Een indrukwekkend begin van de reis

Dit blog is langer dan normaal. De bedoeling is dat ik deze winter begin met een boek met verhalen en tekeningen. Omdat deze dag een aanzet maakt tot de thema’s van mijn reis, is dit verhaal extra lang.Het is ook te beluisteren in vorm van een podcast. Voor de plaatjes kun je op het blog meekijken.

.

 

 Ik wil de ander echt zien, die ik ontmoet. Daardoor kan dit verhaal als een kleurrijke ketting worden van vele parels. Ieder mens heeft iets wat de ander kan raken en in de kern ben ik verwant met iedereen.

Het is vier juli, onafhankelijkheidsdag. Vandaag gaat het gebeuren. Ik ga weg van camping de Swetteblom. Ik zit bij Jochum in de kamer, op zijn bank. De kamer is zoals hij altijd was, wat rommelig maar de versleten plankenvloer is leeg en aangeveegd. Ik zie boeken over geschiedenis en een half abstract schilderij van een troubadour. Door de ruiten kan ik de paarse bosliefjes zien en daarachter de Swette. Jochum kijkt in het synoniemenboek. Ik heb hem gevraagd of hij een ander woord voor verhaal weet. Vandaag, op de ochtend van het vertrek, wil ik de naam van mijn huisje vastleggen met verf op de buitenwand. Het wordt niet ‘t Wandelhuis.
“Synoniemen voor verhaal zijn geschiedenis, historie, legende, sage, anekdote, relaas,” zegt hij snel achter elkaar. “Zeg nog eens?” lach ik. Een voor een noemt hij de woorden en kijkt naar mijn reactie. “Allemaal niet geschikt,” zeg ik. “Vanaf nu blijf ik erbij. Het wordt het rijdende verhalenhuis.” Jochum vraagt waarom en ik zoek naar de juiste woorden. “Omdat het wandelhuis de lading niet dekt. Het vertelt niet wat ik doe. In de eerste plaats wil ik verhalen losmaken en daarvan maak ik een boek. Wandelen is een middel om dit werk te kunnen volbrengen.” Dat snapt Jochum wel.

Het is twee uur in de middag en naast mij staat Maria. Ze wijst naar de tekst boven. “Dat vind ik prachtig!” zegt ze met glimmende ogen, die nog even blauw zijn als gisteren. De naam van mijn huisje prijkt hoog boven aan de wand, met paarse letters in de lucht. “Het rijdende verhalenhuis.” Ik wijs haar op de andere tekst, beneden. Daar, in het groene vlak, is mijn missie te lezen. “Een kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen.” staat er. “En dat dan? Vind je dat niet mooi?” vraag ik. Maria schudt nee. “Ik hou er niet zo van om tegen dingen te zijn. Dat is de oude wereld. In de nieuwe wereld gaan we mee met de flow. Maar ik begrijp het wel. De meeste mensen zitten nog in het oude.” Ik knik, ik denk dat ik weet wat ze bedoelt. “Ik ben een transformator,” zeg ik. “ Ik wil graag mensen ontmoeten die de stap willen wagen van oud naar nieuw.
Ze geeft me een fles met roze bubbels en wenst me een heleboel mooie ontmoetingen. Om half vijf is het afscheid. Ze zal er niet bij zijn.

.

.

Het is een afscheid zoals ik nooit heb gehad. De belofte dat de televisie erbij zou zijn hielp om er wat bijzonders van te maken. Mirre en Jochum hebben het samen bekokstoofd. En dit is het resultaat. Op het wijde veld zit nu een hele kring van mensen. De stoelen staan in het korte gras, Jochum heeft pas gehooid, dat komt goed uit. Er staat een enorme hoeveelheid zelf gebakken appeltaart op tafel. Naast de kring van mensen staat een grijnzende man met krullen die zijn gitaar neerlegt en met uitgestoken hand naar me toe komt. “Ik ben Sietse. Ik ga een paar liedjes zingen, die mooi passen bij jouw vertrek.” Even later zingt hij, in het fries natuurlijk. De camera draait op de achtergrond en legt alles vast. Ook de poëzie van Jochum. Hij draagt een gedicht voor, voor mij geschreven!

De regisseur zegt dat het tijd is om te vertrekken. Ik omhels wie ik omhelzen wil. Anderen geef ik een hand. “Ik kom terug! In de herfst, sowieso,” beloof ik. Dan loop ik terug naar mijn treintje, want dat is het wel, de mover, mijn huisje en dan ook nog de bagagewagen erachter. De cameraploeg staat al te wachten. We gaan naar Weidum. Het is vier kilometer en de eerste twee gaan over de onverharde weg tussen de weilanden door. Vier mannen staan klaar om goeie televisie te maken, een regisseur, een cameraman, een geluidsman en presentator Dennis.
Vol goede moed gaan we van start en ik trek mijn huis de berm uit, samen met de bagagewagen, waar ik de zonnepanelen op heb gemonteerd. De kabel is aangesloten, terwijl ik rijd laad de accu van de mover op. Ik laat Dennis zien hoe het apparaat werkt en hij neemt het van me over. Het pad is een gatenkaas, prima om alles te testen. Het effect is spectaculair. Bij de eerste dikke kuil schiet de balk uit de stalen sponning van het onderstel, de balk waar ik de koppeling aan heb gemonteerd. De koppeling zit muurvast, maar de balk ligt los in het frame. Ik heb hem niet gefixeerd, omdat erachter ook een opslagruimte zit. Daar moet ik bij kunnen. Het is een experiment. Nu wordt duidelijk hoe het werkt, als je dat niet doet. De krachten zijn sterk genoeg om de balk om te keren en eruit te trekken. Nu ligt hij los op de grond. De bagagewagen is een paar meter achtergebleven en de mannen schieten meteen toe om de boel te herstellen. Gelukkig heb ik extra lengte gegeven aan de laadkabel, dat komt nu goed van pas. De kabel is niet gebroken.

.

.

Ik kijk wat er gebeurt. Er wordt druk gediscussieerd over hoe het moet en ik sta aan de kant. Er komt een oude wrevel bij me op. Dit is verdorie mijn eigen gebouwde woonwagen en niemand vraagt mij iets. Omdat ik een vrouw ben? Ik kan niet blijven zwijgen. Ik zeg tegen de presentator dat ik er een oplossing voor ga zoeken. “Snap je het dan?” vraagt de presentator. Ik kijk hem verbluft aan. “Ja natuurlijk snap ik het. Ik heb dit huis zelf ontworpen en gebouwd!” Ik krijg de bal meteen terug. “Ben je nou blij dat ik je help?” zegt hij terwijl hij zijn rug recht en me strak aan kijkt. Shit denk ik, nou ben ik natuurlijk onbeleefd. “Ja natuurlijk ben ik daar blij mee, ” haast ik me te zeggen.
Oei. Dit antwoord is als het weggeven van mijn huissleutel. Ik geef de regie uit handen. De presentator neemt nu de rol aan als deskundige en ik ben de vrouwelijke assistent. Wat er nu volgt is precies volgens de eeuwenoude rolverdeling. “Heb je dit nodig?” vraag ik liefjes en ik geef hem een spie van hardhout. Ik zie al helemaal voor me hoe ik het wil doen en die spie is goed te gebruiken. “Nee,” zegt hij. Natuurlijk heeft hij niet bedacht wat ik heb bedacht. Dat is logisch. En wat doe ik? Ik ga niet eens in discussie, en leg de spie weer terug. Wat doe ik nou weer, denk ik ondertussen. En nog wel voor de camera, alles komt straks nog op televisie ook, hoe ik de rolverdeling weer eens bevestig. Dit wil ik helemaal niet!

.

.

Maar ach. Het maakt een verhaal levendig. Eerlijk is eerlijk! Bij een goede scene laat je expres dingen los, om spontaniteit de ruimte te geven. Dat had ik van te voren al bedacht. Het leek me een goed idee om niet alles tot in de puntjes af te maken en perfect te doen. Juist onvolkomenheden zijn het mooiste, de materiële èn de menselijke. Alles wat er gebeurt hoort er bij en ik geef anderen daarmee de gelegenheid zich erin te herkennen. Ik heb er voor gekozen om dit allemaal te laten zien, net als het verhaal wat ik schrijf. Door die oprechtheid komen er ook oprechte reacties terug. Zo kunnen we het ergens over hebben.

Het is maar vier kilometer naar Weidum, maar het duurt eindeloos lang voor we er zijn. We gaan door kuilen en er moeten auto’s passeren op de smalle weg tussen de twee sloten door. Dennis stelt vragen, ik antwoord. Als de regisseur wil dat we stoppen, stoppen we. We werken hard en het worden vast mooie televisieopnamen. Als we in Weidum zijn ben ik opgelucht en uitgeteld. Ik steek de straat in van het bejaardentehuis. Daar kan ik vast wel op de parkeerplaats staan. Misschien moet ik maar iets langer in dit dorp blijven om deze indrukwekkende start te verwerken en uit te rusten. Als dat tenminste lukt op zo’n plek waar iedereen komt en gaat.

.

Presentator Dennis bij afscheid.

.

Precies wanneer ik dat denk, komt Pier aanlopen. Pier is een muzikant uit het dorp, ik ontmoette hem na het songfestival, in het dorpshuis, een paar weken geleden. Met lenige pas komt hij me tegemoet en ik vertel hem waar ik heen wil gaan. “Dat kan je doen,” zegt hij. “Maar ik weet iets veel beters. Ik heb een mooi plekje voor je,” deelt hij me stralend mee. “Veel leuker dan bij het bejaardentehuis. Mijn vriend Ait Jan nodigt je uit. Er is een grasveld en een vijver. En kom je dan straks bij ons eten? Mijn vrouw zorgt voor een heerlijk maal bij het vuur!”
Blij kijk ik hem aan. Natuurlijk kom ik, wat een hartelijkheid! De televisieploeg blijft helaas nog een hele poos hangen en krijgen ook nog bier. Ik hou vol en doe nog even mee met de nodige gezelligheid. Wanneer mag ik naar Pier? Gelukkig heb ik morgen zelf weer de regie in handen.

Eigenlijk wilde ik naar Sneek. Dan kon ik rustig op een camping staan en een paar dagen vakantie vieren met Dick. Maar daarvoor hoef ik helemaal niet verder te reizen. Ait Jan zegt dat ik hier best een week mag blijven. “Wat moet je daar nou in Sneek? Hier is het veel leuker. En volgend weekend is het dorpsfeest. Het thema is “Sprookjes.” En jij bent al een sprookje met je hele verschijning. Je blijft toch wel?
Ik zeg hem dat ik blijf. Ait Jan glundert. Ik blijf zolang als het feest nog niet is geweest en ik me daarop verheugen kan. Ik blijf zolang ik als ik nodig heb om een constructie te maken om de koppeling te fixeren. Ait Jan heeft een bedrijf in technisch ontwerp, decors en tuinen en bouwt heel wat af. Hij werkt ook samen met anderen, veel mannen en soms vrouwen. Ik laat hem de tekening zien, hoe ik het wil doen. “O! Je wilt het met driehoekjes doen en dat je hem met twee pinnen, hoppekee, vast kan zetten! Ik heb alles wat je nodig hebt, je pakt het maar. Ik heb alleen geen vleugelmoeren.” Ik maak een sprongetje van plezier. Samen over constructies praten is veel leuker dan het iemand anders laten doen en zelf aan de kant staan.

.

Zo zou het kunnen. De bout moet iets dikker

.

 

.

Underweis

Begûn dyn mearkereis
Dreamjend nei it frije Swetteblomlân,
Hielendal iepensteand
Foar dyn fleur en difersiteit
Siedzjende tsjoendershân,
Dy’t amper wachtsje kin
Op de folgjende útdaging ûnderweis
Yn Kuierlân.

Goereis Alowieke!

Jochum Rijpsma

.

 

Ik weet nog niet of het boek dit jaar uit komt of in het voorjaar dat er op volgt. Wel kun je je alvast per mail opgeven als je geïnteresseerd bent. Dan hoor je van mij wanneer het zover is.

Contactformulier voor het boek:

.

Doorbraak voor vrije voeten

  1. .

.

Mijn Wandelhuisje gaat het veld af. Ik heb een mooi plekje gevonden bij de ingang, naast het laatste bosje, pal tegen de rietkraag aan, van de Swette. Er heeft in al die jaren nog nooit iemand gestaan, ik ben de eerste. Van daar uit kan ik iedereen aan zien komen, over de twee kilometer lange weg, die naar het dorp leidt.

Ik heb niet veel op te ruimen, maar toch is verhuizen vervelend als je ergens langer hebt gestaan. Ik kijk naar het paadje waar ik liep en de bloemen die ik plantte. Zullen andere ogen net zo aandachtig zijn als de mijne? Ach, het zal zijn weg wel vinden, al wordt het een wildernis.
Er is nog iets anders. Het rottigste van verhuizen is, dat ik tientallen kleine beestjes uit hun huis moet gooien. De emmer zit vol met een lijmklem, een uitgedroogde spons en andere dingen. Onder de rand zit een hele rij spinnetjes, met een wit, draderig pluisje naast zich, waar hun nageslacht in zit. Sneu, maar ik peuter ze er toch uit. Het is ontruimen of nat worden. Ik heb een emmer om onderweg water te halen uit de sloot en was niet van plan om spinnetjes te huisvesten, sorry.

Ik til de dissel op en zie er een mier uit lopen, en nog één. In een klein gaatje zit een mierennest. Ze weten het goed te vinden, slimme beestjes. Met die stortbuien kan je maar beter hoog en droog wonen, anders verzuipt de boel. Maar ik ga weg en de dissel ook. Het is niet handig van de mieren. Weten zij veel. Ik vind het beter om het meteen maar goed duidelijk te maken. Keihard sla ik op het gegalvaniseerde staal en de mieren werpen zich halsoverkop naar beneden met hun eieren. Ik hoop dat ze nu niet allemaal doof zijn en dat ze maar gauw een nieuw huis zullen vinden.

Even later staat mijn huisje keurig op zijn plek. Met het wuivende riet voor de deur en het glinsterende water van de Swette naast mij, kan ik mij rustig voorbereiden op de reis. Nog een maand, dan ga ik. Ik zal hier lang genoeg staan om een nieuwe verzameling beestjes rond mijn huisje te verzamelen. Die zal ik straks weer dakloos moeten maken. Maar ach, ze redden zich wel weer. Mij lukt het immers ook steeds!
O ja!
Alles is continue in beweging en het is veerkracht en vertrouwen, waar de natuur vol van is. Ik ben diep onder de indruk van al die kracht, die ik steeds weer ontmoet. Kracht, om mij heen en in mijzelf. Wat is dat toch? Wat ik woorden geef is slechts een glimp van iets wat eigenlijk onbenoembaar is. Toch probeer ik het.

Vertrouwen stroomt mee met de tijdsrivier. Het is een weten dat de aktie die ik onderneem niet met stel en sprong resultaat hoeft op te leveren. Dat ik weg kan wandelen zonder te weten waar ik uitkom en wat ik achterlaat een heel andere vorm kan aannemen dan mijn bedoeling was. Dat ik geliefd kan zijn, maar dat het soms beter is om te gaan. En dat ik soms zou willen gaan, maar het beter is om te blijven. Dat niemand onmisbaar is en toch te beseffen dat elke stap die ik doe onmiskenbaar invloed heeft op alles. Dat ik alle levende wezens bewonder, maar toch het spinneweb doorbreek wanneer ik mij met lichte voeten een weg baan. En dat alles, na elke sprong, weer een evenwicht vindt, een plek in het bestaan. Zonder die veerkracht, zonder dat vertrouwen in het Al, stond ik niet waar ik nu sta. Dit mijn vrijheid en nooit zal die vanzelfsprekend zijn.

.

 

 

Een plek om thuis te komen

.

.

Een plek om thuis te komen. Nu ik er ben, weet ik dat ik op reis kan gaan.

.

Met mijn ogen halfdicht geniet ik van het vroege licht dat door mijn koekoek schijnt. Slaperig mijmer ik over wat ik ga doen vandaag. Het is blogschrijfdag. Waar ga ik het over hebben? Gaat het over mijn vertrek op 30 mei? Ik weet het nog niet en laat het maar even. Ik doe het deurtje van de bedstee open om de slaap eruit te laten waaien. Dan  stap ik mijn bed uit. Ik open de deur. Vlak voor het bordes zit een groepje kippen, die halsreikend naar me opkijken. Ze willen eten. Ik stap in mijn pyjama op het vochtige gras en doe mijn klompen aan.

 

.

 

.

De camping met de bomen, het lange gras, alles is nog in een vochtige stilte gehuld. De koele lucht van de ochtend is heerlijk. De kippen pikken driftig van de kruimels die ik strooi. Ik loop terug over het paadje, tussen de essen, lindebomen en de vlierstruiken door. Maar ik ga niet mijn huisje in. Nee, ik pak een paar dikke werkhandschoenen die een vast plekje hebben gekregen in de bagageruimte onder mijn vloer. Ze liggen vooraan, ik kan er makkelijk bij. In mijn pyjama loop ik weer naar het kleine paadje. Het is zo hard als steen, door vele voeten en langdurige droogte. Rondom het pad staat het vol met speenkruid en fluitekruid. Hier en daar zie ik een teunisbloem en zelfs een kleine ooievaarsbek. Maar de grote overwinnaar is de alles overwoekerende brandnetel.

 

.

Wilde bijtjes op Ecocamping de Swetteblom

 

 

Overal in Nederland zie je hem, gestimuleerd door al die uitgespoelde mest, die door de sloten spoelt, zich mengt met het grondwater en onze bodem doordrenkt. Het is een netelige toestand. Mijn handen werken door. Ik trek ze uit of pluk ze af. Ik zie steeds meer wat onder de brandnetels vandaan komt en wat ik nu de ruimte geef. Ik zie het voor me, dit wordt een prachtplek, op deze oude, onberoerde grond. Een hemeltje voor bijen en insecten.
De zon staat al een stuk hoger aan de hemel, wanneer Maria haar yurt uit komt. Haar lange blonde haar glanst als een aureool om haar bruine gezicht. Haar helderblauwe ogen lachen en tientallen fijne lijntjes op haar wangen lachen mee. “Ik vind het zo heerlijk om te zien dat je zo lekker bezig bent! Wil je een kopje koffie met havermelk?” “O ja!” roep ik. “Koffie met havermelk vind ik het aller-allerlekkerste!”
Samen drinken we onze koffie, niet aan tafel op een stoel, nee, we lopen langzaam het hele terrein over. We staan stil bij wat we zien, vertellen wat het ons doet en ik vertel wat ik ervan weet. En Maria blijkt een haarscherpe intuïtie te hebben voor wat de oude honderd jarige appelboom nodig heeft. Er komen herinneringen op en verhalen. Het is een prachtige wandeling.

 

.

 

.

Het is heerlijk, om alleen op het land te werken in de vroege ochtend. Maar ik werk ook graag samen met de boer. We planten boompjes. Jochum  werkt stevig door. Hij is een vitale man en je zou niet zeggen dat hij zeventig is. Hij doet elke ochtend oefeningen, net als ik en gedichten schrijft hij ook nog, in het Fries natuurlijk. Tussen het scheppen door, praten we over onze belevenissen en idealen, en zo komt van het één het ander. Boer Jochum wil minder plastic. Ik wil hem er graag bij helpen. Samen zullen we de ruimte bij de WC’s transformeren in een sfeervolle zithoek.

Zwart landbouwplastic hangt stoffig aan de balken. Vuilnisemmers en dozen met oud papier en karton liggen op een slordige hoop, gemengd met andere zooi die mensen kwijt wilden. Jochem maakt de ruimte helemaal leeg en gaat weg. Nu is het mijn beurt. Ik trek het plastic er af, maak er een pakket van en gooi het op de aanhangwagen, om af te voeren.
Ik kniel op het beton van het erf. Voor me ligt een dikke rol stof, gisteren bezorgd door de postbode. Het is prachtige stevige jute en dit gaat het plastic vervangen.

 

.

 

.

Terwijl ik mijn schaar zet in de dikke jute komt Berry aanlopen. “Wat een mooie stof,” zegt hij. Berry is de man van Hillegonda. Het donkergrijze haar hangt in de war om zijn hoekige gezicht. Zijn ogen kijken vriendelijk en nieuwsgierig de wereld in. Een wereld waarin genoeg te zien is, want hij is tuinman op een landgoed van 24 hectare. Er woont een echte freule. Berry is heel gelukkig met zijn allerliefste Hillegonda, maar ook met dit werk. “Met al die dassen en reeën om me heen, hoe zou ik me er ooit eenzaam kunnen voelen?!” zegt hij.  In zijn aanhanger ligt mooi kastanjehout, dat er vandaan komt. Het is een dikke schijf die uit het onderste van de stam komt. We maken er een stoere tafel van, besluiten we.

 

.

Jochum ziet graag het bordje in het Fries, “Sithoeke”.

.

 

Ik werk de hele dag door en aan het eind van de dag is de transformatie compleet. Jochum komt aanfietsen. Verbluft stapt hij af. “Ongelooflijk,” zegt hij.
In de verte komt Tineke haar woonwagen uit, een kleine vrouw met rood haar. Ze is hier net een paar dagen. Deze plek inspireert haar. Ze ziet van alles en haar handen zijn bezig als een bij. Als boerendochter komen er veel herinneringen omhoog, op deze oude grond. Ze komt hier straks ook wonen. Meewerken op de boerderij, dat lijkt haar hartstikke leuk. Haar kinderen zijn het huis uit en nu kan ze doen wat haar hart haar ingeeft. Ik zie hoe ze rondloopt en hier en daar een bloem plukt. En als ik even later weer kijk, staat er een prachtig wildboeket op de stoere tafel.

Alles klopt. Ik geniet met volle teugen. Dit lijkt op de chemie van transformatie. Dit is wat ik hoopte te vinden. Hier is het, nu. En we doen het met elkaar.

 

.

.

 

Maar ik zou toch vertrekken? Ja ik ga vertrekken. Dertig mei is de grote dag, over vijf weken al. En ik ga ook! Maar nu weet ik dat ik hier terug kan keren, waar mensen er naar uitzien dat ik er ben en waar we in de herfst samen vlinderstruiken gaan planten en andere bloeiende planten. En nu, pas nu, weet ik dat ik kan vertrekken. Reizen is prachtig. Maar vooral als er een plek is waar je thuis kan komen.

 

.

Koe en de os in de wei.

.

 

Trekker met kantelaar

.

 

.

 

Veld met Wiekies Wandelhuisje

.

.

Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

Het verdwenen verhaal

.

.

Het verdwenen verhaal

Ik had een mooi verhaal
uitgetikt in zwart op wit
Maar het is verdwenen

Een duister avontuur was het
ik was op weg naar huis gegaan
hangend in de harde wind
die ik pal van voren moest weerstaan

Ik duwde mijn zwaarbeladen fiets
langs het voortgestuwde water
de blik op het donkere pad gericht
Er was geen mens en niets
dan de verre contouren van een
stad met licht

De donkere plek waar ik naar keek
en het geel verlichte venster
kwam almaar dichterbij
Dit was de plek van de oversteek

Ik kwam en zag

Donker water, zompige oevers
Ik ploeterde met een enkele spaan
bewaarde dobberend mijn geduld
zoekend naar de andere
die verdwenen was in het tumult
terwijl ik de oever voorbij zag gaan

Omringd met water en kolkende wind
wist ik niets dan enkel dat
dan gestadig door te gaan
Vechtend, knokkend in de wind
naar het huis waar het gele raampje zat

Ik vond de verloren spaan die ik zocht
en maakte de korte overtocht
tot de boot de oever raakte
en ik tevreden het touw vastmaakte
aan de steiger.

Het verdwenen verhaal
duikt steeds weer op.
en toch altijd anders
Met tegenwind dan gloeit mijn kop
zo groeit het vertrouwen bij elke vlaag
als de wortels van de beuk in mijn binnenste.
Als het ritmische antwoord op de vitale vraag
naar een steeds meer veerkrachtig bestaan

.

Hoe vertel ik het mijn oude pa

.

.

Ik heb mijn vader aan de lijn. Hij snapt er niks van. “Ik hoorde dat je nu ergens anders woont!” roept hij verbaasd en met een ondertoon van verontwaardiging. Mijn pa nadert de negentig. Hij stelt scherpe doelen, schrijft boeken voor de historische vereniging in Drenthe, maakt elke dag een fikse wandeling, heeft een strak schema in het schoonhouden van het grote huis en het onderhoud aan de tuin. Daarmee houdt hij zichzelf in conditie en houdt hij grip op zijn bestaan. Maar stilletjes aan wordt zijn wereld kleiner.
“Ja pa,” zeg ik “Ik sta nu vier kilometer verderop, in de buurt van Jellum.”
”Jellum? Waar ligt dat?“ Hij loopt even weg met de telefoon en kijkt ergens in om te zoeken.
“O, ik zie het al. Jellum. Ja hier!” Hij klinkt voldaan en tevreden. Het is even stil.
“Je bent binnenkort jarig hè, ik wilde dan graag langs komen waar je nu zit.” Hij zegt het aarzelend en tegelijkertijd vastbesloten. Sinds de dood van mijn moeder tien jaar geleden, is hij heel trouw geworden in het contact naar al zijn vijf kinderen, belt af en toe en komt één of twee keer per jaar met de auto, want rijden doet hij nog als de beste. “”Fijn zeg, dan kan je het nog mooi even zien waar ik nu ben.” zeg ik opgewekt en ik vermoed dat ik hiermee opnieuw verwarring zaai. Dat klopt als een bus.
“Wat?! Ga je daar weer weg dan?!”
“Ja pa, ik ga straks naar een geoloog en zijn vrouw. Zij is keramiste. Hij weet heel erg veel van Friesland. Ze kunnen me veel vertellen en daar verheug ik me op. Ik ga er ook in de tuin werken, een paar weken.”
“Oh..” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. “En hoe heet dat plaatsje dan?”
“Ja, hoe heet het ook alweer. Het is ook weer zo’n typische Friese naam. Ik vertel het nog wel.” We praten nog even verder, groeten elkaar en hangen op. Ik kijk nadenkend uit het raam. Mijn pa is het dus al helemaal vergeten, dat ik hem vertelde over mijn reis. Wat nu?

Een paar weken geleden zat ik nog bij mijn vader in de huiskamer. “Ik ga trekken pa, met mijn huisje op wielen.” Ik keek hem vol spanning aan. Het grote woord was er uit. Zijn stem klonk ijl en bibberig toen een zwak “Neeeee……” aan zijn lippen ontsnapte. Ik staarde naar mijn voeten. Ik wist het. Alle slecht-nieuws berichten van de televisie kwamen langs zijn geestesoog voorbij. Ik verharde mezelf en keek hem aan. “Ja pa,” zei ik onverbiddelijk, maar ik dacht, shit, wat rot voor hem. Maar ik wil deze reis nu maken. Hoe leg ik hem het uit??

Een week later sta ik op het perron van Deinum. Zo dadelijk komt de trein naar Leeuwarden. Ik loop net naar het bord met vertrektijden als mijn vader me belt. Ik vertel hem  waar mijn wandelhuis nu staat. Niet Jellum, maar Bears. Ik had me vergist. “De bus vertrekt vanuit Jellum, niet vanuit Bears. Daarom dacht ik dat. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Je schrijft het met een e en een a.” leg ik hem uit. “Bears?” vraagt hij, “Het lijkt wel Engels.”
“Ja, het Engels heeft veel invloed gehad op het Fries. En andersom is het net zo,” vertel ik.
Aan de andere kant van de lijn luistert mijn pa aandachtig. Er komt een idee bij me op. Ik hoef mijn vader niet te zeggen dat ik op reis ga. Als ik heel langzaam ga, en alleen zeg hoe het plek heet waar ik ben, dan zal hij het kunnen volgen. Traagheid is de sleutel en zeker als ik mijn verhalen doorspek met interessante historische details. Ik glimlach. Dit wilde ik toch?  Heel langzaam reizen en zo volledig mogelijk verslag doen? Met zo’n oude vader gaat dat alleen maar beter. Het zal me niet nog een keer gebeuren dat ik de naam niet kan noemen, van mijn volgende standplaats!
Je kan in alles een voordeel en een nadeel zien. Ik kies voor de meest werkzame optie. Mijn oude, maar zeer nauwkeurige  pa ervoor zorgt ervoor dat ik nog grondiger te werk zal gaan.

De trein komt er aan en stopt. Ik stap in en kijk hoe het weidse land aan me voorbij trekt. Het ziet er onbekend uit. Voor de zekerheid vraag ik het nog even. “Gaat deze trein naar Leeuwarden?”
“Nee,” zegt een jong meisje met lang bruin haar “De andere kant op, naar Harlingen.”
Wat een bof, denk ik bij mezelf. Ik zie almaar meer van de wereld. Mijn reis word steeds mooier. En ach, mijn vader hoeft ook niet alles te weten. Er valt nog genoeg te verdwalen… Ik tuur naar de horizon. In de verte zie ik het silhouet van een kleine provinciestad. “Franeker,” zegt het meisje.

.

Jellum en Bears vormen een tweelingdorp. Bears ligt aan de Swette, het plaatsje waar Ecocamping de Swetteblom zich bevindt. Er staan er oude bomen langs de oever en de boerderij. Kinderen slingeren in de zomer aan een touw boven het water en plonzen en spatteren er heerlijk rond. Het is een kanaaltje omringd door dikke rietkragen. Als het heel hard gaat vriezen, dan kan ik hier de schaatsers voorbij zien gaan van de elfstedentocht. Nu zwemmen er meerkoeten en eenden. De Swette vormde zich in de tijd dat de zee hier zijn arm nog uitsloeg en de getijden hun gang konden gaan. Het was het afwateringsriviertje voor de kwelders, bij hoog water. Toen de zee geen vrij spel meer had, is het gekanaliseerd. Vanaf het moment dat de kwelders verdwenen, doet het dienst als trekvaart tussen Leeuwarden en Sneek. Maar net zoals overal is het vervoer op het water sterk verminderd. Alleen in de zomer vaart er af en toe een plezierjachtje.

.

.

PS Ik heb mijn motivatie onder woorden gebracht, waarom ik dit wil doen. Het langzaam voortgaan langs de grens is niet alleen een verkenningstocht, maar is ook een vorm van protest voor mij. Als je meer weer lezen over die gedachtegang, lees dit.

   Klik hier voor de link

 

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

Prinsessetrein

.

.

“Het wordt een treintje,” zeg ik tegen de vogelspotter, die vaak naar Frijlân komt om foto’s te maken. We staan bij mijn nieuwe bagagewagen, die straks achter de woonwagen aan komt te hangen. Het is een blauwe. Ik heb hem zojuist opgehaald met buurvrouw Anna. Hij heeft een deksel dat aan beide kanten schuin afloopt en hij is maar een dikke meter breed. “Kan die mover dat allemaal trekken??” vraagt hij met grote ogen. Ik knik vol vertrouwen. Tegelijkertijd klinkt achter ons een vogelkreet. “O wacht, dat kan een kiekendief zijn. Even een foto nemen.” Hij draait zich om en kiekt de vogel die hoog in de lucht vliegt. Daarna neemt hij rustig de tijd om te kijken wat hij geschoten heeft. Ik wacht. Even later stopt hij zijn camera weer weg en richt zijn blik weer op mij.
“Ja hoor, hij kan het makkelijk trekken. Ik kan zelfs in mijn eentje de woonwagen in beweging brengen. Hoewel hij 1500 kilo weegt, rolt hij makkelijk en licht.” Zijn bezorgde blik wordt nu vrolijk. “Dat moet wel lukken!”

Ik zie het al voor me. Daar loop ik, in mijn strakke rode prinsessenjurkje en mijn rode hoed met de veer. Ik trek de wagen, met de rode mover vlak achter me. Anderen hebben grote dieselslurpende trekkers voor hun wagens, die veel herrie maken. Een enkeling heeft een paard ervoor, of een ezel. Maar ik heb alleen een glimmend rood bakkie, dat volkomen geruisloos is en 3500 kilo kan trekken. Het is iets ongekends. Een mens die een treintje voortrekt, bestaande uit een woonwagen, een bagagewagen en een fietskarretje. En het is nog wel een vrouw! Hoe komt een vrouw daar nou aan? In mijn sjieke verschijning zal men allerminst de gedachte hebben dat ik mijn tiny tiny house zelf heb gebouwd. Maar ja, een sjieke dame die een treintje achter zich aan trekt, dat hebben ze ook nooit gezien. En als dat mogelijk is, dan is alles mogelijk, nietwaar ?

 

Die gedachte hoop ik wakker te maken,
alleen maar door te zijn,
door te gaan,
door het wonder van het bestaan
iets los te toveren bij de passant,
die mij voorbij ziet gaan.

Dat het ene wonder
het andere wonder doet ontluiken.
Dat is hopelijk mijn kracht.
Het is geen loodzwaar doel of ideaal.
maar juist klein en heel dichtbij
ik kan het bijna ruiken

 

 

.

 

Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.

Een mooie dag voor zandkastelen

.

.

.

Een waterige wind blaast ijskoud om de oren. Ik ben weer thuis. Het lijkt het een eeuwigheid terug, dat ik op het strand liep.  En het is nog niet eens een week geleden! Wat een mooie ontmoetingen had ik daar. Ik denk er met plezier aan terug.

.

Het lijkt net alsof het vandaag een dag ervoor is, een speciale dag om op het strand mooie dingen te maken. Misschien is het vanwege het weer, het is zo warm en bijna windstil, terwijl het al een maand herfst is. Met mijn stevige wandelschoenen loop ik door het mulle zand. Dan zie ik ze, ver en veilig boven de vloedlijn.
De eerste kastelen zijn klein en speels en slordig. Ik ga ernaast zitten op mijn hurken en zie afdrukken van kleine handen in het zand. Het zand is droog, het heeft al lang niet meer geregend. Ik ga op mijn buik ernaast liggen en kijk nog eens, vanuit het perspectief van een kuikentje. Nu lijken het net echte torens, die afsteken tegen de horizon.

.

.

.

.

Ik sta op en loop verder. Daar staat nog een kasteel met echte kantelen, gevormd uit hoekige schelpen. Er zijn twee cirkelvormige slotgrachten, die er als gladde ringdijken omheen liggen. Ik zie bruggen en poorten, afgewerkt met zwaardschedes, lange bruine schelpen die vandaag met massa’s op het strand liggen. Het bouwsel is zo strak afgewerkt, dat een klein gezin er vol bewondering naar staat te kijken. Hun zoontje gaat op zijn hurken naast het kasteel zitten en prikt rondjes in de buitenste slotwal, met een stokje. Maar zijn ouders lopen alweer verder, in gesprek, zonder om te kijken. “Vergeet je zoon niet!” roep ik ze na. “O ja, die hebben we ook nog,” mompelt de vrouw. Het joch staat op en rent ze achterna.

.

.

 

.

.

Ik heb nog maar een klein stukje gelopen, of ik zie een heel dorp uit zand oprijzen, met een gigantische dijk erom heen. Vader bouwt aan de dijk. Die is zo hoog, dat hij tot boven zijn knieën komt en hij is bijna twee keer zo hoog als de huizen in het dorp dat er naast ligt. De zoon werkt aan de infrastructuur, en maakt bruggen en sluizen in de rivier, die langs het dorp loopt. Ik zie een kronkelige geul en de sluis is gemaakt van dezelfde langwerpige schelpen als bij het vorige kasteel.
Ik kijk naar de werkende man. Hij heeft een mal gevuld met zand. Die heeft hij nou op zijn kop gezet en hij staat er op te springen. Dan haalt hij hem eraf. De dijk is nu nog langer. Alleen de overgang naar het nieuwe stuk is een beetje rul geworden. Gefascineerd kijk ik toe. “Heb je ervaring als bouwer?” vraag ik. Hij kijkt me heel even aan, om dan geconcentreerd verder te werken..

.

.

.

.

“Ik bouw normaal gesproken niet met zand. Ik ben meubelmaker.” Hij strijkt de bovenkant glad met een stuk hout. “Ik ben een creator. Ik moet iets te doen hebben. Dat wandelen is wel even leuk, maar ik doe veel liever dit.”
Terwijl ik met hem praat, is zijn zoon in het hele kleine tentje gedoken, dat erbij staat. Er staat een hond naast. “Ooo, hij zit stiekem te snoepen. Dat ruikt ie!” Zijn vader grinnikt.

Als ik me eindelijk losruk van dit creatieve gezelschap vraag ik zijn naam. “Ik heet Coen,” zegt hij. “Met een C.” Ik groet hem ten afscheid. Terwijl ik wegloop komt zoonlief het tentje uit. Hij zwaait naar me. Ik wuif terug en loop verder, met mijn stevige wandelschoenen door het mulle zand.

.

.

.

.