Een levend thuis met echte buren

.

Een deel van deze afbeelding komt terug in een ander verhaal: “De bestendigheidsgelofte.”

Een deel van mijn leven in vogelvlucht. Hoe ik woonde en wat ik mijn thuis noemde. Hoe ik de wet der wederkerigheid ontdekte, die ik niet alleen toepas op menselijke relaties, maar ook in relatie met de planten en dieren heel dichtbij, direct om mijn huis. Ze horen er allemaal bij.

Liever luisteren? Klik op de knop onder het tweede plaatje.

Er was een dag dat ik in een stenen huis woonde. Nooit had ik zorgen om de wind, de regen en er was niets wat weg kon waaien. Er was niets om vast te sjorren en een schoorsteenkapje hoefde ik niet te hebben want ik had CV. Het water en de stroom werd verzorgd door anderen en het huis werd onderhouden door de woningbouwvereniging. Dat is lang geleden. Wel vijfentwintig jaar. Hierna kwam ik in een eeuwenoude werfkelder terecht. Een heel romantisch plekje, maar je bent wel altijd bezig om je huis bewoonbaar te maken, en ook te houden. Een werfkelder vraagt ook veel energie. De stenen muren zijn tegelijkertijd het fundament van de huizen erboven. Daarom zijn ze een meter dik en warmen erg traag op. Ik moest de hele zomer blijven stoken op een laag pitje. Anders werd alles klam en vochtig en kleding begon te schimmelen in de kast. Ik heb geleerd mijn huis zo leeg mogelijk te laten zodat de lucht goed kan circuleren. Ik heb geleerd dat ventilatie erg belangrijk is en dat de wanden poreus moeten zijn en moeten kunnen ademen.

Uiteindelijk heb ik veel van de verworven wijsheden in de bouw van mijn kleine huis gestopt, met als gevolg dat ik vele malen minder hoef te stoken en altijd een heerlijk licht plekje heb. Het beddengoed voelt niet vochtig aan, de kleding schimmelt niet in de kast en ruikt gewoon fris. Een huisje klein maar fijn.

De basis is goed. Maar wat er van buiten op me af komt, dat heb ik niet voor het zeggen. Het kan stormen of de wielen zakken weg in de modder. Zo is het nu. Maar zo was het niet altijd. Ooit stond mijn wagen op een mooie ondergrond van beton. Om me heen had ik een glazen windscherm laten bouwen, op Frijlân. Dat was mijn eerste woonplek in Friesland. Ik had dat mooie scherm niet alleen voor mezelf. Dan had ik het nooit gedaan. Ik wist dat ik weer weg zou gaan. Het windscherm zou een cadeau worden aan de gemeenschap. Ik had veel aan de gemeenschap te danken, al was het dan in een andere plaats, op een ander moment. Dat was aan de Oudegracht, in die werfkelder. Het voelde als een ver verleden, de vuren op de werf aan het water, de muziek en de mensen van toen. Ik zou ze nooit van mijn leven meer bij elkaar kunnen krijgen, iedereen die er bij was. Maar dat hoeft ook niet. Ik heb geleerd dat je, wat je krijgt, niet per se aan dezelfde mensen terug hoeft te geven. Het netwerk is immers met vele lijnen aan elkaar verbonden en het voedt veel meer dan wat je kan zien. Ik weet nog dat iemand me dat uitlegde. Ik had het gevoel in het krijt te staan. Die man had zoveel voor me gedaan! “Ik vind je een mooi mens” zei hij, “En je bent met goeie dingen bezig. Daarom help ik je. Als je mij iets wilt geven, geef het dan aan een ander.” Ik voelde me verlegen en verbaasd dat ik daar nog nooit eerder bij stil had gestaan.

Het glazen windscherm wordt nu goed gebruikt. Er komen mensen bij elkaar en er wordt muziek gemaakt. Ik ben erbij, als het einde van het seizoen wordt gevierd. De trommels klinken prachtig tussen de glazen wanden, met de vloer van beton. Het is een perfecte klankkast. Overal zie ik lachende gezichten, er wordt gedanst en er worden oerkreten geslaakt. Even krijg ik kippenvel. De sfeer is precies als die ik achter liet. De feesten van toen, op de werf in Utrecht, hadden dezelfde muzikale openhartigheid als wat ik nu meemaak. Hetzelfde vuur. Is dit de wet der wederkerigheid? Dat alles bij je terugkeert als je durft te geven?

Mijn huis staat nu op een andere plek. Voor mezelf wil ik geen glazen windscherm, geen betonnen vloer. Ik hoef ook niet opgeborgen te staan in een schuur, zodat me niets kan gebeuren. Ik wil leven tussen het leven wat mij omringt. Glazen wanden geven mij het gevoel van gekooid zijn, dat ik in een aquarium zit, los van de rest. Ik maak het scherm nu van riet, dat ik rechtop tegen een wand zet. Die wand is van pallets gemaakt en goed gestut. Een windschut moet leven. Het moet langzaam vergaan, en terugkeren naar de bodem. Ik geniet er van om op die manier ruimte bieden aan andere levende wezens. Al is het maar een groep duizendpoten, die er beschutting vinden. Het is heerlijk om daar telkens weer aan te bouwen, en te zien wat er gebeurt. Ik maak er holletjes in voor de vogels. Ik zie hoe er na een uur al een hele zwerm kleine mugjes in woont. Als het winterkoninkje dat ontdekt, dan heeft hij weer eten. Maar ik heb hem nog niet gezien. Wanneer zou hij het ontdekken, mijn geliefde vogeltje? Al kijkende werk ik aan mijn plek. Vanuit mijn raam moet ik het zien. Juist wat dichtbij is, krijgt de meeste voeding. Doordat ik mezelf verzorg, verzorg ik de Aarde. Zoals ooit mijn geliefde zei: “We zijn niet alleen op de wereld.”

Het doet mij meer dan ooit beseffen: Het moet nu gebeuren. Hier, waar je bent. Op je eigen plek, en het liefst vlak voor je voeten. Het Web van Leven is overal.

.

.

Versterkt windschut met geoogst riet. Er zitten holletjes in voor insecten en voor de vogels. Doordat het jaar extreem vochtig was, was de rietoogst vele malen groter dan vorig jaar. Ik gebruik het ook voor paadjes, zodat het niet modderig wordt. Ik bouw met wat er is, ik leef samen met het leven dat zich vestigt. Ook muggen.

.

Tijdens het opschonen van mijn mailbox kwam ik toevallig deze architect weer tegen. Anna Heringer. Niet voor niets had ik haar opzij gezet, ze is belangrijk voor me. Waar zij voor staat als architect, datzelfde draag ik uit in mijn verhalen. Ook zegt het iets over het feit waarom mijn buren zo belangrijk voor me zijn . En over hoe ik nu mijn windschut bouw en versterk . Door haar levenswerk een plek te geven in mijn blog, hoop ik mijn keuzes nog beter toe te kunnen lichten.

Voor Anna Heringer is ‘Het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven. Denk daar maar eens over na. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby. (Artikel 360 Magazine 1-10-2020 “Natuur en bouwsector moeten bondgenoten worden.”).

In dit filmpje kun je zien hoe ze samen met een heel dorp in Bangladesh een lemen school bouwde. De materialen komen uit de streek zelf. Het is zeker inspirerend, want modder hebben wij hier ook op deze oude zeebodem (Middelsee, N. Fryslân). Zelf heb ik diverse ervaringen met klei en het bouwen ermee. In deze beelden komt de titel van dit verhaal weer terug. Een levend thuis met echte buren.

Paden op Schier en die van hier

.

Hier heb ik zojuist staan praten met Maike. Op de plek waar het gras plat is getrapt, knip ik het af in een cirkel, en zo leg ik de fysieke herinnering van onze ontmoeting vast in het veld. Voor zolang het duurt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan het verhaal.

.

Schiermonnikoog.

Het is acht uur in de ochtend. De zon is nog maar net boven de horizon uit, en verbergt zich achter sluierwolken. Ik heb mijn fiets achtergelaten bij de stallingsplaats, en tussen de laatste lage duinen door loop ik naar het uitgestrekte kweldergebied van Schiermonnikoog. Het is vier jaar geleden dat ik hier voor het laatst was. Hoe zou het er nu uitzien? Ik las in de krant van een kunstenares Ze is bedroefd. Ze schildert hier al 40 jaar en ziet hoe alles steeds groener wordt en minder divers. Ik ben nu hier om te kijken. Is het echt zo? Op vijftig meter afstand van mij grazen koeien. Het gras is perfect gemillimeterd, ik word het oude natuurlandschap ingeleid als op een groene loper. In de vroege ochtend is dat een heilig moment. Zeker nu, in de herfst, als de zeekraal rood begint te kleuren en in bescheiden tinten afsteekt tegen de grijsgroene zeealsem. Ik loop door het hek, steek een houten brug over zonder leuning. Er staat weinig water onder, dat komt straks pas, als de herfst inzet. De zeealsem zie ik overal. Ik pluk een stukje van de zeldzame plant, die hier zo overvloedig groeit. Ik houd het voor mijn neus en snuif de geur op. Het is verkwikkend en ik word er heel gelukkig van. Het heeft iets van lavendel, maar dan frisser en sterker. Traditiegetrouw stop ik de blaadjes in mijn broekzak. Het zal nog wekenlang duren voor het zijn geur verliest.

.

Het kwelderlandschap in een ander jaargetijde. Het tijdstip van de dag komt overeen met mijn verhaal, en ook de sluierwolken en de pastelkleuren in de lucht. Foto: Klaas Huizenga.

.

Langzaam loop ik verder over het smalle pad. Het is een pad zoals ik het graag heb, het bestaat omdat er mensen lopen. En koeien, ook soms. Zonder onze wandelingen was het er niet. Zo hoort het te zijn. En dat je soms aarzelt, is dit wel een pad of niet? Zo loop ik verder. Ik kijk uit naar de paarsbloeiende lamsoor. Even later zie ik een heel veld ervan, maar niet meer tot aan de horizon. Er groeit veel kweekgras, en ik zie zilverschoon langs het pad staan. Het gras overwoekert de kwelderplanten eronder, ik zie het grijzige blad schemeren onder een dichte laag gevallen halmen. Is dit wat de schilderes bedoelt? De toekomst zal het uitwijzen. Ik keer om, en ga terug naar de kampeerboerderij. Daar is Dick, die de krant leest. We hebben nog één dag samen. Dan keer ik terug naar mijn kleine huis aan de Swette, en hij zal de laatste weken op de Vlierhof doorbrengen. Alleen zijn is goed. Maar de winter is lang, als je geen maatje hebt. Het is gezellig samen. Als de kachel weer brandt, dan zullen we samen koken en koffie drinken, praten en lachen, net zoals drie maanden geleden. Straks, als de donkere tijd van het jaar aanbreekt, dan is het weer zover. Donker, herfst, wanneer komtie? Is het vandaag of morgen? Het kan zomaar afgelopen zijn, met de nazomer.

.

Grascomposthoop, met vrije winterwoning voor een egel.

.

Terug aan de Swette.

De paden rond mijn huis zijn nog net te zien. Maar het gras is hard gegroeid in twee weken tijd. Als je er niet over loopt, dan verdwijnen ze zomaar, de paden. Het fijne is, dat ik helemaal niet hoef te wennen, om weer thuis te zijn. Ik pak gewoon de heggeschaar. Op mijn hurken waggel ik als een eend het pad af. Het geluid van de schaar klinkt regelmatig en snel. Het fysieke meditatieve werk doet me goed. Als een kleine grazer ga ik voort, alleen eet ik het niet, ik laat het vallen en verzamel het in hoopjes. Die breng ik naar de composthoop. Armen vol zijn het. Tot ik het einde bereik en het pad klaar is. Vlak voor mij ligt de grindweg. Vanuit hier kan ik naar de Swette lopen, en naar mijn buren. Aan de overkant van het water vind ik Irma, Isabel en Niels. Aan de andere kant van het weiland zijn Arnold, Fransje en Nynke. En als ik verder loop vind ik Sjoerd en Lysbet in Jorwerd en Margaretha en Pieter in Hûns. Dit is mijn gemeenschap. Hier zal ik me wortelen en verbinden. Ik kijk naar het pad, dat ik opnieuw geschapen heb. Een mooi strak paadje, door het lange gras. In een bocht loopt het naar mijn groen met blauwe wooncocon. Boven mijn hoofd vliegt een wulp voorbij, alleen en fluitend, alsof hij iets zoekt. Zachtjes begint het te motregenen. Ik voel mijn kuiten van het waggelen op mijn hurken. Mijn armen hebben geen centje pijn van het vele knippen. Ze zijn goed getraind.

Het zijn maar een paar druppels. De regen waait over en terwijl ik de eerste flarden blauw aan de hemel zie, komt er iemand het pad af. Het is Jeroen, de greppelkenner. Zijn rode baard is gegroeid, onder het blonde haar. “Ha, ben je er weer!” roept hij. “Ja!” zeg ik. “Wat heb ik je lang niet gezien joh! Goed om hier weer te zijn.” En zowaar, ik meen het. De paden zijn weer gemaakt, klaar om te ontmoeten en weer thuis te komen. Elke keer, heen en weer. Tot er steeds meer groeien gaat.

.

De wilgen, de aardpeer en het Chinese reuzenriet doen het goed, langs het Verhalenpad. Ik heb wel sporen van reeën gezien, die aan de schors knabbelen. Niet te netjes maken, gras en kleefkruid hoog op laten groeien, dat werkt.

.

Droom op de keukenvloer

.

.

Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.”

Liever luisteren? Druk op de knop onderaan de tekst.

Vanmiddag kwamen we aan met de veerboot op Schiermonnikoog. Mijn vriend Dick en ik. Alles leek onveranderd, en toch was het al twee jaar geleden, sinds de laatste keer dat ik hier was. Nu logeren we op de kampeerboerderij. Wat ben ik moe! Ik lig op een matras tussen het aanrecht en de lage zitkamertafel. Ik voel me zwaar en ontspannen, al kan ik niet direct slapen. Ik ben gevlucht. De kleine slaapkamer benauwde me. In deze kamer is ruimte. Ik lig op mijn rug met ogen dicht. Beelden komen en gaan. Wat heb ik hard gewerkt de afgelopen week op de Vlierhof. Zoals overal lag het oord een lange tijd stil, en waren er geen handen om het werk te doen. Nu is er veel achterstallig onderhoud. Ik heb tegelvloeren geschrobd, een vijver schoongemaakt, paadjes gemaakt en ontdekt. De akkerwinde had alles bedekt en er kwamen vele verrassingen onder tevoorschijn. Saliestruiken en bloeiende paarse herfstasters. Het was een hele kunst, de lange slierten weg te halen zonder takken af te breken. Ik heb distels en uitgebloeide klissen losgemaakt en weggeknipt zonder zaad rond te strooien. En overal waren mensen bezig. Het was heerlijk. Na maandenlang alleen te hebben doorgebracht tussen de weilanden, leefde ik samen in een groep. “Wanneer kom je weer?” vroegen ze. Gauw, dacht ik. Maar nu ik vijf uur reizen verwijderd ben weet ik het niet meer.

Ik tuur door mijn wimpers. Het is niet helemaal donker hier. Het licht van de gang schijnt door het halfronde stalraam. Twee groene lampjes voor de nooduitgang schijnen helder boven de deuren. Ik grijp de theedoek, die aan een haak naast me hangt en leg hem over mijn ogen heen. Nu is het echt donker.

De levendige week heeft een oude vraag opnieuw leven in geblazen. Te gaan of te blijven? Terug naar mijn weilandje, naar de stilte, waar ik alle wegen naar de wereld zelf moet ondernemen, of veel vaker naar het werk met de groep, wat ik zo miste? De duisternis en de stilte ligt als een zachte deken over mijn zware ledematen. Zonder de vraag te hebben beantwoord val ik in slaap.

Ik droom van twee mensen. De eerste is een oude leraar, van de AVEK, uit Leeuwarden. Rob Heiligers. Van hem leerde ik Butoh, een heel trage bewegingskunst die het schemergebied van het leven onderzoekt en verbeeldt. In mijn droom is het bijna donker, maar alles is vol vitaliteit, en hoewel Rob niet meer leeft staat hij blakend van gezondheid voor me en hij lacht me bemoedigend toe. Ik loop door een schemerige gang, er is een expositie. Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.” Iemand geeft me een vrolijke elleboogstoot. “Dat kan jij ook goed hè?” Een ander noemt de naam van een bevriende kunstenaar. In werkelijkheid leeft hij niet meer, maar in mijn droom deelt hij de expositie. In zijn leven heeft hij zelden het huis verlaten. Hij weidde zijn leven volledig aan zijn kunst. Hij stond waar hij stond.

Ik word wakker op dezelfde keukenvloer, Ontspannen en uitgerust. Mijn droom heeft me opnieuw de weg gewezen. Ik ga terug naar mijn weide.

Je hoeft niet veel te reizen om veel te weten. Hoeveel mensen hebben de wegen van de geest gevolgd? Talloze mensen zijn me voorgegaan, in verstilde eenvoud. Ze hebben gelezen, kunst gemaakt, boeken geschreven, het heelal bekeken, gewoon op de plek waar ze waren. Het waren benedictijnen, schrijvers, kunstenaars, maar ook gewone boeren, tuinvrouwen en fietsenmakers. De wereld is zo groot of zo klein als je hem zelf maakt.

Langzaam word ik wakker en herinner mij de opdrachten. Langzaam bewegen en zo lang mogelijk blijven staan. Twee meter verderop kraakt een deur. Dick komt binnen en stapt over mijn bed heen om water te pakken uit de kraan. “Goeiemorgen!”

.

Uitvliegen

.

.

Dit verhaal gaat verder waar ik vorige week stopte. Hoewel er een week tussen zit in mijn blogs, is dat in werkelijkheid niet zo. Het één volgt op het ander, dit alles gebeurde op één dag.

Liever luisteren? Klik op de link onderaan de tekst.

Daar sta ik dan, als gewortelde nomade. Ik heb er even genoeg van. Ik sluit de deur om eens een flinke wandeling te gaan maken. Wat heb ik nog op de camping te zoeken? Het is wel klaar hier. De bomen en de velden munt hebben de top van hun groei bereikt. De weiden zijn gemaaid en wachten op de laatste oogst van hooi. Vaste gasten en bewoners zijn óf druk, óf niet fit, of met eigen sores bezig. Enkele oudere mannen kijken mij lonkend na. Hun leven is op een dood pad gekomen en daarom zijn ze een tijdje hier. Ze kijken naar me. Leuk, zo’n vrouwtje dat van alles doet. Maar ze kijken zonder vragen te stellen. Niet aan mij, laat staan over mijn gewortelde ideaal: te Zijn en en te Blijven.

Ik zal even uitleggen hoe ik het zie. Ik denk dat zijn waar je bent precies is waar de aarde behoefte aan heeft. Je gebruikt geen brandstof, eet lokaal en poept voor de composthoop die de aarde vruchtbaar maakt. Je praat met de buren en bent er voor ze wanneer ze je nodig hebben. Op die manier verbindingen maken. Dat is mijn streven. Ik zorg ook voor de vogels, de wormen, de salamanders en de krekels. Zo te zijn, dat noem ik “Mijn gewortelde ideaal.” Maar wat als de aarde hard is en de buren vooral druk zijn met eigen dingen? Ik heb gebikkeld, met spades, grondboor en de sikkel. Bomen geplant, gemaaid. Ik ben er als de boer me nodig heeft, voor het hooien, voor een politieke actie. Of voor iemand anders. Eerst was het leuk. Maar energie moet worden gevoed en aangevuld. Soms krijgen de wortels te weinig voeding. Dan is er iets nodig. Wat? Heerlijk is het om dan te spelen en te lachen om niks. Of te verdwijnen in meerstemmig zang en je stem te mengen met andere! Je lievelingsnummer draaien voor een echte luisteraar die je ontroert aankijkt. Kijken hoe mooi de bomen groeien, die je ooit samen plantte. Die dingen. En dan bedenk ik me, kan een ideaal wel altijd geworteld zijn en standvastig? Ik denk dat er ook licht en lucht bij moet. Het liefst lekker veel. En vleugeltjes en gezoem, waarvan je gaat trillen en gloeien. Soms moet je weggaan. Het verstikte ideaal achter je laten. De hoek om en lekker rondkijken. Misschien staat je liefste droom daar vroeg of laat wel weer opnieuw. Zomaar. Helemaal fris en gevoed.

Dat beeld is de aanzet. Het gezoem, de vleugeltjes, het weggaan.

Ik hoef er niet eens over na te denken. Ik trek mijn jas aan en veter mijn wandelschoenen vast. Met stevige pas loop ik over het lange grindpad. Ik voel me gelijk anders. De vrijheid waait me tegemoet. De twee kilometer naar de weg heb ik in een oogwenk afgelegd. Het lijkt wel of de tijd met me mee stroomt, alsof alles sneller gaat. Bij de asfaltweg tussen Weidum en Jellum ga ik links de bocht om. Daarna zie ik rechts van me de landweg die door Bears leidt. Een mooi oud dorp. Daar is de kerk en de kinderboerderij. Ik sta stil, kijk even en loop door. Voor mij daagt het bord op, van een heel klein gehucht. “It Wiel”. Ik ben er vaak doorheen gereden, zonder te zien wat het nou eigenlijk is. Het is tijd dat ik het eens ga onderzoeken. Het is zo klein, sommige mensen weten niet eens dat het bestaat. Maar de echte Friezen hier kennen het allemaal.

Het zijn maar een paar huizen. Erachter staat een oud fabrieksgebouw. Wat zou dat toch zijn? Ik heb het me wel vaker afgevraagd. Meteen verdwijnt die vraag uit mijn gedachten. Want er staat een klein kastje naast de weg. Het is een kleine straatbieb. Ik pak er een boek uit en ga op mijn hurken in het gras zitten lezen. Dan hoor ik het geluid van voetstappen. De zon schijnt op schoenen die vlak voor mij stoppen. Ik kijk omhoog. Er staat een man van middelbare leeftijd. “Is het wat?” vraagt hij. “Ja, het gaat over Afrika,” zeg ik. We praten verder. Hij weet warempel nog wie ik ben. “O, jij bent het, je kwam toen langs met je wagen. Ben je niet meer op pad?” Ik antwoord van nee. “Veel mensen hebben allang van me gehoord of gezien, op televisie, in de krant. Opnieuw weggaan is voor mij niets anders dan de herhaling van een kleurplaat die al is ingekleurd. Bovendien is het een onrustig bestaan. En er is al zoveel onrust.” De man knikt. “Dat snap ik helemaal.” We praten over bijen, want hij is imker. Het gaat heel goed met zijn bijen. Ook kleine wilde grondbijtjes doen het goed. Er waren er heel veel van dit jaar. Of ik de buurvrouw niet eens wil ontmoeten? Zij werkt mee met zaaien voor het Bijenflinterlint en zingt in het zangkoor van Weidum. Ik kijk hem verbaasd en hoopvol aan. Goh, ik wist niet dat Weidum een zangkoor had. Ik dacht dat dat was opgedoekt.

Het is een genoeglijk gesprek, maar de man heeft nog meer te doen vandaag, zegt hij. Hij wil teruglopen naar de deur. Ik heb nog een vraag en ben net op tijd. “Wat een rij brievenbussen staat er hier naast de oprit! Van wie zijn die allemaal?” Rustig geeft hij antwoord. “De bussen zijn van de mensen hierachter. In de oude fabriek is een bedrijfsverzamelgebouw. Er zit van alles. Ook zijn er nog een paar kleine huisjes waar mensen wonen. Ga gerust eens kijken!” Ik gloei van nieuwsgierigheid en kom meteen overeind. “Ik wist niet dat dat mocht.” Hij grijnst. “Er staat een bord bij met een plattegrond, daar kan je zien wat hier allemaal is.”

Mijn bloed gaat sneller stromen. In mijn borst trilt en gonst het, precies zoals ik vanochtend hoopte. Ik loop dichter en dichterbij naar het oude gebouw. Bedrijvigheid… Wat was ik daar aan toe! Voor het bord sta ik stil, en kijk. Het is een lange lijst en rustig lees ik de namen. Wie zullen dat allemaal zijn?

.

.

.

.

.

.

Eigenlijk wilde ik gaan zwemmen.

.

.

.

.

.

Als het spandoek valt

.

.

Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.

Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.

De mens graaft en weegt en wikt

De aarde slikt en slikt en slikt

We kunnen niet meer zonder

maar straks komt het gedonder

.

Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.

“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.

De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.

Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.

Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”

We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

.

Het rijdende verhalenhuis

kwam in Bears tot stilstand

hier weef ik mijn verhaal aan één

met het bloeiend groots verband

van water, weiden, wilgen,

en mensen van het vlakke land

.

(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)

.

.

.

Gestolde snelheid

.

.

In het spinrag van gestolde tijd wemelt het van leven.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

En hier sta ik dan. Al negen maanden. In de gevlochten wilgenhaag rond mijn veldje zit spinmot en er vliegen steeds meer karekieten heen en weer. Een heel nest jongen heeft de weg gevonden naar de dichte takkenhaag achter mijn wooncocon. Mijn onvermoeibare vlechtwerk heeft veel gedaan en de lente was vochtig en groeizaam. Op de horizontaal omgebogen takken zijn overal verticale scheuten gekomen. Gaten worden gevuld met talloze buigzame groene loten, die ik opnieuw samen vlecht. Vliegjes en motjes zoeken die plekken op, het is lekker uit de wind. Ze vormen een voedselbron. Vogels vliegen af en aan. Ik kijk er steeds naar. Ja, ik ben tevreden over mijn werk. En toch leken de afgelopen dagen eindeloos saai. Buren en gasten rijden en lopen langs, twintig meter verderop. Ik hoor af en toe het knarsen van het grind en allen gaan hun gang. Ik kijk ze stilletjes na. Als je niks terughoort over het werk wat je doet, dan vraag je je toch wel eens af voor wie je het doet. Ondanks de karekieten. Snelle keuzes worden snel beloond. Soms, niet altijd. En àls het rolt dan rolt het als een trein, die van het één naar het ander rolt. Voor gewortelde keuzes is vaak meer geduld nodig, voor het langzaam maar zeker groter groeit en gezien wordt. En dan opeens blijken bezoekers vlak om de deur te staan, de één na de ander.

.

.

“Woon je hier nog maar negen maanden? Het lijkt alsof je huisje hier al veel langer staat. Het is een gezellig hoekje, dat je gemaakt hebt.” De jongen die naast me staat kijkt bewonderend naar mijn zelfgebouwde huisje en het driehoekje gras wat er achter ligt, keurig groen en gemaaid. Aan twee kanten wordt het minituintje omzoomd door de gevlochten wilgenwanden. Er zijn gele en paarse bloemen en er is een plantenkasje. Ook ligt er een hele dikke boomstam, om op te zitten. Er is in gehakt, kennelijk wilde iemand er ooit een beeld van maken. Ja, dit is nu mijn plek. Mijn Rijdende Verhalenhuis kwam hier in november aan. Het gras was nat, de bodem begon al wat zompig te worden. Ik moest hard door blijven rijden met die kleine wieltjes van de elektrische trekhond. En het begon ook nog te regenen. Als niet snel zou zijn en tempo zou minderen dan zou het gladde rubber gaan slippen. Ik had mijn oog op de bosjes gericht. Daar moest ik stoppen. Het liefst vlák ervoor. Het was de enige plek waar ik nog enigszins beschutting kon verwachten. Dat zou ik nog hard nodig hebben. Ik wist hoe heftig hij kan zijn, die zuidwestenwind, hier in het Noorden. In volle vaart stuurde ik haaks naar links en door die beweging was meteen de vaart eruit. Vlak voor de bosjes. De buurman keek toe. “Wil je niet wat meer ruimte bij je ingang?” Nee, zei ik. Het was goed zo. En dat is het nog steeds. In volle vaart is mijn Rijdende Verhalenhuis tot stilstand gekomen. De verhalen zijn bezonken in de klei en ontkiemen weer opnieuw, in de hete zon, in de donder en de bliksem of in weer en wind, aftastend naar ruimte en voedingsstoffen. In gestolde snelheid zijn tal van kleine groeisels ontstaan.

.

Sinds het hooien in mei, is de wilgenhaag al veel dikker en groener geworden.

.

De bezoeker kijkt tevreden en steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. “Het was geweldig om het eens in het echt te zien. Als je nog eens iemand nodig hebt, dan weet je me te vinden.” Ik knik en schud hem de hand. Ik zal het onthouden. Terwijl ik terug naar binnen ga, duikt er een groepje mussen op de zonnepitten, die ik vanmorgen op de boomstam heb gelegd. De rest van de dag is stil, maar toch anders. Die avond klim ik tevreden in mijn hangmat en de volgende dag wordt opnieuw een verrassing. Ik ga mee met een groep mensen die zich sterk maken voor herstel van het landschap, we trekken er op uit, determineren grassen en zoeken uit welke kruiden er staan. We praten erover, we zien donkere luchten over het weidse landschap trekken en de blauwe lucht erachter. We worden net niet nat en zijn tevreden dat we elkaar kunnen ontmoeten. We weten allemaal hoeveel werk het is, wat er ons te doen staat. “Als je weinig terughoort over wat je hebt gedaan dan is het goed. Dan klopt het in de omgeving,” zegt een jongen. Ik zucht opgelucht. Ik denk aan de wilgenhaag bij mijn veldje. De dag gaat voorbij en ik kijk naar de mensen terwijl ze in de verte verdwijnen op hun fietsen. Het is of het water een nieuwe bedding heeft gevonden, die daar altijd al lag. Alsof dit een stam is, waarin ik altijd al thuishoorde en die verspreid over het land met hun groene vingers de ruimte doen herleven. Ik weet dat ze er zijn.

.

.

Laat de tijd maar eens stilstaan. In het spinrag van gestolde snelheid gaat het wemelen van leven. Altijd. Dat is de wet van de natuur.

.

.

Copyrights foto’s: Alowieke van Beusekom.

.

.

Groene likes of paarse liefde

.

.

Vlinders houden van paars. Dit is een Atalanta op de kattestaart die ik in Brabant heb laten groeien. In het verhaal gaat het over een koninginnepage. Die heb ik helaas niet kunnen fotograferen.

.

Liever luisteren? Scroll naar onderen en klik op de knop onder de tekst.

Terwijl vrienden zich afvragen of hun vakantie wel door kan gaan, heb ik geen zorgen. Code geel of oranje, het doet me niks. Ik ben waar ik ben. Ik loop langs de onverharde weg, die in de volksmond “Jochumsreed” wordt genoemd. Het is het einde van een twee kilometer lange grindweg. Jochums deel loopt langs kruidige weiden met klaver en boterbloemen, en op het laatst kom je langs grote wilgenbosjes, met essen en esdoorns er tussen in. Er achter glinstert de Zwette.Tussen de bomen kun je de bodem niet meer zien, alles is bedekt met een dikke massa groen. De bergen kleefkruid en opgeschoten brandnetels lijken al het andere leven te hebben overwoekerd. Toch heb ik hier vorige week kattestaarten ontdekt, onder die halfvergane deken van planten. Ze zijn nog klein, maar eentje bloeit al. De heldere paarse kleur steekt mooi af, tegen al dat donkere groen. Elke dag kijk ik er even naar. Voorzichtig haal ik de laatste slierten kleefkruid weg en trek een grote dorre pol gras uit de grond. Ik denk aan een vijver, in het verre Brabant, waar ik ooit naast woonde. Net als hier ontdekte ik een paar kattestaarten. Ik gaf ze de ruimte en al gauw werd het een paarse zee van bloemen. Vlinders houden van paars. Op een dag landde er een koninginnepage. De prachtige witte vlinder was mijn beloning. Het was maar even, toen trok hij weer verder. Ik glimlach bij de herinnering. Dan raap ik de achteloos neergegooide sikkel weer op en loop verder naar het Verhalenpad, dat kronkelend door de wei loopt. Ik hak hier en daar lang gras door, dat door de wind over het pad is gaan hangen. Het waait hard, maar niet zo hard als gisteren. Ik bewonder de bomen, die het zo goed doen. Als gouden sterren duikt de honingklaver op in een zee van gebogen halmen.

Ik kijk en werk. Want werk is er altijd. Ik houd het speels, want van spelen krijg je nooit genoeg. Soms moet er opgeruimd worden. Gisteren was hier een groot feest, vlak naast mijn veldje. Allemaal jongens van twee dorpen verder. Ze waren uitgelaten enthousiast. Eindelijk kon het weer, feesten! Na de lange stilte van de lock down waren ze er duidelijk aan toe. Ze hadden het erg naar de zin. Ik ben al gauw vertrokken naar mijn hangmat in de hooiberg. Daar was het heerlijk rustig. De volgende ochtend kwam ik weer terug. Er lag er een hele berg afval naast Jochumsreed, met een hoop plastic flessen erbij. De jongens zijn er op aangesproken en mogen niet meer terug komen. Dat is mooi, vind ik. Maar wat te doen met die flessen? Een voorbijganger wees mij op het nieuwe merkje: De flessen hebben sinds kort statiegeld. Het idee werd al snel geboren. Als ik nou elke keer de flessen wegbreng en van de opbrengst nieuwe bomen koop? Met een fietskar vol statiegeldflessen kwam ik in het dorp aan. Bij de automaat van de supermarkt stond een jongen. “Van de opbrengst koop ik bomen,” vertelde ik. Hij keek me met grote ogen aan. “Echt waar? Dan krijg je al mijn kleingeld erbij. Ik ben heel erg voor méér natuur.” Verbaasd bedankte ik hem.

Dit biedt mogelijkheden, dacht ik. Als ik dit nou vaker ga doen, dan maak een T shirt met “Petflessen voor bomen”! Ik plaatste het idee op facebook. “Zo maak je iets dus groter dan je eigen erf!” schreef ik. Ik kreeg tientallen likes.

Mijn eigen woorden galmden na in mijn gedachten. Hoezo groter maken? Wat betekenen die petflessen eigenlijk voor mij? Niks. Het is en blijft rotspul. Mij gaat het immers om levende dingen. En dat geld? Geld heb je soms nodig. Maar het kan ook zonder. En hoeveel energie steek ik straks in die stomme plastic flessen, terwijl er in al die kleine hoekjes hier zoveel levends groeit? En die jongen van dat geld, waar is die nou?

⁠Te snel, teveel willen. Grote plannen, waar je veel likes voor krijgt of geld. Goed voor je ego! Ik denk dat op die manier al vele luchtballonnen zijn opgelaten. Subsidie aanvragen werken ook zo. Ik heb eenmaal subsidie aangevraagd voor de restauratie van het schip met mijn man, de Koophandel 2. Ik kreeg het ook nog! Wat was ik blij. Maar mijn lief stierf, ik moest het schip verkopen. Uiteindelijk is het naar de sloop gegaan, in Drachten, hoorde ik. Ik besef nu dat het niet om het geld gaat, maar vooral om de betrokkenheid. Die jongen van de flessenautomaat zie ik misschien nooit meer terug. Ik had hem beter kunnen uitnodigen. Geld is leuk. Maar als je er alleen voor staat met handenvol werk dan is de waarde van geld maar betrekkelijk. En is het niet veel leuker als mensen levend groen komen brengen? En helpen planten? En zijn de mooiste verrassingen niet heel stilletjes verscholen onder bergen brandnetels en kleefkruid? De kattestaart groeit daar gratis en voor niets. Ze wacht op mij.

.

Dit filmpje is gemaakt vanuit mijn enthousiasme voor de sikkel. Ik noem het hier een handzeis, maar een handzeis ziet er anders uit. Hij is recht. Er zijn een hele hoop mensen geweest die me dat hebben vertelt, dus ik zeg het er maar meteen bij! Als je in de winkel een zeis of sikkel koopt, kom je sowieso uit bij de afdeling “zeisen”. Voor het slijpen heb ik een stenen schijfje. Er zijn ook mensen die vinden dat je een zeis nooit met de haakse slijper moet slijpen, daar zijn hele oude technieken voor. Wellicht komt dat nog een andere keer aan bod. Mooi om te weten: De sikkel is één van de oudste gereedschappen van de mens!

.

Op de markt gebeurt het

.

.

Cultuur hoort met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou eigenlijk iets feestelijk moeten hebben. Dat vind ik op de markt.

Wil je liever luisteren? Klik dan op de knop onderaan het verhaal.

.

Ik ben laat. De dag is snel voorbijgegaan. Nu Dick er niet is, doe ik heel andere dingen. Ik heb thee gedronken bij een buurvrouw. Natuurlijk heb ik de pompoenen verzorgd en ook een stukje van de camping gewied, waarbij ik tot mijn verrassing kattestaarten ontdekte. Ze waren nog klein en zaten verborgen onder massa’s kleefkruid en hoog opgeschoten brandnetels. Die heb ik allemaal weggehaald. Heel voorzichtig. Wat zullen ze straks mooi bloeien, nu ze de ruimte hebben! Ik houd van de lange paarse bloemen en de bijen die er op afkomen. En vlinders… Steeds meer ontdek ik er. Hele kleintjes nog, allemaal smalle puntige blaadjes. Ik ga er helemaal in op. Het is al half vier geweest wanneer ik met bedenk dat ik nog naar de markt wilde. Het is al half vier! Ik pak mijn fiets en in stevig tempo ga ik er van door. Eerst over de Hegedyk, dan door de stad. Ik ga over asfaltwegen en tussen bedrijfsgebouwen door. Bij het station linksaf, dan ben ik er. De biologische markt is ’s middags rustig, ik kan gewoon met de fiets aan de hand de kramen af. Eerst naar Bakker Bolhuis. Ik weet nu dat “bôle” brood betekent in het Fries. Is het dan eigenlijk Bakker Broodhuis? Dat moet ik eens vragen. Het echtpaar begroet me allerhartelijkst en roepen onmiddellijk : “Daar is de zangeres! Melvin, ze wil graag een duet met je zingen!” Ik schrik op. Aan de andere kant van de kraam staat inderdaad Melvin met zijn gitaar. Ja, ik heb al een paar keer meegezongen, vanaf de kant. Ik houd heel veel van meerstemmig zang. Vier jaar had ik zangles, maar nooit vond ik de juiste mensen. Ik heb de droom om te zingen al jaren in de koelkast gezet. Maar de sfeer op deze markt is warm en ingevroren zaken smelten al gauw. Melvin loopt gelijk naar me toe. “Ah, daar is de tweede stem!” Ik pak twee zware oerbroden uit de hand van de bakker, maar tegelijkertijd staat de muzikant al vlak naast me te spelen. Hij zingt “You never walk alone” en verwacht dat ik inhaak. Eindelijk leg ik dan mijn boodschappen opzij en ga naast hem staan. Dat had ik natuurlijk gelijk moeten doen. Ik haal de tweede stem vol en diep uit mijn buik. Het klinkt prachtig samen.

Melvin speelt maar één liedje met me. Jammer. Sommige kramen beginnen al op te ruimen. Het was kort maar prachtig. Ik heb niet alleen gezongen, maar ook met allerlei marktlui gepraat. Ik voel me thuis. Een goeie markt is zo belangrijk. Hier kan ik groenten, granen, knollen, kolen en fruit kopen, helemaal zonder plastic. Zelfs noten en rozijnen zijn er te krijgen in een papieren zak. De mensen zijn aardig, mededeelzaam en maken grapjes. En er is muziek! Ik begin het steeds meer te beseffen. Een goeie markt is voor mij een stuk cultuur. Cultuur hoort voor mij met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou altijd iets feestelijk moeten hebben. Zoals hier, op vrijdag in het centrum van Leeuwarden. Volgende week kom ik weer, maar dan vroeger. Een mooi stuk cultuur laat ik niet stikken.

.

.

.

De bestendigheidsgelofte

.

De mesthoop, restanten laten vergaan waar je bent. Het voedsel verteert en verandert in vruchtbare aarde. De restanten van mijn bestaan keren terug en ook dat van de dieren. Alles om voeding te maken voor het land, zodat een rijk palet aan nieuwe dingen groeien kan. Voor mij een symbool van bestendigheid. Ik offer mijn koffer op en blijf.

.

Om te luisteren naar het verhaal, klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het is koffietijd. Ik doe de deur open van het huisje dat Dick huurt. Hij is er. Hij is er bijna altijd, sinds hij aankwam. De kleine ruimte ligt vol kleren en dozen. Vrolijk kijkt hij me aan. “Kijk! Ik heb twee koffers gekocht in het theaterwinkeltje in Jellum,” zegt Dick. Een hele grote koffer ligt op de grond, een patroon met piepkleine groene ruitjes. Een kleine bruine ligt geopend op het bed. “Alles moet er in passen. De koffers laat ik hier. Alleen de rugzak neem ik mee.” Hij gebaart naar de stapels die hij bezig is te sorteren. “Ik heb veel te veel kleren. En weet je hoeveel washandjes ik heb? Wel twintig! Ik gebruik er maar twee.” Ik kijk en knik. Zo gaat dat. Van alles is veel te veel. Als je gaat verhuizen, dan kom je er pas achter. Een goed moment om weer eens te ontspullen. Want Dick gaat op pad. Zijn plan is om twee woongemeenschappen bezoeken en daar enige tijd te blijven. Hij zal meer dan drie maanden weg zijn.

Ik zit het somber in de leunstoel te bekijken. Mijn vriend is niet de enige die er op uit gaat. Ik denk aan Jeroen, die gaat fietsen in de bossen van Scandinavië. En Syds, die Deense dichters gaat opzoeken. Iedereen lijkt weg te gaan, met een hoofd vol mooie plannen. Ik niet. Mijn toekomst is leeg. Het enige wat ik zeker weet, is dat ik de pompoenen water zal geven. Ik ga zelfs niet met Dick mee, ook niet voor een week. Nee, ik blijf hier, bij de winterkoninkjes en de karekieten. Ik zucht. Het lijkt zo saai, te blijven terwijl iedereen vertrekt. Ik zal het koffiemoment missen en het samen eten. Toch twijfel ik geen moment. Ik herinner me de afspraak, toen die dag.

Ik was zestien en zat alleen op die picknicktafel in het bos, mijn benen onder me gevouwen in kleermakerszit. Het kleine grijze boekje lag naast me: ”Hoe kan je de lucht bezitten.” De woorden erin zijn gebaseerd op de toespraak van het opperhoofd van Seattle. Ik heb de woorden in me opgezogen als water in een droge spons. De toespraak is van heeI lang geleden, uit de tijd dat de blanke man de wereld verkende en in bezit nam. De dominante beschaving die zogenaamde “wildernissen” cultiveerde en natuurvolkeren uitroeide. Het is nooit opgehouden. Die expansiedrift ten koste van anderen, het moet ophouden. Het kwam als een diep besef. Mijn leven zou het tegenovergestelde zijn. Ik zou niet de wereld in gaan, maar me juist in dienst stellen van de aarde. Ook wilde ik geen romantische dichteres worden. Aarden en planten, daar ging het om. Vuile vingers krijgen. Ja, nu kan ik het goed verwoorden allemaal, maar toen was het alleen een gevoel. Ik tastte als een blinde in het duister en had slechts een vaag vermoeden van mijn toekomst. Eén ding was duidelijk: het zaad was in goede aarde gevallen. Het boekje kwam in een stoffige kast terecht. Het raakte kwijt, maar niet vergeten. Het liet me niet meer los: Ik wilde net zo geaard worden als de Indianen uit dit boekje. En nu kijk ik naar Dick, die T-shirts inpakt. De koffers raken voller en voller. Ik voel me leger en leger. “Ik kom wel terug hoor!” zegt Dick. “Dat beloof ik.”

Okee, zo is het. Mensen komen en gaan, maar ik blijf. Als een steen in de rivier.

(Deze week heb ik mij officieel ingeschreven op het adres waar ik woon. En de koffer heb ik na de foto weer weggehaald. Hij lag daar niet om te verteren, maar om de tegenstelling van bestendigheid en vluchtigheid te laten zien.)

.

.

Tot het krakend neerstort

.

.

Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen, al was het maar tijdelijk. Maar dat hoeft ook niet. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt, kraakt en barst en zegt: Nou is het eens afgelopen met al dat drukke mensengedoe. (Onderaan de tekst vind je een knop om naar het verhaal te kunnen luisteren.)

.

Marja heeft het gehoord. Het regende, iedereen zat binnen. Toen klonk er luid gekraak. Marja zat op het puntje van haar stoel, vlakbij, in haar kleine huis. “O jee, als er maar niks bovenop mij valt,” dacht ze. Maar dat was niet zo. Toen ze naar buiten kwam zag ze het. De boom.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje. Ik sta op Jochumsreed met de sikkel in de hand. Ik wil gras snijden. Dagelijks houd ik het Verhalenpad bij. Het is een eindeloos creatief proces van laten groeien en laten verteren. Ik wil net het veld oversteken, als Dick komt aanfietsen. Hij grijnst en stopt vlak naast me. “Er is een boom omgevallen. Hij ligt over de weg heen, auto’s kunnen er niet meer langs”, glundert hij. Hij groet en fietst verder om boodschappen te doen. Ik loop nieuwsgierig naar de boerderij toe. Ik denk dat ik weet welke het is. Het is van verre te zien. Het pad eindigt in een donkergroene massa. Als ik dichterbij kom zie ik dat een dikke tak is afgescheurd. Hij hangt nog met zijn oksel aan de boom, die verder helemaal niks mankeert. Het gewicht moet te groot zijn geworden, door al het blad en die regen. Hij leunt op een dikke zijtak op de oever, pal naast een omgekeerde boot. Het vormt een poortje. Ik kan er net rechtop onderdoor. Een paar mensen staan aan de andere kant te kijken. Boer Jochum, de gedreven greppelkenner Jeroen, en een gast. Verbaasd nemen ze de onverwachte verandering in zich op. Bewonderend, en tegelijkertijd prakkiserend: Wat moeten we hiermee aan? Maar boer Jochum twijfelt niet. “Ik laat hem een tijdje liggen. Het komt me wel goed uit. Het erf is leeg. Ik moet hooien, en nu hoef ik niet steeds iemand aan zijn jas te trekken dat zijn auto in de weg staat.” De mannen praten nog even verder. Ik loop door naar het erf. De rust is heerlijk en de schoonheid van oude boerderij komt nog beter tot zijn recht.

De natuur heeft vandaag terrein gewonnen. Voorlopig. De houtduif, die anders schichtig op het pad scharrelt, klaar om weg te schieten, doet dat nu op zijn dooie akkertje. “Dit is nu ook van ons,” lijkt hij te zeggen. De donkere bladermassa beschermt hem. De tak is zijn vriend. Ik begrijp dat sommigen het gevaarlijk vinden, bomen en zwaartekracht. Maar ik geniet hiervan, ik houd van risico’s, die bij het leven horen. Ik houd van dingen laten zijn zoals ze zijn en eenvoud. Ik doe boodschappen op de fiets en reis maar af en toe een keer met de trein. Ik plant bomen en struiken en houd mijn voetstap bewust klein, om de natuur de ruimte te geven. Maar hier op de camping staat het vaak vol blik. Allemaal mensen die van de rust willen genieten. Nogal tegenstrijdig, vind ik. Al die auto’s die het terrein domineren, waarom moet dat? Het lijkt een vanzelfsprekend recht te zijn op het uiterste gemak. Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen. Maar dat hoeft ook niet. Hoera. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt en kraakt en zegt: Nou is het afgelopen met al dat drukke mensengedoe. Ik steek er een stokje voor. Ik hoop dat die tak daar nog lang blijft liggen.

Hoelang kunnen we de wereld naar onze hand zetten, inrichten naar ons gemak? De politiek kan eindeloos debatteren over stikstof. Over de noodzaak van verstedelijking en over natuur die het onderspit delft. Vogelweides krijgen een bouwbestemming. De bouwnorm moet gehaald worden. We moeten wel, zegt de gemeente. De economie dendert voort. Het dreunt, het ruist, het piept, en toetert tot je oren ervan fluiten. Er komt geen einde aan. Zo lijkt het. Tot de Aarde beeft en een monsterlijk grote boom het dreunend begeeft. Het is de Wilg, het toonbeeld van levenskracht. Symbool van de eindeloos taaie natuur. De Wilg die vanuit zijn wortels voortleeft. Vanuit de liggende takken ontspringt een nieuw bos. Het groeit zo snel, dat er geen houden aan is. Niemand had het voorzien. En niemand had er ooit aan gedacht. Het leven gaat waar het wil, en trekt zich nergens iets van aan. Als een zwaluw in zijn vlucht.

.

.