De uitdaging van een beweeglijk mens

De Waddenzee is vlakbij. Op de boot naar Schiermonnikoog.

.

Het waait over de weiden. Verder is het best stil. De broedvogels zijn grotendeels weggetrokken, de wintergasten komen in kleine groepjes terug. Af en toe klinkt het geluid van ganzen en wulpen. Na de droogte halen de planten hun verloren groeitijd in razend tempo in. Vannacht lag ik wakker. Hoewel ik echt genieten kan van deze plek, het werk en het contact met gasten, voelt het soms als het einde van de wereld. Zeker als de herfst nadert. De blubber wordt door veel mensen gemeden. De meesten komen hier in de zomer. Vaste bewoners zijn met hun eigen zaken bezig. De wind waait hard, regen klettert op het dak. De stad is ineens een stuk verder weg. De stad, waar mensen zijn en gezamenlijke creativiteit. Hoe kom ik hier weg? Ik wil nou eenmaal op een gewone fiets blijven rijden, dat geeft beperkingen. Even voel ik me opstandig. Kan het echt niet anders?
Je kunt twee kanten op denken: aan jezelf of wat er is buiten jezelf. Ga je voor het impuls van het moment of zet je je in voor het grote geheel, waarvan je deel uitmaakt. Ook al moet je er af en toe een stuk voor fietsen. Door hier en nu naar buiten te gaan kom je tegelijkertijd dichter bij je binnenwereld. Al fietsend. Eigen behoeften gaan alle kanten op, dan mis je dit, dan mis je dat. De ene keer voel je je alleen, de andere keer is het veel te druk. Fietsen houdt daar balans in. Juist omdat je er iets voor moet doen. Iets extra’s. Want wat is er nog meer allemaal. De ene keer wil je een moestuin, de andere keer wil je een bos vlakbij met tientallen paadjes om te ontdekken. Keer op keer kun je iets nieuws beginnen met het idee dat dit jouw zaligmakende bestemming is. Bestaat dat? Ah, ga toch fietsen. Duizend dromen wachten. Niet om gelijk te vervullen, maar om zich uiteindelijk te verweven tot een mooi filosofisch verhaal.
Waar droom ik van? Ik kan aan Utrecht denken, aan het sociale leven dat ik daar achterliet. Mijn beste tekeningen die daar hangen in het stadsarchief. Vrienden die er nog steeds wonen. De straten, de bomen, de huizen waar ik nog steeds van houd. Soms denk ik: het leven bestaat toch uit meer dan distels wieden op een afgelegen plek in een groene vlakte. Dan lokt de bedrijvige creatieve stad die daar ligt, waar we op de werf naar een opera luisterden, waar koetsen in optocht door de stad reden en waar je plotseling verrast werd door gezang van een Engels jongenskoor vanuit de kerk tijdens een avondwandeling. Die stad daar, die is er nog steeds, in het midden van het land. En ik zit nu in het noorden.
Soms denk ik aan plekken verder het noorden in, aan Schotland, waar ik nog nooit ben geweest. Om daar eens een jaar lang te zijn en rond te lopen. Er is nog zoveel te ontdekken op de wereld! Ik kom zelden of nooit Nederland uit, terwijl ik een nieuwsgierig en beweeglijk mens ben.

Maar ik ben hier. De stad Leeuwarden ligt te wachten om ontdekt te worden. En er ligt plenty snoeiwerk te wachten, waar ik van houd. Ik kan foto’s en tekeningen maken van wat er is. Vlinders, stad of mensen. Ik kan me verbazen over de Friese taal en onbeholpen zinnetjes stamelen waar de ander vriendelijk om moet lachen. Ik schud de hand van een nieuwe vriend en we werken samen aan het grote geheel, dat nu binnen bereik is. Dat geeft energie als van een stralende zonsopgang. Ik houd van de ochtend. Net uit bed is de wereld op zijn mooist. De zon schijnt laag en warm over het ontwakende land. De ganzen, gisteren weggejaagd door een rondjakkerende trekker, zijn terug. Ik hoorde ze toen ik in bed lag. Ergens klinkt het gefluit van een wulp. Al struinend maak ik een rondje, langs de ruige wei waar de nieuwe boomgaard moet komen. Een haas schiet weg, ik weet dat hij daar graag zit. Verder ga ik, langs het paadje, langs de elsjes en de wirwar aan bruine skeletten. Dat is van het mosterdzaad. Ik baan me een weg tussen de hoge obstakels. Het overvloedige zaad is een mooie wintervoorraad voor de vogels. Verderop, bij de sleedoornstruiken, vliegen twee vinken weg. Het zit daar vol donkerblauwe bessen.

Iets moois maken doe je door met toewijding verder te gaan op je weg, ook al moet je af en toe iets missen. Hoe groter de concentratie, hoe mooier het wordt. Als beweeglijk en nieuwsgierig mens is dat de uitdaging. Op die plek blijven waar je werkt. En hoe langer je dat doet, hoe groter de beloning.

.

Illegale kap op de Swetteblom

Ze zijn slim en zoeken steeds nieuwe manieren. Maar ik ben er ook nog.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Zodra ik mijn kont keer is het zover. Ligt er weer een reus omver. Zo’n mooi exemplaar, hoog opgegroeid en blakend van gezondheid. Dat ligt nu zielloos op de grond met de bladeren slap. Het is niet dat ik er heel erg verdrietig van word. We hebben er nog genoeg van. Maar er moet wel paal en perk worden gesteld, voordat dat stelletje vernielers verder gaat. Het is duidelijk. De boosdoeners zijn de muizen. Het eerste slachtoffer viel twee weken geleden. Een van de mooisten was het.
De grond is die dag kurkdroog en hard als baksteen en met de kluiten kun je bijna een huis bouwen. De rij snijbiet staat te glanzen. Behalve eentje, die ligt slap op de grond. Verbaasd kijk ik ernaar. De doorgeknaagde stengel, hier in mijn moestuin. De sporen van kleine tandjes, net iets onder de grond. De muis heeft zich ingegraven, als in een loopgraaf en het lijkt erop dat er geen ander doel is geweest dan deze reus om zeep te helpen. Waarom? Misschien geeft het een kik. “Ik leg dat enorme ding gewoon op de grond!” Kan een muis zulke gevoelens koesteren? Misschien wel. Waarom zou een muis niet dezelfde bravoure kunnen ervaren als een mens? Het genoegen om de diepe “plof” te horen als het ding naast je neervalt. En dan de volgende.
Muizen willen zaken ook kort en klein maken. Alles plat De bladeren zijn verlept maar ongeschonden, zodra de plant omver ligt is het niet interessant meer. Ik zie dat de kleine sloper een begin heeft gemaakt aan een tweede project. Maar het alarm is afgegaan en ik heb hem door. Ik bescherm mijn planten met harde kluiten, stenen, bundels harde grasstengels en gaas.
Twee weken later zijn de omstandigheden veranderd. Het heeft geregend. Voor ons een bijzaak, voor een muis is het levensveranderend. Een slimme muis gaat op zo’n moment onmiddellijk opnieuw op verkenningstocht. Een tal van nieuwe mogelijkheden opent zich. Hij weet haarscherp waar hij was gebleven, het spoor van zijn laatste project. Kijk nu eens. Via een scheur in de klei kan hij er opeens wel bij. Nu de grond zacht begint te worden, zijn scheuren ideale sluippaden. Als muis hoef je de smalle kloof maar een klein beetje bij te werken, de zachtgeworden grond valt als kruimelkaas naar beneden. En dan, vlakbij de dikke wortel hoeft hij maar een heel klein holletje te maken om daar te komen. De muis is begerig, vele knaagprojecten wachten. Druk is dan ook de bedrijvigheid, ’s nachts maar ook op klaarlichte dag. Ik loop er telkens even langs. En hoewel ik er vanochtend nog geweest ben, liggen er weer twee planten plat. De dikke stronk is net als de vorige vlak onder de grond afgeknaagd. Zou hij de plant bovengronds hebben benaderd, dan zouden er nieuwe frisse bladeren gaan groeien, maar met zo’n doorgeknaagde wortel wordt nooit meer wat. Gelukkig is de allerbeste plant nog steeds gespaard gebleven. Daarvan wil ik zaad oogsten. Het is de grootste van allemaal en zijn bladeren staan fier rechtop. Die wil ik heel graag houden! Vastbesloten versterk ik mijn verdedigingswerk. Ik zie een paar mieren verdwaald rondlopen, kennelijk heb ik hun routes in de war gebracht. Anders let ik daar goed op, maar vandaag even niet.
Met elke nieuwe poging van de muizen maak ik korte metten. Muizen zijn slim en vastbesloten door te gaan, nieuwe paadjes te vinden of te maken. Maar ik krijg ze wel. “Het houdt je van de straat”zegt de boer. Voor mij is het toch meer. Het is de groente die ik dagelijks op mijn bord leg. Onze snijbiet is heilig. Mijn vriend en ik zijn allebei gek op snijbiet. We eten het bijna elke dag met verschillende recepten. We krijgen er nooit genoeg van. Ik denk dat het belangrijk is dat je zelf je eten kan verbouwen, en als de kans zich voordoet moet je die grijpen en er goed voor zorgen. Gelukkig zijn er geen slakken te bekennen op deze bijzondere grond. Want slakken? Die zijn nog veel erger.

.

Hoe snijbiets’ rode nerven mij weerhouden om te zwerven

.

In augustus wil ik weg, een oerdrift om aan de zwerf te gaan. Elk jaar weer overkomt het me. Het is na het zomerse werk in de hitte, als de meeste vlinders verdwenen zijn, wanneer de bloemen niet meer zo uitbundig bloeien als voorheen en de grond hard en droog is en vol scheuren. Dan komt het verlangen verder te trekken. Ik heb het niet gedaan, tot nog toe lukt het me de neiging te weerstaan.

De hitte is voorbij, het dondert en zware donzige luchten vallen in flarden uiteen. Een dikke bui klettert over de velden, maar doet de diepe scheuren in de bodem niet verdwijnen. Spinnen maken er dankbaar gebruik van om aan de dikke droppels te ontkomen en kruipen vliegensvlug de donkere spleet in. Vlinders en vliegen verschuilen zich onder goten en bladeren en in de grote pruik van hopbladeren naast mijn huis. Dan is het weer voorbij. De lucht trekt open, de zon gaat onder. Langs de oranjerode einder komen wolken met bizarre vormen voorbij zeilen. Een stoet reuzeratten doemt hongerig op aan de horizon. Er is een donkergrijs beest dat een roze berg wil beklimmen. Ik stel me voor dat ik dat beest ben, en dat die berg helemaal voor mij alleen is met rotspartijen die steeds veranderen en daardoor altijd nieuw zijn. In mijn fantasie trek ik naar de meest fantastische plekken. Ik peins er over als ik kijk naar donzige wolken in de wind. De wolkenlucht als een steeds bewegend geheel, telkens weer fris en nieuw. Je kunt je erin mee laten drijven. Dit in tegenstelling tot de meest geijkte reisdoelen op aarde. Dat kost heel wat om er te komen. Een hoop gedoe vooral. Een half uurtje blader ik op druk bezochte websites naar verre landen en avontuurlijke vakanties. Ik word er niet opgetogen van. Bestemmingen, van hun vitale eigenheid beroofd en versleten als bejaarde publieke vrouwen. Ik sluit mijn laptop, zie af van het volgen van die mensenstroom in vliegtuig, trein of bus, en kijk naar buiten. Geweldig eigenlijk dat ik hier woon. De horizon met de wolken. Dat het stil is, dat het gras en de bomen hier nog steeds groen zijn en de dropplant, de chigorei en de goudsbloemen. Ik verbaas me over de schitterende snijbiet die met zijn vurige nerven elke dag zijn gebed ten hemel spreidt. Het bos dat ik plantte groeit hard. En tussendoor lees ik over de natuur op aarde, in vroeger tijden. Ik hoef niet naar India of te varen langs Kaap de goede hoop, ik lees erover. Ik verblijf in India, volg de zijderoute, laat me meenemen in het verhaal en beeld me in hoe het was ooit, lang geleden. Ik vaar langs kusten vol klapperbomen, stranden vol schelpen, beklim stille berghelllingen. We drinken uit glasheldere beken.

Dan leg ik het boek neer om water te halen bij de boerderij. Ik zie mensen komen en gaan. Het is geen stroom, het druppelt slechts. Een enkele gast vindt deze uitzonderlijke plek. Mijn vriend Dick komt terug, buurman Jeroen vertrekt naar een klooster in Limburg. Hij vertelt er over: “Het gebouw alleen al is een gebed zeggen ze.” Misschien ga ik daar ook wel heen, een paar dagen. Een bestemming van rust en schoonheid. Waar vrede is van binnenuit. Niet afgetrapt maar gevoed door vele bezoekers. Zo hoort het te zijn. En ik hoop dat mensen deze plek ook zo zien. Een plek om heel eenvoudig te genieten en waar je voor even kan delen in het leven van de bewoners. Deze plek waar de Swette stroomt, waar wilgen groeien en de snijbiet zijn vurig pleidooi houdt bij ondergaande zon. Een plek om te voeden en goed voor te zorgen. En ik hoop dat op dezelfde manier veel meer plekken hun kracht terug krijgen. Als een van vele bronnen is deze plek, vanwaaruit het leven wederkeert. Het komt door de energie die wij het geven. En dat ik en vele anderen mee kunnen helpen door hier en nu te zijn. Dat is mijn gebed.

.

Wat ik wenste

Handen die helpen stapelen. Handen in de aarde. Handen van hier.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Vijf jaar geleden streek ik neer, op de Swetteblom in Friesland. Ik heb hard gewerkt en er is veel gegroeid. Mijn dagelijkse gang om water te halen verbindt me met mijn buurtje. Belangstellend vraag ik hoe het is en als buren druk of moe zijn zie ik ze wel maar zeg ik niks. Eenmaal per maand roep ik iedereen bij elkaar voor een theemiddag. Verder gaat iedereen zijn gang en ik woon erbuiten, met als enige zicht op de velden en het werk wat ik daar doe. Het geeft mij een betrokkenheid die verder niemand heeft. Bewoners niet, passanten niet, vaste kampeerders en korte kampeerders ook niet. Velen rijden met fiets of auto over het grindpad, alle aandacht is bij de onoverzichtelijke bocht en het vermijden van dikke stenen en kuilen. Eenmaal ter plekke, bij de boerderij en het kampeerveld, zijn de kinderen druk met vissen, zwemmen en trampolinespringen. De ouders lezen een boekje, en een heel enkele keer helpt er iemand met hooien. En ik ben hier, op dit ene plekje erbuiten en werk en kijk. Sommige auto’s parkeren even in de berm met bloemen. Daarom maakte ik een kunstige stapel stenen, langs de weg, zo kunnen ze er niet op. Soms leg ik een heel bijzonder mooie bovenop. Die verdwijnt. Hoe mooier hij is, hoe eerder hij weg is. Nu heb ik er een saai onaanzienlijk steentje neergelegd, dat bovendien plat en vierkant is. Die blijft wel liggen. Soms denk ik dat het daar begint, bij dat stapeltje stenen. Het groeien van de verbinding tussen daar en hier. Tussen mij en hen. Dat het niet minder wordt maar meer. Iets dat groeit omdat het daar is en omdat wij bestaan. Hardop heb ik het gewenst: laat dit stapeltje stenen groeien.

En nu ben ik aan het werk in de kleine moestuin. Het is baggergrond uit de sloot. De allerbeste grond die er is, de stengel van de zonnebloem is vuistdik geworden en de dikke rij snijbiet staat met grote glanzende bladeren te roepen om gegeten te worden. Ze hebben bijna geen water nodig, zelfs na zoveel weken droogte is de grond hier nog vochtig, op 10 cm diepte. De rode nerven lichten op in de ochtendzon en ik steek kleine rietstengels uit. De pompoenen zijn deels geoogst, bijna dertig stuks worden het in totaal, de eerste grote oogst in mijn leven. Maar op het grootste stuk van het akkertje groeit nog niks. Ik wied om het leeg te houden. Voor wie? Stevig duw ik mijn onkruidsteker de grond in. Ondanks mijn eelt ontstaat in de palm van mijn hand een oppervlakkige blaar. Geeft niet. Nog even doorwerken, voor het warm wordt.

Dan opeens wordt de stilte doorbroken door een luid gehijg en gepuf. Op een klein fietsje komt mijn buurvrouw Gonda zwabberend aangefietst. Gonda is lang ziek geweest en nog niet beter. Bij de wilg aangekomen dondert ze met fiets en al in de berm en blijft daar liggen om bij te komen. Als ik groet komt ze overeind. “Ik ben aan het oefenen” zegt ze “Ik moet weer sterk worden. Dat lukt wel met dit ding. Volgend mij is de band lek. Jerry vond hem aan de kant van de weg.” Ik zeg dat ik vorige maand net zo’n fietsje eindelijk aan de fietsenmaker heb gedoneerd. Kon hij er nog wat onderdelen afhalen. Het stond al een paar jaar te staan. En nu hebben we weer zo’n ding. Ze lacht: “Zo gaat dat. En ach, juist goed voor mij, extra weerstand om sterk te worden”. Stil zit ze bij te komen en kijkt in de verte. Daar is het, het Verhalenpad. Haar ogen glanzen. “Als ik weer lang genoeg kan lopen wil ik daarheen” wijst ze “deze week kom ik tot dat stapeltje stenen. Elke keer als ik daar ben, leg ik er een steen bij. Twee zijn het er nu. En wat heb je daar een prachtige moestuin. Dat zou ik ook zo graag willen! Is dat niet léven, met je handen in de grond?” Genietend zit ze in de berm. Sprakeloos kijk ik haar aan en omhels haar. Dat heb ik gewenst, zeg ik. “Handen die stenen stapelen en bezig zijn met aarde. Iemand van hier.” De zon komt achter een wolk vandaan.

.

PS: Niet iedereen is blij met stenenstapelaars. Dit staat op Wikipedia:

Onder invloed van sociale media en toenemende toerisme worden er op sommige plaatsen massaal steenmannetjes gebouwd. Natuurverenigingen en managers van nationale parken roepen op om te stoppen met het bouwen van steenmannetjes. Waar de steenmannetjes ter oriëntatie dienen kunnen nieuwe steenmannetjes desoriënteren. Daarenboven leven er dieren onder de stenen en beschermen de stenen de bodem tegen erosie.

Hier het paradijs en ergens is de hel

Het geluid van boomkrekels in bosjes die ik zelf heb geplant. Daar word ik gelukkig van. Alles groeit ontzettend goed. Mijn hart is opgewekt en levenslustig van karakter. Ik zie dat terug bij sommigen, dáár. Kinderen en volwassenen, die nog altijd kunnen lachen, al is hun situatie nog zo beroerd. Ik denk aan hen. En ook aan hen die nooit meer zullen lachen.

.

.

Tijdelijk geen luisterversie.

.

Hard werken doet me goed. De broeierige augustusdagen vinden verfrissing door de wind, die hier altijd waait. En ik ben hier. Drieduizend vierkante meter, knippend met de heggeschaar, maaiend met de zeis, voorzichtig stappend tussen de sprinkhaantjes, die op sommige plekken massaal het gras kort houden. Ik schilder mijn kleine huis, onderhoud het gereedschap. Alle accu’s worden weer gevuld. Maar ondertussen zeurt er een doffe pijn, iets wat nooit helemaal weg is. Mijn betrokkenheid bij de Palestijnen. De beelden op instagram zijn indringend. Wat daar gebeurt snijdt als een mes. Ik kan er een tijdje niet aan denken, maar het is er. Er is geen land ter wereld waar zoveel kinderen zonder armen en benen verder moeten. En waarheen? Israël drijft hen op als een troep ratten. Voedsel wordt almaar schaarser, het volk moet creperen. Ik zie cementwagens bij waterbronnen, die worden dichtgestort. Geen water meer te vinden. Alles is dorstig, stoffig en droog. Duizenden olijfbomen worden vernield. Alles wat er is wordt gewist. En daarna komen de bulldozers. Die egaliseren de brokstukken, zodat het lijkt alsof er nooit iets geweest is dan een kale vlakte.

Het verhaal daarachter is bekend. Het land is volgens de kolonisten altijd al bestemd voor het uitverkoren volk.”Het volk van God” keert terug. Er zullen nieuwe huizen worden gebouwd en de plaatsen die er ontstaan zullen Bijbelse namen krijgen, alsof ze er altijd al geweest zijn. Het is hun land, en van niemand anders. God heeft het hen beloofd, de westerse wereld heeft hen geholpen en terecht, vinden de kolonisten. Journalisten zijn bij tientallen vermoord om de waarheid uit te wissen. Het andere volk, dat er ook thuishoort moet tot zwijgen worden gebracht. De staat Israël probeert hun geschiedenis te wissen. Mijnheer de president, hoe kan je nog in de spiegel kijken als je je eigen geloof inzet voor zulk walgelijk eigenbelang? Er zijn mensen die nog steeds geloven dat Palestijnen terroristen zijn en dat Hamasstijders degenen zijn die schieten op hun eigen volk en voedsel achterhouden. Een verhaal dat niet is vol te houden. De waarheid is zo groot en gruwelijk, het zal helder en glashard aan het licht komen. Maar ik ben bang dat het dan te laat is. Het is al te laat, nu al. Duizenden zijn dood, het trauma is geschapen, de waterbronnen zijn dichtgegooid. Dit alles had niet mogen gebeuren, had niet getolereerd mogen worden door de internationale gemeenschap.

Ik ben tevreden met wat hier is. De argusvlinder die ik zag, het gezang van de krekels in de nacht. Boomkrekels zijn het, in bosjes die ik zelf heb geplant. Een geluid waar ik gelukkig van word. Alles groeit ontzettend goed. Het is er, allemaal. Maar heb verdriet om het leed dat wordt geleden. Tegelijkertijd heb ik een opgewekt en levenslustig hart. Ik zie dat terug bij anderen, ver weg. Kinderen en volwassenen, die nog altijd kunnen lachen, al is hun situatie nog zo beroerd. Ik gun hen een rijk leven op hun eigen grond. Dat hun kinderen in vrede mogen leven met ontspannen en blije gezichten. Dat de olijfbomen zullen worden terug geplant, en Israël wordt teruggefloten. Internationale steun die als een fakkel wordt aangestoken, het symbool voor een nieuw begin. Maar van Europa hoeven we niet veel te verwachten.

De kentering van licht naar donker

Elk jaar, als de maand september komt, heb ik een sombere avond. Eentje maar, en dan is het weer voorbij.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

Dit keer is er alleen geschreven tekst.

.

Het is niet vaak dat ik sombere gedachten heb. Het is maar één enkele avond en bijna altijd tegen de herfst, als de eerste bladeren vallen en de dagen korter worden. Het is wanneer ik al een hele zomer tuinonderhoud heb gepleegd en er nog steeds veel werk moet worden gedaan. En dan ook nog al die demonstraties waar we voor worden opgeroepen, tegen volkerenmoord, tegen boringen van Shell op de Waddenzee, en tegen het handelsverdrag Mercosur… Ik voel me verantwoordelijk. Maar in beweging komen gaat nu stroever. De vroege ochtend heeft de betovering van de lente verloren, en de vogels fluiten niet meer. De broedvogels vertrekken, de wintergasten zijn nog niet gearriveerd.  De magische herfstssluiers zijn er nog niet. En de bessen, pruimpjes en frambozen zijn allemaal geplukt, terwijl de appels nog niet rijp zijn. Donkere gedachten drijven als wolken mijn kop binnen. Iemand zegt dat de aarde ons er straks allemaal af-flikkert en dan zelf verder gaat. Ik denk daaraan als ik die avond in bed lig. Soms kan ik daar dankbaar voor zijn, dat alles uiteindelijk wel goed komt met onze planeet. Maar nu niet. Ja, we maken er een puinhoop van. En wat kan ik nou doen in mijn uppie, al leef ik nog zo eenvoudig en zorg ik goed voor mijn bomen. Misschien kan ik net zo goed ophouden met bestaan, als het dan toch die kant op gaat met ons. Gelukkig redt de slaap me uit mijn somberheid. Het universum van de droom brengt me zoals altijd tot mezelf. De herfst is in aantocht. Het is de herfst, de lucht vol schimmels en verrotting.

In huis is het ’s ochtends koud. Zoals gewoonlijk doe ik mijn oefeningen en maak ontbijt. Maar na de verwarmende pap weegt die sombere avond nog steeds in mijn ledematen en ik duik opnieuw onder de wol. Tot een uur of tien, half elf, dan komt de zon over de bomen heen en maakt de wereld lichter. Net als de natuur keer ik langzaam naar binnen, voel de stralen van de nazomerzon en doe wat nog gedaan moeten worden. Het maaien van het lange gras, distels trekken, riet weghalen. Overwoekerde paden maak ik zichtbaar aan het einde van het land. Zo kunnen we bewonderen wat er dit jaar is gaan groeien. Ik ontdek de zaailing van een lijsterbes met bessen er al aan. Sommige struiken hebben al gele bladeren. De overgang is duidelijk. Die ene avond gebeurt het. Als een zonnebloem die haar zwaar geworden kop omlaag knikt, voor ze haar zaad weggeeft. Als de kentering tussen vloed en eb, tussen de zonnetijd en de donkere dagen. Het is de wet van al wat leeft, waar ik nog altijd deel van uitmaak.

Alles wat er is, is mij dierbaar

.

.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapevachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde alles weer recht. Uiteindelijk vond ik rust en sliep ik in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, alles zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapenvachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde het weer recht, vond eindelijk vond ik rust en sliep in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een slaperige sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, mezelf als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

.

Een diepreinigende kringloop

Hoopvolle gedachten over water op planeet Aarde, naar aanleiding van nieuwste wetenschappelijke inzichten. (2014)

Werk van Alowieke

.

Vandaag geen luisterversie.

.

Er was een dag dat mijn ogen wijd opengingen. Dat was toen ik leerde over de planeet waarop wij wonen. Mijn aardrijkskundeleraar was blij verrast met mijn fascinatie voor fysische geografie. “Daar moet je fantasie voor hebben”  zei hij. “Om het voor je te zien.” Later ben ik wel eens uitgelachen om mijn grote fantasie, maar ik denk dat het een zegen is, die hoop en uitzicht kan bieden. Zeker wanneer je het kan gronden.

Dit is een verrassend verhaal dat diep en ver gaat. Hoe gaat het verder met de aarde? Dat vraag ik mij soms af, wanneer  ik alleen ben. Vooral het water.  Er zitten stoffen in die daar niet horen,  stoffen die nooit verdwijnen, zeggen ze. Nooit? Hoe lang is nooit? Een nieuw wetenschappelijk inzicht  bracht me  op een hoopgevende gedachte:.

Ik lees dat er zich 600 km onder de aarde  zeer waarschijnlijk  een Oceaan van water bevindt. Het kristal ringwoodiet, gevonden in Brazilië,  is vanuit vulkanisch gebied omhooggekomen en gevonden in een diamant. Het kristal is prachtig blauw, bindt zuurstof en waterstofmoleculen in grote mate. Het is daar diep in de aarde actief. Het  water wordt vervolgens van diep weg omhooggepompt en zo is het dan gekomen, volgens dit nieuwe inzicht. . Daardoor wonen wij op een zo bijzondere  blauwe planeet.

De kringloop van water zou in dat geval veel dieper gaan en veel langer duren dan we dachten. Dat moeten wel miljarden jaren zijn. Op die manier zouden dus ook de vervuilingen van onze tijd langzaam maar zeker diep in het binnenste van de aarde kunnen verdwijnen.   Ringwoodiet bindt geen chemicaliën.  Pfas en pesticiden zouden daar dan achterblijven. Opvallend genoeg is het feit dat het enige Pfassvrije bronwater wat te koop is, afkomstig is van een vulkaan op Hawai. Als je ergens mee bezig bent lijken zulke feiten naar je toe te stromen als een rivier.

Kristallen diep in de aarde. Wat is dat voor indrukwekkende kringloop?

.

https://www.zmescience.com/science/news-science/earth-water-mantle-ringwoodite-13012014/

.

.

De wortels zijn de ziel

Er zijn vluchtige verhalen bovengronds, van wat mensen denken te zien. En er er is het verhaal ondergronds: het gemeenschappelijke verhaal dat doorgaat en waarin elk mens een specifieke eigen bijdrage doet. Soms weet je daarvan, soms weinig en vaak ook helemaal niets.

.

Het laatste schilderij van van Gogh was een bodem met boomwortels, gemaakt langs een weg bij Auvers-sur-Oise bij Parijs. (Info: https://www.goedbodembeheer.nl)

Het is markt. Op het bankje bij de loempiaman zit Sietske. Ze wenkt me. “Kom je ook een loempia eten? Ze zijn zo lekker!” Ik antwoord dat ik dat soort dingen niet meer doe. Ik wil nog lang met mijn spaargeld doen en ook nog bomen kunnen planten en Treesistance blijven steunen. “Dan betaal ik het.” Daar zeg ik geen nee tegen en ik ga naast haar zitten. We hebben elkaar vaak kort gesproken maar nog nooit echt uitgebreid. “Hoe is het?” vraagt ze “Ik dacht dat je weer verder zou trekken met je wagen.”

Ik woon hier nu vier en een half jaar in Friesland, bij Leeuwarden. Beeldvorming gaat snel, het veranderen ervan veel langzamer. Het kan wel tien jaar duren of veel langer nog, weet ik uit eerdere ervaringen. “Ik wilde van begin af aan al blijven”. Ze knikt, wil verder vragen, maar we zijn afgeleid. Voor ons speelt een Iers bandje. We klappen mee met het ritme tot er een rustiger nummer volgt. Ik kijk naar de menigte mensen en de bomen die hier pas zijn geplant op het plein bij de Waag. Het doet me denken aan de bomen thuis bij de boerderij. Veel van wat ik heb geplant begint al groot te worden. Vier jaar geleden de eersten en elk jaar plant ik verder. Maar weinigen weten ervan. Maar wat vier jaar geleden in de krant stond weten ze nog wel: er is hier in Friesland een vrouw die een nomadisch leven zou leiden. Ik noemde mezelf een gewortelde nomade. Het woord “nomade” blijft hangen. Daar hebben mensen een beeld bij. Er zijn veel nomaden, met busjes en laptops. Maar dat “gewortelde” dat snappen mensen niet. Terwijl het daar juist om gaat. Sietske wil nu echt weten hoe het met me is. Het antwoord blijft uit, want het feest begint weer. De muziek wordt wilder, Sietske en ik klappen en lachen. Ik heb mijn loempia nog niet gehad, de baas is eerst maar andere klanten aan het helpen. Tot de band ophoudt met spelen. Ik kijk hoe de vier muzikanten om de hoek verdwijnen. Ik eet mijn loempia, Sietske de hare. Ze vertelt me over haar leven nu, we praten over mensen die we beiden kennen en het goede wat ze doen. Dan vraagt ze opnieuw naar wat ik nou eigenlijk doe. Net als ik uitgebreid wil antwoorden komt er iemand aan die haar nodig heeft. Ze excuseert zich en we nemen afscheid. Terwijl ik nog even blijf zitten, denk ik eraan hoe lang het duurt voor een nieuw verhaal geland is. Er gaan jaren overheen voor wat je vertelt is ingedaald. En ondertussen blijf ik planten, ver weg tussen de weiden, waar ik maandenlang niemand zie. Ik denk aan de bomen en het land, ze roepen me.

Het planten van bomen gebeurt in stilte. Terwijl iedereen wat anders aan het doen is plant ik door. De natuur is onze basis. Het is niet alleen dat ik houd van wat ik doe, ik zie het ook als verantwoordelijkheid. Eenvoudig leven hoort daar voor mij onlosmakelijk bij. Trekken met de wagen doe ik niet. Wortelen, daar gaat het nu om. Dat we dit weer leren in een mensenwereld die steeds verder ontworteld raakt.
Geplante bomen en struiken groeien. Soms is er wat mis, dan help ik ze. Met hen heb ik een band die echt is. Ze zeggen niks, ze zijn er. Ze maken me stil, zodat ik alleen nog maar oor en oog ben. Ze komen met verrassingen, dingen die ik zelf nooit bedacht heb. Zonder bijgedachten knip ik het riet, geef het leverkruid en de perenboom de ruimte. Ik wied tussen de aardappels, knip het maaisel tot losse mulch. Ik zorg ervoor. De bomen groeien dicht en sterk. De vogels komen terug en ik kom steeds weer terug. En mocht ik er ooit niet meer zijn, dan groeit alles door op geheel eigen wijze. Voor ik ooit mijn laatste adem uitblaas zal ik kijken naar mijn eeltige vingers en dan weet ik: Ik maak voor altijd deel uit van dit verhaal, een verhaal dat niet alleen van mij is. Wortels groeien opnieuw uit. Maar wat erboven groeit gaat elk jaar dood. Wortels zijn de ziel. Wat echt van belang is vindt zijn weg wel. Het gaat door, in zoekende wortels die elkaar vinden in het ondergrondse web. Het komt via mij en anderen. In welke vorm ook, het gaat door en zo wordt het hele netwerk gevoed.

Ik neem de laatste hap van mijn loempia. Sietske verdwijnt tussen de mensenmenigte.

.

Elke wortel is anders.

‘Onder de grond zijn er veel meer voedingsstoffen dan boven de grond. Voedingstoffen die bovendien in verschillende vorm voorkomen. Voor een mobiel element als stikstof is een heel andere wortel nodig dan een immobiel element als fosfaat.’ ‘Daarnaast hebben mycorrhiza-schimmels een grote invloed op het wortelstelsel’, vervolgt ze. ‘Eigenlijk kun je niet spreken van een losse wortel; schimmel en wortel(s) vormen een systeem. (Monique Weemstra, WUR)

.

Weet je al van mijn nieuwe boek: “De heilige traagheid der dingen? Ik was genoodzaakt een nieuwe uitgever te zoeken, de oude moest inkrimpen. Maar iedere keer dat iemand interesse toont krijg ik weer moed! Elke inschrijving is welkom.

De spotvogel zingt van Afrika

Terwijl ik muntwater drink naast een theatergezelschap, kijken we naar het Verhalenpad in de verte. We horen de spotvogel. Voor de tweede zomer is de zeldzame vogel hier en zingt liedjes uit Afrika.

Hier meer info over de vogel. https://stats.sovon.nl/stats/soort/12590

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Tegenover alle droevenis van deze tijd, staat het groeizame wat zich vlak naast ons bevindt. Dat is de tegenhanger, waardoor we in balans en gezond blijven. Je moet rustig zijn om erop te kunnen letten, anders gaat het aan je voorbij. Ik neem er graag de tijd voor. Tussen de bedrijvigheden door sta ik stil en luister. Af en toe hoor ik bijzondere geluiden. Zo is er sinds vorig jaar een spotvogel neergestreken op het Verhalenpad. Hij is hier voor de tweede keer om maandenlang te zingen. De spotvogel neemt letterlijk verhalen met zich mee. Hij imiteert alles wat hij hoort, of het nou vogels zijn of het geluid van een telefoon.

Nu sta ik op een avond naast een roze caravan muntwater te drinken uit een kartonnen bekertje. Er zijn meer mensen. Er is theater op de camping en iedereen zit op klap- en strandstoelen te wachten tot het begint. In de verte ligt het begin van het Verhalenpad. “Daar heb ik zeshonderd bomen en struiken geplant,” vertel ik “En verderop nog tweehonderd”. Nu ik de gelegenheid krijg zal ik erover vertellen ook. “Er zijn steeds meer vogels en vlinders die er terugkeren,” ga ik verder. Een van de vrouwen lijkt niet te luisteren, ze kijkt geconcentreerd voor zich uit. “Wat hoor ik toch voor vogel?” vraagt ze dan. Ik lach, blij dat ik het haar kan vertellen. “Het is de spotvogel.” Ze juicht opgetogen. “Eindelijk hoor ik hem een keer. Dat wil ik al zo lang!”
De spotvogel hier te hebben, dat is geweldig. Hij neemt verhalen mee uit Afrika, landen als Congo, ten zuiden van de evenaar. Elke dag heeft hij een ander repertoire, vaak is dat Europees, met merel- mees- en winterkoninggeluiden ertussen, maar nu is hij met zijn liedje weer helemaal terug in Afrika. Zijn ritmes doen denken aan de muziek van de Batwa, ofwel de pygmeeën. Ze zingen nog steeds, maar of het nog altijd dezelfde liederen zijn weet ik niet. Er is veel gebeurd, en hun verhalen zijn veranderd. Ik zie ze voor me, de kleine donkere mensen, een zachtaardig volk en eeuwenlang thuis in de wouden van Congo. Dat ze daar zijn verdreven, daar hebben ze zich nooit bij neergelegd. Ze willen maar een ding: Terug naar hun voorouderlijk land. In 2024 heeft het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren die beslissing genomen. Hun uitzetting is veroordeeld, als schending van mensenrechten. Maar daarmee is het nog niet geregeld met hun terugkeer. Het is alleen een aanbeveling voor de autoriteiten, geen verplichting. Hun strijd gaat door.

En hier staan wij, te luisteren naar het vogeltje dat zijn lied zingt en hun verhaal vertelt, aan het begin van het Verhalenpad. Meer mensen hebben het opgemerkt. Ik ben vereerd dat de spotvogel hier nu is. Ik hoef niet op reis te gaan. Hij brengt de wereld bij mij thuis.

.

.

Het filmpje duurt vijf minuten. We lopen eerst naar het pas aangeplante stuk waar een puttertje keihard zit te zingen en gelijk daarna zie je het Verhalenpad. Voor het eerst laat ik het hele bosje zien van afstand. Het is enorm gegroeid, als je bedenkt dat het grootste gedeelte nog maar drie en een half jaar oud is. Liggend op de rug, tussen het riet en de berkebomen luisteren we naar de spotvogel.