Halters in het maanlicht

.

De maan verbindt ons met elkaar, als één groot lied van de nacht

.

Het is vrijdagavond en windstil. De laatste roodborstjes zijn gestopt met zingen, de boeren zijn gestopt met het injecteren van drijfmest en het ploegen van het land, de Brabantse mannen zitten bij hun gezinnen en drinken hun biertje. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik heb mijn plan uitgevoerd, ik maakte een goeie condenskier onder de dakrand. Tevreden zie ik de details voor me, het is gelukt, ik weet bijna zeker dat dit gaat werken. Nu de andere helft van het dak nog. En dan?

Dan is het tijd om te vertrekken naar Friesland. Een vreemd idee lijkt het. Ik kijk naar buiten. De zon is al helemaal onder gegaan. Ik heb de luiken nog niet gesloten. Wat is het stil! De tijd lijkt stil te staan als in een schilderij. Het is of ik hier nog eeuwen zal blijven, alsof er nooit iets zal veranderen. En dat terwijl ik hier misschien al heel snel weg ben! Gek hoor, een vreemd idee.
Ik gaap en staar dromerig door het raam. Het licht van de maan schijnt in de vijver. In de wei staan de schapen nog steeds te grazen. Ik gooi mijn benen van de hoge bank af en sta op om naar buiten te gaan en de luiken te sluiten. Ik schuif een half vergane rieten stoel onder het raam en zet mijn voet op een plek waar geen gat is. Ik glimlach tevreden en duw tot ik het luik zachtjes dicht hoor klikken. Met luiken dicht is mijn huis een echte wooncocon, waar je heerlijk in kan slapen. Nu de andere kant nog. Aan de andere kant staat de steiger, omdat ik daar nog aan het dak moet werken. Ik klim op de dikke planken en sluit ook deze kant af.
Ik klauter weer naar beneden en blijf bewonderend staan. De hemel is zwart en de sterren lijken op speldenprikjes in bordkarton. De toenemende maan is helder. Het is dezelfde maan als die in Friesland schijnt, dezelfde als op Frijlân. En ook is het dezelfde als die een Nederlandse sojahaven oplicht in Brazilië en die het verlaten dorp beschijnt wat er naast ligt. Er zijn zoveel verhalen! De maan verbindt ons met elkaar, als goede en de trieste strofes, alles in één groot lied van de nacht.

Ik maak mijn blik los van de nachtelijke hemel en buk me. Bij het bordes staat een kistje, dat ik gebruik als opstapje. Hij ligt omgekeerd, met een extra plank erop, zodat je er niet opeens doorheen zakt. Ik leg de plank opzij en draai het kistje op zijn kant. Eronder liggen twee halters van zes kilo. Ik heb ze aan een stuk bezemsteel bevestigd en voel het warme ronde hout in mijn eeltige werkhanden. Ik ga op mijn rug op het kistje liggen en doe één voor één alle oefeningen om arm, rug, en borstspieren te trainen. De maan lacht recht in mijn gezicht en verdwijnt half achter wolkenflarden. Hij speelt ermee en maakt een kring van roze weerschijn in bewegende sluiers. Ik vraag me af, wie kijkt er nu nog meer naar de maan? Ik ben vast niet de enige…

.

.

.

 

 

Terwijl ik mijn halters hef, op en neer en weer en weer, straalt het maanlicht in mijn gezicht. Ik voel mijn armspieren werken en denk aan wat ik vandaag las. Het waren een paar artikelen over de Nederlandse bemoeienis in Brazilië. Ik zie het voor me als in een droom.
Terwijl ik naar de zwarte lucht tussen de sterren kijk, zie ik enorme majestueuze wouden. In snel tempo worden de bomen gekapt en met vrachtauto’s naar binnenvaartschepen gebracht, met Nederlandse namen erop. De schepen varen naar de haven. Het hout wordt netjes opgestapeld voor verkoop in Europa. Naast de exporthaven ligt een verlaten dorp. Overrijpe mango’s liggen te rotten op straat. Wie woonde er en waarom is iedereen verdwenen?
Als een vogel vlieg ik verder. Verder het land in staat een boswachtershuisje. Maar er is geen bos meer. Het staat nu in een eindeloos grote sojaplantage, soja voor veevoer en biobrandstoffen. Ik zie hoe een vrachtwagen heen en weer zwaait op een blubberige weg. Het beeld vervaagt.

Ik voel mijn rug op het harde houten kistje en weet het. Het Amazonegebied wordt uitgekleed, ontbost, gestript.  De laatste vijf jaar zijn er veel wegen en spoorlijnen aangelegd. Het is een voorproefje van wat komen gaat. Een enorme spoorlijn moet er komen om dit proces te versnellen. Het is een bom die op ontploffen staat, zeggen bewoners die naar de hoofdstad zijn gekomen om hun noodkreet te laten klinken. Twee rijke en machtige families worden nog veel rijker en een paar Nederlandse bedrijven ook. Waarom? Is het zo leuk om te bulken van het geld? 

Ik lees verhalen van noodkreten, die niet alleen in Brazilië, maar overal ter wereld klinken. De bevolking heeft geen grond meer om op te staan en mensen verdwijnen spoorloos. Niemand weet waar ze zijn heen gevlucht of wat er met ze is gebeurd. Het zijn de eerste bewoners, die nooit of met heel veel moeite een eigendomsbewijs krijgen, van de grond waarop ze al eeuwen leefden. Het zijn vreemde zakenlieden, die worden verwelkomd door rijke machtshebbers, zakenlieden uit rijke landen als Nederland.

Het zijn niet alleen lokale dorpelingen, die er onder lijden. Het gaat ons net zo goed aan, het gaat de hele aarde aan. Met het kappen van bomen ontstaat erosie en een grote opslag aan CO2 gaat verloren. En met het verdwijnen van de enorme vochtige wouden verandert het weer. De gevolgen zouden nog wel eens ver kunnen reiken. En nu kijk ik naar de maan. En ik besef, de maan en het water zijn het, die ons met elkaar verbinden en de lucht is het, die we inademen en uitademen, de lucht die waait met de wind en overal komt. De aarde met alles erop, het werkt met elkaar als één levend systeem. Dit systeem levend houden, dat is het enige wat duurzaam is. Dit denk ik, terwijl ik mijn gewichten neerleg om naar bed te gaan.

Lees hier het artikel in de Trouw over de sojaroute

Survival International doet verslag hoe bewoners vechten voor hun rechten.

Soja als biobrandstof zou verder aan banden worden gelegd.

.

.

 

Een schimmige schaduw

.

.

We gaan op tijd naar bed. Dick heeft mij verrast met een bezoekje, maar hij moet morgen vroeg weer op. Tevreden stap ik in het brede, net opgemaakte bed. Ik geniet nog steeds van het fijne hol, en de kleine raampjes waardoor ik naar buiten kan kijken, met mijn hoofd op het kussen. Ik wil net lekker gaan liggen, als ik vanuit een ooghoek een donkere schaduw zie.
Buiten tekent de bovenkant van het ijzeren hek zich af als een oplichtende streep en daar, op het hek, zie ik wat zitten. Het lijkt op een vogel. Zou het diezelfde zijn die ik net ook al zag? Ik liep net nog over het veld toen er iets groots over me heen scheerde. Ik kon het niet goed zien, hij vloog snel het kleine bos in, dat bij de vijver ligt. Hoge populieren torenen als donkere wachters boven de plas uit. Daar vloog hij heen. Zou hij toch weer terug gevlogen zijn?
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Volgens mij zit er een roofvogel op het hek,“ fluister ik tegen Dick en ben even stil. Dan praat ik verder. „Ik zag hem al eerder. Hij is nu op muizenjacht. In de buitenkeuken vallen wel eens kruimels op de grond en ik heb al een paar holletjes gezien daar. Misschien heeft hij dat ontdekt.“
„Zo dichtbij de wagen,“ mompelt Dick „dat is wel bijzonder.“ Hij vertrouwt mijn verhaal op mijn woord. Zijn zicht is zeer beperkt en in de schemering wordt alles voor hem één donkergrijze massa.
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Ik denk dat hij het is Dick…  Hij zit heel stil. Maar dat moet natuurlijk ook, anders zien de muizen hem bewegen,“ denk ik hardop. Ik zet mijn ogen op scherp. Zie ik nu zijn kop of is dat een vlek in de bosjes? Ik beweeg mijn hoofd heen en weer om beter diepte te kunnen onderscheiden. In het donker lijkt alles een tweedimensionaal vlak te worden. Hij zit inderdaad vlak bij de wagen en ik zie toch iets wat zijn kop zou kunnen zijn. Maar waar is zijn snavel dan? Ik begin nu toch te twijfelen. Ik ben stil en wacht.
„Hij blijft wel heel lang stil zitten,“ zeg ik tegen Dick „Is het wel een vogel?“
„Ja, dat weet ik ook niet,“ zegt Dick loom, hij slaapt al bijna.
Ik kan de deurtjes van ons bed open doen om te kijken of hij dan weg vliegt. Maar ik vind het ook jammer als hij er dan niet meer is, als hij het wèl is. Aarzelend blijf ik kijken, tot ik toch, heel voorzichtig de deurtjes open doe. De vogel roert zich niet. Ik houd het niet langer uit. Nou moet ik het weten ook.
„Ik ga even buiten kijken hoor,“ zeg ik tegen mijn vriend. Ik krijg geen antwoord meer. Ik spring uit bed en schiet de deur uit..

Ik stap van het bordes en loop met mijn blote voeten in het vochtige gras. Ik loop rond de wagen naar de achterkant, waar de keuken is. Zachtjes kom ik dichter en dichterbij de donkere schim op het hek. Ik sluip erheen tot ik er vlak naast sta.

Dan moet ik lachen. Het is mijn klomp! De klomp waar een gat in zat en die ik toen maar aan het hek hing, om mijn bestek in te bewaren! En wat ik aanzag voor zijn kop, dat was de pollepel. Wat een mop. In het donker ontstaan de sterkste verhalen, dat is een ding dat zeker is.