OOR VOOR LUISTERLANDSCHAP (Ears for sonic landscape)

.

Mei de skries fan e Fryske greide giet it net sa goed

.

Een bos of wei hoort vol te zijn van het levend concert, maar dit sonisch landschap verdwijnt overal, in snel tempo. Een boeiend web van geluid lijkt een gunst in het leven, een aangename bijkomstigheid, maar het heeft nauwelijks rechten. Het is tijd om de noodzaak ervan te herontdekken. (Mede geïnspireerd door David George Haskell.)

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want tot listen to the ENGLISH translation? Push the button under the text

Hoe eenvoudiger ik leef, hoe rustiger ik word. Muziek luisteren is ook iets wat ik steeds minder doe. Toch, soms krijg ik echt zin om te swingen. Dus dan ik probeer het maar weer eens. Ik pak de laptop en open I Tunes. En ja, daar komt mijn muziekbibliotheek tevoorschijn, met allerlei plaatjes keuzes te zien. Allemaal muziek die ik gekocht heb. Ik klik op Miriam Makeba, maar ik hoor niks. Wat nu? Eerst maar eens inloggen bij Apple. Ik ben mijn wachtwoord vergeten en ben een paar minuten bezig. Vier keer moet ik een code invullen. Steeds weer een andere. Net voor ik ongeduldig word lukt het om er op te komen maar ik kom er niet achter wat er is. Ik ga terug naar mijn collectie. Daar gaf ik een paar honderd euro aan uit. Ik kom er steeds meer achter dat dit eigenlijk niks betekent. Ik ben er geen baas over. Er kan van alles zijn. Een nieuwe laptop waarop I Tunes niet meer werkt, of je moet ineens bijbetalen voor iets waar je allang voor betaald had. Geen idee wat het nu weer is. Uiteindelijk geef ik het op. Zo gaat het vaker. Uit dat ding, dichtklappen en weg ermee. Het is immers lente.

In de lente is alles muziek. Alles is vol geluid, gefladder en gefluit. De puttertjes piepen in het veld als ze niet in de gaten hebben dat ik er ben. De karekiet is tot mijn verrassing terug, en fluit zijn riedel in het riet. De groenlingen, de ringmussen hoor ik elke dag achter mijn wagen ruzie maken en zaad eten. Ook de pimpelmees, de koolmees, de merel en de vinken hoor ik. De winterkoning is druk bezig met nestjes bouwen en vliegt van hier naar daar. In en om het water laten waterhoentjes en meerkoeten weten dat de winter voorbij is. Ik luister de hele dag door. Elke vogel kan ik van de ander onderscheiden zonder hem te zien. Voor ik ze gespot heb, hoor ik ze en ik weet dat ze er zijn.

Eigenlijk is het een verwaarloosd deel van de schepping. Het geluid. Net als geur eigenlijk. Het zijn de ongrijpbare dingen van het leven. Maar als de zanger niet zingt wat rest ons dan nog? Geluid verbindt en onthult. We kunnen met het oor zien wat voor het oog verborgen is. We kunnen een sfeer creëren met elkaar. Zingen, spreken of fluisteren. Of iets verkondigen met luide stem. We kunnen luisteren met fonkelende ogen en rode wangen of zacht en verontwaardigd sissen. Dieren kun je zachtjes horen sluipen, als er een takje kraakt onder hun poten. Ze springen, grommen of fluiten, en elk dier luistert. Waar zijn de anderen, waar is het gevaar? Elk geritsel, geklop, geblaf of gekraai is belangrijk. De verscheidenheid aan bomen en struiken maakt het geluid nog gevarieerder. Het is de akoestiek van het landschap.

Een landschap hoort vol te zijn van dit alles, maar het verdwijnt steeds meer. Geluiden zijn een gunst in het leven, maar ze hebben nauwelijks rechten. Het web van geluiden, de akoestische wereld van een bos of wei, kan zonder ophef naar de kloten worden geholpen. Weinigen merken het op, hoe luisterlandschap almaar kariger wordt. (Ik ben toch blij dat dit in Friesland anders is, hier weet men, het is stil geworden op de weiden en het wordt zeer betreurd en er wordt hard aan gewerkt.)

Ik stop de laptop terug in het vakje waar hij hoort en stap langzaam het bordes op, zonder te stampen of met de deur te klappen. De vogels hoor ik nog steeds, maar ik zie ze niet. Ze zitten achter het lichtdoorlatende zeil. Het is geen mooi zeil meer. Het is oud en het wordt steeds groener. Maar het werkt en de dieren en ik zijn er aan gewend dat het zo is.

Er is veel leven op deze stille plek, twee kilometer van de weg af. De vroege ochtend is bijna voorbij. Het is het allermooiste deel van de dag en ik wil het niet meer missen. Het concert aan geluiden is voor mij een reden om andere concerten te laten gaan. Ik hoef nergens heen, want de ochtend geeft mij meer dan ik in jaren heb gehoord. De wereld aan geluiden, dat is het wat ik wil helpen scheppen. Gezoem van bijen en hommels horen. De grutto en de kievit in de wei in het voorjaar, de uilen en de kramsvogels in de winter. Hoe langzamer ik leef, hoe beter ik kan luisteren. Laat I tunes maar in de plomp zakken. Ik ga live.

PS Binnenkort is het vier mei, dan kan je weer twee minuten luisteren naar de stilte. Maak er wat moois van met elkaar! Hieronder staat het artikel dat mij inspireerde.

.

Foto: Alowieke van Beusekom

.

NEDERLANDS

ENGELS

We verwaarlozen de sonische diversiteit van de natuur en lopen zelf risico. Menselijke activiteiten leiden onze aandacht af van de levende aarde. Dit is waarom dat belangrijk is. David George Haskell

This story was originally published by Yale E360 and is reproduced here as part of the Climate Desk collaboration.

Geluid wordt gemaakt van de meest kortstondige dingen op aarde, onaanzienlijke luchttrillingen. Toch is geluid ook de grote verbinder en onthuller. Omdat geluidsgolven door en rond obstakels gaan, verbinden ze levende wezens met sonische informatienetwerken. Sommige van deze netwerken zijn communicatief – liedjes, muziek en spraak – en sommige komen neer op afluisteren – roofdieren en concurrenten die naar elkaar luisteren terwijl ze ademen, bewegen en eten. Luisteren kan dus de onzichtbare dynamiek van de levende wereld onthullen. In een tijd van crisis en snelle veranderingen biedt luisteren ons een krachtige manier om verbinding te maken en te begrijpen.
Maar wat we horen is vaak geluidsverlies. Een deel van dit verlies wordt uitgewist door het uitsterven van soorten. Het lied van de Kaua’i ʻōʻō, een honingeter uit Hawaï, of de boomkikker aan de rand van de Rabbs uit centraal Panama zal nooit meer door de bossen weerklinken. Een andere vorm van verlies is de verminderde sonische diversiteit van habitats: een vermindering van de verscheidenheid aan melodieën, de rijkdom aan lagen van verschillende geluidsfrequenties, het bereik van verschillende tempo’s en de tijdelijke variabiliteit van sonische expressie door dagelijkse en seizoenscycli. Boomplantages of rijgewassen zijn akoestisch flauw en bloedarm vergeleken met de kracht en weelderige sonische variaties van een bos dat rijk is aan divers leven. Overmatig motor- en industrieel geluid veroorzaakt ook verlies van sonische diversiteit door andere geluiden te verstikken en de akoestische banden te fragmenteren die vroeger bevolkingsgroepen en gemeenschappen met elkaar verbonden. En dan is er nog het verlies veroorzaakt door onze onoplettendheid. Wanneer we niet langer luisteren, wordt de rijkdom van de menselijke zintuiglijke ervaring, een noodzakelijke basis voor juist handelen, uitgehold.
Elke habitat op aarde heeft zijn eigen sonische signatuur, gemaakt van de duizenden stemmen die op elke plaats aanwezig zijn. Het duurde lang voordat deze sonische diversiteit ontstond. Predatie hield waarschijnlijk honderden miljoenen jaren lang een deksel op de sonische communicatie. De eerste dieren in de oceanen en op het land konden horen, vooral in de lage frequenties. Zingen of schreeuwen was daarom de dood uitnodigen. Tot op de dag van vandaag zijn vocale wezens degenen die snel kunnen ontsnappen of zichzelf kunnen verdedigen. De kikker, krekel en vogel danken hun gezang voor een deel aan hun springende poten of vleugels.
Toen communicatief geluid eenmaal evolueerde, te beginnen met oceaanvissen en schaaldieren en krekelachtige insecten op het land, diversifieerden de creatieve krachten van evolutie al snel het geluid, waarbij ze eenvoudige kreten aannamen en de complexiteit en nuance opbouwden die we tegenwoordig om ons heen horen. Deze creatieve evolutionaire processen werkten over vele tijdschalen, en dus onthult geluid de vele lagen van de generatieve krachten van het leven. Verlies van de geluidswereld tast de erfenis van deze verschillende tijden aan en vermindert de evolutionaire creativiteit en mogelijkheden voor de toekomst.

.

Lees verder “OOR VOOR LUISTERLANDSCHAP (Ears for sonic landscape)”

REUSACHTIG RIJK IN ROEMENIË . . . . . . . . Immensely rich in Romania

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want te hear the English translation? Click on the button at the bottom of the text.

.

Zorgvuldig stop ik de kleine boompjes onder de berg compost. Deze moeten nog. Hoeveel heb ik er nou geplant? Honderddertig, geloof ik. Nog tweehonderdtwintig te gaan. Ik recht mijn rug en kijk naar het resultaat. Al heb ik er al veel geplant, je kan er nog maar weinig van zien. Het moet een mooie beschutte plek worden. In de lente ben je straks door bloesems omringd. Nu zijn de boompjes nog klein en hebben nog geen blaadjes. Maar ooit is het een dikke haag, met wilde lijsterbes, meidoorn, els en sleedoorn…. Op deze plek zullen we vast ooit voedsel oogsten. Maar dat heeft geen haast. Ik wil de bodem met rust laten en niet spitten. De bomen zullen de grond vanzelf los maken, koolstofrijk en vol bodemleven. En waarom haast maken? Er is nog altijd de winkel. Ja, er is alle tijd. Hoewel je dat nooit zeker weet.

Ik kijk uit over het uitgestrekte weidelandschap. Ik had ook heel ergens anders kunnen wonen. In een bergdorp in Roemenië. In 2011 was ik uitgenodigd door een kennis die daar woonde, als enige Nederlandse van de gemeenschap. Ik was daar. Zo anders was het er! Hier kijk je uit op de horizon. Ik ben gewend aan die ruimte, als poldermeisje. In Roemenië waren bossen die nooit ophielden. Ik ben er geweest, toen. Ik speelde met de gedachte om er te blijven. Misschien.

Het land trok me. De eenvoud die er nog was, het oude handwerk wat nog leeft. Het landschap, dat nog van zichzelf is, en niet al duizend jaar een bestemmingsplan heeft en ontelbaar keer is omgeschept. Ik ging erheen, en omdat ik een jaar lang vijf uur per dag Roemeens had geleerd, kon ik kleine gesprekjes voeren met bewoners. “Wat moet je daar op het platteland?” zeiden ze thuis. “Het is zo’n andere cultuur en er is zoveel armoede!” Maar niemand van hen had het die mensen ooit gevraagd. Wie zegt dat ze dat zelf ook vinden? Ik kon dat nu te weten komen. Ik herinner mij er nog veel van. Het is nu elf jaar geleden.

Ik door de bossen de heuvels in. Overal zijn bomen, er lijkt geen eind aan te komen. Als poldermeisje krijg ik het er benauwd van. Wanneer houdt het op? Verdwaal ik niet? Ik loop op een smal paadje dat ineens lijkt te stoppen. Waarheen nu? Ik kijk om me heen en zie licht verderop, tussen de bomen door. Achter een grote boom loopt het pad door en het eindigt in een open plek. Nieuwsgierig kijk ik om me heen. Er staan grote pollen bloeiend gras en er groeien bloemen en kruiden. Dan struikel ik over iets. Oeps… Het is een vrouw. Ze ligt op haar zij in foetushouding en doet sloom haar ogen open. Dan komt ze overeind en kijkt me zittend aan. “Hallo”, zegt ze in het Roemeens. “Ik was in slaap gevallen.” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze is al wat ouder. “Ce vache?” vraag ik. “Heel goed!” straalt ze. “Ik heb twee koeien weet je, en die grazen daar ergens. Ondertussen slaap ik. Straks komen ze vanzelf weer terug. Met melk! Heel veel melk! En ik hoef er helemaal niks voor te doen. Ik kan hier gewoon een dutje doen in de zon. Is dat niet prachtig?” Ik knik enthousiast en lach. Dat is paradijselijk. En wat fijn dat ik haar kon verstaan. Heet dit nou armoede?? Ik loop verder en vind de weg weer terug.

Ook in het dorp is het rustig. Als ik de winkel binnenstap liggen er maar een paar dingen op de plank. Een paprika, een krop sla en een paar broden. Meer niet. De mensen hebben zelf alles. Het brood kost maar een paar cent. Wat zijn ze rijk hier.

En nu sta ik hier op deze harde weidegrond. Ik ben niet gebleven, daar, in Roemenië. Nee. Ik koos ervoor terug te gaan. Ik voelde me geroepen het hier te doen. Juist thuis! Voor mij is thuis het Noorden van Nederland. Boompjes planten, nu. Het zal nog wel even duren, voor het massa krijgt. Vorig jaar werd alles zaaide opgegeten door de slakken. Nu ruik ik ratten. Die ratten eten de slakken op. Ratten lusten graag slakken. Ik heb veel lege huisjes gevonden, met keutels ernaast. Nou, voorlopig doen ze maar. Ik heb geen last van ze en kennelijk is het nodig. Ik luister naar de constante dreun in de verte. Daar, over de snelweg gaat een colonne vrachtwagens voorbij. De Haak heet hij in de volksmond. De weg gaat een paar honderd meter verderop de bocht om. Vele boeren zijn onteigend voor die weg. De vrachtwagens bevoorraden winkels en bedrijven, overal en ergens. Wie weet hoe ver ze moeten rijden. Ik hoop dat die vrouw daar in Roemenië nog steeds haar dutje doet, in de bossen. Dat ze niet gekapt zijn door grote gulzige bedrijven en niet doorkruist met vele asfaltwegen. En dat ze nog steeds haar eigen groenten heeft en melk. Helemaal niet armoedig. Maar reusachtig rijk in eenvoud en tevredenheid. Zover zijn wij nog lang niet.

.

Nederlands:

English:

For the next english story, skip the following four blogs.

Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Wat je wilt en wat je krijgt

.

Afbeelding van Alowieke

“Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn de mezen, die me het eerst begroeten als ik weer thuis ben. Zodra ik ’s ochtends in mijn buitenkeuken zit, komen ze tevoorschijn. “Twiet!” roept de zwartgekapte koolmees. Ik fluit terug en pak wat zonnepitten uit de glazen pot. Ik doe ze in de schil van de kokosnoot. Die hing er al voor ik kwam. Het is kennelijk een traditie die hoort bij deze plek. Ik doe daar graag aan mee. Na mij komt vast weer een ander, het zal de mezen niet uitmaken. Ik hoop dat die ook voor de vogels zorgt. Elke mezenpopulatie die overleeft is er eentje. En al komt er na mij toch wel weer een ander, nú zijn ze mijn vriendjes en ze weten heel goed dat ik het ben.

Ik kook mijn havermout op het elektrisch plaatje en kijk. De pimpelmees is een mooi geel met blauw vogeltje. Hij is minder doelgericht dan zijn verre neven en nichten uit de koolmeesfamilie. Rustig neemt hij de tijd, kijkt even hier en daar, voor hij uiteindelijk in het ronde bakje pikt. Hij neemt het zaadje mee in zijn snavel. Geklemd tussen de poten peuzelt hij het op, net als de anderen.

Na het ontbijt begint de dag. Het eerste wat ik wil doen, is terug gaan naar It Wiel. Voor ik op vakantie ging, had ik een plan gemaakt. Ik zou een vlot bouwen, en tot mijn verrassing vond ik vlak bij de juiste mensen die me zouden kunnen helpen. In It Wiel staat een bedrijfsverzamelgebouw. Er is klein bedrijfje dat me steigerdelen kan leveren en mijnheer Arnold heeft tweedehands plastic tonnen. Gisteren ben ik er geweest. Hij was er niet. Vol goed moed ga ik opnieuw op pad. Ik heb wind tegen. Rammelend komt de fietskar achter me aan. Er in zit een spanband, om de ton straks vast te maken. Als ik het terrein op fiets, vind ik opnieuw de deur gesloten. Bij het timmerbedrijf is wel iemand. Een vrouw komt van achter naar voren lopen. Ze is van de administratie en ontwerp, zegt ze. Over ruim een maand gaan ze verhuizen. Beduusd vraag ik wat er dan in komt, maar dat weet ze weet niet. “Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer. Die zit vol smalle latten. Mooi aanmaakhout. Ik stal mijn karretje vlak naast de ijzeren bak en klim erin. Er zit een mooi rond gat in het ijzer, dat op de rand gelast is. Het is bedoeld om de container op te kunnen hijsen. Ik gebruik hem voor wat anders. Ik steek de latten in het gat en breek de één na de ander op maat. Tussen de latten liggen ook tientallen trommelstokjes van beukenhout. De meesten zijn beschadigd. Zouden die van Sytze Pruiksma zijn? Zorgvuldig werp ik ze in mijn karretje, tot het vol is. Dan klim ik de container uit en beland met een sprongetje op de grond. Het is een mooie oogst, al was het niet waarvoor ik op pad ging.

Wat je bedenkt is niet altijd wat er gebeurt. Hoezeer ik ook geloof in wat ik doe, en dat dat goed is. De mens wikt, maar God beschikt, zei opoe. Nou had God kennelijk beschikt dat ik maar beter warm de herfst in kon, dan met dat vlot bezig te gaan. Om in Opoes woorden te spreken; alles op zijn tijd. Ik ga het volgende week wel weer proberen, met die drijvers. Nu dit. Ik buk me, pak de lange latten die ik opzij had gelegd. Ik leg ze op de berg hout in mijn karretje, precies zó, dat ik ook nog de bocht om kan. Ik open mijn zwarte fietstas. Die is nat van de regen. Ik pak de tweede spanband die daarin zit. Die trek ik strak over de berg hout heen. Nu zit het muurvast. Vol vertrouwen fiets ik weg. Zo kan ik elke kuil in Jochums Reed aan.

Ik draai met een vaart het veld op en rijd in één stuk door naar het houten hok in de hoek. De wilgebomen ernaast buigen steeds verder over het dak heen. Dat lekt nog steeds en het wacht op de laatste werkzaamheden. Eigenlijk is dat een pleehok. Er is nu toch niemand, dus gebruik ik het maar, in ruil voor het onderhoud. Fijn hoor, zo’n hok. Ik open de houten deur, trek de plastic bak uit het frame van de fietskar, en kieper hem leeg. Het begint te regenen met dikke droppels. Met een armvol houtjes ren ik de vijfentwintig meter terug naar huis. Snel klauter ik het natte bordes op en duik in mijn hol in. De herfst is echt aangebroken. En hier sta ik dan. Vlak voor me op de vloer ligt mijn welverdiende warmte. Ik open de klep van de kachel en verheug me.

.

.

Te gaan wanneer je blijven wilt

.

Moeten kiezen wanneer je je verdeeld voelt is moeilijk. Maar zonder knopen door te hakken vind je geen grond onder de voeten.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Waar ben ik en wat doe ik hier? Die vraag heb ik mezelf gesteld, de afgelopen maanden. Ik ben er uit. Ik weet waar ik ben, en dat is op oude zeebodem, niet ver van waar ik geboren ben. Ik, Alowieke Margreeth, Dochter van de Zee. En ik weet wat ik hier te doen heb. Ik noem dat “geworteld” zijn. Dat vind ik belangrijk. Een mens kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn. Dat wordt altijd schipperen. Daar kies ik niet voor. Maar al wil ik het niet, ik kom het nu toch tegen.

Toen mijn vriend voor drie en een halve maand naar een holistische leefgemeenschap vertrok, bleef ik hier. We bellen elkaar bijna elke dag. Zodoende verdeel ik mijn aandacht nu toch. Ik hoor verhalen over mensen die ik niet ken op een plek die me vreemd is. Dat is raar. Dus moet ik er toch maar eens heen vind ik. Ik pak mijn rugzak in en ga op pad. Het is vier uur reizen naar de Vlierhof, net over de Duitse grens, vlakbij Nijmegen. Ik word met open armen ontvangen. Mijn vriend omhelst me, anderen schudden de hand of lachen vriendelijk. Ik spreek met diverse bewoners en overal is werk te doen. Aan de gebouwen, langs het pad, in de moestuin. Er staan iets minder brandnetels dan thuis en er groeien even veel vlierstruiken. Ik help met het schoonmaken van het gastenverblijf en zet een houten vloer in de was. Ik geniet van al die bedrijvige handen en de dag is snel voorbij. ’s Avonds aan tafel spreek ik hardop mijn twijfel uit, om morgen weer weg te gaan. Ik zie mensen knikken en grijnzen en de één na de ander wil me overhalen om te blijven. Met moeite hak ik de knoop door: Ik ga wèl terug.

Ja, de hele wereld is mijn thuis en ik kan met veel mensen door één deur. En mijn vriend is nu ergens anders dan waar ik ben. Maar ik kan niet overal zijn.

Waarom ga ik terug naar huis? Het is niet alleen de band met het weidse Friese land, er is een extra reden voor. Ik heb me voorgenomen mijn buren te helpen en dat doe ik ook. Ik wil naar Frijlân, het kleine ecodorp waar ik in 2018 bijna een jaar verbleef. Ik sta de volgende dag vroeg op. Het is niet heel ver, maar toch een paar kilometer. In het open landschap kan je het oranje pannendak van verre zien. Linea recta lijkt het dichtbij. Je zou een leuke route kunnen nemen er naar toe. Aan de overkant van de Zwette is een fietspad, dat leidt tussen een sloot en de trekvaart door. Linksaf en vlak voor de kleine brug naar rechts, dan ben je er zo. Maar ik kan niet over het fietspad, er is geen boot vrij om over te steken en er is ook nog geen pontje. Dus fiets ik om, over de weg, door de dorpen. Als vanzelf gaan mijn trappers rond. De lucht is vochtig en staat bijna stil. De wijde hemel is weldadig. Wat een ruimte! Witte wolken drijven door het blauw. In de wei grazen schapen en op het hok staat een pauw zonder staart. Dat herinnert me eraan dat het weer herfst wordt. Ik sla af, het bekende pad in. Het oranje pannendak, dat ik thuis al kon zien, komt steeds dichterbij. Ik rijd langs de oude stal het erf op, zet mijn fiets neer en trek mijn vest uit. Een zacht briesje verkoelt mijn bezwete hals.

Aankomen is thuiskomen. Frijlân is een gastvrije plek geworden waar je kan oefenen in zelfvoorzienend leven. Er is hart voor de natuur. Dat zie je. De groene stip op de kaart wordt steeds groter. Op het erf lopen mannen en vrouwen rond. Een jongen begroet me lachend. Hij heeft er zin in. En zo vieren we de dag. We gooien met vergane strobalen, en scheppen containers leeg met iets wat twee jaar geleden stront en zaagsel was. Een oudere vrouw kijkt fronsend toe, als ze ziet dat ik zonder handschoenen werk. Ik leg uit dat stront die al zo lang vergaan is, niet vies meer is. Het is prachtige aarde aan het worden. We mixen alle ingrediënten op de grote hoop en pluizen wat klonten stro uit elkaar. Het is een composthoop om trots op te zijn. En als de spades en hooivorken terug de schuur in gaan, is er soep. Ik boen mijn handen met water en zeep en loop naar de grote houten tafel. Die zit vol mensen. De gastvrouw straalt. “Is dit niet mooi? Eèn en al levendigheid!” Vlak voor mijn neus staat een dampende kom. Ik lach haar warm toe.

Een mooie wereld maken we stap voor stap, met elkaar. Dat gaat het beste als je bent waar je bent, onverdeeld en toegewijd. Soms is dat lastig. Dit verhaal van mij is maar een voorbeeld. Ook jongeren in onze tijd zitten er vaak mee. Dat je niet weg wilt, maar toch moet. En omgekeerd precies hetzelfde. Dat hoor je ook op Frijlân terug. Sommigen zouden graag bij familie en vrienden zijn, op geboortegrond. Dat kan meestal niet. We worden uit elkaar getrokken. Hoe blijf je trouw aan jezelf? Die keus te maken, dat is een hele opgave. Maar wie zich verdeeld voelt en de keus niet maakt, vindt geen grond onder de voeten.

PS: Zijn er jongeren uit Jellum en Bears die graag in de buurt zouden willen blijven wonen in een tiny house? Dan zou ik je graag ontmoeten. Ook jongeren uit andere dorpen zijn welkom voor een kop thee. Ik wil hier graag meer over horen en meedenken.

.

.

“”

Gluren naar de karekiet

De stem van de natuur en haar rechten

.

.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan, zoals deze kennismaking met de karekiet het begin daarvan illustreert. (Je kunt ook luisteren naar dit verhaal. Klik op de link onder de tweede foto in deze tekst.)

Het is zomer aan het worden. De Swetteblom wordt steeds meer bezocht door stadsmensen, die het drukke leven moe zijn. De rust die deze plek uitstraalt is weldadig en steeds meer mensen weten het te vinden. Er zijn weekendgasten en soms mensen die hier langere tijd verblijven. Het veldje naast de Swette is erg populair. De hele winter liep ik daar om naar de aangrenzende steiger te gaan, voor mijn dagelijks bad. Nu doe ik dat niet meer. Niet nu er mensen staan. In plaats daarvan heb ik een geheim paadje gemaakt, verderop, dwars door het riet.

Het is half acht in de ochtend. Ik haal de kleden weg die mijn kleine huis verduisterden voor de nacht en open de deur. De zon schijnt met een zacht licht. In de verte hoor ik het heldere gefluit van de winterkoning. Ik denk dat hij een tweede nest heeft in de oude wilg. Ik wikkel de handdoek om mijn heupen en zet het vast met een ijzeren knijper. Nu heb ik een groen rokje aan. Met blote voeten in de klompen stap ik het bordes af, loop om mijn wagen heen en kruip door het poortje in de wilgenhaag. Nu het veld steeds vaker bezet is door gasten, heb ik mijn eigen paadje gemaakt, naar de weg. Zachtjes loop ik over het veld, mijn klompen pletten de harde stengels van het gemaaide gras. Ik steek Jochumsreed over, de zandweg vol stenen en kuilen, die naar de boerderij leidt. Ik speur naar de plek waar ik moet zijn. Een inheemse berenklauw markeert de ingang van mijn spoor door het riet. Het is maar heel smal en omlijst door een paar brandnetels, om nieuwsgierigen af te schrikken. Het paadje gaat direct de bocht om. Mocht iemand iets opmerken, dan lijkt het net alsof het daar al ophoudt. Alleen ik weet het te vinden. Daar, in die brede strook riet, daar komt nooit iemand.

Ik houd mijn adem in, wanneer ik tussen de brandnetels door loop. Ik leerde het van mijn moeder. Houd je adem in, dan prikt het niet. Voetje voor voetje loop ik over het klomp-brede pad, de bocht om en verder. Het riet strijkt langs mijn lichaam. Dan ben ik er. Daar, aan het water, heb ik een open plek gemaakt. Het is maar een vierkante meter, en het hoge riet vormt een dichte wand rondom mij, die hoger is dan ikzelf. Er ligt een dikke laag hooi. Het is een heel fijn nestje. Een nest dat niemand weet. Niemand? Dat dacht ik maar.

Ik trek mijn shirt uit. Dan hoor ik een zacht fluitje, vlak bij mijn hoofd. En daarachter klinkt geritstel. Heel langzaam draai ik mijn hoofd om. Het zijn twee karekieten. Ze komen steeds dichter bij en gluren naar me, tussen de rietstengels door. Nog trager dan net ga ik op mijn hurken zitten. Ik kijk naar hen en zij kijken naar mij. Heel lang, want niemand heeft haast. Tot ik me herinner dat ik ging zwemmen. Ik buig me naar voren. In het water staat een trapje, diep in de modder gedrukt. Ik span mijn spieren om heel langzaam die grote stap te nemen. Via het trapje glijd ik, traag en geruisloos als een krokodil, het water in. Er is nauwelijks een rimpeling. Ik glijd tussen de drijvende plompebladeren door, zoals ik dat leerde met kunstzwemmen: de benen gestrekt en strak als een duikboot. Mijn armen houd ik dicht bij mijn lichaam en mijn handen bewegen heen en weer als de vinnen van een vis. De karekiet gaat in een rietstengel verderop zitten en fluit zijn liedje. Boven het water vliegen talloze mugjes en een klein vlindertje. Overal hoor ik karekieten. Ze zitten ongeveer om de twintig meter en sommigen vliegen al fluitend steeds heen en weer naar de overkant. Stil kijk ik om me heen. Het water is niet heel koud meer maar nog wel fris. De kou trekt langzaam door mijn armen mijn lijf in. Langzaam drijf ik terug. Net zo geruisloos glijd ik terug naar het trapje. Traag als een oosterse butohdanser kruip ik terug de wal op. Ik ben een wandelende boom, zeg ik tegen mezelf. Je ziet bijna niet dat ik beweeg. Het hooi veert onder mijn blote voet. Het is warm en zacht. In het riet hoor ik opnieuw geritsel. Kleine kraalogen gluren naar me, tussen de stengels door.

Zo kan het zijn, wanneer we plekken behouden voor de dieren. Het riet is van de karekiet, ik ben hun eerste menselijke gast. Hij vertrouwt me, want het vertrouwen is nog nooit beschaamd. Zo kan het zijn. In het drukke mensenland zijn er nog altijd plekken als deze. Kleine stroken buiten onze paden. Stroken van soms maar een paar meter breed, zo begroeid dat niemand eraan denkt het te verkennen. Soms is het een kreek, een moddersloot, en maar weinigen zullen zich vuil willen maken om te zien wat daar is. Natuur en mensen kunnen heel goed met elkaar. Als je maar stil bent. Als je maar weet dat je te gast bent, op deze wondermooie aarde. Mensen zijn geen vernietigers. Maar alleen als we onze voetstap klein houden en onze bewegingen langzaam en betrouwbaar. Tevreden zijn met niets.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan. Die weten op welke stukken land we de baas zijn, en waar niet. Mensen die ecologische vrijplaatsen aan kunnen wijzen en zich daarover met anderen kunnen verhouden. Met elkaar kunnen we leren hoe dat moet, hoe we ons als gast kunnen gedragen. Wat is daar? Op die paden, buiten de onze? Een verkenningstocht is prachtig. Maar mysteries moeten er blijven. Met respect voor het nest van de buren. Hoe kan je dat respect hard maken?

Wereldwijd zijn er 369 initiatieven gestart om rechten toe te kennen aan de natuur. De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Boven alles hoop ik, dat wij met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. Wil je hier meer over de rechten van de Aarde lezen, ga dan hieronder verder.

.

TIP …. Kom vanavond om half zeven naar het Hofplein bij het gemeentehuis in Leeuwarden. We demonstreren tegen de nieuwe woonwijk, die pal tegen een vogelweidegebied aan komt te liggen. Er is een milieurapport geweest. De gemeente moet driehonderd meter afstand houden, maar vertikt dat. Wij willen laten weten dat dit niet kan.

En dit kan altijd. Deze petitie tekenen. Hier word je ook aardebeschermer: https://www.stopecocide.nl/word-aardebeschermer

.

.

In Ecuador wordt de natuur gezien als uiting van Pachamama, de Inca-vruchtbaarheidsgodin. Je zou haar kunnen zien als “Moeder Aarde”. In de GalaposIn 2008 werd als eerste land ter wereld in de grondwet opgenomen.om de rechten van de natuur op te nemen. Pachamama heeft niet alleen bestaansrecht, maar ook het onderhoud en herstel wordt vanaf nu in de gaten gehouden. Het gaat om levenscycli, structuren, en evolutionaire processen. In 2011 was er een eerste rechtszaak, aangedragen door de bewakers. Het ging om de Vilcabamba-rivier, die had geleden onder puinophoping van een wegverbredingproject. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de rivier. De rechten van Pachamama werden wettelijk gehandhaafd. Andere landen waar de wet voor de natuur al is aangepast, zijn: Colombia, Australië en de VS. Thomas Berry, een Amerikaanse cultuurhistoricus heeft er diep over nagedacht. Wetten van de samenleving horen volgens hem voort te komen uit de wetten van de natuur. Het universum is een ​​gemeenschap van levende onderwerpen, niet een verzameling objecten”. Ook Christopher Stone, professor in de rechten aan de Universiteit van Zuid-Californië, schreef uitgebreid over dit onderwerp in zijn baanbrekende essay, “Should Trees Have Standing”. Overal ter wereld zijn er mensen die hier over na denken en aktie ondernemen. In Bangladesh was het de Tourag rivier die nu mag bloeien en vloeien met alle rechten die erbij horen. De rivier was aan het verdwijnen doordat bedrijven en overheden zand en vervuilde grond in de rivier stortten om daarop industriële gebouwen te realiseren.  Daar is nu een stokje voor gestoken. Het kan! En ook in India heeft de Ganges rechten gekregen. Lokale gemeenschappen hebben zich daarvoor ingezet. De Indische bevolking vond de vervuiling van de Ganges onacceptabel, te meer omdat ‘Ganga’ de Hindoestaanse godin van zuivering en vergeving is. Vandana Shiva komt uit India. Zij is een activistische geleerde. Ze heeft veel goeds te zeggen. Zij heeft uitgebreid geschreven over de rechten van de Aarde en Earth Democracy, De verantwoordelijkheid van lokale gemeenschappen is in haar visie erg belangrijk. Vooral de vrouw kan volgens haar verantwoordelijkheid terugnemen. De vrouw wil immers haar kinderen goed en gezond voedsel geven. Dat is eeuwenlang haar rol geweest. En gezonde kinderen kunnen alleen maar opgroeien uit een gezonde Aarde. Vandana Shiva is dan ook een prominent vertegenwoordigster van het eco feminisme. Ik ben het met haar eens dat lokale gemeenschappen belangrijk zijn. Van daaruit komt veel kracht. Ook in Nieuw zeeland is de gemeenschap druk bezig geweest. Het is voor elkaar: De berg Taranaki is nu een rechtspersoon. Ook hebben inheemse Maori voorgesteld om rechten aan de Whanganui Rivier toe te kennen. Zij wilden zeggenschap hebben over de visrechten in de Rivier. Overexploitatie kan nu een halt toe worden geroepen. Maar er zit nog een diepere motivatie achter. De Rivier wordt als een spirituele entiteit gezien en zij noemen deze ‘Te Awa Tupua’, dat is: ‘Rivier van heilige kracht’. De Rivier wordt gezien als een levend wezen en als een voorouder en levensbronnen voor de Maori’s. De Maori’s geloven dat hun welzijn en dat van de Rivier een en dezelfde zijn. Zij voelen er zich in hoge mate verantwoordelijk voor en ermee verbonden. Daar kunnen wij nog van leren. En natuurlijk zijn er meer succesvolle wetten gelanceerd voor de Aarde, in Bolivia, Mexico, Uganda. En dan heb ik nog niet eens alles genoemd.

Rechten geven aan de Waddenzee?

De gemeente Nord East Fryslan heeft een motie aangenomen, om rechten toe te kennen onze Waddenzee. Ook aan de universiteit in Nijenrode wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om dit uit te voeren. Miljoenen trekvogels komen er ieder jaar langs, het gebied bulkt van biodiversiteit. Het is een uniek getijdengebied, dat is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Toch wordt het bestaan ervan regelmatig bedreigd door een oprukkende economie. Een pijpleiding of kabel is belangrijker voor onze bestuurders. ze moeten nog veel leren. Want het moet en kàn anders. “Laten we ervoor zorgen dat ook toekomstige generaties van dit gebied kunnen genieten”, zegt professor Tineke Lambooy.

De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Milieuspecialist Jessica den Outer is één van hen. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Jessica den Ouden: ‘Met anderen pleit ik in een aantal artikelen voor het oprichten van een nieuwe publiekrechtelijke rechtspersoon, het Natuurschap. Een rechtspersoon is een juridische constructie, waardoor bijvoorbeeld een besloten vennootschap of een provincie rechten kan uitoefenen. Ook voor kleinschalige betrokkenheid is men bezig zich te organiseren. “Het nieuwe instituut” werkt aan een nieuwe organisatievorm, waarin mensen kunnen strijden voor niet-mensen. “Zoöp” gaat het heten. Het biedt handvaten om als gemeenschap aan het werk te gaan. Al is het maar voor een stuk braakliggende grond bij jou in de buurt. Juist plekken waar niks mee gebeurt, kunnen veel leven ontwikkelen. (Artikel uit Waag, met Klaas Kuitenbrouwer.)

Ik hoop dat dit alles iets teweeg gaat brengen. Dat wij gaandeweg met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. En dan hoef ik ook niet meer te schrijven. Dan kan iedereen het zelf meemaken. Toch? (Belangrijkste bronnen: IVN nieuws, Nijenrode nieuws, Wikipedia en Waag.)



Luisterend naar bomen en boeren

.

.

Liever klein en bedachtzaam, dan groots en meeslepend. Dat is wat de bomen me zeggen. En ook de winterkoning. (Klik op de knop onder de tekst voor de luisterversie van het verhaal.)

.

Het is 22 mei. Er waait een stevige bries en een windvlaag doet mijn kleine huis heen en weer schudden. Het geïmproviseerde windscherm doet zijn werk, het dikke transparante zeil houdt het prima. Een winterkoning heeft mijn plekje ook gevonden. Hij vergezelt me dagelijks, en heeft er zijn nest in gebouwd. Het is mooi verscholen onder een overstekend stuk zeil, op de schutting van pallets en riet. Een rond huisje van gras en mos, met een perfect rond gaatje erin, waar hij precies doorheen past. Heftige rukwinden brengen het niet van zijn plek. Ik hielp met het fundament. Met takken en latjes slepen, daar komt immers een reus aan te pas. Ik kijk er steeds naar. Maar nu zie ik de kleine vogel niet. Is hij er wel? Japie? Ik heb het beestje maar een naam gegeven. Ik kijk en kijk. Het wordt schemerig, de wind gaat liggen. Dan komt Japie ineens naar buiten. Hij duikt onder de wagen om vliegjes te vangen.

Het is één van de verhalen, die groeien wanneer je neerstrijkt. Het verhaal van deze plek krijgt steeds meer kleuren en facetten. Als ik uit het raam kijk zie ik wuivend gras met donkere pluimen. De boterbloemen schitteren als kleine sterren. Langs het Swettepad staan de kerspruimen, die ik plantte. Ik kijk naar ze en zorg ervoor. Als ik het niet doe, doet niemand het. Er komt een maaimachine die ze om maait voor ze groot zijn. Of iemand zet er een caravan tegen aan. Zolang ik waak gaat het meestal goed. Ik kijk of ze niet te nat staan en hoe ze groeien. Ik graaf een gat voor wateropvang. Ik probeer ze niet te vaak te verplanten. Ook wanneer de boer erom vraagt, leg ik geduldig uit waarom dat volgens mij niet verstandig is. Elke boom groeit anders. Ook bomen van dezelfde soort.

De kerspruimen die van begin af aan in de wind staan, groeien recht omhoog, de takken dicht tegen zich aan, om zo min mogelijk wind te vangen. Anderen staan onder hoge wilgen en groeien juist ver één kant op met hun takken, zo snel mogelijk naar het licht toe. Hier ben ik geworteld, hier moet ik het mee doen. Dat is de instelling van de boom. Doorgaan met wat je doet, op de plek waar je voeten in aarde hebt gevonden.

In 2019 begon hier mijn reis. Ik beschreef het in het boek: “Langs kantelende wegen.” En hier ben ik terug gekeerd. Terug bij mijn bomen. Zij zijn het, die me vertellen wat wijs is. Geworteld en licht tegelijk. Licht, met knoppen die voorzichtig ontluiken, in de kille lente van het Noorden.

Het planten gaat door. Ook dit jaar heb ik er velen in de grond gezet, langs het Verhalenpad. Nu de bomen zijn geplant ga ik weer op pad. Niet met het huis. Het zou zonde zijn om de winterkoning zijn nest te vernielen. Het zou zonde zijn van al het gedoe en de energie. Ik zou niet eens wegkomen, want het veld is nog altijd modderig. Nee, ik ga maar een heel klein stukje, een dagtocht. In het verlengde van mijn Verhalenpad loopt mijn pad natuurlijk door. De weg leidt langs de route die ik tijdens mijn reis maakte. Ik kwam in Weidum en Hûns. Ik kwam bij de boerderij van Auke en Rennie. “Op de Him,” heet de plek. De biologische veeboer. Daar wil ik nu weer heen. Ik wil melk kopen in hun boerderijwinkel. Ik heb nooit meer iets van ze gehoord en ben benieuwd hoe het gaat. Ik kijk op de kaart, wat de beste route is. Zonder Wandelhuis kan ik ook het voetpad langs de vaart nemen. Dan kom ik precies uit bij boer Auke. Het is wel negen kilometer. En dan weer terug!

Net zoals de bomen een verhaal vertellen van de plek waar ze staan, zo zijn deze mensen. Hun wortels gaan diep. Boer Jochum heeft zijn verhaal. Ook de jonge boer Sjoerd en boer Auke zijn verbonden met hun land. Bomen en deze boeren, ze boeien me beide. Nu ik geworteld ben, voel ik me lichtvoetiger. Ik ben niet gehinderd door mijn opvallende sleurhut, lege accu’s of scheve wegen. Ik ben niet opgehouden door kijkers, passanten of een boek dat ik ondertussen schrijf. Ik kan beter mijn ritme aanhouden en bij mezelf blijven. Dat zint me. Liever klein en doordacht, dan groots en meeslepend. Ik denk aan de bomen. Blijf waar je bent en vind daar je weg. Dat is wat ze me zeggen. En de winterkoning zegt het ook. Ik denk aan ze. Steeds weer.

.

Ubuntu aan de Oudegracht

.

Uiteindelijk zitten we met zijn allen in hetzelfde schuitje.

.

Ubuntu komt uit Zuid Afrika. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Ook in Utrecht vind ik het terug, op de plek waar ik mijn wortels heb. (Luister naar het voorgelezen verhaal door op de link onderaan te klikken.)

.

Op een geelblauwe OV fiets rijd ik het station van Utrecht uit. Op de brug naar het centrum sta ik even stil om te kijken naar het water in de singel, die opnieuw is uitgegraven. Het is al meer dan twintig jaar geleden, dat we een referendum hadden over de uitvoer van dit plan. Het stukje vierbaansweg dat hier ooit onder de grond verdween, is nu niet meer dan een dwaling in de geschiedenis. Hoeveel dwalingen moeten we maken, om te ontdekken wat van waarde is? Ik kijk naar de grote bomen die pas langs het water zijn geplant. Dan fiets ik verder. Ik heb honger. Hier vlakbij kan ik een biologisch broodje kopen. Dat is al decennialang zo.

Als ik de Zadelstraat in fiets, is tot mijn verbazing de Groene Winkel weg. Er is nu een kledingwinkel. Wat raar. Wie begint er nu een kledingzaak in deze tijd. Dat heeft toch geen prioriteit?? Ik besluit om door te fietsen naar mijn eigen buurtje, de Twijnstraat. Daar is ook een biologische winkel. Ik steek de Oudegracht over, langs de Donkere Gaard en de Lichte Gaard. Het is stil. Terrasjes zijn leeg en er loopt maar een enkeling op straat. Ik slalom weer terug naar de overkant van de Oudegracht. Uiteindelijk nader ik mijn doel en fiets de vertrouwde kleine straat in, die daar al meer dan duizend jaar winkelstraat ligt te zijn. Ik zet mijn fiets neer en ga Ecoplaza binnen. Althans, dat denk ik. Het hoekje van de groente ligt erbij zoals altijd. Ik hoef geen groente en loop door. Dan word ik overvallen door een veelheid aan producten en uitstallingen en de overheersende kleur geel. Verdorie, ik ben in een Jumbo! Ontdaan ga ik naar buiten. Allebei de biowinkels weg. Hoe kan dat nou?

Alles verandert. Veel kleinschaligheid gaat op in grote ketens en anonieme winkels. Gelukkig is er nog de Werf. De plek aan het water van de gracht, waar mijn wortels liggen. Waar de creatieve Willem woont in mijn oude huis, naast zijn buurman David. Soms hoor je hun muziek zacht door de werfdeuren heen. De klanken zwerven over het glinsterende water van de gracht. Alles is stil, de avondklok heeft reeds geluid. Dit is de wereld onder de straat, die je pas ontdekt als je de trap afloopt. In de middeleeuwse catacomben huizen hier nog altijd creatievelingen. Al jaren! Onder de oude bomen is dit een vrijplaats, een bolwerk dat zichzelf steeds vernieuwt. Maar het zijn oude wortels, die de warme glans geven aan dit straatgezicht. En daar, in de hoek, daar zit Jules.

Ik zet mijn fiets neer tegen de reling van de brug en kijk naar beneden. Het is de grijze beeldhouwer, die ik als eerste zie. Nog altijd werkt hij voor zijn kleine werfkelder aan zijn houten beelden. In weer en wind is hij dagelijks buiten, onder een driehoekig wit zeil. Hij is niet vaak alleen. Er zitten nu vijf mensen om hem heen. Twee dames praten aan de picknicktafel. Naast hen liggen van die gekronkelde takken, die ze vaak voor bloemstukken gebruiken. In de hoek liggen er nog veel meer. Twee meter verder is een jonge vrouw aan het werk. Haar werk staat op een hoge boomstronk. Met de beitel houwt ze gestadig aan een beeld vol bochtjes en bollingen. Naast Jules zit een iets oudere vrouw met stijl donker haar. Ze kijkt me ernstig aan. Maar het meest verrast ben ik door de aanwezigheid van een grijnzende zwarte man, in vrolijke kleuren gehuld. Iedereen kijkt hoe ik de trap afkom.

“Wat een gezellige boel hier,” groet ik het gezelschap. “Dit is het enige gezellige plekje in het hele centrum”, vervolg ik, terwijl ik om me heen kijk. Mijn stem klinkt vastbesloten en trots. Ja, trots ben ik op mijn oude buurman, die hier nog altijd werkt. Het rustige geklop van zijn beitel dat al dertig jaar of langer tussen de huizen klinkt. Ik voel me thuis bij zijn eenvoudige manier van leven, en ik heb bewondering voor hem. Steeds weer redt hij het, om van zijn beelden rond te komen. De zwarte man heeft ook een beitel in de hand. De andere steekt hij op naar mij. Ik groet hem vrolijk terug met een handgebaar. Dan kijk ik om naar de donkere vrouw die zit te wiebelen op haar stoel. Zij wil ook kennis maken. “Ik ben Jaqueline,” zegt ze, nog steeds even ernstig. Ik noem mijn naam en ga op de enige lege stoel zitten. Behalve de mensen, is het de boomspiegel die mijn aandacht trekt. Het is met aandacht ingericht tot een mooie tuin. Ik zie longkruid, varens, gele dovenetel… “Mooi zeg, al die plantjes,” zeg ik hardop. Jules wijst naar de zwarte man. “Dat heeft hij gedaan”. Ik lach de man toe, opnieuw verrast. “Dat deed ik vroeger,” zeg ik. “Toen ik hier nog woonde.” Op dat moment komt er iemand uit de deur vlak naast ons. Het is een vitale lange man van een jaar of zestig. “Mag ik bij jou mijn telefoon opladen?” vraagt hij. Jules knikt en de lange man duikt behendig door de kleine deuropening de stoffige werkplaats in. “Wie is dat?” vraag ik. “Hij is mijn buurman,” zegt Jules. “Hij heeft het gekraakt. Een werfkelder zonder elektra en zonder verwarming. Knap hoor, deze winter, met die kou.” Jules kijkt in gedachten voor zich uit. In de gracht zwemt dezelfde gans als vorig jaar, samen met twee eenden. Hoewel ik deze plek zó goed ken, ben ik er stil van hier weer te zijn. Alles lijkt hetzelfde en toch is het anders. De wereld is veranderd. En door al die veranderingen, krijgt deze plek een eeuwigheidsglans. Het is als een parel in een oester, beschermd door de oude werfmuren en de kruin van de moerbeiboom. Beschermd door de mensen die hier zijn. Het is als een Lothloriën van Tolkien, een plek buiten de tijd. Je zou dit overal ter wereld zou kunnen treffen, waar men zichzelf blijft en waar creatieve intelligentie zich thuis voelt. Je vindt er mensen van allerlei afkomst. Dit had in Afrika kunnen zijn, of in Australië.

Wat is van waarde?

Mensen met weinig geld moeten wel creatief zijn. Je bent meer aangewezen op elkaar. Doen wat bij je hoort kun je veel belangrijker vinden dan geld. Daar kies je voor. Een goeie omgang met je buurman ook. Toch gaat de wereld gebukt onder de mensen die in de ban zijn van iets heel anders. Geld, macht, roem. Iedereen mag fouten maken, daarvoor zijn we hier. We mogen gouden torens bouwen en weer afbreken. Naar de top klimmen en naar beneden donderen. Hele volksstammen dragen de gevolgen, door de lawine die er door ontstaat. Daar denk ik aan, terwijl ik hier zit. De straat boven me is stil. Het eens zo bedrijvige centrum van Utrecht ligt er verlaten bij. Maar de verbreding van snelweg moet doorgang vinden, verderop, bij Amelisweerd. Ondanks die gedachte ontspan ik me, en kijk tevreden naar de stoppelbaard van de beeldhouwer naast me. Goddank zijn er nog altijd plekken als deze. Plekken buiten de tijd, waar creatieve gastvrijheid door vele handen wordt gedragen. Dit moet Ubuntu zijn. Ik ben, omdat wij zijn.

.

.

.

“Umuntu Ngumntu Ngbantu: “Ik ben…. omdat wij zijn!”

Ubuntu is een van origine (Zuidelijk) Afrikaanse existentiële wijsheid. Wij in onze wereld kunnen er veel van leren. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Zet hiertegenover onze westerse Descartes-overtuiging: “ik denk dus ik besta”, en ervaar hoe weinig ruimte er in die gedachte zit! De geest van Ubuntu leidt ons naar de transitie die we nodig hebben. We kunnen het vertalen naar onze organisaties en communities. Dit, opdat mensen weer gaan vertrouwen in de kracht van het dialoog.

.

.

.

22-12-21: Verbreding snelweg Amelisweerd gaat niet foor. https://www.trouw.nl/cs-b82db938