Een mooie dag voor zandkastelen

.

.

.

Een waterige wind blaast ijskoud om de oren. Ik ben weer thuis. Het lijkt het een eeuwigheid terug, dat ik op het strand liep.  En het is nog niet eens een week geleden! Wat een mooie ontmoetingen had ik daar. Ik denk er met plezier aan terug.

.

Het lijkt net alsof het vandaag een dag ervoor is, een speciale dag om op het strand mooie dingen te maken. Misschien is het vanwege het weer, het is zo warm en bijna windstil, terwijl het al een maand herfst is. Met mijn stevige wandelschoenen loop ik door het mulle zand. Dan zie ik ze, ver en veilig boven de vloedlijn.
De eerste kastelen zijn klein en speels en slordig. Ik ga ernaast zitten op mijn hurken en zie afdrukken van kleine handen in het zand. Het zand is droog, het heeft al lang niet meer geregend. Ik ga op mijn buik ernaast liggen en kijk nog eens, vanuit het perspectief van een kuikentje. Nu lijken het net echte torens, die afsteken tegen de horizon.

.

.

.

.

Ik sta op en loop verder. Daar staat nog een kasteel met echte kantelen, gevormd uit hoekige schelpen. Er zijn twee cirkelvormige slotgrachten, die er als gladde ringdijken omheen liggen. Ik zie bruggen en poorten, afgewerkt met zwaardschedes, lange bruine schelpen die vandaag met massa’s op het strand liggen. Het bouwsel is zo strak afgewerkt, dat een klein gezin er vol bewondering naar staat te kijken. Hun zoontje gaat op zijn hurken naast het kasteel zitten en prikt rondjes in de buitenste slotwal, met een stokje. Maar zijn ouders lopen alweer verder, in gesprek, zonder om te kijken. “Vergeet je zoon niet!” roep ik ze na. “O ja, die hebben we ook nog,” mompelt de vrouw. Het joch staat op en rent ze achterna.

.

.

 

.

.

Ik heb nog maar een klein stukje gelopen, of ik zie een heel dorp uit zand oprijzen, met een gigantische dijk erom heen. Vader bouwt aan de dijk. Die is zo hoog, dat hij tot boven zijn knieën komt en hij is bijna twee keer zo hoog als de huizen in het dorp dat er naast ligt. De zoon werkt aan de infrastructuur, en maakt bruggen en sluizen in de rivier, die langs het dorp loopt. Ik zie een kronkelige geul en de sluis is gemaakt van dezelfde langwerpige schelpen als bij het vorige kasteel.
Ik kijk naar de werkende man. Hij heeft een mal gevuld met zand. Die heeft hij nou op zijn kop gezet en hij staat er op te springen. Dan haalt hij hem eraf. De dijk is nu nog langer. Alleen de overgang naar het nieuwe stuk is een beetje rul geworden. Gefascineerd kijk ik toe. “Heb je ervaring als bouwer?” vraag ik. Hij kijkt me heel even aan, om dan geconcentreerd verder te werken..

.

.

.

.

“Ik bouw normaal gesproken niet met zand. Ik ben meubelmaker.” Hij strijkt de bovenkant glad met een stuk hout. “Ik ben een creator. Ik moet iets te doen hebben. Dat wandelen is wel even leuk, maar ik doe veel liever dit.”
Terwijl ik met hem praat, is zijn zoon in het hele kleine tentje gedoken, dat erbij staat. Er staat een hond naast. “Ooo, hij zit stiekem te snoepen. Dat ruikt ie!” Zijn vader grinnikt.

Als ik me eindelijk losruk van dit creatieve gezelschap vraag ik zijn naam. “Ik heet Coen,” zegt hij. “Met een C.” Ik groet hem ten afscheid. Terwijl ik wegloop komt zoonlief het tentje uit. Hij zwaait naar me. Ik wuif terug en loop verder, met mijn stevige wandelschoenen door het mulle zand.

.

.

.

.

De oude man en een zingend meisje

.

.

Lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee omhoog,
hoog in de wolken wil ik wezen
hoog in de wolken wil ik zijn
lieve zeemeeuw, lieve zeemeeuw,
mag ik met je mee

.

De zon staat laag boven de Waddenzee. Aan de horizon ligt een streep land, die de blauwe lucht van het water scheidt. De rode vuurtoren steekt fier de hemel in. Het is het eiland Schiermonnikoog. Ik sta op het bovendek van de veerboot en laat mijn oog gaan over de contouren. Wat lijkt het kwetsbaar, die smalle streep land, met al dat water er voor. Dit schitterend stuk land kan zomaar van vorm veranderen. Ik denk dat dit de magie is, voor mij. Daarom word ik er zo door aangetrokken. Hier is de natuur ongerept en er wordt zo min mogelijk ingegrepen. Wat er ook gebeurt.

Het is druk op de boot, want het is herfstvakantie. Opa’s en oma’s, moeders en vaders met kinderen komen het dek oplopen, om even weg te zijn uit de warme verblijfsruimte en de zee te zien. Zeemeeuwen vliegen over de boot heen en weer. Een klein meisje houdt de hand vast van haar moeder. Ze kijkt omhoog, naar één van de grote witte vogels boven haar. Haar ogen stralen als een kleine engel en dan opeens, dan zingt ze. Ze zingt over de zeemeeuw die zijn vleugels spreidt en naar de wolken vliegt. Ik kijk naar haar. Die ogen staan voorgoed in mijn geheugen geprent. Ik weet het.

Er is nog een gezicht dat ik nooit vergeet. Een gezicht dat alles te maken heeft met het eiland. Het is het gezicht van de oude eigenaar van het beroemde Hotel Van Der Werff. Altijd was hij daar, met zijn hangende schouders en lichtelijk gebogen rug. Ingetogen nam hij de wereld in zich op, altijd gekleed in een sjofel blauw pak.
Het hotel is nog altijd wat het was, de kroonluchters, de bruine wanden en eenvoudige houten tafels, de schilderijen aan de muur. Het lijkt alsof de tijd er stil staat.

Ik loop naar binnen en ga aan een tafel zitten bij het raam.  Achter de toog staat nu geen oude man meer, maar wel een jongen, rustig kijkt hij om zich heen, recht van lijf en leden, keurig in blauw pak gestoken. Zachtjes praat hij met twee meisjes. Eén van de meisjes komt naar me toe. Ik bestel een kopje filterkoffie voor een euro, met appeltaart van het eiland.

Ik geniet met volle teugen hoe alles is zoals het is en neem een slok van mijn koffie. Het venster waar ik achter zit, lijkt wel een oeroude lijst. Het schilderij dat het omvat blijft altijd in beweging, met kleuren die nooit verbleken. Vlak achter het raam zie ik wandelaars voorbij gaan en fietsers. En dan, achter op de huurfiets van haar moeder, zie ik tot mijn verrassing het meisje van de boot voorbij komen. Ze kijkt naar mij. Ik zwaai naar haar en ze zwaait terug. Haar lange donkerblonde haar wappert in de wind.

.