Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Knipoog van een zielsverwant

.

.

Midden in het stadje Loenen
ligt een zwaar verwaarloosd park
fruit ligt er te rotten
en een breed tapijt aan riet en netels
wint het van de bloemen

Maar tussen opgeschoten vlier
werkt een vrouw zo onvermoeibaar
en elke zondag klinkt haar stem
vertelt zij haar verhalen daar
aan wie dan ook, een mens of dier

Haar handen zijn nu vuil en hard
van het trekken aan het riet
Ze werkt en werkt maar door
of iemand het nou ziet of niet
en legt het mooiste zaad apart.

Kom kijken roept ze menigmaal
Maar bleek van vermoeidheid
of blind door ambitie
loopt mens na mens voorbij.
Ze spreken een andere taal.

Er komt een jonge kunstenares
Zo prachtig wat je doet zegt ze
elke dag zie ik het groeien
wat een bloesems laat jij bloeien
hier houd ik mijn schilderles!

Een ambtenaar komt controleren
of het park wel mag bestaan
ze hangt net in een perenboom
om een nestkast op te hangen
Hij kijkt haar heel belangrijk aan

Diversiteit is hier van groot belang
dat staat in al mijn boeken
Nu ik weet dat u hier bent
Maak ik er notitie van
Die zaak van u krijgt absoluut
boven alles voorrang!

Er komt een oude hovenier
hij pakt haar vuile hand en zegt
Jij begrijpt het, de anderen niet
Ik wil je zeggen het ligt niet aan jou
Voor mij ben jij de mooiste hier!

Ze staart hem na terwijl hij wegloopt
als een stille zielsverwant
hij weet haar ogen in zijn rug
en droomt hetzelfde wat zij hoopt.

Van tientallen voeten in aarde
en duizenden bloeiende bloemen

Dan kijkt hij om
en knipoogt.

Kwikstaartjes en slangenkruid

.

.

 

Achter het glas van mijn windscherm zit een jonge kwikstaart. Ik ken hem. Ik kijk al weken naar hem, sinds hij met zijn ouders hier verscheen. Nu is hij alleen. Zijn lange staart wipt op en neer en hij hapt net zo kwiek naar een vliegje als een volwassen exemplaar. De kwikstaart is nu groot genoeg om zichzelf te redden. Zijn ouders zie ik nergens meer. Als ze er waren zou ik ze zien. Ze zijn duidelijk te herkennen aan het zwarte kapje op hun hoofd, het kapje, dat nog zwarter lijkt door de witte omlijsting eronder, net als de kleren van een non. De jonge vogel heeft nog geen kapje, hij is grauw gekleed, als een novice uit vervlogen tijden. Ik herken de vogel aan zijn lange wippende staart, die de wereld toe lijkt te lachen.

Hij heeft een mooi plekje daar, uit de wind, achter het glas. Het geeft een heerlijke beschutting, zo’n glazen windscherm. Maar zelf heb ik er vandaag minder aan. De wind komt uit het westen. Aan de westkant is op dit moment nog niks. Het windscherm houdt daar op en waar de betonplaten eindigen, begint de uitgestrekte grasvlakte, waar de  westenwind zijn kracht ongestoord kan verdubbelen.

Dus ik sta nu in de wind met mijn kleine huis, de wielen op het beton, terwijl het kwikstaartje aan de luwe oostkant van het glas naar vliegjes hapt. Er staat een stapelmuurtje van oude stenen, waar ook insecten kunnen schuilen. Tussen de droge restanten van het koolzaad, naast een parmantig berkje, heb ik diverse soorten munt laten groeien en citroenmelisse. Er staat een grote pot met Slangenkruid vol paarse bloemen. In dat windstille hoekje komen vaak dieren langs, vogels, hommels en soms een kip. De kat komt er ook graag. Ze lopen daarna het hele terrein over. Het stekelige zaad van het Slangenkruid nemen ze mee in vacht of veren. Langs alle paden van ons terrein zie ik de bladrosetten terug, die plant in het eerste jaar maakt. Ik kijk er naar met veel plezier. Nu krijgen we volgend jaar overal blauwpaarse bloemen, wekenlang!
Slangenkruid groeit eigenlijk op zand, en houdt van droge plekken. En droog was het, deze zomer! Misschien heeft hij het daarom zo naar de zin nu, op de kleigrond, langs het wat zanderige pad. De voorspelling is, dat we vaker lange en droge periodes krijgen. Dat zet veel mensen aan het denken. Deze zomer alleen al heeft grote gevolgen. Het kan jaren duren voor de schade in de natuur zich herstelt, zeggen ze. Maar dan vraag ik me af, wat gebeurt er als het vaker gebeurt? En als het weer drastisch verandert? Misschien is dit wel een voorbeeld, hoe leeg gevallen plekken zich kunnen vullen met nieuw leven, zo als deze prachtige paarse bloem, die zo  onverwacht opduikt. Wellicht zijn er meer soorten, die in de naden van het bestaan hun mogelijkheden verkennen.

Alles verandert. Na de leegte komt vervulling. Beweging is eindeloos. Dit te weten, dat vult mij met vertrouwen, maar ook met veel nieuwsgierigheid!

.

Ik maakte een filmpje over de terugkeer van het water.

.

De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.

Een spannende beslissing

.

Het beeld daagt op  wat mogelijk is….

.

Het is maandag 2 juli. Vandaag komen de mannen het windscherm plaatsen. Ik zit met de andere vrouwen met koffie de dag door te nemen, als Marin roept: “Je mannen komen er aan Alowieke!” José kijkt verheugd op. “O mànnen?” Ik lach. “Ja, de mannen voor het windscherm.” Tegelijkertijd schiet ik omhoog en vlieg op een holletje naar de deur. Oscar de hond springt ook op en wil enthousiast mee rennen. “Rustig Alowieke, voor Oscar,” zegt Irma. Overdreven traag loop ik door. De vrouwen praten verder en ik leid de mannen het pad over, naar de plek waar mijn huisje staat.

Mijn huisje staat nu verderop, ik heb gisteren al mijn spullen weggehaald en daarna heb ik met Elbrecht mijn woonwagen naar achteren gereden. Hij staat nu vlak bij de caravan van Anna, waar we kortgeleden dat heerlijke modderbad hadden. “O, heb je het voor ons vrijgemaakt? Wat leuk!” De mannen kijken verrast naar alle ruimte om hen heen. We nemen nog even kort door waar de laatste palen moeten komen. Er zijn weinig woorden nodig. Ze weten precies wat ze moeten doen en gaan ijverig aan de slag.

Even later zit ik met een kop koffie naar de bedrijvigheid te kijken. Het houten bordes is opgewarmd door de zomerzon. De zon stijgt al hoger en als die stevige bries er niet was, zou het warm zijn. Op het zandpad, dat verder het land in leidt, staat hun busje met een aanhanger erachter. Op de aanhanger staan de eerste ruiten en liggen de zeeblauwe palen en de aggregaat. Maar het is het busje wat mijn aandacht trekt. “Vriesia tuinkamers” staat er op, met een foto. Het is een soort tuinhuis met een dak erop. Hé, denk ik, zouden ze er bij mij ook een kap overheen kunnen maken? Ik heb eerder al het plan gehad om een kas te laten bouwen en daar mijn huisje in te zetten. Dat idee strandde. Ik kon er geen eentje vinden waar mijn woonwagen in paste. Er zat bij alle kassen een balk, die in de weg zat. Of ik zou een tunnel moeten kiezen, of een geodetische koepel. Dat wilde ik niet. Al dat plastic en rubber wat je daarbij nodig hebt, daar moet ik niet veel van hebben.

Ik zie hoe de mannen naar hun busje lopen om koffie te drinken. Ik besluit erheen te lopen om het te vragen, of het ook kan, zo’n glazen dak erop.
Ze kijken me verbaasd aan. “Ja hoor, dat kan best. Ze staan op vier palen. Voor de ruimte die jij wilt bedekken zal je er drie of vier stuks voor nodig hebben. Doe ze dan overdwars, dan krijg je in de lengterichting twee mooie golven.” Ik vraag de mannen precies hoe dat dan moet en knik als het genoeg is. Dan ga ik een beetje verbijsterd op een stoel zitten om deze onverwachte informatie te verwerken. Wat ga ik nu doen? Ik besef het in enkele seconden. Dit lijkt een oplossing te zijn voor alles. Het dak van het podium, de verschillende ontwerpen waar ik niet tevreden over was. Daar hoef ik mijn hoofd dan niet meer over te breken. Met één groot dak wordt het een deel van de rest en dat is nog veel mooier!
En wat biedt het nog meer? Ik zal een droge buitenruimte hebben om te leven en planten te laten ontkiemen. Een lichte concertzaal, midden in de natuur om naar muziek te luisteren. Ik kan alles zo vormgeven, dat het één sprookjesachtig geheel wordt, de overkapping, de uitkijktoren, waarvan het dakje en de palen al klaarliggen. Ik kan dezelfde vormen terug laten komen in het podium. En dan is er nog mijn allerliefste wagenhuisje. Wat zal het er mooi in staan en wat een fijn plekje is het dan. Het zal wat kosten en het is nog veel werk. Maar O, als het af is! Het zal een aanwinst zijn… Ik hou mijn adem in. Zal ik het doen?

.

.

Stormdans op het naakte koord

.

.

Daar sta ik dan. Voor het raam, met voor me een uitgestrekt tapijt van wuivend raaigras. Hoewel het zomer is, brandt de kachel. Het is dagenlang mooi weer geweest maar nu is de lucht loodgrijs. Ik draai me om en kijk door het andere raam. Een keiharde noordwestenwind waait woest door de takken van de grote populieren en wilgenbomen, die naast de boerderij staan. Er zijn windvlagen van windkracht tien, die mijn raamkristallen zo heen en weer doen zwaaien, dat ze tegen het raam aan botsen. Een huisvlieg schrikt op en zoekt een rustig plekje op het plafond, boven de kachel. Ik had mijn huisje net zo goed op de dijk aan de kust neer kunnen zetten, zo hard waait het. En ik wist het. Ik wist dat het zo zou gaan en ik wilde het. Ik wilde hier staan. Zelfs de kleuren van mijn huisje kloppen met de plek waar ik nu sta.

Ik hoor een harde bons en gerinkel van glas. Ik kijk uit het raam en zie dat mijn minikeuken is omgewaaid. Een pot met gedroogde bonen ligt in scherven op het beton.
Ach, ik ruim het straks wel op.

Die nacht slaap ik slecht. Ik heb mijn huis nog niet vast op de stapel stoeptegels gezet en word flink heen en weer geschud. Bij hele harde vlagen hoor ik een bonk onder de vloer en ik voel een lichte trilling door mijn matras heen gaan. Ik ga drie keer naar buiten om te kijken wat het is. Ik verplaats een plank en een kist met hout. Het helpt niet. Als het licht wordt eet ik een paar happen havermout. Daarna val ik moe in slaap.

De volgende dag is de wind al een stuk minder. Ik laat de wind door mijn haren waaien en lach naar een doorbrekende zonnestraal. Straks waait de wind niet meer door mijn haar.  Het wordt helemaal anders. Er komt een volglazen windscherm met acht millimeter veiligheidsglas, in een U vorm om mijn huisje heen. Alleen de westkant is nog open, daar komt iets anders. Het scherm wordt vastgezet in het beton met een soort van superlijm. Het is één meter zeventig hoog, dus mijn kruintje blijft net precies uit de wind.

Ik loop langs een perk bij de boerderij, omringd met oude rode stenen. Na één dag storm hebben veel planten dorre bruine rafelranden gekregen door de meedogenloze zweep van de wind. Zelfs een bosje oersterke brandnetels heeft er onder geleden! Ik besef opnieuw hoe belangrijk de luwte is, voor leven op aarde.
Hier op het terrein zullen veel planten profijt hebben van mijn glazen scherm. Maar we doen meer. Er zijn al heuvels, takkenwallen en een paar muurtjes. We gaan er nog veel meer maken, kleine fijne plekjes waar het goed toeven is. Daar kan alles uitbundig gaan groeien.

Ik loop over de betonplaat terug naar mijn huisje. Dit is de westkant. Aan deze kant ga ik zelf een windkering maken, gemaakt van dikke bamboepanelen en stevige palen die een meter de grond in gaan, dwars door het beton heen. Ze komen schuin te staan, zodat de wind er niet keihard tegenaan ramt, maar er langs glijdt. Er komt een rond dak op. Ik wil het zo maken, dat de wind er moeilijk vat op krijgt. Dan kan ik het een heel stuk hoger maken dan 170 cm. Eronder zal ik een podium bouwen. Wat wordt dat een heerlijk plekje! Ik zal er ontbijten en er kunnen mensen logeren. We zullen er muziek maken en praten over de wereld. Achter het glas in de zon zal ik over de winderige vlakte uit kijken. En wie weet wat er nog meer mogelijk is….

Volgende week komen de mannen het neerzetten. Wat zal dat anders zijn! Straks ben ik als een goudvis in het aquarium. Haha.

.

.

Podiumontwerp met veertien palen die de grond in gaan. Tussen de vier bamboepanelen (1800 x 900 x 75 mm) aan de achterkant, tussen de twee palen, zit plexiglas (250 mm) dat bij Oostenwind er uit te schuiven is, zodat de wind het bouwwerk niet omhoog blaast. Als eerst de achterkant maar staat, dan kan ik al lekker werken in de luwte.

 

 

Ik zag hoe Frijlân groeien kan

.

Voeten in aarde

en bergen

verzetten

 

.

.

.

Ik sta met mijn fiets in de hand naast mijn woonwagen op Frijlân. Vandaag ga ik Martijn bezoeken op zijn volkstuin in Amsterdam. Hoe kort geleden lijkt het nog, dat hij langs kwam fietsen in Brabant, vlak voor ik naar Friesland verkaste! Ik wil hem bezoeken in het tuinhuis waar hij woont, in Amsterdam. Ik ben benieuwd naar die plek.

Ik kijk om me heen. Het erf van de boerderij is gehuld in een diepe stilte. De ochtendzon schijnt warm op het grote veld en het gele koolzaad staat te stralen in het vroege licht. Ik loop met mijn fiets naar de oprijlaan. De betonplaten zijn schoon en droog. Dat is fijn voor mijn nette schoenen. Ik heb me mooi aangekleed en ook mijn nieuwe engelse hoedje opgezet.
Aan de overkant van het pad zie ik mijn buurvrouw, Elbrecht. Ze zit met haar hoofd in het kippenhok. De kippen lopen verderop en pikken in de aarde. Ze trekt haar hoofd weer uit het hok en kijkt bedenkelijk. Ze ziet me niet. Ik glimlach en roep haar geen ochtendgroet toe, zoals anders. Vandaag is de maandelijkse retraite. Voor één dag zeggen we niks tegen elkaar.

Even verderop kom ik langs de gezamenlijke keuken. De oude monumentale koeienstal is koel en donker, een toevluchtsoord op warme dagen als deze. Vanuit de keuken hoor ik gepraat. Het zijn de jongeren onder ons, die kennelijk toch nog even iets kwijt willen. Als ik een stukje verderop langs de open deur rijd is het alweer stil. Marin steekt zwijgend haar hand naar me op.

Amsterdam is druk en warm. Ik vraag drie keer de weg naar lijn 33, maar niemand begrijpt me. Het zijn allemaal buitenlanders. De vierde die ik aanspreek is een oude man. Eindelijk een echte Amsterdammer. Ik moet naar boven, wijst hij. Daar zijn nu de bussen. Alles is anders sinds de verbouwing. Ik vind de bus, die onder het IJ doorgaat. Ik neem de eerste halte na de tunnel, precies zoals Martijn mij vertelde.

Het tuinenpark Buitenzorg bestaat al honderd jaar. Het is opgezet om arme arbeiders van dagelijks voedsel te voorzien. Nu is het een dicht beboste strook, die aan het IJ ligt, vlak naast een fantasieloos bedrijventerrein. In het hek zit een kleine doorgang. Het lijkt een zij-ingang te zijn. Net als ik me afvraag hoe ik binnenkom, zie ik een man met een kruiwagen. Hij komt dichterbij en kijkt me stomverbaasd aan. “Ik had een afspraak met Martijn,” zeg ik en op het moment dat ik het zeg herken ik hem. Zijn verbazing maakt plaats voor een blij verraste blik. “Wat toevallig dat ik hier net loop! Dit is de achteringang. Ik herkende je niet met dat hoedje!”

Martijn heeft verse muntthee. Ik geniet van de opwekkende dampen en van de oude balken en deuren waarmee hij zijn huisje heeft getimmerd. Aan grote haken hangen scharnieren en gereedschap. Ik zie bakjes met schroeven, alles netjes gesorteerd, het huis van een handige tuinman.
“We hadden een stiltedag op de boerderij vandaag,” vertel ik. Martijn haalt zijn wenkbrauwen op. “O? Dat doen ze in kloosters ook. Het is niks voor mij, veel te zweverig.”
“Ik vind het helemaal niet zweverig”, zeg ik, “ juist fijn. Dan kan ik lekker doorwerken en verhalen en gedichten komen ook veel makkelijker uit mijn vingers.”

De schrijver die dit park zo’n eigenwijze stempel gaf, is Simon Vinkenoog. We lopen over het poëziepad en ik lees gedichten van deze markante man. Martijn heeft mooie kastjes voor de teksten getimmerd, met glas erin. We bewonderen rozenstruiken, klimhortensia en bomen van tientallen jaren oud. Ik kijk mijn ogen uit en ruik aan alle bloemen waarin ik een hommeltje zie.

De volgende dag groet ik Martijn en bedank hem voor alles. Ik loop terug over het dicht begroeide pad. Het is lang en op de stoeptegels hebben al vele voeten gelopen. Ik hoop dat er nog veel meer van dit soort plekken komen. Parken, boerderijen en stadstuinen, Plekken die honderd jaar met rust gelaten worden of langer nog. Een thuis voor mensen, dieren en alles wat erop leeft. Hier mag alles zijn wat het is. Ik zag hoe Frijlân groeien kan. Wat een prachtige dag!

.

.

Ps. De handtekening bovenaan mijn blog, heb ik gekopieerd uit de later bijgeplaatste foto. Ik hoop dat weduwe Edith Ringnalda het goed vindt. Ik zag haar nog zitten met vier mensen. Haar lange grijze krullen glansden in de zon.

Lees hier over de laatste keer van Edith en Simon in het tuinhuisje

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

Een feestelijke opening

.

Het schilderij is op tijd afgekomen, na drie dagen hard werken.

.

De grote zware plaat staat schuin tegen de schuurdeur aan. Na een grijze ochtend is de zon gaan schijnen. Fijn, dan droogt de verf lekker snel. Ik doop mijn kwast in de pot groene zijdemat. Ik maak een Artist Impression van Frijlân in vogelvlucht. Voor de dag om is, wil ik de eerste laag er op hebben. Zorgvuldig zet ik het perspectief uit.
Net als ik tevreden de lijnen bekijk, zie ik drie jongens het erf op lopen. Twee magere blonde en een dikke donkere, die mij in de verte doet denken aan een Chileen die ik ooit kende. Ik hoor het klikken van blikjes die worden opengetrokken en ik zie ze een sjekkie opsteken. Vanuit de verte groet ik, en leg rustig de kwast terug. Na even te hebben gewacht, loop ik naar ze toe.
“Komen jullie om hier te kijken?” vraag ik. “Ja, we zochten een rustig plekje,” zegt de één. Ik moet lachen. “Nou, het is hier niet zo rustig als het lijkt, over twee dagen is hier een opening. We moeten nog van alles af zien te krijgen.” De donkere jongen vraagt wat er hier gaat gebeuren. Ik vertel dat er bedrijfjes komen en dat er onderzoek wordt gedaan naar andere manieren van leven met de natuur. Ik vertel dat er ook scholen aan meedoen.
De jongens zetten grote ogen op. “Goh, dat had ik niet gedacht. Het was hier altijd een bende. Er stond ook nog een woonhuis met een gat in het dak.”
“Ja dat is als eerste gesloopt,” zeg ik.
“Heb je die bank nog gezien?” vraagt de Chileen, “Die was van mij. Ik ben zwerver. Ik sliep er op.”
“Nee die heb ik niet gezien. Ik ben later gekomen. Maar ik moet weer verder, ik wil het schilderij overmorgen af hebben.” Ik kijk ze alle drie aan en ze knikken rustig. “Erg leuk om je gesproken te hebben,” zeg ik en ik kijk hem lachend aan, ” als vorige bewoner ben je toch ook een stukje van de geschiedenis van deze plek, niet waar?” Hij glimt.
Ik zeg ze dat ze rustig hun sjekkie op kunnen roken, maar dat ze dan toch een ander stekkie moeten gaan zoeken. Ze knikken en lopen dan meteen maar op hun dooie akkertje terug naar het hek. Ik keer terug naar mijn kwast. Nog twee dagen …. en dan is het!

.

DE OPENING

Jamilla Faber zingt haar lenteliedjesshow. De voorste meisjes  zijn vast heel erg onder de indruk. Ze zingt nu over verliefdheid.

 

.

 

De vrijwilligers van het Bijenlint in Leeuwarden hebben voor elk kind een vak uitgezet om bijenbloemen in te zaaien. Het veld is pas de dag ervoor klaargekomen en geëgaliseerd door de jongens van de WMR. Achter de bloemenwei is een vijver. Dat is vlak naast waar mijn huisje komt.

 

.

De bijenbloemenvrouw en een meisje. Zelf zijn ze net zo kleurrijk als het spoor dat ze achter laten.

.

 

Kluiten gooien vanaf de grote bergen met klei, dat is keileuk. Wedstrijdje wie het verst komt. Morgen worden de bergen verwerkt in een ander deel van het landje.

.

De meiden gooien nog fanatieker. Zien ze me?

 

.

Irma, de eerste initiatiefneemster van het project, luistert tussen het publiek naar poëzie.  Schrijvers dragen hun gedichten voor bij het planten van de boom.

 

.

Wat kan die vrouw spreken!

 

.

Marin, medebewoonster, heeft heerlijke veganistische hapjes gemaakt. Zij heeft ook een website, “Groene avonturen.”

 

.

Elbrecht, ook een medebewoonster.

 

.

Verhalen in de oude koeienstal, een indrukwekkend monument.

 

.

Passerende mensen voor een kapot raam in de kleine schuur.

 

.

Het vertrek van de kinderen.

 

.

Voor alles is opgeknapt, is het verval vol onverwachte wonderen. Een net, een deurpost en een muur met craquelé, erachter.

 

De opening is voorbij. Ik ben terug in Brabant. De uitgestrekte groene weides hebben plaatsgemaakt voor bossen. Hanen kraaien, de bloesems bloeien en een waas van allerlei kleuren groen tooit het land. Frijlân is een fijne plek, in het verre Friesland. Maar die waas van groen, die mis ik er. Ik wil ervoor zorgen dat het gaat groeien, de groene sluier van de lente, die almaar wijder wordt en hoger zal rijken, hoger, de hemel in, het diepe blauw van de lentelucht, als coulissen tussen de bloemrijke weides. Zo zie ik het voor me. Zo zal het zijn, ooit.