.

.
“Je kunt je beter op één ding concentreren.“ Dat zei de stem in mijn droom vannacht, en zo is het ook. Nu. Daarom houd ik het deze week bij deze woorden.
.
.

Het beginnen is het moeilijkst. (Toch maar een hoekje gemaakt in de kas)
.
.
.
.

.
“Je kunt je beter op één ding concentreren.“ Dat zei de stem in mijn droom vannacht, en zo is het ook. Nu. Daarom houd ik het deze week bij deze woorden.
.
.

Het beginnen is het moeilijkst. (Toch maar een hoekje gemaakt in de kas)
.
.
.
Ik wandel zonder doel, en kom precies tegen wat ik zocht. De oude tijden, landschappen van ooit, die nog steeds voor mijn netvlies hangen.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Soms ga je zonder doel aan de wandel, en dan kom je precies tegen wat je wilt zien. Dat overkwam mij vandaag.
Omdat ik nu drie maanden lang het koffie-uurtje met Dick moet missen, doe ik nu vaker andere dingen. Dat is eigenlijk best verfrissend. Ik raad het iedereen aan, om af en toe, op geheel eigen wijze, dingen voor jezelf te doen. Dit keer ga ik aan de wandel zonder doel. Verrassingen, daar heb ik altijd al van gehouden. Geef mij geen routebeschrijving, zet me uit in een oud bos of historische woonwijk en ik kan weer heerlijk dwalen. Wat ga ik vandaag doen? Eerst denk ik: Ik stap in de eerste beste bus die vertrekt. Maar dan komt de gedachte op waarin ik mezelf al vele jaren train: Waarom zou ik weggaan? Ik ken Leeuwarden eigenlijk amper, en ik woon hier al drie en een half jaar. Ik heb hier nog geen enkel museum bezocht, ik ken de straatnamen nauwelijks en er zijn vele hoekjes waar ik nooit heb gekeken. Ik loop weg van het station, de stad in. Er staan posters langs de weg. “Museum Prinsessehof.” staat er op. Waar zou dat zijn? Misschien wel bij de Prinsentuin. Die weet ik wel te vinden. Prinsen en Prinsessen horen immers bij elkaar. Ik associeer er vrolijk op los. Na een paar straten en het oversteken van twee bruggen, kom ik er, de Prinsentuin doemt voor me op, de hoge beuken, het kortgemaaide gras. Aan de oever van de singel onder de bomen zit een grote groep jongeren. Ze zitten dicht op elkaar. Ze praten en lachen en sommigen zingen een paar regels mee met de muziek. Er is er maar één van de vijftig die op zijn mobiel zit te kijken. Er komt een bootje voorbij, het lijkt op een varend bushokje, met op het dak zonnepanelen. Ze wuiven naar elkaar, de lui op de kant, en de schipper.
Ik loop door tot aan de vijver. In het midden zit nog altijd een meerkoet te broeden, in een groene vlakte van eendenkroos. Achter de vijver loopt het omhoog. Bovenaan is het terras. Het restaurant. Mensen met koffie en gebak. En er is nog een gebouw. Ik heb er nog nooit gekeken. Is het een museum? Kennelijk wel, want er staan beelden voor het raam. Maar de deur is gesloten. Het is donker binnen. “Piet Pander Museum” staat er boven de deur. Dus geen Prinsessehof. Dan maar verder.
Rustig kuierend loop ik het park uit. Daar kom ik bij een nieuwer gebouw, met grote ramen. Het ziet er niet erg prinsessig uit, eerder zakelijk. De twee glazen deuren staan open. Als ik naar binnen loop, zie ik links van me een wand vol boeken en folders. Recht tegenover de ingang zit een vrouw, achter een balie. “Wil je zomaar wat rondkijken?” vraagt ze rustig. Mijn blik gaat aarzelend door de ruimte. “Ja, ik dacht: Eens kijken wat dit is.” Ze glimlacht. “Dit is het historisch centrum. Het is gratis.” Verrast lach ik terug. “Je kunt hier je jas ophangen” wijst ze me, en ze staat op van haar stoel om me te helpen.
In een klein donker hok staat een kruk. Er draait een film. Het gaat over de geschiedenis van Leeuwarden. Ik zie hoe de eerste nomaden na de ijstijd hier af en toe hun kamp opsloegen. Dan komen de eerste Friezen die er hun terpen gaan bouwen. Een enorm werk, helemaal gemaakt van opgestapelde plaggen en stront. Er gaan beelden voorbij van de eindeloze vlakten met alle kleuren groen, terra, en geel, die de betoverende kwelders kunnen hebben. Ik stel me voor dat ik daar sta. Hoe het klonk, het geluid van wegtrekkend water. Hoe alles borrelde en stroomde. Al die vogels die het luchtruim vulden met hun kreten. En dan de mensen, klein en bescheiden scharrelend daar tussenin. Wat zou ik graag weer zo klein willen zijn, in die grote bewegende wereld!
De film gaat door. We zien de zee, die via een arm een stuk landinwaarts loopt. Daar liggen drie terpen. Ze zijn verbonden met elkaar, door wegen. Of boten, als het hoogwater is. Dit is het begin van wat later Leeuwarden werd. Op twee terpen wonen mensen, het derde is voor religieuze rituelen. Ik vlieg als een meeuw boven het landschap en zie zeilschepen verdwijnen naar de zee. Ze zullen Scandinavië bezoeken of Engeland. In die tijd liep al het verkeer nog over de weidse wateren en nauwelijks over land. Omstreeks het jaar 1200 begonnen de Friezen in te polderen. Vanaf dat moment was het afgelopen met de zee, de terpen liggen nu op het droge. Maar ook de magie verdween. Een proces dat steeds verder ging.
Als ik naar buiten loop, zie ik het nog steeds voor me. Wel 1700 jaar hebben de Friezen zo geleefd. Het ingepolderde land waar ik woon is nog maar 800 jaar oud. Zullen wij het nog 900 jaar volhouden? Waarschijnlijk is het dan allang weer zee. Dankzij onze moderne levensstijl. In gedachten ga ik terug. Ik zie de terpen, als eilandjes tussen de kwelders. Ik zie voor me hoe het ooit was. Een film die bijna echter is dan de werkelijkheid, die nog maar een fractie duurt van de tijd wat dit ooit was.. Al eerder werd ik gegrepen door de magie van wat hier is geweest. Ik heb er destijds een eenmalige voorstelling over gemaakt: “Beitske”. Expres vertelde ik maar één keer voor publiek. Wat ik nu zie, als verrassing van de dag, sluit daar naadloos op aan. Heel langzaam loop ik terug, naar de drukte van de stad en het station erachter. Dan schud ik de beelden van me af. Voor me uit hoor het gepiep van poortjes. Het station. Terug naar Deinum nu, waar mijn fiets staat. Steeds weer komen de beelden terug. De indrukwekkende ruimte van zee en land. Geef dat het weer terug komt: Het overweldigende grote, dat machtiger is dan wij. We hebben het nodig.
.

Compositie van kwelders en zee, ruig en wild, een bewegend landschap rond de terpen van ooit.
.
.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Thuiskomen van weggeweest. Dat is wennen. Wat ik het meest mis, zijn de geluiden. Wakker worden op Schiermonnikoog, bij zonsopgang, op dezelfde kampeerboerderij waar ik altijd kom. Het gekwetter van al die scholeksters, op de weilanden rondom. Het gaat almaar door en ik vind het heerlijk. Net als het gekakel van de kippen. Om half zeven zit ik al aan mijn laptop te schrijven, terwijl één voor één de buren op staan. Mijn oren staan gespitst. Terwijl ik werk hoor ik alles. Kinderen op het erf. Gerrit, een gast die onder mij een kamer huur, praat honderduit met de tuinman. De stierkalveren loeien onderaan de muur van het woonhuis. Er is een hek gemaakt rond de voordeur, zodat ze in het halletje kunnen schuilen. De voordeur wordt nooit gebruikt, het leent zich er goed voor. Alles laat van zich horen. Verrukkelijk, al dat leven.
En nu ben ik weer thuis. Het lijkt hier nog stiller te zijn als anders. Er zijn massa’s mensen die er fors voor willen betalen, die stilte. Maar voor mij is het vreemd. Waar zijn al die scholeksters gebleven? En de eenden? Ze houden zich hier verscholen in de sloten. De weilanden zijn leeg, alleen in de verte, waar mest geïnjecteerd is, zie ik ze. Ze eten wormen, die massaal de grond ontvluchten. Een feestmaal voor meeuwen en spreeuwen. Maar ik hoor ze niet, het is te ver.
Zou ik niet altijd op het Eiland willen zijn? Op het strand waar ik al twintig jaar kom, zijn duinen ontstaan, met riet erop. Het is een heel ander gezicht, niet meer de zandvlakte, maar nieuw land. Er zijn mussen, winterkoninkjes en ik hoor een rietgors zingen. Er groeien zelfs al elsjes, waar voorheen de golven over het zand sloegen. Alles leeft en beweegt. Ik luister naar de geluiden, die steeds anders zijn. Tegelijkertijd is het allemaal zo vanzelfsprekend, hoe het gaat. Hoort het niet zo te zijn?
Hier is alles uitgestrekt en stil. De Swette stroomt rechttoe rechtaan en zo zijn ook de wegen. Nu ik weer terug ben ga ik als eerste alle hoeken af die ik onderhoud. Een bij vliegt rond van bloem naar bloem. Die is hier doordat ik er ben. Zonder mij waren deze bloemen er niet. En ook het Verhalenpad was er niet zonder mij. De bomen en struiken groeien hard, door al die regen. Ook de notenbomen, de berken en de hazelaars. In de brede sloot vliegt nog steeds hetzelfde visdiefje heen en weer, zoekend naar een prooi. Kennelijk is het daar de moeite waard. Vissers bevestigen dat rond deze plek veel vis zit. Zou het water hier zo schoon zijn? Dat heb ik me al vaker afgevraagd. Ik zoek het uit en kom terecht bij een kaart van “Atlas Leefomgeving”. We zitten hier inderdaad op een plek waar geen rondjes staan. Dat is een goed teken. Ze hebben niet alleen een kaart van de waterkwaliteit, maar ook die van de lucht, van het geluid en hoeveel sterren je er in de nacht kan zien. Eén keer per honderd jaar kunnen we een overstroming verwachten en de huizenprijs is hier gemiddeld drie ton. Eén ding bevreemd me. Ze zeggen dat er geen enkele boom staat bij onze boerderij. “Schaduwrijke bomen binnen 100 meter: 0%”. Dat is maf. Alles wat er is geplant door de boer, grote bomen al, is dus niet geregistreerd. Net zo min staat genoteerd wat ik hier doe. Ze zien me kennelijk niet.
Regelmatig hoor je: “Ik voel me niet gezien.”. Maar soms kan je juist beter niet gezien worden. Dan kan je lekker rustig je gang gaan. Ik heb hier bijvoorbeeld een kas neergezet, van 10 M2. Op Schiermonnikoog ben je drie jaar bezig om een hokje van dat formaat op het strand te mogen bouwen. Vele partijen gaan erover. Die moet je allemaal af, voor een vergunning. De vogels mogen vliegen waar ze willen, maar voor de mensen is dit geen gebied dat zich vrij mag ontwikkelen. Het natuurgebied staat onder strenge controle. Hier niet. Geen haan die ernaar kraait als ik een hutje bouw of bomen plant. Onze bomen staan doodleuk niet op de kaart. Nou mooi, dan plant ik er nog een paar. Bomen en bloemen voor meer leven op het platteland. De mooiste plekken zijn op die manier ontstaan. Ik kijk naar die ene bij die zich tussen de regendruppels door waagt, en naar het visdiefje boven de sloot. Ik tuur naar de houtduif in de verte en een buurvrouw die tussen de bomen verdwijnt. Stap voor stap, met haar stijve benen. Stil, dat wel. Maar terwijl ik werk, groeit het leven. En als ik toch eens wat anders wil, dan ga ik gewoon weer even naar Schier.
.

.
KLIK hier voor de luisterversie.
.
Kijk hier naar je eigen plek op de Atlas Leefomgeving:
In de storm maken we ons allemaal klein om niet weg te waaien.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Er zit een vlinder in het markies. Stevig houdt hij zich vast, achter het flapperende randje van het scherm, terwijl de storm zijn tentakels om het hoekje van de wagen heen slaat. Hij laat zich niet wegblazen! Het is een Atalanta. Een vlinder die misschien wel ouder is dan één jaar. Hij heeft in elk geval een wijs plekje gevonden, om te schuilen. Alsof hij dat veel vaker gedaan heeft. Beneden hem, op de tegels, zit een vlieg. Hij drukt zich in een hoekje tegen een plank aan en maakt zich zo klein mogelijk. De wind staat er vol bovenop.
Aan de overkant van de weg hangt een hangmat in de bosjes. Het scherm dat erboven is gespannen, klappert hard heen en weer. Het is van een jongen die bij het groepje hoort, dat daar kampeert. De jongen van de hangmat is de leider, op deze onstuimige middag. Samen met de andere jongens heeft hij een windscherm gemaakt om de uren tijdens de storm toch genoeglijk door te kunnen brengen. Het waait flink maar het regent niet en regelmatig schijnt de zon. De hoge bomen maken een hoop herrie, maar toch hoor ik hun stemmen nog, die onder het zeil vandaan komen.
Ik ben nieuwsgierig, loop erheen en buk me. “Welkom” zegt de hangmatjongen, die als eerste opkijkt. Hij stelt zich voor als Thijn. Er is maar weinig ruimte onder het lichtbruine katoenen zeil. Ik kijk recht in twee vrolijke ogen. “Gezellig hier” zeg ik. “Aan de andere kant van de haag is minder wind, maar dit is net zo leuk. Mooi gedaan zeg!” De jongen knikt grijnzend.
“Knap hè,” begin ik dan “Wij doen zoveel moeite om het onszelf makkelijk te maken. Maar dat zelfs al die kleine beestjes het toch elke keer weer redden in storm en regen. Een vlieg drukt zich plat in een hoekje, een vlinder zet zich schrap en ze wachten allemaal tot het voorbij is. Ze rusten even uit van al dat geweld, en dan vliegen ze weer vrolijk weg, in de zon.” Ik kijk naar de vier anderen. Allemaal zitten we in een klein hoekje gedrukt, net als de vlieg. Het zeil staat zo schuin, dat de wind eroverheen blaast. “We kunnen veel van de natuur leren!” zegt Thijn stralend. Even blijf ik zitten, hier, tussen de anderen en kijk naar de toppen van de bomen die hard heen en weer zwaaien. Zelfs die kwetsbare vlinders weten zich te redden met dit weer. Ze nemen het zoals het is, houden zich taai en wachten tot het over is. Daarna zijn ze alles weer vergeten. De zon schijnt en ze komen weer bij. Wat zijn mensen eigenlijk zwak, dat de meesten zelfs voor een buitje al de hielen lichten. Ik zeg daar iets over en Thijn knikt nadrukkelijk. Als het aan hem ligt, dan ligt hij veel vaker in een hangmat in het bos. “Eén op de honderd vierkante meters is asfalt,” zegt hij. “Jullie mogen je hier gelukkig prijzen.” En dat doe ik. Uit dankbaarheid plant ik bomen. “We zullen ze nog hard nodig hebben in de toekomst” zeg ik. Thijn vertelt dat hij houten poppetjes maakt. Het liefst van essenhout. Een jongen naar mijn hart. Van mij mogen daar nog veel meer van komen.
.
(Deze week geen luisterversie)
.

.
Er is een huis vol mensen, en telkens zijn er weer anderen die komen en gaan. Dat is de Vlierhof in Duitsland. Ik ben er, voor even.
Er is een man, hij is dirigent, maar ook in gesprekken weet hij de aandacht goed te verdelen onder sprekers en luisteraars. Hij raadt me Emma Curby aan, een zangeres die middeleeuwse liederen zingt. Hij luistert rustig en inspireert me.
Er is een tuin vol winde, en ik probeer zoveel mogelijk weg te halen, vóór de bloemknoppen komen. Ergens anders loopt een man met een grijze krullenbos. Ik ken hem goed. Hij knipt paarse bloemen uit enorme distels. De bijen vliegen weg.
Er is een tuinvrouw die klaagt over slakken. En de schimmel tast het loof aan door de vele regen maar toch is ze wel blij met de aardappeloogst. We plukken handenvol zwarte bessen en frambozen.
Er is een jonge vrouw met een wit kanten rokje en een rode doek over het hoofd, die ik Roodkapje noem. Ze houdt van bloemen, planten en aarde en de tuinvrouw is blij met haar.
Er is een kind van negen maanden. Aan tafel zit de moeder en een vrouw met een dikke buik die dat nog wordt. In een klein huis tussen de bomen staat een schommelwieg van hout, vlak voor het raam.
Er is een man die jarenlang rondliep zonder bezit, zo vrij als een vogel. De man speelt met het kind dat op tafel zit. Terwijl hij een boek leest, houdt hij zijn blote voet tegen haar ruggetje, zodat ze niet naar beneden dondert.
Als ik terugga wacht ik op de juiste lijndienst. Er is wel een andere bus, een hele lange met een knik ertussen, als een rubberen harmonica. De buschauffeur, een vrouw met blonde krullen, leert achteruit inparkeren op de kleine bushalte. De rij-instructeur zit naast haar. Terwijl ik kijk doet ze het wel zes keer. Sommige auto’s toeteren terwijl ze moeten wachten. Ze willen er langs maar het kan niet.
Het is een lange reis, en ik val bijna om, als ik op mijn stoel in slaap val. Er hangen donkere wolken boven Leeuwarden, maar als ik uitstap is de regen voorbij. De Friese woorden op de borden zijn vertrouwd. Ik kom weer thuis.