Lekker zelf doen

.

.

Automatisch automatiseren is het einde van de creativiteit. Dat doen we dus lekker niet.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Ja, het is zo ver. Eindelijk kan ik weer naar de markt. Ik had met mezelf afgesproken dat eerst het plantwerk af moest zijn, voor ik er weer op uit ging. Bomen moeten de grond in vóór 1 april. Dat is de regel. Dit is zo ongeveer het moment dat de sapstroom op gang komt. Dan kun je ze beter met rust laten. Hier in het koude, winderige Friesland begint het wat later. Hoe dan ook, ik wilde ze op tijd planten. Als ik te laat ben, dan groeien ze het eerste jaar niet. Gelukkig zitten ze nu allemaal in de grond en om het te vieren ga ik vandaag naar de markt in Leeuwarden.

Ik loop met een rugzak en twee canvas tassen het station uit. De markt is vlakbij. Het eerst ga ik naar Leen, biologische kaasboer. Van ver zie ik dat hij een bril op heeft. Dat is nieuw voor me. “Ha!” begroet ik hem. En dan “Ik ben een tijd niet geweest…” Hij kijkt me geduldig en wat lijdzaam aan. “Ja…..máár…….???” Ik lach. “Nee hoor, niks geen gemaar. Ik was bomen aan het planten.” Zijn gezicht klaart ogenblikkelijk op. “O! Dat is mooi. Wat voor bomen?” Ik noem ze op. Elzen, wilgensoorten, hazelaars, meidoorns, sleedoorn, wilde lijsterbes, krent, gele kornoelje, gelderse roos, vlier. “Maar dat zijn vooral struiken!” “Dat klopt”, zeg ik. “Dat is ook de bedoeling. Bosjes, dichte bosjes moeten het worden met veel bloesems.” Ik ben even stil, voor ik verder praat. “Maar ik heb misschien iets stoms gedaan. Ik heb geautomatiseerd. Zonder erbij na te denken heb ik een watervlotje gekocht op internet. Een drijvend zonnepaneel met een pompje. Voor in de sloot. Was dat nou nodig geweest? Met een juk en twee emmers kan ik ook water geven. Ik kan er één laten maken nota bene, door een vriend. Die heeft dat vaker gedaan.” Hij denkt even na. “Ja dat is leuk! En je kan ook gewoon een extra sloot graven, langs de hele lengte van je land.” O ja, bedenk ik me. Daar had Jeroen de greppelkenner het ook al over. Een greppel erbij. Of een kronkelsloot. “Misschien doe ik het wel allemaal” zeg ik tegen Leen, “Het watervlot, de greppel, het juk. Niet alles automatisch.”

Leen kijkt peinzend in de verte. “Ik ken dat. Er zijn genoeg boeren die volledig zijn geautomatiseerd. Ik doe dat niet. Ik blijf kleinschalig, met mijn twintig koeien. Ik verwerk de melk tot kaas, doe alles zelf en verkoop het hier op de markt. Daar red ik het mee. Een boer met een gezin zou aan veertig koeien genoeg hebben, op die manier.” Ik kijk naar zijn kaas in de vitrine. Het is lekkere kaas, en er zit geen plasticlaagje overheen. Je hoeft er niks af te peuteren. “Voor elke boer met tweehonderd koeien zitten er dus vier mensen in de bijstand,” besluit hij zijn verhaal. Ik tel na, veertig keer vijf is tweehonderd. Tweehonderd koeien. Meer mensen aan de kant. Dat is het gevolg van almaar groter en verder gaande automatisering. “Wat jammer,” zeg ik.”Wat is er mis met mooi handwerk? Ik denk dat veel mensen er niet zelf over na denken. Net zoals ik, met mijn watervlotje. Ja, het is een mooi ding, al geeft hij maar vier liter per minuut. Het is mooie techniek, dat vindt iedereen. Maar een handgemaakt houten juk is ook mooi. En een extra greppel geeft weer niet alleen water, maar ook meer beestjes en planten, die willen drinken, zwemmen, of van nattigheid houden. Dat is nog veel mooier. Het geeft zoveel te zien! Ja er kan veel meer, als je creatief nadenkt. En nu we het er toch over hebben, ik kan natuurlijk ook een middeleeuwse putstoel bouwen.” Leen kijkt me vragend aan. “Een putstoel?”

.

.

“Ja! Een vierkante houten toren met bovenaan een plateau. Daar hijs je de emmer het hele eind uit het water en dat gooi je in een goot. Zo ging het in de stad, bij bierbrouwerijen. Het water liep rechtstreeks door het raam de ketel in. Zo’n goot, dat was de voorganger van de tuinslang. Maar hier op het land kan het ook. Dan laat ik het vanuit de goot in een vijver stromen en vanuit de vijver in de greppel. En dan watervalletjes maken. Het watervlot past daar ook prima bij. Ik kan het allemáál wel doen. Het zal even duren, maar ik ben handig zat.” Enthousiast kijk ik hem aan. Dan kijk ik polsend opzij. Naast me staat een vrouw al een tijdje geduldig in haar tas te rommelen. Ik moest maar eens kaas gaan kopen. Leen grijnst en volgt mijn blik naar de vitrine. “Welke wil je?” Ik wijs. “Die! De jouwe! Een heel groot stuk.” Leen pakt het grote mes, en snijdt een flink stuk van de warmgele, romige kaas. Zelfgemaakt en de allerlekkerste. Ja, Nederland heeft meer boeren nodig. Boeren zoals Leen. Mensen die het lekker zelf doen en daar wat moois van maken.

.

.

.

.

.

.

Ontdekkingsreis

.

.

Dit is het derde deel van een verhaal met een tijdsbestek van één dag.

De jongen kijkt me stralend aan. “Een vlot? Ik heb in mijn jeugd niets anders gedaan dan vlotten bouwen! Het ene na het andere.”

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

De plattegrond van de oude fabriek is afgebeeld met witte lijnen op een donkerbruine ondergrond. Er staat een lange lijst namen op. Er is een houtbewerker en een schepenstalling. Een geluidstudio voor bandjes en nog veel meer. Wie had dat gedacht van een gehucht als It Wiel! Rustig lees ik de hele lijst, van begin tot einde. Ertussenin zie ik de naam van de muzikant Sytze Pruiksma. Die ken ik. Het is de man van Nynke Laverman, de Friese zangeres, die bekend geworden is van haar Friese Fado’s. Dat zijn eigenlijk een soort van Portugese smartlappen, maar in haar Friese taal klinkt het prachtig en ze zingt het heel doorleefd. Zouden zij hier dan ook wonen? Ik doe een paar stappen opzij en kijk om het hoekje. Een paar kleine huisjes leunen met hun achterwand tegen de fabriek. Het lijken wel voormalige arbeiderswoningen. Om de huisjes en de fabriek heen ligt het eindeloze weidelandschap. De lucht is blauw met wolkjes. Alles ademt ruimte.

Ik loop over de kleine straat die aan de groene vlakte grenst. Na twee huisjes al kan ik de hoek om. Er zitten mensen op een piepklein terrasje aan een houten tafel. Ik herken ze, Nynke en Sytze. Pasgeleden nog heb ik ze voor het eerst gehoord bij een heel kleinschalig optreden. De eerste na corona, voor mij. Alleen dat al was ontroerend. Het lied maakte dat nog erger. “Ancestor” zong ze. Een heftig lied. Ze praat met mensen die zullen leven over honderd, tweehonderd jaar. Op haar website citeert ze de eerste zinnen: ‘Luister, dit is jullie voorouder, heb je twee minuutjes voor mij? Ik moet jullie iets vertellen’. Het was lang geleden dat ik met tranen in de ogen naar een lied luisterde. Ik vraag me af hoe het moet zijn om dit keer op keer te zingen. Dat lijkt me zwaar. Net een rouwproces. En nu zit ze daar, aan de houten buitentafel. Ze zijn met zijn drieën.

“Hoi!” zeg ik en schuif mijn grijze wollen pet naar achteren. “Heee” zegt Nynke. “Jij hier! We komen nog een keer bij je langs hè… maar nu ben jij híer!” Haar blik is ernstig en geconcentreerd. Kennelijk waren ze iets aan het doen. Haar man begroet me met een glimlach. Ik kijk om me heen, het oude fabrieksgebouw aan de ene kant, het oude weidelandschap aan de andere. “Wat een bijzondere plek is dit!” zeg ik. Er zit ook een blonde jongen aan tafel en er ligt papier en schrijfgerei. “Ja, dit is een mooie stekkie. We wonen hier graag. We waren aan het vergaderen. Het is lekker weer om het buiten te doen, niet te warm, niet te koud.” Ik zou best meer willen weten, waar vergaderen ze over, wie is de blonde jongen, hoe leven ze hier. Maar ik zeg natuurlijk niks. “Staat er ook een piano in de geluidsstudio?” vraag ik alleen. “Nee,” zegt Sytze. “De studio wordt gebruikt door hardrockbands. Er staat alleen een elektrische. Bij mij staat er wél een.” Zijn ogen twinkelen. “Jammer,”zeg ik. Sytze knikt begrijpend. Ik wens ze een fijne dag en loop verder.

Al snel kom ik bij een hal die openstaat. Ik zie steigerdelen liggen en ruige meubelen staan, die daar kennelijk van gemaakt worden. Een jongen met een blozend gezicht houdt op met wat hij aan het doen was en kijkt me vriendelijk aan. “Kom maar binnen hoor.” Ik loop hem tegemoet en kijk naar het hout. We maken kennis en hebben een kort gesprek over corona. Tot ik er een einde aan maak, met een praktische vraag: “Verkoop je die ook los?” Ik wijs naar de stapel steigerdelen die naast me op het beton ligt. “Ik wil een vlot maken, om de Zwette over te steken met een fiets.” Ik speel al een tijdje met het idee. Het begon heel idealitisch. Een pontje voor de buurt, zodat ons dooie eind levendiger kon worden. Nu denk ik, laat dat idealistische maar even. Ik doe het gewoon omdat ik het leuk vind. Lekker simpel, geen gedoe. Die steigerdelen zijn mooi dik en lang. Ik kan ze in passende delen zagen. Even kijken hoe… Ik kijk op. De jongen kijkt me stralend aan. “Een vlot? Ik heb in mijn jeugd niets anders gedaan dan vlotten bouwen! Het ene na het andere.” Ik grijns hem toe. “Dat was zeker het begin van je carrière?” Ik kijk hem aan, eigenlijk nog steeds verbaasd. Daar staat hij dan, een deskundige voor mijn plan. En zo dicht in de buurt! Ik kijk opnieuw naar de stapel steigerdelen. “Wat kosten ze?”

Hij denkt met me mee en het plan is snel gemaakt. Het hout is er. Nu de drijvers nog. Om de hoek zit de baas van het terrein, zegt de meubelmaker. Hij heeft vaten, kleine en grote. Die kan ik er onder binden. Nieuwsgierig loop ik een stukje door en daar staat hij, de baas. De vaten zijn groot en blauw. Na een kort gesprek is alles in kannen en kruiken. Binnenkort kom ik langs met mijn fietskar om alles één voor één mee te nemen.

En zo ga ik weer verder. Ik ontmoet de één na de ander. De dag, die zo somber begon, is er een vol verrassingen geworden. Ik kan weer uit de voeten. En alleen maar door een heel klein straatje in te gaan.

.

.

.

.

.

.

.

PS Dat ik met het vlot begin gewoon omdat ik het leuk vind, betekent niet dat ik straks niemand uitnodig om ook over te varen.

.

Een kleine oversteek, een grote onderneming

.

.

Werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit daarin mogelijk is.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Aan één kant van het terrein is geen pad. Er valt niks te maaien, geen grind te storten in de kuilen, niks van dat alles. Het is de kant van het water. Het riviertje de Zwette is het enige wat nog is overgebleven van de Middelzee. Wat mooi moet dat zijn geweest, al dat water, dat vrijelijk in en uit stroomde langs kwelderruggen vol watervogels. Dat is al lang geleden. Het is het landschap dat mij kippenvel bezorgt, alleen al bij de gedachte. Álles is nu anders. Het land is zakelijk en groen geworden, met functionele rechte wegen. De Zwette doorbreekt die starheid, het water glinstert speels in de wind. Maar het heeft ook een taak, het is heel belangrijk voor de afwatering. Zonder Zwette stonden de weilanden regelmatig onder water. Verschillende gemalen moeten goed hun werk doen om dat te voorkomen. Een brede strook riet omzoomt de waterweg. Linksaf ga ik naar Leeuwarden, rechtsaf kan ik naar Sneek. Er is geen brug naar de overkant. Wel zijn er twee bootjes, voor privégebruik. Toch wordt daar nog al eens over geboomd. Kunnen we geen verbinding maken?

“Ik wil dat pontje gaan maken,” zeg ik tegen de boer. Hij staat in de deur van de schuur en een zwaluw scheert rakelings langs zijn hoofd. “Je hebt het er wel eens over gehad. Het lijkt me een mooi project.” zeg ik. Het gezicht van Jochum klaart op. “Ah goedzo. Mooi. Maar wel helemaal aan het einde hè, ik wil al die mensen niet langs de boerderij hebben lopen.” Ik knik opgewekt. “Ja, ik wil er een bel bijhangen. Daarmee kunnen ze me roepen, de mensen. En dan…” ik wil verder gaan, maar ik zie een frons op zijn gezicht. De beste man heeft hier al vaak over nagedacht, dat is duidelijk.“Een bel?” barst hij los “Dat er een vrouw aan te pas moet komen om over te steken? Neeeee dat is toch niks!” Vastbesloten kijk ik hem aan. “Als ik er geen rol in kan spelen, dan doe ik het niet.” Zijn gezicht ontspant en hij denkt even na. “Het is mooi als de mensen het zelf kunnen doen zie je, dat oversteken. Maar jij zal er toch wel een rol in kunnen spelen, op één of andere manier?” Opgelucht ga ik verder. “Dat denk ik ook. En weet je, klein beginnen is denk ik toch het beste. Niet meteen een aanvraag doen voor een officiële pont met een lier. Eerst gewoon die bel, en roeien ofzo. Daarna kunnen we altijd verder zien, als het een succes is. Ik denk over een brede steiger met een bank en liedjes erbij. En mensen kunnen er hun verhaal vertellen, wie weet wat er uit voortkomt.” Hij glimlacht en knikt. “Dat lijkt me wel een goed begin. Je hebt gelijk.Voor zo’n aanvraag erdoor is bij de gemeente, dat duurt jaren.”

En zo komt er aan een dood punt misschien een einde. Al gaat het niet zomaar. Eerst moet ik een goed ponton vinden. Dan ga ik nadenken over de voortstuwing die ik erop maak. Ik wil het vaartuig karakter geven met een stalen kunstwerk. Daarvoor moet ik leren lassen. En langs de oever moet het riet worden gemaaid. Er moeten gaten in de grond worden geboord voor palen. Daar op gaan we de steiger bouwen met een klein terras. Als dat alles klaar is, zullen er mensen oversteken die stekken en boompjes meenemen. Die zijn voor het Verhalenpad. Met elkaar zullen we meer en meer leven in het land brengen en onze wandelpaden onderhouden, tussen stukken onbetreden aarde door. We zullen zien hoe het er wemelt van beestjes en insecten en plantjes. Langzaam groeit het beeld in mijn gedachten. En ik weet: Dit gaat lang duren.

Terwijl het tot me doordringt hoeveel werk het is, wil ik vluchten. Hoe lang wil ik al het kustpad bewandelen in Engeland? Bergen beklimmen in Oostenrijk of Roemenië? De zee op te gaan in met een oud zeilschip, de oversteek maken en kroegen bezoeken in Ierland, meezingen met de liederen die ik ken. De ontdekkingsreiziger in mij roept. Ik haal diep adem. “Nee,” zeg ik tegen de grenzen verkennende avonturier in mezelf. Niet nu. Ik wil werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit mogelijk is. Dat vraagt om een lange adem. Tegelijkertijd is het de kunst om te genieten van wat er al is. Er is niets dat haast heeft. Er is tijd. En verrassingen zijn niet onmogelijk. Net als je denkt dat het nog heel lang gaat duren, gaat het soms ineens heel snel.

.

De hemel is altijd grenzeloos

.

Het water in de Zwette glinstert in het late licht. Het water stroom altijd door, naar Sneek, naar de Waddenzee, de hele aarde over. Alles staat in verbinding. Ook al sta ik als een wilg, stil te kijken langs de kant. Ooit ga ik mee, met het water. Als het werk gedaan is en de wereld zich opnieuw opent.

.

.

Rectificatie: Vroeger was de Zwette een riviertje, voor de loop werd aangepast. Nu heet het een trekvaart. De Zwette (officieel in het Fries: De Swette) of Sneekertrekvaart is de waterverbinding tussen Sneek en Leeuwarden. De vaart maakt deel uit van de Elfstedentocht. De Zwette vormt de grens tussen Oostergo en Westergo. Van de naam wordt aangenomen dat ‘zwet’ of ‘zwette’ een ander woord voor grens is. In het Oudfries betekent ‘zwet’ “zoet” wat in die hoedanigheid gebruikt kan zijn om de verandering, van de ooit zoute Middelzee, naar zoete rivier de Zwette ‘de zoete’ aan te geven. De Zwette loopt ongeveer in het midden van de kwelderwallen van de oude Middelzee. Na het dichtslibben van de Middelzee had de Zwette vooral een functie als afwaterings- en grenssloot. In latere tijden is de loop aangepast en gebruikt als trekvaart tussen Sneek en Leeuwarden. De kwelderwallen zijn te herkennen aan hun hogere ligging in het landschap.

.

.

Luisterend naar bomen en boeren

.

.

Liever klein en bedachtzaam, dan groots en meeslepend. Dat is wat de bomen me zeggen. En ook de winterkoning. (Klik op de knop onder de tekst voor de luisterversie van het verhaal.)

.

Het is 22 mei. Er waait een stevige bries en een windvlaag doet mijn kleine huis heen en weer schudden. Het geïmproviseerde windscherm doet zijn werk, het dikke transparante zeil houdt het prima. Een winterkoning heeft mijn plekje ook gevonden. Hij vergezelt me dagelijks, en heeft er zijn nest in gebouwd. Het is mooi verscholen onder een overstekend stuk zeil, op de schutting van pallets en riet. Een rond huisje van gras en mos, met een perfect rond gaatje erin, waar hij precies doorheen past. Heftige rukwinden brengen het niet van zijn plek. Ik hielp met het fundament. Met takken en latjes slepen, daar komt immers een reus aan te pas. Ik kijk er steeds naar. Maar nu zie ik de kleine vogel niet. Is hij er wel? Japie? Ik heb het beestje maar een naam gegeven. Ik kijk en kijk. Het wordt schemerig, de wind gaat liggen. Dan komt Japie ineens naar buiten. Hij duikt onder de wagen om vliegjes te vangen.

Het is één van de verhalen, die groeien wanneer je neerstrijkt. Het verhaal van deze plek krijgt steeds meer kleuren en facetten. Als ik uit het raam kijk zie ik wuivend gras met donkere pluimen. De boterbloemen schitteren als kleine sterren. Langs het Swettepad staan de kerspruimen, die ik plantte. Ik kijk naar ze en zorg ervoor. Als ik het niet doe, doet niemand het. Er komt een maaimachine die ze om maait voor ze groot zijn. Of iemand zet er een caravan tegen aan. Zolang ik waak gaat het meestal goed. Ik kijk of ze niet te nat staan en hoe ze groeien. Ik graaf een gat voor wateropvang. Ik probeer ze niet te vaak te verplanten. Ook wanneer de boer erom vraagt, leg ik geduldig uit waarom dat volgens mij niet verstandig is. Elke boom groeit anders. Ook bomen van dezelfde soort.

De kerspruimen die van begin af aan in de wind staan, groeien recht omhoog, de takken dicht tegen zich aan, om zo min mogelijk wind te vangen. Anderen staan onder hoge wilgen en groeien juist ver één kant op met hun takken, zo snel mogelijk naar het licht toe. Hier ben ik geworteld, hier moet ik het mee doen. Dat is de instelling van de boom. Doorgaan met wat je doet, op de plek waar je voeten in aarde hebt gevonden.

In 2019 begon hier mijn reis. Ik beschreef het in het boek: “Langs kantelende wegen.” En hier ben ik terug gekeerd. Terug bij mijn bomen. Zij zijn het, die me vertellen wat wijs is. Geworteld en licht tegelijk. Licht, met knoppen die voorzichtig ontluiken, in de kille lente van het Noorden.

Het planten gaat door. Ook dit jaar heb ik er velen in de grond gezet, langs het Verhalenpad. Nu de bomen zijn geplant ga ik weer op pad. Niet met het huis. Het zou zonde zijn om de winterkoning zijn nest te vernielen. Het zou zonde zijn van al het gedoe en de energie. Ik zou niet eens wegkomen, want het veld is nog altijd modderig. Nee, ik ga maar een heel klein stukje, een dagtocht. In het verlengde van mijn Verhalenpad loopt mijn pad natuurlijk door. De weg leidt langs de route die ik tijdens mijn reis maakte. Ik kwam in Weidum en Hûns. Ik kwam bij de boerderij van Auke en Rennie. “Op de Him,” heet de plek. De biologische veeboer. Daar wil ik nu weer heen. Ik wil melk kopen in hun boerderijwinkel. Ik heb nooit meer iets van ze gehoord en ben benieuwd hoe het gaat. Ik kijk op de kaart, wat de beste route is. Zonder Wandelhuis kan ik ook het voetpad langs de vaart nemen. Dan kom ik precies uit bij boer Auke. Het is wel negen kilometer. En dan weer terug!

Net zoals de bomen een verhaal vertellen van de plek waar ze staan, zo zijn deze mensen. Hun wortels gaan diep. Boer Jochum heeft zijn verhaal. Ook de jonge boer Sjoerd en boer Auke zijn verbonden met hun land. Bomen en deze boeren, ze boeien me beide. Nu ik geworteld ben, voel ik me lichtvoetiger. Ik ben niet gehinderd door mijn opvallende sleurhut, lege accu’s of scheve wegen. Ik ben niet opgehouden door kijkers, passanten of een boek dat ik ondertussen schrijf. Ik kan beter mijn ritme aanhouden en bij mezelf blijven. Dat zint me. Liever klein en doordacht, dan groots en meeslepend. Ik denk aan de bomen. Blijf waar je bent en vind daar je weg. Dat is wat ze me zeggen. En de winterkoning zegt het ook. Ik denk aan ze. Steeds weer.

.

Bodem voor scheppingskracht (2)

.

Deze tekening komt uit het boek: Langs kantelende wegen. Te bestellen bij Uitgeverij Louise. (Zie bericht in de kantlijn.)

.

.

Hoe plant je een levensboom? Het zoekt naar de juiste omstandigheden. Water wil de boom. Water speelt en verandert steeds van vorm. Het vloeit, het spat en het verdampt in de lucht, om neer te regenen op de zachte verende aarde. De wortels zuigen het op als een spons en de knoppen beginnen te ontkiemen. Alles groeit en groeit.

Een boom wordt oud, valt neer, vergaat. Talloze beestjes helpen verteren. Schimmels doordringen het. Zaad ontkiemt. De jonge loot groeit op, langzaam maar zeker.

Ik was die jonge loot, stil en onwennig zocht ik mijn weg. Mijn wortels zochten naar voeding en water in een bodem die steeds droger werd. Dieper gingen mijn wortels, dieper zocht ik naar water. Eigenheid groeit. Dan is er het moment dat de boom met zijn kruin boven het bos uitsteekt. Het is een wonderlijk moment. Vanuit de ongeziene schaduw van de bodem, komt er steeds meer naar je toe.

Het begint in Utrecht, in de werfkelder met de rondvaarboten. Ik ben met mijn man Michiel. Samen zitten we achter de ploffende motor die kringetjes blaast. Ik bloei op. Na zeven jaar sterft hij, als een oude boom stort hij ter aarde en vormt mijn levensbodem. De rouw is moeilijk maar leert mij veel. Zo kan ik groeien, als een jonge loot met sterke stam. Steeds meer mensen weten me te vinden, met mijn authentieke rondvaartboot. Als ik uit Utrecht vertrek laat ik dat in de krant zetten.

.

“Kathedrale schaduw”, gedicht van Ingmar Heijtze.

.

Ik verhuis naar een camping in Brabant. Voor mij breekt een nieuw tijdperk aan. Het verleden is verwerkt en getransformeerd tot een bodem die me welkom heet. Ik zit boordevol creatieve energie. Ik houd een wekelijks blog bij en maak filmpjes. Een redactielid van tijdschrift Genoeg leest het en komt langs. Scherp stelt ze haar vragen en schrijft een diepgaand artikel over afscheid en ontspullen. Als ze weggaat ben ik doodmoe. Het is klaar, het is zó helemaal klaar! Alles in mijn snakt naar nieuw leven. Het nieuwe leven komt, en krijgt vorm als een huis op wielen. Ik begin met ontwerpen. Petry Gamers ziet er een uniek verhaal in, komt langs en maakt een portret van me voor Omroep Brabant.

Ik bouw drie jaar elke dag, tot het af is. Het voltooien van dit kleine meesterwerk is voor mij een paspoort om verder te kunnen. In 2018 word ik uitgenodigd in Friesland en dus verhuis ik. In 2019 ben ik op tv te zien bij Dennis en de Vrije Geesten.

In diezelfde tijd ga ik op pad. Drie maanden lang trek ik met mijn Wandelhuis van de ene plek naar de andere. Mijn weg leidt door het Noorden van Friesland. Als ik uiteindelijk neerstrijk, heb ik honderdvijftig pagina’s volgeschreven met ervaringen en ontmoetingen. Het is meer dan zat om verder te kunnen. Ik trek me helemaal terug. Een jaar lang schrijf ik aan een boek, dat uiteindelijk gepubliceerd wordt door Uitgeverij Louise. Op de kaft staat een vrouw, wandelend op de weg. Ze trekt haar huis achter zich aan en de lucht erboven is blauw. Die vrouw, dat ben ik. Was ik.

Als de kruin boven het bos uitsteekt gebeurt er veel. Authenticiteit trekt aandacht. Koen Derksen komt langs, om me te filmen voor zijn Tiny House serie op You Tube. “Ik loop met mijn huis,” heet het. Ongeveer tegelijk met de boekpresentatie, pas op 1 november 2020, is het online gezet. Ik maak er helemaal de blits mee! In drie maanden tijd is het 235.000 keer bekeken. Ik moet lachen. Lopen met mijn huis doe ik nu al maanden niet meer! Zo langzamerhand groeit mijn verhaal uit tot een mythe. Het verhaal vormt een spoor van verbeelding, dat een eigen leven leidt. Ik kijk ernaar en laat het voor wat het is. Laat ze maar denken dat er ergens een vrouw is, die eindeloos onder blauwe luchten loopt met een sprookjeswagen.

Na de boekpresentatie van“Langs kantelende wegen”, komen de interviews. De Leeuwarder Courant komt langs en ook het Fries Dagblad is er al snel bij. Lex Bohlmeijer komt me interviewen voor de Correspondent en dat levert opnieuw duizenden luisteraars op.

“Je wordt beroemd!” zegt een verre buurvrouw uit het dorp. Ik haal mijn wenkbrauwen op.“Dat hoeft niet voor mij hoor. Ik hoor het graag wanneer iemand wordt geraakt door wat ik laat zien. Daar geniet ik van met volle teugen. Maar tegelijkertijd ben ik wel blij dat ik zo achteraf woon, aan een zompig blubberpad”. De vrouw kijkt me helder aan met haar blauwe ogen. “Waarom?”

Ik kijk naar de wuivende kruinen van de wilgen langs het pad en geef antwoord. “Het is dat ik in alle rust zelf kan kiezen”.

Laat vertelde verhalen maar waaien, ze vinden hun weg wel. Ik sta hier, als gewortelde nomade. Ik kijk stil om me heen. Er groeit een nieuwe levensboom.

.

.

.

Een zacht en sterk geheim

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  8,5 minuut..

Terug op de camping in Bears. Er gebeurt veel wat onrust brengt. Overal. Er zijn vragen en onzekerheden. Wat kan ik het beste doen, vraag ik me af. Het antwoord komt direct. Laat het zijn en kijk naar wat er wèl is. Hier en nu. Op de plek waar ik ben aangekomen. Hoe klein het ook mag zijn. Leven! Het is een zacht en sterk geheim. En nooit zullen we de potentie van haar kracht ten volle kennen.

Ik sta voor mijn kleine huis en kijk uit over het glooiende weiland. Wat een ruimte! Het is als een heerlijke zee. Toch weet ik, het kan van het ene moment op het andere veranderen in een heksenketel. De wind kan genadeloos zijn. En toch sta ik hier. De lucht is grijs en herfstig. Er waait een vochtige bries. Het riet langs de sloten buigt zachtjes heen en weer in de wind. Maar ik weet hoe het ook kan zijn. Hoe het wild heen en weer kan slaan. Dagenlang wild geruis om het huis. Het rukken en trekken, het geklapper van alles wat los zit. Een achteloos neergezette fles valt op de grond. Oordopjes in, voor de focus, als ik wil schrijven. Ja, ik werd er moe van, vorig jaar. Daarom vertrok ik naar het Zuiden van Friesland en bracht in Rotstergaast de winter door, werkend aan mijn boek. En nu ben ik teruggekomen. Toch. Ik verken deze ruimte, deze grond.

Ik zie een torenvalk en eksters. Ik zie reigers en kievieten. Wulpen foerageren in de verte, op het kale akkerland. Waarschijnlijk zijn ze op doorreis. De vertrouwde mezen zijn uit het zicht. Waarschijnlijk zitten ze in de oude wilg. Ik loop erheen over het natte gras, de onverharde weg over. Het is een boeiende plek. De jungle van takken vormt een vertrouwd beeld, langs het riviertje de Zwette. De Schietwilg is een kolossale boom. De stam is van binnen weggerot. De kruin is als een drie-armige ster uiteengevallen. Zijn dikke takken liggen op de grond en groeien op verrassende wijze verder. Jonge scheuten schieten om het hardst omhoog, met het doel om als eerste het licht te bereiken. Het zijn al hele bomen. Het vormt een klein en wonderlijk woud, waarin allerlei dieren een thuis vinden. Ik loop verder en wil onder de boom kijken. Een tak zit in de weg en ik duw hem opzij. Zodra ik loslaat, zie ik dat mijn hand rood is. Het zijn platgedrukte luizen. Nu zie ik ze ook zitten. Alle takken zitten er vol mee. Ik veeg mijn hand af aan het natte gras. Vanuit mijn ooghoek zie ik iets bewegen en ik kijk op. Ergens tussen het blad fladdert een pimpelmees. Ja, die lusten wel luizen. En de lieveheersbeestjes houden er ook van. Ik raak steeds meer onder de indruk. Wat een boel eten is er hier. Ik kijk naar de rotte stam. Hij zit vol pissebedden en duizendpoten, stil verborgen in donkere holletjes. Tot een gretige specht het hout uitéén trekt. Wriemelend zoeken de beestjes dekking. Sommige zijn de klos en verdwijnen in de snavel van de bontgekleurde vogel.
De boom is een bron van leven. Wat fijn dat hij gewoon mag blijven liggen. Er is niemand die zegt: die oude boom ruimen we maar eens op. Stel je voor dat er veel meer van zulke plekken zullen komen. Dat we die samen maken. Dat we ze maken door steeds minder te doen, en steeds meer te laten. Totdat alles gaat bewegen, fluiten en piepen.

Ik steek de grindweg weer over, terug naar het veld waar mijn woonwagen staat. Het veld is aan twee kanten begrensd door een rij jonge wilgen. Dat is een begin. Want we kunnen meer bomen planten. Meerdere soorten, met bloesems in hun eigen tijd. Boer Jochum ziet daar wel wat in. Er moet ook meer voedsel komen. Het kunnen bessen zijn en tamme kastanjestruiken met grote noten. Of kruiden, pastinaak en wortelen en pompoen. Als straks de bladeren zijn gevallen, dan kunnen we beginnen met planten. Dat is de tijd dat de wind weer gaat waaien. Ik zal niet vluchten, dit keer. Ik zal hem begroeten als een rumoerige vriend, die wilde Zuidwester. Ik zet een muts op zodat hij niet aan mijn haar kan trekken. Ik zal hem lekker buiten de deur houden en het binnen lekker warm maken. Ik zal lachen om die plaaggeest en kijken hoe ik hem te slim af kan zijn. Ik ga een haag maken en bomen planten. Een schutting van riet. Ik werk. En ik wacht.

En dan komt de lente. De eerste spruiten komen de grond uit. Wilgen gaan bloeien en elzen beginnen te stuiven. Kale takken botten uit en ook de bomen die we plantten. Wat er is, wil groeien. Het is een robuuste kracht, die wacht op het juiste moment. Dat zachte geheim maakt me stil en geduldig. De hele winter lang. Of langer nog. Als het moet.

Nieuws:

Ik mis het wekelijkse schrijven. Het is een creatieve vingeroefening. Vanaf volgende week begin ik weer met mijn oude ritme, elke woensdag iets te publiceren. Soms is er alleen een filmpje of een tekening. Ik ga weer door. Tenzij een onverwachte wending van het lot iets anders beslist.
Het boek ‘Langs kantelende wegen’ komt op 15 oktober van de drukker. Je kunt je nu nog aanmelden bij mij. Na de vijftiende is het te bestellen bij Uitgeverij Louise.

.

Koen Brouwer maakt films over Tiny Houses op You Tube. Vorig jaar was hij bij mij. Het is een grappige, informatieve film geworden, die zo te zien veel mensen inspireert.

.

.

Deze film, ‘Kiss the ground’, is een mooie inspiratiebron.

https://youtu.be/3iknWWKZOUs

.

.

Signaal voor koerswijziging

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

Na een korte vakantie ben ik terug in het dorp vanwaaruit ik een maand geleden vertrokken ben. Het is tijd om weer aan het werk te gaan. Ik ben nog lang niet klaar met het boek, dat er straks komt. Hoe ga ik de presentatie aanpakken? Blijf ik hier, in deze buurt? Het is hier mooi. Het is me bekend, want ik heb hier de hele winter gestaan, achter de heg van Annemarie. Ik sta nu een stuk verderop, in een brede berm. Leuk, maar niet een plek om twee maanden te blijven staan. Maar waar dan wel? Weer bij Annemarie achter de heg? Ik twijfel. Dan sta ik weer zo ingepakt in een hoekje….Dat is meer iets voor de winterstormen. Voor knusse veiligheid als de kachel weer brandt. Ik kijk naar het glimmende raaigras en de vele eikenbomen die langs de weg staan. Ik kijk naar het wuivende riet in de sloot. Het is hier mooi. Wat zal ik doen? Waar ga ik heen? Ik weet het niet.

Dan stopt er opeens een fiets, naast me. Het is een tanige oudere man. Ik schat hem ergens in de zeventig. Ik doe de deur open.
‚Hee, stond jij niet in de krant van Wolvega en omgeving?’ vraagt hij me.
Ik knik uitdrukkingsloos. ‚Ja, dat klopt. Dat was ook de laatste keer dat ik meewerk aan krantenvulling in komkommertijd.’ Hij gaat er niet op in.
‚Heb je nooit problemen onderweg? Zo alleen?’
Ik haal mijn schouders op. ‚Nee hoor, eigenlijk nooit. Als ik maar niet te vaak in de krant kom.’
Hij kijkt me onderzoekend aan. ‚Je heb wèl een goeie kapper. Het is mooi in een coupe geknipt.’
‚Doe ik zelf,’ zeg ik. ‚De wagen heb ik ook zelf gebouwd.’
Hij kijkt me aan met grote ogen. ‚Oh… Ik zie mijn dochter dat al doen. Apart hoor!’
Ik krijg een beetje de kriebels. Dit soort bewondering is niet waar ik naar vis.
‚En is het niet eenzaam, zo helemaal alleen?’ vraagt hij me. Het is dezelfde vraag die altijd terug keert. Ik antwoord dat ik onderweg eigenlijk nooit alleen ben. Er zijn veel gastvrije mensen, die me graag een paar dagen een plek bieden.
Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‚En dan moet je zeker weer weg. Wat een onrust. Wil je niet een vast plekje, bij familie of zo? Mensen vinden je toch een beetje raar, als je jezelf buiten de maatschappij plaatst,’ zegt hij. ‚In je eigen wereldje blijven is toch veel veiliger!’
Ik kijk hem fel aan. ‚Ik sta niet buiten de maatschappij! Ik heb een leven achter me gelaten, en niet voor niets. Ik ben niet zomaar wat aan het zwerven. Ik baan mezelf een weg voor een nieuwe taak. Dat is niet makkelijk. Ik weet ook nog niet hoe het gaat lopen, maar ben vastbesloten mijn rode draad te blijven volgen.’ Nu zie ik even een andere blik op zijn gezicht. Heel even maar. ‚Maar is dit dan de manier om dat te doen? Als mensen je maar raar vinden?’
Ik vertel hoeveel ik geniet van al die goede gesprekken onderweg en hoeveel ik er aan heb. En dat ik vooral blije gezichten zie. Hij kijkt naar zijn voeten. Ik zie dat hij me niet gelooft.
‚Dat lijkt misschien wel zo, maar…..’ Hij slikt zijn woorden in. ‚Maar ík zie wel dat je karakter hebt hoor!’ haast hij zich te zeggen. ‚Jij kan wel wat. Zo’n huisje bouwen. Tjonge. Het is best leuk om met zo’n apart mens te praten.’
Ik kijk hem uitdrukkingsloos aan.
‚Ik begrijp het wel,’ zegt de man snel ‚Ik heb al zoveel mensen leren kennen, en zoveel meegemaakt, daar kan je wel een boek over schrijven. Ik snap het allemaal wel.’
Ik besluit er een einde aan te maken, zonder mijn wrevel te laten blijken.
‚Wilt u nog even binnen kijken?’ vraag ik opgewekt.
‚Neu…..,’ zegt hij. ‚Ik zie je vast nog wel een keer. Kom maar een keer bij ons koffie drinken,’ zegt hij goed bedoelend. Hij vertelt waar zijn huis is. Ik knik vriendelijk. Toch wel aardig dat hij dat zegt. Al kan ik er niks mee.

Hij stapt weer op zijn fiets en rijdt weg over de smalle landweg. Ik kijk hem verbaasd na. Dit is zo’n gesprek waardoor ik me afvraag: Wat doe ik hier? Moet ik niet heel ergens anders zijn op dit moment? Het voelt als tijdverspilling en de enige zin is, dat ik weet dat ik koers moet wijzigen.
Voor mij ligt de weg. Ik kan zo wegrijden. Waar leidt het pad naartoe? Terug naar Annemarie? Nee. Dat is het niet. Straks nadert de herfst. Dan is de boekpresentatie. Daar wil ik iets moois van maken. Daar moet ik nu mee bezig. En ik mag niet langer dralen.

Opeens weet ik het. Het is zo klaar als een klontje. Ik moet terug naar het Noorden. Naar één van de plekken waar het boek over gaat. Alleen dàn gaat het leven, en kan ik er echt iets van gaan maken. De weg gaat verder, daar waar het verhaal zijn wortels heeft.

.

Verboden doorgang naar het Oude Pad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  11,5 minuut.

.

Mijn vouwfiets staat in de hooischuur. Ik loop erheen. De schuur is nu nog leeg, maar dat duurt niet lang meer. Volgende week gaat de boer hooien, en moet ik hier weg zijn. Maar nu geniet ik nog van de gastvrijheid, en van het plekje dat ik op zijn erf heb gekregen. Ik wil net op mijn fiets stappen, wanneer de beste man aan komt lopen. Hij vraagt waar ik heen ga. Ik leg het uit. Ik wil naar het pad dat tegenover de betonblokken ligt, bij de drukke weg. Hij weet meteen wat ik bedoel. ‚Het Oude Houtpad!’ roept hij. Hij wenst me veel plezier.

Ik bind een krukje en mijn tekenblok achterop de fiets. Ik wil die betonblokken vastleggen,  die het Oude Pad van de dorpelingen blokkeert, bij de snelweg. Ik rijd naar het smalle paadje, dat tussen de huizen doorloopt. Het dorp is in een lange sliert aan een weg gebouwd, een lintdorp. Al snel ben ik achter de huizen. Hier ligt een klein weiland. Aan de andere kant van het pad grenst een zonovergoten maisveld, omzoomd door bomen.

Overal zijn bomen in dit land. Het is een totaal ander landschap dan ik tot nog toe ken van Friesland. Dit is het oude veengebied, de rand van het land dat de zee niet meer kon bereiken. In de ijstijd was dit de strook waar gigantische ijsmassa’s al het leven wegveegden, en grote stenen met zich meenam, helemaal uit Scandinavië. Hier vormde zich de Lindevallei, vol dotterbloemen en ratelaars. Later is de Linde gekanaliseerd. Dat bleek funest voor het moerasgebied. Un deze eeuw zijn een aantal meanders weer open gelegd. Op de oevers groeien nu bomen, afgewisseld door groene weiden. Als je iets verder naar het zuiden gaat, ben je er al snel. Het reservaat rond de Linde is niet zo groot als het Drents-Friese Wold. Dat ligt nóg verder, tien kilometer naar het Oosten. Dit bos beslaat wel 6000 ha. Dat is bijzonder. Want Nederland scoort met zijn natuur het slechtst van heel Europa. Toch is dit gebied één van de belangrijkste van ons continent daarom is het een Natura 2000 gebied.

Maar dat weet ik allemaal nog niet, als ik het smalle pad opfiets, op weg naar de verboden doorgang. Ik weet alleen dat ik naar het mooiste paadje ga dat je hier kan vinden. Dat zei een oude dorpsbewoner. En daar luister ik graag naar. Het is maar een klein bosje, zei hij. In vroeger tijden was zo’n bosje heel belangrijk, voor brandhout, gereedschapsstelen en andere gebruiksvoorwerpen.

Aan het einde van het smalle pad duik ik met mijn fiets onder de takken door. Bijna meteen al zie ik de blokken liggen en ik trap op de rem. Een zestal betonblokken liggen omvergeworpen in het gras en over het verzande grindpad. Dit is dus de plek waar ik niet langs mag van de gemeente. Braamstruiken en brandnetels groeien om de blokken heen. Het zijn grote joekels van stenen. Als ze op elkaar zouden liggen, dan had je hier een muur van 1.80M hoog. Dit hebben de jongeren dus omver geworpen. Een knap staaltje.
Ik zet mijn fiets neer en klim over één van de blokken heen. Erachter razen mensen in auto’s voorbij. Die mensen moesten eens weten, hoe mooi het hier is! Hoe vaak zijn ze hier al langs gereden?
Ik kijk naar links en naar rechts en schiet gauw de weg over. Daar is een breed grindpad, dat tussen de bomen doorloopt. Er staan een paar grote huizen langs en het loopt dood bij een boerderij aan het einde. Daar kan ik een klein paadje in. Ik loop langs een heuphoge houtwal, die al enorm oud moet zijn. Er staan vermolmde boomstammen in die zo als kunstwerk het museum in zouden kunnen. Alleen zullen ze daar nooit zo mooi zijn als hier, zoals ze deel uitmaken van deze plek, de geschiedenis van deze grond. Er groeien vlierstruiken in en berken. De houtwal is een oude manier om eigendom af te bakenen. Tegenwoordig komt dat weer helemaal terug. Ook goed voor de egeltjes!

Ik loop zachtjes, het pad is smal en het veert een beetje onder mijn voeten. Het is heel stil en er staat bijna geen wind. Ik zie niemand en hoor ook geen vogels. Of ja, daar hoor ik het blikachtige geratel van een roodborst. ‚Pas op! Een mens!’ roept hij. Of waarschuwt hij vanwege de buizerd, die rondcirkelt boven de naastgelegen weide? Ik weet het niet en loop verder. Hoewel het om me heen een wildernis lijkt, is het pad goed onderhouden. Dicht opéénstaande hulstbosjes zijn zo gesnoeid dat het bijna een heg is. Dat moet wel, anders is er geen paadje meer. Er staan berken en dennen. Ik ontdek hulstbomen, zoals ik nog nooit van mijn leven heb gezien. De stammen zijn bijna een halve meter dik! In het Drents Friese Wold staan ook zulke grote, hoor ik later. Het is hier verboden ze om te zagen. Ik kijk mijn ogen uit. Wauw!
Ik onderzoek alle paadjes die er zijn. Ik zie eikenstammen, waar keer op keer takken van zijn afgescheurd. De boom heeft de wonden omhuld met nieuw hout. Het resultaat is verbazingwekkend. De onderstammen zijn kort en vol rondingen. Het lijken wel vrouwenlichamen, wulps en weelderig. Ze hebben alleen geen hoofd. In plaats daarvan steken nieuwe jonge takken omhoog, tjokvol levenslust.

Verder ga ik, tot vanuit de donkerte opeens het licht uitbarst. Een veld ligt tussen de bomen in als een kleurrijke verrassing. Tussen het bloeiende gras groeien gele bloemen als margrieten zonder wit, en korenbloem. Wespachtige vliegen helicopteren zorgvuldig van de ene bloem naar de andere. Speurend kuier ik door. De zee van licht duurt niet lang, het pad maakt een bocht en gaat weer het bos in. Het is al laat in de middag, en de zon maakt gouden vlekken op het verstilde volk van stammen. Ik zie een den met een breed uitgegroeide kroon. Ideaal om in te klimmen! Ik aarzel. Hij staat vlak naast een soort dal, waar alleen kleine struiken staan. Het geeft een mooi overzicht en het ziet er aanlokkelijk uit. Zal ik het doen? Ik loop tussen de bomen door.

Dan sta ik getroffen stil. In de schuin oplopende rand van het dal, zit een enorm gat. Ervoor ligt een dik bed van vers geel zand, bovenop de zwarte bosgrond. Er staan allemaal pootjes in. Afdrukken als van katten, met kussentjes bij de tenen. Dit moet een dassenburcht zijn! Nog nooit heb ik er één gezien. Eerbiedig kijk ik ernaar. Er is geen sprake van, dat ik nu in die den ga klimmen. Stilletjes loop ik terug.

Daar staat mijn fiets. Ik zet het krukje op de grond en kijk. Pas na een poosje vis ik het schetsblok uit mijn rugzak en teken de eerste lijnen van de betonblokken. Ik stel me voor dat ze hier altijd zo blijven liggen, tot de dag dat alle auto’s op kerkhoven liggen te vergaan en de asfaltwegen stukscheuren door boomwortels. En dan nog altijd liggen hier de blokken die de sterke jongens van ’Ool Pae’ wisten om te krijgen.

Wat zijn er een verhalen, overal waar je kijkt kan je ze zien. Als je maar langzaam gaat.

.

Spiegel van het verleden

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

.

Dit jaar maakte ik een wandeltocht in Friesland. Onderweg kreeg ik gezelschap van een bijzondere reisgenoot.

“Tocht langs kantelende wegen,“ dat is de titel van het boek, dat ik schrijf. Dit jaar maakte ik een tocht van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Mijn wielen rollen over kantelende wegen. Hoe sneller een auto gaat, des te schever is het wegdek als je de bocht om gaat. Dat percentage is berekend, en wordt overal toegepast. Het houdt je voertuig in balans. Eigenlijk heet het “verkanting” maar ik vind kanteling toepasselijker. De wegen kantelen steeds vaker, want het verkeer gaat hard.
Maar ik ben geen snelle weggebruiker. Ik ben een voetganger met een elektrische mover van 150 kilo aan de hand en daarachter een Wandelhuis. Ik ga maar 3 kilometer per uur.
Alles gaat sneller en sneller. Voor mij is dat een metafoor. Want de kantelingen gaan verder dan de weg alleen. Het is een tijd van kantelingen, waarden die lange tijd heilig waren, werken niet meer.

Door langzaam te reizen, hoop ik die veranderingen te kunnen zien, de kiemen van wat er komt. Op mijn eerste reis heb ik veel gezien en bijzondere dingen meegemaakt.

Elke dag beschreef ik het landschap en de ontmoetingen die ik had. Ik hoopte dat ik onderweg gesprekspartners zou ontmoeten, die met me mee zouden wandelen. Maar ik liep alleen. Dat bleek precies het juiste. Er was namelijk een andere reizigster, die met me meeging. Gaandeweg ontdekte ik haar. Een vrouw die lang geleden leefde, Auck van Hearsma. Zij leefde van 1705 tot 1786. Ze leefde óók in een tijd van kantelingen. De kerk verloor steeds meer macht. Het was de tijd van de Verlichting, van het intellect en de waarneming. Het was de tijd van Eise Eisinga die met verbazingwekkende precisie zijn planetarium bouwde, een kopie van ons zonnestelsel in beweging. En vooral was het een tijd van groeiend zelfbewustzijn en opstanden.

Auck groeide op in een adellijke familie en trouwde op haar 25e. Kinderen kreeg ze niet. Haar man stierf toen ze 37 was. De mijne ook en ook ik had geen kinderen. Ze hield net als ik, van eenvoud en was nieuwsgierig en intelligent. Ze maakte lange voettochten door Friesland. Van opsmuk hield ze niet, en de dikke lagen lange rokken, die de andere adellijke vrouwen droegen vond ze verschrikkelijk. Ze ging zelfs zo eenvoudig gekleed, dat ze soms zelfs werd weggestuurd met de woorden: „Aan de deur wordt niet gekocht!“

Door haar word ik een andere tijd ingeleid. Ze maakt veel mee. Haar man is zeven jaar overleden, wanneer de pleuris uit breekt, aangestoken door de rellen in Groningen en de rest van het land. In de rest van Nederland zijn ook opstanden, maar die zijn anders van karakter. Men eist daar vooral een nieuwe stadhouder. In Friesland is al een stadhouder. Hier hebben de mensen andere wensen. Eisen, die uiteindelijk pas in 1852 gemeengoed zullen worden.

Door haar kom ik terecht tussen woedende boeren, die niet alleen belastingverlaging eisen, maar ook stemrecht voor iedereen, een einde aan de bonussen, in die tijd “tractaten“ genoemd. Ze eisen een einde aan de vriendjespolitiek, waarin de adel elkaar bijbaantjes geeft, en onder elkaar het geld verdeelt wat uit belastingen wordt verdiend. Er staan meer eisen op het lijstje, maar deze vind ik het meest opmerkelijk, vanwege hun gelijkenis met onze tijd.

Verbaasd volg ik haar verhaal. Ik denk aan de gele hesjes en de maatschappelijke verontwaardiging over bonussen. Ik denk aan grote bedrijven als Amazon, Bayer-Monsanto, Shell, die net zo machtig lijken te zijn als de 28 adellijke families die in de tijd van Auck in Friesland woonden.
En is het spoor van de Verlichting ten einde? Ik denk het niet. Ik denk aan al die mensen, die niet langer willen dienen als een radertje in de groei-economie, die op zoek zijn naar hun authentieke zélf, en die hun eigen beslissingen willen nemen.

De Verlichting betekende in de zeventiende en achttiende eeuw een tijd voor persoonlijke groei. Door de industrialisatie groeide ook de materiële welvaart. Dat heeft veel opgeleverd. Maar we zijn te ver doorgeschoten en het heeft ons op een dood spoor gebracht. En nu onderzoeken we wat werkelijk van waarde is.

Auck geeft niet om geld. Toch stroomt het van alle kanten naar haar toe, want haar rijke zwager, die tal van lucratieve bestuursbaantjes heeft gehad, heeft geen kinderen. Ze sterft in haar landhuis in Menaldum. Op haar erf lopen allerlei dieren rond, halfwilde zwijntjes, runderen, kippen, en honden, alles dwars door elkaar heen. Zelfs in huis lopen ze. Haar laatste wens is dat al die dieren om zich heen te hebben. Haar trouwe huisknecht doet wat ze vraagt. Hij opent alle deuren en ramen, en drijft de dieren haar slaapkamer in. Omringd door haar levende have blaast ze de laatste adem uit.

Zal ik ook zo eindigen? Mijn tijd is nog niet gekomen. Gelukkig maar. Mijn reis is nog maar net begonnen! En er is nog veel te doen.

.

.

Ik schreef dit  voor tijdschrift ZOZ van Omslag, maar mocht het ook voor mijn blog gebruiken

.

Levenslust en -liefde

.

Utrecht 1995: De Oudegracht waar ik woonde, vitale ader van leven.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 12 minuten.

.

Tijd bestaat niet. We zijn bevooroordeeld over tijd en levensfases. De vorige keer liet ik heel serieuze dagboekfragmenten lezen van bijna veertig jaar oud. Heb je het gedicht gelezen, dat er onder staat? “Alles wat ik wil is tijd?” Ik schreef het toen ik vijftien was. Nou, die tijd heb ik genomen en nu ben ik bijna vijf en vijftig. Misschien denk je, jemig, zo oud al, die heeft het leven al bijna gehad, die is bijna toe aan de herfstfase. Nou echt niet! Laat ik zeggen, ik ben begonnen met de herfst en ben nu toe aan de lente. Bij mij gaat alles omgekeerd. Want wat gebeurde er na mijn vijftiende? Ik verdeel mijn leven over drie blokken.

De tweede vijftien jaar.

Ik moest me schikken aan het leven als scholier, tot mijn zeventiende. Daarna heb ik tot mijn dertigste manieren gezocht om van de verstomming af te komen, die ik opgelopen had toen ik me bewust werd van de wereld en mezelf. Hoe kon ik mezelf een weg maken? Ik moest veel leren en dat ging niet zomaar. In de eerste plaats wilde ik leren spreken en luisteren. Ik heb alle registers van communicatie opengetrokken ondanks een constant gevoel van angst en onzekerheid. Ik was een dappere angsthaas en zocht de uitdaging die ik wilde en nodig had. Ik deed Handvaardigheid/Tekenen ik volgde de opleiding voor Expressie en Communicatie, ik deed de Schrijversvakschool, hield me bezig met verhalen vertellen, en altijd was er muziek of zangles. Ik deed het met volle overtuiging, maar als ik alleen was, voelde ik me vaak herfstig, melancholiek en had ik angst voor alles.

De derde vijftien jaar.

Op mijn dertigste was ik na vele worstelingen van mijn angst en onzekerheid af. Ik was net precies een geliefd tekenares aan het worden, toen ik een jongen ontmoette waar ik erg verliefd op werd. Hij gaf mij een fikse lading zelfvertrouwen, wat me definitief wortels gaf. Ik liet het tekenwerk voor wat het was, leerde met mijn handen werken en hij liet me inzien dat er goud in zat, goud, in mijn eigen handen! Die jongen werd mijn man. Ik gaf hem al mijn liefde en aandacht, en nog meer toen hij ziek werd.
Na zijn dood heb ik lang gerouwd en heeft het tien jaar geduurd voor ik zijn grote erfenis had verwerkt. Daar was veel geduld, handigheid en doorzettingsvermogen voor nodig, je eigen persoonlijkheid en talenten raken bij de dood van je geliefde verstrengeld met wat de ander aan materie en herinneringen achterlaat. Het is de kunst om het leven weer van jezelf te maken. Dat is me gelukt, ik heb de ballast van me afgelegd, terwijl ik hem nog altijd in mijn hart blijf dragen, met alle lessen die ik van hem leerde.

De vierde vijftien jaar, nu in het tiende jaar, dus nog niet afgelopen.

Drie jaar lang maakte ik ruimte om een nieuw leven mogelijk te maken, om het rondvaartbedrijf en de Utrechtse werfkelder achter met laten. Dat lukte in 2012. De Oudegracht was voor mij een vitale waterader, vanwaaruit ik springlevend de wereld in kon stappen. Het jaar 2012 is het jaar waarvan ik zeg: Dit was het moment dat het leven kon beginnen, een nieuwe geboorte en ik was rijk geworden aan ervaringen en gereedschappen.
Ik vond een camping in Brabant, waar ik uiteindelijk mijn Wandelhuisje heb gebouwd, vanwaaruit ik filmpjes maakte en verhalen schrijf en tekeningen maak.
Dit jaar heb ik mijn eerste reis gemaakt, drie maanden lang. Ik maak mijn weg alleen. Dat maakt elke ontmoeting oprecht en uniek en nu maak ik er een boek van. Ik bén er, met alle aandacht voor waar ik op dat moment aan werk. Ik ben veel alleen om te doen wat ik nu doe en ik geniet daarvan. Toch blijft altijd de wens  aanwezig om weer samen creatief te zijn, zoals in mijn kindertijd met mijn vriendinnen in het bos, en zoals het later in goeie tijden was. Samen een boomhut bouwen en daar liedjes zingen en gedichten schrijven bij schemering,  en nog veel meer.

Je kan denken, iemand die al bijna vijfenvijftig is, die heeft alles al gehad, die gaat afbouwen. Nou echt niet! Ik heb nog een hele hoop in te halen. Toneel en zang bijvoorbeeld, het zijn kiemen die nog altijd verder willen  groeien. Elke ochtend doe ik oefeningen, ik houd mijn lichaam sterk en lenig, ik train mijn stem in strakke toon vanuit mijn buik en gevoelige helderheid. Ik doe het omdat het me kracht geeft, omdat ik er vrolijk en opgewekt van word en omdat ik na al die jaren nog steeds hoop dat ik nog eens met een paar mensen kan gaan zingen.
Er was weinig samenzang en er was veel herfst voor mij. Er zijn ook maar weinig kinderen in mijn leven geweest, herhaaldelijk kwam ik dood, ongeluk en ziekte tegen, na mijn vijftiende. Ik heb ook nog nooit een levend wezen geboren zien worden. Kinderen, jonge dieren, ontkiemende natuur, dit alles betekent lente, voor mij mag de lente wel eens helemaal doorbreken, en niet alleen bij mij, nee, mijn wens is veel groter, ik wil deel uitmaken van een alles omvattende lente. Eén die de wereld hoop geeft en barstensveel energie.

Vaak betekent leven doorgaan, blijven doorgaan, in je eentje. Er zijn talloze lichtpuntjes, mensen die komen en gaan, of dat je gewoon gelukkig bent met jezelf. Stap voor stap gaan we verder. Ik droom ervan te helpen bouwen aan een ontkiemend paradijs en misschien komt het zover, misschien ook niet, dat is ook goed. Hoe dan ook, met mijn vitaliteit en fantasie is het niet anders gesteld dan toen ik vijftien was, sterker nog, het is gevoed en bekrachtigd door het leven en ik kan nu realiseren waar ik eerder niet toe in staat was. Voor mij begint het leven pas. Ik hoop in 2020 nog genoeg andere jongeren tegen te komen met dezelfde intentie als ik, om er wat moois van te maken. Ik stel voor dat we eigenwijs onze gang gaan en somberheid links laten liggen.

Ik ben nu bijna vijfenvijftig, dat is pas de helft van mijn leven. Ik word namelijk 110. Als je dat maar weet.

.

PS, Bovenstaande tekening is mijn eerste stijl van tekenen. Dit is de stijl die ik opnieuw heb omarmd voor mijn boek.

.