Schuttingen of bondgenoten

Ik loop door een steeg waar ik vijftig jaar geleden ook liep. Nergens zijn kinderen. De huizen zijn forten geworden. Maar ik ontmoet een kleine bondgenoot.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Duur: ongeveer negen minuten.

Terug in mijn geboorteplaats. Voor het eerst sinds bijna vijftig jaar loop ik weer door het steegje. Het is een van de steegjes die tussen de tuinen van de huizen door loopt. Het waren mijn favoriete routes. Avontuurlijk was het, het smalle pad tussen hagen en struiken door. Er waren struiken met witte besjes die knapten tussen je vingers. Soms zaten er jongens in het raam die mij beschoten door diezelfde besjes in een pvc pijp te stoppen en heel hard te blazen. Ik lachte, het deed geen pijn en bovendien schoten ze altijd mis. Sommige paadjes waren van grind gemaakt, ik zocht naar de mooiste kiezels of naar vuurstenen die vonkten als je ze tegen elkaar aan ketste. Sommige tuinen hadden tuinhekjes, bij anderen kon je direct het pad oplopen naar de achterdeur. Maar nu! Alles is zo onherkenbaar veranderd. Het lijkt wel een gevangenis. Allemaal dezelfde houten schuttingen torenen hoog boven me uit. Ik hoor maar weinig vogels en ook kinderstemmen ontbreken. Wat is er gebeurd?
Gezinnen zijn eilanden geworden, met een fort eromheen. De tuinen zijn betegeld, dat spaart tijd. De kinderen zelf spelen de hele dag op hun telefoon of zitten vast op een BSO. Als je zelf geen kinderen hebt en er beroepsmatig niet mee te maken hebt, kom je ze maar zelden tegen. Als ik ze heel soms wel ontmoet, zijn het net kleine verrassingen. Zoals vorige week.

Ik ben op bezoek bij een leefgemeenschap. De moeder van het tweejarige meisje runt hier de moestuin. Dat doet ze samen met vrijwilligers. Met zijn vieren werken we aan een van de groentebedden. De kleine meid zit op haar knieën naast me terwijl ik doe alsof ik een hijskraan ben. Met een langzame zwaai gaat mijn arm omhoog terwijl ik een langgerekt gebrom laat horen. Dan valt de arm met een klap op de aarde neer, waar ik in één graai een heleboel onkruid uittrek. Tussendoor wijs ik haar op de piepkleine kiemblaadjes, die uit moeten groeien tot bosjes oranje wortels. “Die moeten we laten staan hè?” Ze knikt. Ze krijgt er maar geen genoeg van, ik moet het steeds weer doen. De machine-arm die met een vaartje neervalt, en dan het wijzen op de kleine plantjes waar we zuinig op zijn. De drie anderen wieden serieus door. Haar moeder werkt naast me. De vader is er niet, die woont in een heel ver land.
Als we even later aan tafel zitten te pauzeren hoor ik iets, een klaaglijk gemiauw. Ik kijk door het raam en zie de oude zwart-witte kat. Wat is er met hem? Nieuwsgierig sta ik op en loop door de gang naar de voordeur. Als ik de deur opendoe, ben ik opeens niet alleen meer. Alsof ze uit de lucht gevallen is, zo staat de kleine meid naast me te kijken. Razendsnel en net zo nieuwsgierig als ik. Het is alsof ik een bondgenoot heb gekregen. Iemand die me ogenblikkelijk volgt en meekijkt. Een unieke ervaring. Verbaasd kijk ik neer op de rossige krullen naast me. Maar de poes is weg. Waar is hij? Vlak achter ons komt een vrouw aanlopen. Ze had de poes ook gehoord. Ze schudt met een bus brokjes. De kat loopt langs ons heen naar binnen. “Die heeft vandaag een heel ontvangstcommité “ zeg ik, nog steeds vrolijk om het feit dat ik niet de enige ben die hier staat.

Samen spelen in het groen. Daaraan denk ik wanneer ik door de lege stegen loop. Dezelfde plek als bijna vijftig jaar geleden maar zo totaal anders. Wat zou het mooi zijn als de hoge kale schuttingen weer heggen werden, en bosjes met openingen ertussen. Al die verschillende soorten groen en al die bloemen, waartussen je de tuin kon zien met spelende kinderen in het gras en in de bomen. Dat er weer met bessen werd geschoten vanuit de ramen. Al die tuinen, al die mensen. Kinderen. Waar zijn ze?

.

.

Bovenstaande afbeelding is gemaakt met AI. Daarmee wordt het bizarre van de situatie nog eens extra uitvergroot.