Een reis langs avontuurlijke plekken en mensen die ons voorgingen, beroemd of vergeten. En de onbevangen blik om altijd te blijven ontdekken waar of wie we ook zijn.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Je kunt geworteld zijn en tegelijkertijd een ontdekkingsreiziger in je hebben. Het is een vonk die nooit uitdooft, nieuwsgierigheid die altijd weer wordt opgewekt, als een bron die steeds weer opleeft en nieuw water geeft. De ontdekkingsreis zelf kan stoer zijn en avontuurlijk. Als kind deed ik graag dingen als eerste. Ik was de eerste die in een hoge boom klom, die de smalle richel onder de brug helemaal durfde over te steken tot aan het eind. Zelfs jongens durfden dat niet. Ik liep koelbloedig door de brandnetels, zwom in ijskoud water en als iemand zei dat iets niet kon, dan deed ik het juist. De eerste zijn was leuk. Beter was het nog als het ook gevaarlijk was. Ik wilde bergen beklimmen en geheimen in de aarde ontdekken, metershoog en mijlen diep. Dat is niets nieuws. Het rauwe avontuur lokt. Maar eigenlijk vooral bij mannen. In de geschiedenis zijn weinig vrouwelijke ontdekkingsreizigers. Meestal waren ze ook niet in de omstandigheid. Vrouwen kregen geen financiering, of moesten thuisblijven bij de kinderen. Of misschien zijn ze ook wel praktischer. Misschien denken vrouwen eerder: wat heb je eraan om kou of honger te lijden op een verlaten oord. Maar toch, het verlangen om te ontdekken blijft, bij mannen en ook bij vrouwen. En dat het gevaarlijk is maakt het alleen maar aantrekkelijker voor sommige mensen. Ik snap dat heel goed. Als het een tijd heel rustig is gaat het jeuken. Maar het aardige is, ik kan die behoefte vervullen zonder weg te hoeven gaan.
Allereerst zijn er boeken. “Over de rand” van Joe Simpson. Het ijzingwekkende overlevingsverhaal van een bergbeklimmer. Of verhalen uit de scheepvaart. Kleine euvels, grote stormen. Vanuit mijn eigen hol beleef ik het allemaal. Expedities naar Noordpool of Zuidpool. “Waanzin aan het einde van de aarde” van Julian Sancton. Een zeilschip in 1898, dat vast komt te zitten in het pakijs bij Antarctica. Drie maanden duisternis. De leegte, de gekte, de kou. Het eentonige eten, de scheurbuik. De angst en de wanhoop en hoe je je daar dan toch aan kunt ontworstelen. Ondertussen fluit de winterkoning zijn riedel in de boom boven het boek. Even kijk ik op, om hem te groeten. Dan lees ik verder. Ze gingen ver, die mannen, fysiek en mentaal. Sommigen eindigden in het gekkenhuis. Er waren echte fanatiekelingen bij. Mannen die niet alleen het verlangen hadden ontdekkingen te doen en ver te gaan, maar ook per se de eerste wilden zijn. Dat waren de sterksten. Namen als Nansen, Cook, Peary. Ik lees over de wedstrijd tussen Scott en Amundsen. Wie zou het eerste op de noordpool staan? Ze namen ze de vlag mee van hun land en de roem van de overwinning lokte. Maar Scott verloor en de Noor Amundsen won. Dat was een slimme man die altijd om zich heen keek en leerde van anderen. Slim en ambitieus was hij en dat was in zijn voordeel. Maar het verlangen om altijd de eerste en de beste te willen zijn maakte hem bitter. Als je iedereen wilt aftroeven houd je weinig vrienden over. Uiteindelijk was er ook niks meer te ontdekken. Alles was al ontdekt. Wat moet je dan nog als stoere vent? Cook ging borduren. Hij was heel gelukkig, vertlelde Amundsen die hem opzocht. En ook in borduren was hij goed, zoals hij in alles goed was. Amundsen, die de tijd op de zuidpool met hem deelde, vond het maar verdrietig, die geniale man in de weer te zien met naald en draad. Maar Cooks zijn ontdekkingstocht ging verder dan het gevaar, verder dan de onbestemde verten. Hij wist het in zichzelf te vinden, steeds weer nieuwe, onontgonnen gebieden. Het uittekenen van een plan om los te komen uit het pakijs van de zuidpool was voor hem net zo’n uitdaging als het uittekenen van een ingewikkeld borduurpatroon. Het maakte hem uiteindelijk niet uit.
Ontdekken kun je niet alleen door mee te leven met reizigers uit oude tijden. Je kunt ook ontdekken in het klein. Nieuwe vaardigheden opdoen, dingen zien die je altijd over het hoofd zag. Ook in de stad zijn verborgen plaatsen ze te vinden. Dat lege plein, achter het braakliggende veld met die plas in het midden. Of een zijpad in het bos, waar nooit een mens komt. Of misschien is daar een man of vrouw, die jij toevallig ontmoet en die daar thuishoort. Mensen die dingen weten, die velen zijn vergeten. Daarnaar luisteren is een herontdekking die veel kan losmaken.
We kunnen nu gewoon naar de Zuidpool, zonder gevaar. Megagrote cruiseschepen brengen je erheen, waar je verwarmd kan zwemmen terwijl het schip langs het metersdikke ijs vaart, dat steeds sneller wegsmelt. In zware lawines stort het blauwe ijs de zee in. Je drinkt je cocktail en kijkt ernaar. Dat is geen ontdekken meer, dat is meewerken aan de afbraak. Liever lees ik dus een boek. Een boek over oude tijden waarin zulke oorden alleen met levensgevaar werden verkend. Ik leer oude vaardigheden door me voor te stellen hoe hun handen de gereedschappen hanteerden. Ontdekken doe je net zo goed thuis. We kijken samen naar de horizon en struinen door het gras. Wie ziet de eerste boerenzwaluw, wie vindt het eerste kievietsei? Het blijft prachtig. Alles. En altijd is er iemand de eerste die het ziet.
Elke keer weer.
Hoe hoog of hoe laag
hoe klein of hoe groot
hoe licht of hoe zwaar
voor een kind is alles nieuw
dus blijf kind
met vlinders in je haar.