Het ego is een wild paard

.

.

Iets doen wat ik eng vind. Vooral als het een groter belang dient. Die uitdaging. Dat is goed voedsel voor mijn wilde paard.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10.30 minuten.

.

Langs de blauwe hemel jagen wolken met witte schuimkoppen. Een frisse wind waait door het huis en blaast alle bedompte warmte eruit. Mijn hoofd wordt weer helder. En dat is maar goed ook. Vandaag gaan we uit, mijn buurvrouw en ik. We gaan een beginnend voedselbos bekijken, het is vlak in de buurt. ‚Het kost wel tien euro’, zegt Annemarie. Ik haal mijn schouders op. ‚Dan verdient die man ook wat’ zeg ik.

Even later wandelen we een terrein op dat vol met jonge bomen staat, elzen, hazelaars, lijsterbes, en hier en daar een tamme kastanje of een stel fruitbomen. Eronder groeit lang gras en ik zie allerlei struiken en ook smeerwortel. We gaan we in een ruime kring om de jonge man heen staan. Hij begint zijn verhaal.
‚Hebben jullie wel eens gehoord van permacultuur?’ vraagt hij. Hier en daar gaat aarzelend een vinger omhoog. Maar die van mij gaat snel en heel parmantig.
‚Ik heb twee keer de jaaropleiding gedaan,’ zeg ik trots. Ik schrik een beetje van mezelf. Wat zeg ik nu weer. Ik lijk wel een haantje de voorste. Maar hij kijkt niet raar op van mijn opmerking. Hij knikt. ‚Okee dan weet jij er alles al van, wat ik ga vertellen. Zijn hier ook nog mensen die een bedrijf hebben met permacultuur?’ Niemand steekt zijn vinger op. Hij glimlacht een beetje opgelucht. Dat snap ik wel. Het kan lastig zijn om een verhaal te vertellen als er mensen omheen staan die meer weten dan jij. Vooral als je nauwelijks dertig bent en nog niet lang bezig. Bij het ouder worden is dat steeds minder een probleem. Je kan steeds makkelijker anderen een podium geven. Laat ze maar vertellen wat ze weten. Leuk! Maar ik geloof niet dat deze jongen daar nu op zit te wachten. Ik besluit ik om zo min mogelijk te zeggen en vooral te luisteren, tenzij ik een uitnodiging krijg.

Het is een inspirerende wandeling. De voedselbosbouwer komt van oorsprong uit een vinexwijk. Zijn groene vingers zijn nog maar tien jaar geleden begonnen met groeien. En nu staat hij hier, enthousiast te vertellen waarom hij doet wat hij doet. Heel af en toe stel ik een vraag en tot mijn plezier vraagt hij mij ook wat. Helaas heb ik geen antwoord, want ik sta nog na te denken over iets anders. Maar even later gaat het over bouwen,  waar ik meer van weet. Ik spring overeind en roep welke cursus die ik daarvoor gedaan heb. Het floept er gewoon uit. Geïrriteerd kijk ik over mijn schouder en zie de enthousiaste blik van mijn ego.  Koest! Zeg ik tegen hem. Dat is toch helemaal niet interessant voor deze mensen. Ik merk het al. Jij wil óók wat. De volgende keer ga jij met mij voor zo’n groep staan! Oeps, denk ik tegelijkertijd. Spannend!

Als ik weer thuis ben, denk ik erover na. Ik zie het ego als een wild paard. Tijdens mijn rustige teruggetrokken leventje staat hij vaak te dommelen, ergens tussen de struiken, terwijl ik geconcentreerd aan het werk ben. Ik werk, uur na uur, dag na dag. Meestal alleen. Want vooral dàn komt er iets uit mijn vingers. In opperste concentratie. En dat wilde paard staat daar maar, steeds op dezelfde plek. Het paard is een groepsdier. Zijn talenten komen vooral  tot zijn recht met anderen. Ik denk niet dat alle paarden hetzelfde zijn. Ook die zullen verschillende behoeften hebben. Maar ik geloof dat mijn paard wel temperament heeft. En dat terwijl hij door mij soms jaren achtereen op een klein stukje grond wordt gezet.

Wat gebeurt er dan. Langzaam wordt hij ongedurig. Met zijn hoeven stampt hij de grond plat. Dan verzuurt de bodem. Maar ik train hem, ik maan hem tot kalmte en geduld. Dus dan dommelt hij maar weer wat. Maar toch. Het vennetje waaruit hij drinkt begint te stinken, bij gebrek aan zuurstof.  En langzamerhand kan ik hem niet meer tegenhouden. Hij wil wat.

Als ik daar niet naar luister, dan heeft dat gevolgen. Je krijgt er verzuring van. Net als in die platgetrapte grond. Er zijn verzuurde mensen. De beste stuurlui, die aan wal staan. De betweters die roepen hoe je iemand moet redden die verdrinkt, maar zelf droge voeten houden. Niets is goed. We noemen ze vaak zeurpieten. Niks aan. Ik wil geen zeurpiet worden.
Dus hoe prettig ik ook doorwerk, af en toe moet ik er uit. Even wat anders. En dan sta ik daar, tussen zo’n groep mensen. Ik luister naar wat er gebeurt. Ik  ben mijn wilde paard even helemaal vergeten. Maar hij is er wél. Natuurlijk! Eindelijk gebeurt er iets! Hij staat pal achter me te popelen en hinnikt plotseling hard in mijn oor. ‘Hier ben ik!’ Roept hij. Help! Ik schrik. Mijn wilde paard!  Laat ik daar eens goed voor zorgen.

Hoe doe ik dat, daarvoor zorgen? Op pad gaan met mijn huisje is leuk, maar niet genoeg. Mijn ros vraagt om uitdagingen. Iets wat ik eng vind, maar heel graag wil.  Want als ik dat tòch doe, dan ben ik daarna extra trots. Vooral wanneer ik er iets anders mee dien.  Iets wat bijdraagt aan een groter geheel. Want dan gaat mijn ros echt glimmen, als dat is gelukt. Het gaat niet om mij, en tegelijkertijd voedt het mij. Dat is gezond voedsel voor het wilde dier. Daar houdt hij van, mijn paard. Dat voel ik.

Er zijn zoveel soorten paarden! Er zijn kleine en grote, met allerlei talenten. Er zijn er die vreselijk onhandelbaar zijn. Hun mens zal  het  moeilijk hebben. Hun paard is verwaarloosd, heeft geen duidelijke taak gekregen. En dat wil het graag. Dan wordt het wild en is niet te houden. Krijg het dier dan maar weer eens in toom. Daar kun je lang zoet mee zijn.

Anderen hebben hun ros al vroeg voor de kar geplaatst, die ze in beweging willen hebben. Dat scheelt een hoop tijd en gedoe. Soms zitten ze op zijn rug en rijden de eindeloze vlakte af tot de horizon. Die doen er wat mee. Ze doen precies wat ze willen.

Alle talentvolle rossen bij elkaar kunnen wat. Laten we er met elkaar een sterke troep van maken. Wat een mooi gezicht lijkt me dat, al die glanzende paardenlijven in beweging. Ik zie het al helemaal voor me. We galopperen door het leven als wolken in een blauwe hemel. We rusten bij dezelfde bron. En we zijn allemaal trots op elkaar.

.

PS: ik ben geen psycholoog. Ik denk gewoon hardop en iedereen mag het verder zelf invullen.

 

Een winkel van moeder en dochter

.

Waar ik mijn nieuwe aardewerken kom kocht…

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut.

.

 

Ik loop door de winkelstraat van Heerenveen. Ik kijk naar links en naar rechts. De vele kledingwinkels hebben de deur wagenwijd open. Maar ik zoek iets anders. Ik loop naar een vrouw, die bij een etalage staat te kijken. Ze is bejaard, heeft krullen en een bloemetjesjurk. Zij weet vast wel waar ik vind, wat ik zoek. ‘Dag mevrouw, weet u een winkel waar ik een theezeefje kan kopen? vraag ik.
Ze lacht, welwillend om te helpen. ‘Bij Blokker of de Hema misschien’. Ik schud mijn hoofd.
‘Nee dat wil ik niet, ik wil een echte keukenwinkel. Die zijn meestal van kleine zelfstandigen ‘, ziet u? En ik wil ze graag steunen,’ leg ik uit.
Ze kijkt me aandachtig aan, alsof ik iets bijzonders vertel.
‘Oh jaa….Daar kom ik nooit. Ik ga altijd naar de Blokker,’ zegt ze verontschuldigend. ‘Maar ik denk dat het dáár is.’ Ze wijst. ‘Links en dan weer links.’
Ik knik glimlachend en loop verder.

Het klopt wat ze zei. Er is een keukenwinkel. ‘Terras & Cooking, staat er boven de deur. Een meisje komt naar me toe. Ze is blond en jong. ‘Is dit een keten?’ vraag ik terwijl ik verkennend rondkijk. „

‘Nee’, zegt ze alsof het een scheldwoord is. ‘Dit is van moeder en dochter.’ Ik knik tevreden. ‘Dat is mooi. Hier wil ik wezen. Heb je ook theezeefjes?’ Ja ze heeft een hele sterke. Ze verdwijnt achter een deur en komt weer terug. Ze legt hem neer op de toonbank. Een met een mooie zwarte rand. Ik loop verder rond. Er staan vier wit met grijze kommen, met spikkeltjes erop. Ik pak er één en bekijk de glazuur. ‘Mooi hè, vooral dìt,’ ik wijs op een oneffenheidje. ‘O ja, daar houd ik ook zo van,’ zegt ze glimmend. ‘Het is een foutje. Ze zijn handgedraaid.’ Ik neem ze alle vier mee. Ook een olijfhouten snijplank vindt bij mij zijn bestemming. Het lijkt wel een schilderij, zo mooi is de tekening in het hout. Diepe zwarte lijnen zijn het. Ik voel hoe glad hij is en zacht. De plank is smal genoeg voor mijn plankje, waar ik het op kan bergen. Ik kijk naar haar tengere gestalte en haar loshangende haren, terwijl ze voor me uit naar de kassa loopt. ‘Let niet op de rommel hoor, ik ben aan het opruimen.’ Achter de kassa staan allemaal dozen. ‘Maakt niet uit hoor. Ik vind dit een fijne winkel. Het is zo belangrijk om kleine zelfstandigen als jullie te steunen,’ zeg ik. „Het is jammer dat zoveel mensen automatisch voor de grote ketens kiezen.“ Ze staat inmiddels rechtop achter de toonbank en kijkt me met grote ogen aan. ‘O ja! Dat merken we wel. De mensen bestellen maar per post en denken er niet over na. Deze winkel bestaat nu tien jaar. Ik was tien, nu ben ik twintig. We zijn er nog steeds. Maar er is al zoveel detailhandel failliet gegaan!’
Ze schudt haar hoofd en kijkt me aan met droeve ernst. Haar handen scheuren een stuk grauwwit papier af, om de kommen in te pakken. Jemig, denk ik. Die is twintig en begint haar arbeidsbestaan meteen al met een fikse crisis. Hoeveel zal ze er nog meemaken?
‘De mensen graven de grond onder hun voeten vandaan,’ zeg ik. Ze knikt ‘Straks is er niks meer.’

Rustig geeft ze me de ingepakte kommen aan en het theezeefje en de plank. Ik hoef geen tas, ik neem het zo mee. Ik groet en zie nog net haar hoofd, dat boven de dozen uitsteekt. Door de grauwe winkelstraat loop ik terug naar mijn fiets. Die kommen krijgen een heel mooi plekje, straks.

.

.

Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.

 

Een zinderende stad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

Het is zaterdag 31 mei. Ik heb afgesproken met Dick, in Amersfoort. Dat ligt precies tussen Eindhoven en Heerenveen in. Ik ben er het eerst en wacht op het stationsplein. Al gauw zie ik hem mijn kant op komen. Hij is van verre te herkennen door het roze overhemd, dat ik zo mooi vind. Hij grijnst me tegemoet en we zoenen en omhelsen elkaar.

We praten heel wat af, lopen door de stad, fietsen door het bos, en picknicken tussen de zandverstuivingen van Soestduinen. Aan het eind van de dag fietsen we terug. Met de fiets aan de hand lopen we door de smalle straten van Amersfoort, op zoek naar een plek waar nog koffie te krijgen is.

Amersfoort is een kleine middeleeuwse stad, vol terrasjes, die de afgelopen maanden door de pandemie volledig waren uitgestorven. Maar vanavond zijn er overal mensen in de weer. Een caféhouder staat glanzend van tevredenheid zijn bloemen te begieten. „Die zien er goed uit!“ zeg ik bewonderend. “Ja!“ roept hij. „Morgen gaan we weer los!“ Hij straalt van top tot teen.
De hele binnenstad zindert. Morgen is het zo ver! Morgen mogen de terassen weer open. Verderop zie ik een jongen die tafelpoten vastschroeft. Twee andere jongens poetsen tekstborden schoon, waar het menu op staat. Het is één en al bedrijvigheid.
„Wat zou het mooi zijn als het altijd zo was,“ zeg ik tegen Dick. „Wat bedoel je?“ vraagt hij. „Iedereen zo lekker aan het werk, in plaats van al die mensen die maar zitten te consumeren. Zo moet het vroeger zijn geweest. Maar dan anders.“

Ooit waren de straten vol met ratelende wagenwielen, groentekramen, schrobbende huisvrouwen, die hun stoep schoonmaakten. Er waren brouwers die hun vaten vervoerden naar de plek van bestemming. In de Eem voeren kleine schepen met bier weg. Het gouden vocht uit Amersfoort werd graag gedronken. Het water kwam rechtstreeks uit de Veluwe en het was helder en zacht. Nu is er weer een brouwerij, om de traditie te herstellen. Maar er zijn vooral veel terrasjes met bierdrinkende mensen. Die kunnen morgen weer genieten. Maar niet te dicht op elkaar, vanwege het besmettingsgevaar. Ik hoop dat er genoeg plek is, en dat de mensen geen ruzie krijgen om één van de schaarse stoelen.

De terrascultuur is tegelijk gegroeid met het kapitalisme. De eerste tafels en stoelen werden buitengezet in Den Haag in 1863. Afgekeken van Parijs. Fatsoenlijke vrouwen waren er niet erg op gesteld, die blikken van de heren. Maar later mochten er ook rijke vrouwen komen. En nóg later iedereen. Het werd een teken van welvaart. Een land met terrassen, is een rijk land. Nederland scoort hierin erg hoog. Net als in de geluksladder. Ben je gelukkig als je een terrasje kan pakken?

Dick en ik lopen maar weer terug naar het station. Nergens is nog koffie te krijgen. Alle afhaalpunten zijn gesloten. Maar het geeft niet. We zien van alles. Ik loop een hoekje om en zie een gietijzeren hek, met een bordje erbij. „Verboden toegang,“ staat er. Nieuwsgierig blijf ik staan, en roep naar Dick, die achter me aan komt. „Kijk eens!“ Achter het hek zien we een oude binnenplaats. Het hoort bij het Franciskaner klooster. Ik bewonder de oude stenen muren. Het is er stil, de geluiden van de stad dringen er nauwelijks door. Maar er zijn geen monniken meer. Straatsstenen en twee auto’s, dat zie ik. Het is een parkeerplaats.

„Zou dit de kloostertuin zijn geweest?“ vraag ik aan Dick „Wat zou ik die tuin hier graag weer terug zien! Ik zou hier zo mijn woonwagen neerzetten om ermee te beginnen.“ Dick grinnikt. „Ja het is echt een plek voor een binnentuin,“ zegt hij. Ik glimlach. „Mooi is dat hè, hoe een locatie altijd blijft vragen om datgene waar het voor gemaakt is. Hier horen bloeiende kruiden te groeien. Hoeveel mensen zullen dat al hebben gedacht! Ooit komt die tuin weer terug. Dat kan haast niet anders.“

We lopen verder. Nergens is koffie. Morgen gaan ze los. Dat zeggen ze allemaal. Morgen! De tafels en stoelen blinken en de bloemen staan te pronken in de plantenbakken. Een terrasje pakken. Morgen mag het weer! Maar wel op anderhalve meter van elkaar. Consumptiecultuur in afgeslankte versie. Zou het blijvend zijn? Zou dit dan ook het einde inluiden van het kapitalisme?

Dan zou ik graag de hofjes terug zien, met kruiden. Groentevrouwen op de pleinen en ambachtslieden. Vanavond zie ik hoe het kan zijn. De stad als een bezige bijenkorf. Met één bijzonderheid: De opgewekte sfeer van vanavond is ongekend. Dit is het zinderen van de nijvere stad. We mógen weer! Morgen gaan we los!

.

 

Klein en vertrouwd

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9,5 minuut.

.

Ik heb een hele mooie kachel. Hij staat in de hoek bij de deur. Daar past hij precies. Het is een kleine Salamander. Het is een hele oude, en doet denken aan vroeger tijden, toen de wereld nog overzichtelijk was en iedereen in het dorp elkaar kende. Er stond een keteltje op met heet water. De koffie stond altijd klaar.
De kachel is slank, rond en hoog en is bedekt met een laagje sjieke bruine emaille. Bovenop is in het dekseltje een salamander gegraveerd. Dat deksel geeft toegang tot het binnenste, dat al door zoveel handen is gevuld met hout. Alles is tot as vergaan, jaar in jaar uit opnieuw.

Om de kachel heen is het een zootje. Er liggen oude kranten, schoenen, houtblokjes, een koffiekom, en soms wat vuile sokken die de was in moeten.
Onder de kachel moet eigenlijk een vonkvaste plaat. Die heb ik nog niet. In de vloer zit hier en daar een brandplekje. Ook zitten er een paar krassen in van de bijl. Ik heb me er lang aan gestoord. Maar ach, alles went. Op een gegeven moment weet je niet anders meer.
„O?“ zegt iets in mij, „Dat laat je toch niet zomaar gebeuren met je prachtige huisje! Dit is het begin van het verval.“

Dus nu heb ik besloten dat dit een goed moment is om de boel eens lekker op te knappen. Met frisse moed maak ik een plan. Ik zaag de dikke vloerplanken af, rond de kachel. Ik laat ze bij het timmerbedrijf door de vandiktebank halen. Daarna schroef ik er een stalen plaat op. Die moet verroest zijn. De roest maakt het oppervlak stroef, waardoor de verf goed blijft zitten. Dat moet bij een kachel, want het is een werkhoek. Je moet er kunnen hakken met de bijl. Ik wil de plaat maisgeel maken, dezelfde kleur als de rest van de houten vloer.

Waar haal ik dat staal? Bij de oudijzerboer natuurlijk. En dan niet zo’n grote, maar een kleintje. Zo’n ouwe rommelaar, die moet ik hebben. Ik vind hem al snel, het is een half uurtje fietsen. Ik bel hem op en kan meteen komen. Eigenlijk sluit hij om vijf uur, maar hij zal wachten tot ik er ben. Het duurt iets langer, want ik fiets eerst verkeerd, en kom bij een ander bedrijf uit. Het terrein ligt vol enorme schroothopen en er rijden grote kranen rond. Ik keer meteen om. Ik moet een stuk terug zijn.
Uiteindelijk ben ik er. Het bedrijfje is aanzienlijk kleiner. Er staat een verroeste Atlaskraan, een kast met pannetjes, bakken met geplette blikjes, een bak met het hele interieur van een professionele keuken. Ik loop verder. Achter een stoffig raam zie ik een gestalte en de houten deur gaat open.

„Ah ben je daar! Hoe kon je nou bij mijn concurrent terechtkomen?!“ In zijn stem klinkt verbijstering door. Dat snap ik wel, stel je voor dat al zijn klanten uitkomen bij de concurrent, die toch al rijk zat is. „Ik wist wel dat ik verkeerd zat hoor, zo n groot bedrijf daar heb je niks aan. Hier moet ik wezen en nergens anders.“ Mijn stem klinkt vastbesloten. Hij grijnst gerustgesteld en ik vertel wat ik moet hebben. Hij leidt me rond en uiteindelijk vind ik een goede plaat, mooi recht en verroest. Alleen een beetje te groot. Maar dat is geen probleem. Die snijdt hij wel door met de snijbrander. Hij legt de plaat op een stevige ijzeren werkbank, en tekent de lijn af. Dan legt hij er een H-profiel op en gebruikt hem als geleider. De vlam gaat keurig langs de rand, tot het laatste stukje toe. „Kijk eens hoe mooi!“ straalt hij. Ik ben vol bewondering. „Niet aankomen hoor! Het is nog heet, “ waarschust hij. Ik waag het niet, want ik dat weet ik maar wat goed. Hij loopt naar de deur. „Wil je nog een bakkie koffie? Dan kan het ondertussen afkoelen.“
Ik volg hem door de donkere schuur. Er staat een mooi trekkertje te koop tussen tal van andere zaken. Aan de wand hangen grote roestvrijstalen harpsluitingen. In de hoek zit een deur. Achter de deur is een klein kantoortje met bruine wanden. Er hangen foto’s van honden en mensen.
Hij schuift een stoel naar me toe. „Doe je aan corona?“ vraagt hij me. Ik zeg nee. Hier niet. Gelukkig, zie ik hem denken. De tafel is maar klein. Lang geen anderhalve meter. Hij schenkt koffie in een kop en zet hem voor me op tafel. Hij schudt zijn hoofd: „De mensen zijn zo bang! Ze doen alles wat Rutte zegt. Ik heb nu veel minder klanten. Hij is niet goed voor ons, werklui. Die andere is beter.“ Ik vraag wie hij bedoelt. „Ach, die met die moeilijke Franse naam. En Wilders, zegt ook wel goeie dingen, al is het een raar mannetje.“ Ik kijk hem geïnteresseerd aan. Maar zo boeiend is de politiek nou ook weer niet. Het gaat al snel over zijn vrienden, vriendinnen, en al de trouwe hondevrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Hij geniet zichtbaar van mijn bezoekje. Na een half uur betaal ik hem en laat hij me uit. Ik bind de kachelplaat stevig vast op mijn bagagedrager. „Ik zie je vast nog wel eens terug!“ zegt hij vol vertrouwen.

Terwijl ik terugfiets over de smalle rustige plattelandsweg, denk ik eraan hoeveel we er mee zouden winnen als dorpen weer hun eigen bestuurders kenden. Als een dorp of wijk niet meer dan 500 bewoners had en eigen kleinschalige bedrijfjes. Dan kent iedereen elkaar. Dan zou de oudijzerboer op straat een praatje kunnen maken met de burgemeester. Hij zou zelfs kennis maken met dat ene Turkse of Marokaanse gezin. Dat ene is immers altijd anders dan de rest! Kleinschaligheid schept vertrouwen. Is dat het niet wat we nodig hebben in deze tijd? Klein beginnen. Gewoon, een bakkie doen bij de ijzerboer.

.

 

.

 

Wat ik wél kan doen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  7 min

.

Op mijn vouwfietsje sla ik af, de brede straat in, naar het centrum van Heerenveen. Het rode PTT bakje zit stevig achterop mijn bagagedrager gebonden. Daar doe ik straks mijn boodschappen in. Het is altijd weer even een uitje, naar de Ecowinkel en terug. Het is 7 km, de bocht om de brug over, het park door. Je bent er zomaar.

Langs de kant van de weg  naast de huizen, zijn brede bermen met bomen er in. Er staat een vrouw gebukt boven het korte gras. Een grijze oudere dame met een net wit vestje aan. Ze plukt iets en doet het in het kleine tasje. Ik stop met trappen en stap van mijn fiets.
„Dag mevrouw! Plukt u madeliefjes?“ vraag ik. Verrast kijkt ze op. „Ja! Ik wil ze op een kaart plakken voor iemand,“ en ze kijkt een beetje bedremmeld naar het kleine kartonnen tasje. „Het is misschien een beetje gek om bloempjes te plukken en in een tasje te stoppen,“ zegt ze aarzelend. „Gek?“ Ik kijk haar vrolijk aan. „Helemaal niet gek hoor, dat doe ik ook altijd.“ Ze lacht opgelucht. „Ja, we beginnen het nu langzaam te bevatten, wat de impact is, van alles,“ begint ze langzaam en ze is even stil. „In deze tijd kun je wel heel somber worden over grote dingen en daarom…“ ze zoekt naar woorden en kijkt nadenkend de kruin van de boom in. „Daarom wilt u vooral genieten van kleine dingen!“ Vul ik haar aan. Ze knikt enthousiast en gaat meteen verder „En om goed voor elkaar te zorgen. Elkaar verrassen. Dat is ook belangrijk. Ik maak me soms zorgen over mijn kleinkinderen. Ik wil graag dat ze het net zo goed hebben als ik. Wij zijn gepensioneerd, wij zitten gebakken. Maar zij….. “ Ze praat steeds zachter, alsof ze hardop nadenkt.
„Ja dat begrijp ik,“ zeg ik „Al die grote leningen die nu worden gedaan door de regering, gaan ten koste van hún financiele toekomst.“ Toevallig heb ik daar net een artikel over gelezen in Follow The Money. Ze is blij met de aanvulling op haar gedachten.
„Ik zou willen dat ze het net zo goed krijgen. Maar ik kan niks doen. Daarom maak ik vandaag een mooie kaart met bloemen erop. Dat kan ik wél doen.“ Ik kijk haar stralend aan. „Dat vind ik mooi, mevrouw!“
„Dank je,“ zegt ze „En wat ik ook kan doen is op een goede partij stemmen. Ik ga duurzaam stemmen, zeker weten. Al die grote bedrijven die steeds maar doorgroeien, dat gaat niet goed. Dat moet maar eens afgelopen zijn.“ Grijnzend knik haar toe. „Daar ben ik het helemaal mee eens.“
Haar blik gaat naar de overkant en haar ogen lichten op. „Ik ga nog even verder met plukken. Ik zie daar nog meer madelieven.“ Ik volg haar blik naar de overkant. „Oh ja, daar zijn er een hoop!“ Mijn stem schalt door de straat. Ze lacht om mijn enthousiasme en steekt de weg over. Ik stap op de fiets, kijk nog één keer om, steek mijn hand op. Ze kijkt nog. „Een gezonde toekomst!“ roept ze. „Lekker buiten in de frisse lucht!“ roep ik terug. Glimlachend fiets ik verder.

We moeten goed voor elkaar zorgen, zei deze mevrouw. Voor mijn vriend Dick en ik gaat die zorg over grote afstand. We bellen. Maar deze week zouden we elkaar voor het eerst weer zien. We spraken af in Zwolle, dat ligt mooi tussen Brabant en Friesland in. Na twee maanden afzondering was het extra leuk. Lekker fietsen, zonder doel. Gekke plekjes en onverwachte paadjes vinden. We vonden ook een leeg podium bij een verlaten broedplaats. Daar heb ik een toespraakje gehouden, over alles wat we kunnen doen. Dick filmde het. Het was een heerlijk dagje.

.

Lege trein

.

 

Wat vroeger niet mocht is nu het beste

.

 

Stationspiano tegen de lift geschoven

.

 

Een eenzame café-eigenaar

.

 

Druk op de markt in Zwolle

.

 

Ronald A. Westerhuis, vlakbij Gerrits tuin met het lege podium.

 

.

Klik hier om de spontane toespraak te beluisteren op het lege podium

Gefilmd door Dick Verheul.

.

.

.

 

 

U boft maar

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

Ik gun mezelf een paar dagen ontspanning. Ik lees en wandel. Vandaag maak ik het rondje aan de overkant van de brug, door de weilanden. Ik kniel bij de koeien, die me gebiologeerd aan blijven kijken met hun zachtmoedige ogen. Ik sta weer op en loop door tot langs de kerk.  Uiteindelijk kom ik op de dorpsweg uit. Daar is een vrouw aan het werk in haar tuin. Ze is al oud. En haar tuin is eigenlijk meer een zandbak. Er groeien hier en daar wilde viooltjes. Een enkele veldkers heeft dapper zijn stengeltje boven de grond uitgestoken. De kleine witte bloemetjes zijn nauwelijks zichtbaar, zo armetierig staan ze erbij. Met een schoffel woelt ze het warme zand om. Het ziet er uit als plantjes pesten. De veldkersjes zullen er vast ook aan moeten geloven. Het werk gaat moeizaam maar gestaag. Ze heeft al twee vierkante meter klaar van de zestien.

„Dag mevrouw,“ zeg ik „Wat heeft u een mooie viooltjes in de tuin, zijn die er vanzelf gekomen?“ Ze schuifelt naar me toe. Ik zie nu pas dat ze een kruk bij zich heeft, die op het einde uitloopt in drie pootjes. „Ja,“ zegt ze „Ik heb het aan mijn knie. Die is geopereerd. De dokter heeft er iets mee gedaan. Nou doet het minder zeer.“ Ik toon mijn medeleven met een glimlach en een knik. „Gelukkig heb ik mijn kleinzoon, die me helpt,“ ze wijst naar achteren. Aan het einde van de oprit staat een rode auto. Ernaast staat een jongetje te spuiten, zijn mollige witte armen houden de tuinslang stevig vast. Hij gaat lekker door met zijn waterballet. Is die auto nou nog niet schoon? Wat een verspilling zeg, denk ik bij mezelf, en dat in deze tijden van almaar toenemende droogte. Maar dat zeg ik niet tegen een vrouw die al zo oud is.  „Fijn dat hij u zo goed helpt,“ lach ik opgewekt „U boft maar!“ Terwijl ik dat zeg komt er een man aanlopen met een bol gezicht. „Dat is mijn zoon,“ zegt ze „Hij helpt me ook.“
„De vader van de jongen?“
„Ja.“ Ze kijkt me aan met grote grijze ogen.
„Echt fijn dat ze u helpen. En dat u nog in dit huis woont. Er zijn zoveel oude mensen die nu opgesloten zitten.“
Ze knikt. „Ik ben al negentig,“ zegt ze trots. Ze leunt tijdens het praten op een gemetselde zuil van een meter hoog, waar het hek aan vast zit. De bovenkant is van cement. Er lopen een paar mieren op. Eén voor één drukt ze ze dood met haar duim. Wreed en zinloos. Ik kijk er maar niet naar. Als ik er niet naar kijk dan houdt ze er misschien mee op. De jongen en de vader zijn nu allebei aan het poetsen. „Jullie hebben het maar gezellig hier,“ merk ik op. Ze knikt en kijkt me strak aan met haar enorme kijkers. „Ik heb een nieuwe lens,“ zegt ze. „Ik moest weer naar het ziekenhuis maar dat kon niet.“
„Voor controle zeker. En kan u nu alles weer zien?“ vraag ik belangstellend.
„Jaaaa! Heel erg! Nou die knie nog.“
Ik knik haar nog eens vriendelijk toe. „Ik wens u heel veel sterkte. En nu ga ik weer verder. Als ik nog eens een rondje loop, kom ik weer een praatje maken.“
Ze glimlacht en knikt, alsof ze niets anders verwacht had. Dan draait ze zich om, en pakt de schoffel. Ik kijk nog eenmaal om, en zie haar woelen in het warme zand. Op naar de volgende vierkante meter. Geduld is een schone zaak. Ook voor mij.

Spiegel van het verleden

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

.

Dit jaar maakte ik een wandeltocht in Friesland. Onderweg kreeg ik gezelschap van een bijzondere reisgenoot.

“Tocht langs kantelende wegen,“ dat is de titel van het boek, dat ik schrijf. Dit jaar maakte ik een tocht van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Mijn wielen rollen over kantelende wegen. Hoe sneller een auto gaat, des te schever is het wegdek als je de bocht om gaat. Dat percentage is berekend, en wordt overal toegepast. Het houdt je voertuig in balans. Eigenlijk heet het “verkanting” maar ik vind kanteling toepasselijker. De wegen kantelen steeds vaker, want het verkeer gaat hard.
Maar ik ben geen snelle weggebruiker. Ik ben een voetganger met een elektrische mover van 150 kilo aan de hand en daarachter een Wandelhuis. Ik ga maar 3 kilometer per uur.
Alles gaat sneller en sneller. Voor mij is dat een metafoor. Want de kantelingen gaan verder dan de weg alleen. Het is een tijd van kantelingen, waarden die lange tijd heilig waren, werken niet meer.

Door langzaam te reizen, hoop ik die veranderingen te kunnen zien, de kiemen van wat er komt. Op mijn eerste reis heb ik veel gezien en bijzondere dingen meegemaakt.

Elke dag beschreef ik het landschap en de ontmoetingen die ik had. Ik hoopte dat ik onderweg gesprekspartners zou ontmoeten, die met me mee zouden wandelen. Maar ik liep alleen. Dat bleek precies het juiste. Er was namelijk een andere reizigster, die met me meeging. Gaandeweg ontdekte ik haar. Een vrouw die lang geleden leefde, Auck van Hearsma. Zij leefde van 1705 tot 1786. Ze leefde óók in een tijd van kantelingen. De kerk verloor steeds meer macht. Het was de tijd van de Verlichting, van het intellect en de waarneming. Het was de tijd van Eise Eisinga die met verbazingwekkende precisie zijn planetarium bouwde, een kopie van ons zonnestelsel in beweging. En vooral was het een tijd van groeiend zelfbewustzijn en opstanden.

Auck groeide op in een adellijke familie en trouwde op haar 25e. Kinderen kreeg ze niet. Haar man stierf toen ze 37 was. De mijne ook en ook ik had geen kinderen. Ze hield net als ik, van eenvoud en was nieuwsgierig en intelligent. Ze maakte lange voettochten door Friesland. Van opsmuk hield ze niet, en de dikke lagen lange rokken, die de andere adellijke vrouwen droegen vond ze verschrikkelijk. Ze ging zelfs zo eenvoudig gekleed, dat ze soms zelfs werd weggestuurd met de woorden: „Aan de deur wordt niet gekocht!“

Door haar word ik een andere tijd ingeleid. Ze maakt veel mee. Haar man is zeven jaar overleden, wanneer de pleuris uit breekt, aangestoken door de rellen in Groningen en de rest van het land. In de rest van Nederland zijn ook opstanden, maar die zijn anders van karakter. Men eist daar vooral een nieuwe stadhouder. In Friesland is al een stadhouder. Hier hebben de mensen andere wensen. Eisen, die uiteindelijk pas in 1852 gemeengoed zullen worden.

Door haar kom ik terecht tussen woedende boeren, die niet alleen belastingverlaging eisen, maar ook stemrecht voor iedereen, een einde aan de bonussen, in die tijd “tractaten“ genoemd. Ze eisen een einde aan de vriendjespolitiek, waarin de adel elkaar bijbaantjes geeft, en onder elkaar het geld verdeelt wat uit belastingen wordt verdiend. Er staan meer eisen op het lijstje, maar deze vind ik het meest opmerkelijk, vanwege hun gelijkenis met onze tijd.

Verbaasd volg ik haar verhaal. Ik denk aan de gele hesjes en de maatschappelijke verontwaardiging over bonussen. Ik denk aan grote bedrijven als Amazon, Bayer-Monsanto, Shell, die net zo machtig lijken te zijn als de 28 adellijke families die in de tijd van Auck in Friesland woonden.
En is het spoor van de Verlichting ten einde? Ik denk het niet. Ik denk aan al die mensen, die niet langer willen dienen als een radertje in de groei-economie, die op zoek zijn naar hun authentieke zélf, en die hun eigen beslissingen willen nemen.

De Verlichting betekende in de zeventiende en achttiende eeuw een tijd voor persoonlijke groei. Door de industrialisatie groeide ook de materiële welvaart. Dat heeft veel opgeleverd. Maar we zijn te ver doorgeschoten en het heeft ons op een dood spoor gebracht. En nu onderzoeken we wat werkelijk van waarde is.

Auck geeft niet om geld. Toch stroomt het van alle kanten naar haar toe, want haar rijke zwager, die tal van lucratieve bestuursbaantjes heeft gehad, heeft geen kinderen. Ze sterft in haar landhuis in Menaldum. Op haar erf lopen allerlei dieren rond, halfwilde zwijntjes, runderen, kippen, en honden, alles dwars door elkaar heen. Zelfs in huis lopen ze. Haar laatste wens is dat al die dieren om zich heen te hebben. Haar trouwe huisknecht doet wat ze vraagt. Hij opent alle deuren en ramen, en drijft de dieren haar slaapkamer in. Omringd door haar levende have blaast ze de laatste adem uit.

Zal ik ook zo eindigen? Mijn tijd is nog niet gekomen. Gelukkig maar. Mijn reis is nog maar net begonnen! En er is nog veel te doen.

.

.

Ik schreef dit  voor tijdschrift ZOZ van Omslag, maar mocht het ook voor mijn blog gebruiken

.

Ontmoeting met een omdenker

.

.

[/audio]Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  7,5  minuten

.

Het is nog vroeg. Ik loop de oprit af, de smalle asfaltweg op. Voor ik aan het werk ga, maak ik een frisse ochtendwandeling. Ik kijk naar de lucht, de zon en de vogels en adem de ruimte in. Dat heb ik echt wel nodig, voor ik weer in het vierkante scherm duik, om verder te schrijven aan mijn boek. Voor ik de weg op stap kijk ik naar rechts, om de scherpe bocht kan van alles aankomen. Verderop, in de elektriciteitspaal, staat een ooievaar, in zijn nest. Ik hoor het geklepper van snavels.

Langzaam sjokkend kom ik bij het erf van de overburen, honderd meter verderop. Ze zijn allebei in de dertig, en ik weet dat ze kinderen hebben. Ze wonen in een mooi oud huis met een heel stuk grond eromheen. Er zijn jonge boompjes geplant en achter het hek lopen schapen met smalle horens, die recht naar voren steken. Zulke heb ik nog gezien! Altijd als ik er langs loop, staat er een bont beschilderd busje voor het huis. Verder zie ik nooit iemand. Maar vandaag wél!
Nu de regen en de wind voorbij is, wordt er gewerkt aan een hoge houten schuur, van donkerbruine planken. Ze zijn er allebei mee bezig. Op de oprit staat de vrouw van het stel, haar lange donkere haar valt over haar schouders. Ik sta stil, ze lacht naar me. „Heb je de ooievaars gezien?“ roep ik vanuit de verte. „Ja“ zegt ze en komt naar me toelopen. „En we zagen ook een tweede stel. Ik hoop op veel jonge ooievaars!“ Ze glundert.

Ik geef haar een hand ter kennismaking, en noem mijn naam. „O nee, dat mag niet!“ Geschrokken trek ik mijn hand terug en maak een sprongetje achteruit. Ze lacht. „Ik heet Syl,zegt ze. „Hier mag het wel hoor, wij zitten al wéken in quarantaine. Ik vind het heerlijk! Ik hoop dat het zo blijft, dat ik thuis kan blijven, met de kinderen.“ Ik luister geïnteresseerd naar haar verhaal.
Ze vertelt hoe fijn ze het vindt, dat de kinderen thuis school hebben. „Ze spijbelen nu ook niet meer. Dat deden ze vroeger nog wel eens. Het kan nu niet meer. Er is gewoon een knopje, wat je aanzet, en dan ben je er al. Perfect!“ Haar bruine ogen fonkelen van plezier. „Ik hoef nu niet steeds heen en weer met de auto om ze weg te brengen. Wat een gedoe was dat zeg, naast mijn werk. En dan ook nog het huishouden en de was, nee het leven is er een stuk beter op geworden nu we allemaal thuis kunnen zijn. Ik hoop dat het zo blijft.“

Ze hebben het getroffen hier, met zoveel ruimte. In de stad is dat heel anders, zeker als je maar een piepklein tuintje hebt of niet eens een balkon. Wat voor de één een zegen is, is voor de ander een hel. We vragen ons allebei af hoe deze crisis zal aflopen. Zouden mensen straks ook thuis kunnen blijven werken?

 

Dat de mensen nu thuis kunnen werken is fijn. De wegen zijn rustig, de lucht is schoner, er wordt veel minder brandstof verbruikt. Maar het heeft ook een andere kant.

Mensen vergaderen nu met elkaar via het programma Zoom. Dat bedrijf krijgt nu steeds meer macht, net als Facebook. Gelukkig  zijn er ook andere manieren om te vergaderen, bijvoorbeeld via het alternatief Jit.si.  Ik heb aan een videomeeting meegedaan en het werkte prima, op mijn smartphone. Op de computer kan je het beste met Google Chrome inloggen, of met Firefox. Dan werkt het goed.

 

We praten nog een poos door. Ze is optimistisch. Ze is een omdenker. Als ze tegen een probleem aan loopt, denkt ze altijd de andere kant op. „Dan vind ik altijd de oplossing!“ zegt ze slim. Ik zeg dat ik dat een mooie eigenschap vind. Dan ben ik even stil. Mijn blik gaat over de weiden, naar de Tjonger, die in de verte ligt. De lucht is stralend blauw en de wind is gaan liggen. „We boffen, Syl,“ zeg ik.

 

Artikel over online macht van overheden en bedrijven

Pagina van Omlslag met mogelijke Jit.si ontmoeting.

Artikel: Thuisonderwijs versterkt sociale ongelijkheid

.

 

Waar mensen elkaar treffen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zes minuten.

.

Waar tref je je buren, je collega’s, je landgenoten? Op de hoek, in de tuin of elders? Misschien op het strand van Zandvoort? Het zijn soms kleine gesprekken, maar je weet nooit waar het goed voor is. 

.

Al urenlang sta ik voor het raam te tekenen, de lessenaar ter hoogte van mijn middel op de vensterbank. Het is een fijn plekje om te werken, zoals ik altijd al heb gewild. Soms sta ik schuin voorover geleund met mijn voorhoofd tegen het raamkozijn aan, als mijn nek moe en pijnlijk wordt van de naar beneden geknikte stand. Hoelang ben ik hier al aan het werk, als een non, in stilte, met Annemarie als buurvrouw en aanspraakpunt? De buren heb ik nog nauwelijks gezien. Ik kreeg wel een paar nieuwjaarskaartjes. Die heb ik beantwoord met een uitnodiging. „Kom gerust eens langs,“ schreef ik. Maar daar is nog niet op in gegaan. Het geeft niet. Ik heb de stilte ook nodig om in te werken. Maar de laatste dagen begint het te kriebelen, is mijn concentratie vaker gebroken, als één van de vele krokussen in het gras, die zijn groene kiem boven de grond uitsteekt. De energie begint te sprankelen en laat zich moeilijker intomen.

De lucht is al de hele dag donkergrijs, net als gisteren. Toch heb ik aan het raam genoeg licht. Geconcentreerd arceer ik in rechte strepen de suggestie van blauwe lucht, tot ineens een fel licht op mijn witte papier schijnt. Ik knipper met mijn ogen en kijk op. De zon heeft een stukje blauw gevonden, niet groter dan een hemd. Verbaasd kijk ik ernaar.

Dan gaat mijn blik naar de weg, daar staan drie papiercontainers met blauwe deksels. Opeens schiet het me te binnen, Annemarie is weg en vroeg me die binnen te halen, aan het einde van de middag! Ik schiet in mijn schoenen en loop naar de overkant. Ik draai de grijze container iets opzij en zoek het huisnummer. Dan komt de buurman aanlopen.
„Hee, hallo buurvrouw! Ja die moet je hebben hoor! Kijk maar, daar staat het nummer.” Hij praat enthousiast verder. „Ik heb je gezien op televisie!“ Ik lach. Dus ik word toch gevolgd, al merk ik het niet. Hij vertelt dat hij lekker weg is geweest naar een sauna in Duitsland. „Waarom Duitsland?” vraag ik, maar dan komt er nog een man aan. Grappig, denk ik bij mezelf. Dat is dus de manier om aan de praat te raken. Het ophalen van de containers. De tweede man stelt zich voor. Ook hij heeft me op tv gezien. Hij heeft veel tijd voor dat soort dingen, want hij heeft iets gekregen waardoor hij zijn werk niet kan doen. Ik sta over mijn container gehangen en kijk beurtelings van de één naar de ander.

De zon is allang weer achter de wolken. Het begint te druppelen. „Ik ga gauw naar binnen,“ zeg ik. De twee mannen verdwijnen ook in hun huizen. Poppetje gezien, kastje dicht, en de container staat weer op zijn plek.

.

Nieuws: De Formule 1 racers mogen niet over het strand. Om files te vermijden had de gemeente Noordwijk toegezegd dat ze naar hun hotel mochten over het strand. Zandvoort twijfelde nog. Maar dit bizarre plan heeft internationaal comotie veroorzaakt en in Nederland zijn 50.000 handtekeningen opgehaald. Dit was genoeg om het af te blazen. Hoera!

Maar daarmee is de kous nog niet af. Want het circuit is er nog, en heeft dit jaar verruimde openingstijden gekregen: 300 dagen per jaar actie, staat er trots op hun kalender. Al mogen ze niet over het strand, hun feestjes gaan gewoon door en het worden er alleen maar meer. Dus combineer het actievoeren met het aangename, blijf naar Zandvoort gaan, koop een ijsje, leg je oor te luisteren en steun de kleine ondernemers die lijden onder dit asociale gedrag.

Kijk eens naar deze advertentie! En die vind ik nog wel op mijn milieuvriendelijke browser, Ecosia. Met de laatste overwinning hebben we misschien een stengeltje weggetrokken, maar er zit nog een gigantische wortel in de grond, van dit ongewenste kruid.

 

Hoe het racecircuit reclame maakt.

Teken hier de petitie om de racefeestjes in zijn geheel te beeïndigen.