Terug naar waterland

.

.

Elke ochtend als ik wakker word denk ik aan water. Water in rivieren, water in vennen. Ik denk aan het water in mijn sloot. Als ik opsta ga ik meteen kijken hoe het ermee is. Het is nog maar een kleine poel. Als ik aan kom lopen hoor ik overal kleine plonsjes, van de kikkers die hier hun laatste toevluchtsoord vonden. Ik sta op het houten vlonder en zie dat het opnieuw is gezakt. Als het niet snel gaat regenen verdampt alles, ondanks de schaduw die ik heb gemaakt, door deze vlonders over de sloot heen te leggen. Gisteren heb ik het aangevuld. Ik had er 40 liter kraanwater voor nodig. Dat ga ik niet elke dag doen.
Zo is het nu overal in Europa. Ik denk aan jonge bomen die nog moeten groeien, aan schippers en laag water, aan de boeren die de helft van hun oogst mislopen. Wie had kunnen denken dat ook Nederland te kampen zou krijgen met droogte?

.

.

Ik kijk naar mijn poel, die hopelijk net op tijd wordt gered door regenval. Woensdag slaat het weer om, zeggen ze. Ik verlang naar die regen, de geur van natte grond, jonge dieren en jonge vogels die verbaasd rond spetteren in grote plassen, een vrolijke verkenning van de nieuwe natte wereld.

.

.

Ik verlang niet alleen naar een natte wereld, ik ben ook blij met de droogte. Nederland heeft geleerd om tegen het water te moeten vechten. Daarom hebben we nu een tekort. Alles is ingericht op het afvoeren ervan. Rivieren zijn gekanaliseerd, polders zijn droog gepompt. En nu hebben we spijt. Spijt dat we het water zo snel laten weglopen. Er worden plannen gesmeed om het water weer terug te krijgen, terug in de polders en in de bodem.

.

.
In het gebied rond Frijlân wordt ook gesproken over de terugkeer van het water. Wordt het grondwaterpeil straks weer omlaag gebracht in het voorjaar? Gaat het net als anders en voeren we het af via sloten en kanalen? Of houden we het water vast? Vroeger was hier overal water. Het was een nat en drassig land. Voor dit land is deze droogte vreemd..

Ik ben geboren in de NoordOostPolder. Ik zwom en kanoode in de Lemstervaart en speelde langs de sloot. Later werd ik rondvaartschipper en voer met mijn grote liefde door heel Nederland. Ik ging door rivieren en door sluizen. Ik liet me acht meter naar beneden schutten om mijn geboortedorp te bezoeken per boot. Ik keek naar de ontzagwekkende hoge natte wand boven mij, voor de sluisdeuren zich weer openden en de polder voor mij lag.

.

.

Ik hou van water en modder, mijn leven lang al. Daar heeft nooit iemand iets aan kunnen veranderen. Ik hoop al heel lang dat er veel meer aandacht komt voor waterreservoirs, die werken net zoals mijn kleine poel in de sloot, maar dan in het groot. Alles heeft het nodig, ons land wordt er mooier van! Met meer waterbuffers hebben we niet alleen zelf een reserve, maar ook planten en dieren van vroeger komen weer terug.
Laten we het water bij ons houden en koesteren. Laten onze kinderen weer met modder in de sloot spelen en geulen graven langs meren en kusten. Laat ze helpen met het zorgen voor de jonge bomen. Straks, als de jonge loten groot zijn, zullen de groene oases zorgen voor verkoeling en het zal verdamping tegengaan en zorgen voor een klimaat dat veel minder extreem is dan nu wordt voorspeld.

Laten we ons land weer mooi maken, het lage land aan de zee, met meanderende rivieren, meren en vennen. Dat is mijn droom, daarom werk ik zo hard. Daarom groef ik deze poel in de bodem van de sloot toen het water er nog ruimschoots in stond. Alleen al om te zien hoe machtig het is en hoe het werkt als het water zakt. En daarom plant ik straks vierhonderd bomen, om voor verkoeling te zorgen en aangename luwtes en om het vocht in de bodem vast te houden. Daarom vertel ik dit verhaal, in de hoop dat het elders wordt voortgezet, in ons natte landje aan de zee.

.

.

Alle tekeningen zijn van eigen hand. De tekeningen met tekst maakte ik in 1996, na één van onze reizen met de boot door Nederland.

.

 

Link naar Vroege Vogels: Grondwaterstand moet omhoog.

 

Elke verandering is een spel

.

.

Ik werk waar ik ben
in Brabant was ik Brabander
kwam ik jandorie op tv
En nu doe ik vol overtuiging
met een groepje Friezen mee

Frijlân is in Friesland ja
het is een piepklein dorp
ik woon en werk en onderga
de harde winden en denk na

In een wereld zo verstoord
wil ik eenvoudig leven
en het landschap om mij heen
iets van zijn eigenheid terug geven

Ik ben waar ik ben
en kijk
Hoe geef ik vruchtbaarheid aan ‘t land
hoe laat ik voedsel groeien
en hoe geef ik voeten aan
de mogelijkheden die ‘t verstand
keer op keer te boven gaan

Ik kijk met de spade in de hand
naar uitverkoren wriemelbeestjes
vochtig onder stenen
en vliegensvlugge zwaluwen
die in de blauwe hete hemel
zo weer zijn verdwenen

Ik werk en kijk en maak er wat moois van
Ik plant en bouw en kijk opnieuw
tot ik bijna alles
rond mijn huis wel dromen kan

Maar nooit zeg ik
Ik weet het wel want
elke verandering
is een spel

Vrij om te gaan
blijf ik nu hier
om bodem te vormen
te praten met de regenwormen
Hoe maken we een paradijs

En doen het.

 

.

.

.

.

De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.

Stormdans op het naakte koord

.

.

Daar sta ik dan. Voor het raam, met voor me een uitgestrekt tapijt van wuivend raaigras. Hoewel het zomer is, brandt de kachel. Het is dagenlang mooi weer geweest maar nu is de lucht loodgrijs. Ik draai me om en kijk door het andere raam. Een keiharde noordwestenwind waait woest door de takken van de grote populieren en wilgenbomen, die naast de boerderij staan. Er zijn windvlagen van windkracht tien, die mijn raamkristallen zo heen en weer doen zwaaien, dat ze tegen het raam aan botsen. Een huisvlieg schrikt op en zoekt een rustig plekje op het plafond, boven de kachel. Ik had mijn huisje net zo goed op de dijk aan de kust neer kunnen zetten, zo hard waait het. En ik wist het. Ik wist dat het zo zou gaan en ik wilde het. Ik wilde hier staan. Zelfs de kleuren van mijn huisje kloppen met de plek waar ik nu sta.

Ik hoor een harde bons en gerinkel van glas. Ik kijk uit het raam en zie dat mijn minikeuken is omgewaaid. Een pot met gedroogde bonen ligt in scherven op het beton.
Ach, ik ruim het straks wel op.

Die nacht slaap ik slecht. Ik heb mijn huis nog niet vast op de stapel stoeptegels gezet en word flink heen en weer geschud. Bij hele harde vlagen hoor ik een bonk onder de vloer en ik voel een lichte trilling door mijn matras heen gaan. Ik ga drie keer naar buiten om te kijken wat het is. Ik verplaats een plank en een kist met hout. Het helpt niet. Als het licht wordt eet ik een paar happen havermout. Daarna val ik moe in slaap.

De volgende dag is de wind al een stuk minder. Ik laat de wind door mijn haren waaien en lach naar een doorbrekende zonnestraal. Straks waait de wind niet meer door mijn haar.  Het wordt helemaal anders. Er komt een volglazen windscherm met acht millimeter veiligheidsglas, in een U vorm om mijn huisje heen. Alleen de westkant is nog open, daar komt iets anders. Het scherm wordt vastgezet in het beton met een soort van superlijm. Het is één meter zeventig hoog, dus mijn kruintje blijft net precies uit de wind.

Ik loop langs een perk bij de boerderij, omringd met oude rode stenen. Na één dag storm hebben veel planten dorre bruine rafelranden gekregen door de meedogenloze zweep van de wind. Zelfs een bosje oersterke brandnetels heeft er onder geleden! Ik besef opnieuw hoe belangrijk de luwte is, voor leven op aarde.
Hier op het terrein zullen veel planten profijt hebben van mijn glazen scherm. Maar we doen meer. Er zijn al heuvels, takkenwallen en een paar muurtjes. We gaan er nog veel meer maken, kleine fijne plekjes waar het goed toeven is. Daar kan alles uitbundig gaan groeien.

Ik loop over de betonplaat terug naar mijn huisje. Dit is de westkant. Aan deze kant ga ik zelf een windkering maken, gemaakt van dikke bamboepanelen en stevige palen die een meter de grond in gaan, dwars door het beton heen. Ze komen schuin te staan, zodat de wind er niet keihard tegenaan ramt, maar er langs glijdt. Er komt een rond dak op. Ik wil het zo maken, dat de wind er moeilijk vat op krijgt. Dan kan ik het een heel stuk hoger maken dan 170 cm. Eronder zal ik een podium bouwen. Wat wordt dat een heerlijk plekje! Ik zal er ontbijten en er kunnen mensen logeren. We zullen er muziek maken en praten over de wereld. Achter het glas in de zon zal ik over de winderige vlakte uit kijken. En wie weet wat er nog meer mogelijk is….

Volgende week komen de mannen het neerzetten. Wat zal dat anders zijn! Straks ben ik als een goudvis in het aquarium. Haha.

.

.

Podiumontwerp met veertien palen die de grond in gaan. Tussen de vier bamboepanelen (1800 x 900 x 75 mm) aan de achterkant, tussen de twee palen, zit plexiglas (250 mm) dat bij Oostenwind er uit te schuiven is, zodat de wind het bouwwerk niet omhoog blaast. Als eerst de achterkant maar staat, dan kan ik al lekker werken in de luwte.

 

 

Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.