Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Bedolven verhalen van Frijlân

.

.

Met pezige nieuwsgierigheid
onderzoekt de wroeteldoener
verhalen in de bodem
.

.

Het is een lange oprit vol hobbels en bobbels. Ik zie sporen van grote machines. Hier wordt keihard gewerkt en hier komt straks mijn woonwagen te staan,  op het land dat“Frijlân” heet
Ik zet de geelblauwe OV fiets tegen de muur van de oude boerderij. Tussen keurige stapels oranje dakpannen huppelt een zwart konijn weg. In de lucht vliegt een torenvalk, en ik volg hem tot hij verdwijnt achter het pannendak, dat zo mooi is gerestaureerd. Even later zie ik hem terug komen. Hij vliegt over het erf, tot voorbij de plek waar straks mijn woonwagen staat en verder, de eindeloze groene velden over.

Ik loop de koele boerderij in. Om het hoekje zitten twee mannen koffie te drinken. Het zijn de timmerlui, die aan het dak van de schuur werken. Ze groeten me vrolijk en staan net op om aan het werk te gaan. Ik volg hun voorbeeld, pak de spade, doe mijn klompen aan en vind een paar passende werkhandschoenen. Ik ga graven. Wat zal ik aantreffen in de bodem? Hier ben ik al zo lang benieuwd naar!
Ik loop over het modderige erf vol plassen. Dit is de plek waar een grote schuur is gesloopt. Straks is het mijn uitzicht, een bloemenweide met een vijver. Er is fantasie voor nodig om dat voor je te zien en gelukkig heb ik die. Anders zou ik er nooit aan beginnen. Want nu is het een miserabele vlakte van klei, bezaaid met stenen en plastic.
Wat zit er onder? Ik wil het weten, weten wat er onder het oppervlak ligt. Ik wil graven en kijken, verhalen lezen in de grond. Welke sporen heeft de zee hier achtergelaten? En wat vind ik terug van de mensen die hier hebben geleefd? Ik wil het zien. Ik wil graven, in de aarde, vóór de grote machines komen en alles door elkaar husselen.

De klei onder mijn voeten is zompig. Dat is een goed teken. Maar verderop is de grond keihard onder de plassen. Dat hoort niet. Hier is iets. Ik schraap met mijn spade en zoek naar een plek om te steken. Ik besluit een geul te graven om het water af te voeren, maar moet hier door zestig centimeter stenen heen. Behalve steen, zit er nog  veel meer in de grond. Stukken plastic en  glas leg ik duidelijk neer voor de andere opruimers. Maar vooral vind ik  oude keien en brokken beton, kleine geeltjes en rode bakstenen, van alles door elkaar.  Het lijkt het fundament te vormen van een ouder, kleiner gebouw. Ze hebben er alles onder gegooid wat ze maar konden vinden. Al gravend ontdek ik de afmetingen ervan. Ik werk als een pezige wroetelaar. Ik stapel grof puin op een aparte hoop en selecteer eruit wat waardevol is, een reeks prachtige ronde stenen met cijfers er op

Het veld droogt op, door mijn harde werken. Ik graaf in oude blauwe zeeklei, zo compact dat je er mee zou kunnen pottenbakken. Ik graaf in korrelige zwarte klei, dat tjokvol koolstof zit. Het is een vruchtbare bodem. Maar het snakt naar doorluchting en bodemleven. Daar gaan wij voor zorgen, met onze lange adem brengen we hier het leven terug, een nieuw verhaal op een oude bodem.

De rest van de week werk ik door. Met de beste en mooiste keien bouw ik aan mijn vesting, die het oude en het nieuwe samenvat, een lage stenen wal, die straks de grens van mijn achtertuin vormt. Mijn handen zijn stijf geworden van het steken met de spade en sjorren aan stenen. Tevreden kijk ik naar alle kleuren en vormen, die ik in mijn wal heb verwerkt. Ik zucht. Ten midden van alles wat onder de schop genomen wordt, is hier alvast iets wat blijft staan. Vanuit een ooghoek zie ik een oorwurm verdwijnen onder een steen. Glimlachend neem ik afscheid. Ik zwaai met mijn armen om mijn spieren los te maken. Terug in het werkhok doe ik mijn klompen uit. Ze zijn grijs van de opgedroogde modder.

Terug ga ik naar Brabant, waar nog steeds mijn huisje staat, mijn kleine huis op wielen. Hoelang nog?

.

Volgende week publiceer ik mijn blog ietsje later. Die woensdag, de achttiende, maak ik een live verslag van de opening van Frijlân!

ΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩ

.

 

GEDICHT VAN IDA GERHARD

Misschien is dit het wel, waaruit Frijlân wordt geboren, wat ik ervaar als ik bezig ben op deze plek. Een zelfde begin, eenzelfde gloed.

 

Kinderland
 
Als ik ontwaakte onder ’t zolderdak,
in goede geur van appelen en hout,
was het weer daar: de pijltjes tintelgoud
van ’t licht, dat door de fijne spleten brak.
 
Eén streep, die trillend als een gouden speer
schuin inviel – ik kon, reikende opgericht,
mijn vinger doopen in die baan van licht, –
dan legde ik, bevredigd, mij weer neer.
 
En turend in die sterke wemeling
met warme gloed van leven binnenin,
heb ik vermoed, in schemerend begin
àlles, wat later voor mij openging.
 
Zoo liggen steden in een gouden mist
bij lente -, op het mild-beschenen plein
gaan menschen, met in woord en samenzijn
een zacht geheim, dat tastend wordt gegist. –
 
In ièder ding vindt men het anders weer,
en langzaam wordt een samenhang onthuld. –
Ik lag verzonken, zalig en vervuld;
aan ’t hoofdeneind straalde de gouden speer.
 
 
Ida Gerhardt (1905-1997)
Het veerhuis (1945)
.
.
.

Groei maar!

.

.

De tiende kruiwagen met aarde weegt zwaar van de regen. Ik loop van het boerenland terug naar de camping, waar de potten staan, de potten voor de kleine boompjes die vanochtend arriveerden in een grote zware doos. Wat is het toch fijn, dat ik deze compost mag gebruiken! “Pak maar van mij,” had de buurman gezegd, “Ik heb 40 kuub besteld, een beetje minder daar merk ik niks van. Pak maar.” “Is het stadscompost?” Had ik gevraagd, maar tevreden hoorde ik zijn antwoord. “Nee,nee, geen stadscompost. Andere, voor bomen en struiken.” Het was precies wat ik wilde.

Mijn haar hangt in natte slierten over mijn gezicht, wanneer ik buk en met blote handen de donkere compostaarde in de zoveelste pot stop. De bodem van de pot is helemaal bedekt en ik pak vijf boompjes uit de cementkuip, die ik met water heb gevuld. Kleine kerspruimen zijn het van meer dan een meter lang. Voorzichtig spreid ik de wortels uit en bedek ze onder een dikke deken van rulle aarde, ik vul de zwarte emmergrote pot tot vlak onder de rand.
Ik ga staan en recht mijn rug. Ik tel. Het is de honderdste pot.

Die avond lig ik in bed en luister naar de dichte motregen die tikt op mijn dak. Ik luister en kan de boompjes bijna horen, al die jonge scheuten, hoe ze lispelen met elkaar. “Groei maar boompjes”, fluister ik in het donker. “Weten jullie wel hoe bijzonder je bent? Jullie gaan naar Friesland! Jullie mogen de wind keren en bijen en vogels ontvangen in jullie takken en bloesems. Groei maar!” Ik spreek mijn wens uit over alle kleine meidoorns, seringen, lindes en de kerspruimen. Prachtige bloesems zullen jullie maken en de lucht zal vol zijn van levensgeuren.

De regen tikt op mijn dak. Zwijgend spreken de boompjes het antwoord van verlangen. Het antwoord van de lente, boom te worden, steeds meer boom. Ik zal ze helpen.

.

.

Dit filmpje gaat over de plek waar ik naar toe ga, met de boompjes. Frijlân is een leerplek in wording, in het open Friese land. En plek waar je eenvoudigweg naar toe getrokken wordt. Er wordt hard gewerkt, want het moet van een desolate plek tot een zelfvoorzienend ecoparadijsje worden omgetoverd, waar het voor mens en dier heerlijk toeven is. Een plek waar je je in je element kan zijn, als je wilt leren van de natuur. 

Wat niet in het filmpje staat,  is dat  ook technisch geïnteresseerden straks kunnen zien hoe we bijvoorbeeld uit compost warm water maken. Er komen zonnepanelen en omdat het er altijd waait, is een windmolen wenselijk. Bovendien wordt het een plek vol cultuur, kunstenaars, dichters, verhalenvertellers, muzikanten zijn er allemaal van harte welkom.

.

.

Alsof ik er nooit was

.

.

Het is een tijd van dubbele gevoelens. Ik ben blij dat ik naar Friesland ga, en mee kan doen aan een project waar mijn hart naar uit gaat, “Frijlân”.  Ik zit in de wachtkamer. En terwijl de lente met rasse schreden nadert, is het bij mij herfst. Afscheid komt dichterbij.

Ik kijk naar de rotanstoel. Toen ik hier kwam wonen heb ik hem daar neergezet, in de bosjes. Ooit zat ik er vaak in, hand in hand met mijn lief en poes Gijs op schoot. Ze zijn allebei dood. De glimmende rotan wordt groener en groener en de zitting verzakt, tot het volledig uit elkaar valt.
Ik stel me voor hoe het is, als ik hier straks weg ben. Meesjes hippen er in en omheen, pikken er rietjes uit voor hun nesten. Ze kijken overal rond, op zoek naar de heerlijke zonnebloempitten die daar te vinden waren. Maar die zijn er niet meer. Ook niet tussen de struiken, die ik daar plantte en die steeds meer overwoekerd raken door kweekgras en brandnetel. Alowieke is weg.

Zo zal het zijn. Straks is er niemand, die hier pitten strooit. Niet meer op deze plek. Het is er niet meer. Ik  ben er niet.

 

De dag komt nader
De wereld wordt stiller
Handen maken zich los
en een laatste voet
trekt zich los uit de aarde
Ik excuseer mij, ik moet gaan
Het is nu zo
Het moet.

En hoe is het dan als ik weg ben.

De mezen hebben niks gehad
de zaadpot blijft nu leeg
De droge kikker mist het nat
wacht op water wat hij kreeg
mijn gieter voor zijn bad

Braam zal woekeren in de perken
alles wordt als voor mijn komst
als voor mijn hele harde werken
en overal komt gras
alsof ik er nooit was.

Maar het zaad van dode bloemen
wacht in de grond op het juiste moment
En niemand weet wanneer
Er is zaad en hoop op meer
bloemen en bijen die zoemen.

En wie weet komt er wel hulp
van een groene mensenhand
komt ergens ooit een keer
een natuurmens uit zijn schulp

Wie weet.

.

.

.

.

.

De roep van de kievit

.

.

Het ijs op de vijver is helemaal gesmolten. De eenden, die tijdens de vorst sloom aan de oever zaten en het neergegooide brood ongeïnteresseerd lieten liggen, lopen nu achter elkaar aan het hele terrein van de camping over. Het zijn er nog maar twee, twee mannetjes. Van de derde is niks anders overgebleven dan een plas bebloede veren. Inmiddels heb ik het tafereel al zo vaak gezien, dat ik het heb geaccepteerd. Alles komt en gaat en niet altijd op zachtzinnige wijze. En strenge vorst is als de adem van de dood. Wat sterk en veerkrachtig is, dat redt het. De zwakkeren niet.
Opgetogen komt de lente dan, met de taaie overwinnaars, die niets liever willen dan de opwinding bevredigen, het nest bouwen en zo’n hoop leven maken, dat horen en zien je vergaat.

Ik zit op mijn hurken en kijk naar de verzameling kisten en boxen onder mijn wagen. Voor ik naar Friesland verhuis, wil ik alles gesorteerd hebben en opgeruimd. Terwijl ik net een zwart plastic veilingkistje naar voren wil schuiven, hoor ik boven me de roep van een kievit. Ik bevries in mijn beweging. Het geluid komt snel dichterbij. Tot mijn stille vreugde landt hij tien meter bij me vandaan en loopt zoekend rond in het gras, tussen een paar opgekroonde bomen. Hoewel de zon heerlijk schijnt, is er af en toe een fris windje. Het shirt dat ik aan heb, is te kort en ik voel een koude bries langs een blote kier waaien. Ik durf het niet in mijn broek terug te stoppen, dan gaat hij misschien weg. Ademloos kijk ik naar de vogel. Maar al snel vliegt hij weer op. Kennelijk vindt hij hier niet wat hij zoekt.

Die nacht hoor ik de paringsroep van vele kieviten, op het veld en in de akkers achter de camping. En ik duim voor ze. Dat ze dit keer wèl zullen slagen. Dat ze in het grasland voldoende voedsel kunnen vinden om kracht op te doen en hun jongen groot te brengen. Met pijn en spijt denk ik aan de enorme vlaktes, waar alleen maar raaigras te vinden is. Voor de weidevogels is deze eentonigheid een nekslag. Ik duim voor groeiende aandacht hiervoor. Soms hoor ik boeren zeggen dat ze heel erg hun best doen en om de nesten heen maaien. En toch is er geen enkel nest dat slaagt. Ze begrijpen het niet. De schuld wordt gegeven aan de vossen, waar jagers dan driftig op schieten in de schemering.

Hoeveel mensen zoeken het echt uit? Er zijn genoeg rapporten van. Daarin lees ik dat de vossen niet de belangrijkste oorzaak zijn van de grote achteruitgang van soorten. Het is de groeiende monocultuur. Ons land is gevormd door een delta van rivieren. Een plek die ooit wemelde van vliegende en broedende vogels. Wij hebben ons land onherkenbaar veranderd, van een levendig paradijs, in een rigide rasterwerk onstaan door een eindeloze saaie lijst van bedachte doelen. De uitgestrekte eenvormige vlakten zijn als een groeiende woestijn, waarin steeds minder dieren en insecten voedsel kunnen vinden en waar roofdieren hun prooi makkelijk kunnen zien.

Okee, er is een natuurlijke cyclus van leven en dood. De sterksten redden het en maken van de aarde een vitale plek, vol diversiteit. Dat is soms hard, maar het is ook mooi. Dit accepteer ik. Maar wat er nu met het land gebeurt, dat kan ik niet accepteren. Het kan anders. Laat dan nu het leven terugkeren in de wei, in het griend en in de beschutting van bloeiende bomen, die groeien langs de randen. Laat de wei vol bloemen zijn, zoveel soorten, niet te tellen. Laat groeien wat er groeien wil en kijk wat het ons biedt. Ook in Friesland, ooit het paradijs voor broedende weidevogels. Friesland, mijn nieuwe thuis van de toekomst.

.

.

Potten voor Friesland

 

.

Met mijn karretje achter de fiets draai ik een zanderige oprit op. Het pad wordt omringd door bomen en er staat een bordje: “Theetuin” bij. Naast het bordje staat nog een bord, “Natuurlijke bomenkwekerij.” Hier moet ik zijn voor de grote plastic bloempotten die ik nodig heb. Ik bel aan de huisdeur. Prompt komt een man aangelopen, achter het hek waar de kwekerij is en hij opent het.
“Ik kom de potten halen! Is de theetuin ook van jullie?”
“Jazeker. Maar het is nu gesloten,” zegt hij.
Spijtig kijk ik naar de lichte ruimte achter de glazen deur en draai me om. De man, een veertiger met een krullebol, loopt tevreden grijnzend voor me uit naar de potten. “Ik wil er tachtig. Ik ga naar Friesland verhuizen en neem boompjes mee.”
“O, je zoekt de vrijheid op! ” merkt hij op.
“Ja!” roep ik verbaasd “Zo heet het, Frijlân. Daar worden de boompjes geplant, in de herfst pas, als het dan goed is.”
“O dat kan wel, blijven water geven hè!” lacht hij.
Ik knik. Ik ben vastbesloten om de jonge scheuten de beste start te geven die er is.

We zijn bij de potten. Hij laadt ze in een kruiwagen.
“Ze kunnen niet direct de grond in,” zeg ik “Het is kleigrond zonder humuslaag, helemaal platgereden. We gaan eerst zaaien. Lu…….. hoe heet het ook alweer.”
“Ja? ” vraagt hij, nieuwsgierig of ik dat weet.
“Luzerne!” Schiet het mij te binnen. “Die wortelen diep en maken de grond los.”
“En lupinen, die wortelen ook diep.” merkt hij op. “ Als je ze allebei zaait krijg je een mooie bloemenweelde.”
“Ik zal mijn best doen.” Ik zwijg en ik zie het voor me, de lila gloed van luzerne en lange gele lupinen ertussen. Dan vertel ik verder. “Er is niks dan gras en een paar grote bomen. Bomen groeien daar niet zo snel als hier. Je waait er bijna weg, als de wind van zee komt.” Hij knikt. “En dan die koude kleigrond..”
“Ja,” ga ik verder, “Er worden heuvels gemaakt zodat de yurts niet in de modder wegzakken, in de natte wintertijd. De yurts, dat zijn de tenten, daar wonen de vier vrouwen in. Ik woon als enige in een woonwagen.”

In gedachten loop ik de man achterna, terwijl hij met de kruiwagen vol potten naar mijn fietskar loopt. Ik zou het liefst alles vol bloeiende bomen en struiken willen planten. Ik wil helemaal opgaan in de natuur met mijn kleine huisje. Ik wil weides zien vol bloemen, de kerspruim zien bloeien vol bijen, vroeg in de lente als de wind nog koud is, Sering en Tamme Kastanje op het glooiende land zien groeien en Lindebloesem ruiken op een zwoele avond in juli. O, zal dat ooit kunnen in Friesland? In elk geval kan ik een begin maken. Wie na mij komt zal ervan kunnen genieten. Daarvoor doe ik het.

We praten over waar je welke bomen plant en hoe. We praten over humus en goeie en kwaaie schimmels. Hij vertelt me hoe ik die het beste kweken kan zonder dat de kwade de goeie opeten. We praten over gif en voedsel en de onwetendheid van mensen daarover. Hij houdt vol en blijft er over praten, zegt hij en op zijn gezicht ligt een rustige vastbesloten trek.
Ik kijk hem blij aan. “Je doet goed werk. Die theetuin en de kwekerij, zo mooi dat je de mensen hier wijzer maakt! Ik ga met een gerust hart weg, als ik weet dat er mensen zijn zoals jij.” Ondertussen loop ik naar mijn fiets en stap op.
Hij lacht. “Ik wens je een goede reis naar Friesland!”
Ik steek mijn hand op, bedank hem en rijd het pad af. Drie hoge stapels potten slingeren vervaarlijk heen en weer in mijn karretje. Die heb ik vast. Nu nog de piepkleine boompjes, die heel hard groeien zullen in deze mooie potten. Daar duim ik voor.

.

.