Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Een levend thuis met echte buren

.

Een deel van deze afbeelding komt terug in een ander verhaal: “De bestendigheidsgelofte.”

Een deel van mijn leven in vogelvlucht. Hoe ik woonde en wat ik mijn thuis noemde. Hoe ik de wet der wederkerigheid ontdekte, die ik niet alleen toepas op menselijke relaties, maar ook in relatie met de planten en dieren heel dichtbij, direct om mijn huis. Ze horen er allemaal bij.

Liever luisteren? Klik op de knop onder het tweede plaatje.

Er was een dag dat ik in een stenen huis woonde. Nooit had ik zorgen om de wind, de regen en er was niets wat weg kon waaien. Er was niets om vast te sjorren en een schoorsteenkapje hoefde ik niet te hebben want ik had CV. Het water en de stroom werd verzorgd door anderen en het huis werd onderhouden door de woningbouwvereniging. Dat is lang geleden. Wel vijfentwintig jaar. Hierna kwam ik in een eeuwenoude werfkelder terecht. Een heel romantisch plekje, maar je bent wel altijd bezig om je huis bewoonbaar te maken, en ook te houden. Een werfkelder vraagt ook veel energie. De stenen muren zijn tegelijkertijd het fundament van de huizen erboven. Daarom zijn ze een meter dik en warmen erg traag op. Ik moest de hele zomer blijven stoken op een laag pitje. Anders werd alles klam en vochtig en kleding begon te schimmelen in de kast. Ik heb geleerd mijn huis zo leeg mogelijk te laten zodat de lucht goed kan circuleren. Ik heb geleerd dat ventilatie erg belangrijk is en dat de wanden poreus moeten zijn en moeten kunnen ademen.

Uiteindelijk heb ik veel van de verworven wijsheden in de bouw van mijn kleine huis gestopt, met als gevolg dat ik vele malen minder hoef te stoken en altijd een heerlijk licht plekje heb. Het beddengoed voelt niet vochtig aan, de kleding schimmelt niet in de kast en ruikt gewoon fris. Een huisje klein maar fijn.

De basis is goed. Maar wat er van buiten op me af komt, dat heb ik niet voor het zeggen. Het kan stormen of de wielen zakken weg in de modder. Zo is het nu. Maar zo was het niet altijd. Ooit stond mijn wagen op een mooie ondergrond van beton. Om me heen had ik een glazen windscherm laten bouwen, op Frijlân. Dat was mijn eerste woonplek in Friesland. Ik had dat mooie scherm niet alleen voor mezelf. Dan had ik het nooit gedaan. Ik wist dat ik weer weg zou gaan. Het windscherm zou een cadeau worden aan de gemeenschap. Ik had veel aan de gemeenschap te danken, al was het dan in een andere plaats, op een ander moment. Dat was aan de Oudegracht, in die werfkelder. Het voelde als een ver verleden, de vuren op de werf aan het water, de muziek en de mensen van toen. Ik zou ze nooit van mijn leven meer bij elkaar kunnen krijgen, iedereen die er bij was. Maar dat hoeft ook niet. Ik heb geleerd dat je, wat je krijgt, niet per se aan dezelfde mensen terug hoeft te geven. Het netwerk is immers met vele lijnen aan elkaar verbonden en het voedt veel meer dan wat je kan zien. Ik weet nog dat iemand me dat uitlegde. Ik had het gevoel in het krijt te staan. Die man had zoveel voor me gedaan! “Ik vind je een mooi mens” zei hij, “En je bent met goeie dingen bezig. Daarom help ik je. Als je mij iets wilt geven, geef het dan aan een ander.” Ik voelde me verlegen en verbaasd dat ik daar nog nooit eerder bij stil had gestaan.

Het glazen windscherm wordt nu goed gebruikt. Er komen mensen bij elkaar en er wordt muziek gemaakt. Ik ben erbij, als het einde van het seizoen wordt gevierd. De trommels klinken prachtig tussen de glazen wanden, met de vloer van beton. Het is een perfecte klankkast. Overal zie ik lachende gezichten, er wordt gedanst en er worden oerkreten geslaakt. Even krijg ik kippenvel. De sfeer is precies als die ik achter liet. De feesten van toen, op de werf in Utrecht, hadden dezelfde muzikale openhartigheid als wat ik nu meemaak. Hetzelfde vuur. Is dit de wet der wederkerigheid? Dat alles bij je terugkeert als je durft te geven?

Mijn huis staat nu op een andere plek. Voor mezelf wil ik geen glazen windscherm, geen betonnen vloer. Ik hoef ook niet opgeborgen te staan in een schuur, zodat me niets kan gebeuren. Ik wil leven tussen het leven wat mij omringt. Glazen wanden geven mij het gevoel van gekooid zijn, dat ik in een aquarium zit, los van de rest. Ik maak het scherm nu van riet, dat ik rechtop tegen een wand zet. Die wand is van pallets gemaakt en goed gestut. Een windschut moet leven. Het moet langzaam vergaan, en terugkeren naar de bodem. Ik geniet er van om op die manier ruimte bieden aan andere levende wezens. Al is het maar een groep duizendpoten, die er beschutting vinden. Het is heerlijk om daar telkens weer aan te bouwen, en te zien wat er gebeurt. Ik maak er holletjes in voor de vogels. Ik zie hoe er na een uur al een hele zwerm kleine mugjes in woont. Als het winterkoninkje dat ontdekt, dan heeft hij weer eten. Maar ik heb hem nog niet gezien. Wanneer zou hij het ontdekken, mijn geliefde vogeltje? Al kijkende werk ik aan mijn plek. Vanuit mijn raam moet ik het zien. Juist wat dichtbij is, krijgt de meeste voeding. Doordat ik mezelf verzorg, verzorg ik de Aarde. Zoals ooit mijn geliefde zei: “We zijn niet alleen op de wereld.”

Het doet mij meer dan ooit beseffen: Het moet nu gebeuren. Hier, waar je bent. Op je eigen plek, en het liefst vlak voor je voeten. Het Web van Leven is overal.

.

.

Versterkt windschut met geoogst riet. Er zitten holletjes in voor insecten en voor de vogels. Doordat het jaar extreem vochtig was, was de rietoogst vele malen groter dan vorig jaar. Ik gebruik het ook voor paadjes, zodat het niet modderig wordt. Ik bouw met wat er is, ik leef samen met het leven dat zich vestigt. Ook muggen.

.

Tijdens het opschonen van mijn mailbox kwam ik toevallig deze architect weer tegen. Anna Heringer. Niet voor niets had ik haar opzij gezet, ze is belangrijk voor me. Waar zij voor staat als architect, datzelfde draag ik uit in mijn verhalen. Ook zegt het iets over het feit waarom mijn buren zo belangrijk voor me zijn . En over hoe ik nu mijn windschut bouw en versterk . Door haar levenswerk een plek te geven in mijn blog, hoop ik mijn keuzes nog beter toe te kunnen lichten.

Voor Anna Heringer is ‘Het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven. Denk daar maar eens over na. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby. (Artikel 360 Magazine 1-10-2020 “Natuur en bouwsector moeten bondgenoten worden.”).

In dit filmpje kun je zien hoe ze samen met een heel dorp in Bangladesh een lemen school bouwde. De materialen komen uit de streek zelf. Het is zeker inspirerend, want modder hebben wij hier ook op deze oude zeebodem (Middelsee, N. Fryslân). Zelf heb ik diverse ervaringen met klei en het bouwen ermee. In deze beelden komt de titel van dit verhaal weer terug. Een levend thuis met echte buren.

Wat je wilt en wat je krijgt

.

Afbeelding van Alowieke

“Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn de mezen, die me het eerst begroeten als ik weer thuis ben. Zodra ik ’s ochtends in mijn buitenkeuken zit, komen ze tevoorschijn. “Twiet!” roept de zwartgekapte koolmees. Ik fluit terug en pak wat zonnepitten uit de glazen pot. Ik doe ze in de schil van de kokosnoot. Die hing er al voor ik kwam. Het is kennelijk een traditie die hoort bij deze plek. Ik doe daar graag aan mee. Na mij komt vast weer een ander, het zal de mezen niet uitmaken. Ik hoop dat die ook voor de vogels zorgt. Elke mezenpopulatie die overleeft is er eentje. En al komt er na mij toch wel weer een ander, nú zijn ze mijn vriendjes en ze weten heel goed dat ik het ben.

Ik kook mijn havermout op het elektrisch plaatje en kijk. De pimpelmees is een mooi geel met blauw vogeltje. Hij is minder doelgericht dan zijn verre neven en nichten uit de koolmeesfamilie. Rustig neemt hij de tijd, kijkt even hier en daar, voor hij uiteindelijk in het ronde bakje pikt. Hij neemt het zaadje mee in zijn snavel. Geklemd tussen de poten peuzelt hij het op, net als de anderen.

Na het ontbijt begint de dag. Het eerste wat ik wil doen, is terug gaan naar It Wiel. Voor ik op vakantie ging, had ik een plan gemaakt. Ik zou een vlot bouwen, en tot mijn verrassing vond ik vlak bij de juiste mensen die me zouden kunnen helpen. In It Wiel staat een bedrijfsverzamelgebouw. Er is klein bedrijfje dat me steigerdelen kan leveren en mijnheer Arnold heeft tweedehands plastic tonnen. Gisteren ben ik er geweest. Hij was er niet. Vol goed moed ga ik opnieuw op pad. Ik heb wind tegen. Rammelend komt de fietskar achter me aan. Er in zit een spanband, om de ton straks vast te maken. Als ik het terrein op fiets, vind ik opnieuw de deur gesloten. Bij het timmerbedrijf is wel iemand. Een vrouw komt van achter naar voren lopen. Ze is van de administratie en ontwerp, zegt ze. Over ruim een maand gaan ze verhuizen. Beduusd vraag ik wat er dan in komt, maar dat weet ze weet niet. “Als jullie over zes weken al weg zijn, dan moet ik snel zijn!” zeg ik nadenkend. Vandaag wordt het hem in elk geval niet. Maar ik zie wel wat anders. Het is een oranje afvalcontainer. Die zit vol smalle latten. Mooi aanmaakhout. Ik stal mijn karretje vlak naast de ijzeren bak en klim erin. Er zit een mooi rond gat in het ijzer, dat op de rand gelast is. Het is bedoeld om de container op te kunnen hijsen. Ik gebruik hem voor wat anders. Ik steek de latten in het gat en breek de één na de ander op maat. Tussen de latten liggen ook tientallen trommelstokjes van beukenhout. De meesten zijn beschadigd. Zouden die van Sytze Pruiksma zijn? Zorgvuldig werp ik ze in mijn karretje, tot het vol is. Dan klim ik de container uit en beland met een sprongetje op de grond. Het is een mooie oogst, al was het niet waarvoor ik op pad ging.

Wat je bedenkt is niet altijd wat er gebeurt. Hoezeer ik ook geloof in wat ik doe, en dat dat goed is. De mens wikt, maar God beschikt, zei opoe. Nou had God kennelijk beschikt dat ik maar beter warm de herfst in kon, dan met dat vlot bezig te gaan. Om in Opoes woorden te spreken; alles op zijn tijd. Ik ga het volgende week wel weer proberen, met die drijvers. Nu dit. Ik buk me, pak de lange latten die ik opzij had gelegd. Ik leg ze op de berg hout in mijn karretje, precies zó, dat ik ook nog de bocht om kan. Ik open mijn zwarte fietstas. Die is nat van de regen. Ik pak de tweede spanband die daarin zit. Die trek ik strak over de berg hout heen. Nu zit het muurvast. Vol vertrouwen fiets ik weg. Zo kan ik elke kuil in Jochums Reed aan.

Ik draai met een vaart het veld op en rijd in één stuk door naar het houten hok in de hoek. De wilgebomen ernaast buigen steeds verder over het dak heen. Dat lekt nog steeds en het wacht op de laatste werkzaamheden. Eigenlijk is dat een pleehok. Er is nu toch niemand, dus gebruik ik het maar, in ruil voor het onderhoud. Fijn hoor, zo’n hok. Ik open de houten deur, trek de plastic bak uit het frame van de fietskar, en kieper hem leeg. Het begint te regenen met dikke droppels. Met een armvol houtjes ren ik de vijfentwintig meter terug naar huis. Snel klauter ik het natte bordes op en duik in mijn hol in. De herfst is echt aangebroken. En hier sta ik dan. Vlak voor me op de vloer ligt mijn welverdiende warmte. Ik open de klep van de kachel en verheug me.

.

.

Droom op de keukenvloer

.

.

Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.”

Liever luisteren? Druk op de knop onderaan de tekst.

Vanmiddag kwamen we aan met de veerboot op Schiermonnikoog. Mijn vriend Dick en ik. Alles leek onveranderd, en toch was het al twee jaar geleden, sinds de laatste keer dat ik hier was. Nu logeren we op de kampeerboerderij. Wat ben ik moe! Ik lig op een matras tussen het aanrecht en de lage zitkamertafel. Ik voel me zwaar en ontspannen, al kan ik niet direct slapen. Ik ben gevlucht. De kleine slaapkamer benauwde me. In deze kamer is ruimte. Ik lig op mijn rug met ogen dicht. Beelden komen en gaan. Wat heb ik hard gewerkt de afgelopen week op de Vlierhof. Zoals overal lag het oord een lange tijd stil, en waren er geen handen om het werk te doen. Nu is er veel achterstallig onderhoud. Ik heb tegelvloeren geschrobd, een vijver schoongemaakt, paadjes gemaakt en ontdekt. De akkerwinde had alles bedekt en er kwamen vele verrassingen onder tevoorschijn. Saliestruiken en bloeiende paarse herfstasters. Het was een hele kunst, de lange slierten weg te halen zonder takken af te breken. Ik heb distels en uitgebloeide klissen losgemaakt en weggeknipt zonder zaad rond te strooien. En overal waren mensen bezig. Het was heerlijk. Na maandenlang alleen te hebben doorgebracht tussen de weilanden, leefde ik samen in een groep. “Wanneer kom je weer?” vroegen ze. Gauw, dacht ik. Maar nu ik vijf uur reizen verwijderd ben weet ik het niet meer.

Ik tuur door mijn wimpers. Het is niet helemaal donker hier. Het licht van de gang schijnt door het halfronde stalraam. Twee groene lampjes voor de nooduitgang schijnen helder boven de deuren. Ik grijp de theedoek, die aan een haak naast me hangt en leg hem over mijn ogen heen. Nu is het echt donker.

De levendige week heeft een oude vraag opnieuw leven in geblazen. Te gaan of te blijven? Terug naar mijn weilandje, naar de stilte, waar ik alle wegen naar de wereld zelf moet ondernemen, of veel vaker naar het werk met de groep, wat ik zo miste? De duisternis en de stilte ligt als een zachte deken over mijn zware ledematen. Zonder de vraag te hebben beantwoord val ik in slaap.

Ik droom van twee mensen. De eerste is een oude leraar, van de AVEK, uit Leeuwarden. Rob Heiligers. Van hem leerde ik Butoh, een heel trage bewegingskunst die het schemergebied van het leven onderzoekt en verbeeldt. In mijn droom is het bijna donker, maar alles is vol vitaliteit, en hoewel Rob niet meer leeft staat hij blakend van gezondheid voor me en hij lacht me bemoedigend toe. Ik loop door een schemerige gang, er is een expositie. Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.” Iemand geeft me een vrolijke elleboogstoot. “Dat kan jij ook goed hè?” Een ander noemt de naam van een bevriende kunstenaar. In werkelijkheid leeft hij niet meer, maar in mijn droom deelt hij de expositie. In zijn leven heeft hij zelden het huis verlaten. Hij weidde zijn leven volledig aan zijn kunst. Hij stond waar hij stond.

Ik word wakker op dezelfde keukenvloer, Ontspannen en uitgerust. Mijn droom heeft me opnieuw de weg gewezen. Ik ga terug naar mijn weide.

Je hoeft niet veel te reizen om veel te weten. Hoeveel mensen hebben de wegen van de geest gevolgd? Talloze mensen zijn me voorgegaan, in verstilde eenvoud. Ze hebben gelezen, kunst gemaakt, boeken geschreven, het heelal bekeken, gewoon op de plek waar ze waren. Het waren benedictijnen, schrijvers, kunstenaars, maar ook gewone boeren, tuinvrouwen en fietsenmakers. De wereld is zo groot of zo klein als je hem zelf maakt.

Langzaam word ik wakker en herinner mij de opdrachten. Langzaam bewegen en zo lang mogelijk blijven staan. Twee meter verderop kraakt een deur. Dick komt binnen en stapt over mijn bed heen om water te pakken uit de kraan. “Goeiemorgen!”

.

Uitvliegen

.

.

Dit verhaal gaat verder waar ik vorige week stopte. Hoewel er een week tussen zit in mijn blogs, is dat in werkelijkheid niet zo. Het één volgt op het ander, dit alles gebeurde op één dag.

Liever luisteren? Klik op de link onderaan de tekst.

Daar sta ik dan, als gewortelde nomade. Ik heb er even genoeg van. Ik sluit de deur om eens een flinke wandeling te gaan maken. Wat heb ik nog op de camping te zoeken? Het is wel klaar hier. De bomen en de velden munt hebben de top van hun groei bereikt. De weiden zijn gemaaid en wachten op de laatste oogst van hooi. Vaste gasten en bewoners zijn óf druk, óf niet fit, of met eigen sores bezig. Enkele oudere mannen kijken mij lonkend na. Hun leven is op een dood pad gekomen en daarom zijn ze een tijdje hier. Ze kijken naar me. Leuk, zo’n vrouwtje dat van alles doet. Maar ze kijken zonder vragen te stellen. Niet aan mij, laat staan over mijn gewortelde ideaal: te Zijn en en te Blijven.

Ik zal even uitleggen hoe ik het zie. Ik denk dat zijn waar je bent precies is waar de aarde behoefte aan heeft. Je gebruikt geen brandstof, eet lokaal en poept voor de composthoop die de aarde vruchtbaar maakt. Je praat met de buren en bent er voor ze wanneer ze je nodig hebben. Op die manier verbindingen maken. Dat is mijn streven. Ik zorg ook voor de vogels, de wormen, de salamanders en de krekels. Zo te zijn, dat noem ik “Mijn gewortelde ideaal.” Maar wat als de aarde hard is en de buren vooral druk zijn met eigen dingen? Ik heb gebikkeld, met spades, grondboor en de sikkel. Bomen geplant, gemaaid. Ik ben er als de boer me nodig heeft, voor het hooien, voor een politieke actie. Of voor iemand anders. Eerst was het leuk. Maar energie moet worden gevoed en aangevuld. Soms krijgen de wortels te weinig voeding. Dan is er iets nodig. Wat? Heerlijk is het om dan te spelen en te lachen om niks. Of te verdwijnen in meerstemmig zang en je stem te mengen met andere! Je lievelingsnummer draaien voor een echte luisteraar die je ontroert aankijkt. Kijken hoe mooi de bomen groeien, die je ooit samen plantte. Die dingen. En dan bedenk ik me, kan een ideaal wel altijd geworteld zijn en standvastig? Ik denk dat er ook licht en lucht bij moet. Het liefst lekker veel. En vleugeltjes en gezoem, waarvan je gaat trillen en gloeien. Soms moet je weggaan. Het verstikte ideaal achter je laten. De hoek om en lekker rondkijken. Misschien staat je liefste droom daar vroeg of laat wel weer opnieuw. Zomaar. Helemaal fris en gevoed.

Dat beeld is de aanzet. Het gezoem, de vleugeltjes, het weggaan.

Ik hoef er niet eens over na te denken. Ik trek mijn jas aan en veter mijn wandelschoenen vast. Met stevige pas loop ik over het lange grindpad. Ik voel me gelijk anders. De vrijheid waait me tegemoet. De twee kilometer naar de weg heb ik in een oogwenk afgelegd. Het lijkt wel of de tijd met me mee stroomt, alsof alles sneller gaat. Bij de asfaltweg tussen Weidum en Jellum ga ik links de bocht om. Daarna zie ik rechts van me de landweg die door Bears leidt. Een mooi oud dorp. Daar is de kerk en de kinderboerderij. Ik sta stil, kijk even en loop door. Voor mij daagt het bord op, van een heel klein gehucht. “It Wiel”. Ik ben er vaak doorheen gereden, zonder te zien wat het nou eigenlijk is. Het is tijd dat ik het eens ga onderzoeken. Het is zo klein, sommige mensen weten niet eens dat het bestaat. Maar de echte Friezen hier kennen het allemaal.

Het zijn maar een paar huizen. Erachter staat een oud fabrieksgebouw. Wat zou dat toch zijn? Ik heb het me wel vaker afgevraagd. Meteen verdwijnt die vraag uit mijn gedachten. Want er staat een klein kastje naast de weg. Het is een kleine straatbieb. Ik pak er een boek uit en ga op mijn hurken in het gras zitten lezen. Dan hoor ik het geluid van voetstappen. De zon schijnt op schoenen die vlak voor mij stoppen. Ik kijk omhoog. Er staat een man van middelbare leeftijd. “Is het wat?” vraagt hij. “Ja, het gaat over Afrika,” zeg ik. We praten verder. Hij weet warempel nog wie ik ben. “O, jij bent het, je kwam toen langs met je wagen. Ben je niet meer op pad?” Ik antwoord van nee. “Veel mensen hebben allang van me gehoord of gezien, op televisie, in de krant. Opnieuw weggaan is voor mij niets anders dan de herhaling van een kleurplaat die al is ingekleurd. Bovendien is het een onrustig bestaan. En er is al zoveel onrust.” De man knikt. “Dat snap ik helemaal.” We praten over bijen, want hij is imker. Het gaat heel goed met zijn bijen. Ook kleine wilde grondbijtjes doen het goed. Er waren er heel veel van dit jaar. Of ik de buurvrouw niet eens wil ontmoeten? Zij werkt mee met zaaien voor het Bijenflinterlint en zingt in het zangkoor van Weidum. Ik kijk hem verbaasd en hoopvol aan. Goh, ik wist niet dat Weidum een zangkoor had. Ik dacht dat dat was opgedoekt.

Het is een genoeglijk gesprek, maar de man heeft nog meer te doen vandaag, zegt hij. Hij wil teruglopen naar de deur. Ik heb nog een vraag en ben net op tijd. “Wat een rij brievenbussen staat er hier naast de oprit! Van wie zijn die allemaal?” Rustig geeft hij antwoord. “De bussen zijn van de mensen hierachter. In de oude fabriek is een bedrijfsverzamelgebouw. Er zit van alles. Ook zijn er nog een paar kleine huisjes waar mensen wonen. Ga gerust eens kijken!” Ik gloei van nieuwsgierigheid en kom meteen overeind. “Ik wist niet dat dat mocht.” Hij grijnst. “Er staat een bord bij met een plattegrond, daar kan je zien wat hier allemaal is.”

Mijn bloed gaat sneller stromen. In mijn borst trilt en gonst het, precies zoals ik vanochtend hoopte. Ik loop dichter en dichterbij naar het oude gebouw. Bedrijvigheid… Wat was ik daar aan toe! Voor het bord sta ik stil, en kijk. Het is een lange lijst en rustig lees ik de namen. Wie zullen dat allemaal zijn?

.

.

.

.

.

.

Eigenlijk wilde ik gaan zwemmen.

.

.

.

.

.

Te gaan wanneer je blijven wilt

.

Moeten kiezen wanneer je je verdeeld voelt is moeilijk. Maar zonder knopen door te hakken vind je geen grond onder de voeten.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Waar ben ik en wat doe ik hier? Die vraag heb ik mezelf gesteld, de afgelopen maanden. Ik ben er uit. Ik weet waar ik ben, en dat is op oude zeebodem, niet ver van waar ik geboren ben. Ik, Alowieke Margreeth, Dochter van de Zee. En ik weet wat ik hier te doen heb. Ik noem dat “geworteld” zijn. Dat vind ik belangrijk. Een mens kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn. Dat wordt altijd schipperen. Daar kies ik niet voor. Maar al wil ik het niet, ik kom het nu toch tegen.

Toen mijn vriend voor drie en een halve maand naar een holistische leefgemeenschap vertrok, bleef ik hier. We bellen elkaar bijna elke dag. Zodoende verdeel ik mijn aandacht nu toch. Ik hoor verhalen over mensen die ik niet ken op een plek die me vreemd is. Dat is raar. Dus moet ik er toch maar eens heen vind ik. Ik pak mijn rugzak in en ga op pad. Het is vier uur reizen naar de Vlierhof, net over de Duitse grens, vlakbij Nijmegen. Ik word met open armen ontvangen. Mijn vriend omhelst me, anderen schudden de hand of lachen vriendelijk. Ik spreek met diverse bewoners en overal is werk te doen. Aan de gebouwen, langs het pad, in de moestuin. Er staan iets minder brandnetels dan thuis en er groeien even veel vlierstruiken. Ik help met het schoonmaken van het gastenverblijf en zet een houten vloer in de was. Ik geniet van al die bedrijvige handen en de dag is snel voorbij. ’s Avonds aan tafel spreek ik hardop mijn twijfel uit, om morgen weer weg te gaan. Ik zie mensen knikken en grijnzen en de één na de ander wil me overhalen om te blijven. Met moeite hak ik de knoop door: Ik ga wèl terug.

Ja, de hele wereld is mijn thuis en ik kan met veel mensen door één deur. En mijn vriend is nu ergens anders dan waar ik ben. Maar ik kan niet overal zijn.

Waarom ga ik terug naar huis? Het is niet alleen de band met het weidse Friese land, er is een extra reden voor. Ik heb me voorgenomen mijn buren te helpen en dat doe ik ook. Ik wil naar Frijlân, het kleine ecodorp waar ik in 2018 bijna een jaar verbleef. Ik sta de volgende dag vroeg op. Het is niet heel ver, maar toch een paar kilometer. In het open landschap kan je het oranje pannendak van verre zien. Linea recta lijkt het dichtbij. Je zou een leuke route kunnen nemen er naar toe. Aan de overkant van de Zwette is een fietspad, dat leidt tussen een sloot en de trekvaart door. Linksaf en vlak voor de kleine brug naar rechts, dan ben je er zo. Maar ik kan niet over het fietspad, er is geen boot vrij om over te steken en er is ook nog geen pontje. Dus fiets ik om, over de weg, door de dorpen. Als vanzelf gaan mijn trappers rond. De lucht is vochtig en staat bijna stil. De wijde hemel is weldadig. Wat een ruimte! Witte wolken drijven door het blauw. In de wei grazen schapen en op het hok staat een pauw zonder staart. Dat herinnert me eraan dat het weer herfst wordt. Ik sla af, het bekende pad in. Het oranje pannendak, dat ik thuis al kon zien, komt steeds dichterbij. Ik rijd langs de oude stal het erf op, zet mijn fiets neer en trek mijn vest uit. Een zacht briesje verkoelt mijn bezwete hals.

Aankomen is thuiskomen. Frijlân is een gastvrije plek geworden waar je kan oefenen in zelfvoorzienend leven. Er is hart voor de natuur. Dat zie je. De groene stip op de kaart wordt steeds groter. Op het erf lopen mannen en vrouwen rond. Een jongen begroet me lachend. Hij heeft er zin in. En zo vieren we de dag. We gooien met vergane strobalen, en scheppen containers leeg met iets wat twee jaar geleden stront en zaagsel was. Een oudere vrouw kijkt fronsend toe, als ze ziet dat ik zonder handschoenen werk. Ik leg uit dat stront die al zo lang vergaan is, niet vies meer is. Het is prachtige aarde aan het worden. We mixen alle ingrediënten op de grote hoop en pluizen wat klonten stro uit elkaar. Het is een composthoop om trots op te zijn. En als de spades en hooivorken terug de schuur in gaan, is er soep. Ik boen mijn handen met water en zeep en loop naar de grote houten tafel. Die zit vol mensen. De gastvrouw straalt. “Is dit niet mooi? Eèn en al levendigheid!” Vlak voor mijn neus staat een dampende kom. Ik lach haar warm toe.

Een mooie wereld maken we stap voor stap, met elkaar. Dat gaat het beste als je bent waar je bent, onverdeeld en toegewijd. Soms is dat lastig. Dit verhaal van mij is maar een voorbeeld. Ook jongeren in onze tijd zitten er vaak mee. Dat je niet weg wilt, maar toch moet. En omgekeerd precies hetzelfde. Dat hoor je ook op Frijlân terug. Sommigen zouden graag bij familie en vrienden zijn, op geboortegrond. Dat kan meestal niet. We worden uit elkaar getrokken. Hoe blijf je trouw aan jezelf? Die keus te maken, dat is een hele opgave. Maar wie zich verdeeld voelt en de keus niet maakt, vindt geen grond onder de voeten.

PS: Zijn er jongeren uit Jellum en Bears die graag in de buurt zouden willen blijven wonen in een tiny house? Dan zou ik je graag ontmoeten. Ook jongeren uit andere dorpen zijn welkom voor een kop thee. Ik wil hier graag meer over horen en meedenken.

.

.

“”

Op de markt gebeurt het

.

.

Cultuur hoort met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou eigenlijk iets feestelijk moeten hebben. Dat vind ik op de markt.

Wil je liever luisteren? Klik dan op de knop onderaan het verhaal.

.

Ik ben laat. De dag is snel voorbijgegaan. Nu Dick er niet is, doe ik heel andere dingen. Ik heb thee gedronken bij een buurvrouw. Natuurlijk heb ik de pompoenen verzorgd en ook een stukje van de camping gewied, waarbij ik tot mijn verrassing kattestaarten ontdekte. Ze waren nog klein en zaten verborgen onder massa’s kleefkruid en hoog opgeschoten brandnetels. Die heb ik allemaal weggehaald. Heel voorzichtig. Wat zullen ze straks mooi bloeien, nu ze de ruimte hebben! Ik houd van de lange paarse bloemen en de bijen die er op afkomen. En vlinders… Steeds meer ontdek ik er. Hele kleintjes nog, allemaal smalle puntige blaadjes. Ik ga er helemaal in op. Het is al half vier geweest wanneer ik met bedenk dat ik nog naar de markt wilde. Het is al half vier! Ik pak mijn fiets en in stevig tempo ga ik er van door. Eerst over de Hegedyk, dan door de stad. Ik ga over asfaltwegen en tussen bedrijfsgebouwen door. Bij het station linksaf, dan ben ik er. De biologische markt is ’s middags rustig, ik kan gewoon met de fiets aan de hand de kramen af. Eerst naar Bakker Bolhuis. Ik weet nu dat “bôle” brood betekent in het Fries. Is het dan eigenlijk Bakker Broodhuis? Dat moet ik eens vragen. Het echtpaar begroet me allerhartelijkst en roepen onmiddellijk : “Daar is de zangeres! Melvin, ze wil graag een duet met je zingen!” Ik schrik op. Aan de andere kant van de kraam staat inderdaad Melvin met zijn gitaar. Ja, ik heb al een paar keer meegezongen, vanaf de kant. Ik houd heel veel van meerstemmig zang. Vier jaar had ik zangles, maar nooit vond ik de juiste mensen. Ik heb de droom om te zingen al jaren in de koelkast gezet. Maar de sfeer op deze markt is warm en ingevroren zaken smelten al gauw. Melvin loopt gelijk naar me toe. “Ah, daar is de tweede stem!” Ik pak twee zware oerbroden uit de hand van de bakker, maar tegelijkertijd staat de muzikant al vlak naast me te spelen. Hij zingt “You never walk alone” en verwacht dat ik inhaak. Eindelijk leg ik dan mijn boodschappen opzij en ga naast hem staan. Dat had ik natuurlijk gelijk moeten doen. Ik haal de tweede stem vol en diep uit mijn buik. Het klinkt prachtig samen.

Melvin speelt maar één liedje met me. Jammer. Sommige kramen beginnen al op te ruimen. Het was kort maar prachtig. Ik heb niet alleen gezongen, maar ook met allerlei marktlui gepraat. Ik voel me thuis. Een goeie markt is zo belangrijk. Hier kan ik groenten, granen, knollen, kolen en fruit kopen, helemaal zonder plastic. Zelfs noten en rozijnen zijn er te krijgen in een papieren zak. De mensen zijn aardig, mededeelzaam en maken grapjes. En er is muziek! Ik begin het steeds meer te beseffen. Een goeie markt is voor mij een stuk cultuur. Cultuur hoort voor mij met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou altijd iets feestelijk moeten hebben. Zoals hier, op vrijdag in het centrum van Leeuwarden. Volgende week kom ik weer, maar dan vroeger. Een mooi stuk cultuur laat ik niet stikken.

.

.

.

De bestendigheidsgelofte

.

De mesthoop, restanten laten vergaan waar je bent. Het voedsel verteert en verandert in vruchtbare aarde. De restanten van mijn bestaan keren terug en ook dat van de dieren. Alles om voeding te maken voor het land, zodat een rijk palet aan nieuwe dingen groeien kan. Voor mij een symbool van bestendigheid. Ik offer mijn koffer op en blijf.

.

Om te luisteren naar het verhaal, klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het is koffietijd. Ik doe de deur open van het huisje dat Dick huurt. Hij is er. Hij is er bijna altijd, sinds hij aankwam. De kleine ruimte ligt vol kleren en dozen. Vrolijk kijkt hij me aan. “Kijk! Ik heb twee koffers gekocht in het theaterwinkeltje in Jellum,” zegt Dick. Een hele grote koffer ligt op de grond, een patroon met piepkleine groene ruitjes. Een kleine bruine ligt geopend op het bed. “Alles moet er in passen. De koffers laat ik hier. Alleen de rugzak neem ik mee.” Hij gebaart naar de stapels die hij bezig is te sorteren. “Ik heb veel te veel kleren. En weet je hoeveel washandjes ik heb? Wel twintig! Ik gebruik er maar twee.” Ik kijk en knik. Zo gaat dat. Van alles is veel te veel. Als je gaat verhuizen, dan kom je er pas achter. Een goed moment om weer eens te ontspullen. Want Dick gaat op pad. Zijn plan is om twee woongemeenschappen bezoeken en daar enige tijd te blijven. Hij zal meer dan drie maanden weg zijn.

Ik zit het somber in de leunstoel te bekijken. Mijn vriend is niet de enige die er op uit gaat. Ik denk aan Jeroen, die gaat fietsen in de bossen van Scandinavië. En Syds, die Deense dichters gaat opzoeken. Iedereen lijkt weg te gaan, met een hoofd vol mooie plannen. Ik niet. Mijn toekomst is leeg. Het enige wat ik zeker weet, is dat ik de pompoenen water zal geven. Ik ga zelfs niet met Dick mee, ook niet voor een week. Nee, ik blijf hier, bij de winterkoninkjes en de karekieten. Ik zucht. Het lijkt zo saai, te blijven terwijl iedereen vertrekt. Ik zal het koffiemoment missen en het samen eten. Toch twijfel ik geen moment. Ik herinner me de afspraak, toen die dag.

Ik was zestien en zat alleen op die picknicktafel in het bos, mijn benen onder me gevouwen in kleermakerszit. Het kleine grijze boekje lag naast me: ”Hoe kan je de lucht bezitten.” De woorden erin zijn gebaseerd op de toespraak van het opperhoofd van Seattle. Ik heb de woorden in me opgezogen als water in een droge spons. De toespraak is van heeI lang geleden, uit de tijd dat de blanke man de wereld verkende en in bezit nam. De dominante beschaving die zogenaamde “wildernissen” cultiveerde en natuurvolkeren uitroeide. Het is nooit opgehouden. Die expansiedrift ten koste van anderen, het moet ophouden. Het kwam als een diep besef. Mijn leven zou het tegenovergestelde zijn. Ik zou niet de wereld in gaan, maar me juist in dienst stellen van de aarde. Ook wilde ik geen romantische dichteres worden. Aarden en planten, daar ging het om. Vuile vingers krijgen. Ja, nu kan ik het goed verwoorden allemaal, maar toen was het alleen een gevoel. Ik tastte als een blinde in het duister en had slechts een vaag vermoeden van mijn toekomst. Eén ding was duidelijk: het zaad was in goede aarde gevallen. Het boekje kwam in een stoffige kast terecht. Het raakte kwijt, maar niet vergeten. Het liet me niet meer los: Ik wilde net zo geaard worden als de Indianen uit dit boekje. En nu kijk ik naar Dick, die T-shirts inpakt. De koffers raken voller en voller. Ik voel me leger en leger. “Ik kom wel terug hoor!” zegt Dick. “Dat beloof ik.”

Okee, zo is het. Mensen komen en gaan, maar ik blijf. Als een steen in de rivier.

(Deze week heb ik mij officieel ingeschreven op het adres waar ik woon. En de koffer heb ik na de foto weer weggehaald. Hij lag daar niet om te verteren, maar om de tegenstelling van bestendigheid en vluchtigheid te laten zien.)

.

.

Luisterend naar bomen en boeren

.

.

Liever klein en bedachtzaam, dan groots en meeslepend. Dat is wat de bomen me zeggen. En ook de winterkoning. (Klik op de knop onder de tekst voor de luisterversie van het verhaal.)

.

Het is 22 mei. Er waait een stevige bries en een windvlaag doet mijn kleine huis heen en weer schudden. Het geïmproviseerde windscherm doet zijn werk, het dikke transparante zeil houdt het prima. Een winterkoning heeft mijn plekje ook gevonden. Hij vergezelt me dagelijks, en heeft er zijn nest in gebouwd. Het is mooi verscholen onder een overstekend stuk zeil, op de schutting van pallets en riet. Een rond huisje van gras en mos, met een perfect rond gaatje erin, waar hij precies doorheen past. Heftige rukwinden brengen het niet van zijn plek. Ik hielp met het fundament. Met takken en latjes slepen, daar komt immers een reus aan te pas. Ik kijk er steeds naar. Maar nu zie ik de kleine vogel niet. Is hij er wel? Japie? Ik heb het beestje maar een naam gegeven. Ik kijk en kijk. Het wordt schemerig, de wind gaat liggen. Dan komt Japie ineens naar buiten. Hij duikt onder de wagen om vliegjes te vangen.

Het is één van de verhalen, die groeien wanneer je neerstrijkt. Het verhaal van deze plek krijgt steeds meer kleuren en facetten. Als ik uit het raam kijk zie ik wuivend gras met donkere pluimen. De boterbloemen schitteren als kleine sterren. Langs het Swettepad staan de kerspruimen, die ik plantte. Ik kijk naar ze en zorg ervoor. Als ik het niet doe, doet niemand het. Er komt een maaimachine die ze om maait voor ze groot zijn. Of iemand zet er een caravan tegen aan. Zolang ik waak gaat het meestal goed. Ik kijk of ze niet te nat staan en hoe ze groeien. Ik graaf een gat voor wateropvang. Ik probeer ze niet te vaak te verplanten. Ook wanneer de boer erom vraagt, leg ik geduldig uit waarom dat volgens mij niet verstandig is. Elke boom groeit anders. Ook bomen van dezelfde soort.

De kerspruimen die van begin af aan in de wind staan, groeien recht omhoog, de takken dicht tegen zich aan, om zo min mogelijk wind te vangen. Anderen staan onder hoge wilgen en groeien juist ver één kant op met hun takken, zo snel mogelijk naar het licht toe. Hier ben ik geworteld, hier moet ik het mee doen. Dat is de instelling van de boom. Doorgaan met wat je doet, op de plek waar je voeten in aarde hebt gevonden.

In 2019 begon hier mijn reis. Ik beschreef het in het boek: “Langs kantelende wegen.” En hier ben ik terug gekeerd. Terug bij mijn bomen. Zij zijn het, die me vertellen wat wijs is. Geworteld en licht tegelijk. Licht, met knoppen die voorzichtig ontluiken, in de kille lente van het Noorden.

Het planten gaat door. Ook dit jaar heb ik er velen in de grond gezet, langs het Verhalenpad. Nu de bomen zijn geplant ga ik weer op pad. Niet met het huis. Het zou zonde zijn om de winterkoning zijn nest te vernielen. Het zou zonde zijn van al het gedoe en de energie. Ik zou niet eens wegkomen, want het veld is nog altijd modderig. Nee, ik ga maar een heel klein stukje, een dagtocht. In het verlengde van mijn Verhalenpad loopt mijn pad natuurlijk door. De weg leidt langs de route die ik tijdens mijn reis maakte. Ik kwam in Weidum en Hûns. Ik kwam bij de boerderij van Auke en Rennie. “Op de Him,” heet de plek. De biologische veeboer. Daar wil ik nu weer heen. Ik wil melk kopen in hun boerderijwinkel. Ik heb nooit meer iets van ze gehoord en ben benieuwd hoe het gaat. Ik kijk op de kaart, wat de beste route is. Zonder Wandelhuis kan ik ook het voetpad langs de vaart nemen. Dan kom ik precies uit bij boer Auke. Het is wel negen kilometer. En dan weer terug!

Net zoals de bomen een verhaal vertellen van de plek waar ze staan, zo zijn deze mensen. Hun wortels gaan diep. Boer Jochum heeft zijn verhaal. Ook de jonge boer Sjoerd en boer Auke zijn verbonden met hun land. Bomen en deze boeren, ze boeien me beide. Nu ik geworteld ben, voel ik me lichtvoetiger. Ik ben niet gehinderd door mijn opvallende sleurhut, lege accu’s of scheve wegen. Ik ben niet opgehouden door kijkers, passanten of een boek dat ik ondertussen schrijf. Ik kan beter mijn ritme aanhouden en bij mezelf blijven. Dat zint me. Liever klein en doordacht, dan groots en meeslepend. Ik denk aan de bomen. Blijf waar je bent en vind daar je weg. Dat is wat ze me zeggen. En de winterkoning zegt het ook. Ik denk aan ze. Steeds weer.

.

Vitale fossielen

.

.

Als deze oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. (Onder de tekst staat de knop om het verhaal te beluisteren.)

Er zijn plekken waar de tijd stil staat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

“Blijf”.

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt te voorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

.

.

.