De uitdaging van een beweeglijk mens

De Waddenzee is vlakbij. Op de boot naar Schiermonnikoog.

.

Het waait over de weiden. Verder is het best stil. De broedvogels zijn grotendeels weggetrokken, de wintergasten komen in kleine groepjes terug. Af en toe klinkt het geluid van ganzen en wulpen. Na de droogte halen de planten hun verloren groeitijd in razend tempo in. Vannacht lag ik wakker. Hoewel ik echt genieten kan van deze plek, het werk en het contact met gasten, voelt het soms als het einde van de wereld. Zeker als de herfst nadert. De blubber wordt door veel mensen gemeden. De meesten komen hier in de zomer. Vaste bewoners zijn met hun eigen zaken bezig. De wind waait hard, regen klettert op het dak. De stad is ineens een stuk verder weg. De stad, waar mensen zijn en gezamenlijke creativiteit. Hoe kom ik hier weg? Ik wil nou eenmaal op een gewone fiets blijven rijden, dat geeft beperkingen. Even voel ik me opstandig. Kan het echt niet anders?
Je kunt twee kanten op denken: aan jezelf of wat er is buiten jezelf. Ga je voor het impuls van het moment of zet je je in voor het grote geheel, waarvan je deel uitmaakt. Ook al moet je er af en toe een stuk voor fietsen. Door hier en nu naar buiten te gaan kom je tegelijkertijd dichter bij je binnenwereld. Al fietsend. Eigen behoeften gaan alle kanten op, dan mis je dit, dan mis je dat. De ene keer voel je je alleen, de andere keer is het veel te druk. Fietsen houdt daar balans in. Juist omdat je er iets voor moet doen. Iets extra’s. Want wat is er nog meer allemaal. De ene keer wil je een moestuin, de andere keer wil je een bos vlakbij met tientallen paadjes om te ontdekken. Keer op keer kun je iets nieuws beginnen met het idee dat dit jouw zaligmakende bestemming is. Bestaat dat? Ah, ga toch fietsen. Duizend dromen wachten. Niet om gelijk te vervullen, maar om zich uiteindelijk te verweven tot een mooi filosofisch verhaal.
Waar droom ik van? Ik kan aan Utrecht denken, aan het sociale leven dat ik daar achterliet. Mijn beste tekeningen die daar hangen in het stadsarchief. Vrienden die er nog steeds wonen. De straten, de bomen, de huizen waar ik nog steeds van houd. Soms denk ik: het leven bestaat toch uit meer dan distels wieden op een afgelegen plek in een groene vlakte. Dan lokt de bedrijvige creatieve stad die daar ligt, waar we op de werf naar een opera luisterden, waar koetsen in optocht door de stad reden en waar je plotseling verrast werd door gezang van een Engels jongenskoor vanuit de kerk tijdens een avondwandeling. Die stad daar, die is er nog steeds, in het midden van het land. En ik zit nu in het noorden.
Soms denk ik aan plekken verder het noorden in, aan Schotland, waar ik nog nooit ben geweest. Om daar eens een jaar lang te zijn en rond te lopen. Er is nog zoveel te ontdekken op de wereld! Ik kom zelden of nooit Nederland uit, terwijl ik een nieuwsgierig en beweeglijk mens ben.

Maar ik ben hier. De stad Leeuwarden ligt te wachten om ontdekt te worden. En er ligt plenty snoeiwerk te wachten, waar ik van houd. Ik kan foto’s en tekeningen maken van wat er is. Vlinders, stad of mensen. Ik kan me verbazen over de Friese taal en onbeholpen zinnetjes stamelen waar de ander vriendelijk om moet lachen. Ik schud de hand van een nieuwe vriend en we werken samen aan het grote geheel, dat nu binnen bereik is. Dat geeft energie als van een stralende zonsopgang. Ik houd van de ochtend. Net uit bed is de wereld op zijn mooist. De zon schijnt laag en warm over het ontwakende land. De ganzen, gisteren weggejaagd door een rondjakkerende trekker, zijn terug. Ik hoorde ze toen ik in bed lag. Ergens klinkt het gefluit van een wulp. Al struinend maak ik een rondje, langs de ruige wei waar de nieuwe boomgaard moet komen. Een haas schiet weg, ik weet dat hij daar graag zit. Verder ga ik, langs het paadje, langs de elsjes en de wirwar aan bruine skeletten. Dat is van het mosterdzaad. Ik baan me een weg tussen de hoge obstakels. Het overvloedige zaad is een mooie wintervoorraad voor de vogels. Verderop, bij de sleedoornstruiken, vliegen twee vinken weg. Het zit daar vol donkerblauwe bessen.

Iets moois maken doe je door met toewijding verder te gaan op je weg, ook al moet je af en toe iets missen. Hoe groter de concentratie, hoe mooier het wordt. Als beweeglijk en nieuwsgierig mens is dat de uitdaging. Op die plek blijven waar je werkt. En hoe langer je dat doet, hoe groter de beloning.

.

Hoe snijbiets’ rode nerven mij weerhouden om te zwerven

.

In augustus wil ik weg, een oerdrift om aan de zwerf te gaan. Elk jaar weer overkomt het me. Het is na het zomerse werk in de hitte, als de meeste vlinders verdwenen zijn, wanneer de bloemen niet meer zo uitbundig bloeien als voorheen en de grond hard en droog is en vol scheuren. Dan komt het verlangen verder te trekken. Ik heb het niet gedaan, tot nog toe lukt het me de neiging te weerstaan.

De hitte is voorbij, het dondert en zware donzige luchten vallen in flarden uiteen. Een dikke bui klettert over de velden, maar doet de diepe scheuren in de bodem niet verdwijnen. Spinnen maken er dankbaar gebruik van om aan de dikke droppels te ontkomen en kruipen vliegensvlug de donkere spleet in. Vlinders en vliegen verschuilen zich onder goten en bladeren en in de grote pruik van hopbladeren naast mijn huis. Dan is het weer voorbij. De lucht trekt open, de zon gaat onder. Langs de oranjerode einder komen wolken met bizarre vormen voorbij zeilen. Een stoet reuzeratten doemt hongerig op aan de horizon. Er is een donkergrijs beest dat een roze berg wil beklimmen. Ik stel me voor dat ik dat beest ben, en dat die berg helemaal voor mij alleen is met rotspartijen die steeds veranderen en daardoor altijd nieuw zijn. In mijn fantasie trek ik naar de meest fantastische plekken. Ik peins er over als ik kijk naar donzige wolken in de wind. De wolkenlucht als een steeds bewegend geheel, telkens weer fris en nieuw. Je kunt je erin mee laten drijven. Dit in tegenstelling tot de meest geijkte reisdoelen op aarde. Dat kost heel wat om er te komen. Een hoop gedoe vooral. Een half uurtje blader ik op druk bezochte websites naar verre landen en avontuurlijke vakanties. Ik word er niet opgetogen van. Bestemmingen, van hun vitale eigenheid beroofd en versleten als bejaarde publieke vrouwen. Ik sluit mijn laptop, zie af van het volgen van die mensenstroom in vliegtuig, trein of bus, en kijk naar buiten. Geweldig eigenlijk dat ik hier woon. De horizon met de wolken. Dat het stil is, dat het gras en de bomen hier nog steeds groen zijn en de dropplant, de chigorei en de goudsbloemen. Ik verbaas me over de schitterende snijbiet die met zijn vurige nerven elke dag zijn gebed ten hemel spreidt. Het bos dat ik plantte groeit hard. En tussendoor lees ik over de natuur op aarde, in vroeger tijden. Ik hoef niet naar India of te varen langs Kaap de goede hoop, ik lees erover. Ik verblijf in India, volg de zijderoute, laat me meenemen in het verhaal en beeld me in hoe het was ooit, lang geleden. Ik vaar langs kusten vol klapperbomen, stranden vol schelpen, beklim stille berghelllingen. We drinken uit glasheldere beken.

Dan leg ik het boek neer om water te halen bij de boerderij. Ik zie mensen komen en gaan. Het is geen stroom, het druppelt slechts. Een enkele gast vindt deze uitzonderlijke plek. Mijn vriend Dick komt terug, buurman Jeroen vertrekt naar een klooster in Limburg. Hij vertelt er over: “Het gebouw alleen al is een gebed zeggen ze.” Misschien ga ik daar ook wel heen, een paar dagen. Een bestemming van rust en schoonheid. Waar vrede is van binnenuit. Niet afgetrapt maar gevoed door vele bezoekers. Zo hoort het te zijn. En ik hoop dat mensen deze plek ook zo zien. Een plek om heel eenvoudig te genieten en waar je voor even kan delen in het leven van de bewoners. Deze plek waar de Swette stroomt, waar wilgen groeien en de snijbiet zijn vurig pleidooi houdt bij ondergaande zon. Een plek om te voeden en goed voor te zorgen. En ik hoop dat op dezelfde manier veel meer plekken hun kracht terug krijgen. Als een van vele bronnen is deze plek, vanwaaruit het leven wederkeert. Het komt door de energie die wij het geven. En dat ik en vele anderen mee kunnen helpen door hier en nu te zijn. Dat is mijn gebed.

.

De kentering van licht naar donker

Elk jaar, als de maand september komt, heb ik een sombere avond. Eentje maar, en dan is het weer voorbij.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

Dit keer is er alleen geschreven tekst.

.

Het is niet vaak dat ik sombere gedachten heb. Het is maar één enkele avond en bijna altijd tegen de herfst, als de eerste bladeren vallen en de dagen korter worden. Het is wanneer ik al een hele zomer tuinonderhoud heb gepleegd en er nog steeds veel werk moet worden gedaan. En dan ook nog al die demonstraties waar we voor worden opgeroepen, tegen volkerenmoord, tegen boringen van Shell op de Waddenzee, en tegen het handelsverdrag Mercosur… Ik voel me verantwoordelijk. Maar in beweging komen gaat nu stroever. De vroege ochtend heeft de betovering van de lente verloren, en de vogels fluiten niet meer. De broedvogels vertrekken, de wintergasten zijn nog niet gearriveerd.  De magische herfstssluiers zijn er nog niet. En de bessen, pruimpjes en frambozen zijn allemaal geplukt, terwijl de appels nog niet rijp zijn. Donkere gedachten drijven als wolken mijn kop binnen. Iemand zegt dat de aarde ons er straks allemaal af-flikkert en dan zelf verder gaat. Ik denk daaraan als ik die avond in bed lig. Soms kan ik daar dankbaar voor zijn, dat alles uiteindelijk wel goed komt met onze planeet. Maar nu niet. Ja, we maken er een puinhoop van. En wat kan ik nou doen in mijn uppie, al leef ik nog zo eenvoudig en zorg ik goed voor mijn bomen. Misschien kan ik net zo goed ophouden met bestaan, als het dan toch die kant op gaat met ons. Gelukkig redt de slaap me uit mijn somberheid. Het universum van de droom brengt me zoals altijd tot mezelf. De herfst is in aantocht. Het is de herfst, de lucht vol schimmels en verrotting.

In huis is het ’s ochtends koud. Zoals gewoonlijk doe ik mijn oefeningen en maak ontbijt. Maar na de verwarmende pap weegt die sombere avond nog steeds in mijn ledematen en ik duik opnieuw onder de wol. Tot een uur of tien, half elf, dan komt de zon over de bomen heen en maakt de wereld lichter. Net als de natuur keer ik langzaam naar binnen, voel de stralen van de nazomerzon en doe wat nog gedaan moeten worden. Het maaien van het lange gras, distels trekken, riet weghalen. Overwoekerde paden maak ik zichtbaar aan het einde van het land. Zo kunnen we bewonderen wat er dit jaar is gaan groeien. Ik ontdek de zaailing van een lijsterbes met bessen er al aan. Sommige struiken hebben al gele bladeren. De overgang is duidelijk. Die ene avond gebeurt het. Als een zonnebloem die haar zwaar geworden kop omlaag knikt, voor ze haar zaad weggeeft. Als de kentering tussen vloed en eb, tussen de zonnetijd en de donkere dagen. Het is de wet van al wat leeft, waar ik nog altijd deel van uitmaak.

Eenvoudig leven in een Meth

Wonen in een Mobile Ecologic Tiny House

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik heb een eigen huis. Al zien sommige mensen een huis anders voor zich, voor mij is het enorm bevredigend te wonen in mijn zelfgebouwde Meth. Een mobiel ecologisch tiny house, zo noem ik het. Ik ben vrij in eenvoud.

Als je een eigen huis hebt, ben je vrij en zelfstandig. Hoe groter hoe beter, vindt men. Dat is een goede investering voor de toekomst. Zo denkt men al jaren en de hele politiek, van links tot rechts speelt daarop in. Maar eigenlijk is het een ingewikkelde toestand en dat wordt alleen maar ingewikkelder. Er worden dure huizen bijgebouwd, want de grondprijzen stijgen flink. Alleen de mensen die dat kunnen betalen verhuizen naar hun nieuwe kasteel. Anderen kunnen doorstromen in de goedkopere woningen, die leeg achterblijven. Mensen in die grote dure huizen bemoeien zich nauwelijks nog met de buurt of met anderen die het minder treffen. Het is steeds meer ieder voor zich.

Deze week ontmoette ik Albert. Hij woont in een dorp in de buurt en stond hier op het veld van de camping, even weg van zijn gezin. Hij hoefde niet zo nodig ver weg, als hij maar lekker kon aanrommelen rond zijn tent. “Ik ben sociaal werker” zei hij. “Maar ik mis het werk met mijn handen. Ik droom ervan om, wanneer ik met pensioen ben, het kaatsveld te onderhouden.” Het is een eenvoudige echt Friese droom. Elk zichzelf respecterend Fries dorp heeft namelijk een kaatsveld en de oude traditionele sport wordt nog steeds fanatiek beoefend. Het is een van de dingen die de gemeenschap nog altijd samenbindt. “Ik zou het heel mooi maken, zoals het nu ook is, strakke randjes met bloemen eromheen.” zegt Albert stralend en dan denkt hij even na. “Maar als ik in een groot huis terecht kom, dan denk ik niet dat ik daar tijd voor heb.” Ik raad hem serieus aan dan geen groot huis te kopen. Ik hoop echt dat hij het gaat doen, met dat kaatsveld. De plek waar het hele dorp samenkomt.

Maar hoe kom je aan een huis? Het mooiste is als je zelf je huis kan bouwen, samen met de buren op een plek waar je je thuis voelt. Een huis dat even groot is als alle andere van het dorp, zodat iedereen gelijk is. Zo was het vroeger, op vele plekken in de wereld. Op sommige plaatsen is dat nu nog zo. Het is fijn om iets zelf te bouwen. Ik snap Albert wel, dat hij het mist, het werk met de handen. Ik ontwierp en bouwde mijn eigen huis, het brein en de handen werkten samen. Nu is het een plek die helemaal op mij is afgestemd. Ik noem het een Meth, een Mobile Ecologic Tiny House.

Het is ecologisch omdat het gebouwd is van zoveel mogelijk ecologische materialen. Maar ook ben ik deel van de natuur om me heen, met ogen, oren en handen. Ik plant bomen en werk aan de biodiversiteit, vier jaar nu, op deze boerderij. Ik sta er ingeschreven en de gemeente weet ervan. Zolang ik hier werk heb blijf ik.

De manier hoe er tegen woningen en woningbouw wordt aangekeken, loopt dood. De twintigers van nu ervaren dat aan den lijve en zoeken naar oplossingen. Een klein mobiel huis is ook zo’n oplossing. Ik denk dat we creatieve wegen op moeten zoeken, met eenvoudige haalbare doelen. Er zal niet altijd iemand zijn die ons de weg wijst. Een nieuw avontuur ligt voor ons.

Een waterwezen worden

.

.

Alle vogels fluiten. Het is zes uur en ik lig nog in mijn hangmat. De bovendeuren staan open, aan beide kanten van de wagen, en er waait een fris briesje door mijn huis. Ik trek de slaapzak wat hoger op maar echt behaaglijk warm krijg ik het niet. Gisteren was het een hete dag, Ik heb de deuren opengelaten. Maar nu is het niet warm meer. De wind is gedraaid. Gisteren was het nog heel anders.

Het is warm. Boven het water vliegen de zwaluwen en het riet groeit hard, na een periode met regen. Ik loop naar het water, bezweet na een lange dag gras trekken. De grote houten steiger is leeg en ook het fietspad aan de overkant is verlaten. Ik gooi het lange vest van me af en stap de ladder op die inmiddels diep in de modderige bodem is gezakt. Het water voelt koud aan mijn hete huid, maar al gauw went het. Halverwege de ladder houd ik stil. Ik laat mijn bovenlichaam zakken, tot ik in gehurkte houding op de ladder zit, met het water tot mijn kin. Nu wachten. Als ik heel stil ben komt het. Ik buig mijn hoofd om naar beneden te kijken, het puntje van mijn neus raakt het glinsterende oppervlak. De zon schijnt op mijn ondergedompelde huid en mijn benen zijn van groen goud. Verder zie ik nog niks. Niet wat ik verwacht te zien. Ik kijk weer op en wacht nog langer. Dan voel ik het. Een kleine subtiele aanraking in mijn zij, en nog een, en nog een. Hele kleine mondjes kussen mijn huid. Het is een gevoel dat nergens anders mee te vergelijken is. Als ik opnieuw naar beneden kijk zie ik ze. Kleine visjes zijn het van vijf centimeter lang. Nieuwsgierig verkennen ze mijn lichaam, een nieuw element in hun onderwaterlandschap. Ze zwemmen over mijn gehurkte benen heen en er weer onderdoor. Mijn groengouden huid is omgeven door kleine bewegingen. Kleine mondjes raken me aan. Er komen er steeds meer. Ik denk eraan hoe het zou zijn om hier te blijven, en een waterwezen te worden. Dat er niets anders zou zijn dan ik en de vissen, vertrouwd met mijn vel, dat almaar groener wordt, net als de steiger en het riet. Wonderlijk en tijdloos.

Heel langzaam strek ik me uit. Mijn natte vel glimt in de zon. De visjes schieten weer onder de steiger.

.

Opgeschrikt in een verhaal

Luisterend naar de stem van een stervende rivier

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.



Het is zes uur in de ochtend. Om een of andere reden ben ik wakker geworden en de regen tikt op het dak. Rustige grote druppels zijn het, de wind is kennelijk gaan liggen. Ik stel me voor hoe de insecten en vlinders beschutting zoeken onder grote bladeren. Veel van die planten heb ik zelf gezaaid of uitgezet en ze breiden zich snel uit. In de tuinradijs, onder de moerasandoorn, overal schuilen libellen en vlinders. Het land, de dieren en ik, alles hoort bij elkaar.

Ik luister naar de regen maar val niet opnieuw in slaap. Wacht, ik kan het luisterboek aanzetten, dat ik gisteren geleend heb bij de online bibliotheek.

“Ik ben een berg die op me wacht” heet het. Een fascinerende titel. Nu zijn hier geen bergen. Hier in Fryslân is water. Ook de Swette, het water wat hier al eeuwen loopt, hoort daarbij. Fryslân zonder glinsterende vaarten en meren, dat kun je je toch niet voorstellen? Ik had er zelf nog niet aan gedacht, om de Swette een stem te geven in een verhaal. De schrijfster van dit boek heeft dat wel gedaan. Het is de rivier die spreekt over alles wat hij ziet. Een nomadenvolk leeft al eeuwenlang samen met de stroom. Er is een vrouw, heerlijk als de zon, die haar handen onder zijn huid dompelt. De rivier is verliefd op haar. Er is een zanger die zingt over de rivier en de bergen. En er is ook een jongen die alleen maar dode vissen verzamelt. Stil lig ik te luisteren. Het verhaal kabbelt rustig voort, net als de regen op het dak. Langzaamaan dommel ik weg. Plots word ik wakker. De stem is opeens scherp geworden. “Waarom verzamel je dode vissen?” vraagt iemand. De jongen antwoord: “Ik luister naar hun verhaal. De dode vissen hebben iets te vertellen. Ze zijn bang voor de toekomst. We zien het toch. Het ijs op de berg smelt. Er is steeds minder water.” De rivier hoort het, maar kan het zich niet voorstellen dat dit kan. Het land als een dor gerimpeld vel, zonder hem als stroom en bron van leven. Zonder rivier is er niets meer. Zonder de rivier geen vissen, geen nomadenvolk dat met hem samenleeft.

Ik ben in een keer wakker. Ik had het boek niet eens zo bewust gekozen. Maar dit! De dreiging uit dit verhaal is onlangs werkelijkheid geworden. Gisteren nog plaatste ik het bericht op Linkedin: De gletsjer in Nepal is gestorven. Hoe dramatisch dit ook is, er werd geen enkele aandacht aan gegeven. Natuurlijk hebben we verschrikkelijk veel aan ons hoofd. Maar toch is het raar. Stel je voor dat er geen water meer in de Swette was, of dat de Rijn bijna niet meer stroomde, of dat het IJsselmeer droog stond! Dan piepten we wel anders. In dit verhaal is het of de ziel van het landschap zijn stem laat horen. En wat daar gebeurt, is nog maar het begin. Als de gletsjer sterft sterft de rivier en zonder water is er geen leven.

Nu ik dit gehoord heb, denk ik niet dat ik nog in slaap ga vallen, bij het luisteren naar dit boek. Ik wil horen wat de schrijfster, Sholeh Rezazadeh, mij te vertellen heeft. Het is een noodkreet. Een verhaal van ons allemaal.

“Ik ben een berg die op me wacht.“ Zo heet het. Morgen luister ik verder. En dan met volle aandacht.

Hoe gaat het verder? Ik wist het nog niet. Maar dit is de tekst bij Ambos uitgevers.

De veertigjarige Alma die woont in een woonboot op de Amstel, een rimpelloze rivier. Ze heeft een drukke baan. Op een dag neemt ze een radicaal besluit: ze reist in haar eentje naar Iran. Daar sluit ze zich aan bij een nomadenvolk. Saray hoedt schapen en melkt geiten. Ze is verliefd op een jongen van een andere nomadenfamilie en ontmoet hem in het geheim aan de oever van de Aras, de bruisende rivier die door het ruige berglandschap dendert.

Lukt het Alma om haar jachtige bestaan achter zich te laten? De nomaden leven bij de dag en eten wat de seizoenen te bieden hebben. In plaats van constant op hun iPhone te turen zijn ze verbonden met elkaar. Maar ze worden in hun voortbestaan bedreigd. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger, Aras buldert minder en steeds meer jonge nomaden willen in de stad leven.

(Noot van mij: Is er in de stad nog wel water dan? Als er geen rivier meer is? Dit vraagt om een vervolg.)

‘Met de natuur als een echt personage en de mens als onvolmaakt wezen op zoek naar liefde en verbinding, droom je weg bij elke zin die je leest.’- JAN

.

De zompige tijd na verzending

En hoe je daar weer uit komt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het manuscript voor “De heilige traagheid der dingen” is af en verstuurd naar de uitgevers. Het werk is gedaan. Maar het moeilijkste stuk komt nu pas. Schrijven vind ik heerlijk om te doen en het verhaal lijkt als een loper voor me uit te rollen. Toen ik klaar was met schrijven, moest er een voorwoord komen, en toen het kwam was ik blij. Er moesten zeven schilderijen komen bij het boek, en ook die zijn af.

Het manuscript is verzonden naar twee uitgevers en de eerste afwijzing is binnen. Geen botte afwijzing maar een lovende, dat scheelt. Maar hoewel ik het min of meer had verwacht word ik er toch stil van. Ik vraag me af hoe het zal gaan met de tweede uitgeverij, de grootste. Hun boeken passen beter bij mij dan die van de andere uitgeverij, dat heb ik al wel gezien. Maar het is zelden dat een onbekende schrijver een “ja” krijgt, zeker bij zo’n grote uitgeverij.
Ik werk op het Verhalenpad, trek het gras weg tussen de zilverschoon en de bessenstruiken. Het meditatieve werk is ontspannend en geeft veel voldoening. Ik kan eindeloos kijken naar alles wat er groeit, zoemt en kruipt. Maar het is of het Verhalenpad iets zijn betekenis verliest, nu het boek met de verhalen stil ligt te wachten op een grote stapel, tussen talloze andere manuscripten. De stilte is dof en in mijn hoofd komen oude gedachten op. Kom ik er wel tussen? Is mijn verhaal wel goed en helder genoeg om te stralen in een boekenkast met andere inspirerende boeken? Misschien wil geen enkele uitgever me. Aan de ene kant is dat wel makkelijk. Dan hoef ik niet vol in de publiciteit om mijn boek te promoten, want dat vind ik best spannend. Ik kan het boek ook zelf uitgeven, zonder franje eromheen. Meteen wijs ik die gedachte af. Geen sprake van dat ik daaraan toe geef. Ik denk aan die ene keer, toen ik twintig was en met mijn studiejaar op een eiland zat. De opdracht was voor mij om een liedje te maken en laten horen. Ik besteedde er een hele ochtend aan en het was geloof ik best leuk, maar ik durfde het niet te zingen. Ik kreeg op mijn kop van de mentor: “Als je je werk niet laat zien kom je nergens.” Dus dat heb ik inmiddels geleerd. Spreken en trouwens ook zingen is geen probleem meer voor me. Ook niet in het openbaar, al is het toch spannend, als je niet weet wat er gaat komen. En toch, misschien komt er wel een gesprek op gang! Maar dan lees ik een boek van een hele goeie schrijver, waar ik echt van onder de indruk ben. En dan ga ik vergelijken. Zo gaan de gedachten rond in mijn hoofd, tot ik het zat ben.

Ik klim uit de hangmat. Eerst maar eens mijn ochtendoefeningen doen. Ik volg dezelfde routine als altijd en ga dan verder met een dansje. Dan kijk ik naar het symbool in de nok. De rode cirkel van de aarde, in vieren gedeeld, het diepe blauw van het universum er om heen. Het is of ik het kleine raampje opnieuw zie, en de symboliek die ik eraan gaf in goede tijden, keert nu bij me terug. De Aarde, het universum, het groeien. Wat ik geschreven heb moest geschreven worden en zal zijn dienst bewijzen. Elk verhaal is de moeite waard om te delen, zeker als er zoveel tijd aan is besteed. Ik zie mensen over hetzelfde soort onderwerpen schrijven, elk op zijn of haar manier, met veel waardering bij publiciteit. Daar ligt het dus niet aan. De betrokkenheid groeit en ook mijn verhaal zal er komen. Sommige dingen duren lang, maar dat is geen reden om de moed te verliezen. Lichaamswerk en dans doen goed. Als het maar blijft trillen. En die negatieve bijgedachten? Ach dat stelt niets voor. Van nu af aan ben ik Oost Indisch doof daarvoor. Als er niemand luistert dan verdwijnen ze vanzelf. En nu ga ik een flink stuk fietsen.

.

.

https://alowieke.blog/inschrijving-de-heilige-traagheid-der-dingen/

Lekker zeisen

.

Met op de achtergrond het Verhalenpad, de eerste plantlocatie, waar ik tot twee jaar terug nog bomen bijzette.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De nieuwe zeis is aangekomen. In een hele grote doos zat hij, tjokvol papierproppen. Het is een graszeis, dun en verschrikkelijk scherp. Prachtig gereedschap is het. Als je hem goed blijft haren en hem alleen voor gras gebruikt, kan je er je leven lang mee doen. Het is heerlijk om in cadans het gras te zien vallen. De vogels fluiten, de hommels zoemen. Zo hoort het te zijn. Door te maaien kan je kunstwerken maken door sommige plekken wel te doen en andere plekken niet. Elk jaar weer anders. Je kan bloemen en kruiden laten staan, of juist heel kort maaien om de wortelgroei te stimuleren. Hoe meer je ervan weet, hoe interessanter het wordt. Hoewel het ritme van de zeis uitnodigt tot een trans waarin je op de automatische piloot verder gaat, doe ik dat dus niet. Dat maakt het nog veel boeiender. Ik zie hoe hommels en vlinders meteen de nieuwe ruimte gaan verkennen, tussen hoog en laag. Ze zoeken er beschutting als het waait. Maar meestal is het nog vroeg als ik maai, en windstil. De hommels zijn nog niet wakker. De vogels laten in elk geval wel van zich horen. Overal zijn nesten. Ik hoor de tjiftjaf, de winterkoning en een paar rietzangers. De merels, mussen en mezen nestelen bijna allemaal in het dichter beboste stuk, bij de boerderij. Daar is meer beschutting dan hier, hier moet alles nog groeien. Ik help daarbij, met mijn zeis. Het lange gras is nat van dauw, het scherpe mes glijdt er als boter doorheen. Ik strooi het gras onder de begroeiing, onder de bomen en struiken, vooral de jongsten. Het zou nog wel eens heel lang droog kunnen blijven, en een goeie laag mulch zal hen zonder stress door de moeilijke tijd heen helpen. Behalve het gras als strooisel te gebruiken, maak ik er ook een hoop van. Dat is voor de nieuwe boomgaard, een stukje verderop. Het gemaaide gras komt precies tussen de nieuwe aanplant in, aan de ene kant de elsen, zuurbessen en het sporkehout, aan de andere kant een laagblijvende haag van vlechtwilg. Daartussen is alleen nog maar gras. Daar moet de nieuwe boomgaard komen.

De bodem is keihard. Hier komen de twee rijen appelbomen en precies daar, waar ze moeten komen, gooi ik het gemaaide gras neer. De bodem heeft het nodig, als daar fruitbomen moeten groeien. Het zal wormen aantrekken en andere beestjes, die op zoek zijn naar vochtige grond. Die zullen de bodem losser maken. Ze trekken het gras de grond in en verteren het. Het houdt de groei van het gras tegen. Zo maak ik het klaar voor de dag dat de appelbomen worden geplant.

Wat ben ik toch blij met mijn zeis. Er zijn mensen die denken dat boerenwerk geestdodend is en vermoeiend. Dat het steeds maar hetzelfde is. Laten we daar robots inzetten, zegt onder andere Hidde Boersma, een voorvechter van ecomodernisme. Ik ben geen fulltimeboer. Maar ik zou het niet willen missen, mijn zeis niet, het werk niet, en ook niet alles wat ik zie en beleef. De wind te voelen, de structuur van de bodem, hoe het groeit, alles. En ook hoe bijzonder het is om te merken hoe helder mijn hoofd wordt. Zelfs als ik een keer slecht geslapen heb, mijn frisse blik keert terug zodra ik in de velden en tussen de bomen ben. Zouden we dit zinvolle werk over moeten laten aan machines? Ik dacht het niet. Dan komen de kinderen helemaal niet meer achter de laptop vandaan. Hun hele leven blijven ze daarachter zitten. We zouden als mensheid langzaam verschrompelen en wankel en bijziend de wereld ingaan. Dat wens je niemand toe. Kinderen mogen best weten hoe je met een scherp mes omgaat. Kennis en vaardigheden opdoen van al die dingen die een mens nodig heeft om echt te leven.

Liefdevol en voorzichtig strijk ik het natte gras weg, dat aan het mes zit gekleefd. Dan loop ik terug naar mijn schuurtje, pak een doek en veeg hem zo droog als ik kan. Even laat ik de zeis staan en als ik terug kom is het laatste vocht opgedroogd. In de hoek staat de lijnolie. Met de punt van de doek smeer ik het ijzer in. Zo blijft hij glanzend en glimmend scherp. Ik hoop nog vele jaren. Want de bedoeling is dat we er wat moois van maken. Dat heb ik beloofd. En daar heb ik mijn nieuwe zeis hard bij nodig.

.

.

Wil je het hele verhaal lezen van begin tot eind, met alle achtergronden, geef je dan op voor het boek: De heilige traagheid der dingen. Binnenkort kan het naar de uitgever, en dan is een lijst met belangstellenden mooi om mee voor de dag te komen.

Hier begint mijn verzet

.

.




Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral  andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet,  die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest.  Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap  ook.  De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert.  De nietsontziende drang naar dure  grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin.  Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.

.

Oranje mannen voor snelle dingen

.

Voor deze ene keer heb ik AI gebruikt. Een snelle manier om een plaatje te krijgen. Ik had het nog nooit gedaan. Ik wilde het eenmaal uitproberen en zal het niet vaker doen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Er is een ding waar ik sjaggerijnig van word: Graafmachines. Prachtige oude grasvelden vol klaver en kruiden gaan omver. De orde van het bodemleven, wat onder is, wat boven, oude wormengangen, al jaren in gebruik door tal van beestjes, dit alles wordt om zeep geholpen. Als er iets is waarmee we de toekomst kunnen voorspellen, dan is het wel de staat van onze bodem. Het is de grond van ons bestaan.
Nu hebben we het geluk dat we hier op acht hectare oud weideland zitten. Als het aan mij lag, dan lieten we het altijd zo liggen. Maar dat kan niet. De waterleiding moet worden verlegd, de dijk moet verhoogd. Er moet een weg aan worden gelegd naar een nieuw huisje en ook één naar de windmolen. En dan is het nog niet eens klaar. Nu moet er weer een kabel worden gelegd, voor razendsnel internet. Voor al die snelle dingen wordt wat traag is opgebouwd, weer afgebroken. Er moet heel veel gebeuren, voor je iets snel kan hebben. Dagenlang zijn de mannen bezig in hun oranje hesjes. Twee kilometer van de openbare weg af, naar de boerderij. Ik zie ze vanuit de verte. Ze komen steeds dichterbij. Zolang de machine ver weg is kan ik het nog wel hebben. Maar dan zijn ze bij de boerderij. Ik zorg daar voor de koeien, breng brandhout naar het huis van Dick. Haal water. Het is mijn dagelijkse gang. Mij zien ze steeds. Ik lach vriendelijk naar ze. Ten slotte doen zij gewoon hun werk. Het zijn allochtonen. Aardige lui. Een van hen spreekt goed Nederlands. Hij lacht vriendelijk terug. Steeds lichten me ze in over de gang van zaken. Alsof ik vrouw of dochter des huizes ben. Dan willen ze overleggen met de boer, en ze vragen waar hij is. Ik roep hem wel even, zeg ik. Door de luide stemmen op het erf, worden de koeien onrustig. Vooral de jongste. Zeurderig klinkt het geloei in de stal. Elke keer weer. En dan komen de mannen weer terug, aarzelend, ze kunnen de boer niet vinden. In de keuken issie, zeg ik. En dat zijn dan meteen mijn laatste woorden. Ik smeer hem. Op de fiets. Op een dag zal het toch wel ophouden met al dat gegraaf. Vandaag zullen ze toch wel klaar komen.
Ik hoop dat 2025 een traag jaar wordt. Een jaar waarin er niet veel hoeft en we alle tijd hebben om de bodem te laten rusten. Wachten tot het groeit. Helpen, de bodem met lucht en leegte. Help met tal van nieuwe wortels en gangen. Wacht en kijk. Kijk en wacht. En zie de mogelijkheden groeien.

Ik ga nu eerst aan het werk. Opnieuw meer dan honderd struiken planten. Alles ligt paraat. Plantmateriaal en losse grond. Ik heb er een tijdje op moeten wachten maar nu is het er. Hele mooie grond. Het is nog veel werk. Geduldig ga ik door. Elke dag, tot het af is. Net als de oranje mannen graaf ik. Maar ik doe het traag. Veel trager. En met mijn eigen handen. Dat kan, ik heb de tijd. Dag mijnheer de Worm. Dag mevrouw Duizendpoot. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

.

.

Nootje na:

Eenvoudig leven is een voorwaarde om te kunnen leven in een kringloop met de natuur. Niet de graafmachine, maar de schep zal ons uiteindelijk redden. En de zaden, de bomen en alles wat daar uit voort komt.

Lees hier een stuk van filosoof, psycholoog en boerin Evelyne Janssens

https://www.mo.be/blog/denken-in-cirkels-de-logica-van-de-kleine-boer