Een kraai op je hoofd

Reddend zwemmen in de Zwette.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog nooit heb ik een jong dier grootgebracht. En kinderen ook niet. Hoe speciaal is het als er dan onverwachts een dier op je pad komt. Zal het blijven, of niet? En heb ik eigenlijk wel zin om mijn leven zozeer aan te passen? Op een dag kom ik onverwacht voor deze vraag te staan. Uiteindelijk lost het vraagstuk zich vanzelf op.

Het is aan het begin van de avond. Ik fiets over het Swettepaad van de boerderij terug naar huis. Vanuit de verte hoor ik geschreeuw van kraaien. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik hoor dat er echt iets aan de hand is. Opgewonden klinkt het gekras over het water. Snel zet ik mijn fiets neer en loop naar de steiger. En daar, in het midden van het water ligt een kraai. De vogels vliegen weg als ze mij zien, een voor een. De jonge kraai ploetert door. Eerst eens zien of hij het zelf redt. Met een krachtige vlinderslag ploegt hij door het water naar de oever. Aan de kant is de lisdodde hoog opgeschoten, er is nergens een opening om de kant op te krabbelen. Ik zie hoe zijn kracht afneemt bij het zien van deze hopeloze toestand. Het zal ook niet lang duren of hij zakt met zijn kop steeds dieper in het water. Daar wacht ik niet op. Ik trek mijn kleren uit en spring er in. Het water is koud, maar niet ijskoud. Tussen de bladeren van de gele plomp door zwem ik naar hem toe. De stengels slingeren glibberig om mijn benen. Als ik bij hem kom, zet ik het dier op mijn hoofd, zodat ik mijn armen vrij heb om te zwemmen. Het is een jong dier, sterk genoeg om de wereld te verkennen maar nog niet volgroeid. Hij is nog wat kaal en donzig onder de vleugels. Wellicht is hij bij zijn eerste vliegpogingen te water geraakt. Onhandig balanceert het dier nu op dit ongewone plekje, een klein bewegend eilandje boven het water. Zijn scherpe klauwen grijpen zich vast in mijn haar terwijl hij druk met zijn vleugels klappert om zijn evenwicht te bewaren. Met een hand houd ik hem op zijn plek, met de andere arm zwem ik terug naar de steiger. Inmiddels zijn alle kraaien weggevlogen, behalve eentje, die uiteindelijk ook wegvliegt. Zijn moeder?

Ik zet de natte vogel op de steiger en loop weg. Misschien komt de moeder terug. Maar als ik vijf minuten later terugkom zit hij daar nog, in zijn eentje, rillend en met zijn vleugels gespreid. En het word al schemerig. De nacht zal koud zijn. Ik til hem op. Met de jonge kraai op mijn hoofd ga ik naar huis. Daar stop ik hem in een fleecedekentje, met een infraroodpaneel ernaast. Het dier rilt en het duurt lang voor hij is opgewarmd. Ik zit naast hem en kijk. Hij is volledig in zichzelf gekeerd. Ik stap de deur uit om een eindje te wandelen en na te denken. Wat moet ik hiermee? Is dit een kans om een jong dier groot te brengen, voor het eerst van mijn leven? Maar waar moet hij dan blijven? Kan ik hem dan overal mee naar toe nemen? De buschauffeur ziet me aankomen, met zo’n poepende vogel. Dan ga ik terug om op de bank naast de vogel een stukje te lezen. Af en toe kijk ik op. “Hoe is het?” vraag ik. Het dier draait zijn kop en kijkt me aan. Hij knippert vaak met zijn ogen. Een wit vlies dat telkens over zijn felle grijze kraaienogen trekt. Ik trek het dekentje een stuk van hem af, zodat de natte veren beter kunnen drogen bij de kachel. Op zijn borst heeft hij kleine witte veertjes tussen het donkergrijs. Alleen zijn vleugels, staart en kop zijn pikzwart. Dan gaat hij staan, stevig met beide poten op de rand van het geïmproviseerde nest. Wat gaat hij doen? O jee. Een flinke straal poep schiet over de rand. Netjes gedaan, je mag het nest niet bevuilen, zo is hij opgevoed. Maar het is wel mijn bank. Met een oud washandje, water en een beetje zeep maak ik het schoon. De kraai kijkt toe. Mijn huis is geen vogelhok. Dit wil ik niet. Ik zie het aan, voor een nacht.

Net als anders maak ik die avond mijn bed in de hangmat en slaap onmiddellijk in. Als ik de volgende ochtend wakker word weet ik het meteen. De kraai! Zonder nog even na te sluimeren spring ik eruit. Het is half zeven op de wekker. Het huis is nog donker, iets van het licht schemert onder de dichte luiken door. Het dier zit somber en stil naar me te kijken. Ik zet hem op mijn hand, Van schrik schijt hij op de fleecedeken maar toch klauwt hij zijn poten gelijk diep in mijn vel. Ik duw het wat opzij, zodat hij op de mouw van mijn trui zit. Dan open ik de achterdeurtjes. Verrast kijkt de jonge kraai om zich heen. Buiten is de wereld al helemaal begonnen. Het licht en het leven dat hij kent. Een huis is niks voor kraaien. Met vrouwen en doekjes die poep wegvegen. Daar zijn hij en ik het kennelijk over eens. Ik moet hem terugbrengen waar ik hem vond. Met het dier nog steeds op mijn hand loop ik naar de deur. De scherpe klauwen gaan door mijn trui heen. Au. Ik probeer hem op mijn schouder te zetten, waar tamme kraaien ten slotte horen te zitten. Maar deze is niet tam en hij wil niet. Meteen krabbelt hij boven op mijn hoofd, waar hij houvast heeft aan mijn stevig invlochten haar. Stel dat hij toch blijft. Dan heb ik een tamme kraai die alleen maar op mijn hoofd wil zitten. Dan word ik “Die vrouw met die kraai op haar hoofd”. Het was niet mijn bedoeling, maar als het moet mag hij. Het lijkt er echter op dat hij geen zin heeft in mijn moederschap. Hij is zijn kuikentijd ontgroeid en zijn moeder kent hij veel te goed. Ik voel hoe hij af en toe met zijn vleugels fladdert boven mijn hoofd. Logisch, ten slotte zat hij midden in zijn eerste vlieglessen, toen hij te water kwam. Ik loop naar de steiger, naar de plek waar het gebeurde. Dan loop ik terug, ga ik midden op het naastgelegen veldje staan. Op dat moment hoor ik een volwassen kraait krassen ergens hoog in de bomen. Het jonge dier houdt zich nog steeds stevig vast aan mijn haar. “Hop!” zeg ik, en maak een sprongetje. En zowaar, weg vliegt hij, de wilgenboom in. Daar zit hij nu, op een takje rond te kijken. Ik heb wat fruit neergelegd op de grond onder hem, maar hij taalt niet naar eten. Hij blijft daar maar zitten op zijn tak, aan de luwe zijde van een dikke wilg, alsof hij bij de bushalte staat te wachten. Het is zijn leven, en zijn familie. Ze zullen blij zijn als hij terug is. Toch een beetje opgelucht loop ik naar huis. Voor mij geen tamme kraai, geen dier om groot te brengen. Buiten hoor ik de kreet van een bonte specht. Hij komt vogelvoer halen voor zijn kleintjes. Heb ik toch kleintjes. Heel veel zelfs. Bomen, bloemen, vogels, vlinders. Ze groeien als kool, in mijn buurt. Ik ben niet de vrouw met de kraai op haar hoofd. Ik ben een natuurmoeder en herstel het levengevend land. Dat is mijn verhaal, daar gaat het over. Telkens weer.

.

Vuurwerk, we zijn er nog niet klaar mee

Hoe sommige groepen mannen hun onderlinge band versterken door dit ritueel. Onverwacht word ik wakker geknald op deze rustige natuurcamping. Als ik er heen ga proberen ze me over te halen toe te treden tot hun bondgenootschap. Wat moet ik hier verdorie mee?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor me staat een vrouw. Na een lange nacht ontmoeten we elkaar op het pad, in de ochtend. Het gesprek gaat over wat er in het donker plaatsvond. Volkomen onaangekondigd. “Ik ben ook absoluut tegen vuurwerk, het probleem is dat de mannen het echt geweldig vinden. Opa, zoon en kleinzoon. Allemaal.” De vrouw heeft een wilde bruine krullenbos met al aardig wat grijs erin. Ze heeft me net gevraagd of ik goed heb geslapen. Het was een onrustige nacht. Ik heb maar een paar uur geslapen. Haar nacht was niet veel beter. Hoe dat kwam? Daar zit een lange geschiedenis aan vast.

Camping de Swetteblom is een prachtige camping waarin de natuur steeds belangrijker wordt. Rustzoekers vinden er hun toevlucht, mensen uit het dorp en daarbuiten. Langzaam wordt het plekje bekender maar nooit zal het overlopen van toeristen. Het ligt te afgelegen, en rondom is het omringd door een saai landschap van grootschalige strakgetrokken weilanden. Des te belangrijker is de stilte, de natuur die hier als een oase in het midden ligt van de groene woestijn. Gelukkig zijn vele campinggasten het daarmee eens. Toch is er een tweedeling. Er zijn rustzoekers en feestvierders. De meeste feestvierders zijn mensen die de camping al jarenlang kennen. Lang geleden werd het leven hier uitbundig en langdurig gevierd. Het drankgelag ging wekenlang door. Die tijd is definitief voorbij. Een paar groepen feestvierders zijn echter gebleven. De twee grootste groepen komen met pinksteren. Alles staat dan vol, op de veldjes onder de grote wilgen en de esdoorns staan tentjes, wagens en auto’s. De kampeerders zwerven over de steigers, zwemmen in het water. Overal lopen ze rond en het is best gezellig, al laten ze na afloop elk jaar weer een enorme berg flessen achter. In de avond spelen er muzikanten op banjo en gitaar. Dat is de ene groep op het eerste veldje. Op het andere veldje wordt alleen rustig gepraat. Dat dacht ik tenminste. Tot ik erachter kwam dat daar een ingeslapen traditie leefde. Onverwacht kwam ik er achter, midden in de nacht.

Ik sliep bijna toen er naast mij een bom ontplofte. Zo leek het. Ik schrok op uit mijn warme nest, herkende het als vuurwerk dat vlakbij moest zijn afgestoken. In een sprong stond ik op de planken vloer en stapte met resolute pas uit mijn kleine huis. Verdorie, hoe haalden ze het in hun hoofd?! In twintig passen was ik bij ze. “Waarom doen jullie dit notabene hier, op deze plek en op dit uur?” De laatste knal van een sterrenregen stierf weg. Een vrouw keek me geschrokken aan. “O, woon jij hier vlak naast, lag je te slapen, dat wisten we niet…” De vrouw leek oprecht bezorgd. Toch woon ik hier al vijf jaar, gek dat ze me nooit heeft gezien in al die tijd. Ze hadden op zijn minst wat beter om zich heen kunnen kijken voor ze de boel hier aanstoken. Er liepen ook nog een oudere man en een paar kinderen rond. Terwijl ik mijn verontwaardiging luchtte gingen twee jochies gewoon verder. De oudere man luisterde met een half oor naar mij, terwijl hij oplettend keek naar de jochies die het volgende vuurwerkblok op het grind legden. “Werd je wakker” vroeg hij terloops. “Ja, zei ik. “Ik was flink pissig. Jullie zouden toch ook…” Een nieuw vuurwerkbombardement onderbreekt me. De oudere man is mij op slag vergeten. Hij vindt dit prachtig en wil niks anders. Hier kan ik niet tegenop. Twee meisjes kijken niet naar de lichtkogel maar praten druk met elkaar. De oudere vrouw wijst naar boven.“Geniet er nog even van, “zegt de vrouw en dan kijken ook de meisjes omhoog. Kwaad loop ik weg. Achter mij hoor ik het jongste meisje zeggen: “Die laatste was mooi!” Iedereen moet het mooi vinden. Maar ik vind er niks aan. Ik ga terug naar bed, maar ben te opgewonden om te slapen. Het is al drie en een half uur later als ik weer in doezel. Maar precies op dat moment knalt er een tweede vuurwerksessie de lucht in. Een stukje verderop nu, in richting van de boerderij, waar de feestvierders hun honk hebben. Het geluid draagt ver op de wijde lege vlakte. Opnieuw sta ik op.

Het is een groep jongeren en ze zitten alweer bij het vuur. De oudere man van straks zit erbij. Ze luisteren naar me als ik naast ze sta, dat is al heel wat. Ik zeg hoe dit voor me is. Dat ze moeten weten dat hier nog meer mensen zijn, die ze niet allemaal zien en kennen. Die nu wakker schrikken in hun bed, maar die niet willen zeuren. Ja, knikken ze schuldbewust. Maar ik voel hoe sterk hun verlangen is. Dit explosieve gebeuren, het grote feest, de bekroning op een weekend samen. De vrouw met de krullen zegt het mij ook, wanneer ik haar de volgende ochtend spreek: “Je krijgt het nooit weg. Het is goed dat je er wat van zegt, maar denk niet dat ze ermee ophouden. Opa, zonen en kleinzonen leven er dagenlang naartoe en koesteren hun vuurwerkblokken alsof het schatten zijn.” Ik weet niet hoe ik daarmee om moet gaan. Ze zullen alle wetten doorbreken om door te gaan. In vriendschap of te zwaard. Ze vroegen me mee te gaan, de laatste keer, beloofden ze. Ja, dat zei die man straks ook al. “Ter verbroedering” zei een van de jongens met een brede grijns. “Ik ben niet echt in feeststemming”, zei ik en ik voelde me droevig en eenzaam. Maar ging toch mee, alsof ik zeventien was, toen ik me toch telkens liet verleiden wanneer ik dat eigenlijk niet wilde. Wil jij het aansteken?” vroeg een jongen alsnog. Zijn toon was hartelijk maar met zachte dwang. Doe nou alsjeblieft gezellig mee- leek hij te zeggen. “Nee” zei ik “Ik zie al die afgerukte handen voor me. Dat doe ik niet.” Een jonge vrouw achter me lachte zachtjes. Herkende ze iets in wat ik zeg?

Het blok wordt aangestoken. Twee lichtkogels gaan met een knal de zwarte hemel in. Boven de horizon staat een prachtige oranje maan, in een halve schijf. Hij komt niet op, hij gaat onder. Drie uur in de nacht en de maan gaat onder. Ze zien het niet. De mannen kijken naar de lichtkogels. Na twee knallen houdt het plotseling op. Het indrukwekkende blok blijft zwijgen in het midden van het grindpad. Een van de mannen schopt hem teleurgesteld de berm in. “Nat geworden. Waardeloos spul. Je hebt het zeker behekst.” Er volgt een kort grijns in mijn richting. Ik grinnik en leg kort mijn hand op zijn arm. “Sorry hoor”. De vrouw die zojuist nog zachtjes lachte komt naar me toe en omhelst me. “Nu maar lekker slapen” zegt ze. En dat doe ik. Een vrouw die je omhelst, dat helpt altijd. Maar opgelost is het daarmee nog lang niet.

Vuurwerk mag niet meer en dat is niet voor niets. Maar nog steeds is het een kleine groep fanatiekelingen, meestal mannen, die het asociale ritueel vurig aan elkaar doorgeven. Vrouwen en mannen die er niks mee hebben doen gelaten mee, wat moet je anders. En al zegt de boer dat dit een stiltecamping is, voor hen is het een heilige traditie. Vuurwerk lijkt de band van sommige groepen mannen onder elkaar te versterken. Ze zullen doorgaan, bondgenoten werven, hun zwaarden poetsen als er weerstand is. Steeds weer ergens anders opduiken. We zijn hier nog niet klaar mee.

.

Drukke paden, lege nesten

Eieren, kuikens en huisdieren. Kijk en luister naar wat er vliegt en fluit, ook als je stapelgek bent op je hond of kat.

Foto Alex Strauss eieren oeverzwaluw, Jaclou golden retriever, compositie Alowieke

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik sta net mijn spade schoon te maken wanneer Sytz eraan komt. Hij heeft zijn hond bij zich, een Friese Stabij die vrolijk meeloopt en meteen komt als hij fluit. Ik ken de honden uit de buurt, ik weet precies welke onder appel staan. De hond van Sytz vertrouw ik wel, met zijn baas. Die loopt niet in zeven sloten tegelijk. “Hoi” groet Sytz als hij mij ziet. “Is dat jouw werk daar, die dikke bomenhaag? Dat wordt nu echt wat hè?” Ik glunder. “Ja, de kleuren zijn telkens weer prachtig. Elke keer staan er andere bomen in bloei.” Hij knikt kort. “Ik zal er zo eens langswandelen,” zegt hij. “Doe dat.” Mijn toon is hartelijk, want het is tenslotte een heel aardig blijk van belangstelling. Maar ondertussen denk ik aan al die nesten die daar intussen zitten. De spotvogel, het puttertje, de rietzangers. Ik houd van vrolijke honden en zij van mij. Maar ik houd geen oog van de uitbundige huisdieren af wanneer ze langs het Verhalenpad lopen te dollen. Ik moet ook denken aan een andere plek, vlakbij Deinum. Daar hebben ze een prachtige wand gemaakt met gaten er in, voor oeverzwaluwen. Ik vertel het aan Sytz. “Ken je die plek?” vraag ik “Een prachtig project. Voor de wand is een vijver. Er staat een informatiebord bij en er is een wandelpad, tussen de bloemen door. Maar dat is kennelijk een hondenuitlaatplek geworden. Ik was er gisteren. Er was geen zwaluw meer te zien. En dat is een heel duur project geweest.” Hij duikt in elkaar. “O ja, sorry. Ik laat hier ook altijd mijn hond loslopen. Hoeveel kwaad kan het als hij gewoon langsloopt?” Hij is even stil. Bedenkt zich dan. “Maar ik heb hem altijd onder appel!” Hij recht zijn schouders en kijkt trots naar de hond die nog steeds vlak naast hem rondsnuffelt. Ik knik geruststellend. “Ja dat weet ik. Het belangrijkste is dat hij niet het riet inschiet, daar zitten de rietvinken en de rietgors, en dat zijn heel kwetsbare nestjes die daar tussen de rietstengels bungelen. Hij knikt. “Ik dacht altijd dat katten veel erger waren dan honden. Maar ik begrijp nu steeds beter dat ook wij met onze honden ook op moeten letten. Als we ze steeds opjagen worden de eieren koud. Dat zei de boswachter die ik deze week sprak. Natuurlijk heeft hij gelijk. Ik heb er nooit aan gedacht.” Ik glimlach. Niet alle mensen zijn zo. “Mijn hond doet geen vlieg kwaad!” lachen hondenbazen dikwijls. Wandelen in het bos of in de wei met hun hond is hun ultieme natuurbeleving. Helaas zijn het zijn er veel te veel, daar gaat veel kapot aan. Verschrikkelijk veel mensen hebben een huisdier. Dat is gewoon niet leuk meer. Ook mij wordt gevraagd: “Is dat niet gezellig voor jou, een hond of kat?” Ik zeg altijd nee. “De vogels zijn mijn maatjes. Nu heb ik mezen die op een halve meter afstand komen. Dat is toch prachtig!” Toch begrijp ik het wel, dat het gezellig is met een kat of hond. En dat het heerlijk is om je beest eens lekker wild in een vijver te laten ravotten. Ten slotte moet hij de oerhond in zichzelf ook eens kunnen uitleven. Maar als die vijver voor een broedwand ligt met oeverzwaluwen dan gaat er iets goed mis. Net als bij Deinum. Ze hebben er nu een bord bij gezet, het is een bezorgde tekst van een zwaluwvolger, met de hand geschreven:

“Honden aan de lijn! En laat uw hond beslist niet zwemmen in de vijver. Dat verstoort het broedproces.”

“Oeps, niet aan gedacht.” denkt de vrolijke hondenliefhebber. De blik gaat naar de gaten waar vogels uit horen te vliegen. Alles is leeg. Het is dus kennelijk fout gegaan. En dat is dan mijn schuld, denkt hij. Hij kijkt zijn hond aan. Die is zich van geen kwaad bewust. Zou het nog goedkomen? Alleen als de mensen meewerken lukt het. Dus, waar je ook bent:

In de lente als er kuikens zijn, houd je hond dan aan de lijn.

Of in het Fries: Pykjes in t lân, poes in ‘e kuorke ! (Kuikens in het land, poes in de mand.)

Nu nog in het Twents en in het Brabants. En alle andere dialecten. Dan snappen ze het uiteindelijk overal: Genieten van de lente en zorgen voor wat leeft. Ik doe in elk geval mee!

.

.

Luister en kijk ook even naar de Friese zanger van de band “Hûnekop” en zijn kat Gurbe. Moai man! 🙂

Schuttingen of bondgenoten

Ik loop door een steeg waar ik vijftig jaar geleden ook liep. Nergens zijn kinderen. De huizen zijn forten geworden. Maar ik ontmoet een kleine bondgenoot.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Duur: ongeveer negen minuten.

Terug in mijn geboorteplaats. Voor het eerst sinds bijna vijftig jaar loop ik weer door het steegje. Het is een van de steegjes die tussen de tuinen van de huizen door loopt. Het waren mijn favoriete routes. Avontuurlijk was het, het smalle pad tussen hagen en struiken door. Er waren struiken met witte besjes die knapten tussen je vingers. Soms zaten er jongens in het raam die mij beschoten door diezelfde besjes in een pvc pijp te stoppen en heel hard te blazen. Ik lachte, het deed geen pijn en bovendien schoten ze altijd mis. Sommige paadjes waren van grind gemaakt, ik zocht naar de mooiste kiezels of naar vuurstenen die vonkten als je ze tegen elkaar aan ketste. Sommige tuinen hadden tuinhekjes, bij anderen kon je direct het pad oplopen naar de achterdeur. Maar nu! Alles is zo onherkenbaar veranderd. Het lijkt wel een gevangenis. Allemaal dezelfde houten schuttingen torenen hoog boven me uit. Ik hoor maar weinig vogels en ook kinderstemmen ontbreken. Wat is er gebeurd?
Gezinnen zijn eilanden geworden, met een fort eromheen. De tuinen zijn betegeld, dat spaart tijd. De kinderen zelf spelen de hele dag op hun telefoon of zitten vast op een BSO. Als je zelf geen kinderen hebt en er beroepsmatig niet mee te maken hebt, kom je ze maar zelden tegen. Als ik ze heel soms wel ontmoet, zijn het net kleine verrassingen. Zoals vorige week.

Ik ben op bezoek bij een leefgemeenschap. De moeder van het tweejarige meisje runt hier de moestuin. Dat doet ze samen met vrijwilligers. Met zijn vieren werken we aan een van de groentebedden. De kleine meid zit op haar knieën naast me terwijl ik doe alsof ik een hijskraan ben. Met een langzame zwaai gaat mijn arm omhoog terwijl ik een langgerekt gebrom laat horen. Dan valt de arm met een klap op de aarde neer, waar ik in één graai een heleboel onkruid uittrek. Tussendoor wijs ik haar op de piepkleine kiemblaadjes, die uit moeten groeien tot bosjes oranje wortels. “Die moeten we laten staan hè?” Ze knikt. Ze krijgt er maar geen genoeg van, ik moet het steeds weer doen. De machine-arm die met een vaartje neervalt, en dan het wijzen op de kleine plantjes waar we zuinig op zijn. De drie anderen wieden serieus door. Haar moeder werkt naast me. De vader is er niet, die woont in een heel ver land.
Als we even later aan tafel zitten te pauzeren hoor ik iets, een klaaglijk gemiauw. Ik kijk door het raam en zie de oude zwart-witte kat. Wat is er met hem? Nieuwsgierig sta ik op en loop door de gang naar de voordeur. Als ik de deur opendoe, ben ik opeens niet alleen meer. Alsof ze uit de lucht gevallen is, zo staat de kleine meid naast me te kijken. Razendsnel en net zo nieuwsgierig als ik. Het is alsof ik een bondgenoot heb gekregen. Iemand die me ogenblikkelijk volgt en meekijkt. Een unieke ervaring. Verbaasd kijk ik neer op de rossige krullen naast me. Maar de poes is weg. Waar is hij? Vlak achter ons komt een vrouw aanlopen. Ze had de poes ook gehoord. Ze schudt met een bus brokjes. De kat loopt langs ons heen naar binnen. “Die heeft vandaag een heel ontvangstcommité “ zeg ik, nog steeds vrolijk om het feit dat ik niet de enige ben die hier staat.

Samen spelen in het groen. Daaraan denk ik wanneer ik door de lege stegen loop. Dezelfde plek als bijna vijftig jaar geleden maar zo totaal anders. Wat zou het mooi zijn als de hoge kale schuttingen weer heggen werden, en bosjes met openingen ertussen. Al die verschillende soorten groen en al die bloemen, waartussen je de tuin kon zien met spelende kinderen in het gras en in de bomen. Dat er weer met bessen werd geschoten vanuit de ramen. Al die tuinen, al die mensen. Kinderen. Waar zijn ze?

.

.

Bovenstaande afbeelding is gemaakt met AI. Daarmee wordt het bizarre van de situatie nog eens extra uitvergroot.

Het zoemt tussen de bosjes

Luisteren en kijken naar insecten in de bosjes. Alles wat aandacht krijgt groeit. En dat is voor de insecten hard nodig. Wij willen meer! In aantal en verscheidenheid. Kijken kun je overal. Samen in een groot bos of in je eentje achter je eigen huis. Zelf een wilg planten kan natuurlijk ook. Of andere aantrekkelijke bloeiers zonder pesticiden.

Een zweefvlieg. Foto: Vroege Vogels

“Laten we dit vaker doen! Met elkaar het bos in gaan om insecten te zoeken.” Het is een dertiger die dat zegt. Met zijn zevenen staan we bij een bosje naast het water. Geen bijzonder bos, gewoon een groepje wilgen en populieren naast een drukke verkeersweg. De wilg, gewoon en toch zo bijzonder. Aan de overkant is de MacDonalds. Jerre Wiersma heeft ons meegenomen, van de Insectenwerkgroep Friesland. Er zijn mensen van zijn werk, de jonge directeur van het uitzendbureau en zijn vrouw. De vrouw is huiverig voor beestjes. Hier hoopt ze op andere gedachten te worden gebracht. Dat lukt aardig geloof ik, al meerdere keren heeft ze zich geuit in verraste kreten over dingen die ze nooit geweten heeft. En nu zegt haar man ook nog dat hij het voor herhaling vatbaar vindt. Ze kijkt verwachtingsvol naar het antwoord van Jerre. “Het bos in met elkaar is leuk” zegt Jerre “Maar het is effectiever om het in je eigen buurt te doen, bij een bosje waar je vaak langs komt. Dat hoeft niet eens groot te zijn. Als je dat regelmatig doet, dan zie je veel meer en dat kunnen we dan met elkaar delen.” De man kijkt enigszins teleurgesteld. In zijn eentje thuis vindt hij wellicht veel minder leuk. Of misschien heeft hij daar helemaal geen leuke bosjes. “Maar het kan best allebei hoor!” zegt Jerre “We hebben het er nog wel over, hoe en wat.” De man glimlacht tevreden. Het volgende moment vangt Jerre iets in zijn netje. Het is een gitje, die tussen de wilgen ronddwaalt, in de luwte. Daarvan zijn er een heleboel soorten en ze houden van water in de buurt. “De larven zitten in plantenstengels en ze komen eruit als zweefvlieg. Met de zweefvliegen gaat het nog slechter dan met de bijen. Wel vijfenzeventig procent is verdwenen.” vertelt Jerre. “Ze zijn kennelijk nog gevoeliger voor pesticiden dan bijen. Ik richt me nu speciaal op zweefvliegen,”zegt Jerre, “Dat is het meest nodig.” De vlieg is uit het net gekropen en is alweer gevlogen. Maar vlakbij zit een nog mooiere, ook een zweefvlieg, met gele en zwarte strepen als een wesp. Hij vertelt hoe hij heet, maar ik heb geen pen bij me om het op te schrijven en een tekening te maken. De volgende keer neem ik een schetsboekje mee, besluit ik. Want ik ga dit vaker doen..

Wat boeit er nou eigenlijk zo aan insecten? Het zijn tenslotte maar kleine beestjes en ze zingen niet zoals vogels. Maar ondertussen zijn ze O zo belangrijk. Veel vogels eten insecten. Zelfs wespen worden gegeten, vooral als de grond in augustus te hard en droog is om wormen te vinden. En als je er goed naar kijkt blijken er prachtige soorten te zijn, of juist heel monsterachtig als je ze met een vergrootglas bekijkt. Sommige zijn zo verbazingwekkend klein dat je ze niet eens kan zien. En al zingen ze niet, ze zoemen wel en er zijn zandbijtjes die allemaal een andere geur hebben. Sommigen doen zenuwachtig, anderen zijn wat luier. Maar wat mij ook interesseert: Inheemse wilde insecten zijn vaak gericht op bepaalde planten. Soms zijn ze helemaal afhankelijk van een bepaalde soort. En omdat ik een planter ben, wil ik graag weten wie er gebruik maakt van wat ik in dit land laat groeien. Het geeft me een voldaan gevoel als de bloemen en bloesems worden bezocht. En als ik de gitjes een huis kan geven voor hun larven dan is dat toch mooi. Ik begrijp Jerre wel, als hij zegt dat het interessanter is om in je eigen buurt te kijken, op steeds dezelfde plek. Het wordt een verhaal, dat bij je hoort. En langzaamaan leer je steeds meer inzien hoe dingen in elkaar steken. Daarom heet mijn project ook het Verhalenpad. Het gaat niet om de verhalen van mensen, die zijn er al genoeg. Het gaat om verhalen van de dieren zelf en hoe wij ermee omgaan. Ik gebruik ook enkele kunst grepen. Langs het Verhalenpad heb ik twee pompen op zonne-energie. Ze liggen in de sloot. Een ervan vult constant een aantal kuilen, vanaf de bult steeds lager, die dan overlopen in de greppel. Daar blijft altijd een laagje staan, voor het de sloot in loopt. De boterbloemen zijn er hoog opgegroeid met grote bladeren. Wilgenroosjes verdringen zich om de eerste te zijn. Het is een prachtige plek. Wat zal er nog meer gebeuren? Zullen hier veel gitjes komen te wonen? En kikkers? Alles is met elkaar verbonden, en insecten zijn een belangrijke schakel. En terwijl ze vliegen van boom tot boom, bestuiven ze mijn kersen, appels en peren. Wellicht is het een mooie uitdaging, om met elkaar het kleinste en meest kwetsbare te onderzoeken, ons erover te verwonderen en het met elkaar te delen. Overal zijn natuurverhalen, maar je kunt ze nooit allemaal volgen. Dat gaat het beste thuis. Heel vertrouwd en om de hoek. Als meer mensen dat doen, dan kunnen we op een gegeven moment bij elkaar langs gaan, en dan kan ieder een voor een vertellen welke verhalen er groeien op zijn of haar land. Maar eerst blijven planten en steeds weer blijven kijken. Dat is de uitdaging. We zullen zien wat er groeien gaat.

.

De wereldwijde achteruitgang van insectenpopulaties heeft tot grote belangstelling geleid bij wetenschappers, politici en het grote publiek. Verwacht wordt dat het verlies aan diversiteit en het verdwijnen van de overvloed van insecten een domino-effect zal hebben. Het zal voedselketens en ecosysteemdiensten in gevaar brengen.
Bron: https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809

Breda wil groen zijn, ‘een stad in een park’. Niet alleen omdat de mens gelukkig wordt van natuur om zich heen, maar ook als open uitnodiging aan insecten, de cruciale bloembestuivers, grond-omwoelers en waterzuiveraars die het ontzettend moeilijk hebben.
Bron: https://www.trouw.nl/es-b593935c/

Ook had Vroege Vogels op 19-04-26 een item over bijen in het eerste uur van de uitzending.
https://www.nporadio1.nl/podcasts/vroegevogels/139856/vroege-vogels-blauwborst-pijlinktvis-en-aziatische-hoornaar-19-apr-2026-0700-1000

Wij zijn niet de enigen die de vliegen in de gaten houden. Deze rietzanger fotografeerde ik vlak voor mijn raam. Hij eet insecten die hij in de dichte vegetatie langs de oever verzamelt en keek even wat er hier te halen viel.

Alles wat er is, is mij dierbaar

.

.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapevachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde alles weer recht. Uiteindelijk vond ik rust en sliep ik in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, alles zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapenvachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde het weer recht, vond eindelijk vond ik rust en sliep in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een slaperige sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, mezelf als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

.

Het juiste moment

Het is net als in de Kleine Prins, wat je aandacht geeft, daar ga je van houden. Met liefde en transpiratie komt de transformatie.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het gras is nat, de lucht is helder. Het wordt weer warmer. Ondanks dat het wat geregend heeft is de grond is nog steeds hard en de mol heeft zich teruggetrokken in het gebied van de wadi’s en de greppels. De zonnepomp bevochtigt het stuk waar de nieuwe boompjes staan en een kikker neemt een duik in de modder, onderin de volgelopen kuil. De zwaluwen vliegen een stuk verderop. Ik zie ze in een vaart over het water scheren. Ze vangen kilo’s muggen en eendagsvliegen. Knap hoor! Ik pak mijn graszeis, die naast de ruigtezeis staat. Het wordt al een hele collectie. Dat is nodig ook, want de gepensioneerde man die kwam maaien heeft er steeds minder zin in, en loonwerkers zijn peperduur, zeker op dat hobbelige greppelland. Mijn aanschaf is dus niet alleen een cadeautje voor mezelf, maar dient ook een algemeen doel. Ten slotte is dit land wel acht hectare groot.Aan een spijker aan de muur hangt de sikkel, die ik voor riet gebruik. Met de zeis in de hand sluit de houten deur van het kleine schuurtje en loop tussen de wilgen door. Eerst door het Voorhof, tussen de jonge elzen door, verder naar het veld waar de nieuwe boomgaard moet komen. Elke dag een stukje zeisen, dat maakt de spieren sterk, en de band met het land groter. Het verhaal van de Kleine Prins vertelt het ons, waar je aandacht aan geeft, daar ga je van houden. Liefde met transpiratie, dat doet wat. De biodiversiteit groeit met de dag. Tussen de nieuwe aanplant kom ik niet met de zeis, daar trek ik het gras uit en ik gooi het neer. De begroeiing verandert. De moerasandoorn verspreidt zich het snelst. Die hoort hier echt thuis, ik vond hem een keer tussen het riet en de brandnetels. Daarna heb ik er nog een paar bij geplant. De daslook breidt zich ook uit, maar een stuk minder snel. De kleine boompjes doen het goed. Het is nog geen bosje maar dat wordt het wel. De elzen groeien en de zuurbessen en het sporkehout lopen zonder uitzondering allemaal uit. Ze hebben al drie maanden tijd gehad om te wortelen. Dan kunnen ze de droge lente goed aan en hoef ik weinig water te geven. Overal tussen de elsjes komt veldzuring op, die de harde grond perforeert met zijn penwortel. Al het leven werkt mee, om van dit land iets moois te maken. Er gebeurt hier veel. De grond heeft me nodig, heeft óns nodig. Soms speelt de verleiding om op avontuur te gaan, op ontdekkingstocht. Een droom die mij al lokt sinds mijn jeugd. Sinds ik op mijn veertiende zes weken door Noord Amerika reisde, met mijn ouders. Sindsdien speelt dat verlangen. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over bezoek aan indianenstammen en wereldreizen. Heb je niks te vertellen als je dat niet doet? Wat je van ver haalt is lekker. Maar wat dichtbij groeit hoort bij je. Al is het minder exotisch. Het is net zoiets als zacht spelen op een saxofoon. Een luide stem opzetten is makkelijker en iedereen hoort het. Zacht spelen is veel moeilijker en je valt minder op. Net zoiets is kiezen voor je eigen verhaal, en niet het exotische van ver weg. Juist thuis te blijven. In dit land, dat het jouwe is, al zijn er 18 miljoen die dat zeggen. Met elkaar is het ons land, een lappendeken waarop je steeds verder in kan zoomen. Nogal een uitdaging, om het zachte, subtiele spel toch vol te houden, ten midden van dit alles. Het gaat ook om beheersing, denk ik.

Ik stap het veld op. De dauw hangt aan de lange halmen. Het is goed dat het nat is, dan glijdt de zeis beter door het gras. Ik maai zoals ik geleerd heb. Linker voet vooruit, zeis naar achteren, zwaai naar voren. Een mooie lange beweging, bijna halfrond om me heen. Dan een volgende stap. Even gaat het bijna mis. Ik moet de zeis wel goed horizontaal houden, anders botst hij tegen de harde klei. Maar elke dag gaat het beter en ik raak ook niet meer buiten adem. Het gras valt neer en bedekt de bodem. Het zal het vocht vasthouden, de wormen voeden. Ik help de aarde. Elke dag is er wel iets wat om me vraagt. De wei, de wormen, de bijen, de bomen. Maar ook de boer of de buren. Ik zing mijn partij, subtiel en zacht, maar toch krachtig.

Het is een uitdaging om niet het meest spectaculaire of exotische te kiezen. Om rustig te wachten tot het zover is, gewoon dichtbij huis. En tot die tijd heel rustig door te gaan. Zwoesj, zwoesj, gaat de zeis. Het wordt een warme dag. Nog even en de zon droogt het gras. Maar nu is het nog vroeg en het veld glinstert van de dauw. En ik ben er. Precies op het juiste moment.

.

.

Van Sandy van Zeisles.nl, in Zeeland

Scheppen

.

Het lage land van het Noorden (eigen werk)

.

Kan een schilderij op tegen de ongelooflijke magie van de werkelijkheid? Ik schilder weer, drie dagen op de kunstacademie.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog steeds vind ik het een enorme luxe. Dagen die zich uitstrekken en ik mag kiezen. In de winter slaap ik uit en in de zomer zijn de dagen lang. Het land lokt mijn groene vingers, een tijdloos gebeuren. Er groeien bomen en struiken, en hun silhouetten steken af tegen de blauwe lucht van deze warme zomerdag. Het blad beweegt in de wind. Overige akkers hebben hun tweede snede gehad, het enige wat daar beweegt zijn de laatste trekkers die wegrijden. Een zwerm spreeuwen vliegt op en strijkt neer, steeds opnieuw. Net als ik. Opvliegen en neerstrijken.
Als ik in de vroegte over het Verhalenpad loop, verwonder ik me over de prachtige hoekjes die er ontstaan. De witte berkenbast van de koningsboom, de grootste, precies in het midden van de bult. De paarse kattestaart erachter. De kaardebollen zijn nog in knop. Verbaasd kijk ik naar de contouren van de toppen die afsteken tegen de violetblauwe hemel. Het puntige blad dat naar twee kanten uitsteekt, met drie bloemen op steeltjes in het midden. Het is als een Venetiaanse gondel met drie dansende draakjes erin.
En dit heb ik allemaal geplant, gezaaid en uitgezet. Het groeit en groeit en het wordt mooier dan het mooiste schilderij. Het verandert met de dag en zonder dat ik erbij ben. Steeds meer komt erbij, en soms verdwijnt er iets. Ik krijg er nooit genoeg van. Waarom zou je schilderen als de werkelijkheid onovertreffelijk is? En je dit ook nog eens zelf kan scheppen? Waarom dan niet veel meer scheppen met vuile handen?

Toch ben ik weer gaan schilderen. Opnieuw ben ik in de kunstacademie in Leeuwarden. Drie lange dagen. Ik was vergeten hoe het is om de hele dag les te krijgen, en om steeds te moeten schakelen in een ritme dat een ander aangeeft. Maar ik doe het. Ik schilder. Het begint moeizaam, dat ken ik goed. Zo is het altijd met mijn beste werk. Het is de kunst om niet af te haken, maar concentratie op te bouwen. Als de docent me er voor de derde keer uithaalt om iets te vertellen, zeg ik dat ik daar moeite mee heb. De anderen zijn al veel verder, ik kom er maar niet in. Ik krijg toestemming om door te schilderen, terwijl ik luister. Dan is het weer een hele poos doodstil. Alleen het ademen van een slapende hond doorbreekt de stilte, als het bewegen van de zee. De concentratie stijgt. Het werk wordt goed! Langzaam kom ik in de ban, een gepassioneerde gloed waarin de laatste kwaststreken op het paneel belanden.
Precies zo zou ik hoekjes uit het Verhalenpad kunnen schilderen. Maar tegelijkertijd vraag ik me af waarom. De werkelijkheid is immers nog veel magischer. Doe ik er niet beter aan om al mijn tijd te stoppen in planten en scheppen van deze levende wereld? Nee, toch niet. Want het schilderen brengt het Verhalenpad verder dan hier. Het brengt me bij mensen, het maakt dat ik de beelden kan delen die ik zie. Al schilderend vertel ik wat woorden niet kunnen. Ik kijk naar de anderen, en zo groeit gezamenlijkheid. Kleine ergernissen verschrompelen bij de warmte van dit gebeuren. Soms heeft de één een dip, dan de ander. Ik kijk bij de anderen en ik geniet ervan om te praten over wat we doen. Het zweten en de inspanning, het enthousiasme als iets lukt. Een levend schilderij is niet te evenaren. Maar het scheppingsproces van eigen handen heeft ook een eigen magie. En dan, naast mij, de ander, net zo hard bezig met haar eigen werk als ik met het mijne. Ik weet dat ik terug kom, de kunstacademie in Leeuwarden. Al is het een heel eind fietsen.

.

.

Meidoornbloesem

.

.

De lente begint teder en sluierwolken verzachten het licht. Het land is nog vochtig en planten en bomen ontluiken. De eerste knoppen barsten open, terwijl de laatste vorstige nachten voorbijgaan. Sommigen zijn aarzelend, anderen enthousiast. Steeds verder openen ze zich, nu duidelijk is dat de koude winden voorbij zijn. De vele regen is geabsorbeerd door de bodem of weggespoeld in de stroom. Uitbundig groen en bloesems stralen alsof ze de bruid zijn. Weiden tot aan de horizon wuiven in de wind. En dan komt de felle zon terug, dagenlang. Een harde droge wind waait. De kleibodem begint weer te barsten, de velden zijn gemaaid. De prille lente is weer voorbij. Maar niet zonder dat ik dit gedicht heb geschreven.

De koude wind is eindelijk klaar
klaar issie met loeien
Lieve mens verbaas je maar 
hoe alles weer gaat groeien
hoe de tedere tovenaar
de meidoorns weer doet bloeien
langs de kant de ooievaar
terwijl de twee gelieven roeien 
Met bloemen in hun haar

(Deze week bij uitzondering geen geluidsopname)

Natuurherstel van binnenuit

.

.

Liever luisteren? klik op de knop onderaan.

“Nederlanders zijn geweldig met natuur!” zegt David Attenborough in een wat ouder artikel. Met open mond lees ik zijn uitspraak. Waar haalt hij dát nou vandaan? Ik wil de tijd nemen om de rest te lezen, schenk een kop thee in en ga weer zitten. Ik lees al snel waarom hij in deze hersenkronkel verzeild is geraakt. Eigenlijk is het vrij logisch, vanuit hem gezien. De Nederlanders geven het meeste uit aan natuurorganisaties. Dat is het dus. Tja, wat weet hij er nou van. Hoe wij hier in een spagaat liggen tussen wat we zouden willen en wat het is. Onze natuur gaat hard achteruit, maar we zijn de beste donateurs. Je zou het de natuurparadox van de Nederlanders kunnen noemen.

We willen wel groen, maar dan niet de rommel ervan, en niet teveel werk. Grote wooncoöporaties vertalen dat als: “Mensen willen het netjes hebben om het huis”. Die norm is de bijl waar men mee hakt, en het wordt strak en rigide uitgevoerd. Is er dan eens een huurder met groene vingers, dan worden die vingers eerder afgehakt dan gestimuleerd. Zodra de huurder vertrekt wordt het grootste gedeelte van zijn werk met de grond gelijk gemaakt. Een enkele coöperatie doet het wel, huizen met een basistuin aanbieden. Een grasperk. Of een tegelplaats met één boompje. Het is een begin, maar toch vrij karig. Het trieste gevolg is nog altijd, dat vijftig procent van de stadstuinen betegeld is.

Ook op het platteland is de toestand schrijnend. Ouderen weten nog hoe het was, de elzenhagen in Brabant, de greppels in het Noorden, de vele vogels en bloemen in de wei. In de boeken van Thijssen kun je landschappen zien waar je stijl van achterover slaat. Er is in vijftig jaar verschrikkelijk veel veranderd. “Tja, zo is het nou eenmaal. Er moet brood op de plank komen.” Met het hoofd tussen de schouders fietst hij door, de man die het graag anders zou zien. De aardappels die er moeten groeien zijn voor de export. Als het vakantie is, vlucht men massaal het land uit, naar landen waar nog wél natuur is.

Hij is niet de enige, die zijn gevoel van verlies onder het kleed stopt. Is het daarom, waarom we zoveel geld doneren? Het klinkt logisch. We zijn bang dat alle natuur om zeep wordt geholpen, omdat dit het is, wat we om ons heen zien gebeuren. Maar geld is maar geld. Daarmee heb je de natuur nog niet terug. En zeker niet in je eigen, wilde zelf. Want om je heen verandert er nog steeds niks. Zowat elke stedeling haast zich om zijn afspraken na te komen, kinderen weg te brengen en op te halen, het huis schoon te houden. De stress stapelt zich op, en door de stress kan je niet meer helder zien wat van wezenlijk belang is.

Bomen brengen ontspanning. Als er een referendum is over de inrichting van een stadsdeel, dan kiest men massaal voor de groene oplossing. Het is dus helemaal niet zo, dat mensen een kale omgeving willen. Tegeltuintjes zijn een noodoplossing, ontstaan vanuit een zieke wereld, die te ver is doorgedraaid. In feite is zijn dit symptomen daarvan. Gezonde mensen helpen bij de genezing. Ze werken creatief mee met de natuur, in plaats van er tegen in. Stress maakt dat creatieve denken echter onmogelijk. Maar al te makkelijk schiet de stedeling opnieuw de auto in, om kilometers verder uit te stappen aan zee, of in een natuurgebied. Zelfs al staat hij ervoor in de file. Dat kan anders. En de noodzaak om dat ook te doen, wordt steeds groter.

Dus schrappen wat onnodig vermoeit is een eerste stap. Als dit gepaard gaat met emoties, dan moeten die worden verwerkt. Mensen zoeken de natuur op, om dat te doen. Dat kan natuurlijk, om te beginnen. Maar met een fijne eigen tuin in een groene buurt, dan hoef je straks niet meer te vluchten, om tot jezelf te komen. Thuis wordt dan een heerlijke plek.

Stel dat de hele stad vergroenen zou, hoeveel gelukkiger zouden we dan zijn! Dat bomen en planten ons beter kunnen maken, dat is zelfs bewezen.

Het begint bij rust, de rust om het te zien. Dromen van je eigen plek in de wereld. Proeven aan het wilde in jezelf, dat er nog altijd is. Een plensbui op je blote huid. Keihard fietsen tegen de wind in en dan je jas wijd open slaan als een zeiltje, om je terug te laten blazen. Modder die tussen je tenen doorsijpelt. Voelen hoe een worm in je handpalm kronkelt en het laten zien aan de kinderen. Klimmen in een boom en luisteren naar wat je hoort. Natuurherstel van binnenuit. Hoe dichter bij de groene wereld, hoe gezonder we zijn. Natuurherstel van binnenuit.

Dit is een verkorte versie van een stuk uit mijn boek