Presentjes bij vertrek

Ò.

Er staan mij onderweg meerdere presentjes te wachten. De nacht op dit unieke plekje is er óók eentje van. Een wereldplek. Met deze aardbol als symbool van de gemeenschap, die het leven met elkaar verbindt.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten.

.

Ik ben terug bij Annemarie om bij te komen van een onrustige week. Onderweg zijn is niet altijd makkelijk. Het is belangrijk om geconcentreerd te blijven. Hoe is de situatie, wil of kan  ik hier blijven of niet. Dat is altijd in beweging. Soms wordt het constant waakzaam zijn me teveel. Maar bij Annemarie kan ik altijd terecht. Tussen de heggen naast haar oprit gebeurt niet veel. Er vliegt een groepje mussen en mezen rond. Er is een steenmarter, die tussen mijn houtvoorraad piest. Dat zijn de meest opmerkelijke gebeurtenissen. Dit lijkt misschien saai, maar voor mij is saaiheid onontbeerlijk om de stroom aan indrukken te verwerken en opnieuw richting te kiezen. Alleen in rust schrijf ik verhalen, maak ik een film, een gedicht, een lied of een tekening.

Er zijn zes dagen voorbij. De onrust is bezonken, de prullenbakken zijn geleegd. De keuken is gepoetst en de was is gedaan. Ik heb een hele berg houtbriketten geladen in mijn huisje, achter mijn kachel. De nachten worden kouder en ik zal ze nodig hebben. Vandaag is de dag van vertrek. Ik wil weer de weg op! Ik heb heerlijk geslapen. De egaal grijze lucht is niet erg vrolijk, maar ik ben het wel. Graag ben ik bereid om mijn vrolijkheid te delen. Er zijn immers altijd mensen die stoppen. Die naar me toekomen, het tuinpad af. Of staan te zwaaien voor het raam.
Ik ga niet zomaar weg, ik heb een doel. Ik ga terug naar Bears. Naar de camping van Jochum, waar ik een jaar geleden stond. Dit is de plek waar ik toen mijn reis begon. De reis met de vele ontmoetingen. De unieke verhalen van boeren en dorpelingen zijn nu verweven met mijn eigen verhaal. Dit is de plek waar ik me voorbereidde, waar ik de eerste zinnen schreef voor het boek: ‘Lang kantelende wegen.’ Op diezelfde plek, op deze camping, ga ik de presentatie voorbereiden. Ik zal mensen opzoeken, die ik vorig jaar heb ontmoet. We kunnen bijpraten. Er is alle tijd. De presentatie is pas over twee maanden.

Ik rijd de weg op. De motregen is opgehouden en het wordt al iets lichter. Annemarie loopt naast de wagen met haar twee kleinkinderen. Ze lachen en de kleinste holt op een drafje mee met haar kleine beentjes. „Daar gaan we dan!“ roep ik. En ik loop naar de bel en slinger de klepel flink heen en weer. „En nu is de reis ingeluid!“ grinnik ik. „Tot ziens!“ roep ik luid.
Ze zwaaien nog een laatste keer. Dan draaien ze zich om. En ik loop verder, over het natte asfalt. Het is een reis van 38 kilometer. Ik doe 10 km per dag, en praat onderweg met allerlei mensen. Sommigen vertellen me hun levensverhaal, anderen praten over toekomstdromen of over de wereld. Anderen kijken alleen maar. Weer anderen gluren meteen door de ramen. Dat vind ik niet erg. Ik houd van nieuwsgierige mensen en neem de tijd voor ze. Maar rust op zijn tijd is onontbeerlijk!
Na een kilometer gelopen te hebben staat er een man naast de weg. Hij zet zijn fiets op de standaard en komt naar me toe lopen. Ik sta stil en kijk hem nieuwsgierig aan. „Ik heb je al eerder ontmoet,“ zegt hij „Ik vind het zo mooi wat je doet, ik wil je iets geven.“ Hij stopt zijn hand in zijn zak en haalt er een briefje van vijftig uit. Verbaasd kijk ik naar het bruine papiertje in mijn hand. „Wat een hartelijk gebaar!“ roep ik uit „Dat heeft nog nooit iemand gedaan!“ De man grijnst stil voor zich uit, met zijn ronde gezicht. Hij loopt terug naar zijn fiets en kijkt nog eens om naar mij. Ik sta nog steeds met open mond te kijken. Tot hij wegfietst. De lange weg af.

.

 

Signaal voor koerswijziging

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

Na een korte vakantie ben ik terug in het dorp vanwaaruit ik een maand geleden vertrokken ben. Het is tijd om weer aan het werk te gaan. Ik ben nog lang niet klaar met het boek, dat er straks komt. Hoe ga ik de presentatie aanpakken? Blijf ik hier, in deze buurt? Het is hier mooi. Het is me bekend, want ik heb hier de hele winter gestaan, achter de heg van Annemarie. Ik sta nu een stuk verderop, in een brede berm. Leuk, maar niet een plek om twee maanden te blijven staan. Maar waar dan wel? Weer bij Annemarie achter de heg? Ik twijfel. Dan sta ik weer zo ingepakt in een hoekje….Dat is meer iets voor de winterstormen. Voor knusse veiligheid als de kachel weer brandt. Ik kijk naar het glimmende raaigras en de vele eikenbomen die langs de weg staan. Ik kijk naar het wuivende riet in de sloot. Het is hier mooi. Wat zal ik doen? Waar ga ik heen? Ik weet het niet.

Dan stopt er opeens een fiets, naast me. Het is een tanige oudere man. Ik schat hem ergens in de zeventig. Ik doe de deur open.
‚Hee, stond jij niet in de krant van Wolvega en omgeving?’ vraagt hij me.
Ik knik uitdrukkingsloos. ‚Ja, dat klopt. Dat was ook de laatste keer dat ik meewerk aan krantenvulling in komkommertijd.’ Hij gaat er niet op in.
‚Heb je nooit problemen onderweg? Zo alleen?’
Ik haal mijn schouders op. ‚Nee hoor, eigenlijk nooit. Als ik maar niet te vaak in de krant kom.’
Hij kijkt me onderzoekend aan. ‚Je heb wèl een goeie kapper. Het is mooi in een coupe geknipt.’
‚Doe ik zelf,’ zeg ik. ‚De wagen heb ik ook zelf gebouwd.’
Hij kijkt me aan met grote ogen. ‚Oh… Ik zie mijn dochter dat al doen. Apart hoor!’
Ik krijg een beetje de kriebels. Dit soort bewondering is niet waar ik naar vis.
‚En is het niet eenzaam, zo helemaal alleen?’ vraagt hij me. Het is dezelfde vraag die altijd terug keert. Ik antwoord dat ik onderweg eigenlijk nooit alleen ben. Er zijn veel gastvrije mensen, die me graag een paar dagen een plek bieden.
Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‚En dan moet je zeker weer weg. Wat een onrust. Wil je niet een vast plekje, bij familie of zo? Mensen vinden je toch een beetje raar, als je jezelf buiten de maatschappij plaatst,’ zegt hij. ‚In je eigen wereldje blijven is toch veel veiliger!’
Ik kijk hem fel aan. ‚Ik sta niet buiten de maatschappij! Ik heb een leven achter me gelaten, en niet voor niets. Ik ben niet zomaar wat aan het zwerven. Ik baan mezelf een weg voor een nieuwe taak. Dat is niet makkelijk. Ik weet ook nog niet hoe het gaat lopen, maar ben vastbesloten mijn rode draad te blijven volgen.’ Nu zie ik even een andere blik op zijn gezicht. Heel even maar. ‚Maar is dit dan de manier om dat te doen? Als mensen je maar raar vinden?’
Ik vertel hoeveel ik geniet van al die goede gesprekken onderweg en hoeveel ik er aan heb. En dat ik vooral blije gezichten zie. Hij kijkt naar zijn voeten. Ik zie dat hij me niet gelooft.
‚Dat lijkt misschien wel zo, maar…..’ Hij slikt zijn woorden in. ‚Maar ík zie wel dat je karakter hebt hoor!’ haast hij zich te zeggen. ‚Jij kan wel wat. Zo’n huisje bouwen. Tjonge. Het is best leuk om met zo’n apart mens te praten.’
Ik kijk hem uitdrukkingsloos aan.
‚Ik begrijp het wel,’ zegt de man snel ‚Ik heb al zoveel mensen leren kennen, en zoveel meegemaakt, daar kan je wel een boek over schrijven. Ik snap het allemaal wel.’
Ik besluit er een einde aan te maken, zonder mijn wrevel te laten blijken.
‚Wilt u nog even binnen kijken?’ vraag ik opgewekt.
‚Neu…..,’ zegt hij. ‚Ik zie je vast nog wel een keer. Kom maar een keer bij ons koffie drinken,’ zegt hij goed bedoelend. Hij vertelt waar zijn huis is. Ik knik vriendelijk. Toch wel aardig dat hij dat zegt. Al kan ik er niks mee.

Hij stapt weer op zijn fiets en rijdt weg over de smalle landweg. Ik kijk hem verbaasd na. Dit is zo’n gesprek waardoor ik me afvraag: Wat doe ik hier? Moet ik niet heel ergens anders zijn op dit moment? Het voelt als tijdverspilling en de enige zin is, dat ik weet dat ik koers moet wijzigen.
Voor mij ligt de weg. Ik kan zo wegrijden. Waar leidt het pad naartoe? Terug naar Annemarie? Nee. Dat is het niet. Straks nadert de herfst. Dan is de boekpresentatie. Daar wil ik iets moois van maken. Daar moet ik nu mee bezig. En ik mag niet langer dralen.

Opeens weet ik het. Het is zo klaar als een klontje. Ik moet terug naar het Noorden. Naar één van de plekken waar het boek over gaat. Alleen dàn gaat het leven, en kan ik er echt iets van gaan maken. De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

.

Bermgesprek met een maaiende boer

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zeven minuten.

.

Een nomade verplaatst zich regelmatig. Het is niet omdat het moet, het zijn vaak de omstandigheden, het is de stroom van de tijdsrivier, waarin je meegaat. Ik kon niet blijven waar ik stond, de mensen die me gastvrijheid verleenden, hebben de ruimte zelf weer nodig. Vanochtend wandel ik verder, met mijn rijdende verhalenhuis. Ik ga niet ver.

Vijfhonderd meter verderop houd ik halt bij een brede berm. De grond is hobbelig, maar mijn ijzeren trekhond kan het goed hebben. Ik kan hier ver kijken. Ik heb mijn huis kops op de wind gezet, zodat een zacht briesje mijn wooncocon kan verkoelen. Rechts naast mij is de weg en achter een brede rietkraag ligt het riviertje de Tjonger. De berm waarin ik sta, is wel vijftien meter breed en daarachter ligt een sloot. Het eerste stuk van de berm is gemaaid. Je kan merken dat het niet vaak gebeurt, de overgebleven stengels zijn hard en houterig. Ik kijk goed waar ik mijn blote voeten neerzet, op de kale stukjes tussen de pollen in. Verderop is nog niet gemaaid. Dichte bossen distels bevolken de bodem, gemengd met brandnetels. Ik zie een paar koolwitjes fladderen. Hier en daar zie ik een witte bloem van dovenetel of het brede blad van de zuring. Het staat in sterk contrast met het egale grasland ernaast, waarin ik een blauwe trekker zie rijden. De boer is aan het hooien onder een benauwde heiige hemel.

Ik trek mijn T- shirt met lange mouwen uit en gooi het nonchalant in de opgeruimde zithoek. Loom ga ik op het bordes zitten. De zon schijnt door een sluierwolk op mijn blote schouders. Ik weet nog niet wat ik zal doen vandaag. Ik kijk naar een enorme groep ooievaars die cirkelen boven het land. Net wanneer ik ze wil gaan tellen, komt de blauwe trekker mijn kant op, die zojuist nog heen en weer reed op het weiland. De volgende strook van mijn berm wordt gekortwiekt. In rap tempo komt hij dichterbij. Wanneer hij naast me is, stopt de trekker.
In de cabine zit een grijze vijftiger. Hij grijnst en buigt opzij om iets te zeggen. ‚Dat is ook een mooi wagentje!’ Ik knik. ‚Zelfgebouwd. Ik woon erin. Sta ik hier niet in de weg?’ De boer schudt doodgemoederd zijn hoofd. ‚Nee hoor’ Hij kijkt nog eens naar mijn wandelhuisje.
‚Knap hoor,’ zegt hij. ‚Ik zou er nooit aan beginnen.’
Ik kijk naar zijn rode gezicht. ‚Heb je het niet warm?’ Hij schudt zijn hoofd. ‚Heb je deze grond ook onder beheer?’ vraag ik.
‚Ja,’ zegt hij ‚Voor de gemeente. Ik doe het erbij en krijg er onkostenvergoeding voor. Ik verdien er niks aan. Voor de koeien kan ik het niet gebruiken. Het is rommel. Het zit vol distels. Dat eten de koeien niet.’
‚Hoeveel koeien heb je?’
‚Tweehonderd,’ antwoordt hij op mijn vraag ‚Allerlei soorten. Geen doorgefokte holsteiners, die krijgen veel te gauw wat. Deze geven wat minder melk, maar ach…’
‚Zou je niet liever minder koeien hebben?’ Daar hoeft hij niet lang over na te denken. ‚Liever honderd. Dan hoef ik niet om half vijf op te staan. En dan heb ik meer aandacht voor het werk. Maar met honderd redden we het niet. Mijn zoon werkt ook mee. Hij heeft een gezin om voor te zorgen.’
Ik lach, omdat ik me iets herinner. ‚Zag ik je gisteren met je kleinzoon op de trekker zitten?’ Hij glimlacht. ‚Ja. Het jochie is nu vier. Hij vindt het hartstikke leuk op de trekker. Soms mag hij een stukje mee. ’
Ik kijk naar het groene weiland, dat glanst in de zon. De regen van gisteren heeft het gras goed gedaan. Ik kijk opnieuw naar de boer, staande op mijn bordes hoef ik niet omhoog te kijken om met hem te praten.
‚Hoe gaat het met het bedrijf? Denken jullie dat je nog verder moet groeien?’ vraag ik.
‚Tja… we redden het net en willen liever niet meer groeien. Het geeft weer zo’n gedoe. We proberen het vol te houden met wat we hebben. We doen ook een stukje akkerbouw met aardappels. Die liggen nu in de schuur als veevoer. We konden ze niet kwijt, door de corona. Moeilijk hoor. Er moet echt iets veranderen. We krijgen haast niks voor wat we doen.’ Hij kijkt even starend voor zich uit, voor hij zich met vastbesloten trek voorover buigt, naar de koppeling. ‚Ik ga weer aan het werk,’ zegt hij dan. Hij knikt vriendelijk naar me en geeft gas. Verder gaat hij, een spoor van gemaaide distels achter zich latend.

.

Ontmoeting bij de sloot

.

Slootobservatie

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5 minuten.

Het is midden op de dag en het is warm. Ik ben in een bosrijk gebied en vind daar verkoeling op een smal pad tussen de bomen. Ik heb mijn fiets aan de kant gezet. Op blote voeten loop ik in het gras, dat langs het smalle pad loopt. Het gras is lang en voelt stug aan. Er zijn zanderige plekken. Een stukje verder ligt een sloot. Ondanks de langdurige hitte, staat er nog steeds water in. Het is helder. Het licht van de zon schijnt tot op de modderige bruine bodem. Ik hurk en ga op mijn kont zitten, mijn benen bungelen langs de rand van de sloot naar beneden.
Er is veel te zien. De lichtvlekken van de zon lijken wel van goud, en dansen mee met de bladeren erboven. Kleine zwarte dropjes krioelen over het oppervlak, als botsautootjes die elkaar nooit raken. Het lijkt alsof ze op stokjes staan, waar moerashanden onder water mee spelen. Dat zijn hun schaduwen. De zon staat hoog aan de hemel en speelt spelletjes met de kleine watervlooien. Het licht glinstert in de stroom. Waterplanten bewegen zachtjes heen en weer. Er hangt iets aan de donkergroene massa, wat ik nog nooit heb gezien. Het zijn modderige netjes, in vorm van een saxofoon. Ik zie er wel tien, grote en kleine. De wijde opening is gemaakt aan de kant waar de stroom vandaan komt. Wat is dit? Wie woont daar? Of is het voor de kleintjes? Ik weet het niet. Ik hoor voetstappen.
Achter mij loopt een man. Het is de man van gisteren. ‚Hee, dag Henk!’ Hij kijkt verbaasd. ‚Je kent mijn naam, hoe kan dat?’ ‚Heb ik onthouden,’ zeg ik trots. ‚Ik probeer alle namen te onthouden van de mensen die ik ontmoet. Het lukt niet altijd.’ Henk kijkt alsof hij het maar half hoort. ‚Zeg, waar we het gisteren over hadden hè, dat Nederland helemaal in stukjes wordt geknipt. Ik moest daar nog aan denken.’ Hij staart tussen de bomen door naar het weiland er achter. ‚We zijn zo dom. Waarom maken we bij Leeuwarden een weg voor ons eigenbelang? Zonder aan de dieren te denken? De Haak noemen ze het. Het is zo erg. Dit was het gebied van hazen, reeën en kieviten. Alles werd doodgereden.’ Hij kijkt verdrietig naar de grond. Maar niet lang. Dan licht hij zijn hoofd op en kijkt me aan. ‚Waar ga je heen?’ vraagt hij opgewekt. ‚Weet ik nog niet.’
Hij wil me graag alles vertellen. Er is een muurschildering die ik moet zien in Steggerda. En hoe bijzonder het is, die man die een kasteel bouwt aan de Blesdijke. Het is zijn levenswerk. Daar moet ik echt eens heen. Maar voor vanmiddag is de route om de Tjonger mooi om mee te beginnen. Hij legt me precies uit hoe ik moet rijden. Dan nemen we afscheid.

Wat zijn de mensen toch vriendelijk. Vooral als je iemand, tot zijn verrassing, bij de naam noemt.

.

Het oude pad van de dorpelingen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8,5 minuut.

.

Ik sta met mijn verhalenhuis op de camping van Oldeholtpade. Het is een keurig gemaaid veld, omringd door bomen. Voor de camping ligt de weg naar Wolvega. De camping is van Het Plaatselijk Belang en de opbrengst gaat naar het dorp. Het dorp is gekroond als mooiste dorp in 2016 van heel Friesland. En daar zijn de mensen trots op. Op weg hierheen zag ik veel bomen en weelderige tuinen. De kleine dorpskerk ziet er prachtig uit. Hier en daar staat een geit in de tuin, of er scharrelen kippen of ganzen.

Voor mij staat een man van een jaar of vijfenzestig. Hij is speciaal naar me toe komen wandelen, om mijn woonwagen te zien. Hij vertelt me van alles. Hij is hier geboren en houdt van het dorp. De Stellingwerf- Friezen zijn behoudener. Stellingwerf ligt tegen Drenthe aan en dat merk je. Het zijn rustige lui hier. Ze hoeven niet zo nodig de beste te zijn. En als je ze wat vraagt, dan helpen ze je. Samen krijgen ze van alles voor elkaar. Ook als er problemen zijn.

Voor hij weer wegloopt heeft hij nog een tip voor me. ‘Als je nou die kant op gaat,’ wijst hij, ‘Dan heb je recht tegenover de weg naar Ter Idzard een zandweg. Dan kom je op het allermooiste pad dat we hebben. Halverwege loop je tegen een drukke provinciale weg aan. Daar moet je eigenlijk door een tunneltje, dat een stuk verderop ligt. Sla dat maar over. Je kan gewoon oversteken.’ Mijn interesse is gewekt. ‘Is het niet druk daar?’ vraag ik. ‘Het kan er soms druk zijn,’ beaamt hij. ‘Maar het kan wel. Veel mensen doen het, in Oldeholtpade. De gemeente wil dat eigenlijk niet, ze hebben al van alles geprobeerd om het te verhinderen. Het wordt steeds kapotgemaakt. De jeugd doet dat.’ Hij kijkt er trots en vertederd bij. ‘Wij willen daar oversteken. Dat willen ze ermee zeggen. Zo is het altijd geweest.’ Ik lach uitbundig. ‘Het is júllie pad!’ Hij grijnst trots. ‘Ja, het is óns pad. Er liggen nog wel wat betonbrokken, daar kun je gewoon langslopen.’

Paden zo oud als dat er mensen zijn. Hoeveel zijn er daar nog van? Op het platteland zijn ze nog niet allemaal weggevaagd, zoals in verstedelijkte gebieden, die al veel vaker op de schop zijn gegaan. Oude paden worden in stukken gehakt, ter wille van doorstroming en snelheid van het veeleisende verkeer. Aan de bewoners wordt niks gevraagd. Willen ze dit wel?
Gestudeerde mensen hanteren algoritmes. Die wijzen uit wat het beste is. Oude routes, kronkelwegen met historie, ze dienen de doorstroming niet. Wat heb je aan een lange zigzag weg? Loodrecht, van hier naar daar. Dat betekent tijdwinst. Daar gaat het om. Een nieuwe snelweg is belangrijker.

Maar mensen zijn geen machines. Eigenlijk genieten ze liever van het onderweg zijn. Ook ik kijk graag om me heen. De weg lijkt dan korter, al doe ik er langer over. En ik gá langzaam. Veel langzamer dan anderen ga ik. Ik wandel met mijn wagen over de weg, getrokken door een stalen trekhond. Kuierend door het land spreek ik allerlei mensen. Ik hoor wat er speelt. Ik word steeds wijzer. Ik wandel op wegen waar al duizenden voeten hebben gelopen. Ik leer het land kennen door de mensen te zien.

Kuieren en mensen zien, daar hebben verkeersdeskundigen niet voor geleerd. Alles moet snel. De stroom van auto’s moet worden gediend. Auto’s, auto’s en nog meer auto’s. Nog meer wegen, die nog meer auto’s aantrekken. Zo gaat het. Dorpelingen hebben er weinig over te zeggen. Het oude pad wordt verknipt. Verknipt, maar niet vergeten.

Een Friese geoloog met veel historische kennis leerde mij een begrip dat ik nog niet kende. ‘De DNA structuur van het landschap.’ Die zit in de bodem. Het zijn bijvoorbeeld oude dijkjes die eeuwenlang een route hebben gevormd om van hier naar daar te komen. Ze zijn er nog steeds, die oude paden. Zelfs al zijn ze in stukken gehakt. Al zijn ze gedeeltelijk weggevaagd door snelwegen of ruilverkaveling. Als je goed kijkt zie je ze nog liggen. Er zijn zat Friezen die er nog van weten. Er is verlangen naar herstel. Ik noem het nu: Restauratie van de DNA structuur. Het land met zijn oude paden hoort bij de cultuur en de mensenheugenis. Het is onze verbintenis met de bodem en de elementen.

Al die oude paden worden steeds verder verknipt. Maar nog altijd zijn ze niet helemaal verdwenen. Nog steeds niet. En dat zal ook nooit gebeuren. Onder het netwerk van snelheid ligt het nog steeds verborgen. Traag ademt het, als een levende herinnering. En alles wat aandacht krijgt groeit. Daar blijf ik aan denken. Altijd.

.

PS: Ik heb net het boek uit van Thalia Verkade “Het recht van de snelste,” verkrijgbaar bij de Correspondent.

Het ego is een wild paard

.

.

Iets doen wat ik eng vind. Vooral als het een groter belang dient. Die uitdaging. Dat is goed voedsel voor mijn wilde paard.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10.30 minuten.

.

Langs de blauwe hemel jagen wolken met witte schuimkoppen. Een frisse wind waait door het huis en blaast alle bedompte warmte eruit. Mijn hoofd wordt weer helder. En dat is maar goed ook. Vandaag gaan we uit, mijn buurvrouw en ik. We gaan een beginnend voedselbos bekijken, het is vlak in de buurt. ‚Het kost wel tien euro’, zegt Annemarie. Ik haal mijn schouders op. ‚Dan verdient die man ook wat’ zeg ik.

Even later wandelen we een terrein op dat vol met jonge bomen staat, elzen, hazelaars, lijsterbes, en hier en daar een tamme kastanje of een stel fruitbomen. Eronder groeit lang gras en ik zie allerlei struiken en ook smeerwortel. We gaan we in een ruime kring om de jonge man heen staan. Hij begint zijn verhaal.
‚Hebben jullie wel eens gehoord van permacultuur?’ vraagt hij. Hier en daar gaat aarzelend een vinger omhoog. Maar die van mij gaat snel en heel parmantig.
‚Ik heb twee keer de jaaropleiding gedaan,’ zeg ik trots. Ik schrik een beetje van mezelf. Wat zeg ik nu weer. Ik lijk wel een haantje de voorste. Maar hij kijkt niet raar op van mijn opmerking. Hij knikt. ‚Okee dan weet jij er alles al van, wat ik ga vertellen. Zijn hier ook nog mensen die een bedrijf hebben met permacultuur?’ Niemand steekt zijn vinger op. Hij glimlacht een beetje opgelucht. Dat snap ik wel. Het kan lastig zijn om een verhaal te vertellen als er mensen omheen staan die meer weten dan jij. Vooral als je nauwelijks dertig bent en nog niet lang bezig. Bij het ouder worden is dat steeds minder een probleem. Je kan steeds makkelijker anderen een podium geven. Laat ze maar vertellen wat ze weten. Leuk! Maar ik geloof niet dat deze jongen daar nu op zit te wachten. Ik besluit ik om zo min mogelijk te zeggen en vooral te luisteren, tenzij ik een uitnodiging krijg.

Het is een inspirerende wandeling. De voedselbosbouwer komt van oorsprong uit een vinexwijk. Zijn groene vingers zijn nog maar tien jaar geleden begonnen met groeien. En nu staat hij hier, enthousiast te vertellen waarom hij doet wat hij doet. Heel af en toe stel ik een vraag en tot mijn plezier vraagt hij mij ook wat. Helaas heb ik geen antwoord, want ik sta nog na te denken over iets anders. Maar even later gaat het over bouwen,  waar ik meer van weet. Ik spring overeind en roep welke cursus die ik daarvoor gedaan heb. Het floept er gewoon uit. Geïrriteerd kijk ik over mijn schouder en zie de enthousiaste blik van mijn ego.  Koest! Zeg ik tegen hem. Dat is toch helemaal niet interessant voor deze mensen. Ik merk het al. Jij wil óók wat. De volgende keer ga jij met mij voor zo’n groep staan! Oeps, denk ik tegelijkertijd. Spannend!

Als ik weer thuis ben, denk ik erover na. Ik zie het ego als een wild paard. Tijdens mijn rustige teruggetrokken leventje staat hij vaak te dommelen, ergens tussen de struiken, terwijl ik geconcentreerd aan het werk ben. Ik werk, uur na uur, dag na dag. Meestal alleen. Want vooral dàn komt er iets uit mijn vingers. In opperste concentratie. En dat wilde paard staat daar maar, steeds op dezelfde plek. Het paard is een groepsdier. Zijn talenten komen vooral  tot zijn recht met anderen. Ik denk niet dat alle paarden hetzelfde zijn. Ook die zullen verschillende behoeften hebben. Maar ik geloof dat mijn paard wel temperament heeft. En dat terwijl hij door mij soms jaren achtereen op een klein stukje grond wordt gezet.

Wat gebeurt er dan. Langzaam wordt hij ongedurig. Met zijn hoeven stampt hij de grond plat. Dan verzuurt de bodem. Maar ik train hem, ik maan hem tot kalmte en geduld. Dus dan dommelt hij maar weer wat. Maar toch. Het vennetje waaruit hij drinkt begint te stinken, bij gebrek aan zuurstof.  En langzamerhand kan ik hem niet meer tegenhouden. Hij wil wat.

Als ik daar niet naar luister, dan heeft dat gevolgen. Je krijgt er verzuring van. Net als in die platgetrapte grond. Er zijn verzuurde mensen. De beste stuurlui, die aan wal staan. De betweters die roepen hoe je iemand moet redden die verdrinkt, maar zelf droge voeten houden. Niets is goed. We noemen ze vaak zeurpieten. Niks aan. Ik wil geen zeurpiet worden.
Dus hoe prettig ik ook doorwerk, af en toe moet ik er uit. Even wat anders. En dan sta ik daar, tussen zo’n groep mensen. Ik luister naar wat er gebeurt. Ik  ben mijn wilde paard even helemaal vergeten. Maar hij is er wél. Natuurlijk! Eindelijk gebeurt er iets! Hij staat pal achter me te popelen en hinnikt plotseling hard in mijn oor. ‘Hier ben ik!’ Roept hij. Help! Ik schrik. Mijn wilde paard!  Laat ik daar eens goed voor zorgen.

Hoe doe ik dat, daarvoor zorgen? Op pad gaan met mijn huisje is leuk, maar niet genoeg. Mijn ros vraagt om uitdagingen. Iets wat ik eng vind, maar heel graag wil.  Want als ik dat tòch doe, dan ben ik daarna extra trots. Vooral wanneer ik er iets anders mee dien.  Iets wat bijdraagt aan een groter geheel. Want dan gaat mijn ros echt glimmen, als dat is gelukt. Het gaat niet om mij, en tegelijkertijd voedt het mij. Dat is gezond voedsel voor het wilde dier. Daar houdt hij van, mijn paard. Dat voel ik.

Er zijn zoveel soorten paarden! Er zijn kleine en grote, met allerlei talenten. Er zijn er die vreselijk onhandelbaar zijn. Hun mens zal  het  moeilijk hebben. Hun paard is verwaarloosd, heeft geen duidelijke taak gekregen. En dat wil het graag. Dan wordt het wild en is niet te houden. Krijg het dier dan maar weer eens in toom. Daar kun je lang zoet mee zijn.

Anderen hebben hun ros al vroeg voor de kar geplaatst, die ze in beweging willen hebben. Dat scheelt een hoop tijd en gedoe. Soms zitten ze op zijn rug en rijden de eindeloze vlakte af tot de horizon. Die doen er wat mee. Ze doen precies wat ze willen.

Alle talentvolle rossen bij elkaar kunnen wat. Laten we er met elkaar een sterke troep van maken. Wat een mooi gezicht lijkt me dat, al die glanzende paardenlijven in beweging. Ik zie het al helemaal voor me. We galopperen door het leven als wolken in een blauwe hemel. We rusten bij dezelfde bron. En we zijn allemaal trots op elkaar.

.

PS: ik ben geen psycholoog. Ik denk gewoon hardop en iedereen mag het verder zelf invullen.

 

Een winkel van moeder en dochter

.

Waar ik mijn nieuwe aardewerken kom kocht…

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut.

.

 

Ik loop door de winkelstraat van Heerenveen. Ik kijk naar links en naar rechts. De vele kledingwinkels hebben de deur wagenwijd open. Maar ik zoek iets anders. Ik loop naar een vrouw, die bij een etalage staat te kijken. Ze is bejaard, heeft krullen en een bloemetjesjurk. Zij weet vast wel waar ik vind, wat ik zoek. ‘Dag mevrouw, weet u een winkel waar ik een theezeefje kan kopen? vraag ik.
Ze lacht, welwillend om te helpen. ‘Bij Blokker of de Hema misschien’. Ik schud mijn hoofd.
‘Nee dat wil ik niet, ik wil een echte keukenwinkel. Die zijn meestal van kleine zelfstandigen ‘, ziet u? En ik wil ze graag steunen,’ leg ik uit.
Ze kijkt me aandachtig aan, alsof ik iets bijzonders vertel.
‘Oh jaa….Daar kom ik nooit. Ik ga altijd naar de Blokker,’ zegt ze verontschuldigend. ‘Maar ik denk dat het dáár is.’ Ze wijst. ‘Links en dan weer links.’
Ik knik glimlachend en loop verder.

Het klopt wat ze zei. Er is een keukenwinkel. ‘Terras & Cooking, staat er boven de deur. Een meisje komt naar me toe. Ze is blond en jong. ‘Is dit een keten?’ vraag ik terwijl ik verkennend rondkijk. „

‘Nee’, zegt ze alsof het een scheldwoord is. ‘Dit is van moeder en dochter.’ Ik knik tevreden. ‘Dat is mooi. Hier wil ik wezen. Heb je ook theezeefjes?’ Ja ze heeft een hele sterke. Ze verdwijnt achter een deur en komt weer terug. Ze legt hem neer op de toonbank. Een met een mooie zwarte rand. Ik loop verder rond. Er staan vier wit met grijze kommen, met spikkeltjes erop. Ik pak er één en bekijk de glazuur. ‘Mooi hè, vooral dìt,’ ik wijs op een oneffenheidje. ‘O ja, daar houd ik ook zo van,’ zegt ze glimmend. ‘Het is een foutje. Ze zijn handgedraaid.’ Ik neem ze alle vier mee. Ook een olijfhouten snijplank vindt bij mij zijn bestemming. Het lijkt wel een schilderij, zo mooi is de tekening in het hout. Diepe zwarte lijnen zijn het. Ik voel hoe glad hij is en zacht. De plank is smal genoeg voor mijn plankje, waar ik het op kan bergen. Ik kijk naar haar tengere gestalte en haar loshangende haren, terwijl ze voor me uit naar de kassa loopt. ‘Let niet op de rommel hoor, ik ben aan het opruimen.’ Achter de kassa staan allemaal dozen. ‘Maakt niet uit hoor. Ik vind dit een fijne winkel. Het is zo belangrijk om kleine zelfstandigen als jullie te steunen,’ zeg ik. „Het is jammer dat zoveel mensen automatisch voor de grote ketens kiezen.“ Ze staat inmiddels rechtop achter de toonbank en kijkt me met grote ogen aan. ‘O ja! Dat merken we wel. De mensen bestellen maar per post en denken er niet over na. Deze winkel bestaat nu tien jaar. Ik was tien, nu ben ik twintig. We zijn er nog steeds. Maar er is al zoveel detailhandel failliet gegaan!’
Ze schudt haar hoofd en kijkt me aan met droeve ernst. Haar handen scheuren een stuk grauwwit papier af, om de kommen in te pakken. Jemig, denk ik. Die is twintig en begint haar arbeidsbestaan meteen al met een fikse crisis. Hoeveel zal ze er nog meemaken?
‘De mensen graven de grond onder hun voeten vandaan,’ zeg ik. Ze knikt ‘Straks is er niks meer.’

Rustig geeft ze me de ingepakte kommen aan en het theezeefje en de plank. Ik hoef geen tas, ik neem het zo mee. Ik groet en zie nog net haar hoofd, dat boven de dozen uitsteekt. Door de grauwe winkelstraat loop ik terug naar mijn fiets. Die kommen krijgen een heel mooi plekje, straks.

.

.

Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.

 

Een zinderende stad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

Het is zaterdag 31 mei. Ik heb afgesproken met Dick, in Amersfoort. Dat ligt precies tussen Eindhoven en Heerenveen in. Ik ben er het eerst en wacht op het stationsplein. Al gauw zie ik hem mijn kant op komen. Hij is van verre te herkennen door het roze overhemd, dat ik zo mooi vind. Hij grijnst me tegemoet en we zoenen en omhelsen elkaar.

We praten heel wat af, lopen door de stad, fietsen door het bos, en picknicken tussen de zandverstuivingen van Soestduinen. Aan het eind van de dag fietsen we terug. Met de fiets aan de hand lopen we door de smalle straten van Amersfoort, op zoek naar een plek waar nog koffie te krijgen is.

Amersfoort is een kleine middeleeuwse stad, vol terrasjes, die de afgelopen maanden door de pandemie volledig waren uitgestorven. Maar vanavond zijn er overal mensen in de weer. Een caféhouder staat glanzend van tevredenheid zijn bloemen te begieten. „Die zien er goed uit!“ zeg ik bewonderend. “Ja!“ roept hij. „Morgen gaan we weer los!“ Hij straalt van top tot teen.
De hele binnenstad zindert. Morgen is het zo ver! Morgen mogen de terassen weer open. Verderop zie ik een jongen die tafelpoten vastschroeft. Twee andere jongens poetsen tekstborden schoon, waar het menu op staat. Het is één en al bedrijvigheid.
„Wat zou het mooi zijn als het altijd zo was,“ zeg ik tegen Dick. „Wat bedoel je?“ vraagt hij. „Iedereen zo lekker aan het werk, in plaats van al die mensen die maar zitten te consumeren. Zo moet het vroeger zijn geweest. Maar dan anders.“

Ooit waren de straten vol met ratelende wagenwielen, groentekramen, schrobbende huisvrouwen, die hun stoep schoonmaakten. Er waren brouwers die hun vaten vervoerden naar de plek van bestemming. In de Eem voeren kleine schepen met bier weg. Het gouden vocht uit Amersfoort werd graag gedronken. Het water kwam rechtstreeks uit de Veluwe en het was helder en zacht. Nu is er weer een brouwerij, om de traditie te herstellen. Maar er zijn vooral veel terrasjes met bierdrinkende mensen. Die kunnen morgen weer genieten. Maar niet te dicht op elkaar, vanwege het besmettingsgevaar. Ik hoop dat er genoeg plek is, en dat de mensen geen ruzie krijgen om één van de schaarse stoelen.

De terrascultuur is tegelijk gegroeid met het kapitalisme. De eerste tafels en stoelen werden buitengezet in Den Haag in 1863. Afgekeken van Parijs. Fatsoenlijke vrouwen waren er niet erg op gesteld, die blikken van de heren. Maar later mochten er ook rijke vrouwen komen. En nóg later iedereen. Het werd een teken van welvaart. Een land met terrassen, is een rijk land. Nederland scoort hierin erg hoog. Net als in de geluksladder. Ben je gelukkig als je een terrasje kan pakken?

Dick en ik lopen maar weer terug naar het station. Nergens is nog koffie te krijgen. Alle afhaalpunten zijn gesloten. Maar het geeft niet. We zien van alles. Ik loop een hoekje om en zie een gietijzeren hek, met een bordje erbij. „Verboden toegang,“ staat er. Nieuwsgierig blijf ik staan, en roep naar Dick, die achter me aan komt. „Kijk eens!“ Achter het hek zien we een oude binnenplaats. Het hoort bij het Franciskaner klooster. Ik bewonder de oude stenen muren. Het is er stil, de geluiden van de stad dringen er nauwelijks door. Maar er zijn geen monniken meer. Straatsstenen en twee auto’s, dat zie ik. Het is een parkeerplaats.

„Zou dit de kloostertuin zijn geweest?“ vraag ik aan Dick „Wat zou ik die tuin hier graag weer terug zien! Ik zou hier zo mijn woonwagen neerzetten om ermee te beginnen.“ Dick grinnikt. „Ja het is echt een plek voor een binnentuin,“ zegt hij. Ik glimlach. „Mooi is dat hè, hoe een locatie altijd blijft vragen om datgene waar het voor gemaakt is. Hier horen bloeiende kruiden te groeien. Hoeveel mensen zullen dat al hebben gedacht! Ooit komt die tuin weer terug. Dat kan haast niet anders.“

We lopen verder. Nergens is koffie. Morgen gaan ze los. Dat zeggen ze allemaal. Morgen! De tafels en stoelen blinken en de bloemen staan te pronken in de plantenbakken. Een terrasje pakken. Morgen mag het weer! Maar wel op anderhalve meter van elkaar. Consumptiecultuur in afgeslankte versie. Zou het blijvend zijn? Zou dit dan ook het einde inluiden van het kapitalisme?

Dan zou ik graag de hofjes terug zien, met kruiden. Groentevrouwen op de pleinen en ambachtslieden. Vanavond zie ik hoe het kan zijn. De stad als een bezige bijenkorf. Met één bijzonderheid: De opgewekte sfeer van vanavond is ongekend. Dit is het zinderen van de nijvere stad. We mógen weer! Morgen gaan we los!

.

 

Klein en vertrouwd

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9,5 minuut.

.

Ik heb een hele mooie kachel. Hij staat in de hoek bij de deur. Daar past hij precies. Het is een kleine Salamander. Het is een hele oude, en doet denken aan vroeger tijden, toen de wereld nog overzichtelijk was en iedereen in het dorp elkaar kende. Er stond een keteltje op met heet water. De koffie stond altijd klaar.
De kachel is slank, rond en hoog en is bedekt met een laagje sjieke bruine emaille. Bovenop is in het dekseltje een salamander gegraveerd. Dat deksel geeft toegang tot het binnenste, dat al door zoveel handen is gevuld met hout. Alles is tot as vergaan, jaar in jaar uit opnieuw.

Om de kachel heen is het een zootje. Er liggen oude kranten, schoenen, houtblokjes, een koffiekom, en soms wat vuile sokken die de was in moeten.
Onder de kachel moet eigenlijk een vonkvaste plaat. Die heb ik nog niet. In de vloer zit hier en daar een brandplekje. Ook zitten er een paar krassen in van de bijl. Ik heb me er lang aan gestoord. Maar ach, alles went. Op een gegeven moment weet je niet anders meer.
„O?“ zegt iets in mij, „Dat laat je toch niet zomaar gebeuren met je prachtige huisje! Dit is het begin van het verval.“

Dus nu heb ik besloten dat dit een goed moment is om de boel eens lekker op te knappen. Met frisse moed maak ik een plan. Ik zaag de dikke vloerplanken af, rond de kachel. Ik laat ze bij het timmerbedrijf door de vandiktebank halen. Daarna schroef ik er een stalen plaat op. Die moet verroest zijn. De roest maakt het oppervlak stroef, waardoor de verf goed blijft zitten. Dat moet bij een kachel, want het is een werkhoek. Je moet er kunnen hakken met de bijl. Ik wil de plaat maisgeel maken, dezelfde kleur als de rest van de houten vloer.

Waar haal ik dat staal? Bij de oudijzerboer natuurlijk. En dan niet zo’n grote, maar een kleintje. Zo’n ouwe rommelaar, die moet ik hebben. Ik vind hem al snel, het is een half uurtje fietsen. Ik bel hem op en kan meteen komen. Eigenlijk sluit hij om vijf uur, maar hij zal wachten tot ik er ben. Het duurt iets langer, want ik fiets eerst verkeerd, en kom bij een ander bedrijf uit. Het terrein ligt vol enorme schroothopen en er rijden grote kranen rond. Ik keer meteen om. Ik moet een stuk terug zijn.
Uiteindelijk ben ik er. Het bedrijfje is aanzienlijk kleiner. Er staat een verroeste Atlaskraan, een kast met pannetjes, bakken met geplette blikjes, een bak met het hele interieur van een professionele keuken. Ik loop verder. Achter een stoffig raam zie ik een gestalte en de houten deur gaat open.

„Ah ben je daar! Hoe kon je nou bij mijn concurrent terechtkomen?!“ In zijn stem klinkt verbijstering door. Dat snap ik wel, stel je voor dat al zijn klanten uitkomen bij de concurrent, die toch al rijk zat is. „Ik wist wel dat ik verkeerd zat hoor, zo n groot bedrijf daar heb je niks aan. Hier moet ik wezen en nergens anders.“ Mijn stem klinkt vastbesloten. Hij grijnst gerustgesteld en ik vertel wat ik moet hebben. Hij leidt me rond en uiteindelijk vind ik een goede plaat, mooi recht en verroest. Alleen een beetje te groot. Maar dat is geen probleem. Die snijdt hij wel door met de snijbrander. Hij legt de plaat op een stevige ijzeren werkbank, en tekent de lijn af. Dan legt hij er een H-profiel op en gebruikt hem als geleider. De vlam gaat keurig langs de rand, tot het laatste stukje toe. „Kijk eens hoe mooi!“ straalt hij. Ik ben vol bewondering. „Niet aankomen hoor! Het is nog heet, “ waarschust hij. Ik waag het niet, want ik dat weet ik maar wat goed. Hij loopt naar de deur. „Wil je nog een bakkie koffie? Dan kan het ondertussen afkoelen.“
Ik volg hem door de donkere schuur. Er staat een mooi trekkertje te koop tussen tal van andere zaken. Aan de wand hangen grote roestvrijstalen harpsluitingen. In de hoek zit een deur. Achter de deur is een klein kantoortje met bruine wanden. Er hangen foto’s van honden en mensen.
Hij schuift een stoel naar me toe. „Doe je aan corona?“ vraagt hij me. Ik zeg nee. Hier niet. Gelukkig, zie ik hem denken. De tafel is maar klein. Lang geen anderhalve meter. Hij schenkt koffie in een kop en zet hem voor me op tafel. Hij schudt zijn hoofd: „De mensen zijn zo bang! Ze doen alles wat Rutte zegt. Ik heb nu veel minder klanten. Hij is niet goed voor ons, werklui. Die andere is beter.“ Ik vraag wie hij bedoelt. „Ach, die met die moeilijke Franse naam. En Wilders, zegt ook wel goeie dingen, al is het een raar mannetje.“ Ik kijk hem geïnteresseerd aan. Maar zo boeiend is de politiek nou ook weer niet. Het gaat al snel over zijn vrienden, vriendinnen, en al de trouwe hondevrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Hij geniet zichtbaar van mijn bezoekje. Na een half uur betaal ik hem en laat hij me uit. Ik bind de kachelplaat stevig vast op mijn bagagedrager. „Ik zie je vast nog wel eens terug!“ zegt hij vol vertrouwen.

Terwijl ik terugfiets over de smalle rustige plattelandsweg, denk ik eraan hoeveel we er mee zouden winnen als dorpen weer hun eigen bestuurders kenden. Als een dorp of wijk niet meer dan 500 bewoners had en eigen kleinschalige bedrijfjes. Dan kent iedereen elkaar. Dan zou de oudijzerboer op straat een praatje kunnen maken met de burgemeester. Hij zou zelfs kennis maken met dat ene Turkse of Marokaanse gezin. Dat ene is immers altijd anders dan de rest! Kleinschaligheid schept vertrouwen. Is dat het niet wat we nodig hebben in deze tijd? Klein beginnen. Gewoon, een bakkie doen bij de ijzerboer.

.

 

.