Biodiversiteit in onze weilanden en hoe we daarmee omgaan. De uitgestrekte vlaktes rondom. De Friese greide en de kruidenrijke wei van onze boer. Dagelijks ben ik aan het werk op het land van de Swetteblom, voor meer biodiversiteit en om waarnemingen te doen. Tegelijk denk ik na over hoe het beleid geregeld is, en steeds weer verandert. Maar werkt het ook?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Dit verhaal gaat over biodiversiteit in onze weilanden en hoe we daarmee omgaan. De uitgestrekte vlaktes rondom mijn Verhalenpad. De Friese greide. Dagelijks ben ik aan het werk op het land van de Swetteblom, voor biodiversiteit en om waarnemingen te doen. Sinds november 2020 ben ik hier neergestreken, en heb intussen 800 bomen en struiken geplant. Nu is het tijd om vaker te gaan uittekenen en beschrijven wat we hier zien en ruiken, het liefst met een groepje. De eerste heeft zich al gemeld! Kennis van de natuur kun je opdoen in boeken en op internet. Maar om er echt iets aan te hebben is regelmatige thuisstudie belangrijk. Ik kijk niet alleen naar insecten, maar ook naar andere dingen, want uiteindelijk heeft alles met elkaar te maken. Zo zag ik tijdens een kleine rondgang niet alleen distelvlinders, dagpauwogen, kleine vosjes, kleine vuurvlinders, keizersvliegen, reuzelibellen en een icarusblauwtje, ook sprong er een enorme bolle kikker weg, met een azuurblauwe glans op zijn rug! Wauw! Wat was dat nou? Er gebeurt zoveel, zonder dat je het weet!
Omdat het nodig is denk ik ook na over zaken op macro niveau, zoals subsidies. De boer krijgt dit jaar subsidie voor weidevogels, dat betekent dat er pas half juni mag worden gemaaid. Dat was dit jaar voor het eerst. Anders maaide de boer gefaseerd, eerst het ene stuk, dan het andere. Nu gaat alles in een keer en ook nog aan het einde van de lente, wanneer de meest opgetogen groei eruit is. Dat is dus ook vlak voor de bloei van onder meer wikke, rolklaver en veldlathyrus, die hier heel veel groeien in het veld. De zoete geur van hooi komt van die kruidige bloemen. Maar nu ze vlak voor de bloei gemaaid zijn, zijn ze maar heel magertjes teruggekomen. En als dat volgend jaar weer gebeurt kan dat ronduit een ontmoedigingsbeleid worden voor dergelijke kruiden. Er zullen natuurlijk andere planten gaan domineren, er is nog steeds witte klaver en de akkerdistelvelden groeien met rasse schreden. Dat komt ook door de droogte. Distels hebben daar geen moeite mee, maar andere planten wel, dus komt er steeds meer ruimte voor ze. Natuurlijk is het een waardevolle plant, die distel. Maar er zijn weinig dieren die ze eten en dan nemen ze al gauw een heel weiland in beslag met zijn allen. En we willen graag biodiversiteit. Zonde dus, als die andere planten dan ook nog extra op hun kop krijgen door ze vlak voor de bloei kort en klein te maken. Nieuw beleid is niet altijd beter. We zouden daar beter naar moeten kijken. We willen dolgraag de boeren helpen met gezond te boeren. Als de boer er goed mee verdient is de keus snel gemaakt. Maar wat is reëel? Komen hier dan inderdaad meer weidevogels? De boer zelf heeft gewoon het geld nodig, zoals elke boer. Hij zegt al snel ja. Er zijn steeds meer stijgende kosten voor boeren. Het zijn beleidsmakers die goed moeten weten waar ze aan beginnen. Natuur in de Friese weiden houdt meer in dan alleen weidevogels. Er zijn ook bloemen, kruiden en insecten. Ik denk dat dit als geheel beter onderzocht moet worden. Moeten we alleen maar denken aan weidevogels, overal en altijd, zonder het geheel te zien en ten koste van andere zaken?
Nu heb ik gehoord dat er volgend jaar veel meer soorten subsidie komen, een boer kan daardoor stapelsubsidies krijgen, voor greppels, vogels en meer, waardoor een stuk land veel opbrengt. Ik weet niet in detail welke thema’s dat zijn, maar ik hoop dat er goed naar wordt gekeken of sommige zaken niet tegenstrijdig zijn door de verplichting om bijvoorbeeld het hele gebied op één bepaald moment te maaien. Gefaseerd maaien en goed kijken waar en wanneer, dat is voor de plantenrijkdom veel beter weten we immers. Dat is ook wat de boer hier deed. Ook voor hemzelf was het ook minder belastend, af en toe een stukje houd je beter vol dan de hele boel tegelijk. En dan toch. Was dit niet goed? Ik ben geen beleidsmaker, geen boer, maar sta hier elke dag te werken en kijk.
Mijn stukje grond is maar klein, vergeleken bij die grote vlaktes. Maar toch moet je het niet onderschatten, qua natuurwaarde. Ik beheer hier 2000 m2 grond. Daar zitten nu steeds meer vlinders en vogels. Ik zou van de velden liever een vlinderparadijs maken dan te wachten op weidevogels, die toch evengoed wel eens langs komen wippen. Elke vogel wordt nu opeens met gejuich begroet, maar de boer zegt dat hij nog geen verschil ziet met andere jaren. Toen kwamen ze ook wel eens langs. Ze komen alleen nooit broeden, dat doen ze ergens anders. Moeten we dat nu uit alle macht willen? Elke plek heeft zijn eigen kwaliteiten. En ik doe mijn best als vrijwilliger, sober levend van mijn spaargeld hoop ik dit vol te kunnen houden tot mijn pensioen. En wanneer ik zie hoe het groeit geeft dat hoop, lust en levendigheid. Ik wil graag meer van dit! Maar alleen op vrijwilligers kan je het platteland niet onderhouden in onze wereld. Goed en gedegen onderzoek is en blijft daarom belangrijk. Laten beleidsmakers niet te snel geloven in een nieuwe regeling. De boeren worden al veel te veel heen en weer geknikkerd. Levert dit weidevogelbeleid echt meer op? Of wordt het met die toenemende droogtes vooral een veld vol distels? Hoe dan ook, we blijven ontdekken, of het nou leuk is of niet.
.
.