Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Een koelhuis vol kinderen

..

Er staan vier grote auto’s op de inrit naar de geitenboer. Wat is er aan de hand? Ik zet mijn fiets neer, pak de lege melkflessen uit mijn fietstas en maak het grote hek open, net ver genoeg om erdoor te kunnen. Ik kijk het erf over. De deur naar de melkstal staat op een kier. Ik zie een flits van lang blond meisjeshaar. Ik loop er niet heen, maar ga verder naar het koelhuis, waar de volle tank staat. Als ik door de open schuurdeur naar binnen kijk, zie ik aan de andere kant een grote drom kinderen. Door de kleine deur komen ze het koelhuis binnen stromen en de kleine ruimte is in één keer vol. Verrast kijk ik om me heen. Zo druk heb ik het hier nog nooit gezien. “We krijgen een rondleiding!” roept iemand me enthousiast toe. De geitenboer sluit de stoet en concentreert zich op zijn verhaal.
“Zal ik later terug komen?” roep ik naar de boer, maar ik krijg geen reactie. Zijn rode krullenbol steekt hoog boven de kinderhoofden uit en hij begint te vertellen.

“Hier gaat de melk naartoe.” Hij wijst naar de koeltank en vertelt een verhaaltje over de melk die warm uit de geit komt. Hij vraagt de kinderen wat er gebeurt als je de warme melk niet koelt. Een  meisje zegt aarzelend dat de melk dan dik wordt, maar verder weten de kinderen niet zo goed wat er dan gebeurt. Kennelijk zorgen hun moeders er wel voor dat er nooit zure melk gedronken wordt. Een wijs jongetje stelt technische vragen, de anderen luisteren, tot de boer is uitverteld en de kinderen naar buiten hollen.
Ik kijk afwachtend naar de boer, benieuwd of hij tijd heeft om mijn flessen te vullen. Hij blijft rustig staan, neemt grijnzend de twee flessen in ontvangst en draait zich om naar de koeltank. Wanneer hij gehurkt op de grond de grote kraan opendraait, staan er drie meisjes door het open raam naar binnen te kijken. Een levendige brunette met lang krulhaar buigt zich ver voorover. Ze wil alles zien. Als de ene fles vol is vraag ik haar: ”Wil je voelen hoe koud hij is?“ Haar bruine ogen glimmen en ze voelt aan de fles. “Oh ja, koud zeg!” roept ze. Nu willen opeens een heleboel meisjes voelen en één voor één raken ze het koude glas gevuld met het witte romige geitenmelk.
“Mwwwuh.. warm!” roept een eigenwijze dreumes.
“Jij bent zeker een eskimo,” zeg ik en verlegen lacht ze. Ik trek mijn hand terug door het raam de koelruimte in, om de andere fles ook aan te pakken, die de boer inmiddels keurig tot de rand toe heeft gevuld. Als ik even later de flessen in mijn fietstas stop, zijn de kinderen de melk alweer vergeten. Het eten staat klaar. Alle kleine voeten gaan op een drafje richting het huis.

Terwijl ik op mijn fiets stap denk ik aan Frijlân, de plek waar ik straks heen ga. Ook daar zullen kinderen zijn om te spelen en te leren op de boerderij. “Leren van nature,” wordt de slogan. Wie weet kom ik vaker in zo’n kinderdrom te staan. Als ik wegfiets over het asfalt, waait een frisse wind om mijn hoofd en zonlicht schijnt over het boerenland. Nog even en het zal ander land zijn, waar ik fiets, waar ik de lente zie ontluiken, een ander land en Friese kinderen. Zou er ook een geitenboer zijn?

Potten voor Friesland

 

.

Met mijn karretje achter de fiets draai ik een zanderige oprit op. Het pad wordt omringd door bomen en er staat een bordje: “Theetuin” bij. Naast het bordje staat nog een bord, “Natuurlijke bomenkwekerij.” Hier moet ik zijn voor de grote plastic bloempotten die ik nodig heb. Ik bel aan de huisdeur. Prompt komt een man aangelopen, achter het hek waar de kwekerij is en hij opent het.
“Ik kom de potten halen! Is de theetuin ook van jullie?”
“Jazeker. Maar het is nu gesloten,” zegt hij.
Spijtig kijk ik naar de lichte ruimte achter de glazen deur en draai me om. De man, een veertiger met een krullebol, loopt tevreden grijnzend voor me uit naar de potten. “Ik wil er tachtig. Ik ga naar Friesland verhuizen en neem boompjes mee.”
“O, je zoekt de vrijheid op! ” merkt hij op.
“Ja!” roep ik verbaasd “Zo heet het, Frijlân. Daar worden de boompjes geplant, in de herfst pas, als het dan goed is.”
“O dat kan wel, blijven water geven hè!” lacht hij.
Ik knik. Ik ben vastbesloten om de jonge scheuten de beste start te geven die er is.

We zijn bij de potten. Hij laadt ze in een kruiwagen.
“Ze kunnen niet direct de grond in,” zeg ik “Het is kleigrond zonder humuslaag, helemaal platgereden. We gaan eerst zaaien. Lu…….. hoe heet het ook alweer.”
“Ja? ” vraagt hij, nieuwsgierig of ik dat weet.
“Luzerne!” Schiet het mij te binnen. “Die wortelen diep en maken de grond los.”
“En lupinen, die wortelen ook diep.” merkt hij op. “ Als je ze allebei zaait krijg je een mooie bloemenweelde.”
“Ik zal mijn best doen.” Ik zwijg en ik zie het voor me, de lila gloed van luzerne en lange gele lupinen ertussen. Dan vertel ik verder. “Er is niks dan gras en een paar grote bomen. Bomen groeien daar niet zo snel als hier. Je waait er bijna weg, als de wind van zee komt.” Hij knikt. “En dan die koude kleigrond..”
“Ja,” ga ik verder, “Er worden heuvels gemaakt zodat de yurts niet in de modder wegzakken, in de natte wintertijd. De yurts, dat zijn de tenten, daar wonen de vier vrouwen in. Ik woon als enige in een woonwagen.”

In gedachten loop ik de man achterna, terwijl hij met de kruiwagen vol potten naar mijn fietskar loopt. Ik zou het liefst alles vol bloeiende bomen en struiken willen planten. Ik wil helemaal opgaan in de natuur met mijn kleine huisje. Ik wil weides zien vol bloemen, de kerspruim zien bloeien vol bijen, vroeg in de lente als de wind nog koud is, Sering en Tamme Kastanje op het glooiende land zien groeien en Lindebloesem ruiken op een zwoele avond in juli. O, zal dat ooit kunnen in Friesland? In elk geval kan ik een begin maken. Wie na mij komt zal ervan kunnen genieten. Daarvoor doe ik het.

We praten over waar je welke bomen plant en hoe. We praten over humus en goeie en kwaaie schimmels. Hij vertelt me hoe ik die het beste kweken kan zonder dat de kwade de goeie opeten. We praten over gif en voedsel en de onwetendheid van mensen daarover. Hij houdt vol en blijft er over praten, zegt hij en op zijn gezicht ligt een rustige vastbesloten trek.
Ik kijk hem blij aan. “Je doet goed werk. Die theetuin en de kwekerij, zo mooi dat je de mensen hier wijzer maakt! Ik ga met een gerust hart weg, als ik weet dat er mensen zijn zoals jij.” Ondertussen loop ik naar mijn fiets en stap op.
Hij lacht. “Ik wens je een goede reis naar Friesland!”
Ik steek mijn hand op, bedank hem en rijd het pad af. Drie hoge stapels potten slingeren vervaarlijk heen en weer in mijn karretje. Die heb ik vast. Nu nog de piepkleine boompjes, die heel hard groeien zullen in deze mooie potten. Daar duim ik voor.

.

.

 

Doop in het land bij de zee

.

Friesland. Een land met kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar schrok iedereen op van  een flinke tornado. Je kan er van alles verwachten, in deze tijd vol extremen. Ik ga er toch heen. Dit jaar ga ik verhuizen.

.

EÉN van de schapen blaat. Vanuit mijn raam zie ik de andere schapen naar het hek rennen. Tussen de spijlen door kijkt het eerste schaap reikhalzend over het veld. Komt er eten? Is het de beheerder? Ik sta op van mijn bank. Als het de beheerder is dan moet ik zeggen dat de stroom er uit ligt. Ik hoor het schrikdraad niet meer tikken. Ik loop naar het raam van mijn deur en kijk. Het is niet de beheerder.
Een vrouw komt rechtstreeks naar mijn huisje gelopen. Ik open de bovendeuren. Ik voel de koude vochtige buitenlucht naar binnen stromen.
“Hallo!” roep ik haar toe. Ik ben een beetje verbaasd over dit onverwachte bezoek en moet mezelf even wakker schudden.
“Hoi, ik ben Judith,” zegt de vrouw “Ik had toch gezegd dat ik deze week zou komen?” Ik knik enthousiast. Judith leest graag mijn verhalen. Ze heeft het glas in lood raampje gemaakt, dat in de nok prijkt, hemelsblauw en rood. Het is prachtig. Ze heeft het opgestuurd met de post. We hebben elkaar nooit ontmoet.
“Ik ben een beetje dromerig, want ik ben vannacht snipverkouden geworden,” zeg ik.
“O, ik ga zo weer verder hoor,” lacht ze en komt dichterbij lopen tot ze vlak voor me staat.
“Zie je je raampje wel zitten?” vraag ik en doe een stap opzij zodat ze het kan zien. “Ja hoor,” knikt ze, zonder er veel aandacht aan te besteden. Dat is nogal logisch, ze heeft het allang gezien, want ik heb de bouw van mijn woonwagen uitgebreid gedocumenteerd en naar haar doorgestuurd.
“Leuk dat we elkaar nou zien,” zeg ik. Judith knikt tevreden. “Weet je wel dat ik binnenkort naar Friesland verhuis,” ga ik verder “Ik heb gisteren de bevestiging gehad dat het doorgaat. Het is een landje bij een vervallen boerderij. Het ligt schuin onder Leeuwarden.” “O, Friesland?” Haar gezicht licht op. “Wat leuk, ik heb veel meer met het noorden dan met het zuiden.”
“Ja, ik eigenlijk ook.” Ik denk aan de dag dat ik hier terecht kwam, volkomen vreemd in het Brabantse platteland. Zes weken lang werd ik wakker met de gedachte, wat doe ik hier?? Ik kijk naar Judith. Ze kijkt voor zich uit en glimlacht.
“Wat is dat voor plek, waar je heen gaat?” vraagt ze dan.
“Het heet Frijlân,” vertel ik opgewekt. “Het is nog in oprichting, het contract met de gemeente is deze week getekend. Ik ben nu de vierde die meedoet. We kunnen er ècht gaan wonen. Het vervallen gebouw wordt opgeknapt voor de gemeenschap. Alles wordt nieuw leven in geblazen. Mijn leven en visie strookt met het hunne en ze zijn blij met een Tiny House in hun midden, mijn wooncocon is de eerste! Ze willen er graag meer. Er komen ook yurts, om te beginnen. Dat zijn die ronde tenten uit Mongolië, met een houtkachel in het midden.”
Judith luistert aandachtig. “Ja ik ken ze. Maar zeg… Is het in de buurt waar die nieuwe woonwijk komt?”
Ik knik. “Het ligt er pal naast.”
“Dan weet ik waar het is! Een vriend van me kijkt daar altijd naar weidevogels.” Judith kijkt er wat treurig bij.
“Ja, er zal een hoop wei verdwijnen. Maar er komt wat voor terug. Dit wordt vast iets moois. Vaak draaien dit soort plekken om zelfvoorzienend leven, maar dit is een plek waar ook de omgeving bij betrokken wordt, mens èn dier.”
Judith haar blik gaat even naar de witte schapen met hun krullende horens. Met hun tanden schrapen ze de schors van de bomen. Kennelijk zit daar iets in wat ze nodig hebben. Dan kijkt ze weer naar mij. “Ja het geeft vaak problemen als mensen een paradijs voor zichzelf willen houden.” beaamt ze.
“Dit wordt een gastvrije plek, ” antwoord ik kort. “Kom maar eens langs, als het zover is. Ik geef wel een seintje.”
Judith knikt tevreden. “Dat ga ik zeker doen!”
“En dan kom ik een keer bij jou,” zeg ik.
Dat is goed. Judith bedankt me hartelijk dat ik tijd voor haar nam en loopt terug naar het parkeerterrein.

Ik mijmer nog even na over dat bijzondere project, Frijlân, waar ik straks deel van uit maak. Wat maakt het zo bijzonder? Het is niet grootschalig, het begint klein. Dat maakt het levensvatbaar, dat maakt dat het rustig kan groeien. Het verwelkomt nieuwsgierigheid naar andere manieren van leven en mensen met hart voor de natuur. Het wordt vast een levendige plek die aanstekelijk werkt om nieuwe ideeën uit te werken. Er zal een eetbaar landschap ontstaan waarin ook dieren zich thuis voelen. Straks sta ik met mijn wooncocon op hun minicamping, als “artist in recidence”. Wat ga ik er doen, vraag ik me af. Maar ik zet de vraag gauw uit mijn hoofd. Ideeën heb ik genoeg. Eerst maar eens kijken.

Het is weer stil. De schapen hebben de boom met rust gelaten en liggen in een hoek van de wei te herkauwen. Er steekt een windje op en mijn huisje schudt zachtjes. In Friesland zal het nog veel harder waaien. Daar is kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar was er zelfs een tornado. Ik lach om mezelf. Had ik mezelf maar geen “ambassadeur van de leegte” moeten noemen. Dat vraagt om een doop in het uiterste noorden, dat vlakke land bij de zee.

.

https://m.facebook.com/Frijlan/

.

 

.

 

Voet aan de grond

.

.

 

Ik bouwde een huisje op wielen
en ga.
De Aarde zelf
weet wel waarheen.

Ik ga waar de bodem
mij asiel verleent
om klei te wroeten
compost te broeien
voet aan de grond
om te groeien.

Ik ben in klei geboren
en ben te gast op zand
om dit van de grond
in de hoogte te bouwen
ik investeer mijn ademhaling
in dagelijks vertrouwen

Waar ga ik heen
naar welke taak
ik wil geen toerist zijn
slechts voor vermaak.

En alléééé

dan is het er
of wellicht was het er al

Ik krijg voet aan de grond
een gunst aan mij verleend
Ik spreid het laken
voor ‘t laatste stille ontbijt
krachten worden nu vereend
en alles is op tijd
om een brede lach te maken
om lippen
van elke mond

Dat ieder zich verheugen kan
op die ochtendstond
nog verzonken in mist
en het ei dat zachtjes sist
in de koekepan

.

.

 

De eigenwijsheid van taaie tachtigers

.

.

Ik heb familiebezoek. Mijn vader is gekomen, met één van mijn drie broers. Mijn vader is acht-en-tachtig. Meestal rijden mensen op die leeftijd met hun kinderen mee, maar voor hem geldt dat niet. Hij is een rondje aan het doen, met de auto. Eerst naar zijn ene zus in Sleeuwijk, dan met zijn zoon uit Tilburg naar zijn dochter in Haghorst en als laatste naar zijn andere zus in Nijmegen. Na een lange dag en volgestopt met koek en thee, rijdt hij terug naar zijn huis in Emmeloord.
Nu is hij hier. Het is een flitsbezoek.

“Het is mooi weer,” zeg ik “Zal ik thee zetten? Dan gaan we buiten zitten.” Dat vinden ze een goed idee. “Maar ik wil toch ècht eerst je wagen zien.” Mijn vader taalt niet naar thee, eerst dit! Nieuwsgierig stapt hij via het veilingkistje het bordes op. Hij probeert de dikke deuren open te duwen maar het lukt niet. “Aan de ene deur trekken, tegen de andere duwen,” leg ik uit. Het lukt. Misschien toch eens een schuifje opzetten, denk ik nog even. Dan hoef ik het niet steeds te zeggen…

Binnen gekomen ziet hij als eerste de kachel staan. “Heee! Staat er op die kachel, Je brule tout ’l hiver??” Ik knik bevestigend en kijk naar zijn verbaasde gezicht. “Dat stond vroeger ook op onze kachels!” Het is alsof hij plotseling met één voet in een tijdgat is gestapt en nu met de snelheid van het licht wordt terug getrokken naar een andere ruimte. Een plek die ik niet ken. Een ander leven in de tijd dat hij nog een jongen was en gefascineerd op zijn knieën de letters ontcijferde, die er op het metalen plaatje stonden.
De herinnering vervaagt, ik zie zijn blik terugkeren naar het hier en nu. Er is nog veel meer te zien. “Is dit de bank?” vraagt hij. Het is een beetje hoog voor een kleine oude pa als de mijne. Maar voor ik heb kunnen zeggen dat het inderdaad de bank is, springt hij licht en lenig met een sprong omhoog. “Dat zit lekker,” lacht hij triomfantelijk.
“Hier kun je ook zitten.” Ik pak de plank die langs de wand staat en laat zien hoe je hem overdwars in de wagen kan plaatsen, zodat het een laag bankje wordt. Hij kijkt rustig toe. “Ooo.. Dat is voor mensen die dit niet meer kunnen,” zegt hij. Tevreden wiebelt hij met zijn benen en gaat uitgebreid rond zitten kijken.

Je kunt je afvragen, hoe kan je met het klimmen van de jaren toch zo jong blijven? Behalve mijn vader, heb ik in mijn leven nog twee supertachtigers gekend. Eens werkte ik in een biologische winkel. Er was een lange, kaarsrechte man die regelmatig kwam. Hij was zelfs geen tachtiger meer, hij was al twee-en-negentig! Hij liep vijfhonderd kilometer per maand, al jàren.
Later hielp ik in de huishouding bij een oude intelligente dame. Ze heette Lenie, maar ik noemde haar keurig mevrouw Mossel. Ze deed elke dag oefeningen en liep ik weet niet hoe vaak de trap op en neer.
Zo doe ik het ook. Dat heb ik al lang geleden met mezelf afgesproken. Ik wist het al toen ik twaalf was. Ik wil bokje springen op mijn tachtigste, aan de ringen hangen als ik negentig ben. En als ik honderd ben slinger ik nog altijd aan taaie takken, die mijn tengere, maar zo gespierde oude lijf makkelijk kunnen dragen. Samen met mijn vriendjes.

Mijn vader heeft altijd een regelmatig leven geleid. Nooit gedronken, altijd goed geslapen. Hij was nooit ziek. Er waren geen uitspattingen. Hij hield van werken en daar houdt hij nog steeds van, al is het tempo iets teruggelopen. Hij geniet nu ook van even niets te doen, veel meer dan vroeger. Hij poetst het huis en werkt in de tuin. Hij kan nog steeds hard lopen, of een kleinzoon op zijn rug nemen. Aan zijn lijf is geen greintje vet teveel, zeker niet nu hij ouder wordt. Ik herken veel in hem. Maar net zoveel herken ik in mijn creatieve, hartelijke en ruimdenkende moeder, die acht jaar geleden stierf. Ze was een lieve vrouw. Mijn man hield veel van haar, toen ze allebei nog leefden.

Mijn liefste man verliet de wereld toen hij vijf-en-dertig was. “Het was kort maar krachtig,” zei hij, vlak voor zijn laatste ziekbed. “Maar jij…” zei hij “Jìj gaat hèèl oud worden.” Ik keek hem aandachtig aan.

“Dat geloof ik ook.”

.

.

Op verzoek van mijn vriendin

Els uit Utrecht, heb ik een

filmpje gemaakt over mijn

ochtendoefeningen.

.

.

.

.

Wat is vrijheid in je eentje

.

.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Voor niemand. Het is een spoor, dat alleen gemaakt kan worden als meerdere voeten het betreden.

En hier sta ik nu, in de deuropening van mijn zelfgebouwde woonwagen. Ik kijk naar het vochtige gras in de avond. De lucht kleurt oranje aan de westkant, boven de bomen van de vijver. Die rust! Ik geniet er nog steeds van.
Het voelt als een bevrijding, een leven met weinig bezit, te wonen in mijn eigen kleine huis op wielen. Ik kan gaan waar het leven me brengt. Ik kan ook blijven waar ik ben. Ik ben vrij. Dat dacht ik. Maar is dat zo? Vandaag kwam er een vrouw, die me aan het denken zette.

Ik wist dat ze zou komen en nu is ze er. Een vrouw met lang blond haar, ergens in de dertig. Ze maakt een tocht langs allerlei adressen, om rond te kijken. Ze heeft een plan en wil weten of het kan. Mijn blog heeft haar bij mij gebracht en ze vertelt enthousiast wat haar bedoeling is. Ze zal haar eigen huis gaan bouwen, een klein huis op wielen. Terwijl ze erover vertelt, zie ik ook twijfel in haar ogen. Kan ze het wel? O, ze heeft vast en zeker hulp nodig! Iemand met kennis van zaken… En waar zal ze het gaan doen? Ze wil graag in de buurt zijn van haar vrienden, of dichter bij haar lief.
“Mijn vriend heeft het heel druk,“ vertelt ze nadenkend. “Hij wil graag zelfstandig worden, dingen gaan maken die hij echt wil, meubelen van staal. Maar hij durft niet. Nu verdient hij goed, met zijn baan. Hij heeft er veel spullen van gekocht, een boot, een loods, een camper, een auto, en die spullen kosten een hoop geld. Hij heeft dat geld nodig. Maar hij wil zo graag vrij zijn, ik zie zijn ogen glimmen als hij het er over heeft…“
Ik luister aandachtig. “Misschien kan jij hem inspireren, als je je eigen huisje gaat bouwen.”
Ik zie een vonk van hoop in haar ogen. “Ja, als ik hem kan laten zien dat het kàn!”

Laten zien dat het kàn. Dat heb ik gedaan. Ik heb er verhalen over geschreven en gemerkt dat er veel meer mensen zijn met dezelfde droom. Maar hoe nu verder? Moet ik nu in mijn eentje mijn gewonnen vrijheid gaan vieren, is dàt het dan??

Met deze vraag nog in gedachten, zet ik de radio aan. Het is zeven uur, tijd voor mijn favoriete programma, Passaggio, op Radio 4. Lex Bohlmeijer, de presentator, begint altijd met iets te vertellen wat hem die dag raakt. Dit maal is het een boek. Wat hij vertelt treft mij. Terwijl ik luister, vervaagt het beeld van de blonde vrouw, die ik vandaag sprak. Het maakt plaats voor een zwarte vrouw en ze leefde meer dan 150 jaar geleden in het verre Amerika.

“Harriet Tubman and the Underground railway”, zo heet het. Het gaat over een vastberaden vrouw, die zich losmaakt uit een leven van slavernij. Ze maakt een levensgevaarlijke tocht door moerassen en langs rivieren. Door de modder bereikt ze illegale treinen, die ‘s nachts door het land rijden. Bij de stations hebben haar contactpersonen haar komst al voorbereid. Alleen al om die treinen te bereiken, dat is een hele opgave.
Als ze na een lange, barre tocht de vrijheid in het noorden heeft bereikt, weet ze dat ze terug moet.

Vrijheid in je eentje is geen vrijheid. Ze weet het zeker.

Ze gaat terug om ook haar vrienden en familie op te halen. Elf keer gaat ze terug en neemt honderden anderen mee. Ze reizen bij nacht. Ze lopen door het water zodat de bloedhonden hun spoor niet kunnen volgen. Ze zingen spirituals om elkaar te laten weten dat de kust veilig is. “”Go down Moses” zingen ze, en al zingend geloven ze er in. Hun vrijheid gloort aan de horizon, als de opkomende dageraad.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Ook voor ons niet. Het is een spoor. Het is een spoor dat loopt langs mensen waarvan je houdt en die van jou houden. Het is als een land dat we zelf moeten maken, los van de kille berekenende wereld. Het is een route die je zelf helpt uit te zetten, door je te verenigen met gelijkgestemden. Door het verhaal te vertellen, het lied te zingen, dat herkenning vindt. Dàt is het spoor, dat vrij maakt.

.

.

.

.

Een knipoog uit de hemel

.

.

Ik heb deurknoppen gemaakt van schijfjes hout. Grote schijfjes van meranti en kleine van essenhout eronder. Alles is klaar. Ze zitten hartstikke vast en ik kijk er tevreden naar. Op de vensterbank ligt nog wat. Ik heb vier schijfjes meranti over. Ik kijk naar boven. Op de hoekplank, vlak bij mijn hoofd ligt een mannetje, een mannetje van hout, met een zwart hoedje op en beentjes van ijzerdraad, omwikkeld met touw. Hij zit op een stukje rondhout, maar hij valt steeds om, al zet ik hem recht.
Zonder er bij na te denken zet ik het mannetje op een strook hout. Ik prik twee schroeven door de houten schijfjes, dat zijn de assen. Dan plak het mannetje er op. Nu heeft hij een wagentje. Zijn hand is er af. Ik maak een nieuwe hand van constructielijm en boetseer er een opgestoken duim in.

Ik zie er mijn overleden lief in. Hij is het. Ik geef hem een knipoog. Hij krijgt een ereplek.

Een paar uur later komt de kachel aan, gevonden op Marktplaats. Ze zijn hem komen brengen. De kachel wordt door twee man in mijn wagen gedragen. Ik bedank ze voor hun hulp. De kachel staat nu onder het mannetje, het mannetje met de opgestoken duim. Als de mannen weg zijn haal ik het lelijke glimmende sierstuk van de deksel af. Zonder vind ik mooier.

Tot mijn verrassing zie ik in de roestige deksel eronder de afbeelding van een vuurspuwende draak. Ik ben blij verrast. De draak, die hoort bij mijn lief, ik heb hem ontmoet toen hij in een drakenpak zat, en de mensen uitdaagde, door heel lief tegen ze te doen. De onthutste mensen stonden ergens in het publiek en keken naar Morrisdansers. Mannen dansten met zakdoeken en zwaaiden met stokken. Muzikanten speelden vrolijk langs de kant. En vlak daarbij zag ik mijn lieve draak.

En nu zie ik hem weer. Op de deksel staat een draak. Ik ga met mijn vinger langs de lijnen en waar ik langs ben geweest licht het roest extra oranje op.

 

Op dat moment word ik verrast
door een geliefd geluid.
Ze zijn er weer,
na heel lang weggeweest.

Twee-en-vijftig wulpen vliegen over.
Het lijkt of ik de groeten krijg

We hebben hem gezien, hoor ik.
Hij voer van wolk naar wolk, o ja,
van wolk naar wolk naar wolk!
Dat roept de wulpengroep

Ze maken een rondje
om de plek waar ik nu sta
om dan weer terug te vliegen
in de richting
vanwaar ze kwamen.

Ik kijk ze ontroert na.
Dit was zowaar
een vette knipoog
uit de hemel.

.

.