Het verdwenen verhaal

.

.

Het verdwenen verhaal

Ik had een mooi verhaal
uitgetikt in zwart op wit
Maar het is verdwenen

Een duister avontuur was het
ik was op weg naar huis gegaan
hangend in de harde wind
die ik pal van voren moest weerstaan

Ik duwde mijn zwaarbeladen fiets
langs het voortgestuwde water
de blik op het donkere pad gericht
Er was geen mens en niets
dan de verre contouren van een
stad met licht

De donkere plek waar ik naar keek
en het geel verlichte venster
kwam almaar dichterbij
Dit was de plek van de oversteek

Ik kwam en zag

Donker water, zompige oevers
Ik ploeterde met een enkele spaan
bewaarde dobberend mijn geduld
zoekend naar de andere
die verdwenen was in het tumult
terwijl ik de oever voorbij zag gaan

Omringd met water en kolkende wind
wist ik niets dan enkel dat
dan gestadig door te gaan
Vechtend, knokkend in de wind
naar het huis waar het gele raampje zat

Ik vond de verloren spaan die ik zocht
en maakte de korte overtocht
tot de boot de oever raakte
en ik tevreden het touw vastmaakte
aan de steiger.

Het verdwenen verhaal
duikt steeds weer op.
en toch altijd anders
Met tegenwind dan gloeit mijn kop
zo groeit het vertrouwen bij elke vlaag
als de wortels van de beuk in mijn binnenste.
Als het ritmische antwoord op de vitale vraag
naar een steeds meer veerkrachtig bestaan

.

Hoe vertel ik het mijn oude pa

.

.

Ik heb mijn vader aan de lijn. Hij snapt er niks van. “Ik hoorde dat je nu ergens anders woont!” roept hij verbaasd en met een ondertoon van verontwaardiging. Mijn pa nadert de negentig. Hij stelt scherpe doelen, schrijft boeken voor de historische vereniging in Drenthe, maakt elke dag een fikse wandeling, heeft een strak schema in het schoonhouden van het grote huis en het onderhoud aan de tuin. Daarmee houdt hij zichzelf in conditie en houdt hij grip op zijn bestaan. Maar stilletjes aan wordt zijn wereld kleiner.
“Ja pa,” zeg ik “Ik sta nu vier kilometer verderop, in de buurt van Jellum.”
”Jellum? Waar ligt dat?“ Hij loopt even weg met de telefoon en kijkt ergens in om te zoeken.
“O, ik zie het al. Jellum. Ja hier!” Hij klinkt voldaan en tevreden. Het is even stil.
“Je bent binnenkort jarig hè, ik wilde dan graag langs komen waar je nu zit.” Hij zegt het aarzelend en tegelijkertijd vastbesloten. Sinds de dood van mijn moeder tien jaar geleden, is hij heel trouw geworden in het contact naar al zijn vijf kinderen, belt af en toe en komt één of twee keer per jaar met de auto, want rijden doet hij nog als de beste. “”Fijn zeg, dan kan je het nog mooi even zien waar ik nu ben.” zeg ik opgewekt en ik vermoed dat ik hiermee opnieuw verwarring zaai. Dat klopt als een bus.
“Wat?! Ga je daar weer weg dan?!”
“Ja pa, ik ga straks naar een geoloog en zijn vrouw. Zij is keramiste. Hij weet heel erg veel van Friesland. Ze kunnen me veel vertellen en daar verheug ik me op. Ik ga er ook in de tuin werken, een paar weken.”
“Oh..” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. “En hoe heet dat plaatsje dan?”
“Ja, hoe heet het ook alweer. Het is ook weer zo’n typische Friese naam. Ik vertel het nog wel.” We praten nog even verder, groeten elkaar en hangen op. Ik kijk nadenkend uit het raam. Mijn pa is het dus al helemaal vergeten, dat ik hem vertelde over mijn reis. Wat nu?

Een paar weken geleden zat ik nog bij mijn vader in de huiskamer. “Ik ga trekken pa, met mijn huisje op wielen.” Ik keek hem vol spanning aan. Het grote woord was er uit. Zijn stem klonk ijl en bibberig toen een zwak “Neeeee……” aan zijn lippen ontsnapte. Ik staarde naar mijn voeten. Ik wist het. Alle slecht-nieuws berichten van de televisie kwamen langs zijn geestesoog voorbij. Ik verharde mezelf en keek hem aan. “Ja pa,” zei ik onverbiddelijk, maar ik dacht, shit, wat rot voor hem. Maar ik wil deze reis nu maken. Hoe leg ik hem het uit??

Een week later sta ik op het perron van Deinum. Zo dadelijk komt de trein naar Leeuwarden. Ik loop net naar het bord met vertrektijden als mijn vader me belt. Ik vertel hem  waar mijn wandelhuis nu staat. Niet Jellum, maar Bears. Ik had me vergist. “De bus vertrekt vanuit Jellum, niet vanuit Bears. Daarom dacht ik dat. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Je schrijft het met een e en een a.” leg ik hem uit. “Bears?” vraagt hij, “Het lijkt wel Engels.”
“Ja, het Engels heeft veel invloed gehad op het Fries. En andersom is het net zo,” vertel ik.
Aan de andere kant van de lijn luistert mijn pa aandachtig. Er komt een idee bij me op. Ik hoef mijn vader niet te zeggen dat ik op reis ga. Als ik heel langzaam ga, en alleen zeg hoe het plek heet waar ik ben, dan zal hij het kunnen volgen. Traagheid is de sleutel en zeker als ik mijn verhalen doorspek met interessante historische details. Ik glimlach. Dit wilde ik toch?  Heel langzaam reizen en zo volledig mogelijk verslag doen? Met zo’n oude vader gaat dat alleen maar beter. Het zal me niet nog een keer gebeuren dat ik de naam niet kan noemen, van mijn volgende standplaats!
Je kan in alles een voordeel en een nadeel zien. Ik kies voor de meest werkzame optie. Mijn oude, maar zeer nauwkeurige  pa ervoor zorgt ervoor dat ik nog grondiger te werk zal gaan.

De trein komt er aan en stopt. Ik stap in en kijk hoe het weidse land aan me voorbij trekt. Het ziet er onbekend uit. Voor de zekerheid vraag ik het nog even. “Gaat deze trein naar Leeuwarden?”
“Nee,” zegt een jong meisje met lang bruin haar “De andere kant op, naar Harlingen.”
Wat een bof, denk ik bij mezelf. Ik zie almaar meer van de wereld. Mijn reis word steeds mooier. En ach, mijn vader hoeft ook niet alles te weten. Er valt nog genoeg te verdwalen… Ik tuur naar de horizon. In de verte zie ik het silhouet van een kleine provinciestad. “Franeker,” zegt het meisje.

.

Jellum en Bears vormen een tweelingdorp. Bears ligt aan de Swette, het plaatsje waar Ecocamping de Swetteblom zich bevindt. Er staan er oude bomen langs de oever en de boerderij. Kinderen slingeren in de zomer aan een touw boven het water en plonzen en spatteren er heerlijk rond. Het is een kanaaltje omringd door dikke rietkragen. Als het heel hard gaat vriezen, dan kan ik hier de schaatsers voorbij zien gaan van de elfstedentocht. Nu zwemmen er meerkoeten en eenden. De Swette vormde zich in de tijd dat de zee hier zijn arm nog uitsloeg en de getijden hun gang konden gaan. Het was het afwateringsriviertje voor de kwelders, bij hoog water. Toen de zee geen vrij spel meer had, is het gekanaliseerd. Vanaf het moment dat de kwelders verdwenen, doet het dienst als trekvaart tussen Leeuwarden en Sneek. Maar net zoals overal is het vervoer op het water sterk verminderd. Alleen in de zomer vaart er af en toe een plezierjachtje.

.

.

PS Ik heb mijn motivatie onder woorden gebracht, waarom ik dit wil doen. Het langzaam voortgaan langs de grens is niet alleen een verkenningstocht, maar is ook een vorm van protest voor mij. Als je meer weer lezen over die gedachtegang, lees dit.

   Klik hier voor de link

 

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

Opnieuw beginnen als je ouder bent

.

.

Rijkdom kan groeien, bij het klimmen der jaren. Trage bedachtzaamheid kun je gebruiken als een enorme kracht, als je niet verleert met souplesse te reageren op het juiste moment.

.

Ik zet de steelpan op de kachel. Hij zit helemaal vol water, want ik ben van plan een hele sloot verse muntthee te gaan drinken. Ik heb de laatste frisse blaadjes geplukt, het beetje wat er nu nog aan zit, is vol zwarte vlekken.
Ik doe de deksel op de pan. De muur boven de kachel is oranje in de gloed van de ondergaande zon. Ik draai me om, om te kijken. Zo’n weids uitzicht krijg ik misschien nooit meer. Ik ben ontzettend blij dat ik die keiharde wind straks kwijt ben, maar zolang ik hier woon geniet ik van de prachtige luchten. De leegte van het land lijkt de leegte van dit moment te symboliseren. Het is geen dode leegte, maar als een volledig welkom. En hoewel je het misschien niet direct ziet, weet ik dat mijn schijnbare leegte rijk is aan mogelijkheden. De bodem is vol wortels en wie weet hoeveel schimmeldraden, die zich als een netwerk uitspreiden en alles wat groeit met elkaar verbinden en voor voeding zorgen voor alle leven.

Als ik op reis ga, ben ik 54. Ik was 47 toen ik mijn oude leven achter me liet, om verstofte talenten flink uit te kloppen en in het zonnetje te zetten. Al met al zijn er zeven jaren voorbij gegaan, terwijl er langzaam iets groeide, wat altijd al in de kiem aanwezig was. Ik denk na over hoe het voor mij heeft gewerkt.

Als je jong bent en je ontwikkelt je talenten of je begint een grote reis, dan moet alles snel en het liefst meteen. Dat kan dan ook makkelijker, je krijgt sneller steun, aandacht en bewondering. Je bevindt je tussen andere energieke leeftijdsgenoten. Een nieuw spoor opgaan, andere talenten ontwikkelen, een verlangen vervullen dat al sluimert vanaf de jaren dat je een kind was, het is een veel eenzamer proces wanneer je ouder bent. Terwijl je leeftijdsgenoten zich met een drankje op hun lievelingsstoel nestelen, het werk overdenken wat er nog ligt en zich afvragen hoeveel vakantiedagen ze nog hebben, doe jij precies het tegenovergestelde. Je verlaat je lievelingsstoel, zet hem onder de wilgenboom en pakt je biezen. Niet snel, zoals je zou doen als je twintig was, maar heel langzaam.
Die rijkdom kan groeien bij het klimmen der jaren, wanneer je door de harde schil heen gebeten hebt. Het is een trage bedachtzaamheid, die te gebruiken is als een enorme kracht, als je niet verleert met souplesse te reageren op het juiste moment. Als twintiger wist ik dat ik me eerst moest gaan wortelen, pijnlijk door harde bodems moest dringen en dat de grote ontdekkingstocht pas later zou beginnen, wanneer de tijd rijp zou zijn. Nu is het zo ver. Ik maak me los en ga. En tegelijkertijd weet ik, ik ben waar ik ben en ben overal thuis.

Het leven houdt niet op als je vijftig bent. Het hoeft niet te vervagen in een vergeetland dat zich steeds verder uitbreidt. In de lente begint de munt opnieuw te groeien, groter en sterker. Een getraind lichaam en een getrainde geest op kracht en flexibiliteit en rekt grenzen uit. De mogelijkheden worden dan alleen maar groter.
Ik schenk de thee in een glanzend schoon glas. Nog even en de zon is onder. Nog even en ik loop misschien wel op een stille landweg, in dezelfde ondergaande zon, die toch steeds weer anders is.

.

De handen van mijn moeder

.

.

Alles beweegt. Wat ooit vol was, is nu leeg. Huizen zijn gesloopt, bloementuinen omgespit over overwoekerd. Kruideniers zijn verdwenen, oude bomen gekapt en vervangen door jonge. Kasten zijn leeg geruimd, huiskamers ontspuld. Maar iets in die stromen van tijd en materie, is nog steeds zoals het is.
De kamer waar ik sliep, samen met mijn zusje.
.
Ik ben weer terug in mijn ouderlijk huis. Het is ochtend en ik ben net wakker. Vanuit mijn bed kijk ik naar het hare, een ombouwbed, de planken erboven krom gezakt door het gewicht van jaren. Al vijfenveertig jaar woont daar, op de bovenste plank, een kleine gemeenschap van poppen, poppen van mijn zusje en mij.Het stof is keurig afgenomen, maar de poppen liggen achteloos door elkaar en lachen me niet meer toe. Ik mis iets. Het is de hand van mijn moeder. Ik stap uit bed, pak ze één voor één en geef ze een nieuwe plek. De grote pop met een kleine op schoot, de kikker bij de andere kikker. Door de schemering van tijd zie ik haar handen bezig, zoals de mijne nu en een speelse glimlach op haar gezicht, mijn moeder, zoals ze was.
.
Het is een bijzondere plek. Nu mijn vader bijna negentig wordt, besef ik steeds meer de tijdelijkheid van dit alles. Ik hoop dat er meer plekken zijn zoals deze, waar alles jaar na jaar mag zijn wat het is, vergeten verhalen, scheef zakkend tot een bekende hand het aanraakt, zich herinnert en terugkerende ogen het steeds opnieuw ontdekken. Zacht gloeit het stilleven, als in een eeuwigheid.

.

.

 

Uitnodiging:

Van 28 oktober tot 1 november exposeer ik met de beste tekeningen uit mijn blog in de boerderij van Frijlan, Boksumerdijk 5, Leeuwarden. Je bent welkom van 14.00 tot 17.00!

.

 

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Halters in het maanlicht

.

De maan verbindt ons met elkaar, als één groot lied van de nacht

.

Het is vrijdagavond en windstil. De laatste roodborstjes zijn gestopt met zingen, de boeren zijn gestopt met het injecteren van drijfmest en het ploegen van het land, de Brabantse mannen zitten bij hun gezinnen en drinken hun biertje. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik heb mijn plan uitgevoerd, ik maakte een goeie condenskier onder de dakrand. Tevreden zie ik de details voor me, het is gelukt, ik weet bijna zeker dat dit gaat werken. Nu de andere helft van het dak nog. En dan?

Dan is het tijd om te vertrekken naar Friesland. Een vreemd idee lijkt het. Ik kijk naar buiten. De zon is al helemaal onder gegaan. Ik heb de luiken nog niet gesloten. Wat is het stil! De tijd lijkt stil te staan als in een schilderij. Het is of ik hier nog eeuwen zal blijven, alsof er nooit iets zal veranderen. En dat terwijl ik hier misschien al heel snel weg ben! Gek hoor, een vreemd idee.
Ik gaap en staar dromerig door het raam. Het licht van de maan schijnt in de vijver. In de wei staan de schapen nog steeds te grazen. Ik gooi mijn benen van de hoge bank af en sta op om naar buiten te gaan en de luiken te sluiten. Ik schuif een half vergane rieten stoel onder het raam en zet mijn voet op een plek waar geen gat is. Ik glimlach tevreden en duw tot ik het luik zachtjes dicht hoor klikken. Met luiken dicht is mijn huis een echte wooncocon, waar je heerlijk in kan slapen. Nu de andere kant nog. Aan de andere kant staat de steiger, omdat ik daar nog aan het dak moet werken. Ik klim op de dikke planken en sluit ook deze kant af.
Ik klauter weer naar beneden en blijf bewonderend staan. De hemel is zwart en de sterren lijken op speldenprikjes in bordkarton. De toenemende maan is helder. Het is dezelfde maan als die in Friesland schijnt, dezelfde als op Frijlân. En ook is het dezelfde als die een Nederlandse sojahaven oplicht in Brazilië en die het verlaten dorp beschijnt wat er naast ligt. Er zijn zoveel verhalen! De maan verbindt ons met elkaar, als goede en de trieste strofes, alles in één groot lied van de nacht.

Ik maak mijn blik los van de nachtelijke hemel en buk me. Bij het bordes staat een kistje, dat ik gebruik als opstapje. Hij ligt omgekeerd, met een extra plank erop, zodat je er niet opeens doorheen zakt. Ik leg de plank opzij en draai het kistje op zijn kant. Eronder liggen twee halters van zes kilo. Ik heb ze aan een stuk bezemsteel bevestigd en voel het warme ronde hout in mijn eeltige werkhanden. Ik ga op mijn rug op het kistje liggen en doe één voor één alle oefeningen om arm, rug, en borstspieren te trainen. De maan lacht recht in mijn gezicht en verdwijnt half achter wolkenflarden. Hij speelt ermee en maakt een kring van roze weerschijn in bewegende sluiers. Ik vraag me af, wie kijkt er nu nog meer naar de maan? Ik ben vast niet de enige…

.

.

.

 

 

Terwijl ik mijn halters hef, op en neer en weer en weer, straalt het maanlicht in mijn gezicht. Ik voel mijn armspieren werken en denk aan wat ik vandaag las. Het waren een paar artikelen over de Nederlandse bemoeienis in Brazilië. Ik zie het voor me als in een droom.
Terwijl ik naar de zwarte lucht tussen de sterren kijk, zie ik enorme majestueuze wouden. In snel tempo worden de bomen gekapt en met vrachtauto’s naar binnenvaartschepen gebracht, met Nederlandse namen erop. De schepen varen naar de haven. Het hout wordt netjes opgestapeld voor verkoop in Europa. Naast de exporthaven ligt een verlaten dorp. Overrijpe mango’s liggen te rotten op straat. Wie woonde er en waarom is iedereen verdwenen?
Als een vogel vlieg ik verder. Verder het land in staat een boswachtershuisje. Maar er is geen bos meer. Het staat nu in een eindeloos grote sojaplantage, soja voor veevoer en biobrandstoffen. Ik zie hoe een vrachtwagen heen en weer zwaait op een blubberige weg. Het beeld vervaagt.

Ik voel mijn rug op het harde houten kistje en weet het. Het Amazonegebied wordt uitgekleed, ontbost, gestript.  De laatste vijf jaar zijn er veel wegen en spoorlijnen aangelegd. Het is een voorproefje van wat komen gaat. Een enorme spoorlijn moet er komen om dit proces te versnellen. Het is een bom die op ontploffen staat, zeggen bewoners die naar de hoofdstad zijn gekomen om hun noodkreet te laten klinken. Twee rijke en machtige families worden nog veel rijker en een paar Nederlandse bedrijven ook. Waarom? Is het zo leuk om te bulken van het geld? 

Ik lees verhalen van noodkreten, die niet alleen in Brazilië, maar overal ter wereld klinken. De bevolking heeft geen grond meer om op te staan en mensen verdwijnen spoorloos. Niemand weet waar ze zijn heen gevlucht of wat er met ze is gebeurd. Het zijn de eerste bewoners, die nooit of met heel veel moeite een eigendomsbewijs krijgen, van de grond waarop ze al eeuwen leefden. Het zijn vreemde zakenlieden, die worden verwelkomd door rijke machtshebbers, zakenlieden uit rijke landen als Nederland.

Het zijn niet alleen lokale dorpelingen, die er onder lijden. Het gaat ons net zo goed aan, het gaat de hele aarde aan. Met het kappen van bomen ontstaat erosie en een grote opslag aan CO2 gaat verloren. En met het verdwijnen van de enorme vochtige wouden verandert het weer. De gevolgen zouden nog wel eens ver kunnen reiken. En nu kijk ik naar de maan. En ik besef, de maan en het water zijn het, die ons met elkaar verbinden en de lucht is het, die we inademen en uitademen, de lucht die waait met de wind en overal komt. De aarde met alles erop, het werkt met elkaar als één levend systeem. Dit systeem levend houden, dat is het enige wat duurzaam is. Dit denk ik, terwijl ik mijn gewichten neerleg om naar bed te gaan.

Lees hier het artikel in de Trouw over de sojaroute

Survival International doet verslag hoe bewoners vechten voor hun rechten.

Soja als biobrandstof zou verder aan banden worden gelegd.

.

.

 

De roep van de kievit

.

.

Het ijs op de vijver is helemaal gesmolten. De eenden, die tijdens de vorst sloom aan de oever zaten en het neergegooide brood ongeïnteresseerd lieten liggen, lopen nu achter elkaar aan het hele terrein van de camping over. Het zijn er nog maar twee, twee mannetjes. Van de derde is niks anders overgebleven dan een plas bebloede veren. Inmiddels heb ik het tafereel al zo vaak gezien, dat ik het heb geaccepteerd. Alles komt en gaat en niet altijd op zachtzinnige wijze. En strenge vorst is als de adem van de dood. Wat sterk en veerkrachtig is, dat redt het. De zwakkeren niet.
Opgetogen komt de lente dan, met de taaie overwinnaars, die niets liever willen dan de opwinding bevredigen, het nest bouwen en zo’n hoop leven maken, dat horen en zien je vergaat.

Ik zit op mijn hurken en kijk naar de verzameling kisten en boxen onder mijn wagen. Voor ik naar Friesland verhuis, wil ik alles gesorteerd hebben en opgeruimd. Terwijl ik net een zwart plastic veilingkistje naar voren wil schuiven, hoor ik boven me de roep van een kievit. Ik bevries in mijn beweging. Het geluid komt snel dichterbij. Tot mijn stille vreugde landt hij tien meter bij me vandaan en loopt zoekend rond in het gras, tussen een paar opgekroonde bomen. Hoewel de zon heerlijk schijnt, is er af en toe een fris windje. Het shirt dat ik aan heb, is te kort en ik voel een koude bries langs een blote kier waaien. Ik durf het niet in mijn broek terug te stoppen, dan gaat hij misschien weg. Ademloos kijk ik naar de vogel. Maar al snel vliegt hij weer op. Kennelijk vindt hij hier niet wat hij zoekt.

Die nacht hoor ik de paringsroep van vele kieviten, op het veld en in de akkers achter de camping. En ik duim voor ze. Dat ze dit keer wèl zullen slagen. Dat ze in het grasland voldoende voedsel kunnen vinden om kracht op te doen en hun jongen groot te brengen. Met pijn en spijt denk ik aan de enorme vlaktes, waar alleen maar raaigras te vinden is. Voor de weidevogels is deze eentonigheid een nekslag. Ik duim voor groeiende aandacht hiervoor. Soms hoor ik boeren zeggen dat ze heel erg hun best doen en om de nesten heen maaien. En toch is er geen enkel nest dat slaagt. Ze begrijpen het niet. De schuld wordt gegeven aan de vossen, waar jagers dan driftig op schieten in de schemering.

Hoeveel mensen zoeken het echt uit? Er zijn genoeg rapporten van. Daarin lees ik dat de vossen niet de belangrijkste oorzaak zijn van de grote achteruitgang van soorten. Het is de groeiende monocultuur. Ons land is gevormd door een delta van rivieren. Een plek die ooit wemelde van vliegende en broedende vogels. Wij hebben ons land onherkenbaar veranderd, van een levendig paradijs, in een rigide rasterwerk onstaan door een eindeloze saaie lijst van bedachte doelen. De uitgestrekte eenvormige vlakten zijn als een groeiende woestijn, waarin steeds minder dieren en insecten voedsel kunnen vinden en waar roofdieren hun prooi makkelijk kunnen zien.

Okee, er is een natuurlijke cyclus van leven en dood. De sterksten redden het en maken van de aarde een vitale plek, vol diversiteit. Dat is soms hard, maar het is ook mooi. Dit accepteer ik. Maar wat er nu met het land gebeurt, dat kan ik niet accepteren. Het kan anders. Laat dan nu het leven terugkeren in de wei, in het griend en in de beschutting van bloeiende bomen, die groeien langs de randen. Laat de wei vol bloemen zijn, zoveel soorten, niet te tellen. Laat groeien wat er groeien wil en kijk wat het ons biedt. Ook in Friesland, ooit het paradijs voor broedende weidevogels. Friesland, mijn nieuwe thuis van de toekomst.

.

.

Zwetend langs smeltende wakken

.

.

Tilburg. Ik ben er. Ik stap uit de trein, sjouw tussen de piepende poortjes door en check uit. Mijn winterjas is veel te warm. Hij was ooit van mijn moeder en nu heb ik hem aan. Met twee truien er nog onder, zweet ik de uitgang van het station uit. De lucht juicht lente, maar ik sleep me voort als een dweil. Ik loop verder, naar waar de bussen waren, maar er zijn geen bussen meer. Ik zie alleen hekken en allemaal afgezaagde platanen, die ooit zo fier het kleine plein opsierden. Ik draai me om en daar is een informatiebord. De bussen zijn verplaatst naar de andere kant van het station.
Ik loop de stationshal uit en zie in de verte bus 142 wegrijden. Tenminste, dat denk ik. Druipend van het zweet zet ik mijn rugzak op de grond en kijk naar het meisje naast me. “Bus gemist,” mopper ik. “ Die tijden zijn weer eens niet op elkaar afgestemd.”Het meisje zegt “ja” en kijkt gauw de andere kant op.
Ik speur naar een bankje om de warme IJslandse trui uit te doen, die ik onder mijn jas aan heb. Ik vind een plek waar niemand zit. Ik smijt mijn jas uit, prop de trui in mijn rugzak, hij past er nog net bij.

Ik heb het nog steeds warm. Zal ik alles uitgooien en een uur op het bankje gaan zitten? Ik zie mezelf zitten, een dame die de bus heeft gemist. Maar ik ben helemaal geen dame. En ik mis niks. Ik ga niet zitten wachten tot volgende komt, besluit ik. Ik ga gewoon lopen. Als ik mijn benen beweeg kom ik er vanzelf. Zeventien kilometer, dat kan best.
Ik doe mijn jas weer aan, pak mijn rugzak en steek mijn armen erin. De jas is warm, de tas voelt zwaar. Maar toch doe ik het. Er zijn zoveel mensen op de wereld die de bus niet kunnen nemen. Vandaag denk ik aan ze. Bovendien is het een mooie dag.
Terwijl ik de eerste passen maak, zie ik een bus wegrijden. “142” zie ik staan. Ik kan nog net de plaatsnaam onderscheiden. “Best” staat er op. Ik had de bus helemaal niet gemist. Maar nu wel. Misschien wilde ik hem wel missen. Ik hijs de rugzak wat hoger en begin vol goede moed aan een lange tocht.

.

Ik ga langs het kanaal.
Meerkoeten en eenden staan samen
op de smeltende ijsplaat

Het water,
een bevroren vlakte
waar tot voor kort de schepen
moedig scheurend voortgingen
krakende schotsen opzij duwend.

De koude vrieslucht ademt ijs
en zo vriest de vaargeul dicht.

Nu laat het water zich verleiden
door de warme lentelucht
en smelt onder poten van vogels
tot kleine golfjes in het late licht

De smeltweg als een toeverlaat
als een kronkelende beek
die zelf zijn richting kiest met
meerkoeten, spetterend en kwetterend
ver van de rechte oever
de strakke streep van het kanaal

Kon het maar altijd zo zijn
kronkelend los van gelikte lijnen.
Dat alles zijn liefste loop kon vinden

Ik droom en loop
in veel te warme winterjas
voort, op weg naar huis.

.

.

Laat ze nog eenmaal hun carnaval vieren

.

.

De Friezen die al zolang wachten. Laten ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de Dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

Ik ben nog steeds in Brabant. Mijn wooncocon staat op wielen, daarom kan ik er makkelijk voor kiezen om weg te gaan. Toch denk ik goed over die keus na. Het is bijzonder dat het nu gaat gebeuren, na vijf en een half jaar op deze minicamping te hebben gewoond en gewerkt. Nog even geduld en dan is het zover. Dan zetten we hem op een trailer, die mij en mijn huisje naar Friesland zal brengen.
Terwijl ik denk aan de verhuizing, kijk ik naar buiten. Ik kijk naar de plassen in het zand, zand, waar alles zo makkelijk op groeit. Het makkelijke, losse zand heeft de vanzelfsprekende gezelligheid van een tuin die al heel snel bloeit. Maar nu bloeit er niks. Het heeft de hele ochtend hard gewaaid. Ik open de twee bovendeuren en zie donkere wolken wegdrijven. De wind is gaan liggen. Ik open nu ook de onderdeuren en trek mijn terreinlaarzen onder het bordes uit en doe ze aan. Ik wil fietsen en rondkijken. Nu ben ik nog hier. Nu kan het. Ik struin door de plassen en pak mijn grote Gazelle uit het fietsenhok. Ik fiets door het natte land en rijd door de dorpen.

Nog nooit zag ik het, voor ik hier kwam, de stijgende opwinding van het Carnaval. Al weken prijken olijke namen bij de grens van ieder dorp, de Stopnaolden, de Durdauwers, de Tuutefluiters… Soms leg ik mijn oor te luisteren bij een passant en hoor de verhalen. Alles draait om Carnaval. Een ieder zet zich in, elk jaar opnieuw. De golf van gekheid is niet te houden. Het is een golf die groeit met de dag, tot hij schuimend en bruisend valt. Dan is er een tijdje rust, tot dat alles zich opnieuw verzamelt en dan begint het weer van voren af aan.
Straks fiets ik hier opnieuw, onder de kraakheldere hemel van februari, als het feest voorbij is. Dan rijd ik in het prille ochtendlicht over ditzelfde bospad naar Diessen en zie daar weer die verloren damesslip, vlakbij dat bankje…

Dat is wat, zo’n feest waar iedereen naar uit ziet! Dat hebben ze in Friesland niet. Of wel?

Friesland, ik ken het wel een beetje. Er vlak bij ben ik geboren. Vanuit de poldertoren kon je het bijna zien liggen. Van Emmeloord naar Lemmer is niet zo ver. We gingen er wel eens kamperen. Het land was net zo vlak als onze polder, maar tegelijkertijd was het heel anders. Ik zag de geschiedenis van de sloten, de graspollen die ruiger groeiden dan de onze, de kronkelige waterlopen. Bij ons was alles recht en monotoon. Ik hield van de klei, van het zoete en zoute water van het oude land, meer dan van het land waar ik geboren was. Ik ken de klank van hun taal. Ik weet ook dat ze wachten. Daar zijn ze keigoed in en niet alleen de boeren, die hun oogst uit de trage klei willen halen. Er is méér waarop ze wachten. Wachten maakt kracht, kracht, om te gáán. Hun Friese verlangen gaat uit naar één ding.

“Het carnaval van het noorden”

De Friezen wachten jaar naar jaar en soms, ineens, dan is het er. In 1986 en in 1997 gaan de schaatsen uit het vet. Een bonte mengeling van mensen krioelt op pleinen in dorpen, naar de bruggen, op weg in een stroom naar vaarten en meren. De tocht leidt door dorpen, elf in getal. De Tocht der tochten is een gekkenhuis. Kapotte knieën, blauwe tenen, gebroken kaken en/of benen, werkelijk niets houdt de Friezen tegen. Het is nu of nooit.

Maar het wachten duurt steeds langer. Wordt hun liefste wens nog ooit vervuld? Als de wereld dan toch warmer wordt, dan gun ik de Friezen het poolijs dat wegdrijft in de oceaan.
Laat het zijn weg naar Friesland vinden, laat het hun meren en sloten bevriezen tot het hardste en gladste ijs wat er is. Laat ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar dan bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

.

.

Marjolein van ’t Spoorhuis in Utrecht stuurde mij deze link. De jaren zestig waren rebels en bevrijdend. Niet alleen in Amsterdam waaide deze tijdgeest, ook in Tilburg met carnaval.

.

.

Kleine enquête

Ik fietste rond in de omgeving van Brabant waar ik woon. Ik stelde een aantal mensen de volgende vraag. “Doet u mee met carnaval?” Soms ontstond er een lang gesprek. Dit is een korte weergave.

Haghorst, jonge twintiger: Geweldig, we leven er naar toe en al mijn vrienden doen mee.
Haghorst, man veertiger: Ik ga er wel even heen, maar niet vol ertegenaan.
Haghorst, twee zestigers: Carnaval is voor de jeugd. Wij passen wel op de kleintjes.

Meisje onderweg, twintiger: Ik woon in een klein dorp bij de Belgische grens. Ik ga altijd met een groepje. Bij ons doet het hele dorp mee, alleen mensen boven de zestig doen het wat rustiger aan. Maar ze komen wel meegenieten van de optocht.
Ik studeerde in ‘s Hertogenbosch, daar was de hele stad ook één groot feest met carnaval.

Moergestel, man vijftiger: Ik ga er nog wel even heen! Hier wordt carnaval echt gevierd! Er zijn wel vier carnavalsverenigingen, allemaal met eigen pronkwagens, kleding en hun prinsen. Ik denk dat carnaval hier nooit zal verdwijnen.

Moergestel, vrouw van de kledingwinkel, zestiger: Toen ik kinderen had van 10 en 11 ongeveer, toen was het geweldig, al die moeders met hun kinderen waren er. Dat was zo gezellig! Maar we deden niet de volle vijf dagen mee, dat was te lang voor de kinderen en voor ons. Het is vooral de jeugd die doorgaat van begin tot eind. Steeds meer ouderen geven hun geld liever uit aan wintersport dan aan bier met carnaval. Er zijn nog wel ouderen die wel graag zouden willen, maar die hebben dan niemand meer om mee te gaan.
Carnaval gebeurt hier vooral in zalen en op pleinen. In Weert is het nog echt op straat. Als je carnaval wil beleven, moet je daar naar toe!

Ik denk dat ik het doe ook! Ik heb nu de kans nog.