Vertrekken met aandacht

.

Ik sta stil aan de kant, en luister naar de klok van ’t Universum, die vertrouwen tikt.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

.

Vorig jaar ben ik drie maanden door Friesland getrokken. Dat was hard werken, want ik schreef ondertussen een boek. Het plan is om nu weer te gaan reizen. Niet om een lang verhaal te schrijven en ook niet om een film te maken. Gewoon om te genieten. Want in oktober is de boekpresentatie, iets om naar uit te kijken!

Dus ik ga op reis voor mijn plezier en ontspanning. Al een paar weken bereid ik me voor.

Weggaan is altijd anders. Soms loopt het soepel als van een leien dakje. Alles helpt mee. Het is als surfen op de golven. Een ander moment waait de wind woest om de oren. Golven woelen onvoorspelbaar om je heen en het is onmogelijk om richting te kiezen. Dan lig je de halve nacht met open ogen in het donker te staren. De volgende ochtend komen er van alle kanten berichten die je afleiden van je vertrek. Alles komt tegelijk.

Zo is het nu. Ik had een datum genoemd. Vier juli zou ik gaan. Dat heb ik gezegd tegen mijn buurvrouw. Hoe kwam ik er eigenlijk bij? De vorige keer gaf het ook stress. Dat was toen SBS6 kwam filmen. Wat een gedoe was dat. Ik kon mijn doe lijst niet afmaken en vertrok gehaast omdat de regisseur me riep.
Ook nu ben ik niet nog klaar. Ik zou mijn hoofd vergeten. En als ik mijn hoofd vergeet, dan kan ik het wel schudden.

Dus: Ik spreek nooit meer een datum af. Want weggaan vraagt om een goede afstemming. Ik kan ook niet zomaar wegrijden. De diverse manoeuvres vragen om rust en aandacht. Daarvoor moet ik van te voren een plan maken. Doet mijn krik het nog? Want ik moet eerst los komen. En waar plaats ik dan de mover, in welke richting trek ik, hoeveel ruimte heb ik? Hoe vaak moet ik loskoppelen en de mover verplaatsen? Niemand kent mijn wagen en mijn elektrische trekkertje zo goed als ik. Dus dat doe ik lekker alleen.

Het waait hard. Mijn hoofd is wazig door te weinig slaap. De wagen schudt heen en weer in de Westenwind. Alles stormt vandaag. Het stormt in de lucht en in levens van vrienden en kennissen. Het stormt in de wereld. Ontelbare verhalen klotsen wild door elkaar heen. Ik weet, hoe harder het stormt, hoe belangrijker is de stilte. Ik luister naar mijn eigen kloppende hart. Ik ga nog niet weg. Niet vandaag. Ik luister. Want alleen mijn eigen hart vertelt mij het juiste moment om te gaan. Heel stil ben ik.

Wat hoor ik daar? Ik sta op en spits mijn oren. Is het de klok van het universum die mijn vertrek inluid? Nee, ik vergis me. Het is een jonge uil in de schemering, die roept. Het is zo hoog en ijl dat je het bijna niet hoort. Een volwassen uil antwoordt met een rauw geluid. Dan zwijgen ze. Rustig ga ik weer zitten en luister naar de wind. Het komt zoals het komt.

.

 

 

.

.

Spiegel van het verleden

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

.

Dit jaar maakte ik een wandeltocht in Friesland. Onderweg kreeg ik gezelschap van een bijzondere reisgenoot.

“Tocht langs kantelende wegen,“ dat is de titel van het boek, dat ik schrijf. Dit jaar maakte ik een tocht van drie maanden, door het Noorden van Friesland. Mijn wielen rollen over kantelende wegen. Hoe sneller een auto gaat, des te schever is het wegdek als je de bocht om gaat. Dat percentage is berekend, en wordt overal toegepast. Het houdt je voertuig in balans. Eigenlijk heet het “verkanting” maar ik vind kanteling toepasselijker. De wegen kantelen steeds vaker, want het verkeer gaat hard.
Maar ik ben geen snelle weggebruiker. Ik ben een voetganger met een elektrische mover van 150 kilo aan de hand en daarachter een Wandelhuis. Ik ga maar 3 kilometer per uur.
Alles gaat sneller en sneller. Voor mij is dat een metafoor. Want de kantelingen gaan verder dan de weg alleen. Het is een tijd van kantelingen, waarden die lange tijd heilig waren, werken niet meer.

Door langzaam te reizen, hoop ik die veranderingen te kunnen zien, de kiemen van wat er komt. Op mijn eerste reis heb ik veel gezien en bijzondere dingen meegemaakt.

Elke dag beschreef ik het landschap en de ontmoetingen die ik had. Ik hoopte dat ik onderweg gesprekspartners zou ontmoeten, die met me mee zouden wandelen. Maar ik liep alleen. Dat bleek precies het juiste. Er was namelijk een andere reizigster, die met me meeging. Gaandeweg ontdekte ik haar. Een vrouw die lang geleden leefde, Auck van Hearsma. Zij leefde van 1705 tot 1786. Ze leefde óók in een tijd van kantelingen. De kerk verloor steeds meer macht. Het was de tijd van de Verlichting, van het intellect en de waarneming. Het was de tijd van Eise Eisinga die met verbazingwekkende precisie zijn planetarium bouwde, een kopie van ons zonnestelsel in beweging. En vooral was het een tijd van groeiend zelfbewustzijn en opstanden.

Auck groeide op in een adellijke familie en trouwde op haar 25e. Kinderen kreeg ze niet. Haar man stierf toen ze 37 was. De mijne ook en ook ik had geen kinderen. Ze hield net als ik, van eenvoud en was nieuwsgierig en intelligent. Ze maakte lange voettochten door Friesland. Van opsmuk hield ze niet, en de dikke lagen lange rokken, die de andere adellijke vrouwen droegen vond ze verschrikkelijk. Ze ging zelfs zo eenvoudig gekleed, dat ze soms zelfs werd weggestuurd met de woorden: „Aan de deur wordt niet gekocht!“

Door haar word ik een andere tijd ingeleid. Ze maakt veel mee. Haar man is zeven jaar overleden, wanneer de pleuris uit breekt, aangestoken door de rellen in Groningen en de rest van het land. In de rest van Nederland zijn ook opstanden, maar die zijn anders van karakter. Men eist daar vooral een nieuwe stadhouder. In Friesland is al een stadhouder. Hier hebben de mensen andere wensen. Eisen, die uiteindelijk pas in 1852 gemeengoed zullen worden.

Door haar kom ik terecht tussen woedende boeren, die niet alleen belastingverlaging eisen, maar ook stemrecht voor iedereen, een einde aan de bonussen, in die tijd “tractaten“ genoemd. Ze eisen een einde aan de vriendjespolitiek, waarin de adel elkaar bijbaantjes geeft, en onder elkaar het geld verdeelt wat uit belastingen wordt verdiend. Er staan meer eisen op het lijstje, maar deze vind ik het meest opmerkelijk, vanwege hun gelijkenis met onze tijd.

Verbaasd volg ik haar verhaal. Ik denk aan de gele hesjes en de maatschappelijke verontwaardiging over bonussen. Ik denk aan grote bedrijven als Amazon, Bayer-Monsanto, Shell, die net zo machtig lijken te zijn als de 28 adellijke families die in de tijd van Auck in Friesland woonden.
En is het spoor van de Verlichting ten einde? Ik denk het niet. Ik denk aan al die mensen, die niet langer willen dienen als een radertje in de groei-economie, die op zoek zijn naar hun authentieke zélf, en die hun eigen beslissingen willen nemen.

De Verlichting betekende in de zeventiende en achttiende eeuw een tijd voor persoonlijke groei. Door de industrialisatie groeide ook de materiële welvaart. Dat heeft veel opgeleverd. Maar we zijn te ver doorgeschoten en het heeft ons op een dood spoor gebracht. En nu onderzoeken we wat werkelijk van waarde is.

Auck geeft niet om geld. Toch stroomt het van alle kanten naar haar toe, want haar rijke zwager, die tal van lucratieve bestuursbaantjes heeft gehad, heeft geen kinderen. Ze sterft in haar landhuis in Menaldum. Op haar erf lopen allerlei dieren rond, halfwilde zwijntjes, runderen, kippen, en honden, alles dwars door elkaar heen. Zelfs in huis lopen ze. Haar laatste wens is dat al die dieren om zich heen te hebben. Haar trouwe huisknecht doet wat ze vraagt. Hij opent alle deuren en ramen, en drijft de dieren haar slaapkamer in. Omringd door haar levende have blaast ze de laatste adem uit.

Zal ik ook zo eindigen? Mijn tijd is nog niet gekomen. Gelukkig maar. Mijn reis is nog maar net begonnen! En er is nog veel te doen.

.

.

Ik schreef dit  voor tijdschrift ZOZ van Omslag, maar mocht het ook voor mijn blog gebruiken

.

Met vouwfiets de trein in

.

Soms word je verrast door ontwapenende eerlijkheid, iemand die zegt dat het hem spijt dat hij je onterecht heeft toegesnauwd. Zoals conducteur Hamas: “Soms moet je je kwetsbaar opstellen.”

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Ik sta te wachten op het perron van Almere. Ik ben uit geweest in Amsterdam. Van Amsterdam naar Heerenveen hoef je gelukkig maar één keer over te stappen. Met een wat grotere vouwfiets is dat toch wel fijn. Mijn grote tas heb ik achterop gebonden en het elegante leren rugzakje hangt aan het stuur. Hij is kapot, één van de banden is afgescheurd. Dus eigenlijk is het geen rugzakje meer, maar een onhandig fietsstuurzakje. Ik heb mijn fiets niet opgeklapt, dat sjouwt wat onhandig met een kapot rugzakje aan het stuur.

Daar komt de trein aan. Naast mij staat een jongen van een jaar of twintig, met een stoere zwarte fiets. „Waar moet jij er uit?“ vraag ik hem. Ik kijk nog eens naar zijn fiets. Die kan je niet opklappen. „Lelystad,“ zegt hij. „Ik moet naar Heerenveen! Dan moet…“ begin ik, en denk  na „Jij er het eerst in!“ vult hij grijnzend aan. Ik lach terug. De deuren staan al open. Ik til mijn vouwfiets naar binnen en kijk hoe ik hem nu zal op klappen. Dan komt er een conducteur tevoorschijn, die vanuit het niets lijkt te komen. „Ja mevrouw u maakt van uw probleem óns probleem!“ Roept hij boos.
Verbijsterd kijk ik hem aan. Waar heeft die man het over? „Het is hartstikke druk en wij proberen dat in goede banen te leiden, en behulpzaam te zijn. U kunt uw fiets gewoon opvouwen in een hoekje zetten, ziet u? Dan kan die jongen ervoor en dan kan er zelfs nog iemand zitten!!“ roept hij verontwaardigd.
„Ik probéér juist mee te denken,“ zeg ik. Ik begrijp nog steeds niet waar hij zich druk om maakt. Wat bedoelt hij? Wat bezielt die man? Hij ratelt nog een poosje door, zonder te stoppen. Dan zegt hij : „Maar kunt u zich ook in mij verplaatsen??“ Fel geef ik antwoord. „Ja! Natuurlijk!” roep ik welwillend. “Het is ook hartstikke druk!“ Hij knikt, kennelijk is hij gerustgesteld en loopt weg.

Ik ben in de war. Ik begrijp zijn uitval nog steeds niet helemaal. Als hij opnieuw langs me heen loopt voel ik me ongemakkelijk en gespannen. Ik kijk gauw uit het raam. Nee, denk ik dan, niet wegkijken. Gewoon rustig naar hem blijven kijken, vanuit je eigen hoek. Ik sta naast mijn fiets tegen de wand geleund en zie hoe hij na de laatste controles om de hoek verdwijnt, het hokje van de conducteur in. Zou hij nog terugkomen? Misschien kan ik het hem nog vragen.

Ineens komt hij weer tevoorschijn. Hij loopt recht naar me toe. Zijn bruine ogen staan helder in zijn bruin getinte huid. „Soms moet je je kwetsbaar opstellen,“ zegt hij en hij recht zijn rug. „Mevrouw, ik heb u onterecht toegesnauwd. Dat was niet juist. Ik kom terug omdat ik vanavond niet met een rotgevoel naar bed wil gaan, en voor u wens ik dat ook niet. Ik wil mijn karma graag schoon houden.“ Ontroerd kijk ik hem aan en pak zijn schouders beet. „Wat mooi!!“ roep ik. „O vind je het mooi? Nou dat is fijn.” Hij knikt en neemt wat meer afstand.  Ik ontspan en luister. “Weet je, je neemt soms dingen mee die eerder die dag zijn gebeurt. Ik had in de vorige trein gedoe met een meisje.“ Hij is even stil en kijkt naar de deuren, die nu dicht zijn. Het polderlandschap raast voorbij door de kleine raampjes. „Ze wilde eruit, met haar fiets. Maar ik was al aan het vertrekken. Ik spreidde mijn armen uit, om haar tegen te houden. Ze keek me kwaad aan. „Rustig!!“ snauwde ze. Nee, JIJ rustig! zei ik, ik ben bezig te vertrekken en ik wil niet dat je met je gezicht op de stenen belandt, tot bloedens toe kapot geschaafd.“
Ik luister geconcentreerd. Ja, ik weet dat treinpersoneel veel meemaakt, en dat er ook regelmatig ongelukken gebeuren. Zoiets blijft voor altijd op je netvlies staan. Toen ik jonger was deed ik ook dwaze dingen. Ik ben een keer zomaar het spoor over gerend om de trein te halen. De conducteur was laaiend. Ik mocht niet mee en iedereen keek naar me. Ik ging door de grond. Gelukkig ben ik nu wijzer. En ik begrijp hem goed. Zo’n meisje dat per se naar buiten wil en nergens rekening mee houdt, dat geeft stress.
„Ik ben een sociale man,“ gaat hij verder „Ik houd ervan om met al die verschillende mensen om te gaan, en we krijgen een uitgebreide opleiding van de NS, hoe dat te doen. We hebben huisregels, waar mensen zich aan dienen te houden. Maar ik houd er niet van om als een zure politie agent rond te lopen. Als het geen kwaad kan, dan zie ik het door de vingers. Het is veel beter om de sfeer goed te houden. Dat is het belangrijkste. Maar  als mensen geen rekening met elkaar houden, dan zeg ik daar wat van.

„Maar wat deed ik nou eigenlijk verkeerd met mijn vouwfiets?“ vraag ik. Hij kijkt me aan alsof hij wakker wordt. „Oh, je hoort hem op het perron in te klappen, en daar ook weer uit te klappen.“ Ik begrijp het meteen. Het balkon van de trein is niet groot. Als er veel mensen zijn, kan dat gedoe met in en uitklappen ergernis opleveren. „Ik zal er in het vervolg aan denken,“ beloof ik hem en ik meen het. Vaak helpen mensen mee als ik hem opvouw, maar de vorige keer, toen ik aan het hannesen was op een druk balkon, werd er iemand boos. Nu besef ik dat die vrouw in principe gelijk had. Hij knik nog eens. „Zo hoort het eigenlijk. Maar het is geen wet van Meden en Perzen. Ik zag ook wel dat u zoekende was, wat u moest doen. Het was niet terecht wat ik zei. Hoe vaak gaat u met de trein?“ vraagt hij „Oh, heel af en toe,“ zeg ik. Hij knikt, alsof hij dat al dacht. Hij grijpt in zijn heuptas, en pakt er een bonnetje uit. „Dit wil ik je geven,“ zegt hij „Mag ik -je- zeggen?“ Ik knik van ja, en neem de tegoedbon van hem aan. “Een consumptie ter waarde van 2,50,“ staat er op. Het is dezelfde die mensen krijgen bij code rood en blaadjes op het spoor, wanneer ze urenlang moeten wachten.
De trein stopt en de deuren gaan open. Er staat een vrouw met een kinderwagen. Opgewekt helpt hij haar tillen, informeert naar het kind en maakt grapjes over de zijne. Gemoedelijk blijft hij staan praten. Na een poosje vertraagt de trein opnieuw zijn snelheid. We naderen station Zwolle. De jongen met de zwarte fiets is er allang uit. „Ik moet hier overstappen naar het volgende treinstel, dus ik zie je niet meer,“ zegt hij. „Ik wens je nog een goede reis!“ Breed glimlachend stapt hij de deur uit.
„Hoe heet je?“ vraag ik hem gauw „Hamas,“ zegt hij „Hamas uit Den Haag!“ Ik knoop het in mijn oren. Op het laatste nippertje geef ik hem de high five. Dan draait hij zich om.

Als ik een poosje later uitstap in Heerenveen staat hij verderop in een openstaande deur naar me te kijken, vanuit het andere treinstel. Hij zwaait enthousiast, wanneer hij me ziet. Ik zwaai terug. Hoe snel kan je van iemand gaan houden. Ongelooflijk.

Thuis zoek ik de naam op. Hamas is een Marokkaanse jongensnaam en het betekent: Geestdrift, of verrukking. Ja, pit had deze man zeker!

.

Aan de rand van Nederland (Deel 2)

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min

Dit is deel twee van een tocht aan de rand van Nederland

De regen loopt in straaltjes van mijn gezicht. Ik loop door de Kennemerduinen, op weg naar Zappa, een trouwe blogvolger. Het is veel verder dan ik dacht, maar dat geeft niet. Ik houd ervan, dat dingen niet altijd zijn, zoals ik het bedacht had. Als de dagen te lang voortgaan volgens dezelfde routine, dan zoek ik het op, de dwaaltocht, het avontuur, het niet-weten. Het levert dikwijls een goed verhaal op en het maakt me levenslustig en opgewekt.  Zelfs al verdwaal ik. Ik heb het er allemaal voor over.
Ik heb al meer dan twee uur gelopen, door de duinen.

Ik heb een klein dwarspaadje genomen en nu ben ik de weg kwijt. Onder de grijze hemel groeit een dichte vegetatie van kale duindoornstruiken. De regen waait in dichte kleine druppels op mijn natte pak. Soms loop ik tussen de dennen en berkebosjes door, even uit de wind. Waar is het grote pad? Waar is het strand? Ik loop de bocht om en zie een wandelaar. Hij kijkt me stralend aan, blij nog een dappere ziel te ontmoeten. „Hoe kom ik bij de Zeeweg?“ vraag ik hem. Hij wijst. „Die kant op. De wind is Zuid West-“ en hij kijkt me even scherp aan en wijst nog een keer. „Dus dáár is het westen, daar is de zee! Als je de blauwe route paaltjes weer ziet, volg die dan.“ Ik groet hem en loop in de aangewezen richting. En dan is daar eindelijk weer een bord. „Parnassastrand,“ met een pijl en een blauw paaltje. Het is nog 3,5 kilometer. En dan moet ik nog naar Zandvoort. Misschien moet ik maar even bellen. Als ik al te lang rond blijf dolen, komt er immers niks meer van een ontmoeting.

Ik pak de telefoon uit mijn natte zak. Om mijn jas heb ik een regencape. Het is een goedkoop ding en hij was meteen al doorweekt. De jas eronder is ook drijfnat, net als mijn telefoon. Op het verlichte scherm komen meteen druppels, maar hij doet het nog. Even later hoor ik een mannenstem zeggen:“Ik kom je ophalen! Op de fiets gaat een stuk sneller!“

Ik ben blij als ik mijn stijve been op de grond kan zetten. Minutenlang balanceren op zo’n klein rekje is niet lekker. Liever stá ik op een bagagedrager, maar met tegenwind is dat niet handig. We zijn bij een flat. Ik had niet gedacht dat hij in een stapelhuis woonde, die Zappa.

Eenmaal binnen gaat er een wereld voor me open. Alles hangt vol met kunst, de muren, maar ook de ruimte, kleurige cirkels hangen als platte planeten aan draadjes en ergens daartussen zie ik twee stoelen staan. Genietend ga ik zitten, Zappa biedt me koffie aan en wijst uit het raam. Een uitgestrekt gebied van duinen eindigt in donkere vierkante schaduwen. „Zie je die blokkendozen aan de horizon?“ vraagt hij „Dat is het racecircuit van Prins Bernard. De neef.“ Ik kijk en zie wat hij bedoelt. „Dat moet een racecircuit worden met internationale bekendheid. Ze mogen nu 20 dagen per jaar open zijn, maar straks mogen ze wel 320 dagen open zijn. Je wil niet weten wat een herrie dat geeft.“ Zijn blauwe ogen kijken bezorgd. „Maar ik blijf hier wel wonen. Je vind niet snel zoveel ruimte. Ik heb het nodig voor mijn kunst.“ Ik knik en kijk nog eens. Het is eigenlijk best dichtbij. Ongelooflijk, dat dat kan, in zo’n natuurgebied!
Hij vertelt verder. „Er moet een speciaal station komen, voor de racebaan, met treinen die om de vijf minuten gaan rijden. Kun je nagaan! Dat gaat dan door die kleine kustplaatsjes, waar dan de halve dag de spoorbomen dicht zijn. Allemaal voor de portemonnee van de prins. Het circuit zal worden verhuurd aan racers van allerlei slag, die komen van heinde en verre. De koffietentjes aan het strand kunnen wel opdoeken. Want straks moeten al die nieuwe toeristen koffiedrinken bij het circuit. Het slokt alle andere bedrijvigheid op. En de gemeente werkt eraan mee!“
Verbaasd luister ik naar hem. „En dan is er ook nog dat jaarlijkse circuit? Waarover nu zoveel gedoe is?“ Hij antwoord bevestigend. „Dat moet een enorm evenement worden. Ze willen over het strand naar Noordwijk kunnen rijden. Dwars door een natuurgebied, in het broedseizoen. Dwars door de rustplek van de zeehonden. Omwonenden, natuurliefhebbers, en organisaties, ze zijn verbijsterd. Noordwijk heeft al toegezegd en Zandvoort nu ook. Maar alleen na zessen, als het strand leeg is…

Ik neem een slok van mijn koffie, voor hij koud wordt. Er gebeuren rare dingen in Nederland. Ik had me nooit kunnen voorstellen, dat zoiets zou gebeuren. „Houd me op de hoogte,“ zeg ik „Ik ben heel benieuwd hoe dit afloopt.“ Hij knikt. „Dat zal ik doen. En wil je nu zien wat ik vond deze week? Een prachtige strandvondst, tijdens het jutten.“ Nieuwsgierig loop ik hem na.

Zo inspireren wij elkaar, nieuwsgierige ontdekkers, creatieve betrokkenen, als een familie van levendige vrijheidsstrijders, die opstaan voor alles wat leeft, ter land, ter zee, en in de lucht. Er staat ons nog een hoop te doen!

.

PS1

Ik heb nu een goeie waterdichte jas gekocht. En de Goretex schoenen die ik in Leiden kocht, zijn geweldig. Laat het maar regenen. Voor nog grotere nood heb ik straks ook een visserscape, maat XL, waar ik ook een tentje van kan maken.

PS2

Dit verhaal lijkt sprekend op wat ik deze zomer in Zwarte Haan tegen kwam. Evenementen en toerisme gaat vóór het welbevinden van bewoners, die ook geen enkele inspraak meer hebben. Economie gaat vóór cultuur, die voortkomt uit de mensen zelf. Als je ook van zulke verhalen hebt, dan hoor ik het graag.

PS 3

Wie gaat er begin mei mee wandelen over het strand? Nadere inlichtingen volgen.

.

Cape waar je een tentje van kan maken.

Wie gaat ermee naar Engeland varen

                          .

Dagboekfragment 1998

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

.

Nu Engeland slingerend wegroeit van Europa, vraag ik me af of ik iets gemist heb, omdat ik er eigenlijk nooit ben geweest. Alleen met schoolreisje in de vierde klas was ik er. Ik herinner me het nog wát goed! Ik logeerde bij een gastgezin. Mijn enige herinnering aan die week was, dat we de hele week witte bonen in tomatensaus aten en wittebrood. Van beide walgde ik, dus ik liep de hele week hongerig rond en daarna was ik vijf kilo afgevallen. Van de rest weet ik niks meer, heel Engeland is opgeslokt door het hongerige gat van mijn maag.

Nu verandert er veel voor de Engelsen. Wat zal ik daarvan merken, als ik er heen ga? De witte bonen in tomatensaus blijven vast wel. En de fish en chips, die ze nu allemaal zelf op moeten eten.  Ik zou met de mensen moeten praten, om te weten wat er anders is.
Al heel lang denk ik eraan, om naar Engeland te gaan. Ik zou er uitgebreid de tijd voor willen nemen om alles in me op te nemen. Niet alleen het landschap, de oude bomen en tuinen en de oude engelse liederen die mij wel liggen. Niet alleen om de humor van dichtbij mee te maken en het oude klasseverschil te zien, dat nooit verdwenen is. Maar wat vooral heel handig is, dat je er voorrang hebt met paard en wagen.

Ik heb nu gekozen voor een electrische mover, om mijn huis te trekken. In het volle en gehaaste Nederland leek me dat beter. Maar als ik naar Engeland zou gaan, ooit, dan zou ik het misschien toch proberen, met paarden, en er dan een paar jaar voor uit trekken. Ik zou misschien schrijven en tekenen over wat er op mijn pad komt, net zoals nu, maar dan in een land dat ik nog helemaal moet verkennen. Het is een oude droom, die begon bij de man van wie ik hield.

Mijn man ging dood in 2002. Hij had twee bescheiden wensen, die niet zijn vervuld. Graag wilde hij de Staatsloterij winnen en alle verwaarloosde sluisjes in Nederland laten opknappen en van het slot afhalen zodat iedereen er weer door kon.
De andere was: Inschepen naar Engeland. Met onze antieke tuindersvlet zouden we door al die smalle kanalen varen, tussen de longboats in. Ik ken de smalle lange boten wel, ze zijn typisch Engels en niet breder dan een gangpad. Een enkele keer voeren ze voor onze werfkelder langs, in de Oudegracht en dan renden we meteen naar buiten om te kijken.

Mijn man had iets met Engeland, hij speelde the Beast in het Utrechtse Morristeam. Verkleed als draak daagde hij het publiek uit, terwijl de violen fiddelden en de dansers energiek heen en weer sprongen. Je zag ze van verre, die dansers,met hun kleuren wit, zwart en rood en als je dichterbij kwam, zag je hun tinnen bierpullen her en der aan de kant staan. Regelmatig gingen ze overzee om Engelse teams te ontmoeten, die ook  allemaal hun eigen unieke beast hadden en hun fool, een bonte verzameling! Helaas ben ik daar nooit bij geweest, het moet een vrolijke bedoening zijn geweest, waarbij de ale rijkelijk in hun pul stroomde.

Engeland is een eiland, ik heb ermee kennis gemaakt, op allerlei manieren en ook de Morristeams bestaan nog steeds. Maar nooit ben ik er geweest. Engeland vóór de Brexit zal ik nooit meer kunnen leren kennen. Ik heb geen herinnering aan Engeland, alleen maar de wens er ooit heen te gaan. En die kan vast wel worden vervuld, ook na de Brexit, ooit, een keer… Het kan alleen maar beter zijn dan de eerste keer!

 

 

De tuindersvlet voor anker
in een grindgat,
met puts op de pikhaak
als ankerbol.

 

.

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.

Alexis de Roode (1970)

.

Liften zonder plan

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten.

.

Het is zondagochtend en ik zit in het filmhuis van Heerenveen. De film is afgelopen, het is donker in de zaal en de aftiteling geeft nog net een schemerig licht. Hoewel ik het jammer vind dat ik de zilverachtige ochtendzon ben misgelopen, was het toch de moeite waard. Ik zit nog steeds op het puntje van mijn stoel, om te verwerken hoe het maar net goed afliep. De Californische boerderij, tjokvol biodiversiteit, is op het nippertje aan een gigantische bosbrand ontsnapt. De boer en de boerin haalden opgelucht adem. Ik staar nog wat naar de lange rij namen die voorbij gaat. “Big little Farm.”
Voor me zit een echtpaar, waarmee ik in de pauze sprak. Ze draaien zich allebei om “Kom je mee?” vraagt de vrouw en ik zeg ja. We hebben afgesproken dat ik met ze meerijd naar een lezing die vanmiddag is. Grappig, terwijl ik voor het eerst sinds jaren weer eens naar de film ga, word ik meteen uitgenodigd voor een volgend evenement. Ik merk het wel vaker, hoe stiller mijn dagelijks leven is, hoe meer er gebeurt wanneer ik er eens op uit ga. Ik kom van het één in het ander.

We stappen in de auto en rijden door het coulissenlandschap, dat Friesland in het zuiden kent. Roestbruine hagen en bosjes wisselen zich af met weilanden die glanzen in de zon, door alle herfstdraden die er doorheen geweven zijn. We praten wat, maar ik kan het niet nalaten om middenin een zin een bewonderende kreet te slaken bij een onverwacht vergezicht. Even later rijden we het dorp in, “Oldeberkoop.” We stoppen bij een monumentale uitspanning met de naam Brocope. “Welkom Jelmer Mommers!” staat er op het kleine schoolbord naast de deur. Hier moeten we zijn. Jelmer is van de Correspondent, een digitale krant waar ik lid van ben. Hij schrok ervan hoe erg het met het klimaat gesteld is, want hij is een jonge vent van twee en dertig die het allemaal mee zal maken. Nu doet hij zijn uiterste best om het tij te keren en reist rond om lezingen te geven over zijn klimaatboek.
Ik koop een kaartje, loop door naar de zaal en ga achterin staan. Een man biedt me vriendelijk een stoel aan maar ik weiger vrolijk. Hij kijkt me teleurgesteld aan en zegt dat hij hem helemaal voor mij heeft opgehaald. “Echt heel aardig van u, maar ik sta liever!” hou ik vol. De man gaat maar weer zitten. Ik heb hem niet verteld dat het om mijn rug is, Ik heb gisteren bij het houthakken krom gestaan met de wind erop en nu is hij wat stijf en pijnlijk. Ik zit niet graag op een stoel geprikt met zo’n rug.

De zaal stroomt vol met grijze hoofden en even later is Mommers zijn verhaal aan het vertellen, over de dunne schil om de aarde waarom het gaat, de diverse scenario’s en wat we kunnen doen. Ik heb bewondering voor hem, je zal maar voor een zaal staan met allemaal ouderen, waarin ongetwijfeld mensen zitten die hier al veel langer over nadenken.
Dat blijkt ook, wanneer Mommers is uitgesproken, laat één man duidelijk van zich horen. Hij is helemaal vooraan gaan zitten en niet voor niets kennelijk. Ik kijk naar zijn brede rug en zie het profiel van een breed, wat papperig gezicht. Hij zit een beetje onderuitgezakt, en doet breedsprakig zijn mening uit de doeken. Hij weet niet van ophouden, ook niet nadat Jelmer hem de opdracht geeft om zijn vraag duidelijk te formuleren. Komt die man wel voor Jelmer, of komt hij voor zichzelf?
Hij praat over kernenergie, over windmolens en over technieken met algen. Het gaat allemaal over één ding, hoe kan ik de luxe die ik nu heb blijven houden? “Ik snap wel, iedereen wil leven zoals wij, en ik weet dat dat niet kan,” zegt hij. Op dit moment gaat er een koude vlam door me heen. “Mag ik even iets zeggen?” vraag ik, “Dit is niet waar, niet iedereen wil leven zoals wij. Er zijn 350 miljoen mensen die onze manier van leven als een bedreiging zien. Inheemse volkeren die worden verjaagd van hun voorouderlijke grond omdat hun bossen worden ingepikt om te dienen voor CO2 opslag. Rijke landen maken hier goede sier mee. De mensen worden in hutjes gepropt in een veel te klein reservaat.”
De dominante man op de voorste rij draait zich verstoord om. “Dat heeft helemaal niks te maken met de …. warmte,” zegt hij, en hij moet even zoeken naar het juiste woord. Ik twijfel geen moment over mijn antwoord. “Het gaat om de voetafdruk! Die van ons is gigantisch en van die mensen is hij minimaal. We hebben veel van ze te leren.” De felheid van mijn reactie komt aan in de zaal. “Ja,” zegt Jelmer zacht “Juist de armsten hebben het meest te lijden….”
De man op de voorste rij heeft zich omgedraaid en negeert me. Hij negeert Jelmer trouwens ook. Hij gaat mompelend verder en ik versta hem niet meer. Jelmer staat op het podium en weet het even niet. De man praat maar door en de zaal luistert of staart wat voor zich uit. Wat moeten ze anders.

Maar aan alles komt een eind. Tot mijn vreugde weet Mommers de woordenstroom te doorbreken en komen er toch nog een paar anderen aan het woord. En dan is het afgelopen. We zouden het nog over de economie hebben, maar dat is niet gebeurd. Ik kijk om me heen. Een man op de laatste rij kijkt me geïnteresseerd aan en komt naar me toegelopen. “Ben je ergens van? Omdat je vragen stelde en ook omdat je stónd, ik vroeg me dat af.” Ik lach, grappig wat mensen gaan denken als je staat omdat je last van je rug hebt. “Nee hoor, ik ben autonoom. Ik stel graag vragen.” Hij is wel geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb. “Zal ik thee voor je halen?” Ik knik enthousiast, “Ja graag!”
Even later komt hij terug en we zoeken een tafeltje. Ik wil net gaan zitten, wanneer de mensen met wie ik meereed naar me toe komen. Ze willen weg, en vragen of ik nog mee terug ga. “Of zoek je het zelf verder uit?” vraagt de vrouw, terwijl haar man achter haar staat. Ik kijk van de één naar de ander en ik kijk naar het kopje thee dat dampend op tafel staat. “Ik rijd haar wel naar huis,” zegt mijn gesprekspartner.
Het is een genoeglijke ontmoeting en de weilanden op de terugweg zijn nog mooier, met die lage zon erop. Ik word afgezet bij het filmhuis, waar mijn fiets op mij staat te wachten. Even later rijd ik de vertrouwde oprit op en zet ik hem neer in het schuurtje van Annemarie. Fijn, ik ben vóór de schemer thuis.

Er zijn van die dagen, die ideaal zijn om te surfen op golven van zeeën van tijd. Dagen die voorbij vliegen, alsof je liftend door de ruimte stuift. En zo was deze zondag. Daar kan ik weer een week op teren!

Inheemse volkeren kunnen de biodiversiteit bewaken voor ons klimaat. Doe hier een donatie.

.

.

 

Verhalen als paddestoelen

.

.

Reizen en verhaal maken is een inspannende bezigheid. Elk gesprek kan belangrijk zijn en wordt opgeslagen in het geheugen, inclusief gezichtsuitdrukkingen en omstandigheden. Soms zijn dat wel tien of twintig gesprekken per dag, kort of lang. En steeds weer moet je kiezen.

.

Luister hier naar het gesproken verhaal, met tussendoor muziek van eigen hand. (5 min)

.

De hoge haag omringt mijn woonwagen. Het is nu geen wandelhuisje meer, het is een wooncocon, en rondom went het dierenleven aan de nieuwe omstandigheden. De koolmezen weten inmiddels, dat er zaad uit de deur komt. Niet elke dag, maar af en toe. Ik geniet van hun verkenningstochten in de heg, buitelend en fladderend van tak tot tak en eronder, op de grond. Ook de mussen laten steeds weer van zich horen en een enkele roodborst fluit zijn lied dwars door het gekeuvel heen.
Binnen brandt de kachel. Ik schrijf en wanneer ik niet schrijf, wandel ik tussen de plassen en de rietvelden.

Soms word ik overmeesterd door een lome slaperigheid. Ik geef me er graag aan over, vooral in de avond doe ik het liefst helemaal niks meer. De vliegen weten inmiddels dondersgoed dat het buiten koud is en blijven alle 56 binnen.

Ik lig op de bank en voel ze. Met een stuk of wat tegelijk kriebelen ze over mijn armen. Met ogen dicht probeer ik ze te tellen, waar voel ik wat? Eigenlijk is het tantra voor gevorderden. Haha. Zal ik ze ooit dood slaan? Eigenlijk heb ik liever dat de spinnen ze opeten.

Het is heerlijk toeven in mijn huisje, nu ik even niet meer weg hoef. Het is geen wonder dat ik leeg ben, na wekenlang in een toestand te hebben verkeerd van waakzaamheid. Niet vanuit gevoel van onveiligheid of angst, nee, ik ben niet bang alleen. Het is het feit dat overal zaden voor verhalen zijn, die wortel kunnen schieten. Alles wat ik meemaak kan een schakel betekenen in het boek. Tegelijkertijd beïnvloeden mijn keuzes het verdere verloop van de reis en het verhaal.

En nu is het herfst en bladeren verschrompelen en verkleuren. In de ochtend kruipt een koude mist over de velden en langzaam maar zeker trekt het leven zich terug in zichzelf. De verhalen die ik verzamelde, verdiepen zich, maken lange draden in de aarde. Draden verbinden zich, en wat ooit begon met een gesprek of iets wat ik zag vanuit de hoek van mijn oog, groeit. Verhalen bloeien op als paddestoelen die uit de verzadigde bodem breken. Ze vormen een deel in het geheel van constante verandering. Onderwerpen verweven zich, kwetsbare volkeren, mensen in de knel, de bodem onder onze voeten, hoe alles groeit en bloeit, en dan wij, hoe wij hier zijn en onze gang gaan.

Ik schrijf en kijk naar buiten. De zon is bijna onder. Ik stop een dikke tak in de kachel en zet een keteltje water op. Tijd voor koffie.

 

Vraagje:  Hoe vinden jullie de zwart wit tekening? Dit is er een die ik voor mijn boek ga gebruiken. Ik weet nog niet of ik hem ga inkleuren met pastel, of niet. Misschien worden het zwart-wit tekeningen omdat dit makkelijker is bij het drukken, misschien ook niet, omdat kleur toch essentieel kan zijn.

De gedachte bij dit beeld: Het fundament van de samenleving zijn de mensen zelf, als het netwerk aan schimmeldraden met hun veelheid aan paddestoelen. 

.

Ik dacht dat ik er was

  • .

.

 

Luister hier naar het gesproken verhaal van 13 minuten.

.

De regen tikt op het dak van mijn wooncocon. Ik lig op de bank te luisteren en rust uit van de wekenlange reis. Ik ben bek af. Soms lijkt het wel of alles meewerkt om de vaart er in te houden, om je opdracht af te maken, maar zodra de laatste stap is gezet, dan komt de punt erachter, of je het wilt of niet. Het is een dikke vette stip, alsof de laatste inkt uit je pen wegloopt en onherroepelijk zegt: “Nu doen we helemaal niks meer.”

Tien weken liep ik met mijn wandelhuis door Friesland. Heel Noord-West Friesland liep ik door, langs korenvelden, pittoreske dorpjes met al hun torentjes en langs de zeedijk. Ik sprak huismoeders en kinderen, vrijheidzoekers, boeren en kunstenaars, geïnteresseerde techneuten en gemoedelijke oude vrouwen. Allemaal genoten ze bij het zien van mijn wandelhuisje, de één om de techniek, de ander om het schattige, de grijze dame om de antieke fruitschaal die ik op mijn tafel heb staan, van lichtgrijs keramiek met blauwe bloemen.
En nu staar ik naar buiten. Het lichtblauwe tafelkleed is nat van de regen. De doppinda’s liggen verzopen op de bodem van de fruitschaal en een paar appels zijn gaan rotten. De zomer is voorbij. Achter de dunne rij bomen staat hoge mais op de akkers. En ik zit hier en kijk ernaar door het raam van mijn deur, ik kijk naar rijpende mais in de regen. De laatste dag van mijn reis was net als vandaag, urenlang bleef het zachtjes regenen. Ik kan me elke stap bijna nog herinneren.

Ik loop Heerenveen uit, de weg die ik moet gaan ligt voor me. Maar regelmatig sta ik stil. Mijn huisje lijkt te werken als een zonnestraal. Ondanks het miezerige weer komen er mensen naar me toe en ze vergeten de regen wanneer we samen van gedachten wisselen. Wat heb ik veel mensen gesproken in die tien weken! Ik verlang naar het eindpunt, naar rust, maar toch raap ik tot het einde toe mijn aandacht bij elkaar om met de vonk van enthousiasme elk gesprek levendig te maken. Alleen wanneer een Jehovagetuige mij zijn kaartje geeft en vraagt hoe ik erover denk, vind ik het welletjes. “Bedankt,” zeg ik, “Maar ik ben op weg naar mijn eindbestemming en ik moet nog twee uur lopen.”
En ik loop verder, de kronkelige weg naar Rotstergaast, me vergapend aan de vele bosjes en bomen langs de weg. Het gevarieerde landschap is zo anders dan het weidse noorden waar ik doorheen trok! De open vlakte is prachtig en de wolkenluchten blijven altijd boeien. Maar de wijde vlakte is ‘s winters onherbergzaam en dit gebied is veel vriendelijker. Het is een goeie plek om me te vestigen, tijdens de gure maanden die komen gaan.

Nog even en ik ben bij mijn vriendin Annemarie, dat is mijn eindbestemming. De motregen heeft mijn haren nat gemaakt en mijn groene regenjas is donker van het vocht. Er komt een rode opel voorbij, de wielen spetteren met veel lawaai op het natte asfalt. Vlak naast me stopt de auto en een blonde vrouw draait het raampje open. “Ben je op weg naar mijn camping?” vraagt ze me, “Naar de Frije Fries?” Ik zeg dat ik op weg ben naar het huis van Annemarie Elout. ”Het is de bedoeling dat ik daar ga staan.“ Ze knikt. “Maar als het niet lukt kun je ook wel bij mij staan hoor! Het is maar een kilometer verder,” zegt ze. Ik vraag of ik er ook voor langere tijd kan blijven. Ze knikt hartelijk en rijdt gauw weer verder.

Zal ik het huis van Annemarie herkennen zodra ik het zie? Nieuwsgierig loop ik door. Dan zie ik het, gemaakt van oude geeltjes, precies zoals ik me herinner, pal na de scherpe bocht. Ze staat net op de oprit en kijkt met open mond naar mijn woonwagen. Haar haar is nog witter geworden dan het al was en haar blauwe ogen kijken bewonderend naar wat ze zien. De kleuren maken veel indruk op haar. Ik blijf staan op de smalle weg en wacht tot ze is uitgekeken. Ze komt naar me toe gelopen en de begroeting is alsof we elkaar gisteren nog gezien hebben, terwijl het toch al jaren geleden is.
Dan lopen we samen de oprit op en we schatten de situatie in. Lukt het om hier in te parkeren met mijn wandelhuisje, kunnen we hier een plekje maken? Het lijkt erg krap te zijn en we nemen niet de moeite om er lang op te studeren. “Ik zou doorlopen naar de camping, daar heb je veel meer ruimte,” zegt ze. Samen lopen we door en de blonde eigenaresse assisteert ons naar een goede plek. Ze is gelijk weer weg, want ze heeft het erg druk, net als Annemarie, die ook meteen de benen neemt. “Kom je straks naar me toe?” vraagt ze “Gaan we samen eten!”

Het is een paar dagen later. Ontspannen kijk ik uit het raam. Het veld is omlijst met hoge bomen en hier en daar groeit een haag van hoge struiken. De vlier, meidoorn, bramen en abelen hebben zich tot een dicht netwerk aaneen gevlochten en ik sta er dicht tegenaan, om zoveel mogelijk van de luwte te profiteren. Straks komen de herfststormen weer en ik weet hoe heftig dat kan zijn.
De regen is opghouden en een waterig zonnetje schijnt tussen de sluierwolken door. Ik strek me uit op de bank en kijk naar de bladeren door mijn dakraam. Ik heb goed geslapen vannacht en ben al minder moe dan toen ik aankwam. Ik vraag me af of ik deze week met het boek zal beginnen. Ik kan bijna niet geloven dat dit mijn plek is voor deze winter. Ik moet eigenlijk een houtvoorraad gaan bestellen voor de kachel, maar kan er niet toe komen het te doen.
Op dat moment klopt de eigenaresse van de camping aan. “Zullen we even praten,” zegt ze “Ik wil graag duidelijk hebben wat je bedoeling is. Op 1 november sluit de camping.” Ik kijk haar verbaasd aan. Ze vertelt dat ze rust nodig heeft na elk kampeerseizoen en dat begrijp ik. “Dus ik heb nog zes weken,” reken ik uit. Ze denkt na en knikt. Ik ben niet lang van mijn stuk gebracht. Het is immers al duidelijk waar ik heen kan en dat is helemaal geen slechte oplossing.
“Ik ga meteen Annemarie bellen, er is vast wel een mouw aan te passen,” zeg ik. “Ik ga er naar toe zodra het kan,” zeg ik en ik leg uit waarom. De blonde vrouw knikt, ze snapt wel dat ik mijn bivak op wil slaan, op een plek waar ik kan blijven. Dan pas is er rust. En rust, dat willen we allemaal, om ons te bezinnen op de komende winter.

Even later heb ik Annemarie aan de lijn. “Over twee weken heb ik pas weer tijd,” zegt ze “Maar ik vind het gezellig als je bij mij komt staan. Morgen praten we verder, okee?” Prima, zeg ik en leg op. Annemarie is een open en directe vrouw, je weet wat je aan haar hebt. Ze is een bezig baasje en heeft een ruime interesse. Daar mag ik graag op het erf staan.
Ik pak mijn fiets en rijd naar haar huis. Ze is er niet, maar ik kan wel kijken. Bij nader inzien valt de ruimte best mee. Als ik op de strook gras, pal naast de hoge heg ga staan, dan kan de zon zelfs in de winter over het dak van het huis heen schijnen, mijn kamer in. We moeten alleen een beetje opruimen en snoeien en dan kan het best. Ik sta er naast de oprit en iedereen kan er makkelijk langs. Wat gek dat ik dat eerder niet zag.

Ik dacht dat ik er was, maar ik ben er nog niet. Het lijkt op een grapje, als een muziekstuk waarvan je denkt dat het is afgelopen en dan er komt nog wat. Je houdt je adem in, is dit echt het einde? Mag ik nu gaan applaudisseren? Ja, ik zal er op proosten, wanneer de laatste meter is afgelegd en ik de plek bereik om de winter door te brengen. Niets is vanzelfsprekend, voor een mens die onderweg is en elk geluk is het vieren waard.

.

Een stal voor mij en mijn ijzeren paard

.

.

Luister hier naar het gesproken verhaal.

.

Er is iets wat ik best moeilijk vind en dat is om hulp vragen. Aan vreemden onderweg gaat nog vrij makkelijk, maar het lastigste vind ik het om een grote vraag te stellen aan vrienden of kennissen.

Ik zoek een plek om de winter door te brengen.

“Ga naar de jachthaven in Akkrum,” had iemand me getipt, “dat zijn schappelijke jongens.” Ik had het wekenlang onthouden en gisteren ging ik er heen. De jongens waren inderdaad heel aardig, maar voor een winterverblijf kon ik er, heel begrijpelijk, niet terecht. Ik ben niet verbaasd, maar wel zonder doel. Al was het dan een hopeloos doel, het was er wel één. Nu zal ik nog even verder moeten trekken. Erg is het niet, met deze zachte temperaturen en af en toe een warm zonnetje tussen de stapelwolken door. Toch zie ik er naar uit om de stal te bereiken en me voor te bereiden op de herfst en de winter. Eindeloos onderweg zijn zonder rust, ik moet er niet aan denken. Ik wil een houtvoorraad aanleggen, een boek schrijven en vrienden opzoeken en thuis zijn met de kachel aan en een kaars in de vensterbank. Het komt vast goed, denk ik bij mezelf. Er komt altijd weer een oplossing. Met die gedachte rijd ik Akkrum uit.

Even voorbij Akkrum word ik ingehaald door een man op de fiets. “Waar gaat de tocht heen?” vraagt hij. “Naar een boerderij waar ik mijn accu kan laden!” roep ik. “Oh, kom maar naar mij hoor,” zegt hij. “Die boerderij met al die witte vrachtwagens, daar is het.”
Even later sta ik op zijn boerderij tussen de witte vrachtauto’s geparkeerd. De transportboer is de hartelijkheid zelve, hij bewondert mijn mooie huisje, vertelt aan alle chauffeurs hoe ik ermee rond reis en brengt me in de avond een kop warme geitenmelk. Naast me hebben twee vervoerders hun laadruimtes met de kont naar elkaar toegekeerd, om een vrachtje over te schuiven van de ene wagen in de andere. De chauffeurs weten precies wat ze moeten doen en waar ze heen gaan. Ik kijk en denk aan mijn eigen bestemming. Waar ga ik heen? Wat zal ik doen? Op dat moment besluit ik te doen wat ik tot nog toe niet durfde. Ik bel een oude kennis van me, in Rotstergaast.

Het is leuk om haar stem weer te horen. Ik hoef niet eens veel te zeggen. “Kom je langs?” vraagt ze, ik zeg dat ik hoop van wel. “Maar ik weet het nog niet zeker hoor! Ik weet niet waar mijn winterverblijf zal zijn. Als dat de andere kant op is, dan kom ik niet bij je in de buurt met mijn wandelhuisje.” Haar uitnodiging komt vrijwel direkt. “Dan kom je deze winter toch bij mij staan!” zegt ze hartelijk. Ik gloei van blijdschap en opluchting. Wat heerlijk om ergens heen te gaan waar ik een tijdje thuis kan zijn. “Dan help ik je met het onderhoud,” zeg ik. “Dat doe ik graag.”
We houden contact. Wanneer ik ophang kan ik het bijna niet geloven, ik nader de stal! En volgend jaar, als de lente losbarst, zal ik vol energie weer verder trekken, met mijn ijzeren paard. Heerlijk.

.

Sombere twijfel en een helder idee

.

.

 

Luister hier naar het voorlezen van dit verhaal.

.

“De wereld is mooi!” had ik net opgeschreven. Ik was lekker op weg, trof overal aardige mensen en het schrijven erover ging goed. Tot ik mijn chatbox op facebook weer eens opende. Ik kijk daar nog zelden in en vond een heel lijstje ongeziene babbels. Plotseling werd ik verrast door een onvriendelijk berichtje dat ik niet begreep. Ik staarde ernaar met ongeloof, het was of ik in een vriendelijk lentebos liep en er opeens een nijdige parkwachter voor me stond. Mijn verstand zei, joh, leg het naast je neer, dit gaat niet over jou, het is iemand die je nauwelijks kent! Maar mijn lichaam was er niet op voorbereid en reageerde ogenblikkelijk. Stress schoot als een bliksemflits door het lijf. Mijn onderrug verstijfde en die nacht lag ik urenlang te draaien in mijn bed.
De volgende ochtend stond ik kokhalzend in het gras naast de mooie parkeerplaats onder de kastanjes. Ik kwam net weer een beetje overeind, toen er een man aan kwam lopen. “De grindweg hier is openbaar, maar de parkeerplaats niet, het is privéterrein. Je kan hier niet blijven staan, mijn buren doen er moeilijk over. Als ze straks thuiskomen krijg je ongetwijfeld problemen.” Ja, hij bracht het vriendelijk en vond het rot om me weg te sturen terwijl ik ziek was, maar wilde toch het liefst dat ik weg ging. “Prima hoor,” zei ik “Dank u voor het waarschuwen.” Dus sjouwde ik mijn fiets weer naar binnen en trok mijn hele hachje weer terug door het privébos naar de openbare weg. Daar vond ik al snel een brede berm. Ik besloot niet verder te zoeken, parkeerde mijn wandelhuis, en dook meteen mijn bed in.

Ik heb een hele nacht en twee dagen in bed gelegen en nu is het avond. Mijn huisje staat scheef als een oud wijf. De berm die ik vond loopt lichtelijk schuin af naar de sloot. Aan één kant is de grond keihard. De weg is zo smal, dat er regelmatig auto’s noodgedwongen over het gras heen rijden, wanneer ze elkaar passeren. Verderop, richting de sloot, is de grond heerlijk zacht en los en ik zag een paar molshopen. Zolang de mollen mijn huisje niet nog schever graven, is dit geen slechte plek om te staan. Ik sta niemand in de weg en het is geen privéterrein. De auto’s en landbouwgevaartes die af en toe voorbij zoeven neem ik maar even voor lief.
Achter de dikke rietkraag hoor ik geluiden van jonge meerkoeten. Af en toe klinkt er de schelle kreet van een volwassen koet en geplons, alsof ze een ander wegjagen. Het geluid van water klinkt me als muziek in de oren. Ik krijg zo’n zin in zwemmen, om het zieke zweet van me af te spoelen!
Ik word aangetrokken door de zeedijk, die ik in de verte zie liggen. De zeedijk is de horizon en daarachter is het grote water. In de avondschemering loop ik het pad af. Ik weet dat ik het water niet kan bereiken vanaf dit punt, maar toch trekt het me aan. De akker ernaast is ingezaaid met rucola, de blaadjes zijn al tien centimeter hoog. De weg eindigt midden in het land. De Waddenzee lijkt nog heel ver weg te zijn. Ik hoor niks en ik ruik niks. In de verte zie ik grote blokkendozen, het zijn de contouren van de haven van Harlingen. Harlingen, de bedoeling is dat ik daarheen ga. Maar op dit moment ben ik niet overtuigd. Ik voel me moe en somber. Ik twijfel aan het reizend bestaan dat ik koos om dit verhaal te schrijven. Waar zijn al die vriendelijke mensen nou gebleven?
Die avond slaap ik niet direct in. De tientallen muggen zijn onuitstaanbaar. Ik pleeg diverse moorden, voor ik rust vind en uiteindelijk inslaap. Maar het is een goede slaap, waar ik echt van uitrust. En daardoor word ik wakker met een helder idee. Ik ga mensen opzoeken. Er is een geitenboerderij hier vlakbij en daar ga ik heen. Ik strek mijn rug en haal diep adem. De ochtendlucht is nog fris en de lage mist boven het land heeft zich pas net opgelost in de warme zon. Het is heerlijk om mijn benen te strekken. Ik heb de tas met lege flessen bij me om te vullen met water en geitenmelk en in de andere hand houd ik de kaart van Friesland vast. Ze kunnen me vast verder helpen, hoe dan ook.

Het is de biologisch dynamische boerderij van Sander en Marjolein. “Gerbrandastate, landbouw en zorg”, staat er op het bord. Er is een bloemrijk grasveld op te zien, met een grote menigte geiten erachter. In de verte is een breed gebouw met een dak dat geen nok heeft maar in plaats daarvan een lichte ronding maakt. Als ik het pad op loop zie ik hetzelfde beeld in werkelijkheid. Alleen de geiten zie ik niet. Wel word ik verrast door een groot en vriendelijk erf met bloemen, een glooiende weide, bessenstruiken en fruitbomen. Ik zie kippen scharrelen in de boomgaard en langs het pad is een man onverstoorbaar grote blokken hout aan het doorzagen met een handzaag.

 

De oprit is lang en aan de rechterkant omzoomd met oude hoge ratelpopulieren die ruisen in de constante bries van het Friese noorderland. Erachter zie ik een wei met twee ezels. Middenin de wei staan een paar fruitbomen. Een goede plek voor de dieren, die eigenlijk uit zuidelijke streken komen en in koude streken eerder ziek worden. De wei ligt beschut en is aan alle kanten omzoomd door bomen en struiken. Twee witte populieren strekken hun takken ver over de zonnige weide uit. Ik zie gladde lichtgrijze stammen van hoge esdoorns. Nu ik goed kijk, bespeur ik ook verschillende essen. Ik houd van hun fijne geveerde blad, waar toch zoveel licht tussendoor schijnt. Ertussenin staan overal iepenstruiken, die de beschutte bomenhaag compleet maken. Aan de noordkant zijn op één plek geen struiken. Daar is een kleine houtwal gemaakt, het zorgt ervoor dat de binnenwei mooi is afgeschermd tegen gure wind. Ik geniet van de zorg die er besteed is aan deze plek en hoe alles wat hier groeit zijn plek gevonden heeft. Ik geniet van de oude bomen, die er nog altijd staan. Ik kijk nog eens naar de twee ezels. Tevreden staan ze te kauwen en kijken maar heel even op, wanneer ze me zien.

 

Ik loop verder langs de hoge lindes, ze staan al tientallen jaren als slank opgesnoeide wachters langs de oprijlaan. Aan het einde van het lange pad is een erf met een geitenstal. Een vrouw is bezig hooi over het hek te gooien en vele geitenkoppen kijken haar acties vol verwachting tegemoet. Ik vraag aan de vrouw of ik hier mijn waterflessen kan vullen. Dat kan zegt ze, en ze wijst me de kraan. Terwijl ik erheen loop, word ik opgehouden door een man, die zich voorstelt met de naam Simon. Hij biedt me thee aan, het is net pauze. De ontvangst is allerhartelijkst. En uiteindelijk komt de boer zelf aanlopen. Sander is een man van indrukwekkende lengte en een rustige optimistische uitstraling. ”Je mag hier best een paar dagen op de kopwei staan hoor, je staat daar lekker rustig in de schaduw. Je mag hier ook douchen en als je de wasmachine nodig hebt vind ik het prima. De melk krijg je van me.” Ik slaak een verheugde kreet. Iedereen lacht zachtjes. Opnieuw bedenk ik bij mezelf, zie je wel, je hoeft het alleen maar te vragen. Als ze je niet zien, dan kunnen ze je ook niet helpen. Mensen vinden het zo leuk om te geven en de ander te zien stralen van dankbaarheid!
Dan weet ik het weer, het is goed dat ik op reis ben. Juist daarom, om dit mee te maken, het niet allemaal zelf te doen, maar te ervaren wat het is, om hulp vragen en daar verheugd over te zijn. Mijn vertrouwen groeit, als de kruin van een diep gewortelde boom, die zijn takken open naar de hemel strekt.

.