Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

De geur van Duindoorn in september

.

.

Het schelpenpad maakt

voor vele voeten een weg

de horizon kraakt

.

Zon rijst warm en traag

uit oranje bessenzee

vruchten die ik draag

.

Wortels in de kust

vlak voor de wereld afsterft

spreid ik levenslust

.

Hier en nergens anders

 

 

 

(Bezoek aan Schiermonnikoog met rijpe duindoornbessen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Handen voor het land

.

.

Kom op zei de man
na een slapeloze nacht
en hij sprong acuut uit de veren
Niet gedraald het is genoeg
de hoogste tijd om het tij te keren
Hij haalde zijn koperen hoorn
uit het stof en klom snel in de toren
Hij kuchte even voor hij blies
en blies zo luid en koninklijk
dat iedereen kwam
om het te horen.

.

Af en toe kamperen er vrienden en kennissen op de camping. Dan staat er voor op het veld een tentje, op één van de plekken waar we de distels hebben weten weg te krijgen. Soms staat er een caravan. En nu is het een busje. Er kampeert een vrouw in en ze heet Elza. Ze heeft lang grijs glanzend haar en een rimpelloos gezicht. Haar ogen staan helder en direct, als een vrouw die aan kan pakken. Elza heeft een schoenenwinkel in de stad en wil er even uit. Ik sta net achter mijn huisje, wanneer ze aan komt lopen.
“Hallo, ik hoorde van Irma dat ik jou kan komen helpen in de tuin. Er moet meldezaad geoogst worden. Kan je me laten zien waar dat is en hoe ik het moet doen?” Dat wil ik met alle plezier en ik loop met haar mee naar het meldeveldje. “Kijk,” zeg ik, “zo doe ik dat.” Ik pak een stengel tussen duim en wijsvinger en rits het zaad er in één beweging af. “O, dat is simpel,” zegt ze. Ik zoek een emmer voor haar en ze gaat aan de slag. Een tijdje sta ik naast haar, onze handen gaan ritmisch langs de stengels en de kleine lichtgroene korrels rollen van onze handen in de emmer.
“Ik heb een halve hectare in Belgisch Limburg,” zegt ze. “Daar probeer ik een voedselbos te maken maar dat is best lastig. Ik sta midden in het bos en de zon komt pas laat over de boomtoppen heen.” Ze vertelt hoeveel er toch al groeit. Ze is er al een poos niet geweest. Niet zo handig, in de oogsttijd. Ze gaat met haar busje overal naar toe. In de winter gaat ze naar Spanje. Veel leuker dan Nederland en de Spanjaarden zijn zo lekker relaxed! Ze vertelt er enthousiast over. “Er zijn steeds meer mensen die het vrije leven opzoeken op deze manier. Ouderen en ook jongeren,” zegt ze.
Ik kijk haar aan. “Ja ik snap wel dat ze er geen zin meer in hebben om mee te doen in de mallemolen van de economie. Maar ik vind het ook wel jammer dat ze niet hier blijven. Je kan het daar wel leuker vinden, maar hier in ons land is juist zoveel te doen! Het vraagt toewijding om het weer mooi te maken. Steeds wegfladderen werkt niet.” Ik zie tussen de melde een groepje jonge bosliefjes staan en zet mijn voet zorgvuldig op een andere plek. Die kunnen de komende twee maanden nog mooi in bloei komen, paars en prachtig. Als ik zeker weet dat mijn voet goed staat, praat ik weer verder.
“Frijlân is een ambitieus project. Maar het geeft ook voldoening. Er komen hier veel mensen om te kijken hoe we het doen.” Elza kijkt me nadenkend aan. “Ja, dat mis ik wel in België. Ik doe dat helemaal in mijn eentje en mijn man interesseert het niet zo…” Ze kijkt peinzend naar de horizon.

Terwijl ik terug naar mijn huisje loop, denk ik na over dit gesprek. Zo had ik het ook kunnen doen. Ik had ook een halve hectare grond voor mezelf kunnen hebben. Dan zat ik midden in het provinciale Brabant, midden tussen akkers en bosjes in de heerlijke stilte. Maar dan was er zelden iemand die mij bezocht. Hoe anders is het op Frijlân! Het is de grootst denkbare tegenstelling. Een eigen voedselbos is leuk, en het is gaaf als je je creativiteit ongestoord kan uitleven. Maar ik doe het niet voor mezelf alleen. Daarom ben ik hier. Nu.

.

.

Dikke stromen mensen gaan dezelfde kant op. Een raadsel!

 

.

Terug naar waterland

.

.

Elke ochtend als ik wakker word denk ik aan water. Water in rivieren, water in vennen. Ik denk aan het water in mijn sloot. Als ik opsta ga ik meteen kijken hoe het ermee is. Het is nog maar een kleine poel. Als ik aan kom lopen hoor ik overal kleine plonsjes, van de kikkers die hier hun laatste toevluchtsoord vonden. Ik sta op het houten vlonder en zie dat het opnieuw is gezakt. Als het niet snel gaat regenen verdampt alles, ondanks de schaduw die ik heb gemaakt, door deze vlonders over de sloot heen te leggen. Gisteren heb ik het aangevuld. Ik had er 40 liter kraanwater voor nodig. Dat ga ik niet elke dag doen.
Zo is het nu overal in Europa. Ik denk aan jonge bomen die nog moeten groeien, aan schippers en laag water, aan de boeren die de helft van hun oogst mislopen. Wie had kunnen denken dat ook Nederland te kampen zou krijgen met droogte?

.

.

Ik kijk naar mijn poel, die hopelijk net op tijd wordt gered door regenval. Woensdag slaat het weer om, zeggen ze. Ik verlang naar die regen, de geur van natte grond, jonge dieren en jonge vogels die verbaasd rond spetteren in grote plassen, een vrolijke verkenning van de nieuwe natte wereld.

.

.

Ik verlang niet alleen naar een natte wereld, ik ben ook blij met de droogte. Nederland heeft geleerd om tegen het water te moeten vechten. Daarom hebben we nu een tekort. Alles is ingericht op het afvoeren ervan. Rivieren zijn gekanaliseerd, polders zijn droog gepompt. En nu hebben we spijt. Spijt dat we het water zo snel laten weglopen. Er worden plannen gesmeed om het water weer terug te krijgen, terug in de polders en in de bodem.

.

.
In het gebied rond Frijlân wordt ook gesproken over de terugkeer van het water. Wordt het grondwaterpeil straks weer omlaag gebracht in het voorjaar? Gaat het net als anders en voeren we het af via sloten en kanalen? Of houden we het water vast? Vroeger was hier overal water. Het was een nat en drassig land. Voor dit land is deze droogte vreemd..

Ik ben geboren in de NoordOostPolder. Ik zwom en kanoode in de Lemstervaart en speelde langs de sloot. Later werd ik rondvaartschipper en voer met mijn grote liefde door heel Nederland. Ik ging door rivieren en door sluizen. Ik liet me acht meter naar beneden schutten om mijn geboortedorp te bezoeken per boot. Ik keek naar de ontzagwekkende hoge natte wand boven mij, voor de sluisdeuren zich weer openden en de polder voor mij lag.

.

.

Ik hou van water en modder, mijn leven lang al. Daar heeft nooit iemand iets aan kunnen veranderen. Ik hoop al heel lang dat er veel meer aandacht komt voor waterreservoirs, die werken net zoals mijn kleine poel in de sloot, maar dan in het groot. Alles heeft het nodig, ons land wordt er mooier van! Met meer waterbuffers hebben we niet alleen zelf een reserve, maar ook planten en dieren van vroeger komen weer terug.
Laten we het water bij ons houden en koesteren. Laten onze kinderen weer met modder in de sloot spelen en geulen graven langs meren en kusten. Laat ze helpen met het zorgen voor de jonge bomen. Straks, als de jonge loten groot zijn, zullen de groene oases zorgen voor verkoeling en het zal verdamping tegengaan en zorgen voor een klimaat dat veel minder extreem is dan nu wordt voorspeld.

Laten we ons land weer mooi maken, het lage land aan de zee, met meanderende rivieren, meren en vennen. Dat is mijn droom, daarom werk ik zo hard. Daarom groef ik deze poel in de bodem van de sloot toen het water er nog ruimschoots in stond. Alleen al om te zien hoe machtig het is en hoe het werkt als het water zakt. En daarom plant ik straks vierhonderd bomen, om voor verkoeling te zorgen en aangename luwtes en om het vocht in de bodem vast te houden. Daarom vertel ik dit verhaal, in de hoop dat het elders wordt voortgezet, in ons natte landje aan de zee.

.

.

Alle tekeningen zijn van eigen hand. De tekeningen met tekst maakte ik in 1996, na één van onze reizen met de boot door Nederland.

.

 

Link naar Vroege Vogels: Grondwaterstand moet omhoog.

 

Elke verandering is een spel

.

.

Ik werk waar ik ben
in Brabant was ik Brabander
kwam ik jandorie op tv
En nu doe ik vol overtuiging
met een groepje Friezen mee

Frijlân is in Friesland ja
het is een piepklein dorp
ik woon en werk en onderga
de harde winden en denk na

In een wereld zo verstoord
wil ik eenvoudig leven
en het landschap om mij heen
iets van zijn eigenheid terug geven

Ik ben waar ik ben
en kijk
Hoe geef ik vruchtbaarheid aan ‘t land
hoe laat ik voedsel groeien
en hoe geef ik voeten aan
de mogelijkheden die ‘t verstand
keer op keer te boven gaan

Ik kijk met de spade in de hand
naar uitverkoren wriemelbeestjes
vochtig onder stenen
en vliegensvlugge zwaluwen
die in de blauwe hete hemel
zo weer zijn verdwenen

Ik werk en kijk en maak er wat moois van
Ik plant en bouw en kijk opnieuw
tot ik bijna alles
rond mijn huis wel dromen kan

Maar nooit zeg ik
Ik weet het wel want
elke verandering
is een spel

Vrij om te gaan
blijf ik nu hier
om bodem te vormen
te praten met de regenwormen
Hoe maken we een paradijs

En doen het.

 

.

.

.

.

De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.

Stormdans op het naakte koord

.

.

Daar sta ik dan. Voor het raam, met voor me een uitgestrekt tapijt van wuivend raaigras. Hoewel het zomer is, brandt de kachel. Het is dagenlang mooi weer geweest maar nu is de lucht loodgrijs. Ik draai me om en kijk door het andere raam. Een keiharde noordwestenwind waait woest door de takken van de grote populieren en wilgenbomen, die naast de boerderij staan. Er zijn windvlagen van windkracht tien, die mijn raamkristallen zo heen en weer doen zwaaien, dat ze tegen het raam aan botsen. Een huisvlieg schrikt op en zoekt een rustig plekje op het plafond, boven de kachel. Ik had mijn huisje net zo goed op de dijk aan de kust neer kunnen zetten, zo hard waait het. En ik wist het. Ik wist dat het zo zou gaan en ik wilde het. Ik wilde hier staan. Zelfs de kleuren van mijn huisje kloppen met de plek waar ik nu sta.

Ik hoor een harde bons en gerinkel van glas. Ik kijk uit het raam en zie dat mijn minikeuken is omgewaaid. Een pot met gedroogde bonen ligt in scherven op het beton.
Ach, ik ruim het straks wel op.

Die nacht slaap ik slecht. Ik heb mijn huis nog niet vast op de stapel stoeptegels gezet en word flink heen en weer geschud. Bij hele harde vlagen hoor ik een bonk onder de vloer en ik voel een lichte trilling door mijn matras heen gaan. Ik ga drie keer naar buiten om te kijken wat het is. Ik verplaats een plank en een kist met hout. Het helpt niet. Als het licht wordt eet ik een paar happen havermout. Daarna val ik moe in slaap.

De volgende dag is de wind al een stuk minder. Ik laat de wind door mijn haren waaien en lach naar een doorbrekende zonnestraal. Straks waait de wind niet meer door mijn haar.  Het wordt helemaal anders. Er komt een volglazen windscherm met acht millimeter veiligheidsglas, in een U vorm om mijn huisje heen. Alleen de westkant is nog open, daar komt iets anders. Het scherm wordt vastgezet in het beton met een soort van superlijm. Het is één meter zeventig hoog, dus mijn kruintje blijft net precies uit de wind.

Ik loop langs een perk bij de boerderij, omringd met oude rode stenen. Na één dag storm hebben veel planten dorre bruine rafelranden gekregen door de meedogenloze zweep van de wind. Zelfs een bosje oersterke brandnetels heeft er onder geleden! Ik besef opnieuw hoe belangrijk de luwte is, voor leven op aarde.
Hier op het terrein zullen veel planten profijt hebben van mijn glazen scherm. Maar we doen meer. Er zijn al heuvels, takkenwallen en een paar muurtjes. We gaan er nog veel meer maken, kleine fijne plekjes waar het goed toeven is. Daar kan alles uitbundig gaan groeien.

Ik loop over de betonplaat terug naar mijn huisje. Dit is de westkant. Aan deze kant ga ik zelf een windkering maken, gemaakt van dikke bamboepanelen en stevige palen die een meter de grond in gaan, dwars door het beton heen. Ze komen schuin te staan, zodat de wind er niet keihard tegenaan ramt, maar er langs glijdt. Er komt een rond dak op. Ik wil het zo maken, dat de wind er moeilijk vat op krijgt. Dan kan ik het een heel stuk hoger maken dan 170 cm. Eronder zal ik een podium bouwen. Wat wordt dat een heerlijk plekje! Ik zal er ontbijten en er kunnen mensen logeren. We zullen er muziek maken en praten over de wereld. Achter het glas in de zon zal ik over de winderige vlakte uit kijken. En wie weet wat er nog meer mogelijk is….

Volgende week komen de mannen het neerzetten. Wat zal dat anders zijn! Straks ben ik als een goudvis in het aquarium. Haha.

.

.

Podiumontwerp met veertien palen die de grond in gaan. Tussen de vier bamboepanelen (1800 x 900 x 75 mm) aan de achterkant, tussen de twee palen, zit plexiglas (250 mm) dat bij Oostenwind er uit te schuiven is, zodat de wind het bouwwerk niet omhoog blaast. Als eerst de achterkant maar staat, dan kan ik al lekker werken in de luwte.

 

 

Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.