Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Natte schoenen en een warme kachel

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut.

Als ik wakker word, is het koud in mijn kleine huis. Ik heb een donzen slaapzak over mijn dekbed gegooid voor extra warmte, maar die is helemaal naar onderen verschoven. Ik waag me snel buiten de dekens om hem omhoog te trekken, helemaal tot mijn kin en al gauw heb ik het lekker warm. Ik kijk door mijn wimpers omhoog naar het daklicht, het is nog schemerig en volgens mij is het bewolkt. Slaperig doe ik mijn ogen weer dicht en denk aan de droom die ik had.
Ik heb mijn armen vol met vijf kippen, en een mond vol wormen. Het hok is nog niet klaar, waar moet ik nu met ze naar toe? Er staan ook vier schapen te wachten in een kar, vlak naast het houten skelet, dat ons restaurantje moet worden. Het is een heerlijke bedoening en iedereen is druk bezig.

Maar waar ik nu ben is het stil, de schapen staan roerloos in de wei en alle dieren hebben zich teruggetrokken op deze koude ochtend. De vogels zitten met opgezette veren in de bosjes en geven geen kik.

Langzaam wordt het lichter. Ik moet er toch een keer uit. Als ik nou eerst een half uurtje mijn warmtepaneel aanzet? Dan is het niet helemaal koud meer, als ik de kachel aansteek. Ik heb nu extra stroom van het net. Het voelt als een luxe dat ik toch alles kan doen. Dat was vorig jaar wel anders, toen zat ik op een plek waar geen stroom was. Op bewolkte dagen als deze doen mijn zonnepanelen niks meer en ‘s avonds zat ik naar een kaarsje te staren. Het heeft wel wat, die sobere rust, je bouwt er energie mee op en het verdiept je gedachten. Maar deze winter ben ik verwend met een beetje luxe.
Gauw glijd ik uit bed en stop de magische stekker in het contact. Als ik mijn infrarood paneel een half uurtje aan heb, kost dat maar 2,5 cent.
Ik soes nog een poosje verder, net zolang tot het helemaal licht is en dan ben ik ineens klaar wakker. Wat zal ik doen vandaag, zal ik een uitstapje maken naar Schiermonnikoog en om daar een mooi verhaal over te schrijven? Of blijf ik thuis? Eerst maar eens opstaan. Ik spring uit bed en in gedachten steek ik de kachel aan. Al gauw brandt het. Ik vul de ijzeren kom met water en zet hem erop voor eikeltjeskoffie. De onderkant sist op de hete plaat. Al gauw wordt het lekker warm in mijn huisje.

Als ik naar Schiermonnikoog ga, dan moet ik nu wel kampeerboerderij de Branding bellen. Ga ik dat doen? Nog steeds in gedachten pak ik mijn sokken, die op de vensterbank naast de kachel liggen en prompt stoot ik met mijn elleboog de kom met water om, precies over mijn schoenen heen, die er lagen te drogen. Ik voel er aan, misschien valt het mee. Maar nee, ze zijn drijfnat, van buiten en van binnen. Ik keer mijn bijl om en zet de ene schoen op zijn kop op de steel. Straks doe ik de andere wel. Ik ga rechtopstaan en kijk peinzend door de raampjes van de deur naar buiten. Dat wordt dus niks met Schiermonnikoog. Ik heb geen eens iets om aan mijn voeten te doen.

Eigenlijk ook wel prettig dat alles zo duidelijk is en om niets persé iets te hoeven. En een verhaal, dat vind ik thuis ook. Het zit in de kleinste dingen. Alles is er vol van, zelfs in een natte schoen is een verhaal te vinden.

 

Dit is de aflevering van Dennis en de Vrije geesten. Het is mooi gebracht. Nog even deze toevoeging: Ik win mijn vrijheid door een combinatie van discipline en speelsheid en dit is een investering voor de toekomst. Mijn woonwagen is ook eerder een tiny house, dan een reiswagen. Ik hoop in de toekomst ergens neer te strijken om te blijven en er wat moois van te maken.

https://www.sbs6.nl/programmas/dennis-en-de-vrije-geesten/videos/NgMNI0Ejev4/video/

App om reclame er uit te halen: Raspberry pi met pihole

.

Op het bankje bij IJs en Zopie

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna 8 min..

Mijn etsbrug is eruit gevallen en als ik lach zie je een zwart gat. Gelukkig kon ik meteen terecht bij mijn tandarts in Utrecht. Om kwart voor vijf is de afspraak, dan zet hij hem er weer in. Het is nog lang geen kwart voor vijf, en ik vind het heerlijk om vrij te zijn en door de stad te dwalen. Het leukste is de Twijnstraat, ik woonde er vijftien jaar vlakbij.
De Twijnstraat is de oudste winkelstraat van Nederland, en de gezelligste die ik ken. Het is als een dorp, dat zelfs vertrouwder voor mij is dan mijn geboorteplaats. Het is een straat waar je niet alleen loopt om boodschappen te doen. Je gaat er ook heen om je buurtgenoten te ontmoeten en ik kom er altijd wel iemand tegen. Ik loop langs de viswinkel, langs de tatooshop en langs Kortjakje door tot het einde, en daar is IJs en Zopie. Er zit een vrouw op het bankje, met knalrode krullen en een chocoladebruin hondje op schoot. Een meisje loopt net weg en kijkt nog even om. “Dank u wel voor het aaien,” zegt ze netjes. “Graag gedaan hoor,” zegt de rode dame “Hij heet George.”
Vlak voor haar sta ik stil en kijk naar binnen, de ijswinkel in. “Met dit ijsje steunt u de roeiers van Orca. De ijssalon is in 2005 opgericht en het wordt volledig gerund door studenten van roeivereniging Orca. Ons ijs is volledig biologisch.” Gek, dat heb ik nog nooit gezien. “Wat leuk hè, dat studenten dit met elkaar doen,” zeg ik tegen de rode dame. Ze knikt enthousiast,“Ja erg leuk!” antwoordt ze. Ze zit alsof ze alle tijd heeft, en geniet van de voorbijgangers. Haar hondje heeft net zo weinig haast als zij. Een mooi moment voor een praatje over het leven en de wereld.
“Ze zeggen wel eens,” begin ik, “De jeugd hangt alleen maar achter de laptop en is helemaal niet bewust van de wereld, maar dat geloof ik niet.” Ze knikt meteen “Nee, zeker niet, ik ben onderwijzeres op een school, en de kinderen zijn er allemaal mee bezig, het milieu en het klimaat. Ze weten dat het hun toekomst is. Alleen beseffen ze nog niet dat ze zelf vaker moeten inleveren aan luxe, dat ze veel te veel hebben.” Ik knik, “Maar is dat met veel volwassenen niet hetzelfde? Het doet me denken aan een boek van iemand,” en ik kijk haar even aan, ze luistert aandachtig, “Die man bekeek wat nou het einde inluidde van een beschaving en hij onderzocht er verschillende, zoals de Maya’s en Paaseiland. Hij kwam op vijf hoofdpunten, maar ik denk dat de hoofdzaak was, dat ze zichzelf het belangrijkst vonden en zich niet meer in het grote levende ecosysteem konden plaatsen.” Ze denkt even na en knikt. Ik ga door, “Hij schreef ook dat in Nederland de meeste mensen zijn die lid zijn van een milieuorganisatie. Hoe komt dat denk je?”
De rode dame kijkt verrast, “Dat wist ik niet, ik zou het niet weten.” Ze aait het hondje op haar schoot, zijn lange neerhangende oren bewegen heen en weer. Ik heb er al over nagedacht. “Ik denk dat het komt omdat hier zo weinig natuur meer is, en omdat alles steeds op de schop gaat,” zeg ik. Haar ogen lichten op. “Hé ja, zo heb ik het nog niet gezien. Dat is inderdaad zo, als hier een boom om gaat is er gelijk een gat, omdat er zo weinig is,” bedenkt ze hardop. Ik knik en ga verder, “Die man in het boek dacht dat het kwam omdat we hier allemaal achter dijken wonen, dat wij daarom zo milieubewust zijn, haha, ik hoor nooit iemand over dijken,” grinnik ik. Ze haalt haar schouders op. “Nee, ik ben ook niet dijkbewust. Buitenlanders, die zijn dijkbewust, voor hen is het iets bijzonders.”
Ze kijkt naar haar hondje op schoot, en haar handen liggen in zijn nek. “Dit is George,” zegt ze. Het is maar een kleine hond en hij kijkt lief. “Is het ook echt een George?” vraag ik “Dat weet ik niet, hij houdt van knuffelen,” zegt ze zeer beslist. Ik kijk het hondje nog eens goed aan. “Ik vind het een integer hondje,” besluit ik dan. “Ja dat issie zeker!” lacht ze. “Als ik een hond neem, wil ik ook een George,” zeg ik. “Dank je!” roept ze tevreden. Haar handen bewegen langs de lange flaporen. De roodbruine ogen van de hond kijken rustig de drukke winkelstraat in. Die hebben het wel naar de zin met zijn tweeën. Ik glimlach. “En nou ga ik weer hoor, dag!” zeg ik en loop weg terwijl ik mijn hand op steek. Ze groet terug en kijkt alweer naar de volgende voorbijgangers. Ik loop naar mijn vouwfiets. Ik ben precies op tijd om naar de tandarts te fietsen.

.

Kwikstaartjes en slangenkruid

.

.

 

Achter het glas van mijn windscherm zit een jonge kwikstaart. Ik ken hem. Ik kijk al weken naar hem, sinds hij met zijn ouders hier verscheen. Nu is hij alleen. Zijn lange staart wipt op en neer en hij hapt net zo kwiek naar een vliegje als een volwassen exemplaar. De kwikstaart is nu groot genoeg om zichzelf te redden. Zijn ouders zie ik nergens meer. Als ze er waren zou ik ze zien. Ze zijn duidelijk te herkennen aan het zwarte kapje op hun hoofd, het kapje, dat nog zwarter lijkt door de witte omlijsting eronder, net als de kleren van een non. De jonge vogel heeft nog geen kapje, hij is grauw gekleed, als een novice uit vervlogen tijden. Ik herken de vogel aan zijn lange wippende staart, die de wereld toe lijkt te lachen.

Hij heeft een mooi plekje daar, uit de wind, achter het glas. Het geeft een heerlijke beschutting, zo’n glazen windscherm. Maar zelf heb ik er vandaag minder aan. De wind komt uit het westen. Aan de westkant is op dit moment nog niks. Het windscherm houdt daar op en waar de betonplaten eindigen, begint de uitgestrekte grasvlakte, waar de  westenwind zijn kracht ongestoord kan verdubbelen.

Dus ik sta nu in de wind met mijn kleine huis, de wielen op het beton, terwijl het kwikstaartje aan de luwe oostkant van het glas naar vliegjes hapt. Er staat een stapelmuurtje van oude stenen, waar ook insecten kunnen schuilen. Tussen de droge restanten van het koolzaad, naast een parmantig berkje, heb ik diverse soorten munt laten groeien en citroenmelisse. Er staat een grote pot met Slangenkruid vol paarse bloemen. In dat windstille hoekje komen vaak dieren langs, vogels, hommels en soms een kip. De kat komt er ook graag. Ze lopen daarna het hele terrein over. Het stekelige zaad van het Slangenkruid nemen ze mee in vacht of veren. Langs alle paden van ons terrein zie ik de bladrosetten terug, die plant in het eerste jaar maakt. Ik kijk er naar met veel plezier. Nu krijgen we volgend jaar overal blauwpaarse bloemen, wekenlang!
Slangenkruid groeit eigenlijk op zand, en houdt van droge plekken. En droog was het, deze zomer! Misschien heeft hij het daarom zo naar de zin nu, op de kleigrond, langs het wat zanderige pad. De voorspelling is, dat we vaker lange en droge periodes krijgen. Dat zet veel mensen aan het denken. Deze zomer alleen al heeft grote gevolgen. Het kan jaren duren voor de schade in de natuur zich herstelt, zeggen ze. Maar dan vraag ik me af, wat gebeurt er als het vaker gebeurt? En als het weer drastisch verandert? Misschien is dit wel een voorbeeld, hoe leeg gevallen plekken zich kunnen vullen met nieuw leven, zo als deze prachtige paarse bloem, die zo  onverwacht opduikt. Wellicht zijn er meer soorten, die in de naden van het bestaan hun mogelijkheden verkennen.

Alles verandert. Na de leegte komt vervulling. Beweging is eindeloos. Dit te weten, dat vult mij met vertrouwen, maar ook met veel nieuwsgierigheid!

.

Ik maakte een filmpje over de terugkeer van het water.

.

De roep van de kievit

.

.

Het ijs op de vijver is helemaal gesmolten. De eenden, die tijdens de vorst sloom aan de oever zaten en het neergegooide brood ongeïnteresseerd lieten liggen, lopen nu achter elkaar aan het hele terrein van de camping over. Het zijn er nog maar twee, twee mannetjes. Van de derde is niks anders overgebleven dan een plas bebloede veren. Inmiddels heb ik het tafereel al zo vaak gezien, dat ik het heb geaccepteerd. Alles komt en gaat en niet altijd op zachtzinnige wijze. En strenge vorst is als de adem van de dood. Wat sterk en veerkrachtig is, dat redt het. De zwakkeren niet.
Opgetogen komt de lente dan, met de taaie overwinnaars, die niets liever willen dan de opwinding bevredigen, het nest bouwen en zo’n hoop leven maken, dat horen en zien je vergaat.

Ik zit op mijn hurken en kijk naar de verzameling kisten en boxen onder mijn wagen. Voor ik naar Friesland verhuis, wil ik alles gesorteerd hebben en opgeruimd. Terwijl ik net een zwart plastic veilingkistje naar voren wil schuiven, hoor ik boven me de roep van een kievit. Ik bevries in mijn beweging. Het geluid komt snel dichterbij. Tot mijn stille vreugde landt hij tien meter bij me vandaan en loopt zoekend rond in het gras, tussen een paar opgekroonde bomen. Hoewel de zon heerlijk schijnt, is er af en toe een fris windje. Het shirt dat ik aan heb, is te kort en ik voel een koude bries langs een blote kier waaien. Ik durf het niet in mijn broek terug te stoppen, dan gaat hij misschien weg. Ademloos kijk ik naar de vogel. Maar al snel vliegt hij weer op. Kennelijk vindt hij hier niet wat hij zoekt.

Die nacht hoor ik de paringsroep van vele kieviten, op het veld en in de akkers achter de camping. En ik duim voor ze. Dat ze dit keer wèl zullen slagen. Dat ze in het grasland voldoende voedsel kunnen vinden om kracht op te doen en hun jongen groot te brengen. Met pijn en spijt denk ik aan de enorme vlaktes, waar alleen maar raaigras te vinden is. Voor de weidevogels is deze eentonigheid een nekslag. Ik duim voor groeiende aandacht hiervoor. Soms hoor ik boeren zeggen dat ze heel erg hun best doen en om de nesten heen maaien. En toch is er geen enkel nest dat slaagt. Ze begrijpen het niet. De schuld wordt gegeven aan de vossen, waar jagers dan driftig op schieten in de schemering.

Hoeveel mensen zoeken het echt uit? Er zijn genoeg rapporten van. Daarin lees ik dat de vossen niet de belangrijkste oorzaak zijn van de grote achteruitgang van soorten. Het is de groeiende monocultuur. Ons land is gevormd door een delta van rivieren. Een plek die ooit wemelde van vliegende en broedende vogels. Wij hebben ons land onherkenbaar veranderd, van een levendig paradijs, in een rigide rasterwerk onstaan door een eindeloze saaie lijst van bedachte doelen. De uitgestrekte eenvormige vlakten zijn als een groeiende woestijn, waarin steeds minder dieren en insecten voedsel kunnen vinden en waar roofdieren hun prooi makkelijk kunnen zien.

Okee, er is een natuurlijke cyclus van leven en dood. De sterksten redden het en maken van de aarde een vitale plek, vol diversiteit. Dat is soms hard, maar het is ook mooi. Dit accepteer ik. Maar wat er nu met het land gebeurt, dat kan ik niet accepteren. Het kan anders. Laat dan nu het leven terugkeren in de wei, in het griend en in de beschutting van bloeiende bomen, die groeien langs de randen. Laat de wei vol bloemen zijn, zoveel soorten, niet te tellen. Laat groeien wat er groeien wil en kijk wat het ons biedt. Ook in Friesland, ooit het paradijs voor broedende weidevogels. Friesland, mijn nieuwe thuis van de toekomst.

.

.

Doop in het land bij de zee

.

Friesland. Een land met kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar schrok iedereen op van  een flinke tornado. Je kan er van alles verwachten, in deze tijd vol extremen. Ik ga er toch heen. Dit jaar ga ik verhuizen.

.

EÉN van de schapen blaat. Vanuit mijn raam zie ik de andere schapen naar het hek rennen. Tussen de spijlen door kijkt het eerste schaap reikhalzend over het veld. Komt er eten? Is het de beheerder? Ik sta op van mijn bank. Als het de beheerder is dan moet ik zeggen dat de stroom er uit ligt. Ik hoor het schrikdraad niet meer tikken. Ik loop naar het raam van mijn deur en kijk. Het is niet de beheerder.
Een vrouw komt rechtstreeks naar mijn huisje gelopen. Ik open de bovendeuren. Ik voel de koude vochtige buitenlucht naar binnen stromen.
“Hallo!” roep ik haar toe. Ik ben een beetje verbaasd over dit onverwachte bezoek en moet mezelf even wakker schudden.
“Hoi, ik ben Judith,” zegt de vrouw “Ik had toch gezegd dat ik deze week zou komen?” Ik knik enthousiast. Judith leest graag mijn verhalen. Ze heeft het glas in lood raampje gemaakt, dat in de nok prijkt, hemelsblauw en rood. Het is prachtig. Ze heeft het opgestuurd met de post. We hebben elkaar nooit ontmoet.
“Ik ben een beetje dromerig, want ik ben vannacht snipverkouden geworden,” zeg ik.
“O, ik ga zo weer verder hoor,” lacht ze en komt dichterbij lopen tot ze vlak voor me staat.
“Zie je je raampje wel zitten?” vraag ik en doe een stap opzij zodat ze het kan zien. “Ja hoor,” knikt ze, zonder er veel aandacht aan te besteden. Dat is nogal logisch, ze heeft het allang gezien, want ik heb de bouw van mijn woonwagen uitgebreid gedocumenteerd en naar haar doorgestuurd.
“Leuk dat we elkaar nou zien,” zeg ik. Judith knikt tevreden. “Weet je wel dat ik binnenkort naar Friesland verhuis,” ga ik verder “Ik heb gisteren de bevestiging gehad dat het doorgaat. Het is een landje bij een vervallen boerderij. Het ligt schuin onder Leeuwarden.” “O, Friesland?” Haar gezicht licht op. “Wat leuk, ik heb veel meer met het noorden dan met het zuiden.”
“Ja, ik eigenlijk ook.” Ik denk aan de dag dat ik hier terecht kwam, volkomen vreemd in het Brabantse platteland. Zes weken lang werd ik wakker met de gedachte, wat doe ik hier?? Ik kijk naar Judith. Ze kijkt voor zich uit en glimlacht.
“Wat is dat voor plek, waar je heen gaat?” vraagt ze dan.
“Het heet Frijlân,” vertel ik opgewekt. “Het is nog in oprichting, het contract met de gemeente is deze week getekend. Ik ben nu de vierde die meedoet. We kunnen er ècht gaan wonen. Het vervallen gebouw wordt opgeknapt voor de gemeenschap. Alles wordt nieuw leven in geblazen. Mijn leven en visie strookt met het hunne en ze zijn blij met een Tiny House in hun midden, mijn wooncocon is de eerste! Ze willen er graag meer. Er komen ook yurts, om te beginnen. Dat zijn die ronde tenten uit Mongolië, met een houtkachel in het midden.”
Judith luistert aandachtig. “Ja ik ken ze. Maar zeg… Is het in de buurt waar die nieuwe woonwijk komt?”
Ik knik. “Het ligt er pal naast.”
“Dan weet ik waar het is! Een vriend van me kijkt daar altijd naar weidevogels.” Judith kijkt er wat treurig bij.
“Ja, er zal een hoop wei verdwijnen. Maar er komt wat voor terug. Dit wordt vast iets moois. Vaak draaien dit soort plekken om zelfvoorzienend leven, maar dit is een plek waar ook de omgeving bij betrokken wordt, mens èn dier.”
Judith haar blik gaat even naar de witte schapen met hun krullende horens. Met hun tanden schrapen ze de schors van de bomen. Kennelijk zit daar iets in wat ze nodig hebben. Dan kijkt ze weer naar mij. “Ja het geeft vaak problemen als mensen een paradijs voor zichzelf willen houden.” beaamt ze.
“Dit wordt een gastvrije plek, ” antwoord ik kort. “Kom maar eens langs, als het zover is. Ik geef wel een seintje.”
Judith knikt tevreden. “Dat ga ik zeker doen!”
“En dan kom ik een keer bij jou,” zeg ik.
Dat is goed. Judith bedankt me hartelijk dat ik tijd voor haar nam en loopt terug naar het parkeerterrein.

Ik mijmer nog even na over dat bijzondere project, Frijlân, waar ik straks deel van uit maak. Wat maakt het zo bijzonder? Het is niet grootschalig, het begint klein. Dat maakt het levensvatbaar, dat maakt dat het rustig kan groeien. Het verwelkomt nieuwsgierigheid naar andere manieren van leven en mensen met hart voor de natuur. Het wordt vast een levendige plek die aanstekelijk werkt om nieuwe ideeën uit te werken. Er zal een eetbaar landschap ontstaan waarin ook dieren zich thuis voelen. Straks sta ik met mijn wooncocon op hun minicamping, als “artist in recidence”. Wat ga ik er doen, vraag ik me af. Maar ik zet de vraag gauw uit mijn hoofd. Ideeën heb ik genoeg. Eerst maar eens kijken.

Het is weer stil. De schapen hebben de boom met rust gelaten en liggen in een hoek van de wei te herkauwen. Er steekt een windje op en mijn huisje schudt zachtjes. In Friesland zal het nog veel harder waaien. Daar is kilometers lang niks dan gras. Vorig jaar was er zelfs een tornado. Ik lach om mezelf. Had ik mezelf maar geen “ambassadeur van de leegte” moeten noemen. Dat vraagt om een doop in het uiterste noorden, dat vlakke land bij de zee.

.

https://m.facebook.com/Frijlan/

.

 

.

 

Bèèèèèèèèèh!

.

.

Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèh” zegt het schaap. 

 

Het is nu echt januari. Ik kijk uit het raam. Dick is net weg. Dit keer hoeft hij nìet door de regen. Hij kan in de zon naar huis. Maar koud is het wel. Ik geniet van het witte winterlicht. Het is zo helder.

De schapen voor het raam hebben van de wei een modderpoel gemaakt. Het gras is geel en ligt slap in de drab. De madelieven zijn verdwenen. Het verborgen leven rust in zompige aarde tot het tijd is. En met het terugkerende licht wordt het popelen om lente bijna hoorbaar, als een terugkerend refrein, luider en luider.

Het is een tijd vol veranderingen. Tegelijkertijd gaat het traag, voor wie de wereld anders wil zien. In de winter is alles extra traag. Voor mij is dat juist goed. Al jaren leef ik in het ritme van het licht en pas er mijn dagen en werkzaamheden op aan. De winter is een tijd voor denkwerk, om plannen uit te werken.
Voor me heb ik een vel papier. Het is een werklijstje. Het zijn allemaal restjes werk, bij elkaar geveegd van het laatste jaar, de laatste dingen. Maar dit jaar wordt alles anders. Dat weet ik. Ik vraag me af of het nog klopt, wat ik te doen heb. Ik maak daarom geen haast. Nieuwe plannen krijgen langzaam vorm in mijn gedachten. Ik pak ze beet en leg ze weer neer. In de lente, ja, dán gebeurt het. Dat weet ik.
De schapen staren naar me, door mijn raam. Ik kijk terug. Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèèèèèh”, zegt het schaap en kijkt naar het hek. Er komt iemand aan.

.

.

Huisje in de sneeuw

.

.

Het is snijdend koud en het sneeuwt al urenlang. Er staat een keiharde oostenwind. De vlokken waaien horizontaal tegen mijn voordeur. Die bestaat uit vier kleinere deurtjes. Ik heb ze met veel zorg precies passend gemaakt. Dat duurde lang. De naden heb ik bedekt met afwerklatten. Mooi werk, vond ik, de wind kon er vast niet doorheen. Dat dacht ik. Maar mooi niet. Vandaag waait de wind medogeloos. Het is een robuuste jongen. Hij laat zich door niets weerhouden en geen kiertje is te klein. Ik kijk er naar en voel de tocht langs mijn handen. Ik weet maar één oplossing, dichtplakken.

En nu is alles dicht. De tocht is weg. Ik kan er niet meer door. Ik ben waar ik ben. Ik heb het bed niet opgeruimd en omgetoverd tot zithoek, zoals anders. Ik heb het bed het bed gelaten en dat is nu mijn leefhol. Ik schrijf, bewerk mijn foto’s. Af en toe sta ik op en kijk naar de vogels. Het zijn er een heleboel. Ze eten van vetbollen en zaad. Zelfs als het stormt.

.

.

Ik kan nog wèl door de achterdeur. Zo fijn dat ik die heb! Er zitten òòk vier deurtjes, net als voor. De bovenste twee zitten bij mijn bed. Als ik de twee deurtjes open doe, waait er geen koude wind naar binnen. De achterdeur zit nu in de luwte. Dat scheelt! Ik glimlach tevreden. Vanuit het bed klauter ik op mijn sokken naar beneden, de buitenkeuken in. Daar staan mijn klompen. Ze voelen koud aan mijn voeten. Zo kan ik het netjes doen, zonder het bed vies te maken. Het is een hele organisatie, om alles via deze omweg te doen. Water halen, kaas uit de keuken meenemen, schillen naar buiten gooien, plasflessen legen, hout voor de kachel naar binnen sjouwen, de asla van de kachel legen. O ja, ook nog mijn composttoilet, dat moet ook nog naar buiten. Ik ben er zowat twee uur zoet mee.

.

.

Als ik klaar ben voel ik me zo voldaan, dat ik er de hele dag tevreden over ben. Het uitzicht is adembenemend. Een rukwind waait de sneeuw van de takken. De wind rukt aan de dichtgeplakte voordeur en ik hoor het plakband knisperen. Toch blijft alles op zijn plek. Dan is het weer stil. En onmiddellijk zijn daar de vogels weer. De krulwilg, nog niet eens al zijn blaadjes kwijt, is één groot fladderballet van vleugels en wappersneeuw.

.

.

Ik geniet met volle teugen. Dit uitzicht is uniek. Straks is het er niet meer. Ik wil een tuinkas om mijn wagen hebben. Dan hoef ik de voordeur niet meer dicht te plakken. Dan kan ik gewoon naar buiten stappen, midden in de ergste sneeuwstorm, om iets buiten mijn wagen te doen. Superhandig, zo’n tuinkas. In de lente kan mijn huis eruit en kunnen de plantjes erin.

.

.

Als ik zo beschermd sta, dan is het ruige romantiek er wel een beetje af. Dan wiebelt mijn huis niet meer bij rukwinden, dan heb ik de mezen niet meer in mijn keuken. Geen pimpelmees die er nog schuilt, in een achteloos opgehangen broodzak, pal achter het raam. Dan zijn er weer andere dingen om naar te kijken.
Dus ik geniet van hoe het is. Elk moment opnieuw.

.

.

 

Dit is speciaal voor Herma van radio 4, die gezorgd heeft voor zoveel kristalheldere muziekmomenten en die nu weggaat.

.

 

.

 

Wat vind ik in mijn schoentje

.

Wie heeft er nou een huis dat weet wanneer het sinterklaas is? Vlak voor 5 december, vond ik zomaar iets in mijn schoen. Ik was maar heel even weggeweest..

.

Mijn kleine huis zit vol verrassingen. In het ontwerp heb ik gekke bergruimtes getekend, waarvan ik nog niet precies wist waarvoor ik ze zou gebruiken. Ik maakte ze omdat ik gek ben op onverwachte ruimtes. Zo maakte ik in het dak, pal boven de deur, een luikje. Het is maar twintig centimeter in het vierkant en het zit vastgeklemd in de constructie van de nok. Je moet eraan trekken om het te openen. Aan de buitenkant, in de gevel, is dit bergplaatsje ook toegankelijk.

.

.

.Als je het luikje open doet, zie je aan de binnenkant twee geschilderde kwikstaarten. Zij waren de eersten die in mijn nieuwe huisje wilden gaan wonen. Het paar wilde in dat leuke hokje een nest maken. Waarschijnlijk schrokken ze zich wezenloos toen opeens het klepje openviel en ze naar beneden vielen.  Ik vond twee gevangen kwikstaarten in mijn huis, die niet meer wisten hoe ze hier verzeild waren geraakt. Het is dus een klepje wat ineens open kan gaan. Dat wist ik toen. Ik heb het expres zo gelaten.

.

.

Ik heb er mandarijnen in gestopt. Gewoon, omdat het zo hoort. In een bergruimte, daar stop je iets in. Dus waarom geen mandarijnen. Zo lagen ze er dagenlang en ik was al helemaal vergeten, dat het luikje open kon vallen.

En toen gebeurde het. Ik ging alleen maar even de kippen voeren. Ik kwam gelijk weer terug, keek  met stomme verbazing in mijn schoen en lachte.

Tijdens mijn korte afwezigheid, vlak voor sinterklaas, vielen de mandarijnen precies in mijn schoen. Wat heb ik toch een heerlijk huis.

 

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.