Het begint bij de vraag: Waar gaat mijn leven over? En alles wat daaruit voortkomt.

.
Als ze je zouden vragen: “Waar gaat jouw leven over”, wat zou je dan zeggen? Als je dit leest, dan leg je het nu even opzij om er over na te denken. Dat zou ik tenminste doen. Daarna zou ik weer verder lezen. Wat zouden de antwoorden zijn? Sommigen zijn hun hele leven aan het vluchten. Of zijn hun leven lang bang. Voor de gelukkigen is het de liefde of muziek. Of het gaat om zorg voor de ander of voor je koeien. Er zijn nog steeds mensen voor wie het gaat om geld verdienen of die alleen maar macht willen verwerven. De antwoorden zijn oneindig. Mijn antwoord op de vraag is: “Eenvoudig leven.”
Eenvoudig leven gaat niet alleen over spullen. Het gaat ook om wat er in je hoofd zit, en wat er aan herinneringen in je lijf zit opgeslagen. Soms voel je je oud en moe, dan kun je niets anders dan je als een rood esdoornblad laten weggeblazen door de wind. Je laat je vallen op de vochtige aarde. Dauwdruppels weerspiegelen in het licht. Er gaat tijd overheen. De aarde verteert wat overbodig is en na een lange winter komt de lente. Wat vergaan is transformeert tot nieuw leven. Op toverachtige wijze stroomt het in je bloed. Voor mij is dat de kern van eenvoudig leven. Afstand kunnen doen van wat overbodig is. Je laten transformeren. Mijn huis heb ik aangepast aan mijn levensfilosofie. Het is licht en eenvoudig en van niemand anders dan van mij. Als ik hier ben is er rust en ontspanning. Het is een buik waar ik in kan kruipen en waar ik verjongd weer uit kom. Voor mij is leef-tijd dus ook een rekbaar begrip. En soms merk ik dat anderen daar een vastomlijnd idee over hebben. Zo had ik onlangs dit gesprek.
We zitten buiten in een warme herfstzon. Het terras is halfvol, voor ons liggen de uitgestrekte groene weiden. “Gisteren was ik in Workum. De terrassen zaten daar vol oude mensen” zei ik. Ze kijkt me kritisch aan. “Wat nou! Je bent zelf ook oud. Net als ik, zestig.” Ze gaat met haar vinger langs het knoopsgat van haar jas. Het is uitgescheurd. Het is een mooie jas van fijne donkerrode wol. Zonde.
“O ja? Zo voelt het niet.”
“Nee, dat is waar, jij doet nog heel jong.”
Ik voel me niet echt aangesproken. Het klinkt alsof het een kunstje is, eigenlijk ben je oud en je weet het te verbergen door te doen alsof je jong bent.
“Ik denk dat we alleen zelf weten hoe oud of jong we zijn. Het is eerder je levensverwachting dan je letterlijke leeftijd. Toen mijn man vijfendertig was zei hij dat hij oud was. Daarna ging hij dood. ”
Dat komt binnen. Het is even stil.
“Je kunt het ook zien aan de ogen. Er zit een sprankeling in of niet.” zegt ze dan zachtjes.
“Ik had geen sprankeling toen ik veertig was. Na de dood van mijn grote liefde voelde ik me oud en moe. Er lag een enorme berg om op te ruimen die mij soms verpletterde. Soms werd ik wel zestig geschat. Ik zou je nog veel meer kunnen vertellen maar dat doe ik niet. Al met al zijn er in mijn leven veel zware jaren geweest. Nu wil ik jong zijn!” Mijn stem klinkt helder en vastbesloten en ze kan niet anders dan begrijpend knikken.
“Mijn vader wordt acht en negentig,” zeg ik, na een kleine pauze.
“Bijna honderd!”roept ze uit. “Dat is pas echt oud.”
“Ja.”
“Stel je voor dat je ook honderd wordt. En dat je al die tijd blijft zeggen dat je oud bent. Vanaf je zestigste, veertig jaar lang. Je zou er moe van worden, toch?” Ze geeft me gelijk. Maar ik moet ook mijn hand in eigen boezem steken. Natuurlijk had ik die mensen op het terras in Workum ook niet over een kam moeten scheren. Waren die allemaal oud? Wie weet wat voor gepassioneerde gesprekken er werden gevoerd. Waar gaat je leven over? Misschien waren er oude vrienden die filosofische bespiegelingen hadden over tijd, na elkaar lang niet te hebben gezien. Tijd, en de sporen die het nalaat. Mijn man was gek op zulke sporen. Hij wist dat hij niet oud zou worden en sporen maken was voor hem een doel op zich.
Ik kijk naar mijn werkhanden. Mijn man zou er trots op zijn. Ooit was er iemand die dacht dat ik zeventig was. Die keek niet naar gezichten of naar ogen. Ze had iets met handen. Daar keek ze naar. In handen zie je geschiedenis. De mijne hebben een hoop werk verzet en dat zie je er aan af. Ik heb jongeren gezien die er gefascineerd naar keken: “Zulke handen wil ik ook krijgen,” zeiden ze. Hun vingers waren dun en glad, nog nauwelijks bekend met zwaarder werk. “Werkhanden krijgen” kan een levensdoel op zich zijn. Na elke rustpauze, na elke winterse stilte staan ze weer klaar. Groene vingers, gouden handjes om in te zetten waar het nodig is.
Toch zijn die werkhanden niet het belangrijkste voor mij. In de eerste plaats gaat het me om de eenvoud van het geheel. Het scheppen daarvan. Werkhanden helpen me. Met mijn handen maak ik een omgeving waarin ik me thuisvoel: een klein en fijn huis met allerlei soorten bomen en bloemen eromheen. Of nee! Het is andersom, het landschap is het belangrijkste, mijn huis is daar alleen maar een onderdeel van. Dat is eenvoud! Het nest is niet groter dan nodig. Er zijn dieren, vogels en insecten. Er zijn mensen op het veld die in deze omgeving tot rust komen. Het is een haven om je te laven en weer verder te gaan. Eenvoud maakt dat je er verfrist weer op uit kan gaan en terug kan komen met een gevoel van tevredenheid. Ik denk dat dit in onze wereld een groot tekort is. Dat we dit verliezen. Het wordt steeds gecompliceerder. En alles neemt steeds meer energie . En dit is wat teveel wordt, wat vol en zwaar, oud en versleten maakt. Maar deze wereld is een 24 uurs economie. Voor je het weet word je erdoor meegesleurd of eronder bedolven. Dan begint het met de vraag: Waar gaat mijn leven over? Daarmee begint eenvoudig leven, bij het antwoord geven op die vraag en alles wat daaruit voortkomt..
.
Eenvoudig leven is een vorm van activisme.
.
.