Razendsnel gebeurt het

Snelheid maakt slachtoffers en de nasleep kan lang duren.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ergens in onze familiegeschiedenis ligt een drama verscholen dat direct te maken heeft met het thema van mijn nieuwe boek: “De heilige traagheid der dingen”.
Weer thuis in mijn hangmat laat ik de afgelopen dagen door me heen gaan. We vierden kerst bij onze pa, in het ouderlijk huis. In 1969 zijn we er gaan wonen en nog altijd keren we er terug. Mijn vader is nu 96. Ik ben 60 en woon nu bijna vijf jaar in Friesland. Als ik naar buiten kijk, is het koud en mistig, mistig, net als op die ene dag, waarover mijn pa vertelde. Het was onverwacht dat het verhaal naar boven kwam. En toch is het eigenlijk vanzelfsprekend. Als je de grens van je leven nadert komen zulke zaken glashelder omhoog met steeds meer details. Juist dat, wat altijd in stilzwijgen was gehuld.
Het is de tweede kerstdag. De kamer zit vol. We hebben het over techniek. Het gesprek heeft zich in twee kampen verdeeld, het ene is voor steeds verdere innovatie, het andere hecht waarde aan wat is en wat nooit stuk gaat. “Met goed onderhoud gaan oude machines langer mee dan jij leeft” zegt de een en ik ben het er mee eens. Waarop de ander zegt:”Die innovatie is niet voor niets: het is steeds verfijnder, er zijn steeds meer mogelijkheden. Ook al moeten de grondstoffen overal vandaan komen, het is niet voor niets. En dat werk met die kolen was toch ook niks gedaan. Je zal maar stoker zijn en de hele dag kolen moeten scheppen.” Dat is ook wel weer zo denk ik dan en even weet ik niet wat ik moet zeggen.

Precies op dat moment reageert mijn vader: “Maar die dag was het een diesel!” Even weet ik niet waar hij het over heeft. Dan vertelt hij opnieuw het verhaal. We kenden het. Het was een gegeven, grootvader verdween uit het leven van mijn pa toen hij nog maar een jochie was. Verder hoorden we er zelden iets over, niet van mijn pa, niet van zijn broers en zussen. Nu mijn pa de honderd nadert, komt het gedetailleerder dan ooit naar boven.|
Het was een onbewaakte spoorwegovergang. Ze waren met zijn tweeën, vader en zoon. De vader, mijn grootvader dus, was molenaar en had als een van de weinigen een auto. Een dikke mist omhulde het land en het spoor was onzichtbaar. De zoon, mijn vaders broer, stapte uit om te luisteren of er iets aan kwam. Hij legde zijn oor op het spoor, luisterde zorgvuldig, stond weer op en wenkte. Mijn grootvader startte en wilde het spoor overgaan. En toen hield de wereld even op met draaien. De trein kwam snel, veel sneller dan verwacht, schepte de auto , vermorzelde het staal. Was er teveel tijd overheen gegaan, tussen het luisteren, teruglopen en het starten van de wagen? Mijn pa liep net naar school, passeerde de volgende spoorwegovergang toen hij verderop drukte zag. Een stilstaande trein, mannen die heen en weer liepen. Iemand noemde de naam van Mulligen. Toen wist hij het. Hij liep uit gewoonte verder naar school, en werd toen weer teruggestuurd. “Ga maar naar met je vriendje naar zijn huis”, zeiden ze. We luisteren aandachtig naar de stilte die valt. Dan komen de vragen. Hoe kon dit gebeuren? Mijn vader kijkt in gedachten voor zich uit. “Het was een diesel!” roept hij dan, “Die diesels waren veel sneller, ze waren nieuw, we kenden ze nog niet!”

(De eerste dieseltrein kwam in 1934 in Nederland. Dit ongeluk vond plaats in 1938 op het Drentse platteland.)

Ik heb altijd gedacht een autonoom mens te zijn. Maar toch, kunnen ervaringen van voorouders nog steeds invloed hebben op mijn bewustzijn? Misschien zijn het juist die onuitgesproken verhalen die tegelijkertijd overal doorheen vervlochten zijn. Nu woon ik hier, op de Swetteblom en doe alles op de fiets. Geen snelle fiets met accu, waarbij je een helm op moet om geen hersenschudding op te lopen. Het liefst zie ik iedereen op zijn of haar dooie akkertje voorbijkomen. Maar alles gaat steeds sneller. Elke keer moeten er nieuwe maatregelen worden genomen om onszelf tegen die noodvaart te beschermen. Het is niet voor niets dat mijn wielen stil staan. “De heilige traagheid der dingen” is de titel van mijn nieuwe boek, en vindt zijn weg met telkens nieuwe verbanden.

Wonderlijk.

.

.

Onze eigen Joulupukki

Joulupukki, wie is dat?
Over de magie van mythische figuren die horen bij het land.

.

Joulupukki komt uit Finland, en in Zweden heet hij Julbocken of Jultomten, kerstkabouter.( Door John Bauer – https://biblioklept.)

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De kerstman en sinterklaas komen allebei van ver. De ene komt uit het warme zuiden, de ander uit het gure noorden. Het is spannend omdat ze speciaal hierheen komen, met een stoomboot, of door de lucht, net als Thor met zijn trekdieren, de oude Scandinavische god. Wat van ver komt is lekker. De meesten zijn er al wel eens geweest, het hoge noorden of het verre zuiden. Zelfs verder nog. Het is eigenlijk niet zo bijzonder meer dat de sint helemaal uit Spanje komt.
Ondertussen woon ik nog steeds in het vlakke land van het Noorden, in de buurt van waar ik geboren ben. In Spanje ben ik nog nooit geweest en in Scandinavië ook niet. Niet omdat ik niet wilde, ik houd van ontdekken en om me heen kijken. Als ik de vogels zie voel ik dat. Ik zie ze, terwijl ik nu schrijf. Ze trekken hoog over, in een V vorm, vooraan is het nog een slordige troep, maar hoe verder naar achteren hoe strakker de vogels schuin achter elkaar aan vliegen, richting het zuidwesten. Als ik dat kon, dan zou ik vast hetzelfde doen. Het lijkt me een mooie uitdaging, zo met zijn allen. Voorbereidingen treffen betekent dan vooral: goed eten. De tocht zelf gaat intuïtief en de oudere vogels hebben een ongelooflijk vermogen om het landschap en de sterren te lezen. Ook navigeren ze op aardstralen als het heel donker en mistig is of juist veel te licht door overdadige kunstverlichting. Ondertussen vliegt er nog veel meer rond.
De kerstman moet trouwens ook uitkijken, met al die drones. Die rendieren schrikken zich nog dood, met alles wat ze tegenkomen in de lucht. Misschien kan hij beter robots nemen. Maar ja, dan is er geen lol meer aan. Ik denk dat de kerstman eigenlijk liever thuis blijft. Gewoon in Finland, met een hele kudde rendieren tussen de Lappen. Daar kennen ze immers zijn echte naam nog: Joulupukki. Geen grote dikke vent, maar een klein kaboutertje met een rood mutsje op. Nu is hij lief. In oude tijden was hij niet zo lief, hij stal etensresten na kerst. Hij liet zich vervoeren door een kar met geiten, net als Thor. Daarom verkleedden mensen zich in geitenvellen, de trekdieren van de kabouter en gingen de huizen langs voor etensresten, alsof ze Joulupukki zelf waren. Later groeide de kabouter uit tot een brede lachende kerstman met een span rendieren. Hij lijkt op de kerstman die overal in de winkels staat, maar toch is hij anders. Hij is echter. Nog steeds klopt hij overal op de deur. Zijn naam is ook hetzelfde gebleven, Joulupukki. Ja, hier heeft de kerstman een echte eigen naam. Dat moet fijn voor hem zijn. Als ze hem roepen wordt hij vast nog vrolijker en gaan er belletjes rinkelen in zijn borst. Daar houden mythische figuren van, dat je hun echte naam kent. Integendeel tot Repelsteeltje verdwijnen ze niet, maar worden er juist vitaler van. Het geeft het land en de mensen diepte en eigenheid. De kerstbellen en glamour van de Amerikaanse kerst is daarbij vergeleken opdringerig en vlak. En wat moet een mythisch figuur trouwens met die commerciële herrie? Misschien kunnen we beter onze eigen mythische figuren weer leven inblazen. Onze eigen Joulupukki. Zorgen voor een landschap waar weer magie in zit, waar nog donkere plekken zijn tussen bosjes, vennen en plassen. Dat het zo donker wordt dat we de sterren weer kunnen zien en ons pas echt kunnen verwonderen. Dat we weer kijken naar overvliegende ganzen in de nacht. Als we dat doen, dan komen ze vanzelf terug, de elven en kabouters. De familie van Joulupukki. Dit te bewerkstelligen, daar ga ik voor. We werken door aan een landschap waar magie in zit. Ook in het nieuwe jaar.

.

.

Het winkeltje dat alles goedmaakt

Na een stressvolle dag kom ik in een winkel die gerund wordt met  gehandicapten. Hier kan ik opgelucht ademhalen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Je kent het wel. Er is een gevoel van onvrede en iemand moet de schuld krijgen. Soms gebeurt het op straat, soms op het werk of elders. Het is een ketting, de een steekt de ander aan. Er is al prestatiedruk en dan komt dit er nog bij. De stress neemt toe. Harde woorden gaan over en weer. Die ketting moet doorbroken worden. Om dat duidelijk te maken schrijf ik dit verhaal. Ik noem geen namen, geen locatie. Vraag je dus niet af waar dit zou zijn, of wie de mensen zijn waarover ik spreek. Dat is niet belangrijk. En vooral: Het gaat over hoe eenvoudige lieden met een beperkt verstand een groot geluk kunnen zijn in onze drukdoenerige wereld.

Naar de stad is bijna een uur fietsen. Het is een hele onderneming soms, zeker met veel bagage. Dit keer geef ik een klein optreden, een verhaal over bomen en mijn leven, met een uitstalling erbij. Het was passen en meten om alles mee te nemen, de boeken, de boomstronken en takken. Het is een klein zaaltje. Vijf mensen zitten uiteindelijk aan een lange tafel naar me te luisteren. Zojuist waren ze nog met iets anders bezig. Nu hebben ze hun bezigheden opzijgelegd en ik vertel het verhaal waarvoor ik uitgenodigd ben. Een beetje onwennig, met een publiek van maar vijf mensen. Ik weet niet wie ik aan moet kijken en dat maakt me verlegen. Ik vertel naar beste kunnen, een half uur lang. Dan kom ik tot het einde, alleen het liedje moet nog. Ik heb er opnieuw voor geoefend, het lied van de wilgeboom. Mijn gitaar ontbreekt helaas, de kar zat al zo goed als vol. Maar hier hangt er een aan de muur, dat wist ik. Vragend kijk ik naar degene die ernaast zit. Ze drukt hem verwachtingsvol in mijn handen. Mijn vingers beroeren zachtjes de snaren. Hij moet gestemd worden. Dat kan ik snel doen, het instrument is mij vertrouwd. De vijf toeschouwers wachten. Vlot stem ik een voor een de snaren. Dan kom ik bij de een na laatste, de B snaar. Er is iets mis. Het maakt me verward en zenuwachtig. Ik probeer het nog eens en nog eens. Hij reageert niet, de knop lijkt lam te zijn. De vrouw die me de gitaar aangaf begint te ongeduldig te roepen. Ik probeer het te negeren, maar het roepen houdt niet meer op. “Die gitaar is prima, wat doe je toch, begin nou maar gewoon, wat zit je daar nou allemaal te doen!” Ik zucht. Dan maar een liedje zonder gitaar. De vrouw kijkt boos en ontevreden. Toch zet ik opgewekt de eerste tonen in van mijn levenslustige lied en zing het uit tot het einde. Dan klinken de laatste woorden en is het optreden klaar. Een mager applausje volgt. Sommigen glimlachen, tot mijn opluchting. De vrouw doet haar best om vrolijk te kijken. Toch moet ze het daarna nog eens kwijt. Wat zat ik nou allemaal te doen met die gitaar. Daar was niks mis mee. Ze kijkt me kwaad aan. Denkt ze soms dat ik hem heb stukgemaakt? Ik wil iets terugzeggen maar beheers me. Ze moet het instrument maar eens laten nakijken door iemand die ze vertrouwt, zeg ik dan. Ondertussen denk ik aan het boekje dat ik gister las van de Boeddha, die zegt dat iedereen je vriend is. Geweld lost niks op. Terugschreeuwen ook niet. Ik denk aan het kleine gitaartje thuis. Dat had ik best cadeau willen doen, als de situatie anders was geweest. Nu houd ik verder mijn mond maar.
Het inpakken van de kar is nog een heel werk. Bij de kapstok zit ik op de grond om eerst mijn laarzen weer aan te doen, mijn regenbroek ligt naast me. Voor ik daarmee klaar ben gaat ineens het licht uit. “Ik ben hier nog bezig hoor!” roep ik. Een vrouwenstem roept haastig sorry, maar het licht gaat niet meer aan. Vreemd. Een man komt terug, hij komt in het donker naar me toe, wacht tot ik klaar ben en sluit de deur achter ons. Door de lange gang loop ik naar buiten met mijn kar. Dat was het dan. Nu gewoon maar weer naar huis. Gelukkig is de wind gaan liggen, dat scheelt. Anders had ik wind tegen gehad. De man wuift me vriendelijk na.

Ik slaap onrustig en de volgende dag heb ik een brakke kop. Ik besluit om lekker te gaan fietsen, er is nog steeds nauwelijks wind. In Wirdum is een winkel met gehandicapten, ik ben er lang niet geweest, daar wil ik heen. Als ik er binnenkom, zie ik een stevige meid in kerstmannenkleding. Onderuitgezakt zit ze tussen de kerstballen en andere versierselen. “Rustig aan hoor, rustig aan” zegt ze en nog eens. “Rustig aan.” Haar gemoedelijke gezicht is onverstoorbaar. Bedarend beweegt ze met haar handen alsof ze een hele menigte gerust moet stellen. Ze lijkt wel op een Boeddha met een kerstmuts. In de winkel is echter geen enkel teken van onrust, stress of rumoer. Er zijn overal mensen bezig en het is er gezellig. Veel schappen zijn leeg, maar dat is totaal geen probleem. Ik zie een paar mensen met een beperking , maar vooral hun familie en begeleiders. Iemand verkoopt zelfgemaakt gebak, ja wel even apart afrekenen graag. Een klein meisje loopt met een gebakje naar buiten, alsof het een schat is. Ik lach naar haar en ze begint te stralen. Wat een verademing. Wat is er nou eigenlijk voor nodig, om met elkaar een goed gevoel te krijgen. Zo belangrijk is het allemaal niet. En dan weet ik het: hier ligt mijn verhaal, in dit eenvoudige winkeltje vol lieve mensen en lege schappen. Deze plek heeft mijn hart gestolen.

.

Een gelukkige pechvogel

Als de stroom ermee ophoudt pak ik vrolijk de beugelzaag

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is pechtijd. De kunst is het gelijkmoedig te ondergaan. Dat probeer ik, maar toch word ik wel even sjaggerijnig als er zich weer een nieuw probleem aandoet. Het meest hardnekkig zijn stroom en online-obstakels. De volgende tweedehands smartphone doet het de eerste week aardig, mits ik dat ene kabeltje gebruik, en geen andere. Het contact hapert, en in de tweede week werkt ook dat ene kabeltje niet meer. Ik had net alles geïnstalleerd.

Wat me toch elke keer genoegen doet is het werk met de bomen. Om het veldje waar mijn huis staat, groeit een wilgenrij. De bomen staan heel dicht op elkaar, en groeien schots en scheef alle kanten op, alles om naar het licht te groeien. Ze moeten hoognodig worden uitgedund. In het schuurtje ligt de kettingzaag, maar ook een hele fijne beugelzaag. Ik begin met de kettingzaag. Dat gaat net lekker, maar dan valt de stroom uit. Ik probeer een ander stopcontact. Gelijk begint het ding weer te brommen. Het is dus het snoer. Het past goed in de serie stroomproblemen. Een wolk komt nooit alleen. Maar hierover haal ik mijn schouders op. Ik heb immers een prima alternatief. Ik pak gewoon de beugelzaag. Ondertussen denk ik na. Ik heb nog wel een mooie dikke kabel liggen zonder stekker eraan. Die maak ik een andere keer wel compleet. Nu wil ik doorgaan.
Tussen de grote en kleine bomen door loop ik naar de meest overhangende wilg. Hij is niet zo heel dik. Onderaan de stam zet ik de zaag in het overhangende stuk. Twee keer schuin inzagen, en met een klein tikje valt het kleine schijfje hout er uit. Nu ik heb een mooie inkeping. Dan is de andere kant aan de beurt. Ik begin te zagen en langzaam begint de boom door te buigen, waardoor mijn zaag meer ruimte krijgt. De inkeping doet krakend zijn werk, anders was de zaag vast komen te zitten. Dat vastzitten krijg je anders altijd en hoe dikker de boom, hoe vaster zit de zaag, als je er niet op bedacht bent. Als het echt een dikke stam is, kun je dat ook oplossen door een keg in de snede te slaan, vlak achter de zaag. Maar dat hoef ik nu niet te doen, deze is dun genoeg om het alleen met een inkeping op te lossen. Met een doffe plof valt de wilg neer, precies tussen een jonge meidoorn en twee elsjes in, zonder ook maar een takje te breken. Ik loop naar het midden van de boom en trek hem naar de nieuwe takkenwal. Boven mijn hoofd klinkt gekwetter. Een koolmees heeft mij gadegeslagen en zit nu een meter van me af op een tak. Luidkeels maakt hij zijn aanwezigheid duidelijk. Twee keer per dag krijgt hij zonnebloempitten van me, op de hoge voertafel. Ik heb twee zaadsilo’s, maar die gebruik ik alleen als er sneeuw ligt of als ik weg ben. Als hij eten krijgt, is het direct van mij en niet anders. Daarom komt hij nu zo dichtbij. Hij fladdert tussen de bomen door naar die ene tak en kijkt toe wanneer ik de voerpot pak. Als ik even later wegloop zijn ook de pimpelmezen aan komen vliegen. Elke dag is het feest. Grijnzend ga ik verder met het slepen van de stam. Het zagen en sjorren en stouwen. Werk wat mij altijd weer gelukkig maakt, al zijn er nog zoveel GSM’s die ermee ophouden.

.

.

Van kolossale glorie naar draaglijke lichtheid

Het grote werk verminderen naar duurzaam en klein. Vanzelfsprekende passiviteit vervangen voor onafhankelijke en veerkrachtige helderheid. Hoe kom je er toe?

.

.

Onverwacht is het er. Iemand komt met iets uit mijn verleden op de proppen. Het brengt me terug in de tijd en dat zet me aan het denken. Hoe alles er stap voor stap toe heeft geleid dat ik nu eenvoudig leef in mijn kleine huis, op deze plek.
Het begon bij een ex-collega schipper, die komt soms met beelden van schepen of vaarwegen waar we allebei wat mee hebben. Nu liet hij een site zien, waar mijn oude schip, de Koophandel 2 werd beschreven. Voor zulke gepassioneerde liefhebbers zijn schepen persoonlijkheden en dit schip was zeker een persoonlijkheid. Ons schip was gebouwd in 1903, was 21 meter lang, robuust met een elegante geveegde kont. Veel mensen hebben ervan gehouden. In die tijd bouwden ze de boten heel zwaar, de huid was wel 8 millimeter dik, met spanten om de twintig centimeter. Het was nog gebouwd met klinknagels waarvoor twee mannen aan het werk waren, eentje binnen en eentje buiten. Die werkten elke dag met elkaar samen. Mensen wisten wat werken was. De schepen werden met sterke handen goed onderhouden en dat was de instelling ook in die tijd. Als je ergens goed voor zorgt, dan gaat het lang mee.

Mijn man M. en ik wilden dat ook, er goed voor zorgen. Maar M. ging eerder ter ziele dan onze schuit, waar we zoveel plannen mee hadden. Ik hield veel van de Koophandel 2 en wilde hem niet kwijt. Nog een jaar heb ik het geprobeerd, met vrijwilligers. Die vonden het vooral leuk en gezellig. Het project was groot voor dit gezelschap, dit vroeg eigenlijk om een degelijke aanpak met mensen die er helemaal voor gingen. Bovendien had ik nog drie boten en een middeleeuwse werfkelder. In totaal was het 800 M2 aan oppervlak wat ik moest onderhouden. Bikken, schuren, schilderen, of stuken en betegelen. Toen ik ook nog de ligplaats kwijtraakte was het duidelijk. Er was geen andere keus, ik moest het schip wel verkopen. In 2006 kwam hij in Drachten terecht, en daar lag hij vanaf dat moment te verkommeren. Er waren mensen die dit aan het hart ging, via via hoorde ik dat.\

.

De Koophandel 2 in de jaren 50 aan de Albrechtskade in Rotterdam.

Je kunt spijt hebben van alles wat verloren gaat. Maar de ziel gaat door, het krijgt een andere vorm. Het schip heeft mij geïnspireerd in de manier hoe het gemaakt is, hoe het leeft als hoedanigheid. De vormen die ik maak, komen rechtstreeks van de schepen waaraan ik heb gewerkt, alleen is alles veel kleiner en lichter. Ik heb begrepen hoe je moet zwoegen om het schip in zijn volle glorie te laten stralen en dat dit werk nooit ophoudt. Dit heeft mij tot bepaalde keuzes geleid. Ik bouwde mijn huis klein en op wielen. Het kan bewegen, net als een schip, maar dan op het droge. Het nodige onderhoud heb ik minimaal gehouden, zodat ik hier oud kan worden zonder dat ik door het vele werk snel oud en moe ben. Het is niet groot, maar wel behaaglijk en ik ben onafhankelijker dan de meeste mensen. In noodsituaties zal ik nauwelijks verschil ervaren, met mijn manier van leven. Ik red me wel.
Iets moois bestaat niet zomaar. Iets groots en indrukwekkends ook niet. In deze tijd leven we op grote voet, grote huizen, grote auto’s. We weten niet meer wat een werk ervoor nodig was. Alles wordt vanzelfsprekend onderhouden of vervangen zonder dat we er zelf veel voor hoeven te doen. Hoelang nog? Ondertussen zijn er steeds minder mensen die praktisch werk kunnen verrichten. Dat is jammer en we worden steeds afhankelijker van grote bedrijven die ons moeten voorzien. Ik leef nu met veel genoegen in mijn kleine huis zonder badkamer of waterleiding. Ik heb het zelfgebouwd en ken elk hoekje. Als er een probleem is kan ik dat tot nog toe altijd oplossen. Ik vind het niet erg minder voorzieningen te hebben en heb mijn manier om daarmee om te gaan. Toch, maar weinig mensen zullen vrijwillig zo’n simpele levensstijl aannemen en soms worden ze er op veroordeeld.
Er zal een dag zijn dat niets meer vanzelfsprekend is. Dan zal het veranderen. De dag dat niet alles zomaar te vervangen is en de dingen weer een ziel krijgen. Alles in het leven moet hanteerbaar zijn, voor nu en in de toekomst. Dus ga ik uit van wat ik zelf wil en aan kan. Dus hier woon ik dan, in mijn eigen mooie lieve zelfgebouwde huis. Klein, maar wel geïnspireerd door de schepen waar ik aan werkte. Het ritme van de spanten, de huid, en hoe dit alles leeft in zomer en winter, bijna als een organisme. Het leven inspireert mij zelf en ik pas me aan aan de omstandigheden. Ik zou hier nog jaren kunnen wonen. Laat iedereen die eenvoudig leven wil dit kunnen doen.

.

.