Signaal voor koerswijziging

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

Na een korte vakantie ben ik terug in het dorp vanwaaruit ik een maand geleden vertrokken ben. Het is tijd om weer aan het werk te gaan. Ik ben nog lang niet klaar met het boek, dat er straks komt. Hoe ga ik de presentatie aanpakken? Blijf ik hier, in deze buurt? Het is hier mooi. Het is me bekend, want ik heb hier de hele winter gestaan, achter de heg van Annemarie. Ik sta nu een stuk verderop, in een brede berm. Leuk, maar niet een plek om twee maanden te blijven staan. Maar waar dan wel? Weer bij Annemarie achter de heg? Ik twijfel. Dan sta ik weer zo ingepakt in een hoekje….Dat is meer iets voor de winterstormen. Voor knusse veiligheid als de kachel weer brandt. Ik kijk naar het glimmende raaigras en de vele eikenbomen die langs de weg staan. Ik kijk naar het wuivende riet in de sloot. Het is hier mooi. Wat zal ik doen? Waar ga ik heen? Ik weet het niet.

Dan stopt er opeens een fiets, naast me. Het is een tanige oudere man. Ik schat hem ergens in de zeventig. Ik doe de deur open.
‚Hee, stond jij niet in de krant van Wolvega en omgeving?’ vraagt hij me.
Ik knik uitdrukkingsloos. ‚Ja, dat klopt. Dat was ook de laatste keer dat ik meewerk aan krantenvulling in komkommertijd.’ Hij gaat er niet op in.
‚Heb je nooit problemen onderweg? Zo alleen?’
Ik haal mijn schouders op. ‚Nee hoor, eigenlijk nooit. Als ik maar niet te vaak in de krant kom.’
Hij kijkt me onderzoekend aan. ‚Je heb wèl een goeie kapper. Het is mooi in een coupe geknipt.’
‚Doe ik zelf,’ zeg ik. ‚De wagen heb ik ook zelf gebouwd.’
Hij kijkt me aan met grote ogen. ‚Oh… Ik zie mijn dochter dat al doen. Apart hoor!’
Ik krijg een beetje de kriebels. Dit soort bewondering is niet waar ik naar vis.
‚En is het niet eenzaam, zo helemaal alleen?’ vraagt hij me. Het is dezelfde vraag die altijd terug keert. Ik antwoord dat ik onderweg eigenlijk nooit alleen ben. Er zijn veel gastvrije mensen, die me graag een paar dagen een plek bieden.
Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‚En dan moet je zeker weer weg. Wat een onrust. Wil je niet een vast plekje, bij familie of zo? Mensen vinden je toch een beetje raar, als je jezelf buiten de maatschappij plaatst,’ zegt hij. ‚In je eigen wereldje blijven is toch veel veiliger!’
Ik kijk hem fel aan. ‚Ik sta niet buiten de maatschappij! Ik heb een leven achter me gelaten, en niet voor niets. Ik ben niet zomaar wat aan het zwerven. Ik baan mezelf een weg voor een nieuwe taak. Dat is niet makkelijk. Ik weet ook nog niet hoe het gaat lopen, maar ben vastbesloten mijn rode draad te blijven volgen.’ Nu zie ik even een andere blik op zijn gezicht. Heel even maar. ‚Maar is dit dan de manier om dat te doen? Als mensen je maar raar vinden?’
Ik vertel hoeveel ik geniet van al die goede gesprekken onderweg en hoeveel ik er aan heb. En dat ik vooral blije gezichten zie. Hij kijkt naar zijn voeten. Ik zie dat hij me niet gelooft.
‚Dat lijkt misschien wel zo, maar…..’ Hij slikt zijn woorden in. ‚Maar ík zie wel dat je karakter hebt hoor!’ haast hij zich te zeggen. ‚Jij kan wel wat. Zo’n huisje bouwen. Tjonge. Het is best leuk om met zo’n apart mens te praten.’
Ik kijk hem uitdrukkingsloos aan.
‚Ik begrijp het wel,’ zegt de man snel ‚Ik heb al zoveel mensen leren kennen, en zoveel meegemaakt, daar kan je wel een boek over schrijven. Ik snap het allemaal wel.’
Ik besluit er een einde aan te maken, zonder mijn wrevel te laten blijken.
‚Wilt u nog even binnen kijken?’ vraag ik opgewekt.
‚Neu…..,’ zegt hij. ‚Ik zie je vast nog wel een keer. Kom maar een keer bij ons koffie drinken,’ zegt hij goed bedoelend. Hij vertelt waar zijn huis is. Ik knik vriendelijk. Toch wel aardig dat hij dat zegt. Al kan ik er niks mee.

Hij stapt weer op zijn fiets en rijdt weg over de smalle landweg. Ik kijk hem verbaasd na. Dit is zo’n gesprek waardoor ik me afvraag: Wat doe ik hier? Moet ik niet heel ergens anders zijn op dit moment? Het voelt als tijdverspilling en de enige zin is, dat ik weet dat ik koers moet wijzigen.
Voor mij ligt de weg. Ik kan zo wegrijden. Waar leidt het pad naartoe? Terug naar Annemarie? Nee. Dat is het niet. Straks nadert de herfst. Dan is de boekpresentatie. Daar wil ik iets moois van maken. Daar moet ik nu mee bezig. En ik mag niet langer dralen.

Opeens weet ik het. Het is zo klaar als een klontje. Ik moet terug naar het Noorden. Naar één van de plekken waar het boek over gaat. Alleen dàn gaat het leven, en kan ik er echt iets van gaan maken. De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

.