Een poëtisch verhaal dat waait met de winden mee en eindigt met je voeten in de klei.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
De ene bui na de andere valt uit de lucht en spoelt herinneringen weg. De warme dagen, de droogte, de eindeloze zon. Het korte geheugen van ons mensen steekt scherp af bij dat van de aarde. Diep gaat haar stille zijn, laag na laag herinnert zij zich. De bergen brengen verhalen omhoog. Achter elke hoek schuilt een nieuwe rotsformatie, heel langzaam uit de planeet geperst, terwijl de elementen van tijd het verder boetseren. Wind, water in een eeuwig spel, de wonderlijkste vormen maken zij: gaten, kloven, ronde toppen waar trollen wonen. In de lage landen is het de zee, die heerst over wat blijft en gaat. Ze trekt aan oevers en aan menselijk bezit, om het mee te nemen de diepe valleien in van schemerig water, verder nog, tot waar alles donker is en slechts enkele wezens nog kunnen leven.. Langzaam laten we steeds meer zinken. Schepen, schoenen, de ring van een geliefde, verloren bij het zwemmen. De aarde en haar elementen, ze stuwt omhoog, ze trekt omlaag. Water verdampt en valt neer op velden vol graan. Herinner je de regen, het voedsel dat je gisteren nog at. Herinner je de elementen, de wildernis van alledag. Vroeg opstaan als er nog geen mens te zien is en de dag nog jong. Elke ochtend draagt weer nieuwe mogelijkheden in zich, tot de zon naar het hoogste punt stijgt en dan weer langzaam daalt. Elke dag ontwaak je als een kind en wordt ouder als de schemering nadert en je naar je bed verlangt. Het afscheid van de dag. Dan komt het duister. Het duister heeft zijn eigen muziek. Elk geluid is een beweging. Langzaam vallen je ogen dicht. Gedachten bewegen als vogels in de wind. Andere gedachten zijn als bomen, die wachten op de vogels. Zo krijgen de dingen hun plek. Je hoort de meeuwen en ganzen overtrekken en valt bij dat geluid in slaap. Je wordt wakker en staat met een paar passen op de klei van een oude zeebodem. De horizon strekt zich uit tot daar, waar de zee is en het strand, dat groeit en krimpt en groeit en krimpt. Water, eeuwig in beweging. De hele wereld over. En hier sta jij en zorgt voor wat er is.
.
Aan het einde van het verhaal volgt nog een lied. Het duurt acht minuten in totaal.
Jij bent daar, ik ben hier. Elke plek vraagt om eigen oplossingen, elke generatie zorgt op eigen wijze voor wat nodig is. Zo verandert alles, en is er altijd hoop.
Walnootboom die maar twee meter hoog wordt, goed in zo’n open vlakte.
Liever luisteren? KLik op de knop onderaan de tekst.
Vanuit de Swette stroomt het water de sloten in en bevochtigt het land. Vaak staat het water hoog, tot vlak onder de steiger. Dat moet ook, de grondwaterstand in het noorden van Friesland is tien centimeter lager dan eigenlijk zou moeten. Gelukkig hebben we het IJsselmeer, dat is nog vol genoeg. In 2018 was dat anders, toen begon onze grote regenton brak te worden, zo laag stond het water. De invloed van de zee gaat immers altijd door, en dat merken we steeds meer. Maar daar ga ik het nu even niet over hebben. Genietend kijk ik naar de volle sloot die langs de bult loopt. De sloot en de bult. Dat lange eind, waar nu zoveel bomen en struiken groeien. Door mij! Ik verwonder me over het Verhalenpad dat steeds weer dicht groeit van alle verhalen die over elkaar heen slingeren. En ik selecteer wat doorgaat en wat wordt geknot. Midden op de dag, als de zon hoog aan de hemel staat, hoor je water lopen, onder de gelderse roos een donkere poel in. Daar, in de schaduw komt de tuinslang uit in een kuil. ’s Nachts staat die kuil droog, overdag stroomt hij weer vol. Er huppelen kikkertjes naast, de grond rondom is zompig. Alles wat groeit uit die zompige grond is groot. Een bos wilgenroosjes torent als een roze boeket uit boven de wei. De rand van mijn bosje tekent zich duidelijk af. Het gras verderop in het weiland groeit nauwelijks, maar mijn bomen groeien door. Af en toe kom ik er om te snoeien en om het weer begaanbaar te maken. De rietzangers zijn weg. De eerste noten rijpen. De bessen die er groeien zijn sappig en smaakvol, de bloemen bloeien lang en vol. Er is volop zon en er is water uit de sloot . De drijvende pomp inclusief zonnepaneel werkt. Hier kan dat. Elders niet meer, daar wordt gewerkt aan andere oplossingen. Maar dit is het land waarin ik werk. De bomen zijn groen en vol. Dat is waarover ik schrijf. Over de mogelijkheden die er zijn, altijd weer en op elke plek anders. Eigenlijk is de menselijke geest net zoiets als de bodem. Als het teveel uitdroogt neemt het geen vocht meer op, dan loopt alles weg. Een mens kan ook teveel uitdrogen, dan is elke sprankeling verdwenen. Dan knijpen de lippen stijf op elkaar en hoopvolle woorden worden met wantrouwen bekeken. Het is allemaal even erg, niets kan nog goed zijn en de mensen hebben allemaal hun ogen dicht en straks vergaat de wereld. Dat geloof ik dus niet. Er is echt wel iets gaande. Mijn buurman, die vanuit zijn beroep veel mensen spreekt over het landschapsbeleid, zegt dat er een omslag bezig is. Het is de oudere generatie die stukje bij beetje het roer moet overgeven. De jongeren hebben een andere blik op de zaak, straks is het hun beurt. Het duurt een tijd voor de bomen die je plant een echt bos zijn. Dezelfde tijd kost het om veranderingen door te voeren. Als water vloeit het de diepe bodem in. Heel langzaam. De heilige traagheid der dingen zal nieuw leven brengen.
.
Op de voorgrond mijn eerste echte moestuin met rijtjes snijbiet en pompoenen, erachter zie je de kopse kant van het Verhalenpad met rechts het riet en de sloot.
Biodiversiteit in onze weilanden en hoe we daarmee omgaan. De uitgestrekte vlaktes rondom. De Friese greide en de kruidenrijke wei van onze boer. Dagelijks ben ik aan het werk op het land van de Swetteblom, voor meer biodiversiteit en om waarnemingen te doen. Tegelijk denk ik na over hoe het beleid geregeld is, en steeds weer verandert. Maar werkt het ook?
Gefaseerd maaien geeft meer biodiversiteit.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Dit verhaal gaat over biodiversiteit in onze weilanden en hoe we daarmee omgaan. De uitgestrekte vlaktes rondom mijn Verhalenpad. De Friese greide. Dagelijks ben ik aan het werk op het land van de Swetteblom, voor biodiversiteit en om waarnemingen te doen. Sinds november 2020 ben ik hier neergestreken, en heb intussen 800 bomen en struiken geplant. Nu is het tijd om vaker te gaan uittekenen en beschrijven wat we hier zien en ruiken, het liefst met een groepje. De eerste heeft zich al gemeld! Kennis van de natuur kun je opdoen in boeken en op internet. Maar om er echt iets aan te hebben is regelmatige thuisstudie belangrijk. Ik kijk niet alleen naar insecten, maar ook naar andere dingen, want uiteindelijk heeft alles met elkaar te maken. Zo zag ik tijdens een kleine rondgang niet alleen distelvlinders, dagpauwogen, kleine vosjes, kleine vuurvlinders, keizersvliegen, reuzelibellen en een icarusblauwtje, ook sprong er een enorme bolle kikker weg, met een azuurblauwe glans op zijn rug! Wauw! Wat was dat nou? Er gebeurt zoveel, zonder dat je het weet!
Omdat het nodig is denk ik ook na over zaken op macro niveau, zoals subsidies. De boer krijgt dit jaar subsidie voor weidevogels, dat betekent dat er pas half juni mag worden gemaaid. Dat was dit jaar voor het eerst. Anders maaide de boer gefaseerd, eerst het ene stuk, dan het andere. Nu gaat alles in een keer en ook nog aan het einde van de lente, wanneer de meest opgetogen groei eruit is. Dat is dus ook vlak voor de bloei van onder meer wikke, rolklaver en veldlathyrus, die hier heel veel groeien in het veld. De zoete geur van hooi komt van die kruidige bloemen. Maar nu ze vlak voor de bloei gemaaid zijn, zijn ze maar heel magertjes teruggekomen. En als dat volgend jaar weer gebeurt kan dat ronduit een ontmoedigingsbeleid worden voor dergelijke kruiden. Er zullen natuurlijk andere planten gaan domineren, er is nog steeds witte klaver en de akkerdistelvelden groeien met rasse schreden. Dat komt ook door de droogte. Distels hebben daar geen moeite mee, maar andere planten wel, dus komt er steeds meer ruimte voor ze. Natuurlijk is het een waardevolle plant, die distel. Maar er zijn weinig dieren die ze eten en dan nemen ze al gauw een heel weiland in beslag met zijn allen. En we willen graag biodiversiteit. Zonde dus, als die andere planten dan ook nog extra op hun kop krijgen door ze vlak voor de bloei kort en klein te maken. Nieuw beleid is niet altijd beter. We zouden daar beter naar moeten kijken. We willen dolgraag de boeren helpen met gezond te boeren. Als de boer er goed mee verdient is de keus snel gemaakt. Maar wat is reëel? Komen hier dan inderdaad meer weidevogels? De boer zelf heeft gewoon het geld nodig, zoals elke boer. Hij zegt al snel ja. Er zijn steeds meer stijgende kosten voor boeren. Het zijn beleidsmakers die goed moeten weten waar ze aan beginnen. Natuur in de Friese weiden houdt meer in dan alleen weidevogels. Er zijn ook bloemen, kruiden en insecten. Ik denk dat dit als geheel beter onderzocht moet worden. Moeten we alleen maar denken aan weidevogels, overal en altijd, zonder het geheel te zien en ten koste van andere zaken?
Nu heb ik gehoord dat er volgend jaar veel meer soorten subsidie komen, een boer kan daardoor stapelsubsidies krijgen, voor greppels, vogels en meer, waardoor een stuk land veel opbrengt. Ik weet niet in detail welke thema’s dat zijn, maar ik hoop dat er goed naar wordt gekeken of sommige zaken niet tegenstrijdig zijn door de verplichting om bijvoorbeeld het hele gebied op één bepaald moment te maaien. Gefaseerd maaien en goed kijken waar en wanneer, dat is voor de plantenrijkdom veel beter weten we immers. Dat is ook wat de boer hier deed. Ook voor hemzelf was het ook minder belastend, af en toe een stukje houd je beter vol dan de hele boel tegelijk. En dan toch. Was dit niet goed? Ik ben geen beleidsmaker, geen boer, maar sta hier elke dag te werken en kijk.
Mijn stukje grond is maar klein, vergeleken bij die grote vlaktes. Maar toch moet je het niet onderschatten, qua natuurwaarde. Ik beheer hier 2000 m2 grond. Daar zitten nu steeds meer vlinders en vogels. Ik zou van de velden liever een vlinderparadijs maken dan te wachten op weidevogels, die toch evengoed wel eens langs komen wippen. Elke vogel wordt nu opeens met gejuich begroet, maar de boer zegt dat hij nog geen verschil ziet met andere jaren. Toen kwamen ze ook wel eens langs. Ze komen alleen nooit broeden, dat doen ze ergens anders. Moeten we dat nu uit alle macht willen? Elke plek heeft zijn eigen kwaliteiten. En ik doe mijn best als vrijwilliger, sober levend van mijn spaargeld hoop ik dit vol te kunnen houden tot mijn pensioen. En wanneer ik zie hoe het groeit geeft dat hoop, lust en levendigheid. Ik wil graag meer van dit! Maar alleen op vrijwilligers kan je het platteland niet onderhouden in onze wereld. Goed en gedegen onderzoek is en blijft daarom belangrijk. Laten beleidsmakers niet te snel geloven in een nieuwe regeling. De boeren worden al veel te veel heen en weer geknikkerd. Levert dit weidevogelbeleid echt meer op? Of wordt het met die toenemende droogtes vooral een veld vol distels? Hoe dan ook, we blijven ontdekken, of het nou leuk is of niet.
Een reis langs avontuurlijke plekken en mensen die ons voorgingen, beroemd of vergeten. En de onbevangen blik om altijd te blijven ontdekken waar of wie we ook zijn.
Klein werk in acryl. In bezit van mijn zus
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Je kunt geworteld zijn en tegelijkertijd een ontdekkingsreiziger in je hebben. Het is een vonk die nooit uitdooft, nieuwsgierigheid die altijd weer wordt opgewekt, als een bron die steeds weer opleeft en nieuw water geeft. De ontdekkingsreis zelf kan stoer zijn en avontuurlijk. Als kind deed ik graag dingen als eerste. Ik was de eerste die in een hoge boom klom, die de smalle richel onder de brug helemaal durfde over te steken tot aan het eind. Zelfs jongens durfden dat niet. Ik liep koelbloedig door de brandnetels, zwom in ijskoud water en als iemand zei dat iets niet kon, dan deed ik het juist. De eerste zijn was leuk. Beter was het nog als het ook gevaarlijk was. Ik wilde bergen beklimmen en geheimen in de aarde ontdekken, metershoog en mijlen diep. Dat is niets nieuws. Het rauwe avontuur lokt. Maar eigenlijk vooral bij mannen. In de geschiedenis zijn weinig vrouwelijke ontdekkingsreizigers. Meestal waren ze ook niet in de omstandigheid. Vrouwen kregen geen financiering, of moesten thuisblijven bij de kinderen. Of misschien zijn ze ook wel praktischer. Misschien denken vrouwen eerder: wat heb je eraan om kou of honger te lijden op een verlaten oord. Maar toch, het verlangen om te ontdekken blijft, bij mannen en ook bij vrouwen. En dat het gevaarlijk is maakt het alleen maar aantrekkelijker voor sommige mensen. Ik snap dat heel goed. Als het een tijd heel rustig is gaat het jeuken. Maar het aardige is, ik kan die behoefte vervullen zonder weg te hoeven gaan.
Allereerst zijn er boeken. “Over de rand” van Joe Simpson. Het ijzingwekkende overlevingsverhaal van een bergbeklimmer. Of verhalen uit de scheepvaart. Kleine euvels, grote stormen. Vanuit mijn eigen hol beleef ik het allemaal. Expedities naar Noordpool of Zuidpool. “Waanzin aan het einde van de aarde” van Julian Sancton. Een zeilschip in 1898, dat vast komt te zitten in het pakijs bij Antarctica. Drie maanden duisternis. De leegte, de gekte, de kou. Het eentonige eten, de scheurbuik. De angst en de wanhoop en hoe je je daar dan toch aan kunt ontworstelen. Ondertussen fluit de winterkoning zijn riedel in de boom boven het boek. Even kijk ik op, om hem te groeten. Dan lees ik verder. Ze gingen ver, die mannen, fysiek en mentaal. Sommigen eindigden in het gekkenhuis. Er waren echte fanatiekelingen bij. Mannen die niet alleen het verlangen hadden ontdekkingen te doen en ver te gaan, maar ook per se de eerste wilden zijn. Dat waren de sterksten. Namen als Nansen, Cook, Peary. Ik lees over de wedstrijd tussen Scott en Amundsen. Wie zou het eerste op de noordpool staan? Ze namen ze de vlag mee van hun land en de roem van de overwinning lokte. Maar Scott verloor en de Noor Amundsen won. Dat was een slimme man die altijd om zich heen keek en leerde van anderen. Slim en ambitieus was hij en dat was in zijn voordeel. Maar het verlangen om altijd de eerste en de beste te willen zijn maakte hem bitter. Als je iedereen wilt aftroeven houd je weinig vrienden over. Uiteindelijk was er ook niks meer te ontdekken. Alles was al ontdekt. Wat moet je dan nog als stoere vent? Cook ging borduren. Hij was heel gelukkig, vertelde Amundsen die hem opzocht. En ook in borduren was hij goed, zoals hij in alles goed was. Amundsen, die de tijd op de zuidpool met hem deelde, vond het maar verdrietig, die geniale man in de weer te zien met naald en draad. Maar Cooks zijn ontdekkingstocht ging verder dan het gevaar, verder dan de onbestemde verten. Hij wist het in zichzelf te vinden, steeds weer nieuwe, onontgonnen gebieden. Het uittekenen van een plan om los te komen uit het pakijs van de zuidpool was voor hem net zo’n uitdaging als het uittekenen van een ingewikkeld borduurpatroon. Het maakte hem uiteindelijk niet uit.
Ontdekken kun je niet alleen door mee te leven met reizigers uit oude tijden. Je kunt ook ontdekken in het klein. Nieuwe vaardigheden opdoen, dingen zien die je altijd over het hoofd zag. Ook in de stad zijn verborgen plaatsen ze te vinden. Dat lege plein, achter het braakliggende veld met die plas in het midden. Of een zijpad in het bos, waar nooit een mens komt. Of misschien is daar een man of vrouw, die jij toevallig ontmoet en die daar thuishoort. Mensen die dingen weten, die velen zijn vergeten. Daarnaar luisteren is een herontdekking die veel kan losmaken. We kunnen nu gewoon naar de Zuidpool, zonder gevaar. Megagrote cruiseschepen brengen je erheen, waar je verwarmd kan zwemmen terwijl het schip langs het metersdikke ijs vaart, dat steeds sneller wegsmelt. In zware lawines stort het blauwe ijs de zee in. Je drinkt je cocktail en kijkt ernaar. Dat is geen ontdekken meer, dat is meewerken aan de afbraak. Liever lees ik dus een boek. Een boek over oude tijden waarin zulke oorden alleen met levensgevaar werden verkend. Ik leer oude vaardigheden door me voor te stellen hoe hun handen de gereedschappen hanteerden. Ontdekken doe je net zo goed thuis. We kijken samen naar de horizon en struinen door het gras. Wie ziet de eerste boerenzwaluw, wie vindt het eerste kievietsei? Het blijft prachtig. Alles. En altijd is er iemand de eerste die het ziet.
Elke keer weer.
Hoe hoog of hoe laag hoe klein of hoe groot hoe licht of hoe zwaar voor een kind is alles nieuw dus blijf kind met vlinders in je haar.
Tot halverwege mag ik. Dat was de afspraak, een afspraak die nergens op papier staat. Ik maakte hem met de dieren zelf. Halverwege de bult begint de wildernis waar ik zo min mogelijk kom. Ik creëerde die plek en nu is het voor hen. Nog in mijn pyjama kruip ik tussen het riet. Waar ben ik eigenlijk? Opeens krijg ik een waarschuwing.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
“Even buiten kijken” dacht ik, een poosje na het wakker worden. Om zeven uur is de wereld nog jong en fris. Daar houd ik van. Vanuit mijn kleine huis stap ik zo naar buiten.. En ik ben er zo, bij het Verhalenpad, de bult, waar ik naartoe wil. Net de deur uit duw ik een paar slierten hop terug, die al te opdringerig voor mijn neus hangen. Een hoge stap over de moerasandoorn heen brengt me op het graspaadje, dat in tegenstelling tot de wilde hop, zich redelijk netjes laat afzetten met een koord. Witte bloesems van de tuinradijs hangen er in hoge dikke bossen overheen. Dan ga ik schuin het veld over. Een merel pikt nog eenmaal in het gras en vliegt dan weg. Verder ga ik, over de watertunnel heen, langs de andere kant van de sloot. En daar is het dan. Het Verhalenpad, door mij tot stand gekomen, maar niet meer geheel toegankelijk. Tot halverwege mag ik. Dat is de afspraak. Een verbond tussen de plek en mij. Maar waarom zou je helemaal tot het eind gaan, zelfs als je aan het begin ervan staat, dan zie je al zoveel! Ik sta tussen de jonge bomen en het riet, waarvan hele stukken door mij zijn weggeknipt om kattestaart, boerenwormkruid en andere bloemen de ruimte te geven. Ik zie het zaad dat op komt in de vruchtbare grond van bloemen die ik nog niet ken. De bodem is bagger, afkomstig uit de sloot, die is uitgediept door ’t Wetterskip. Het ligt er sinds november. En nu is het juni. De aantrekkingskracht van goeie grond is groot. Ik heb gezaaid. En nu groeit dat daar allemaal. Tussen het riet, dat natuurlijk altijd en eeuwig weer terug komt, taaier dan wat dan ook! En nu kruip ik in mijn pyama tussen de stengels van dat riet en onderscheid de sterke halmen van de wintergerst die ertussen staan. Hier en daar groeien bloemen. Kruipend breek ik de dikke groene rietstengels af. Voorzichtig kijk ik waar ik mijn voeten en knieën zet, ik wil de andere planten niet beschadigen. Brandnetel staat er ook veel, heel jong nog, slap en lichtgroen van kleur. Ik trek ze er zo uit. Nu kan het nog. Minutenlang ga ik door. De zon stijgt onzichtbaar aan de kim en komt af en toe achter de wolken vandaan. Tijd bestaat niet meer. Alleen ik, in mijn pyjama, tussen de halmen en het ruisende riet. Steeds verder ga ik. Ik kijk niet achter me, wat ik gedaan heb is gedaan. Mijn wereld bestaat uit de paar vierkante meters voor me. Als een krekel in het veld, zo voel ik me. Er komt geen einde aan. Ik vraag me net af hoever ik eigenlijk ben, wanneer ik iets bijzonders zie. Een brandnetel met een trosje rupsen er in. Subiet houd ik op. Grijzige geblokte rupsjes. Dat is de kleine vos! Ik dacht al, waar blijven ze! Ze zijn wat later dit jaar. Op het zelfde moment hoor ik een waarschuwende roep uit de bosjes. Het is een kort ratelend geluid. Komt dat uit het nest van de rietzanger? Ik heb het gezien, per ongeluk, toen ik net als nu, brandnetels aan het wieden was. Een heel klein nestje met piepkleine eitjes. Ik dacht dat het verlaten was. Is dat niet zo? Ik wil niet kijken. Laat ze maar. Ik kruip terug tussen de afgebroken stoppels riet, de wintergerst, de kattenstaart en de tuinradijs. Mijn pyjamabroek is nat van de dauw, mijn handen zijn alweer ruw van het werk. De rupsen en de kleine vogel herinneren mij aan de afspraak. Tot halverwege mag ik. Halverwege begint de wildernis. Dat is voor de dieren. De dieren weten het. En afspraak is afspraak. Waar of niet.
Eieren, kuikens en huisdieren. Kijk en luister naar wat er vliegt en fluit, ook als je stapelgek bent op je hond of kat.
Foto Alex Strauss eieren oeverzwaluw, Jaclou golden retriever, compositie Alowieke
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Ik sta net mijn spade schoon te maken wanneer Sytz eraan komt. Hij heeft zijn hond bij zich, een Friese Stabij die vrolijk meeloopt en meteen komt als hij fluit. Ik ken de honden uit de buurt, ik weet precies welke onder appel staan. De hond van Sytz vertrouw ik wel, met zijn baas. Die loopt niet in zeven sloten tegelijk. “Hoi” groet Sytz als hij mij ziet. “Is dat jouw werk daar, die dikke bomenhaag? Dat wordt nu echt wat hè?” Ik glunder. “Ja, de kleuren zijn telkens weer prachtig. Elke keer staan er andere bomen in bloei.” Hij knikt kort. “Ik zal er zo eens langswandelen,” zegt hij. “Doe dat.” Mijn toon is hartelijk, want het is tenslotte een heel aardig blijk van belangstelling. Maar ondertussen denk ik aan al die nesten die daar intussen zitten. De spotvogel, het puttertje, de rietzangers. Ik houd van vrolijke honden en zij van mij. Maar ik houd geen oog van de uitbundige huisdieren af wanneer ze langs het Verhalenpad lopen te dollen. Ik moet ook denken aan een andere plek, vlakbij Deinum. Daar hebben ze een prachtige wand gemaakt met gaten er in, voor oeverzwaluwen. Ik vertel het aan Sytz. “Ken je die plek?” vraag ik “Een prachtig project. Voor de wand is een vijver. Er staat een informatiebord bij en er is een wandelpad, tussen de bloemen door. Maar dat is kennelijk een hondenuitlaatplek geworden. Ik was er gisteren. Er was geen zwaluw meer te zien. En dat is een heel duur project geweest.” Hij duikt in elkaar. “O ja, sorry. Ik laat hier ook altijd mijn hond loslopen. Hoeveel kwaad kan het als hij gewoon langsloopt?” Hij is even stil. Bedenkt zich dan. “Maar ik heb hem altijd onder appel!” Hij recht zijn schouders en kijkt trots naar de hond die nog steeds vlak naast hem rondsnuffelt. Ik knik geruststellend. “Ja dat weet ik. Het belangrijkste is dat hij niet het riet inschiet, daar zitten de rietvinken en de rietgors, en dat zijn heel kwetsbare nestjes die daar tussen de rietstengels bungelen. Hij knikt. “Ik dacht altijd dat katten veel erger waren dan honden. Maar ik begrijp nu steeds beter dat ook wij met onze honden ook op moeten letten. Als we ze steeds opjagen worden de eieren koud. Dat zei de boswachter die ik deze week sprak. Natuurlijk heeft hij gelijk. Ik heb er nooit aan gedacht.” Ik glimlach. Niet alle mensen zijn zo. “Mijn hond doet geen vlieg kwaad!” lachen hondenbazen dikwijls. Wandelen in het bos of in de wei met hun hond is hun ultieme natuurbeleving. Helaas zijn het zijn er veel te veel, daar gaat veel kapot aan. Verschrikkelijk veel mensen hebben een huisdier. Dat is gewoon niet leuk meer. Ook mij wordt gevraagd: “Is dat niet gezellig voor jou, een hond of kat?” Ik zeg altijd nee. “De vogels zijn mijn maatjes. Nu heb ik mezen die op een halve meter afstand komen. Dat is toch prachtig!” Toch begrijp ik het wel, dat het gezellig is met een kat of hond. En dat het heerlijk is om je beest eens lekker wild in een vijver te laten ravotten. Ten slotte moet hij de oerhond in zichzelf ook eens kunnen uitleven. Maar als die vijver voor een broedwand ligt met oeverzwaluwen dan gaat er iets goed mis. Net als bij Deinum. Ze hebben er nu een bord bij gezet, het is een bezorgde tekst van een zwaluwvolger, met de hand geschreven:
“Honden aan de lijn! En laat uw hond beslist niet zwemmen in de vijver. Dat verstoort het broedproces.”
“Oeps, niet aan gedacht.” denkt de vrolijke hondenliefhebber. De blik gaat naar de gaten waar vogels uit horen te vliegen. Alles is leeg. Het is dus kennelijk fout gegaan. En dat is dan mijn schuld, denkt hij. Hij kijkt zijn hond aan. Die is zich van geen kwaad bewust. Zou het nog goedkomen? Alleen als de mensen meewerken lukt het. Dus, waar je ook bent:
In de lente als er kuikens zijn, houd je hond dan aan de lijn.
Of in het Fries: Pykjes in t lân, poes in ‘e kuorke ! (Kuikens in het land, poes in de mand.)
Nu nog in het Twents en in het Brabants. En alle andere dialecten. Dan snappen ze het uiteindelijk overal: Genieten van de lente en zorgen voor wat leeft. Ik doe in elk geval mee!
.
.
Luister en kijk ook even naar de Friese zanger van de band “Hûnekop” en zijn kat Gurbe. Moai man! 🙂
Luisteren en kijken naar insecten in de bosjes. Alles wat aandacht krijgt groeit. En dat is voor de insecten hard nodig. Wij willen meer! In aantal en verscheidenheid. Kijken kun je overal. Samen in een groot bos of in je eentje achter je eigen huis. Zelf een wilg planten kan natuurlijk ook. Of andere aantrekkelijke bloeiers zonder pesticiden.
Een zweefvlieg. Foto: Vroege Vogels
“Laten we dit vaker doen! Met elkaar het bos in gaan om insecten te zoeken.” Het is een dertiger die dat zegt. Met zijn zevenen staan we bij een bosje naast het water. Geen bijzonder bos, gewoon een groepje wilgen en populieren naast een drukke verkeersweg. De wilg, gewoon en toch zo bijzonder. Aan de overkant is de MacDonalds. Jerre Wiersma heeft ons meegenomen, van de Insectenwerkgroep Friesland. Er zijn mensen van zijn werk, de jonge directeur van het uitzendbureau en zijn vrouw. De vrouw is huiverig voor beestjes. Hier hoopt ze op andere gedachten te worden gebracht. Dat lukt aardig geloof ik, al meerdere keren heeft ze zich geuit in verraste kreten over dingen die ze nooit geweten heeft. En nu zegt haar man ook nog dat hij het voor herhaling vatbaar vindt. Ze kijkt verwachtingsvol naar het antwoord van Jerre. “Het bos in met elkaar is leuk” zegt Jerre “Maar het is effectiever om het in je eigen buurt te doen, bij een bosje waar je vaak langs komt. Dat hoeft niet eens groot te zijn. Als je dat regelmatig doet, dan zie je veel meer en dat kunnen we dan met elkaar delen.” De man kijkt enigszins teleurgesteld. In zijn eentje thuis vindt hij wellicht veel minder leuk. Of misschien heeft hij daar helemaal geen leuke bosjes. “Maar het kan best allebei hoor!” zegt Jerre “We hebben het er nog wel over, hoe en wat.” De man glimlacht tevreden. Het volgende moment vangt Jerre iets in zijn netje. Het is een gitje, die tussen de wilgen ronddwaalt, in de luwte. Daarvan zijn er een heleboel soorten en ze houden van water in de buurt. “De larven zitten in plantenstengels en ze komen eruit als zweefvlieg. Met de zweefvliegen gaat het nog slechter dan met de bijen. Wel vijfenzeventig procent is verdwenen.” vertelt Jerre. “Ze zijn kennelijk nog gevoeliger voor pesticiden dan bijen. Ik richt me nu speciaal op zweefvliegen,”zegt Jerre, “Dat is het meest nodig.” De vlieg is uit het net gekropen en is alweer gevlogen. Maar vlakbij zit een nog mooiere, ook een zweefvlieg, met gele en zwarte strepen als een wesp. Hij vertelt hoe hij heet, maar ik heb geen pen bij me om het op te schrijven en een tekening te maken. De volgende keer neem ik een schetsboekje mee, besluit ik. Want ik ga dit vaker doen..
Wat boeit er nou eigenlijk zo aan insecten? Het zijn tenslotte maar kleine beestjes en ze zingen niet zoals vogels. Maar ondertussen zijn ze O zo belangrijk. Veel vogels eten insecten. Zelfs wespen worden gegeten, vooral als de grond in augustus te hard en droog is om wormen te vinden. En als je er goed naar kijkt blijken er prachtige soorten te zijn, of juist heel monsterachtig als je ze met een vergrootglas bekijkt. Sommige zijn zo verbazingwekkend klein dat je ze niet eens kan zien. En al zingen ze niet, ze zoemen wel en er zijn zandbijtjes die allemaal een andere geur hebben. Sommigen doen zenuwachtig, anderen zijn wat luier. Maar wat mij ook interesseert: Inheemse wilde insecten zijn vaak gericht op bepaalde planten. Soms zijn ze helemaal afhankelijk van een bepaalde soort. En omdat ik een planter ben, wil ik graag weten wie er gebruik maakt van wat ik in dit land laat groeien. Het geeft me een voldaan gevoel als de bloemen en bloesems worden bezocht. En als ik de gitjes een huis kan geven voor hun larven dan is dat toch mooi. Ik begrijp Jerre wel, als hij zegt dat het interessanter is om in je eigen buurt te kijken, op steeds dezelfde plek. Het wordt een verhaal, dat bij je hoort. En langzaamaan leer je steeds meer inzien hoe dingen in elkaar steken. Daarom heet mijn project ook het Verhalenpad. Het gaat niet om de verhalen van mensen, die zijn er al genoeg. Het gaat om verhalen van de dieren zelf en hoe wij ermee omgaan. Ik gebruik ook enkele kunst grepen. Langs het Verhalenpad heb ik twee pompen op zonne-energie. Ze liggen in de sloot. Een ervan vult constant een aantal kuilen, vanaf de bult steeds lager, die dan overlopen in de greppel. Daar blijft altijd een laagje staan, voor het de sloot in loopt. De boterbloemen zijn er hoog opgegroeid met grote bladeren. Wilgenroosjes verdringen zich om de eerste te zijn. Het is een prachtige plek. Wat zal er nog meer gebeuren? Zullen hier veel gitjes komen te wonen? En kikkers? Alles is met elkaar verbonden, en insecten zijn een belangrijke schakel. En terwijl ze vliegen van boom tot boom, bestuiven ze mijn kersen, appels en peren. Wellicht is het een mooie uitdaging, om met elkaar het kleinste en meest kwetsbare te onderzoeken, ons erover te verwonderen en het met elkaar te delen. Overal zijn natuurverhalen, maar je kunt ze nooit allemaal volgen. Dat gaat het beste thuis. Heel vertrouwd en om de hoek. Als meer mensen dat doen, dan kunnen we op een gegeven moment bij elkaar langs gaan, en dan kan ieder een voor een vertellen welke verhalen er groeien op zijn of haar land. Maar eerst blijven planten en steeds weer blijven kijken. Dat is de uitdaging. We zullen zien wat er groeien gaat.
.
De wereldwijde achteruitgang van insectenpopulaties heeft tot grote belangstelling geleid bij wetenschappers, politici en het grote publiek. Verwacht wordt dat het verlies aan diversiteit en het verdwijnen van de overvloed van insecten een domino-effect zal hebben. Het zal voedselketens en ecosysteemdiensten in gevaar brengen. Bron: https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809
Breda wil groen zijn, ‘een stad in een park’. Niet alleen omdat de mens gelukkig wordt van natuur om zich heen, maar ook als open uitnodiging aan insecten, de cruciale bloembestuivers, grond-omwoelers en waterzuiveraars die het ontzettend moeilijk hebben. Bron: https://www.trouw.nl/es-b593935c/
Wij zijn niet de enigen die de vliegen in de gaten houden. Deze rietzanger fotografeerde ik vlak voor mijn raam. Hij eet insecten die hij in de dichte vegetatie langs de oever verzamelt en keek even wat er hier te halen viel.
Herkenning en ontroering bij het horen en zien van de muzikale voorstelling “Oak”, van Nynke Laverman.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Er is zoveel te doen! Veel meer dan ik op kan noemen. Rondom mij begint alles opgetogen te fluiten, te fladderen en te woelen. Het is lente, de tijd van de voortplanting. Ook dat nog.Deze tijd vraagt om oogkleppen en doorgaan als een trein. Als je van alle kanten verwikkeld bent geraakt in een overvol bestaan, dan kom je niet zomaar terug in het eenvoudige cyclische leven.
Dit schreef ik een paar weken geleden. Nu kom ik erop terug. Want gisteren, 11 april was ik bij de muzikale voorstelling “Oak”, van Nynke Laverman in Leeuwarden. De hele zaal zit vol. Haar voorstelling gaat dieper in op wat ik in mijn verhaal benoemde. De zaal is donker, maar niet helemaal. Voordat de voorstelling op gang komt staat het publiek in een zacht licht, zodat wij niet alleen Nynke en haar man Sytze kunnen zien, maar zij ook ons. Boven hun hoofd zweeft een gigantische boomstamschijf in de lucht, als een beschermende kap boven hun hoofden. Knap, onzichtbaar vastgemaakt. Ze vertelt het verhaal dat ik al kende, van de stip die de langste lijn van de wereld wilde worden. Vooruit, almaar vooruit! Geen tijd om te stoppen of een bochtje te maken. De mensen smeken; Don’t stop, don’t make an end, but bend! Please bend!” Maar de lijn luistert niet. De lijn gaat almaar door, nachten worden slapeloze nachtmerries. Nynke vraagt zich af hoe ze in deze tijd door kan blijven zingen. Er is moed voor nodig. En terwijl Sytze op de achtergrond op een kalimba tokkelt, verandert het beeld. De boomstamschijf lijkt nu het innerlijk leven van de boom zelf te laten zien. Weerspiegelend licht in het water, ja licht, heel veel licht. Licht dat constant verandert. Beelden en stem vervlechten zich met elkaar. Soms zingt ze vanuit zichzelf, dan weer verplaatst ze zich in de boom. Er zijn oude herinneringen. Mensen zaten onder de boom en vierden, dansten en vroegen de boom om raad. .Het innerlijk beeld van de boom verandert continue. Opeens wordt het heftig, stormachtig, het blad zwaait in de wind, er is een geluid van kraanvogels die in paniek opvliegen. Haar stem verandert van fluweelzacht naar een felle roep de ruimte in. Uit alle macht zingt ze de pijn van de boom, de herinnering aan vroeger, toen het nog geen takkenbende was, maar dat de eik een zeer gerespecteerde persoon was, met een stem waarnaar geluisterd werd. Er zijn rode lichtflitsen en soms witte, die over het publiek gaan. Geraakt staar ik naar het podium. Wij en zij, het lijkt steeds meer in elkaar over te lopen. Tot driemaal toe vraagt ze ons op de achtergrond door te zingen, terwijl zij verder gaat met haar lied. We zingen mee, als in een golf, soms harder, dan zachter, terwijl niemand dat afgesproken heeft. En net wanneer alles van triestigheid lijkt te versterven, komt daar Sytze uit de hoek, met zijn vogellokfluitje. Hij fluit en de vogels antwoorden. Ze komen terug, steeds meer zijn het er. Uiteindelijk baden we allemaaal in een stralend licht en een groot concert van weidevogels golft over ons heen. We zijn stil en onder de indruk. Dan gaat plots het licht uit. De vogels houden allemaal tegelijk hun snavel met een enkele druk op de knop. Het is afgelopen.
Er volgt een luid applaus. Ik doe de roep van een kieviet na in de paartijd, ze glimlacht. Heeft ze het gehoord?
Het was een fascinerende beleving. Er zat verdriet in en hoop. Ik ben meegenomen in het innerlijk leven van de boom, heb geluisterd naar het gesprek dat Nynke met hem voerde, begeleid door Sytze. Het leven in cirkels, als de jaarringen van een boom, als de boomspiegel onder zijn stam. Uiteindelijk kom je altijd terug op hetzelfde punt en altijd wordt het weer lente. Vanuit de rechte lijn en een leven vol drukte weer terug te keren naar deze plek. Met je rug tegen de oude eik, die tot ons spreekt. Ik denk aan de eik op mijn veldje. Jochum plantte hem, al bijna tien jaar geleden. Ik ben degene die hier nu bijna elke dag is en verzorg hem. We hopen dat hij vele eeuwen overleeft in een wereld die terugkeert naar de cirkel, vanwaaruit alles voorkomt. De cirkel rond de eik badend in het licht van de zon.
Met groene verhalen trek ik rubbers aan die over het hete asfalt gaan.Kan dat ook anders?
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Na alle grijze dagen voelt de zon extra warm aan. We staan voor een oude stacaravan, hier op de Swetteblom. Rondom was een soort vuilnisbelt ontstaan van dingen die mensen niet weg konden gooien. Tussen de bosjes was het een jungle met van alles en nog wat. IJzer en plastic, groen uitgeslagen. In de zomer lag de zooi verscholen in het groen. De winter onthult de naakte waarheid. Buizen, pijpen, lege jerrycans, en nog veel meer. En nu in de prille lente, zie je nog steeds alles liggen. Zulke dingen groeien. Er kwam dus steeds meer bij, een afgereden auto en nog een auto, een kapotte scooter. “O laat maar staan, ik kan er misschien nog wel onderdelen uit halen” zei de buurman die van knutselen houdt. Dat laten staan, dat kan nu niet meer. Alles wordt opgeruimd, want er komen oude bekenden in de caravan en dat is een mooi excuus. Iedereen probeert een handje te helpen. Twee mensen houden net pauze als ik aankom, maar ik ga aan het werk. Ik pak mijn schep van de fiets en zet hem in de berg grind. Het moet in de aanhanger. Net als de eerste schep in de bak klettert stopt er een auto. Een rode. De man die pauze hield springt op: “Oooooh een oude fiat 128! Die heb ik ook gehad, wat heb ik daar veel plezier van gehad zeg!” Op een holletje rent hij ernaar toe. Het is alsof hij een oude boezemvriend ontmoet. De chauffeur stapt grijnzend uit. De mannen staan nog een poosje te praten over hun Fiat. De verliefde man geeft het ding een klapje op de motorkap, hij kan maar moeilijk scheiden. Auto’s zijn handig en ellendig. Haal je twee oude auto’s weg, komen er andere voor in de plaats. Zelf heb ik er geen en in wil het ook niet. Hoe minder wegen en parkeerplaatsen, hoe meer ruimte voor andere dingen. Ik wil geen ellendige oorlog om olie, ik wil groen en bloemen. Ik zorg voor het Verhalenpad, voor de levende wereld die steeds verder gekrompen is. Dat wil ik helpen veranderen. Om te beginnen waar ik ben. Zouden er dit jaar ook vogels gaan broeden op de bult? Ik zie nog niks. Er gebeuren wel andere dingen. Er wilde dit weekend wel iemand komen kijken naar mijn initiatief. Kom maar met buslijn 93, zei ik. Die rijd altijd zonder dat er iemand in zit, de buschauffeur zal blij zijn met een klant, opperde ik. “Ik kom met de auto,”zei mijn bezoeker. Ja, het autoseizoen breekt aan. Auto’s naast de Swette, auto’s naast het Verhalenpad.
Met groene verhalen trek ik dikke rubbers aan, die over het asfalt gaan.Kan dat ook anders?
Auto’s hebben we nodig, denken we. Om naar het werk te gaan, om je LAT relatie vol te houden, voor een dagje uit, voor een unieke natuurbeleving en om te gaan joggen in het bos samen met de hond. En om interessante locaties te bezoeken zoals de mijne. Toch heeft een kwart van de huishoudens geen auto, waarvan bijna twee derde als een bewuste keuze. Meer dan een half miljoen mensen kunnen het gewoon niet betalen. Door de oorlog in het Verre Oosten wordt alles duurder. Vooral dit stalen beest wordt getroffen, dat fijne ding waar je in kan kruipen en waar je heerlijk op jezelf bent. Lekker op je vertrouwde stoel, de handen aan het stuur. Hoe zal dat nu verdergaan? Blijven mensen verstokt aan hun kar? Zal mijn bezoek vaker de fiets pakken? Ik denk dat er veel voor nodig is om die gewenning te doorbreken. Sommigen zal het lukken om zichzelf te overwinnen en de auto te laten staan. Ik hoop dat het aanstekelijk werkt. Je krijgt er namelijk veel voor terug: Uithoudingsvermogen, meer contact met je omgeving, een vollere portemonnee. Dus. Wil je langs komen? Dan zijn er drie alternatieven. Kom lekker op de fiets, met buslijn 93 of zet je auto neer bij Jonker Sikke op de parkeerplaats. Vandaar is het maar twee kilometer lopen, een prachtige wandelmeditatie onder de hemelkoepel, tussen de groene weiden. Tenslotte is de weg naar het Verhalenpad toe langer dan het pad zelf. Het doel is maar een klein onderdeel van de onderneming. Je kan er natuurlijk ook een pelgrimsroute van maken en het hele eind gaan lopen van huis naar hier. Tenslotte: overal zijn verhalen! Goed voor het lichaam ook. Het lichaam is de tempel van de geest tenslotte. Ophemeling van de auto is een aftakeling van die tempel en alles wat je met een sterk en gezond lichaam kan creeëren. Hoe minder auto’s hoe meer verhalen we kunnen scheppen, hoe meer ruimte en een grotere groene wereld. Welkom in die andere wereld!
.
Gedichtje uit 1991
In de geest kan alles Als de bomen sterven het water niet te drinken is en de vissen zeldzaam zijn Dan nog kunnen wij keren en onze mythe opnieuw creëren voeden de Aarde tevreden zijn.
Van jonge spriet tot woudreus, elke houtige persoonlijkheid verlangt naar een levende veerkrachtige bodem.Leef je in in de dromen van de bomen.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Inlevingsvermogen doet groeien. Bomen zijn er langer dan wij en we zouden er goed aan doen ons vaker te proberen in te leven. Alleen al hoe ze samenleven. Met elkaar bouwen ze aan een netwerk waarin alles te vinden is wat ze nodig hebben. De bodem steeds veerkrachtiger, krioelt van leven en is doorweven met schimmeldraden die hen voeden. En omgekeerd, in de herfst voeden de bomen de schimmels met wat ze in de winter niet meer nodig hebben. Ze zijn wat ze zijn, houtige persoonlijkheden zonder stem. Zonder te worden opgemerkt doen ze veel, van zaad tot woudreus, altijd op dezelfde plek. Maar de meesten worden aangeplant. Ze zijn overgeleverd aan wat wij met ze doen. En wat doen we veel! Er wordt gezaagd en gehakt. Lekker stoer en machtig voel je je, wanneer de grote boom omvalt, precies op de plek die je hebt uitgerekend. Hoor het kraken, hoor de doffe dreun waarmee hij ter aarde stort. We hakken en zagen. Graven en planten ook dingen terug. Hopelijk doen we het goed.
Daar sta ik op de met gras begroeide weide. In mijn handen houd ik een pluizige, gerafelde stengel. Rondom het pluis ontkiemt zaad. Als ik de stengel optil blijven alle jonge kiemen eraan vastzitten, alsof het een reddingsboei is. Zaad houdt van rafels en losse en luchtige grond. Bomen ook. Vooral de jongsten. Iets wat hechting geeft en vochtig is, dat is fijn. Wat moet zaad in een verhard pad? Of in een speelveld in de hete zon, vertrapt door kindervoeten? Geef mij maar wat struikgewas, dan kan ik ongestoord mijn gang gaan, weet de boom. Bomen denken niet, denken we, maar ze weten wel dingen. Ze weten waar de ruimte is om naar toe te groeien. Ze weten welke buurman ze graag hebben en welke liever niet. En aan welke ze een grondige hekel hebben. Niet alle bomen werken met elkaar samen. Ook daar zijn buren onder elkaar. Hier sta ik nu. De jonge boom die klaarligt om te planten ziet er goed uit. Maar waar hij moet staan, dat kan hij me niet vertellen. Sommige mensen zeggen dat ze het kunnen voelen. Anderen leren uit boeken hoe het moet. Hoe dan ook, dit jonkie is nu afhankelijk van mij. Hij heeft het maar te doen op deze plek, die de mensen hier bedachten en waar ik voor werk. Ik pak hem op. Heel fijn zijn die jonge haarwortels, zo fijn dat ze zomaar afbreken, als je niet uitkijkt. Respectvol laat ik de dikke wortelbaard door mijn handen gaan. Wat is hij mooi! Straks verdwijnt hij in de donkere aarde, de wereld die zo ver van ons afstaat. Het is een wereld die we nog maar net leren kennen. Hopelijk voelt hij zich thuis op de plek die ik hem geef. In feite is het een wees, net als de andere bomen die hier liggen. Niet alleen zijn ze losgerukt van de plek waar ze opgroeiden, waarschijnlijk hebben ze hun ouders nauwelijks meegemaakt. Op een kwekerij stonden ze als wezen in kostschoolbedjes. Een lange rij, allemaal naast elkaar. Toch was de kweker goed voor ze, dat kun je zien. Kan een boom van zijn kweker houden? Als dat zo is, afscheid is hun lot.
Elke zaailing treft andere handen. Sommigen zijn liefdevol, anderen haastig, willen vooral zoveel mogelijk in de grond krijgen. Sommige weten precies wat hij of zij nodig heeft, andere hebben geen idee, ze hebben zich nooit in houtige persoonlijkheden verdiept. Er zijn mensen die al heel veel bomen hebben geplant, maar die denken dat je het plantgat keihard moet aanstampen. Anders loopt het straks vol water zeggen ze en dan verdrinken de wortels. Ze stampen zo hard ze kunnen, bij elke schep grond die erin gaat. Hemeltjelief. En dat juist nu, vlak voor de droge periode! Steeds vaker regent het maar weinig in de lente. En die kwetsbare haarwortels zitten dan op een hoopje, samengetrapt in een droge stenen kluit. Want dat is wat klei doet, als het opdroogt wordt het zo hard als steen. Als jonge boom kun je dan alleen nog maar dromen van die pluizige vochtige schimmels, terwijl je langzaam wegkwijnt. De harde klei is meedogenloos, en zeker in een tijd van droogte, met een boom die ook nog eens nauwelijks een plantgat heeft. We moeten echt meer met de bomen meevoelen, willen we ze begrijpen en echt een mooi bos krijgen. Er zijn genoeg hoveniers en tuinmensen die hart hebben voor wat er leeft. Hoe boeiend is het om naar ze te luisteren! De bodem, de handen, de kennis en het hart. Met elkaar vormen we het netwerk dat de bomen en planten nodig hebben. Luister, met je oor op de vochtige aarde. Ruik het, voel het, help het groeien.
Geef de boom een verend bed, wees er lief voor , koester het.