert de ingang van mijn spoor door het riet. Het is maar heel smal en omlijst door een paar brandnetels, om nieuwsgierigen af te schrikken. Het paadje gaat direct de bocht om. Mocht iemand iets opmerken, dan lijkt het net alsof het daar al ophoudt. Alleen ik weet het te vinden. Daar, in die brede strook riet, daar komt nooit iemand.

Ik houd mijn adem in, wanneer ik tussen de brandnetels door loop. Ik leerde het van mijn moeder. Houd je adem in, dan prikt het niet. Voetje voor voetje loop ik over het klomp-brede pad, de bocht om en verder. Het riet strijkt langs mijn lichaam. Dan ben ik er. Daar, aan het water, heb ik een open plek gemaakt. Het is maar een vierkante meter, en het hoge riet vormt een dichte wand rondom mij, die hoger is dan ikzelf. Er ligt een dikke laag hooi. Het is een heel fijn nestje. Een nest dat niemand weet. Niemand? Dat dacht ik maar.

Ik trek mijn shirt uit. Dan hoor ik een zacht fluitje, vlak bij mijn hoofd. En daarachter klinkt geritstel. Heel langzaam draai ik mijn hoofd om. Het zijn twee karekieten. Ze komen steeds dichter bij en gluren naar me, tussen de rietstengels door. Nog trager dan net ga ik op mijn hurken zitten. Ik kijk naar hen en zij kijken naar mij. Heel lang, want niemand heeft haast. Tot ik me herinner dat ik ging zwemmen. Ik buig me naar voren. In het water staat een trapje, diep in de modder gedrukt. Ik span mijn spieren om heel langzaam die grote stap te nemen. Via het trapje glijd ik, traag en geruisloos als een krokodil, het water in. Er is nauwelijks een rimpeling. Ik glijd tussen de drijvende plompebladeren door, zoals ik dat leerde met kunstzwemmen: de benen gestrekt en strak als een duikboot. Mijn armen houd ik dicht bij mijn lichaam en mijn handen bewegen heen en weer als de vinnen van een vis. De karekiet gaat in een rietstengel verderop zitten en fluit zijn liedje. Boven het water vliegen talloze mugjes en een klein vlindertje. Overal hoor ik karekieten. Ze zitten ongeveer om de twintig meter en sommigen vliegen al fluitend steeds heen en weer naar de overkant. Stil kijk ik om me heen. Het water is niet heel koud meer maar nog wel fris. De kou trekt langzaam door mijn armen mijn lijf in. Langzaam drijf ik terug. Net zo geruisloos glijd ik terug naar het trapje. Traag als een oosterse butohdanser kruip ik terug de wal op. Ik ben een wandelende boom, zeg ik tegen mezelf. Je ziet bijna niet dat ik beweeg. Het hooi veert onder mijn blote voet. Het is warm en zacht. In het riet hoor ik opnieuw geritsel. Kleine kraalogen gluren naar me, tussen de stengels door.

Zo kan het zijn, wanneer we plekken behouden voor de dieren. Het riet is van de karekiet, ik ben hun eerste menselijke gast. Hij vertrouwt me, want het vertrouwen is nog nooit beschaamd. Zo kan het zijn. In het drukke mensenland zijn er nog altijd plekken als deze. Kleine stroken buiten onze paden. Stroken van soms maar een paar meter breed, zo begroeid dat niemand eraan denkt het te verkennen. Soms is het een kreek, een moddersloot, en maar weinigen zullen zich vuil willen maken om te zien wat daar is. Natuur en mensen kunnen heel goed met elkaar. Als je maar stil bent. Als je maar weet dat je te gast bent, op deze wondermooie aarde. Mensen zijn geen vernietigers. Maar alleen als we onze voetstap klein houden en onze bewegingen langzaam en betrouwbaar. Tevreden zijn met niets.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan. Die weten op welke stukken land we de baas zijn, en waar niet. Mensen die ecologische vrijplaatsen aan kunnen wijzen en zich daarover met anderen kunnen verhouden. Met elkaar kunnen we leren hoe dat moet, hoe we ons als gast kunnen gedragen. Wat is daar? Op die paden, buiten de onze? Een verkenningstocht is prachtig. Maar mysteries moeten er blijven. Met respect voor het nest van de buren. Hoe kan je dat respect hard maken?

Wereldwijd zijn er 369 initiatieven gestart om rechten toe te kennen aan de natuur. De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Boven alles hoop ik, dat wij met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. Wil je hier meer over de rechten van de Aarde lezen, ga dan hieronder verder.

.

TIP …. Kom vanavond om half zeven naar het Hofplein bij het gemeentehuis in Leeuwarden. We demonstreren tegen de nieuwe woonwijk, die pal tegen een vogelweidegebied aan komt te liggen. Er is een milieurapport geweest. De gemeente moet driehonderd meter afstand houden, maar vertikt dat. Wij willen laten weten dat dit niet kan.

En dit kan altijd. Deze petitie tekenen. Hier word je ook aardebeschermer: https://www.stopecocide.nl/word-aardebeschermer

.

.

In Ecuador wordt de natuur gezien als uiting van Pachamama, de Inca-vruchtbaarheidsgodin. Je zou haar kunnen zien als “Moeder Aarde”. In de GalaposIn 2008 werd als eerste land ter wereld in de grondwet opgenomen.om de rechten van de natuur op te nemen. Pachamama heeft niet alleen bestaansrecht, maar ook het onderhoud en herstel wordt vanaf nu in de gaten gehouden. Het gaat om levenscycli, structuren, en evolutionaire processen. In 2011 was er een eerste rechtszaak, aangedragen door de bewakers. Het ging om de Vilcabamba-rivier, die had geleden onder puinophoping van een wegverbredingproject. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de rivier. De rechten van Pachamama werden wettelijk gehandhaafd. Andere landen waar de wet voor de natuur al is aangepast, zijn: Colombia, Australië en de VS. Thomas Berry, een Amerikaanse cultuurhistoricus heeft er diep over nagedacht. Wetten van de samenleving horen volgens hem voort te komen uit de wetten van de natuur. Het universum is een ​​gemeenschap van levende onderwerpen, niet een verzameling objecten”. Ook Christopher Stone, professor in de rechten aan de Universiteit van Zuid-Californië, schreef uitgebreid over dit onderwerp in zijn baanbrekende essay, “Should Trees Have Standing”. Overal ter wereld zijn er mensen die hier over na denken en aktie ondernemen. In Bangladesh was het de Tourag rivier die nu mag bloeien en vloeien met alle rechten die erbij horen. De rivier was aan het verdwijnen doordat bedrijven en overheden zand en vervuilde grond in de rivier stortten om daarop industriële gebouwen te realiseren.  Daar is nu een stokje voor gestoken. Het kan! En ook in India heeft de Ganges rechten gekregen. Lokale gemeenschappen hebben zich daarvoor ingezet. De Indische bevolking vond de vervuiling van de Ganges onacceptabel, te meer omdat ‘Ganga’ de Hindoestaanse godin van zuivering en vergeving is. Vandana Shiva komt uit India. Zij is een activistische geleerde. Ze heeft veel goeds te zeggen. Zij heeft uitgebreid geschreven over de rechten van de Aarde en Earth Democracy, De verantwoordelijkheid van lokale gemeenschappen is in haar visie erg belangrijk. Vooral de vrouw kan volgens haar verantwoordelijkheid terugnemen. De vrouw wil immers haar kinderen goed en gezond voedsel geven. Dat is eeuwenlang haar rol geweest. En gezonde kinderen kunnen alleen maar opgroeien uit een gezonde Aarde. Vandana Shiva is dan ook een prominent vertegenwoordigster van het eco feminisme. Ik ben het met haar eens dat lokale gemeenschappen belangrijk zijn. Van daaruit komt veel kracht. Ook in Nieuw zeeland is de gemeenschap druk bezig geweest. Het is voor elkaar: De berg Taranaki is nu een rechtspersoon. Ook hebben inheemse Maori voorgesteld om rechten aan de Whanganui Rivier toe te kennen. Zij wilden zeggenschap hebben over de visrechten in de Rivier. Overexploitatie kan nu een halt toe worden geroepen. Maar er zit nog een diepere motivatie achter. De Rivier wordt als een spirituele entiteit gezien en zij noemen deze ‘Te Awa Tupua’, dat is: ‘Rivier van heilige kracht’. De Rivier wordt gezien als een levend wezen en als een voorouder en levensbronnen voor de Maori’s. De Maori’s geloven dat hun welzijn en dat van de Rivier een en dezelfde zijn. Zij voelen er zich in hoge mate verantwoordelijk voor en ermee verbonden. Daar kunnen wij nog van leren. En natuurlijk zijn er meer succesvolle wetten gelanceerd voor de Aarde, in Bolivia, Mexico, Uganda. En dan heb ik nog niet eens alles genoemd.

Rechten geven aan de Waddenzee?

De gemeente Nord East Fryslan heeft een motie aangenomen, om rechten toe te kennen onze Waddenzee. Ook aan de universiteit in Nijenrode wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om dit uit te voeren. Miljoenen trekvogels komen er ieder jaar langs, het gebied bulkt van biodiversiteit. Het is een uniek getijdengebied, dat is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Toch wordt het bestaan ervan regelmatig bedreigd door een oprukkende economie. Een pijpleiding of kabel is belangrijker voor onze bestuurders. ze moeten nog veel leren. Want het moet en kàn anders. “Laten we ervoor zorgen dat ook toekomstige generaties van dit gebied kunnen genieten”, zegt professor Tineke Lambooy.

De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Milieuspecialist Jessica den Outer is één van hen. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Jessica den Ouden: ‘Met anderen pleit ik in een aantal artikelen voor het oprichten van een nieuwe publiekrechtelijke rechtspersoon, het Natuurschap. Een rechtspersoon is een juridische constructie, waardoor bijvoorbeeld een besloten vennootschap of een provincie rechten kan uitoefenen. Ook voor kleinschalige betrokkenheid is men bezig zich te organiseren. “Het nieuwe instituut” werkt aan een nieuwe organisatievorm, waarin mensen kunnen strijden voor niet-mensen. “Zoöp” gaat het heten. Het biedt handvaten om als gemeenschap aan het werk te gaan. Al is het maar voor een stuk braakliggende grond bij jou in de buurt. Juist plekken waar niks mee gebeurt, kunnen veel leven ontwikkelen. (Artikel uit Waag, met Klaas Kuitenbrouwer.)

Ik hoop dat dit alles iets teweeg gaat brengen. Dat wij gaandeweg met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. En dan hoef ik ook niet meer te schrijven. Dan kan iedereen het zelf meemaken. Toch? (Belangrijkste bronnen: IVN nieuws, Nijenrode nieuws, Wikipedia en Waag.)



Verhalen in de mist van tijd

.

.

Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan, aan die paal, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? (Je kunt ook luisteren naar het verhaal door de drukken op de knop onderaan.)

In mijn hangmat maak ik elke avond een deken vast, met vier touwtjes. Daar komt dan weer een schapenvacht in. Dan houd ik een warme rug, want ’s nachts kan het nog best koud worden. De volgende ochtend klauter ik er weer uit en ruim ik alles op. Ook deze ochtend is er dit ritueel, het oprollen van het dekbed, het losmaken van de touwtjes. Gisteravond was ik een touwtje kwijt. Daarom peuter ik nu een ander touwtje los. Het is een zwart koord, met een Jacobsschelp eraan. Ik heb het nog steeds vast, als ik naar buiten ga om de luiken te openen. Om één of andere reden doet het me goed, het weer in handen te hebben. Ik herinner mij de man die het me gaf, in dat piepkleine dorp aan de Waddenzee. Ik weet nog wat hij me zei: “Hier vlakbij, in St Jacobiparochie, begint de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. De pelgrims dragen deze schelp. Deze maakte ik zelf, van aardewerk. Ik geef hem aan jou. Ben jij niet ook een pelgrim?” Ik weet niet wat mijn antwoord was. Ik vond het een mooi geschenk. Ik wikkel het om mijn pols, om mijn handen vrij te hebben voor de luiken. Eenmaal buiten sta ik stil. De zon schijnt zacht door de ochtendmist, die de horizon verbergt. De sluier hangt laag boven het land, erboven wordt de lucht langzaam vaalblauw. Het belooft opnieuw een warme dag te worden.

Ik open de luiken en loop direct door, naar het Verhalenpad. Met deze mist zullen er vast veel slakken zijn. Ze houden van ontkiemde lupinen en smullen graag van de rammenas. Ik vraag me af, zouden de plantjes weten dat ik eraan kom? Zouden ze zachtjes roepen: “Kom, kom, anders ben ik al mijn blaadjes kwijt!” Ik weet het niet. Zo voelt het wel. Ik loop iets sneller, blote voeten door het bedauwde gras. Boven mijn hoofd hoor ik het geflapper van tientallen vleugels. Het zijn de houtduiven die in de wilgen de nacht door hebben gebracht. Ze zijn nog altijd bang voor mensen. Ook voor mij. Ze vliegen de Swette over, naar de akker aan de overkant en strijken neer tussen de bleke staken van de mais, die er vorig jaar stond. Ik rol mijn pyamabroek op om hem droog te houden. De lange halmen aaien mijn benen en hij wordt toch nat. Het is nog vroeg en helemaal stil. Vanzelf loop ik nu veel langzamer, om alles in me op te nemen. De boterbloemen en de donkere halmen van het bloeiende gras. De twee platgetreden paden die naar het hek leiden, een kleine en een bredere. Vroeger liep ik over het hazenpad, maar dat doe ik nu niet meer. Ik ga nu altijd over het mensenpad en heb respect voor het hunne. Vlak voor het hek vallen de paden even samen, maar daarachter gaan de dieren linksaf, terwijl ik rechtdoor ga.

Voor dat hek, daar sta ik nu. Het is een zwaar ijzeren hek, en het is altijd dicht. Ik ga eromheen, over het smalle randje beton, tussen de brandnetels door. Onder mij is de sloot en ik hoor kikkers kwaken als een koor. Je kan verschillende stemmen horen, zachte en harde. Terwijl ik daarnaar luister haal ik zonder nadenken het koord van mijn pols af. Ik hang het om de dikke paal heen, gemaakt van meerpalenhout. Zonder erbij stil te staan loop ik verder. Ik werk de hele dag door. Als ik het op de terugweg weer zie hangen, verbaast het me. De symboliek is bijna magisch. Ik heb met mezelf afgesproken dat dit Verhalenpad mij zal leiden naar mijn pelgrimstocht van de toekomst. En daar hangt hij dan,, de Jacobsschelp, als symbool van … wat eigenlijk? En Waarom? Wat zal dit mij nog meer vertellen, in de mist van de tijd? Alles wat groeit ademt toewijding aan het leven. En ik maak er deel van uit. Hier. Trouw aan mezelf. Wat er ook gebeurt.

.

.

Ik ben geboeid door het verhaal achter deze schelp. Elk nieuw pad maakt een begin van iets. De Jacobsschelp is het symbool van geboorte of wedergeboorte. In het schilderij ‘De Geboorte van Venus’ van Boticelli zie je de mooie Venus. Ze stijgt op uit een schelp, die de edele delen van het vrouwenlichaam verbeeldt. De vrouw, die het leven baart. De betekenis van de Jacobsschelp komt dus voort uit een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite. Net als zoveel andere is dit door de katholieke kerk overgenomen. Er bestaat een legende over. Om het symbool voor zijn pelgrimstocht over te nemen moest Santiago iemand terug doen komen van de dood. Hij redde een ruiter die verdronken was in zee. Toen hij terug kwam met de man in zijn armen, was Santiago overdekt met deze schelpen. Zo werd de schelp het symbool van pelgrimage naar Galicië. De symboliek bleef ook op andere manieren in de Christelijke traditie bestaan. De schelp werd de doopschelp in de kerk. De pasgeborene werd met dit water verwelkomt in het leven. Zulke krachtige symbolen gaan ver terug in de geschiedenis van onze voorouders. Des te meer iets om te koesteren.

Snakken naar de dans

.

.

“Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” (Je kan ook luisteren naar dit verhaal, zie de knop onder de tekst!)

.

Op de markt hebben ze hele mooie aardperen. Speciaal daarvoor ben ik gegaan, vandaag. Ik weet dat deze twee keer zoveel kiemkracht hebben door een speciale veredeling. Nu staat mijn fiets tegen de bagagekar geleund en ik pak de schat uit de fietstas. Het is wel twee kilo, gehuld in een bruine kartonnen zak. Het is altijd een uitstapje, om naar de markt te gaan. Je spreekt boeren en handelaren en dat vind ik inspirerend. Ik ben net thuis en loop over het platgetreden pad, door het lange gras, naar mijn landje toe. Ik zet de zak pootgoed bij het hek en kijk om me heen. Na een grijs begin is de zon gaan schijnen. Het gras is nat, maar daar heb ik geen last van, met mijn hoge laarzen aan. De regen is eindelijk weggetrokken en de hoge halmen groeien hard en de brandnetels ook. Slakken hebben zich door het vocht sterk vermenigvuldigd en ik zie ze overal lopen, tussen het plant en zaaigoed, op het kronkelpad, en op de uitgetrokken bergen brandnetels en gras. Drie keer per dag ga ik overal langs om ze te vangen en bij de sloot weer uit te zetten. Ik weet nu waar ze vandaan komen. Onder de brandnetels groeit mos. Als je dat wegtrekt zie je witte glazige bolletjes. Ze lijken precies op de bolletjes die vroeger in de vullingen van onze vulpen zaten. We spaarden ze. Daarvoor moest je veel geduld hebben, want zo’n pen is niet zomaar leeg. Dit zijn er veel meer! Daar komen straks ontelbaar veel slakjes uit. Ik scheur een lap mos weg en ontdek nog zo’n kunstig bouwwerk van glazen bolletjes. Met mijn handen schep een hap grond weg inclusief het nageslacht van de slak. Dan gooi ik het ver weg, het veld in.

Op dat moment zie ik iemand bij het hek. Een bekende gast, al weet ik haar naam niet. Ze zwaait uitbundig en ik loop naar haar toe. “Héé hoe is het! Ja, wij zijn op vakantie, eindelijk kan het weer eens, het wordt prachtig weer hè?” Ik kijk naar hun camper, die verderop achter de bosjes staat. Ze vertelt verder. “Ik geloof dat ik alles series op Netflix zowat gezien heb, in het afgelopen jaar. Ik ben blij dat we dadelijk weer vrij onze gang kunnen gaan. Weg van het beeldscherm! En ga jij ook nog ergens heen? Friesland verkennen?” “Ik ben waar ik ben,” zeg ik vastbesloten. Ik wil haar meer zeggen, een blijk van herkenning geven, of een hart onder de riem. Ik zoek naar woorden. ,Ik begrijp je denk ik wel,” zeg ik haar. “Ik voel het ook trekken. Van de week keek ik voor het eerst sinds lange tijd naar een film. De landschappen waren geweldig. Toen het afgelopen was ervoer ik het contrast. Wat stelt het gewone leven nou eigenlijk voor, dacht ik. Slakken rapen en brandnetels wieden. Het duurt zo lang voor het paradijs er is, dat ik voor me zie! Het groeit traag en met tal van obstakels. In die film was alles er al. Met muziek en al. Heerlijk. Het is zo verleidelijk om daarin te vluchten!” Ik stop met praten. Ze kijkt me aan, in afwachting of ik nog meer ga zeggen. Haar donkere krullen wapperen in de lichte bries, die er hier bijna altijd is, in dit open weideland. “En jij?” vraag ik. Ze kijkt me verward aan. “Wat bedoel je?” Ik zoek naar woorden. “Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” Die vraag komt onverwacht. Peinzend leunt ze over het stalen hek heen en staart in de sloot ernaast. Een kikker kwaakt kneuterig voor zich uit, maar ik zie hem niet.”Ik weet het niet,” zegt ze. “Ik zou ook wel willen blijven waar ik ben. Net als jij. Heel geduldig. Maar mijn wereld is zo klein en er is zo weinig natuur. We snakken ernaar. En naar muziek en dansen op het strand. Het lijkt allemaal zo lang geleden!” Ik kijk haar aan. “Er zullen velen zijn zoals jij. Het duurt lang. Het leven is ingewikkeld geworden. De problemen zijn nog lang niet voorbij. Maar we zullen zien wat het ons brengt. Ik houd me in elk geval bij mijn voornemen.” Ze knikt bevestigend. “Ik wens je veel succes. Ik hoop dat ik dat ook kan, op een dag.” Ze is even stil en gaat dan verder. “Zullen we op een dag écht iets te vieren hebben? Dansend op het strand? Een dag dat alles goed is?” vraagt ze me en gaat door, zonder het antwoord af te wachten. “Ik hoop het,” zegt ze zacht. De kikker kwaakt hard terug, als een plechtig “Amen.”

.

Luister hier naar het verhaal.

.

.

Het leven dichtbij huis hoeft niet saai te zijn. Madelon Oostwoud laat zien wat een weelde aan eetbare planten je kan laten groeien in slechts een kleine stadstuin.

Leven dat groeit onder je voeten.

.