Aan de rand van Nederland (Deel 2)

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min

Dit is deel twee van een tocht aan de rand van Nederland

De regen loopt in straaltjes van mijn gezicht. Ik loop door de Kennemerduinen, op weg naar Zappa, een trouwe blogvolger. Het is veel verder dan ik dacht, maar dat geeft niet. Ik houd ervan, dat dingen niet altijd zijn, zoals ik het bedacht had. Als de dagen te lang voortgaan volgens dezelfde routine, dan zoek ik het op, de dwaaltocht, het avontuur, het niet-weten. Het levert dikwijls een goed verhaal op en het maakt me levenslustig en opgewekt.  Zelfs al verdwaal ik. Ik heb het er allemaal voor over.
Ik heb al meer dan twee uur gelopen, door de duinen.

Ik heb een klein dwarspaadje genomen en nu ben ik de weg kwijt. Onder de grijze hemel groeit een dichte vegetatie van kale duindoornstruiken. De regen waait in dichte kleine druppels op mijn natte pak. Soms loop ik tussen de dennen en berkebosjes door, even uit de wind. Waar is het grote pad? Waar is het strand? Ik loop de bocht om en zie een wandelaar. Hij kijkt me stralend aan, blij nog een dappere ziel te ontmoeten. „Hoe kom ik bij de Zeeweg?“ vraag ik hem. Hij wijst. „Die kant op. De wind is Zuid West-“ en hij kijkt me even scherp aan en wijst nog een keer. „Dus dáár is het westen, daar is de zee! Als je de blauwe route paaltjes weer ziet, volg die dan.“ Ik groet hem en loop in de aangewezen richting. En dan is daar eindelijk weer een bord. „Parnassastrand,“ met een pijl en een blauw paaltje. Het is nog 3,5 kilometer. En dan moet ik nog naar Zandvoort. Misschien moet ik maar even bellen. Als ik al te lang rond blijf dolen, komt er immers niks meer van een ontmoeting.

Ik pak de telefoon uit mijn natte zak. Om mijn jas heb ik een regencape. Het is een goedkoop ding en hij was meteen al doorweekt. De jas eronder is ook drijfnat, net als mijn telefoon. Op het verlichte scherm komen meteen druppels, maar hij doet het nog. Even later hoor ik een mannenstem zeggen:“Ik kom je ophalen! Op de fiets gaat een stuk sneller!“

Ik ben blij als ik mijn stijve been op de grond kan zetten. Minutenlang balanceren op zo’n klein rekje is niet lekker. Liever stá ik op een bagagedrager, maar met tegenwind is dat niet handig. We zijn bij een flat. Ik had niet gedacht dat hij in een stapelhuis woonde, die Zappa.

Eenmaal binnen gaat er een wereld voor me open. Alles hangt vol met kunst, de muren, maar ook de ruimte, kleurige cirkels hangen als platte planeten aan draadjes en ergens daartussen zie ik twee stoelen staan. Genietend ga ik zitten, Zappa biedt me koffie aan en wijst uit het raam. Een uitgestrekt gebied van duinen eindigt in donkere vierkante schaduwen. „Zie je die blokkendozen aan de horizon?“ vraagt hij „Dat is het racecircuit van Prins Bernard. De neef.“ Ik kijk en zie wat hij bedoelt. „Dat moet een racecircuit worden met internationale bekendheid. Ze mogen nu 20 dagen per jaar open zijn, maar straks mogen ze wel 320 dagen open zijn. Je wil niet weten wat een herrie dat geeft.“ Zijn blauwe ogen kijken bezorgd. „Maar ik blijf hier wel wonen. Je vind niet snel zoveel ruimte. Ik heb het nodig voor mijn kunst.“ Ik knik en kijk nog eens. Het is eigenlijk best dichtbij. Ongelooflijk, dat dat kan, in zo’n natuurgebied!
Hij vertelt verder. „Er moet een speciaal station komen, voor de racebaan, met treinen die om de vijf minuten gaan rijden. Kun je nagaan! Dat gaat dan door die kleine kustplaatsjes, waar dan de halve dag de spoorbomen dicht zijn. Allemaal voor de portemonnee van de prins. Het circuit zal worden verhuurd aan racers van allerlei slag, die komen van heinde en verre. De koffietentjes aan het strand kunnen wel opdoeken. Want straks moeten al die nieuwe toeristen koffiedrinken bij het circuit. Het slokt alle andere bedrijvigheid op. En de gemeente werkt eraan mee!“
Verbaasd luister ik naar hem. „En dan is er ook nog dat jaarlijkse circuit? Waarover nu zoveel gedoe is?“ Hij antwoord bevestigend. „Dat moet een enorm evenement worden. Ze willen over het strand naar Noordwijk kunnen rijden. Dwars door een natuurgebied, in het broedseizoen. Dwars door de rustplek van de zeehonden. Omwonenden, natuurliefhebbers, en organisaties, ze zijn verbijsterd. Noordwijk heeft al toegezegd en Zandvoort nu ook. Maar alleen na zessen, als het strand leeg is…

Ik neem een slok van mijn koffie, voor hij koud wordt. Er gebeuren rare dingen in Nederland. Ik had me nooit kunnen voorstellen, dat zoiets zou gebeuren. „Houd me op de hoogte,“ zeg ik „Ik ben heel benieuwd hoe dit afloopt.“ Hij knikt. „Dat zal ik doen. En wil je nu zien wat ik vond deze week? Een prachtige strandvondst, tijdens het jutten.“ Nieuwsgierig loop ik hem na.

Zo inspireren wij elkaar, nieuwsgierige ontdekkers, creatieve betrokkenen, als een familie van levendige vrijheidsstrijders, die opstaan voor alles wat leeft, ter land, ter zee, en in de lucht. Er staat ons nog een hoop te doen!

.

PS1

Ik heb nu een goeie waterdichte jas gekocht. En de Goretex schoenen die ik in Leiden kocht, zijn geweldig. Laat het maar regenen. Voor nog grotere nood heb ik straks ook een visserscape, maat XL, waar ik ook een tentje van kan maken.

PS2

Dit verhaal lijkt sprekend op wat ik deze zomer in Zwarte Haan tegen kwam. Evenementen en toerisme gaat vóór het welbevinden van bewoners, die ook geen enkele inspraak meer hebben. Economie gaat vóór cultuur, die voortkomt uit de mensen zelf. Als je ook van zulke verhalen hebt, dan hoor ik het graag.

PS 3

Wie gaat er begin mei mee wandelen over het strand? Nadere inlichtingen volgen.

.

Cape waar je een tentje van kan maken.

Een mooie dag voor zandkastelen

.

.

.

Een waterige wind blaast ijskoud om de oren. Ik ben weer thuis. Het lijkt het een eeuwigheid terug, dat ik op het strand liep.  En het is nog niet eens een week geleden! Wat een mooie ontmoetingen had ik daar. Ik denk er met plezier aan terug.

.

Het lijkt net alsof het vandaag een dag ervoor is, een speciale dag om op het strand mooie dingen te maken. Misschien is het vanwege het weer, het is zo warm en bijna windstil, terwijl het al een maand herfst is. Met mijn stevige wandelschoenen loop ik door het mulle zand. Dan zie ik ze, ver en veilig boven de vloedlijn.
De eerste kastelen zijn klein en speels en slordig. Ik ga ernaast zitten op mijn hurken en zie afdrukken van kleine handen in het zand. Het zand is droog, het heeft al lang niet meer geregend. Ik ga op mijn buik ernaast liggen en kijk nog eens, vanuit het perspectief van een kuikentje. Nu lijken het net echte torens, die afsteken tegen de horizon.

.

.

.

.

Ik sta op en loop verder. Daar staat nog een kasteel met echte kantelen, gevormd uit hoekige schelpen. Er zijn twee cirkelvormige slotgrachten, die er als gladde ringdijken omheen liggen. Ik zie bruggen en poorten, afgewerkt met zwaardschedes, lange bruine schelpen die vandaag met massa’s op het strand liggen. Het bouwsel is zo strak afgewerkt, dat een klein gezin er vol bewondering naar staat te kijken. Hun zoontje gaat op zijn hurken naast het kasteel zitten en prikt rondjes in de buitenste slotwal, met een stokje. Maar zijn ouders lopen alweer verder, in gesprek, zonder om te kijken. “Vergeet je zoon niet!” roep ik ze na. “O ja, die hebben we ook nog,” mompelt de vrouw. Het joch staat op en rent ze achterna.

.

.

 

.

.

Ik heb nog maar een klein stukje gelopen, of ik zie een heel dorp uit zand oprijzen, met een gigantische dijk erom heen. Vader bouwt aan de dijk. Die is zo hoog, dat hij tot boven zijn knieën komt en hij is bijna twee keer zo hoog als de huizen in het dorp dat er naast ligt. De zoon werkt aan de infrastructuur, en maakt bruggen en sluizen in de rivier, die langs het dorp loopt. Ik zie een kronkelige geul en de sluis is gemaakt van dezelfde langwerpige schelpen als bij het vorige kasteel.
Ik kijk naar de werkende man. Hij heeft een mal gevuld met zand. Die heeft hij nou op zijn kop gezet en hij staat er op te springen. Dan haalt hij hem eraf. De dijk is nu nog langer. Alleen de overgang naar het nieuwe stuk is een beetje rul geworden. Gefascineerd kijk ik toe. “Heb je ervaring als bouwer?” vraag ik. Hij kijkt me heel even aan, om dan geconcentreerd verder te werken..

.

.

.

.

“Ik bouw normaal gesproken niet met zand. Ik ben meubelmaker.” Hij strijkt de bovenkant glad met een stuk hout. “Ik ben een creator. Ik moet iets te doen hebben. Dat wandelen is wel even leuk, maar ik doe veel liever dit.”
Terwijl ik met hem praat, is zijn zoon in het hele kleine tentje gedoken, dat erbij staat. Er staat een hond naast. “Ooo, hij zit stiekem te snoepen. Dat ruikt ie!” Zijn vader grinnikt.

Als ik me eindelijk losruk van dit creatieve gezelschap vraag ik zijn naam. “Ik heet Coen,” zegt hij. “Met een C.” Ik groet hem ten afscheid. Terwijl ik wegloop komt zoonlief het tentje uit. Hij zwaait naar me. Ik wuif terug en loop verder, met mijn stevige wandelschoenen door het mulle zand.

.

.

.

.