Bij mijn pa

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

Annemarie en ik staan in de garderobe van de Jeruzalemkerk in Emmeloord. We wachten op mijn vader, hij zal zo komen. Mijn pa is al negentig en omdat ik al vele jaren niet meer met hem ben mee geweest, wil ik hem graag een plezier doen. “O ga je naar de kerk? Ik ga met je mee,” zei mijn buurvrouw resoluut, dus nu staan we hier, tussen de jassen. Het duurt lang, hij zou er tien voor negen zijn, maar het is al 8.56 en ik zie hem nog steeds niet. Gelukkig heb ik mijn telefoon mee en kan ik hem bellen. “Pa, waar blijf je?” vraag ik en aan de andere kant is het even stil, mijn punctuele pa zijn adem stokt even voor hij uitbrengt: “Ohhh, vergeten! Ik kom er meteen aan!”
Ik sta voor de kerkdeur en kijk de brede stenen trap af, de parkeerplaats over, naar de bomen langs de Schokkerwal, waar ik geboren ben, maar ik zie zijn auto nog niet. Hij zal toch niet uitgegleden zijn in de stress, vraag ik me af, maar precies op dat moment zie ik zijn kleine gestalte opdagen. Hij is niet met de auto. Natuurlijk niet, hij is met de fiets! Keihard scheurt mijn negentigjarige pa de bocht om en stalt zijn oude trouwe rijwiel naast de kerk. Hijgend komt hij aanlopen: “Ik had me vergist, normaal gesproken begint de kerk altijd om half tien, wat goed dat je belde!”

Ik hou van zingen. Ik zing graag, altijd en overal, het liefst met een tweede stem. Dus ik geniet van het uurtje in de kerkbank, en er is zelfs een lied bij met meerdere stemmen. De vrouw achter de kansel praat over leven dat altijd terugkeert, zelfs na de donkerste duisternis en er worden drie doden herdacht, die deze week zijn heengegaan. Mooi is dat, denk ik bij mezelf, dat je in de kerk met elkaar aan mensen denkt, en aan hun nabestaanden. Dat missen we, in een samenleving zonder geloof.

Even later zitten we in de kamer van mijn ouderlijk huis koffie te drinken. Mijn pa praat levendig en heeft hele verhalen. Wat een verschil met vroeger. Toen mijn moeder nog leefde was hij nogal zwijgzaam. Haar dood heeft veel bij hem gedaan en hij belt me nu regelmatig om te vragen hoe het gaat. Nu zit ik op onze oude leren bank, die er al decennia staat, en ik kijk naar de beeldjes en stukken hout, die mijn moeder ooit op een rij heeft gezet op de vensterbank. Annemarie vraagt naar zijn leven, zijn tijd op de HBS en hoe het ging in de oorlog met dat grote gezin. Ze vraagt honderduit. Ik heb ook vragen maar blijf stil en luister. Er komen nog genoeg dagen voor vragen.
Dan begint hij opeens over dat dramatische moment, dat hij op negenjarige leeftijd zijn vader verloor, en ik hoor het tot in de details. Terwijl hij naar school liep, werd de vrachtwagen aangereden door een dieseltrein, die zijn vader vanuit de mist verrastte. Er waren nog veel onbewaakte spoorwegovergangen in 1939, en dit was er eentje van. Het was een drama. Zijn moeder bleef achter met twaalf kinderen en zijn oudste broer van negentien nam het werk als molenaar over.

Ik hou mijn adem in terwijl hij dit vertelt, en ik kijk naar zijn handen, die elk woord met gebaren ondersteunen. Zijn ogen staan helder en ik merk geen enkele aarzeling in zijn stem. We praten nog lang door. “Willen jullie nog een kopje koffie?” vraagt hij opgewekt en na onze bevestiging komt hij terug met drie gevulde koppen en een schaaltje pepernoten. Wat lief, denk ik, en ik pak er een paar, alleen al om hem een plezier te doen.

Mijn pa kijkt op de klok. “O is het al zo laat? Dan moet ik jullie wegsturen. Ik moet nog naar de verjaardag van mijn jongste zus in Lunteren!” Ik vraag hoe oud ze wordt, mijn tante Miek. “Tachtig,” antwoordt hij. “Dat is nog jong,” zeg ik tegen de rug van mijn pa, terwijl hij de kopjes terugbrengt naar de keuken. Annemarie grinnikt.
Even later rijden we terug naar Friesland. Het is vlakbij en voor ik het weet, parkeert mijn buurvrouw haar auto in op de bekende oprit. Ik ga naar binnen en steek de kachel aan in mijn afgekoelde huisje, terwijl de lage winterzon net precies het hoekje van het huis om kijkt. Ik ben blij dat ik hier ben beland, op deze plek, bij zo’n toffe buurvrouw met wie ik mijn oude kwieke pa kan bezoeken. Nu is hij er nog en je weet maar nooit hoelang het duurt. Maar ik denk dat hij wel honderd wordt.

.

 

Liften zonder plan

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten.

.

Het is zondagochtend en ik zit in het filmhuis van Heerenveen. De film is afgelopen, het is donker in de zaal en de aftiteling geeft nog net een schemerig licht. Hoewel ik het jammer vind dat ik de zilverachtige ochtendzon ben misgelopen, was het toch de moeite waard. Ik zit nog steeds op het puntje van mijn stoel, om te verwerken hoe het maar net goed afliep. De Californische boerderij, tjokvol biodiversiteit, is op het nippertje aan een gigantische bosbrand ontsnapt. De boer en de boerin haalden opgelucht adem. Ik staar nog wat naar de lange rij namen die voorbij gaat. “Big little Farm.”
Voor me zit een echtpaar, waarmee ik in de pauze sprak. Ze draaien zich allebei om “Kom je mee?” vraagt de vrouw en ik zeg ja. We hebben afgesproken dat ik met ze meerijd naar een lezing die vanmiddag is. Grappig, terwijl ik voor het eerst sinds jaren weer eens naar de film ga, word ik meteen uitgenodigd voor een volgend evenement. Ik merk het wel vaker, hoe stiller mijn dagelijks leven is, hoe meer er gebeurt wanneer ik er eens op uit ga. Ik kom van het één in het ander.

We stappen in de auto en rijden door het coulissenlandschap, dat Friesland in het zuiden kent. Roestbruine hagen en bosjes wisselen zich af met weilanden die glanzen in de zon, door alle herfstdraden die er doorheen geweven zijn. We praten wat, maar ik kan het niet nalaten om middenin een zin een bewonderende kreet te slaken bij een onverwacht vergezicht. Even later rijden we het dorp in, “Oldeberkoop.” We stoppen bij een monumentale uitspanning met de naam Brocope. “Welkom Jelmer Mommers!” staat er op het kleine schoolbord naast de deur. Hier moeten we zijn. Jelmer is van de Correspondent, een digitale krant waar ik lid van ben. Hij schrok ervan hoe erg het met het klimaat gesteld is, want hij is een jonge vent van twee en dertig die het allemaal mee zal maken. Nu doet hij zijn uiterste best om het tij te keren en reist rond om lezingen te geven over zijn klimaatboek.
Ik koop een kaartje, loop door naar de zaal en ga achterin staan. Een man biedt me vriendelijk een stoel aan maar ik weiger vrolijk. Hij kijkt me teleurgesteld aan en zegt dat hij hem helemaal voor mij heeft opgehaald. “Echt heel aardig van u, maar ik sta liever!” hou ik vol. De man gaat maar weer zitten. Ik heb hem niet verteld dat het om mijn rug is, Ik heb gisteren bij het houthakken krom gestaan met de wind erop en nu is hij wat stijf en pijnlijk. Ik zit niet graag op een stoel geprikt met zo’n rug.

De zaal stroomt vol met grijze hoofden en even later is Mommers zijn verhaal aan het vertellen, over de dunne schil om de aarde waarom het gaat, de diverse scenario’s en wat we kunnen doen. Ik heb bewondering voor hem, je zal maar voor een zaal staan met allemaal ouderen, waarin ongetwijfeld mensen zitten die hier al veel langer over nadenken.
Dat blijkt ook, wanneer Mommers is uitgesproken, laat één man duidelijk van zich horen. Hij is helemaal vooraan gaan zitten en niet voor niets kennelijk. Ik kijk naar zijn brede rug en zie het profiel van een breed, wat papperig gezicht. Hij zit een beetje onderuitgezakt, en doet breedsprakig zijn mening uit de doeken. Hij weet niet van ophouden, ook niet nadat Jelmer hem de opdracht geeft om zijn vraag duidelijk te formuleren. Komt die man wel voor Jelmer, of komt hij voor zichzelf?
Hij praat over kernenergie, over windmolens en over technieken met algen. Het gaat allemaal over één ding, hoe kan ik de luxe die ik nu heb blijven houden? “Ik snap wel, iedereen wil leven zoals wij, en ik weet dat dat niet kan,” zegt hij. Op dit moment gaat er een koude vlam door me heen. “Mag ik even iets zeggen?” vraag ik, “Dit is niet waar, niet iedereen wil leven zoals wij. Er zijn 350 miljoen mensen die onze manier van leven als een bedreiging zien. Inheemse volkeren die worden verjaagd van hun voorouderlijke grond omdat hun bossen worden ingepikt om te dienen voor CO2 opslag. Rijke landen maken hier goede sier mee. De mensen worden in hutjes gepropt in een veel te klein reservaat.”
De dominante man op de voorste rij draait zich verstoord om. “Dat heeft helemaal niks te maken met de …. warmte,” zegt hij, en hij moet even zoeken naar het juiste woord. Ik twijfel geen moment over mijn antwoord. “Het gaat om de voetafdruk! Die van ons is gigantisch en van die mensen is hij minimaal. We hebben veel van ze te leren.” De felheid van mijn reactie komt aan in de zaal. “Ja,” zegt Jelmer zacht “Juist de armsten hebben het meest te lijden….”
De man op de voorste rij heeft zich omgedraaid en negeert me. Hij negeert Jelmer trouwens ook. Hij gaat mompelend verder en ik versta hem niet meer. Jelmer staat op het podium en weet het even niet. De man praat maar door en de zaal luistert of staart wat voor zich uit. Wat moeten ze anders.

Maar aan alles komt een eind. Tot mijn vreugde weet Mommers de woordenstroom te doorbreken en komen er toch nog een paar anderen aan het woord. En dan is het afgelopen. We zouden het nog over de economie hebben, maar dat is niet gebeurd. Ik kijk om me heen. Een man op de laatste rij kijkt me geïnteresseerd aan en komt naar me toegelopen. “Ben je ergens van? Omdat je vragen stelde en ook omdat je stónd, ik vroeg me dat af.” Ik lach, grappig wat mensen gaan denken als je staat omdat je last van je rug hebt. “Nee hoor, ik ben autonoom. Ik stel graag vragen.” Hij is wel geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb. “Zal ik thee voor je halen?” Ik knik enthousiast, “Ja graag!”
Even later komt hij terug en we zoeken een tafeltje. Ik wil net gaan zitten, wanneer de mensen met wie ik meereed naar me toe komen. Ze willen weg, en vragen of ik nog mee terug ga. “Of zoek je het zelf verder uit?” vraagt de vrouw, terwijl haar man achter haar staat. Ik kijk van de één naar de ander en ik kijk naar het kopje thee dat dampend op tafel staat. “Ik rijd haar wel naar huis,” zegt mijn gesprekspartner.
Het is een genoeglijke ontmoeting en de weilanden op de terugweg zijn nog mooier, met die lage zon erop. Ik word afgezet bij het filmhuis, waar mijn fiets op mij staat te wachten. Even later rijd ik de vertrouwde oprit op en zet ik hem neer in het schuurtje van Annemarie. Fijn, ik ben vóór de schemer thuis.

Er zijn van die dagen, die ideaal zijn om te surfen op golven van zeeën van tijd. Dagen die voorbij vliegen, alsof je liftend door de ruimte stuift. En zo was deze zondag. Daar kan ik weer een week op teren!

Inheemse volkeren kunnen de biodiversiteit bewaken voor ons klimaat. Doe hier een donatie.

.

.

 

Eigenlijk zocht ik wat anders

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6 minuten.

Het is een koude ochtend. De vliegen op mijn plafond zitten roerloos en verstijfd te wachten op de bevrijdende warmte van de kachel. Ik pak een paar kranten en een paar lange houtsplinters. Dan pak ik het stuk eikenhout. Het blok eiken is eigenlijk veel te groot, en niet geschikt als aanmaakhout. Maar ik heb niks anders en het sprokkelhout buiten is nat. Ik hak nog wat kleine stukjes hout af, besteed er een hele krant aan en blaas in het smeulende vuur tot ik het helemaal zat ben. Na een half uur prutsen brandt het vuur, eindelijk! De hele kamer stinkt naar rook. Ik doe de deuren tegen elkaar open en ga verder met de rest van mijn ochtendritueel.

Een poosje later zit op mijn hurken bij het openstaande vloerluik. Het is het tweede luik van de vijf, en het was een heel werk om ze te maken, tien centimeter dik, met schapenwolisolatie erin. Ik ben er blij mee. De vloer is warm en de extra bagageruimte onder mijn vloer geeft me zat ruimte om mijn noodzakelijke rommel kwijt te kunnen. Binnen in huis blijft het altijd lekker opgeruimd, met zo’n grote kastruimte onder mijn voeten. Er staat een harde plastic bak in de bagageruimte, die vol hoort te zitten met zaagsel. Maar het eerste wat je nu ziet zijn twee groene kolen, en drie winterpenen, half verstopt onder een restantje zaagsel. Ik voel aan de penen en ze zijn nog net zo vers als toen ik ze kocht. Ik glimlach tevreden, dat werkt dus goed, koel houden en bedekken, zo is het net alsof ze nog in de grond zitten.
Ik ga overeind zitten en kijk peinzend naar mijn kleine kelder. Ik zit nu wel in dubio, want dat zaagsel is eigenlijk bedoeld als toevoeging voor mijn poepemmer. Ik heb het zaagsel nodig, in de eerste plaats om de drol goed te kunnen bedekken, maar ook om de compost een mooie losse structuur te geven, zodat het na twee maanden mooie grond wordt.
Waar vind ik zaagsel? Bij de houtbewerker natuurlijk! Meteen tik ik een paar zoekwoorden in op mijn telefoon en ontdek een meubelmaker, drie kilometer verderop. Even later heb ik hem aan de lijn. “Heeft u zaagsel voor mij?” vraag ik “Het is voor een ecotoilet.” Tot mijn verrassing heeft hij helemaal geen zaagsel. “Wij maken er briketten van,” zegt hij “Ik dompel ze zelf altijd in de petroleum, bij het aanmaken van de kachel. Dan brandt hij meteen, ik heb er geen omkijken naar.” Ik spring een gat in de lucht. Met zaagsel was ik blij geweest, maar met briketten ben ik nog veel blijer.

Even later sta ik met Annemarie zakken in te laden. We hebben niet alleen twee loodzware zakken met briketten, maar ook drie netten prachtig aanmaakhout. Ik zie mooie kleine stukjes grenen en beuken erin. En het kost bijna niks! De meubelmaker kijkt tevreden toe en neemt twee briefjes van tien in ontvangst.
Een warm en droog huis is het allerbelangrijkste. En ach, dat zaagsel, dat vind ik wel weer ergens anders. Desnoods maak ik het zelf! Veel van wat ik nodig heb is dichtbij te vinden. Er is verse biologische melk, boter, eieren, en dan ook nog het hout en de briketten voor mijn kachel. Is het niet heerlijk? Ik vind van wel.

 

.

NIEUWS:

Alle tekeningen op mijn blog zijn te koop voor 25 euro per stuk.

Het boek is klaar in voorlopige versie en nog zonder tekeningen, ik heb het naar een grote uitgever gestuurd. Als het te lang duurt zoek ik een kleinere.

Vanavond is bij Dennis en de vrije geesten de aflevering met mijn wandelhuisje, SBS6 20.30. Niet erg diepgaand denk ik, het is in stukjes geknipt en afgewisseld met andere personen. Maar wel mooie beelden en grappige details als het goed is.

Op het bankje bij IJs en Zopie

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna 8 min..

Mijn etsbrug is eruit gevallen en als ik lach zie je een zwart gat. Gelukkig kon ik meteen terecht bij mijn tandarts in Utrecht. Om kwart voor vijf is de afspraak, dan zet hij hem er weer in. Het is nog lang geen kwart voor vijf, en ik vind het heerlijk om vrij te zijn en door de stad te dwalen. Het leukste is de Twijnstraat, ik woonde er vijftien jaar vlakbij.
De Twijnstraat is de oudste winkelstraat van Nederland, en de gezelligste die ik ken. Het is als een dorp, dat zelfs vertrouwder voor mij is dan mijn geboorteplaats. Het is een straat waar je niet alleen loopt om boodschappen te doen. Je gaat er ook heen om je buurtgenoten te ontmoeten en ik kom er altijd wel iemand tegen. Ik loop langs de viswinkel, langs de tatooshop en langs Kortjakje door tot het einde, en daar is IJs en Zopie. Er zit een vrouw op het bankje, met knalrode krullen en een chocoladebruin hondje op schoot. Een meisje loopt net weg en kijkt nog even om. “Dank u wel voor het aaien,” zegt ze netjes. “Graag gedaan hoor,” zegt de rode dame “Hij heet George.”
Vlak voor haar sta ik stil en kijk naar binnen, de ijswinkel in. “Met dit ijsje steunt u de roeiers van Orca. De ijssalon is in 2005 opgericht en het wordt volledig gerund door studenten van roeivereniging Orca. Ons ijs is volledig biologisch.” Gek, dat heb ik nog nooit gezien. “Wat leuk hè, dat studenten dit met elkaar doen,” zeg ik tegen de rode dame. Ze knikt enthousiast,“Ja erg leuk!” antwoordt ze. Ze zit alsof ze alle tijd heeft, en geniet van de voorbijgangers. Haar hondje heeft net zo weinig haast als zij. Een mooi moment voor een praatje over het leven en de wereld.
“Ze zeggen wel eens,” begin ik, “De jeugd hangt alleen maar achter de laptop en is helemaal niet bewust van de wereld, maar dat geloof ik niet.” Ze knikt meteen “Nee, zeker niet, ik ben onderwijzeres op een school, en de kinderen zijn er allemaal mee bezig, het milieu en het klimaat. Ze weten dat het hun toekomst is. Alleen beseffen ze nog niet dat ze zelf vaker moeten inleveren aan luxe, dat ze veel te veel hebben.” Ik knik, “Maar is dat met veel volwassenen niet hetzelfde? Het doet me denken aan een boek van iemand,” en ik kijk haar even aan, ze luistert aandachtig, “Die man bekeek wat nou het einde inluidde van een beschaving en hij onderzocht er verschillende, zoals de Maya’s en Paaseiland. Hij kwam op vijf hoofdpunten, maar ik denk dat de hoofdzaak was, dat ze zichzelf het belangrijkst vonden en zich niet meer in het grote levende ecosysteem konden plaatsen.” Ze denkt even na en knikt. Ik ga door, “Hij schreef ook dat in Nederland de meeste mensen zijn die lid zijn van een milieuorganisatie. Hoe komt dat denk je?”
De rode dame kijkt verrast, “Dat wist ik niet, ik zou het niet weten.” Ze aait het hondje op haar schoot, zijn lange neerhangende oren bewegen heen en weer. Ik heb er al over nagedacht. “Ik denk dat het komt omdat hier zo weinig natuur meer is, en omdat alles steeds op de schop gaat,” zeg ik. Haar ogen lichten op. “Hé ja, zo heb ik het nog niet gezien. Dat is inderdaad zo, als hier een boom om gaat is er gelijk een gat, omdat er zo weinig is,” bedenkt ze hardop. Ik knik en ga verder, “Die man in het boek dacht dat het kwam omdat we hier allemaal achter dijken wonen, dat wij daarom zo milieubewust zijn, haha, ik hoor nooit iemand over dijken,” grinnik ik. Ze haalt haar schouders op. “Nee, ik ben ook niet dijkbewust. Buitenlanders, die zijn dijkbewust, voor hen is het iets bijzonders.”
Ze kijkt naar haar hondje op schoot, en haar handen liggen in zijn nek. “Dit is George,” zegt ze. Het is maar een kleine hond en hij kijkt lief. “Is het ook echt een George?” vraag ik “Dat weet ik niet, hij houdt van knuffelen,” zegt ze zeer beslist. Ik kijk het hondje nog eens goed aan. “Ik vind het een integer hondje,” besluit ik dan. “Ja dat issie zeker!” lacht ze. “Als ik een hond neem, wil ik ook een George,” zeg ik. “Dank je!” roept ze tevreden. Haar handen bewegen langs de lange flaporen. De roodbruine ogen van de hond kijken rustig de drukke winkelstraat in. Die hebben het wel naar de zin met zijn tweeën. Ik glimlach. “En nou ga ik weer hoor, dag!” zeg ik en loop weg terwijl ik mijn hand op steek. Ze groet terug en kijkt alweer naar de volgende voorbijgangers. Ik loop naar mijn vouwfiets. Ik ben precies op tijd om naar de tandarts te fietsen.

.

Ik dacht dat ik er was

  • .

.

 

Luister hier naar het gesproken verhaal van 13 minuten.

.

De regen tikt op het dak van mijn wooncocon. Ik lig op de bank te luisteren en rust uit van de wekenlange reis. Ik ben bek af. Soms lijkt het wel of alles meewerkt om de vaart er in te houden, om je opdracht af te maken, maar zodra de laatste stap is gezet, dan komt de punt erachter, of je het wilt of niet. Het is een dikke vette stip, alsof de laatste inkt uit je pen wegloopt en onherroepelijk zegt: “Nu doen we helemaal niks meer.”

Tien weken liep ik met mijn wandelhuis door Friesland. Heel Noord-West Friesland liep ik door, langs korenvelden, pittoreske dorpjes met al hun torentjes en langs de zeedijk. Ik sprak huismoeders en kinderen, vrijheidzoekers, boeren en kunstenaars, geïnteresseerde techneuten en gemoedelijke oude vrouwen. Allemaal genoten ze bij het zien van mijn wandelhuisje, de één om de techniek, de ander om het schattige, de grijze dame om de antieke fruitschaal die ik op mijn tafel heb staan, van lichtgrijs keramiek met blauwe bloemen.
En nu staar ik naar buiten. Het lichtblauwe tafelkleed is nat van de regen. De doppinda’s liggen verzopen op de bodem van de fruitschaal en een paar appels zijn gaan rotten. De zomer is voorbij. Achter de dunne rij bomen staat hoge mais op de akkers. En ik zit hier en kijk ernaar door het raam van mijn deur, ik kijk naar rijpende mais in de regen. De laatste dag van mijn reis was net als vandaag, urenlang bleef het zachtjes regenen. Ik kan me elke stap bijna nog herinneren.

Ik loop Heerenveen uit, de weg die ik moet gaan ligt voor me. Maar regelmatig sta ik stil. Mijn huisje lijkt te werken als een zonnestraal. Ondanks het miezerige weer komen er mensen naar me toe en ze vergeten de regen wanneer we samen van gedachten wisselen. Wat heb ik veel mensen gesproken in die tien weken! Ik verlang naar het eindpunt, naar rust, maar toch raap ik tot het einde toe mijn aandacht bij elkaar om met de vonk van enthousiasme elk gesprek levendig te maken. Alleen wanneer een Jehovagetuige mij zijn kaartje geeft en vraagt hoe ik erover denk, vind ik het welletjes. “Bedankt,” zeg ik, “Maar ik ben op weg naar mijn eindbestemming en ik moet nog twee uur lopen.”
En ik loop verder, de kronkelige weg naar Rotstergaast, me vergapend aan de vele bosjes en bomen langs de weg. Het gevarieerde landschap is zo anders dan het weidse noorden waar ik doorheen trok! De open vlakte is prachtig en de wolkenluchten blijven altijd boeien. Maar de wijde vlakte is ‘s winters onherbergzaam en dit gebied is veel vriendelijker. Het is een goeie plek om me te vestigen, tijdens de gure maanden die komen gaan.

Nog even en ik ben bij mijn vriendin Annemarie, dat is mijn eindbestemming. De motregen heeft mijn haren nat gemaakt en mijn groene regenjas is donker van het vocht. Er komt een rode opel voorbij, de wielen spetteren met veel lawaai op het natte asfalt. Vlak naast me stopt de auto en een blonde vrouw draait het raampje open. “Ben je op weg naar mijn camping?” vraagt ze me, “Naar de Frije Fries?” Ik zeg dat ik op weg ben naar het huis van Annemarie Elout. ”Het is de bedoeling dat ik daar ga staan.“ Ze knikt. “Maar als het niet lukt kun je ook wel bij mij staan hoor! Het is maar een kilometer verder,” zegt ze. Ik vraag of ik er ook voor langere tijd kan blijven. Ze knikt hartelijk en rijdt gauw weer verder.

Zal ik het huis van Annemarie herkennen zodra ik het zie? Nieuwsgierig loop ik door. Dan zie ik het, gemaakt van oude geeltjes, precies zoals ik me herinner, pal na de scherpe bocht. Ze staat net op de oprit en kijkt met open mond naar mijn woonwagen. Haar haar is nog witter geworden dan het al was en haar blauwe ogen kijken bewonderend naar wat ze zien. De kleuren maken veel indruk op haar. Ik blijf staan op de smalle weg en wacht tot ze is uitgekeken. Ze komt naar me toe gelopen en de begroeting is alsof we elkaar gisteren nog gezien hebben, terwijl het toch al jaren geleden is.
Dan lopen we samen de oprit op en we schatten de situatie in. Lukt het om hier in te parkeren met mijn wandelhuisje, kunnen we hier een plekje maken? Het lijkt erg krap te zijn en we nemen niet de moeite om er lang op te studeren. “Ik zou doorlopen naar de camping, daar heb je veel meer ruimte,” zegt ze. Samen lopen we door en de blonde eigenaresse assisteert ons naar een goede plek. Ze is gelijk weer weg, want ze heeft het erg druk, net als Annemarie, die ook meteen de benen neemt. “Kom je straks naar me toe?” vraagt ze “Gaan we samen eten!”

Het is een paar dagen later. Ontspannen kijk ik uit het raam. Het veld is omlijst met hoge bomen en hier en daar groeit een haag van hoge struiken. De vlier, meidoorn, bramen en abelen hebben zich tot een dicht netwerk aaneen gevlochten en ik sta er dicht tegenaan, om zoveel mogelijk van de luwte te profiteren. Straks komen de herfststormen weer en ik weet hoe heftig dat kan zijn.
De regen is opghouden en een waterig zonnetje schijnt tussen de sluierwolken door. Ik strek me uit op de bank en kijk naar de bladeren door mijn dakraam. Ik heb goed geslapen vannacht en ben al minder moe dan toen ik aankwam. Ik vraag me af of ik deze week met het boek zal beginnen. Ik kan bijna niet geloven dat dit mijn plek is voor deze winter. Ik moet eigenlijk een houtvoorraad gaan bestellen voor de kachel, maar kan er niet toe komen het te doen.
Op dat moment klopt de eigenaresse van de camping aan. “Zullen we even praten,” zegt ze “Ik wil graag duidelijk hebben wat je bedoeling is. Op 1 november sluit de camping.” Ik kijk haar verbaasd aan. Ze vertelt dat ze rust nodig heeft na elk kampeerseizoen en dat begrijp ik. “Dus ik heb nog zes weken,” reken ik uit. Ze denkt na en knikt. Ik ben niet lang van mijn stuk gebracht. Het is immers al duidelijk waar ik heen kan en dat is helemaal geen slechte oplossing.
“Ik ga meteen Annemarie bellen, er is vast wel een mouw aan te passen,” zeg ik. “Ik ga er naar toe zodra het kan,” zeg ik en ik leg uit waarom. De blonde vrouw knikt, ze snapt wel dat ik mijn bivak op wil slaan, op een plek waar ik kan blijven. Dan pas is er rust. En rust, dat willen we allemaal, om ons te bezinnen op de komende winter.

Even later heb ik Annemarie aan de lijn. “Over twee weken heb ik pas weer tijd,” zegt ze “Maar ik vind het gezellig als je bij mij komt staan. Morgen praten we verder, okee?” Prima, zeg ik en leg op. Annemarie is een open en directe vrouw, je weet wat je aan haar hebt. Ze is een bezig baasje en heeft een ruime interesse. Daar mag ik graag op het erf staan.
Ik pak mijn fiets en rijd naar haar huis. Ze is er niet, maar ik kan wel kijken. Bij nader inzien valt de ruimte best mee. Als ik op de strook gras, pal naast de hoge heg ga staan, dan kan de zon zelfs in de winter over het dak van het huis heen schijnen, mijn kamer in. We moeten alleen een beetje opruimen en snoeien en dan kan het best. Ik sta er naast de oprit en iedereen kan er makkelijk langs. Wat gek dat ik dat eerder niet zag.

Ik dacht dat ik er was, maar ik ben er nog niet. Het lijkt op een grapje, als een muziekstuk waarvan je denkt dat het is afgelopen en dan er komt nog wat. Je houdt je adem in, is dit echt het einde? Mag ik nu gaan applaudisseren? Ja, ik zal er op proosten, wanneer de laatste meter is afgelegd en ik de plek bereik om de winter door te brengen. Niets is vanzelfsprekend, voor een mens die onderweg is en elk geluk is het vieren waard.

.

Een stal voor mij en mijn ijzeren paard

.

.

Luister hier naar het gesproken verhaal.

.

Er is iets wat ik best moeilijk vind en dat is om hulp vragen. Aan vreemden onderweg gaat nog vrij makkelijk, maar het lastigste vind ik het om een grote vraag te stellen aan vrienden of kennissen.

Ik zoek een plek om de winter door te brengen.

“Ga naar de jachthaven in Akkrum,” had iemand me getipt, “dat zijn schappelijke jongens.” Ik had het wekenlang onthouden en gisteren ging ik er heen. De jongens waren inderdaad heel aardig, maar voor een winterverblijf kon ik er, heel begrijpelijk, niet terecht. Ik ben niet verbaasd, maar wel zonder doel. Al was het dan een hopeloos doel, het was er wel één. Nu zal ik nog even verder moeten trekken. Erg is het niet, met deze zachte temperaturen en af en toe een warm zonnetje tussen de stapelwolken door. Toch zie ik er naar uit om de stal te bereiken en me voor te bereiden op de herfst en de winter. Eindeloos onderweg zijn zonder rust, ik moet er niet aan denken. Ik wil een houtvoorraad aanleggen, een boek schrijven en vrienden opzoeken en thuis zijn met de kachel aan en een kaars in de vensterbank. Het komt vast goed, denk ik bij mezelf. Er komt altijd weer een oplossing. Met die gedachte rijd ik Akkrum uit.

Even voorbij Akkrum word ik ingehaald door een man op de fiets. “Waar gaat de tocht heen?” vraagt hij. “Naar een boerderij waar ik mijn accu kan laden!” roep ik. “Oh, kom maar naar mij hoor,” zegt hij. “Die boerderij met al die witte vrachtwagens, daar is het.”
Even later sta ik op zijn boerderij tussen de witte vrachtauto’s geparkeerd. De transportboer is de hartelijkheid zelve, hij bewondert mijn mooie huisje, vertelt aan alle chauffeurs hoe ik ermee rond reis en brengt me in de avond een kop warme geitenmelk. Naast me hebben twee vervoerders hun laadruimtes met de kont naar elkaar toegekeerd, om een vrachtje over te schuiven van de ene wagen in de andere. De chauffeurs weten precies wat ze moeten doen en waar ze heen gaan. Ik kijk en denk aan mijn eigen bestemming. Waar ga ik heen? Wat zal ik doen? Op dat moment besluit ik te doen wat ik tot nog toe niet durfde. Ik bel een oude kennis van me, in Rotstergaast.

Het is leuk om haar stem weer te horen. Ik hoef niet eens veel te zeggen. “Kom je langs?” vraagt ze, ik zeg dat ik hoop van wel. “Maar ik weet het nog niet zeker hoor! Ik weet niet waar mijn winterverblijf zal zijn. Als dat de andere kant op is, dan kom ik niet bij je in de buurt met mijn wandelhuisje.” Haar uitnodiging komt vrijwel direkt. “Dan kom je deze winter toch bij mij staan!” zegt ze hartelijk. Ik gloei van blijdschap en opluchting. Wat heerlijk om ergens heen te gaan waar ik een tijdje thuis kan zijn. “Dan help ik je met het onderhoud,” zeg ik. “Dat doe ik graag.”
We houden contact. Wanneer ik ophang kan ik het bijna niet geloven, ik nader de stal! En volgend jaar, als de lente losbarst, zal ik vol energie weer verder trekken, met mijn ijzeren paard. Heerlijk.

.

Sombere twijfel en een helder idee

.

.

 

Luister hier naar het voorlezen van dit verhaal.

.

“De wereld is mooi!” had ik net opgeschreven. Ik was lekker op weg, trof overal aardige mensen en het schrijven erover ging goed. Tot ik mijn chatbox op facebook weer eens opende. Ik kijk daar nog zelden in en vond een heel lijstje ongeziene babbels. Plotseling werd ik verrast door een onvriendelijk berichtje dat ik niet begreep. Ik staarde ernaar met ongeloof, het was of ik in een vriendelijk lentebos liep en er opeens een nijdige parkwachter voor me stond. Mijn verstand zei, joh, leg het naast je neer, dit gaat niet over jou, het is iemand die je nauwelijks kent! Maar mijn lichaam was er niet op voorbereid en reageerde ogenblikkelijk. Stress schoot als een bliksemflits door het lijf. Mijn onderrug verstijfde en die nacht lag ik urenlang te draaien in mijn bed.
De volgende ochtend stond ik kokhalzend in het gras naast de mooie parkeerplaats onder de kastanjes. Ik kwam net weer een beetje overeind, toen er een man aan kwam lopen. “De grindweg hier is openbaar, maar de parkeerplaats niet, het is privéterrein. Je kan hier niet blijven staan, mijn buren doen er moeilijk over. Als ze straks thuiskomen krijg je ongetwijfeld problemen.” Ja, hij bracht het vriendelijk en vond het rot om me weg te sturen terwijl ik ziek was, maar wilde toch het liefst dat ik weg ging. “Prima hoor,” zei ik “Dank u voor het waarschuwen.” Dus sjouwde ik mijn fiets weer naar binnen en trok mijn hele hachje weer terug door het privébos naar de openbare weg. Daar vond ik al snel een brede berm. Ik besloot niet verder te zoeken, parkeerde mijn wandelhuis, en dook meteen mijn bed in.

Ik heb een hele nacht en twee dagen in bed gelegen en nu is het avond. Mijn huisje staat scheef als een oud wijf. De berm die ik vond loopt lichtelijk schuin af naar de sloot. Aan één kant is de grond keihard. De weg is zo smal, dat er regelmatig auto’s noodgedwongen over het gras heen rijden, wanneer ze elkaar passeren. Verderop, richting de sloot, is de grond heerlijk zacht en los en ik zag een paar molshopen. Zolang de mollen mijn huisje niet nog schever graven, is dit geen slechte plek om te staan. Ik sta niemand in de weg en het is geen privéterrein. De auto’s en landbouwgevaartes die af en toe voorbij zoeven neem ik maar even voor lief.
Achter de dikke rietkraag hoor ik geluiden van jonge meerkoeten. Af en toe klinkt er de schelle kreet van een volwassen koet en geplons, alsof ze een ander wegjagen. Het geluid van water klinkt me als muziek in de oren. Ik krijg zo’n zin in zwemmen, om het zieke zweet van me af te spoelen!
Ik word aangetrokken door de zeedijk, die ik in de verte zie liggen. De zeedijk is de horizon en daarachter is het grote water. In de avondschemering loop ik het pad af. Ik weet dat ik het water niet kan bereiken vanaf dit punt, maar toch trekt het me aan. De akker ernaast is ingezaaid met rucola, de blaadjes zijn al tien centimeter hoog. De weg eindigt midden in het land. De Waddenzee lijkt nog heel ver weg te zijn. Ik hoor niks en ik ruik niks. In de verte zie ik grote blokkendozen, het zijn de contouren van de haven van Harlingen. Harlingen, de bedoeling is dat ik daarheen ga. Maar op dit moment ben ik niet overtuigd. Ik voel me moe en somber. Ik twijfel aan het reizend bestaan dat ik koos om dit verhaal te schrijven. Waar zijn al die vriendelijke mensen nou gebleven?
Die avond slaap ik niet direct in. De tientallen muggen zijn onuitstaanbaar. Ik pleeg diverse moorden, voor ik rust vind en uiteindelijk inslaap. Maar het is een goede slaap, waar ik echt van uitrust. En daardoor word ik wakker met een helder idee. Ik ga mensen opzoeken. Er is een geitenboerderij hier vlakbij en daar ga ik heen. Ik strek mijn rug en haal diep adem. De ochtendlucht is nog fris en de lage mist boven het land heeft zich pas net opgelost in de warme zon. Het is heerlijk om mijn benen te strekken. Ik heb de tas met lege flessen bij me om te vullen met water en geitenmelk en in de andere hand houd ik de kaart van Friesland vast. Ze kunnen me vast verder helpen, hoe dan ook.

Het is de biologisch dynamische boerderij van Sander en Marjolein. “Gerbrandastate, landbouw en zorg”, staat er op het bord. Er is een bloemrijk grasveld op te zien, met een grote menigte geiten erachter. In de verte is een breed gebouw met een dak dat geen nok heeft maar in plaats daarvan een lichte ronding maakt. Als ik het pad op loop zie ik hetzelfde beeld in werkelijkheid. Alleen de geiten zie ik niet. Wel word ik verrast door een groot en vriendelijk erf met bloemen, een glooiende weide, bessenstruiken en fruitbomen. Ik zie kippen scharrelen in de boomgaard en langs het pad is een man onverstoorbaar grote blokken hout aan het doorzagen met een handzaag.

 

De oprit is lang en aan de rechterkant omzoomd met oude hoge ratelpopulieren die ruisen in de constante bries van het Friese noorderland. Erachter zie ik een wei met twee ezels. Middenin de wei staan een paar fruitbomen. Een goede plek voor de dieren, die eigenlijk uit zuidelijke streken komen en in koude streken eerder ziek worden. De wei ligt beschut en is aan alle kanten omzoomd door bomen en struiken. Twee witte populieren strekken hun takken ver over de zonnige weide uit. Ik zie gladde lichtgrijze stammen van hoge esdoorns. Nu ik goed kijk, bespeur ik ook verschillende essen. Ik houd van hun fijne geveerde blad, waar toch zoveel licht tussendoor schijnt. Ertussenin staan overal iepenstruiken, die de beschutte bomenhaag compleet maken. Aan de noordkant zijn op één plek geen struiken. Daar is een kleine houtwal gemaakt, het zorgt ervoor dat de binnenwei mooi is afgeschermd tegen gure wind. Ik geniet van de zorg die er besteed is aan deze plek en hoe alles wat hier groeit zijn plek gevonden heeft. Ik geniet van de oude bomen, die er nog altijd staan. Ik kijk nog eens naar de twee ezels. Tevreden staan ze te kauwen en kijken maar heel even op, wanneer ze me zien.

 

Ik loop verder langs de hoge lindes, ze staan al tientallen jaren als slank opgesnoeide wachters langs de oprijlaan. Aan het einde van het lange pad is een erf met een geitenstal. Een vrouw is bezig hooi over het hek te gooien en vele geitenkoppen kijken haar acties vol verwachting tegemoet. Ik vraag aan de vrouw of ik hier mijn waterflessen kan vullen. Dat kan zegt ze, en ze wijst me de kraan. Terwijl ik erheen loop, word ik opgehouden door een man, die zich voorstelt met de naam Simon. Hij biedt me thee aan, het is net pauze. De ontvangst is allerhartelijkst. En uiteindelijk komt de boer zelf aanlopen. Sander is een man van indrukwekkende lengte en een rustige optimistische uitstraling. ”Je mag hier best een paar dagen op de kopwei staan hoor, je staat daar lekker rustig in de schaduw. Je mag hier ook douchen en als je de wasmachine nodig hebt vind ik het prima. De melk krijg je van me.” Ik slaak een verheugde kreet. Iedereen lacht zachtjes. Opnieuw bedenk ik bij mezelf, zie je wel, je hoeft het alleen maar te vragen. Als ze je niet zien, dan kunnen ze je ook niet helpen. Mensen vinden het zo leuk om te geven en de ander te zien stralen van dankbaarheid!
Dan weet ik het weer, het is goed dat ik op reis ben. Juist daarom, om dit mee te maken, het niet allemaal zelf te doen, maar te ervaren wat het is, om hulp vragen en daar verheugd over te zijn. Mijn vertrouwen groeit, als de kruin van een diep gewortelde boom, die zijn takken open naar de hemel strekt.

.

 

Contact met de wereld

Luister hier naar het gesproken verhaal van 11 minuten.

.

.

 

Ik kijk uit het raam naar de uitgestrekte vlakte. Daar heb ik alle tijd voor, want mijn telefoon doet het niet en internet ook niet. Ik wacht op mijn nieuwe Simkaart. Daarom blijf ik staan waar ik sta, want hij wordt bezorgd bij Hiske. Hiske woont zes kilometer verderop. Ze weet dat ik hier zit. Zij zal hem naar me toe brengen zodra ze hem ontvangt. Dus blijf ik staan. Hoe lang nu al? Vijf dagen tel ik.
Het uitzicht is magnefiek, ik zie de ene na de andere indrukwekkende wolkenlucht en het verandert continue. Hier vind je grootschalige akkerbouw, maar ook de langste weg van Nederland, de Bildtdijk. Daar kijk ik op uit. De rij dijkhuisjes gaat wel meer dan veertien kilometer door. Het hoogste nummer is om en nabij de 1200. Er zijn verschillende dorpen en buurtschappen langs de dijk.

Ik sta langs een landweg, gemaakt van betonplaten. Als ik de betonweg verder afrijd, kom ik vlak langs het bord “Westhoek.” Vanuit mijn raam kan ik het nog net lezen. Langs de weg zijn bietenplaatsen gemaakt, voor de boeren. Die zie je hier overal. Maar het is nog geen tijd voor de bieten. Voor zolang het duurt zijn het ideale plekken om even je Wandelhuisje te stallen. Er is niemand die daar moeilijk over doet.
Ik sta naast drie weides. In twee kleintjes staan de paarden. Gisteren stonden ze in de grote wei, maar de grote wei is vandaag bezet. Er staat een partytent in. Dit weekend is de jaarlijkse barbeque van de buurt. Er hollen jongetjes en meisjes op het gras. De hele dag hoor ik vrolijke kinderstemmen, want de stille betonweg is ideaal om als racebaan te gebruiken. Ik zie een skelter, een driewieler en een fietsje vermomd als brommer met een echte uitlaat die ratelt. Meisjes met blonde lange haren, kleine stoere jongetjes die headbangend doortrappen en weer omkeren. Ik sta buiten. “Ik heb al wat lekkers op!” roept het meisje op de skelter, als ze ziet dat ik groenten snij. “Het was eh.. het was… een broodje gehakt!”.

De volgende ochtend regent het langdurig. Maar dan breekt als bij toverslag de zon door en de rest van de dag is de lucht boven ons hoofd egaal blauw. Steeds meer kinderen weten mij te vinden, hartstikke leuk als dat bovendeurtje opengaat en er is een hoofd dat wat terug zegt. Als ik er drie tegelijk naar mijn deur zie staren kan ik twee dingen doen. Een poppenkastvoorstelling geven of weggaan. Ik besluit het laatste. Maar hoe moet dat dan met mijn Simkaart? Ik sta buiten voor mijn huis te denken wat ik zal doen. Zal ik naar Hiske om te melden dat ik gewoon door trek en dat ze me dan maar moet opzoeken? Tja…

Precies op dat moment stopt er een auto. Er stapt een man uit. Ik kijk er niet van op dat er mensen stoppen om te weten wat het allemaal voorstelt wat ik heb neergezet. Maar dit komt precies op tijd. Na een korte kennismaking biedt hij me aan me naar Hiske te brengen. We gooien mijn fiets achterin en al gauw gaat het gesprek over muziek. Ik vertel dat ik zing, en fluit en wat piano speel. “Begeleid je wel eens liederen van Schubert?” vraagt hij. “Nee,” zeg ik. Ik houd mijn mond maar. Graag had ik veel meer gedaan in de muziek, maar het lag niet op mijn pad. Maar wel op het zijne! Hij is pianist en hij is helemaal weg van de cellospeelster Jaqueline Du Pré. Ik luister vol aandacht naar de warmte in zijn stem, wanneer hij over haar praat. Hij blijft maar over haar vertellen, over haar magische muziek, hoe ze MS kreeg, haar korte leven, over films van haar. De namen van de makers is hij vergeten. “Ik word oud,” zegt hij. Wanneer we voor het huis van Hiske aankomen, blijf ik nog een kwartier in de auto zitten, zodat hij het verhaal af kan maken. Bij vertrek geeft hij zijn telefoonnummer. Als ik ook helemaal weg ben van Jaqueline Dupré, dan vindt hij het leuk als ik hem bel.

Hiske is thuis. Ze heeft zelfgebakken broodjes en het is lunchtijd. Ik schuif aan. Ik vertel haar over mijn koerswijziging, niet door Groningen langs de kust, maar terug en dan landinwaarts. In de eerste plaats omdat ik hoofdpijn krijg van elke dag urenlang in de wind lopen en tegelijkertijd al die gesprekken voeren. En ik zie ertegenop straks wéér een winter in dit kale land door te brengen. “Ach wat zonde!” reageert ze vurig “Ik vond het zo’n mooi plan, de Groningse kust is prachtig, waarom ga je niet de uitdaging aan?”
“Ik zit hier nu een jaar. Ik mag de Friezen graag, maar die wind, daar heb ik schoon genoeg van,” zeg ik vastbesloten “En in Groningen zal het aan de kust niet veel anders zijn.”
Friezen die zeggen dat zij de wind nooit zat zijn, die wonen wèl in grote stenen huizen die nooit wiebelen. En ze hebben een auto om mee naar de stad te gaan. Fietsen in de wind, dat doen ze als ze er zin in hebben, niet omdat het moet omdat de voorraad op is, of omdat je nou eenmaal tien pianolessen hebt besproken op een vaste tijd. Het is al gauw twee uur heen en twee uur terug. En als je pech hebt is alles nat van de regen en je huis is te klein om al die natte dingen steeds maar te drogen te hangen. Ga eerst maar eens een jaar in mijn huisje wonen, midden in de open vlakte. Daarna spreken we elkaar wel weer. Dat gaat allemaal in een flits door me heen. Maar daarover heb ik het niet met Hiske. Er is iets wat veel belangrijker is.
“Mijn uitdaging is een andere,” zeg ik “Ik koos voor de meest rustige route omdat ik bang was, bang voor de drukte midden in het land,” Hiske luistert stil en aandachtig naar me. “Maar nu heb ik me bedacht. Op mijn huisjes staat: Kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen. Mijn uitdaging is juist het drukke midden op te zoeken, daar kan ik mijn protest duidelijk maken. Daarom keer ik om. Maar ik vind het wel reuze dat ik helemaal in Zwarte Haan ben geweest, het Finisterra van het Noorden.” Hiske begrijpt het onmiddellijk, ze knikt stil. Het is de eerste keer dat ik het hardop zeg. Het nieuwe plan is leven ingeblazen. Even later lopen we samen naar de brievenbus. En, boven verwachting, de Simkaart zit er in! Ik ben precies op het juiste moment gekomen, met dank aan de pianoman.

Soms is het leven net als surfen. Als je precies op tijd klaar staat, dan kan je zo mee.

.

 

.

Zwarte Haan aan Zee, (een lange podcast extra)

.

 

Deze week ben ik in Zwarte Haan. Het is een gehucht dat vanwege zijn ligging heel bekend is. Ik sprak verschillende bewoners en onderzocht de verhalen die er leven. In mijn podcasts kan ik meer vertellen dan binnen de korte tekst van een blog.

Morgen eindigt mijn internetbundel en ik heb mijn nieuwe simkaart niet ontvangen met onbeperkt internet. Ik moet nog uitvinden waar ik WiFi kan vinden hier aan het einde van de wereld.

Ik hoop dat het lukt om zoals gewoonlijk woensdag mijn blog te publiceren, maar in elk geval krijgen jullie vandaag deze lange podcast cadeau, om alvast te beluisteren. Veel plezier!

.

 

 

In de schaduw van een rijk verleden

.

.

Luister hier als je mij wilt horen voorlezen.

.

Elke keer wanneer ik een stukje verder trek, stap ik een wereld in van weer andere mensen. Ik zoek ruimte om te landen, als een vlinder op een bloem. Lang genoeg om de geur te leren kennen, de nectar te proeven en me te omringen met de kleur die zo eigen is aan elke unieke plek. De bloem geniet van de vlinder en de vlinder van de bloem. Nu ga ik naar Nynke en Michiel, die wonen op de oude grasdrogerij in Tsjeintgum. Het moet een inspirerende plek zijn, waar twee-en twintig jaar jang een bekende kunstenaar woonde en werkte.

Het is nog vroeg, wanneer ik vertrek. Het is niet ver, maar vijf kilometer, van Weidum naar Tsjeintgum. Ik kijk naar het acculampje. Die staat nog op “vol”. Ik loop zo langzaam, dat het bijna geen energie kost. De accu laadt tegelijkertijd bij, al zal het nu nog niet veel zijn, met dit prille ochtendlicht.
Ik ga de bocht om, door een laan met aan weerszijden bomen. Aan het einde ervan loop ik Mantgum in, langs het cafetaria, de kerk en het weitje met de schapen. Een moeder met een klein meisje staan te kijken. “Dit is een wandelhuis!” roep ik “Ik reis met energie van zonnepanelen!” De vrouw lacht geïnteresseerd. “Wat een goed idee!” roept ze. En ik loop verder, de statige huizen langs die het dorp rijk is, tot ik het spoor oversteek en ik het bord zie van buurtschap “Tsjeintgum.” Daar is het, achter die dichte bossages is mijn nieuwe stek.

Nynke en Michiel zijn er nog niet, ze komen wat later, zeiden ze aan de telefoon. Ik kon rustig mijn gang gaan, voegde hij er aan toe. Ik parkeer mijn huisje op de betonplaten omringd door Japanse duizendknoop. Er is een doorkijkje naar de weiden waar twee koeien staan. Eentje staart me aan en loeit. Ik groet terug, gelukkig is hier toch een levend wezen. De stilte is vreemd. Ik voelde me al helemaal thuis in het dorpsleven van Weidum en mis het.
Ik open de deur om mijn fiets naar buiten te sjouwen. Eerst wil ik het dorp in, eens kijken bij dat cafetaria, naast de kerk. Ik ben benieuwd naar de reacties.
Het is er druk. Er wordt een tafeltje bijgezet op het terras. Natuurlijk hebben veel mensen me gezien. Eén voor éen komen ze naar me toe. Ze willen weten wat ik doe. Een klein gezelschap zit patat te eten. “Ik reis en schrijf een boek,” vertel ik. “Nu sta ik op het terrein waar de kunstenaar Mander woonde.” “Mader,” verbetert één van de mannen. “Hein Mader. Hij was een vriend van mij. Mooie vent, maar flink ziek op het laatst. Ook ziekzijn deed hij op zijn eigen manier. Overdag sliep hij onder zijn bed, en ’s nachts erboven. Ritme moet er zijn,” zei hij, “Zo wassie.”
Ik denk aan het erf waar ik de komende dagen zal verblijven. Bijzonder dat ik hier nu terecht kom. Een aantal grote beelden van hem zijn achter gebleven, en vormen langzaam maar zeker één geheel met de bomen en struiken er om heen. Zo is zijn schaduw nog steeds aanwezig op de plek waar hij zo lang woonde. Een schaduw, die langzaam wordt opgeslokt door de wildernis.

Die avond steken we het vuur aan. Nynke en ik kijken toe, terwijl Michiel het werk doet. Deskundig hakt hij kleine houtjes en stapelt ze luchtig tegen elkaar aan. Toch wil het niet meteen branden. Aandachtig volgen Nynke en ik zijn bewegingen. In mijn hand heb ik een heerlijk glas wijn die zacht en stevig smaakt. Ik ben benieuwd bij wie ik ben terechtgekomen en mijn gastheer en vrouw zijn net zo nieuwsgierig naar mij. De sfeer is licht en ontspannen. Ze vertellen over het huis. Het zijn twee arbeiderswoningen, aan elkaar. Zij hebben er hard aan gewerkt om er een mooi geheel van te maken. Iedereen vraagt hen: “Wanneer is het af?” Ik glimlach, dat is herkenbaar. Het is net zo’n vraag als: “Waar ga je naar toe?” Inmiddels zijn er al zeven jaar voorbij en af is het nog steeds niet. Gelukkig wisten ze niet waar ze aan begonnen, destijds. Anders hadden ze het nooit gedaan. Maar nu zijn ze erg gelukkig en genieten met volle teugen, samen met hun eenjarige dochtertje.

.

.

De volgende dag wandel ik samen met Nynke over het terrein. Overal op het beton groeit sedum. Tenmidden van dat tapijt van vettige kleine blaadjes, staat een beeld dat Mader maakte, een gekrulde vorm met een horizontaal licht gebogen blad erin. Het straalt rust en harmonie uit en het kan draaien op zijn as, net een bloem! Nynke vertelt. “We zijn door zijn familie uitgekozen omdat wij respect hebben voor wat Hein achterliet. Maar dat was ook best lastig. We hebben er heel wat werk aan gehad om ons deze plek eigen te maken,” zegt ze. “Hij is op dit terrein doodgegaan, een gepassioneerde beeldhouwer. Het lag overal vol met materialen, staal, steen, gereedschappen, Hij was er dan wel niet meer, maar toch ook weer wel. Het was moeilijk om daar een eigen weg in te vinden.” Ik knik begrijpend en net op dat moment komt er gehuil uit het huis. “Elvike is wakker, ik moet naar haar toe!” zegt ze en ze is meteen verdwenen.
Elvike is nog maar veertien maanden. Wat zal ze hier heerlijk kunnen opgroeien, in dit paradijs voor jonge ontdekkingsreizigers! Onder de duizendknoop door is een pad, de lange stengels buigen diep door over de betonplaten eronder. Het meisje zou er zo onderdoor kunnen wandelen, maar ik niet. De zon is zinderend heet en de schaduw onder de dicht opeenstaande planten is weldadig. Ik kruip onder de stengels door en weet niet waar ik uit kom.
Ik kom een brok steen tegen, er zijn diep geulen in gehakt. Het is bijna verdwenen onder de groene stengels. Ernaast liggen een paar oude boomstronken. Dit is de schaduw van Hein die ik tref. En daar tussen zie ik opeens Elvike, balancerend op haar babybeentjes, lachend en onbevangen. Wat een contrast.

Als ik gelijk was vertrokken, dan had ik deze plek nooit de aandacht kunnen geven die het verdient. Het is het verhaal, dat mijn tempo bepaalt, niet de snelheid van mijn wielen.

.

.