Vuurwerk, we zijn er nog niet klaar mee

Hoe sommige groepen mannen hun onderlinge band versterken door dit ritueel. Onverwacht word ik wakker geknald op deze rustige natuurcamping. Als ik er heen ga proberen ze me over te halen toe te treden tot hun bondgenootschap. Wat moet ik hier verdorie mee?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor me staat een vrouw. Na een lange nacht ontmoeten we elkaar op het pad, in de ochtend. Het gesprek gaat over wat er in het donker plaatsvond. Volkomen onaangekondigd. “Ik ben ook absoluut tegen vuurwerk, het probleem is dat de mannen het echt geweldig vinden. Opa, zoon en kleinzoon. Allemaal.” De vrouw heeft een wilde bruine krullenbos met al aardig wat grijs erin. Ze heeft me net gevraagd of ik goed heb geslapen. Het was een onrustige nacht. Ik heb maar een paar uur geslapen. Haar nacht was niet veel beter. Hoe dat kwam? Daar zit een lange geschiedenis aan vast.

Camping de Swetteblom is een prachtige camping waarin de natuur steeds belangrijker wordt. Rustzoekers vinden er hun toevlucht, mensen uit het dorp en daarbuiten. Langzaam wordt het plekje bekender maar nooit zal het overlopen van toeristen. Het ligt te afgelegen, en rondom is het omringd door een saai landschap van grootschalige strakgetrokken weilanden. Des te belangrijker is de stilte, de natuur die hier als een oase in het midden ligt van de groene woestijn. Gelukkig zijn vele campinggasten het daarmee eens. Toch is er een tweedeling. Er zijn rustzoekers en feestvierders. De meeste feestvierders zijn mensen die de camping al jarenlang kennen. Lang geleden werd het leven hier uitbundig en langdurig gevierd. Het drankgelag ging wekenlang door. Die tijd is definitief voorbij. Een paar groepen feestvierders zijn echter gebleven. De twee grootste groepen komen met pinksteren. Alles staat dan vol, op de veldjes onder de grote wilgen en de esdoorns staan tentjes, wagens en auto’s. De kampeerders zwerven over de steigers, zwemmen in het water. Overal lopen ze rond en het is best gezellig, al laten ze na afloop elk jaar weer een enorme berg flessen achter. In de avond spelen er muzikanten op banjo en gitaar. Dat is de ene groep op het eerste veldje. Op het andere veldje wordt alleen rustig gepraat. Dat dacht ik tenminste. Tot ik erachter kwam dat daar een ingeslapen traditie leefde. Onverwacht kwam ik er achter, midden in de nacht.

Ik sliep bijna toen er naast mij een bom ontplofte. Zo leek het. Ik schrok op uit mijn warme nest, herkende het als vuurwerk dat vlakbij moest zijn afgestoken. In een sprong stond ik op de planken vloer en stapte met resolute pas uit mijn kleine huis. Verdorie, hoe haalden ze het in hun hoofd?! In twintig passen was ik bij ze. “Waarom doen jullie dit notabene hier, op deze plek en op dit uur?” De laatste knal van een sterrenregen stierf weg. Een vrouw keek me geschrokken aan. “O, woon jij hier vlak naast, lag je te slapen, dat wisten we niet…” De vrouw leek oprecht bezorgd. Toch woon ik hier al vijf jaar, gek dat ze me nooit heeft gezien in al die tijd. Ze hadden op zijn minst wat beter om zich heen kunnen kijken voor ze de boel hier aanstoken. Er liepen ook nog een oudere man en een paar kinderen rond. Terwijl ik mijn verontwaardiging luchtte gingen twee jochies gewoon verder. De oudere man luisterde met een half oor naar mij, terwijl hij oplettend keek naar de jochies die het volgende vuurwerkblok op het grind legden. “Werd je wakker” vroeg hij terloops. “Ja, zei ik. “Ik was flink pissig. Jullie zouden toch ook…” Een nieuw vuurwerkbombardement onderbreekt me. De oudere man is mij op slag vergeten. Hij vindt dit prachtig en wil niks anders. Hier kan ik niet tegenop. Twee meisjes kijken niet naar de lichtkogel maar praten druk met elkaar. De oudere vrouw wijst naar boven.“Geniet er nog even van, “zegt de vrouw en dan kijken ook de meisjes omhoog. Kwaad loop ik weg. Achter mij hoor ik het jongste meisje zeggen: “Die laatste was mooi!” Iedereen moet het mooi vinden. Maar ik vind er niks aan. Ik ga terug naar bed, maar ben te opgewonden om te slapen. Het is al drie en een half uur later als ik weer in doezel. Maar precies op dat moment knalt er een tweede vuurwerksessie de lucht in. Een stukje verderop nu, in richting van de boerderij, waar de feestvierders hun honk hebben. Het geluid draagt ver op de wijde lege vlakte. Opnieuw sta ik op.

Het is een groep jongeren en ze zitten alweer bij het vuur. De oudere man van straks zit erbij. Ze luisteren naar me als ik naast ze sta, dat is al heel wat. Ik zeg hoe dit voor me is. Dat ze moeten weten dat hier nog meer mensen zijn, die ze niet allemaal zien en kennen. Die nu wakker schrikken in hun bed, maar die niet willen zeuren. Ja, knikken ze schuldbewust. Maar ik voel hoe sterk hun verlangen is. Dit explosieve gebeuren, het grote feest, de bekroning op een weekend samen. De vrouw met de krullen zegt het mij ook, wanneer ik haar de volgende ochtend spreek: “Je krijgt het nooit weg. Het is goed dat je er wat van zegt, maar denk niet dat ze ermee ophouden. Opa, zonen en kleinzonen leven er dagenlang naartoe en koesteren hun vuurwerkblokken alsof het schatten zijn.” Ik weet niet hoe ik daarmee om moet gaan. Ze zullen alle wetten doorbreken om door te gaan. In vriendschap of te zwaard. Ze vroegen me mee te gaan, de laatste keer, beloofden ze. Ja, dat zei die man straks ook al. “Ter verbroedering” zei een van de jongens met een brede grijns. “Ik ben niet echt in feeststemming”, zei ik en ik voelde me droevig en eenzaam. Maar ging toch mee, alsof ik zeventien was, toen ik me toch telkens liet verleiden wanneer ik dat eigenlijk niet wilde. Wil jij het aansteken?” vroeg een jongen alsnog. Zijn toon was hartelijk maar met zachte dwang. Doe nou alsjeblieft gezellig mee- leek hij te zeggen. “Nee” zei ik “Ik zie al die afgerukte handen voor me. Dat doe ik niet.” Een jonge vrouw achter me lachte zachtjes. Herkende ze iets in wat ik zeg?

Het blok wordt aangestoken. Twee lichtkogels gaan met een knal de zwarte hemel in. Boven de horizon staat een prachtige oranje maan, in een halve schijf. Hij komt niet op, hij gaat onder. Drie uur in de nacht en de maan gaat onder. Ze zien het niet. De mannen kijken naar de lichtkogels. Na twee knallen houdt het plotseling op. Het indrukwekkende blok blijft zwijgen in het midden van het grindpad. Een van de mannen schopt hem teleurgesteld de berm in. “Nat geworden. Waardeloos spul. Je hebt het zeker behekst.” Er volgt een kort grijns in mijn richting. Ik grinnik en leg kort mijn hand op zijn arm. “Sorry hoor”. De vrouw die zojuist nog zachtjes lachte komt naar me toe en omhelst me. “Nu maar lekker slapen” zegt ze. En dat doe ik. Een vrouw die je omhelst, dat helpt altijd. Maar opgelost is het daarmee nog lang niet.

Vuurwerk mag niet meer en dat is niet voor niets. Maar nog steeds is het een kleine groep fanatiekelingen, meestal mannen, die het asociale ritueel vurig aan elkaar doorgeven. Vrouwen en mannen die er niks mee hebben doen gelaten mee, wat moet je anders. En al zegt de boer dat dit een stiltecamping is, voor hen is het een heilige traditie. Vuurwerk lijkt de band van sommige groepen mannen onder elkaar te versterken. Ze zullen doorgaan, bondgenoten werven, hun zwaarden poetsen als er weerstand is. Steeds weer ergens anders opduiken. We zijn hier nog niet klaar mee.

.

Plaats een reactie