U boft maar

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

Ik gun mezelf een paar dagen ontspanning. Ik lees en wandel. Vandaag maak ik het rondje aan de overkant van de brug, door de weilanden. Ik kniel bij de koeien, die me gebiologeerd aan blijven kijken met hun zachtmoedige ogen. Ik sta weer op en loop door tot langs de kerk.  Uiteindelijk kom ik op de dorpsweg uit. Daar is een vrouw aan het werk in haar tuin. Ze is al oud. En haar tuin is eigenlijk meer een zandbak. Er groeien hier en daar wilde viooltjes. Een enkele veldkers heeft dapper zijn stengeltje boven de grond uitgestoken. De kleine witte bloemetjes zijn nauwelijks zichtbaar, zo armetierig staan ze erbij. Met een schoffel woelt ze het warme zand om. Het ziet er uit als plantjes pesten. De veldkersjes zullen er vast ook aan moeten geloven. Het werk gaat moeizaam maar gestaag. Ze heeft al twee vierkante meter klaar van de zestien.

„Dag mevrouw,“ zeg ik „Wat heeft u een mooie viooltjes in de tuin, zijn die er vanzelf gekomen?“ Ze schuifelt naar me toe. Ik zie nu pas dat ze een kruk bij zich heeft, die op het einde uitloopt in drie pootjes. „Ja,“ zegt ze „Ik heb het aan mijn knie. Die is geopereerd. De dokter heeft er iets mee gedaan. Nou doet het minder zeer.“ Ik toon mijn medeleven met een glimlach en een knik. „Gelukkig heb ik mijn kleinzoon, die me helpt,“ ze wijst naar achteren. Aan het einde van de oprit staat een rode auto. Ernaast staat een jongetje te spuiten, zijn mollige witte armen houden de tuinslang stevig vast. Hij gaat lekker door met zijn waterballet. Is die auto nou nog niet schoon? Wat een verspilling zeg, denk ik bij mezelf, en dat in deze tijden van almaar toenemende droogte. Maar dat zeg ik niet tegen een vrouw die al zo oud is.  „Fijn dat hij u zo goed helpt,“ lach ik opgewekt „U boft maar!“ Terwijl ik dat zeg komt er een man aanlopen met een bol gezicht. „Dat is mijn zoon,“ zegt ze „Hij helpt me ook.“
„De vader van de jongen?“
„Ja.“ Ze kijkt me aan met grote grijze ogen.
„Echt fijn dat ze u helpen. En dat u nog in dit huis woont. Er zijn zoveel oude mensen die nu opgesloten zitten.“
Ze knikt. „Ik ben al negentig,“ zegt ze trots. Ze leunt tijdens het praten op een gemetselde zuil van een meter hoog, waar het hek aan vast zit. De bovenkant is van cement. Er lopen een paar mieren op. Eén voor één drukt ze ze dood met haar duim. Wreed en zinloos. Ik kijk er maar niet naar. Als ik er niet naar kijk dan houdt ze er misschien mee op. De jongen en de vader zijn nu allebei aan het poetsen. „Jullie hebben het maar gezellig hier,“ merk ik op. Ze knikt en kijkt me strak aan met haar enorme kijkers. „Ik heb een nieuwe lens,“ zegt ze. „Ik moest weer naar het ziekenhuis maar dat kon niet.“
„Voor controle zeker. En kan u nu alles weer zien?“ vraag ik belangstellend.
„Jaaaa! Heel erg! Nou die knie nog.“
Ik knik haar nog eens vriendelijk toe. „Ik wens u heel veel sterkte. En nu ga ik weer verder. Als ik nog eens een rondje loop, kom ik weer een praatje maken.“
Ze glimlacht en knikt, alsof ze niets anders verwacht had. Dan draait ze zich om, en pakt de schoffel. Ik kijk nog eenmaal om, en zie haar woelen in het warme zand. Op naar de volgende vierkante meter. Geduld is een schone zaak. Ook voor mij.

Doen of laten op deze planeet

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten

.

Ik ben terug op dezelfde camping als waar ik vertrok, in juni 2019. De lente hult het terrein in een lichtgroene waas en de Zwette schittert in de zon. Dit is de plek waar ik bomen plantte, en kruiden. Ik was zo nieuwsgierig hoe het ermee stond! Nu wandel ik rond en kijk bij elk huisje en langs elk paadje. Bijna iedereen laat zijn gezicht zien.  Daarna ga ik aan het werk.

Ik verplant een paar kerspruimen naar een ruimere plek. Het zijn wilde prunussen die horen op deze natte kleigronden. Ze doen het hier geweldig. Ik zie zelfs al bloesems! Daarna loop ik naar de wilde kruidentuin. De munt neemt al een flink veld in beslag en ook de teunisbloemen rukken op, fier en recht de lucht in. Alleen de brandnetels rukken óók op. Die moeten met stevige hand in toom worden gehouden, al is het maar één keer per jaar.

En daarom ben ik hier!

Urenlang werk ik door en trek de zoveelste brandnetel uit de grond. Hij heeft een lange wortel en er zit een heel netwerk aan vast. Terwijl ik trek, scheuren de wortels de stijve bodem uiteen. Twee kippen haasten zich naar de los gewoelde grond en zien alles wat er wriemelend en roze in rond beweegt. Pik! Ann kijkt lachend toe, vanuit de verte. „Je lijkt wel een kip!“ roept ze hard. Ze zit op de drempel van haar huisje en kijkt naar me. Tussen ons in staan bomen en beginnend fluitekruid en brandnetels. De zon schijnt door de takken en zet alles in een warm licht.
„Wat doe je eigenlijk?“ roept ze dan. Ik loop naar haar toe om antwoord te geven. „Ik trek brandnetels uit, zeg ik. De kruiden die ik heb geplant, moeten hun plek gaan innemen en de brandnetels terugdringen. Het is voor de bijen en insecten.“ Ann knikt. „Dank je, dat wou ik weten. Ik denk altijd in eerste plaats aan eten, zie je. Al ben ik niet zo’n goede oogster, in dit geval.“
Ik glimlach. Dat zie ik hier graag, mensen die niks plukken. Mijn missie op deze plek is een andere. Ik wil onze kaalgeplukte planeet een handje helpen. Er is veel herstelwerk nodig. Het werk dat ik hier doe, zie ik als een beginnetje. Al is mijn werk maar sprietje vergeleken bij het woud dat we nodig hebben, ik word er zo blij van!

Als een tuin nog jong is, dan eet ik er niet van, ook geen blaadjes voor de thee. Wel pluk ik brandneteltoppen, look zonder look, en jong fluitekruid, voor in de soep. Dat staat er in overvloed. Wat groeien moet, moet je met rust laten, vind ik. Al verlang je nog zo naar zo’n sappig blaadje!

De wereld is een grote tuin. En gulzigheid kent grenzen. Daar komen we nu achter! Tot hier en niet verder, zegt de planeet. We zullen er aan moeten geloven. De aarde is geen dode kluit om te plunderen naar eigen believen. Het is een wonderlijk en levend geheel van talloze ecosystemen. Het reguleert op een intelligente manier. Dat blijkt maar weer. Nu hebben we een virus.

Ik kijk naar Ann, die nog steeds voor me op haar drempel zit. Op haar schoot heeft ze een artikel over vetcellen die virussen aantrekken. Ze leest hardop voor dat de IC nu bezet wordt door vooral dikke mensen. „Die krijgen het nu dubbel moeilijk…“ zeg ik peinzend. Dan laat ik haar achter met haar leesvoer. Ik loop onder de bomen door, naar de plek waar ik bezig was.

Ik kijk en bewonder. Ik zie zonnehoed en appelmunt, dropplanten en zenegroen. Ze zijn nog klein, maar alles leeft en zal verder groeien. Ik denk aan ze. En mijn poep geef ik terug aan de aarde, voor de planten. Laat het zijn werk doen, in alle rust. Laat het langzaam verteren, en tot voedsel dienen voor wat komt. Net zoals al die gedachten, van alle mensen die nu thuis zitten. Laat het zijn. Laat het zijn werk doen.

.

Klik hier voor het lezen van een goed artikel. Een stuk waarin ik een goede samenvatting vind, van alles wat ik zo graag wilde vertellen. Als we onze leefstijl, en vooral onze relatie met de natuurlijke omgeving niet veranderen, zal onze kwetsbaarheid voor infectieziekten toenemen. Maar wellicht wordt het besef van de noodzaak voor verandering door het coronavirus zo groot, dat prioriteiten verschuiven. En dat na deze pandemie de experts die voorheen tegen dovemansoren riepen, nu wel gehoord worden en we stappen ondernemen naar een wereld met een betere ecologische balans………………………………………………………. Ik heb alleen één kanttekening. Er komt een tijgerbeschermer aan het woord. Voor het beschermen van tijgers wordt in India de inheemse bevolking op dit moment van hun land verjaagd, terwijl zij juist de meeste kennis hebben van de biodiversiteit. Dit wordt verderop in het stuk wèl genoemd en dient ook in India nader onderzocht te worden.

(Laatste opmerking:Bron Survival International, al meer dan 50 jaar actief op dit gebied)

Aan de rand van Nederland (Deel 2)

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min

Dit is deel twee van een tocht aan de rand van Nederland

De regen loopt in straaltjes van mijn gezicht. Ik loop door de Kennemerduinen, op weg naar Zappa, een trouwe blogvolger. Het is veel verder dan ik dacht, maar dat geeft niet. Ik houd ervan, dat dingen niet altijd zijn, zoals ik het bedacht had. Als de dagen te lang voortgaan volgens dezelfde routine, dan zoek ik het op, de dwaaltocht, het avontuur, het niet-weten. Het levert dikwijls een goed verhaal op en het maakt me levenslustig en opgewekt.  Zelfs al verdwaal ik. Ik heb het er allemaal voor over.
Ik heb al meer dan twee uur gelopen, door de duinen.

Ik heb een klein dwarspaadje genomen en nu ben ik de weg kwijt. Onder de grijze hemel groeit een dichte vegetatie van kale duindoornstruiken. De regen waait in dichte kleine druppels op mijn natte pak. Soms loop ik tussen de dennen en berkebosjes door, even uit de wind. Waar is het grote pad? Waar is het strand? Ik loop de bocht om en zie een wandelaar. Hij kijkt me stralend aan, blij nog een dappere ziel te ontmoeten. „Hoe kom ik bij de Zeeweg?“ vraag ik hem. Hij wijst. „Die kant op. De wind is Zuid West-“ en hij kijkt me even scherp aan en wijst nog een keer. „Dus dáár is het westen, daar is de zee! Als je de blauwe route paaltjes weer ziet, volg die dan.“ Ik groet hem en loop in de aangewezen richting. En dan is daar eindelijk weer een bord. „Parnassastrand,“ met een pijl en een blauw paaltje. Het is nog 3,5 kilometer. En dan moet ik nog naar Zandvoort. Misschien moet ik maar even bellen. Als ik al te lang rond blijf dolen, komt er immers niks meer van een ontmoeting.

Ik pak de telefoon uit mijn natte zak. Om mijn jas heb ik een regencape. Het is een goedkoop ding en hij was meteen al doorweekt. De jas eronder is ook drijfnat, net als mijn telefoon. Op het verlichte scherm komen meteen druppels, maar hij doet het nog. Even later hoor ik een mannenstem zeggen:“Ik kom je ophalen! Op de fiets gaat een stuk sneller!“

Ik ben blij als ik mijn stijve been op de grond kan zetten. Minutenlang balanceren op zo’n klein rekje is niet lekker. Liever stá ik op een bagagedrager, maar met tegenwind is dat niet handig. We zijn bij een flat. Ik had niet gedacht dat hij in een stapelhuis woonde, die Zappa.

Eenmaal binnen gaat er een wereld voor me open. Alles hangt vol met kunst, de muren, maar ook de ruimte, kleurige cirkels hangen als platte planeten aan draadjes en ergens daartussen zie ik twee stoelen staan. Genietend ga ik zitten, Zappa biedt me koffie aan en wijst uit het raam. Een uitgestrekt gebied van duinen eindigt in donkere vierkante schaduwen. „Zie je die blokkendozen aan de horizon?“ vraagt hij „Dat is het racecircuit van Prins Bernard. De neef.“ Ik kijk en zie wat hij bedoelt. „Dat moet een racecircuit worden met internationale bekendheid. Ze mogen nu 20 dagen per jaar open zijn, maar straks mogen ze wel 320 dagen open zijn. Je wil niet weten wat een herrie dat geeft.“ Zijn blauwe ogen kijken bezorgd. „Maar ik blijf hier wel wonen. Je vind niet snel zoveel ruimte. Ik heb het nodig voor mijn kunst.“ Ik knik en kijk nog eens. Het is eigenlijk best dichtbij. Ongelooflijk, dat dat kan, in zo’n natuurgebied!
Hij vertelt verder. „Er moet een speciaal station komen, voor de racebaan, met treinen die om de vijf minuten gaan rijden. Kun je nagaan! Dat gaat dan door die kleine kustplaatsjes, waar dan de halve dag de spoorbomen dicht zijn. Allemaal voor de portemonnee van de prins. Het circuit zal worden verhuurd aan racers van allerlei slag, die komen van heinde en verre. De koffietentjes aan het strand kunnen wel opdoeken. Want straks moeten al die nieuwe toeristen koffiedrinken bij het circuit. Het slokt alle andere bedrijvigheid op. En de gemeente werkt eraan mee!“
Verbaasd luister ik naar hem. „En dan is er ook nog dat jaarlijkse circuit? Waarover nu zoveel gedoe is?“ Hij antwoord bevestigend. „Dat moet een enorm evenement worden. Ze willen over het strand naar Noordwijk kunnen rijden. Dwars door een natuurgebied, in het broedseizoen. Dwars door de rustplek van de zeehonden. Omwonenden, natuurliefhebbers, en organisaties, ze zijn verbijsterd. Noordwijk heeft al toegezegd en Zandvoort nu ook. Maar alleen na zessen, als het strand leeg is…

Ik neem een slok van mijn koffie, voor hij koud wordt. Er gebeuren rare dingen in Nederland. Ik had me nooit kunnen voorstellen, dat zoiets zou gebeuren. „Houd me op de hoogte,“ zeg ik „Ik ben heel benieuwd hoe dit afloopt.“ Hij knikt. „Dat zal ik doen. En wil je nu zien wat ik vond deze week? Een prachtige strandvondst, tijdens het jutten.“ Nieuwsgierig loop ik hem na.

Zo inspireren wij elkaar, nieuwsgierige ontdekkers, creatieve betrokkenen, als een familie van levendige vrijheidsstrijders, die opstaan voor alles wat leeft, ter land, ter zee, en in de lucht. Er staat ons nog een hoop te doen!

.

PS1

Ik heb nu een goeie waterdichte jas gekocht. En de Goretex schoenen die ik in Leiden kocht, zijn geweldig. Laat het maar regenen. Voor nog grotere nood heb ik straks ook een visserscape, maat XL, waar ik ook een tentje van kan maken.

PS2

Dit verhaal lijkt sprekend op wat ik deze zomer in Zwarte Haan tegen kwam. Evenementen en toerisme gaat vóór het welbevinden van bewoners, die ook geen enkele inspraak meer hebben. Economie gaat vóór cultuur, die voortkomt uit de mensen zelf. Als je ook van zulke verhalen hebt, dan hoor ik het graag.

PS 3

Wie gaat er begin mei mee wandelen over het strand? Nadere inlichtingen volgen.

.

Cape waar je een tentje van kan maken.

Een stormband om mijn huis

.

Deze stormtekening maakte ik in 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

“Er komt storm Annemarie!” zeg ik. Ze haalt haar schouders op. “Ja. ik hoorde het al,” zegt mijn buurvrouw. “Iedereen heeft het erover, Dat is vast omdat hij voor het eerst een naam heeft gekregen. Dan maken mensen het al gauw erg. Misschien stelt het niks voor.” Ik lach. “Daar zou je best gelijk in kunnen hebben, maar ik ga toch maatregelen treffen!”

Het eerste waar ik aan denk, zijn de zonnepanelen op mijn dak. Die moeten goed vastzitten. Ik zet de trap tegen de buitenwand en gooi de haken van een zesarmige spin over de nok. Ik maak de spin aan beide kanten vast aan de stootrand, die over de hele lengte langs de goot loopt.
Dan duik ik in mijn bagagewagen, om de potkrik te pakken. Ik wil mijn assen op blokken zetten, tegen het wiebelen. De krik is de allerkleinste die er is, maar ik heb ook geen grotere nodig. Mijn huis weegt maar 1500 kg. Dat is per wiel 375, dat kan zon krikje makkelijk hebben. Plat op mijn buik duw ik met een paar slagen de as omhoog. Dan leg er een stapel stenen onder. Die zit. Nu de andere hoeken nog. Ik bevrijd de krik en loop ermee het hoekje om, waar de mussen en mezen in de manshoge heg zitten. Als ze me zien vliegen ze op naar de buren en blijven op een afstandje naar me kijken.

Het is even passen en meten. Als alles op de juiste hoogte staat en stevig vast zit, ga ik tevreden naar binnen. Ik voel meteen het verschil. Mijn huisje is nu een stuk stabieler. Ik vraag me af waarom ik dat niet eerder heb gedaan.

Wat moet ik nu doen? Ik kan me nergens op concentreren, en ben volledig in afwachting van de storm. Ik hoor de bomen heen en weer zwaaien en kijk uit het raam. Met een opgewekte spanning ga ik het experiment aan. Elke plek is anders. Sta ik dit keer goed uit de wind?
Ik hoor hoe hij aantrekt. De toppen van de bomen bewegen steeds wilder heen en weer. Maar de wind is zuid west, en daar staat het huis van Annemarie voor. Dat staat er al meer dan een eeuw, en dat valt niet zomaar om. Het huis houdt de wind tegen en tot mijn verbazing voel ik er helemaal niks van.

In de loop van de middag draait de wind naar het westen. Daar is de weg, en dat is de hoek waar ik kan uitkijken op het weiland. Hier heeft de wind vrij spel. Nu ga ik het voelen. De avond valt.

 

Ook 1991

 

Mijn huis schudt heen en weer. Dat ben ik wel gewend, en voor een poosje is het prachtig, één te zijn met de elementen. Tot het bijna bedtijd is. Op dat moment slaat er ineens een plensbui uit de lucht, met kletterend geweld op mijn dak. Alles schudt en trilt door de massieve vuist van de wind. Ik verstijf. Zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Het duurt twee minuten dan is het over. Ik ontspan en maak mijn hangmat klaar, om te gaan slapen, in een relatieve stilte.

Bijna val ik in slaap, als de wind opnieuw aantrekt. De zonnepanelen beginnen te klapperen, de dwarslijnen beginnen kennelijk los te raken. In de lengte zitten ze onwrikbaar vast aan de opstaande koekoek vast met bouten, staaldraad en draadspanners. Maar de dwarslijnen zijn vastgeknoopt aan de stootrand die langs de goot loopt. Door het constante geruk van de wind, raken de lijnen steeds een beetje losser. Ik luister gespannen. Dan schrik ik op van een harde klap op het dak. Nou wordt het te zot. Er is vast niks aan de hand, maar ik neem geen risico. Met zulke geluiden doe ik toch geen oog dicht.

Met blote voeten stap ik in mijn schoenen en ga naar buiten om te pakken wat ik nodig heb. De bagagewagen staat uit de wind en zonder dat de klep uit mijn handen waait, maak ik hem open. Zelfs in het donker weet ik de lange sjorband makkelijk te vinden. Ik heb alles zo vaak in handen gehad! Ik koester mijn handige kar, waarmee ik me overal weet te redden en ook nu weer.

Ik frommel de stijve band tot een slordige bol, en gooi die over het dak heen. Gauw loop ik naar de andere kant, voor hij weg waait. De ijzeren klem heb ik al snel te pakken. Ik trek de band door de spleet van de klem en ratelend trek ik hem zo strak, dat de stootrand ervan krom staat. Ik ken deze handeling zo goed, ooit voer ik met twee schepen aan elkaar, met dezelfde sjorband. Toen had ik als schipper twintig meter voor me met wel veertig mensen. Nu heb ik die verantwoordelijkheid niet meer. Nu gaat het alleen om een paar klapperende panelen. Dat is een makkie.

Tevreden kijk ik naar het resultaat, loop nog even het hoekje om en struikel over de gootemmer vol water. Het plenst over mijn ene schoen heen. Mijn blote voet sopt in het koude nat en gauw ga ik naar binnen om ze uit te doen. Ik kruip weer in de hangmat en voel dat mijn pyjamabroek ook nat is geworden. Bah. Ik heb geen zin om er weer uit te gaan en wrijf mijn enkels warm.
Ik lig nog een poos wakker. Mijn broek is al zo goed als droog. Mijn hangmat is een heerlijk warm nest. Nu alles goed vast zit, kan ik rustig liggen luisteren. Nu de woonwagen op blokken staat schudt hij minder heen en weer. Het bewegen is meer een trillen geworden, dat met hele kleine schokjes gaat. Eigenlijk is het net alsof ik in een buik zit, van een bang dier.

Met die gedachte geef ik me over en terwijl de wind langzaam afneemt val ik eindelijk in slaap.

.

 

.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Opdat we niet vergeten

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 min.

Ik had een verhaal geschreven over een rotdag. Dat maakt iedereen wel eens mee, je vindt dat je ergens bij hoort te zijn, maakt een lange reis en onderweg gaat alles mis. Op de plek van bestemming is er weinig contact en de terugweg is nog erger dan de heenweg, waardoor je pas laat in bed ligt en nog urenlang met wijdopen ogen naar het plafond ligt te staren. Ik heb besloten dat verhaal niet te publiceren, want ik ben blij dat die dag voorbij is.

Ik vond gisteren iets veel leukers. Ik trof dit oude Chinese teken voor vrede aan, in het boek der veranderingen. Ik keek er lang naar en ontdekte steeds meer. Ik zie een veilig dak, dat sterk en stabiel is, te zien aan de drie dikke strepen erboven. Maar het boeiendste vind ik de ster daaronder. Tenminste, ik dacht dat het een ster was. Hetzelfde teken staat namelijk onder mijn handtekening, op mijn vijftiende in spontaniteit ontstaan en nooit verdwenen. Nu kom ik dat symbool op verschillende plekken tegen. Ik weet dat het ook terugkomt als een oud Afrikaans teken: Ananse Ntontan en het gaat over de creatieve complexiteit van het leven en wijsheid daarin. Het is dus geen ster, het is een spinneweb! Ook in dit Chinese teken past het spinneweb als een bus.

Met die gedachte begrijp ik het Chinese symbool nog beter, de complexiteit van het leven kan alleen gedragen worden in een sterk huis van Vrede! Zonder dit fundament stort alles in, de voedselvoorziening en de samenleving tegelijk. Daarom wil ik blijven bouwen hieraan, in mijn blogs en in mijn boek. Ik heb mijn eigen huis gebouwd. Nu wil ik helpen bouwen aan een groter fundament en verbanden leggen, waar ik zie dat het nodig is. Ik blijf bij mezelf en luister naar de ander, die zich openstelt.
.
Het symbool voor Vrede, staat in de I Tjing, als nr. 11. Ik vond er een perfecte gebruiksaanwijzing hoe we met de aarde om moeten gaan. Opdat wij nooit vergeten:
(…..)
De natuur moet worden ondersteund bij haar voortbrengen. Dat gebeurt wanneer men de voortbrengselen aanpast aan de juiste tijd en de juiste plaats. Daardoor wordt de natuurlijke opbrengst verhoogd. Deze activiteit, die de natuur bedwingt en helpt, is het werken aan de natuur, dat allen ten goede komt.

Die dwang is natuurlijk een zachte, met liefde en respect voor dat wat eigen is aan elk levend wezen. Het is een dwang die ondersteunend werkt, ik denk aan een stut onder een oude fruitboom, een humuslaag voor de aarde, of hoe je verschillende planten naast elkaar zet, die elkaar stimuleren. Permacultuur is van alle eeuwen.

”De juiste tijd en de juiste plaats,” dit geldt ook voor onszelf, denk ik. Ben ik op de juiste plaats en is de ander dat ook? …. Is er eigenlijk wel tijd? Zonder tijd kunnen we het wel schudden!

Ook Goethe had die gedachte:
“Dich im Unendlichen zu finden,
Musst unterscheiden und dann verbinden.”

Deze spreuk slaat bij mij in als een klok. Dit is wat vanaf nu in mijn geheugen gegrift staat. Het zal op de eerste pagina staan van mijn boek. Dit is waarom ik op weg ben gegaan en niets anders.

.

 

PS: Drs Jung heeft een voorwoord geschreven in de I Tjing en hij vertelt dat Confucius en Lao Tze zich in alles lieten inspireren door dit magische oude boek.

Liften zonder plan

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten.

.

Het is zondagochtend en ik zit in het filmhuis van Heerenveen. De film is afgelopen, het is donker in de zaal en de aftiteling geeft nog net een schemerig licht. Hoewel ik het jammer vind dat ik de zilverachtige ochtendzon ben misgelopen, was het toch de moeite waard. Ik zit nog steeds op het puntje van mijn stoel, om te verwerken hoe het maar net goed afliep. De Californische boerderij, tjokvol biodiversiteit, is op het nippertje aan een gigantische bosbrand ontsnapt. De boer en de boerin haalden opgelucht adem. Ik staar nog wat naar de lange rij namen die voorbij gaat. “Big little Farm.”
Voor me zit een echtpaar, waarmee ik in de pauze sprak. Ze draaien zich allebei om “Kom je mee?” vraagt de vrouw en ik zeg ja. We hebben afgesproken dat ik met ze meerijd naar een lezing die vanmiddag is. Grappig, terwijl ik voor het eerst sinds jaren weer eens naar de film ga, word ik meteen uitgenodigd voor een volgend evenement. Ik merk het wel vaker, hoe stiller mijn dagelijks leven is, hoe meer er gebeurt wanneer ik er eens op uit ga. Ik kom van het één in het ander.

We stappen in de auto en rijden door het coulissenlandschap, dat Friesland in het zuiden kent. Roestbruine hagen en bosjes wisselen zich af met weilanden die glanzen in de zon, door alle herfstdraden die er doorheen geweven zijn. We praten wat, maar ik kan het niet nalaten om middenin een zin een bewonderende kreet te slaken bij een onverwacht vergezicht. Even later rijden we het dorp in, “Oldeberkoop.” We stoppen bij een monumentale uitspanning met de naam Brocope. “Welkom Jelmer Mommers!” staat er op het kleine schoolbord naast de deur. Hier moeten we zijn. Jelmer is van de Correspondent, een digitale krant waar ik lid van ben. Hij schrok ervan hoe erg het met het klimaat gesteld is, want hij is een jonge vent van twee en dertig die het allemaal mee zal maken. Nu doet hij zijn uiterste best om het tij te keren en reist rond om lezingen te geven over zijn klimaatboek.
Ik koop een kaartje, loop door naar de zaal en ga achterin staan. Een man biedt me vriendelijk een stoel aan maar ik weiger vrolijk. Hij kijkt me teleurgesteld aan en zegt dat hij hem helemaal voor mij heeft opgehaald. “Echt heel aardig van u, maar ik sta liever!” hou ik vol. De man gaat maar weer zitten. Ik heb hem niet verteld dat het om mijn rug is, Ik heb gisteren bij het houthakken krom gestaan met de wind erop en nu is hij wat stijf en pijnlijk. Ik zit niet graag op een stoel geprikt met zo’n rug.

De zaal stroomt vol met grijze hoofden en even later is Mommers zijn verhaal aan het vertellen, over de dunne schil om de aarde waarom het gaat, de diverse scenario’s en wat we kunnen doen. Ik heb bewondering voor hem, je zal maar voor een zaal staan met allemaal ouderen, waarin ongetwijfeld mensen zitten die hier al veel langer over nadenken.
Dat blijkt ook, wanneer Mommers is uitgesproken, laat één man duidelijk van zich horen. Hij is helemaal vooraan gaan zitten en niet voor niets kennelijk. Ik kijk naar zijn brede rug en zie het profiel van een breed, wat papperig gezicht. Hij zit een beetje onderuitgezakt, en doet breedsprakig zijn mening uit de doeken. Hij weet niet van ophouden, ook niet nadat Jelmer hem de opdracht geeft om zijn vraag duidelijk te formuleren. Komt die man wel voor Jelmer, of komt hij voor zichzelf?
Hij praat over kernenergie, over windmolens en over technieken met algen. Het gaat allemaal over één ding, hoe kan ik de luxe die ik nu heb blijven houden? “Ik snap wel, iedereen wil leven zoals wij, en ik weet dat dat niet kan,” zegt hij. Op dit moment gaat er een koude vlam door me heen. “Mag ik even iets zeggen?” vraag ik, “Dit is niet waar, niet iedereen wil leven zoals wij. Er zijn 350 miljoen mensen die onze manier van leven als een bedreiging zien. Inheemse volkeren die worden verjaagd van hun voorouderlijke grond omdat hun bossen worden ingepikt om te dienen voor CO2 opslag. Rijke landen maken hier goede sier mee. De mensen worden in hutjes gepropt in een veel te klein reservaat.”
De dominante man op de voorste rij draait zich verstoord om. “Dat heeft helemaal niks te maken met de …. warmte,” zegt hij, en hij moet even zoeken naar het juiste woord. Ik twijfel geen moment over mijn antwoord. “Het gaat om de voetafdruk! Die van ons is gigantisch en van die mensen is hij minimaal. We hebben veel van ze te leren.” De felheid van mijn reactie komt aan in de zaal. “Ja,” zegt Jelmer zacht “Juist de armsten hebben het meest te lijden….”
De man op de voorste rij heeft zich omgedraaid en negeert me. Hij negeert Jelmer trouwens ook. Hij gaat mompelend verder en ik versta hem niet meer. Jelmer staat op het podium en weet het even niet. De man praat maar door en de zaal luistert of staart wat voor zich uit. Wat moeten ze anders.

Maar aan alles komt een eind. Tot mijn vreugde weet Mommers de woordenstroom te doorbreken en komen er toch nog een paar anderen aan het woord. En dan is het afgelopen. We zouden het nog over de economie hebben, maar dat is niet gebeurd. Ik kijk om me heen. Een man op de laatste rij kijkt me geïnteresseerd aan en komt naar me toegelopen. “Ben je ergens van? Omdat je vragen stelde en ook omdat je stónd, ik vroeg me dat af.” Ik lach, grappig wat mensen gaan denken als je staat omdat je last van je rug hebt. “Nee hoor, ik ben autonoom. Ik stel graag vragen.” Hij is wel geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb. “Zal ik thee voor je halen?” Ik knik enthousiast, “Ja graag!”
Even later komt hij terug en we zoeken een tafeltje. Ik wil net gaan zitten, wanneer de mensen met wie ik meereed naar me toe komen. Ze willen weg, en vragen of ik nog mee terug ga. “Of zoek je het zelf verder uit?” vraagt de vrouw, terwijl haar man achter haar staat. Ik kijk van de één naar de ander en ik kijk naar het kopje thee dat dampend op tafel staat. “Ik rijd haar wel naar huis,” zegt mijn gesprekspartner.
Het is een genoeglijke ontmoeting en de weilanden op de terugweg zijn nog mooier, met die lage zon erop. Ik word afgezet bij het filmhuis, waar mijn fiets op mij staat te wachten. Even later rijd ik de vertrouwde oprit op en zet ik hem neer in het schuurtje van Annemarie. Fijn, ik ben vóór de schemer thuis.

Er zijn van die dagen, die ideaal zijn om te surfen op golven van zeeën van tijd. Dagen die voorbij vliegen, alsof je liftend door de ruimte stuift. En zo was deze zondag. Daar kan ik weer een week op teren!

Inheemse volkeren kunnen de biodiversiteit bewaken voor ons klimaat. Doe hier een donatie.

.

.

 

Eigenlijk zocht ik wat anders

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6 minuten.

Het is een koude ochtend. De vliegen op mijn plafond zitten roerloos en verstijfd te wachten op de bevrijdende warmte van de kachel. Ik pak een paar kranten en een paar lange houtsplinters. Dan pak ik het stuk eikenhout. Het blok eiken is eigenlijk veel te groot, en niet geschikt als aanmaakhout. Maar ik heb niks anders en het sprokkelhout buiten is nat. Ik hak nog wat kleine stukjes hout af, besteed er een hele krant aan en blaas in het smeulende vuur tot ik het helemaal zat ben. Na een half uur prutsen brandt het vuur, eindelijk! De hele kamer stinkt naar rook. Ik doe de deuren tegen elkaar open en ga verder met de rest van mijn ochtendritueel.

Een poosje later zit op mijn hurken bij het openstaande vloerluik. Het is het tweede luik van de vijf, en het was een heel werk om ze te maken, tien centimeter dik, met schapenwolisolatie erin. Ik ben er blij mee. De vloer is warm en de extra bagageruimte onder mijn vloer geeft me zat ruimte om mijn noodzakelijke rommel kwijt te kunnen. Binnen in huis blijft het altijd lekker opgeruimd, met zo’n grote kastruimte onder mijn voeten. Er staat een harde plastic bak in de bagageruimte, die vol hoort te zitten met zaagsel. Maar het eerste wat je nu ziet zijn twee groene kolen, en drie winterpenen, half verstopt onder een restantje zaagsel. Ik voel aan de penen en ze zijn nog net zo vers als toen ik ze kocht. Ik glimlach tevreden, dat werkt dus goed, koel houden en bedekken, zo is het net alsof ze nog in de grond zitten.
Ik ga overeind zitten en kijk peinzend naar mijn kleine kelder. Ik zit nu wel in dubio, want dat zaagsel is eigenlijk bedoeld als toevoeging voor mijn poepemmer. Ik heb het zaagsel nodig, in de eerste plaats om de drol goed te kunnen bedekken, maar ook om de compost een mooie losse structuur te geven, zodat het na twee maanden mooie grond wordt.
Waar vind ik zaagsel? Bij de houtbewerker natuurlijk! Meteen tik ik een paar zoekwoorden in op mijn telefoon en ontdek een meubelmaker, drie kilometer verderop. Even later heb ik hem aan de lijn. “Heeft u zaagsel voor mij?” vraag ik “Het is voor een ecotoilet.” Tot mijn verrassing heeft hij helemaal geen zaagsel. “Wij maken er briketten van,” zegt hij “Ik dompel ze zelf altijd in de petroleum, bij het aanmaken van de kachel. Dan brandt hij meteen, ik heb er geen omkijken naar.” Ik spring een gat in de lucht. Met zaagsel was ik blij geweest, maar met briketten ben ik nog veel blijer.

Even later sta ik met Annemarie zakken in te laden. We hebben niet alleen twee loodzware zakken met briketten, maar ook drie netten prachtig aanmaakhout. Ik zie mooie kleine stukjes grenen en beuken erin. En het kost bijna niks! De meubelmaker kijkt tevreden toe en neemt twee briefjes van tien in ontvangst.
Een warm en droog huis is het allerbelangrijkste. En ach, dat zaagsel, dat vind ik wel weer ergens anders. Desnoods maak ik het zelf! Veel van wat ik nodig heb is dichtbij te vinden. Er is verse biologische melk, boter, eieren, en dan ook nog het hout en de briketten voor mijn kachel. Is het niet heerlijk? Ik vind van wel.

 

.

NIEUWS:

Alle tekeningen op mijn blog zijn te koop voor 25 euro per stuk.

Het boek is klaar in voorlopige versie en nog zonder tekeningen, ik heb het naar een grote uitgever gestuurd. Als het te lang duurt zoek ik een kleinere.

Vanavond is bij Dennis en de vrije geesten de aflevering met mijn wandelhuisje, SBS6 20.30. Niet erg diepgaand denk ik, het is in stukjes geknipt en afgewisseld met andere personen. Maar wel mooie beelden en grappige details als het goed is.

Waar ben ik eigenlijk

 

.

Klik hier om te luisteren naar het voorgelezen verhaal van 7,5 min.

.

Ik loop over het rode grind naar de tuin, die achter het huis ligt. Er is een smal paadje tussen de buitenmuur en de bosjes ernaast, waar je precies tussendoor kan met een kruiwagen. Maar ik heb geen kruiwagen, ik heb een spade in mijn hand. In de andere draag een emmertje, met een deksel erop. Je zou het heel chique een ecotoilet kunnen noemen of iets minder chique, een compostemmer. Maar eigenlijk is het gewoon een emmertje met zaagsel en poep, met een goed sluitende deksel. Het is klein genoeg om onder de plank onder mijn bed te stoppen.
Ik loop het hoekje om en duik de bosjes in, daar ligt een heuveltje los zand. Ik zet de spade in de grond om een kuiltje te maken. Zand! Ik moet er aan wennen, opnieuw zandgrond te voelen, na anderhalf jaar klei. Ik steek de spade in de aarde en zie dat de wurmen mijn vorige donatie al gevonden hebben. Daar ligt al wat, ik moet iets verder op scheppen. Ik steek twee keer, dan is het kuiltje diep genoeg. Ik gooi de emmer leeg, klop een paar keer op de bodem om het laatste vochtige zaagsel eruit te krijgen. Dan gooi ik de lege emmer naast me neer en schep de donkere aarde terug over mijn vruchtbare bijdrage aan deze prachtige tuin.
Dit is de plek waar ik ben. Elke plek is anders, door langer op een plek te zijn leer je het land veel beter kennen dan wanneer je er vluchtig, als een toerist, voorbij trekt. Waar ik nu ben, dat is dit oude hoogveengebied, dat al lang geleden is afgegraven.

Ik kijk naar een site over geologie, daar is een kaart, waarop ik de samenstelling van de bodem kan uitzoeken. Ik ben nu vlakbij Heerenveen. Er is hier tot 1.80 M zand, daaronder kiezelig leem en klei.

Dit is niet meer het gebied van de zee, dit behoorde tot een uitgestrekt kustgebied. Eeuwenlang lagen hier grote veenmoerassen, plekken vol muggen, met talloze vogels tussen het riet, de gagel en de elzenbosjes. In het natuurgebied hier vlakbij kan je nog een beetje zien hoe het was. Dit soort plekken worden vaak kunstmatig in stand gehouden, als er teveel elzenbosjes in het riet gaan groeien, worden ze verwijderd, net als de bomen op de Brabantse hei. Zoals het was, zo moet het blijven.
Ik loop graag in het natuurgebied, tussen het riet. Maar in een land met elzenbosjes had ik me ook prima gevoeld. Het mooiste is de bodem. De grond is hier pikzwart van verteerde plantenresten. Indrukwekkend! Gek, ik kwam er pas later op, om de grond te voelen, ik woonde hier al twee weken. Toen ik de grond in handen had, merkte  ik het op, goh, hoe kon ik dit nou vergeten! Pas als ik de grond heb gevoeld, dan ben ik er echt, dan ben ik waar ik ben. Elke bodem  verdient het om gezien, verkend en gerespecteerd te worden.

Er zijn nog meer manieren om het land te verkennen, wetenswaardigheden, die je niet direct kan zien. Zo zoek ik altijd even de hoogte uit, ten opzichte van het zeeniveau. Hoewel ik de zeeklei verlaten heb, is deze plek toch niet vrij van water, bij een overstroming. Er staat hier maximaal vijftig centimeter, ontdek ik, Heerenveen ligt dan precies langs de nieuwe kustlijn. Voor Annemarie is dat rot, dan moet ze naar de zolder vluchten, net als veel andere mensen. De vogels en de dieren kunnen hier wel een toevluchtsoord vinden, op de berg stenen bij de Vries, in bomen, op auto’s en karren, op daken van schuurtjes. Als het maar niet te lang duurt. Voor mijn huisje kan het net, als de golfslag niet te groot is. De wielen zijn zestig centimeter hoog, en als ik tegels onder de assen leg, sta ik nòg hoger. Dan wordt mijn huis net een boot, een boot die op de bodem staat.

Waarschijnlijk ben ik allang verdwenen, als het hier ooit onder stroomt. Maar nu ben ik er nog. Ik sta voor het raam. Een koolmees balanceert op de waslijn, vlak voor me. Ik kan hem recht aankijken en houd mijn adem in. Zolang ik niet beweeg, blijft hij wel zitten. Ik kijk naar de kleine kraaloogjes en geniet.

Bekijk hier hoe jouw landschap is veranderd

Klik hier om uit te zoeken wat jouw ondergrond is.

Klik hier om uit te zoeken hoeveel je overstroomt.

.

Nederland onder zeeniveau.

 

Handen aan de bereklauw

.

.Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5 min.

Ik sta bij Annemarie in de keuken. Ze is bezig met een kastje, het staat op zijn kop op de grond en er moeten wieltjes onder. Ze is er al de hele dag mee bezig, want er zijn vreselijk veel wieltjes, in alle soorten en maten. Nu heeft ze eindelijk de juiste en tevreden draait ze de schroeven vast met een schroevendraaier. Ik kijk toe.
“Ik ga over het park van Le Roy schrijven,” zeg ik dan, “De eco kathedraal.” Ze kijkt me enthousiast aan, “Oh leuk! Die van Heerenveen of Groningen?” vraagt ze “Die van hier, ik was er vanmiddag. Midden in het park was een groot vuur gestookt en twee bomen stonden er halfdood bij, zonde hoor. Ik sprak met mensen daar. Het was er een rommeltje zeiden ze. Ze hadden geen zin meer in opruimen, het bleef maar doorgaan met dat zwerfvuil. Bovendien kwam er steeds meer bereklauw, de laatste maanden stond het hele pad er vol mee, zeggen ze, niemand ging er nog met zijn prikstok in. Moet ik nou een verhaal schrijven over de verwaarloosde tuin van Le Roy?” vraag ik me hardop af, en Annemarie kijkt me fel aan. “O nee, dat doe je niet! Dan draait hij zich om in zijn graf.” Ik knik. “Misschien valt het ook wel mee. En trouwens, het park heeft een contract van 100 jaar. Dan kan het best eens een jaartje wat minder gaan. Er is altijd wel weer iemand die het oppikt.” Dat denkt Annemarie ook. “Goed dat ik dit hoor. Ik zal eens overleggen met een betrokkene. Als het waar is dat er zoveel bereklauw staat, dan ga ik erheen met de kinderen. Gaan we bereklauw weghalen.” Annemarie doet enorm veel met basisschoolleerlingen. Hele dagen is ze op pad met ze, snoeiwerk, beestjes kijken in de sloot, excursies, paddestoelen, als het maar buiten is. Iedereen is enthousiast, ouders geven zich spontaan op als natuurouder. Dus daar past bereklauw snoeien mooi bij.
“Iedereen doet tegenwoordig zo hysterisch over bereklauw, maar zo erg is het helemaal niet,” zegt ze.
Ik lach. “Dan kun je ze dat meteen leren. Dat het allemaal zo erg niet is, als je het maar op het juiste moment doet.” Ze knikt. “Je doet mooi werk!” zeg ik. “Ik ga gauw een keer mee.” Ze lacht. “Doe dat maar! Hartstikke leuk!”

Met elkaar maken we er wat moois van. Als kinderen hier zo enthousiast van worden, dan wordt het wel wat met de wereld, rond Heerenveen. Ik grijns tevreden.

.
.

Je kunt Berenklauw ook eten. Ik plukte jaren geleden twee grote knoppen af, tijdens een wandeling langs de Krommerijn. In de jeugdherberg bestelde ik salade, zodat ik het erbij kon doen. Toen ik de eerste hap nam, keek iedereen gespannen toe, maar het was lekker en ik kreeg er niks van. Het had een aangename bite, luchtig en stevig tegelijk. Maar aan één bloemknop had ik wel genoeg. Hieronder meer over bereklauw om te eten.

In Rusland, Estland, Letland en Litouwen worden de stengels in de zon te drogen gelegd. Op de stengel vormen zich dan zoete, witte kristallen. De 15-20 cm lange, jonge stengels kunnen gegeten worden en smaken naar een combinatie van zoete komkommer, kokosnoot en mandarijntjes. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschild gegeten worden. Bij het schillen moeten dan wel handschoenen gedragen worden om huidirritatie te voorkomen. De grote, aromatische bloemknoppen zijn van mei tot augustus rauw te gebruiken in salades. De zaden van de kleine of gewone berenklauw zijn ook te gebruiken. De smaak is enigszins vergelijkbaar met die van kardemom: bergamot, citroen en kamfer. Te gebruiken bij koken maar ook gemalen in salades.

.