Doorbraak voor vrije voeten

  1. .

.

Mijn Wandelhuisje gaat het veld af. Ik heb een mooi plekje gevonden bij de ingang, naast het laatste bosje, pal tegen de rietkraag aan, van de Swette. Er heeft in al die jaren nog nooit iemand gestaan, ik ben de eerste. Van daar uit kan ik iedereen aan zien komen, over de twee kilometer lange weg, die naar het dorp leidt.

Ik heb niet veel op te ruimen, maar toch is verhuizen vervelend als je ergens langer hebt gestaan. Ik kijk naar het paadje waar ik liep en de bloemen die ik plantte. Zullen andere ogen net zo aandachtig zijn als de mijne? Ach, het zal zijn weg wel vinden, al wordt het een wildernis.
Er is nog iets anders. Het rottigste van verhuizen is, dat ik tientallen kleine beestjes uit hun huis moet gooien. De emmer zit vol met een lijmklem, een uitgedroogde spons en andere dingen. Onder de rand zit een hele rij spinnetjes, met een wit, draderig pluisje naast zich, waar hun nageslacht in zit. Sneu, maar ik peuter ze er toch uit. Het is ontruimen of nat worden. Ik heb een emmer om onderweg water te halen uit de sloot en was niet van plan om spinnetjes te huisvesten, sorry.

Ik til de dissel op en zie er een mier uit lopen, en nog één. In een klein gaatje zit een mierennest. Ze weten het goed te vinden, slimme beestjes. Met die stortbuien kan je maar beter hoog en droog wonen, anders verzuipt de boel. Maar ik ga weg en de dissel ook. Het is niet handig van de mieren. Weten zij veel. Ik vind het beter om het meteen maar goed duidelijk te maken. Keihard sla ik op het gegalvaniseerde staal en de mieren werpen zich halsoverkop naar beneden met hun eieren. Ik hoop dat ze nu niet allemaal doof zijn en dat ze maar gauw een nieuw huis zullen vinden.

Even later staat mijn huisje keurig op zijn plek. Met het wuivende riet voor de deur en het glinsterende water van de Swette naast mij, kan ik mij rustig voorbereiden op de reis. Nog een maand, dan ga ik. Ik zal hier lang genoeg staan om een nieuwe verzameling beestjes rond mijn huisje te verzamelen. Die zal ik straks weer dakloos moeten maken. Maar ach, ze redden zich wel weer. Mij lukt het immers ook steeds!
O ja!
Alles is continue in beweging en het is veerkracht en vertrouwen, waar de natuur vol van is. Ik ben diep onder de indruk van al die kracht, die ik steeds weer ontmoet. Kracht, om mij heen en in mijzelf. Wat is dat toch? Wat ik woorden geef is slechts een glimp van iets wat eigenlijk onbenoembaar is. Toch probeer ik het.

Vertrouwen stroomt mee met de tijdsrivier. Het is een weten dat de aktie die ik onderneem niet met stel en sprong resultaat hoeft op te leveren. Dat ik weg kan wandelen zonder te weten waar ik uitkom en wat ik achterlaat een heel andere vorm kan aannemen dan mijn bedoeling was. Dat ik geliefd kan zijn, maar dat het soms beter is om te gaan. En dat ik soms zou willen gaan, maar het beter is om te blijven. Dat niemand onmisbaar is en toch te beseffen dat elke stap die ik doe onmiskenbaar invloed heeft op alles. Dat ik alle levende wezens bewonder, maar toch het spinneweb doorbreek wanneer ik mij met lichte voeten een weg baan. En dat alles, na elke sprong, weer een evenwicht vindt, een plek in het bestaan. Zonder die veerkracht, zonder dat vertrouwen in het Al, stond ik niet waar ik nu sta. Dit mijn vrijheid en nooit zal die vanzelfsprekend zijn.

.

 

 

Een paspoort voor vergeten wegen

.

.

Groene ruimte is een gedicht dat we samen schrijven, regel voor regel.

.

Tussen vierkante gemaaide weides groeit een oase. Het weelderige eiland van groene bomen doet de vierkante weides nog kaler lijken. Het ziet er uit als een exotische plek. Maar eigenlijk laat het zien hoe het overal zou kunnen zijn. “Ecocamping de Swetteblom.”

Nederland is een blokkendoos. Veel is vierkant en drie keer omgedraaid. Al sinds de Middeleeuwen heeft elke vierkante meter een bestemmingsplan. Nut en ratio krijgen alle kans en strippen het landschap voor een enorme knipseldoos aan belangen. Gelukkig zijn er nog altijd plekken om het hart te laten ademen. Camping de Swetteblom is zo’n plek en heeft terecht deze naam gekregen. De meidoorns geuren en geven het groen een witte waas, weerspiegeld in het water. Het fluitekruid maakt van het land een gesluierde bruid die het lentelicht kust. Het laat zien hoe het overal kan zijn.

Vorig jaar zette ik mijn huisje neer op Frijlan, waar ik was uitgenodigd om een tijdje te komen wonen. Het is een kwartier fietsen vanaf de Swetteblom en het is vier keer zo klein als het land van Jochum. Maar al is het aantal vierkante meters een stuk minder, het is een ambitieus project; natuur, cultuur, nieuwe technieken, scholing en dan ook nog eenvoudig leven… De hoeveelheid doelen is verpletterend. Toen ik het hoorde, klonk het helemaal geweldig en ik vond het een eer dat ik mee kon doen. Ik heb er veel van geleerd. En vooral dat het niet bij me past. Ik kan geen uitvoerder zijn van reeds uitgewerkte plannen van een ander. Er zit voor mij geen muziek in.
Ik kies zelf waaraan ik werk in samenwerking met de ander. Ik woon klein, zodat ik mijn aandacht heel kan houden. Het bouwen van mijn Wandelhuisje was een immens project en drie jaar lang maakte ik in mijn eentje ingewikkelde prioriteitenlijstjes. Nu is mijn agenda vrijwel leeg. En dat is niet voor niks. Ik ben waar ik ben. Op reis en ook weer niet, een nomade met een missie.

Ik kijk veel rond. Ik praat met boer Jochum, over de tuin, het hooiland en de bomen. Ik vraag naar zijn wensen, wat hij wil met het land en wat wij als gemeenschap daarin kunnen doen. Ik luister naar zijn ideeën over een dorpstuin in het dorp. “Daar helemaal?” vraag ik, “Zou het niet mooi zijn om onze eigen kruiden te kweken voor thee in de zithoek? Dan kunnen we plantjes uit wisselen met andere tuinen die wèl in het dorp zijn.” Jochum’s ogen lichten op en hij knikt voorzichtig. “Dat is ook een idee.” Met deze boodschap loop ik verder.

Ik ontmoet Mirre, die hier elke week een dag in haar bootje doorbrengt. Ik zie haar zitten tussen het riet, vlak naast de Swetteblom. Ze ziet mij ook en loopt over de smalle loopplank naar me toe om te praten. “Jij wil nieuwe energie brengen in deze plek hè? Ik wil graag met je meedoen!” Ze is zo enthousiast, dat ze meteen een vaste tijd wil afspreken om samen een begin te maken. Twee uur per week, op zaterdag.
Mirre, die al zoveel zorg heeft aan haar gehandicapte man, ze is de eerste die concrete plannen maakt. Het ontroert me, dat juist zij het is die met mij het voortouw neemt.
Samen nemen we een hele middag de tijd om te struinen. We lopen langs de oude boerderij en langs de kleine, uitgeplante boompjes. In vier kerspruimen zitten veel beestjes die kleine blaadjes opvreten. Ze staan niet goed. We moeten ze maar verplanten, in de herfst. En zo gaan we verder. We fantaseren over een wandelpad, met kruiden en bloemen erlangs.
Geïnspireerd vertel ik over deze ontmoeting aan Berry en Hillegonda. Berry heeft straks stekjes van vergeten groenten. Ze zijn op landgoed Oranjewoud bezig met een groentetuin maar hebben veel last van de herten. Ze zoeken een oplossing. Terwijl ik  verder loop, bedenk ik me dat ik best had kunnen  vragen of ik een keer mee mag.
Aan de andere kant van de schuur staat Maria bij de kraan. Ze luistert met schitterende ogen. “Laten we klein beginnen, op vergeten plekjes”, zegt ze, “Vergeten groenten op vergeten plekjes.” Rond en rond ga ik, pratend met wie wil en iedereen voegt er het zijne aan toe. Zo ontstaat er een gemeenschappelijk beeld van wat we voor ons zien. Ik zie boer Jochum in de stal bezig en vertel hem alles. Hij luistert met een glimlach.

Alleen zo, rondcirkelend in ontspannen tijd en ruimte, alleen zo kan ik het nuttige de poëzie meegeven die de dingen levend maakt. De ruimte is een gedicht, dat we samen deschrijven, regel voor regel. Zo ga ik rond, aandachtig, soms tergend langzaam met lange wachttijden, dan weer sneller. In steeds grotere cirkels teken ik de woorden die ik hoor en de woorden vormen een paspoort. Een paspoort voor de wegen die ik mag bewandelen.

 

..

DE BOOMPJES

Met de geplante bomen gaat het keigoed, hier op de Swetteblom. Slechts 4 van de 45 zien er iets minder goed uit. En er zijn seringen die al 70 centimeter zijn gegroeid! En dat alles door de goeie start met Biohaag, vorig jaar. De supergezonde bomenvoeding met micchorizae, waardoor er schitterende wortels aan zijn gegroeid.  (Te koop  bij info@webshopdetuin.nl. Ik kocht een tien kilozak voor 350 boompjes voor 33 euro incl verzenden.)

..

MYCCHORIZAE, de SCHIMMELS

Dit is, in principe, hoe het werkt: planten produceren koolhydraten door middel van fotosynthese, maar niet alleen voor zichzelf. Ze geven een deel van hun koolstofsuikers af in de grond, waardoor de bacteriën en schimmels te eten krijgen. De bacteriën verdringen zich rond de wortelzone en de schimmels vormen enorme netwerken van in elkaar grijpende strengen die de ene plant vaak met de andere verbinden. De bacteriën zetten stikstof en andere voedingsstoffen om in vormen die de planten kunnen gebruiken, vaak door verslonden te worden door andere microben.

Endomycorrhiza-schimmels  vormen met elkaar de uitgestrekte groei van het mycellium, dat  contact heeft met de wortelhuid, maar dat veel verder reikt in de bodem. Ze vormen ook miljoenen vesikels en arbuskels   daarin kan de plant of boom veel voeding en water opslaan.

De schimmelstrengen, het mycelium, verhogen effectief de wortelmassa van zijn waardplant tot wel duizend keer en transporteren een schare goeden naar de waardplanten, waaronder fosfor, koper, calcium en zink. Er zijn ook aanwijzingen dat bomen dit netwerk gebruiken om signalen naar elkaar te sturen als er bijvoorbeeld bladetende plaagdieren zijn aangekomen.

In zijn Ted Talk verwees mycoloog Paul Stamets naar het mycelium als ‘natuurlijk internet van de aarde’.

 

Bronnen: Wikipedia en deze link van Washington Post.

 

 

 

 

 

 

 

Een zee van ongekende verhalen

.

 

.

Ondanks toenemende transparantie, groeit de vloed aan ongekende verhalen. Het vormt een ingewikkelde  berg spaghetti die blijft liggen op het strand en die almaar verder groeit. Elk ding dat ik koop of vind, vertelt me iets. Ik wil het weten! De feiten die ik bij nader onderzoek op mijn bord krijg, zijn niet mals. Het vraagt om aandacht en rust om er in te duiken en het te verwerken. Dat kan ik alleen opbrengen als ik eenvoudig leef.

.

Ik sta voor de stal. De ruimte waar de os en de koe in de winter staan, is nu gevuld met fietsen. Langs de muur, in het stof, staat een spade en een bezem. En erachter, onder een dekentje, staat mijn elektrische trekkertje, dat ik aan de hand mee kan voeren. Het is een mooi ding, waar ik straks mee de hort op ga met mijn Wandelhuisje. Maar toch is er iets. Er zit een bijsmaak aan. Elektrisch is beter voor het milieu, zeker als ik ze laad met eigen zonnepanelen. Maar ik heb wel twee zware gelaccu’s, met lood erin. Jakkes. Wat gebeurt daarmee als ze uiteindelijk waardeloos worden? Daar ben ik niet bij.

Accu’s met lood, mijnbouw voor grondstoffen in verre landen, ik kijk naar die dingen. Ik bestudeer het verhaal achter de spullen in mijn leven. Ik voel me net een arts die de ongezonde situatie bestudeert. Alleen als ik ernaar kijk, kan ik bedenken wat er aan te doen. Ik weiger om er depressief van te worden of om te gaan mopperen dat alles zo ingewikkeld is dat ik het ook niet meer weet. Ik ben niet verslaafd aan spullen. Ik kan dingen ook laten, als het moet. Liever iets te laten, dan rond te lopen met een rotverhaal, dat ver van mij plaatsvindt, maar waar ik rechtstreeks mee te maken heb. Ik doe wat ik kan.

Er zijn meer dingen waar ik niet bij ben, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen. Voor de energie in huis heb ik een andere accu, die ik zelf heb gekozen. Hoewel het volgens mij de minst slechte keus was, weet ik niet waar de grondstoffen vandaan komen. Ik heb uitgerekend dat mijn milieuvriendelijke lithiumaccu zeer waarschijnlijk wèl een dikke kilo kobalt bevat. Dat is een hoop! Hoeveel tijd kost het om een kilo kobalt te winnen? Wie heeft mijn kobalt in handen gehad? Was het een kindslaaf uit Congo? Ik weet het niet. Het zou kunnen dat zijn huid nog steeds geïrriteerd is en dat zijn longen pijn doen bij het ademen, door dag in dag uit in de mijnen te kruipen. Het kan zijn dat er voor de aanleg van de mijn mensen uit hun huizen zijn gezet. En dat ze nu ontheemd op onvruchtbare bodem staan, wachtend op de vervulling van loze beloften. Er is geen leefbaar bestaan voor teruggekomen. De mijnbouw plundert meer en meer land, en wat er overblijft is steeds minder. En dan is er nog de zee. Daar zit nog zes keer zoveel kobalt onder dan op land. Dat willen ze straks ook hebben. Ik kijk naar mijn mooie rooie trekding, dat daar stil in de stal staat. Ik kijk naar de zonnepanelen op mijn dak en de accu onder mijn bed. Ik denk aan de verhalen, die ik met mij meedraag, alleen al door een kilootje kobalt. En er is nog zoveel meer dan ik weet!

Zeer waarschijnlijk is mijn kilo kobalt getransporteerd naar China en daar, door wie dan ook, omgetoverd tot de accu. Ik ben er blij mee. O ja! Maar er zit toch een luchtje aan.

Ik leef eenvoudig. Dat is niet alleen voor mijn eigen rust en concentratie. Het is meer. Ik wil dat, wat ik gebruik, zoveel mogelijk van dichtbij halen. Wat ik mijn bezit noem, daar zit veel energie in. Energie van anderen die de tol betalen. Het zit ook in mijn laptop en in mijn mobiele telefoon en in veel meer. Maar ik doe mijn best. Het is een zoektocht en een avontuur, om een weg te slaan in de jungle van deze technologische tijd.

Mijn leven zal steeds eenvoudiger worden. En hoe meer mensen er meedoen, hoe makkelijker het gaat. Nu gebruik ik de computer om deze verhalen te schrijven. Maar in de toekomst heb ik dit medium misschien helemaal niet nodig. Ik zou een nieuwsbrief uit kunnen geven in plaats van een blog, ik zou een boek kunnen schrijven. En er zouden veel meer momenten zijn om elkaar te ontmoeten en om bij te praten in plaats van te chatten of te Whatsappen.
Ik zie was- en koelhuizen. Ik zie dorpstuinen, coöperaties en hereboeren die zorgen voor het landschap en het voedsel. Ik zie droogzolders. Ik zie leraren, studenten en ambachtslieden die je ter plekke tegenkomt, precies wanneer je ze nodig hebt.
Als meer mensen meedoen, wordt het steeds makkelijker om een andere weg in te slaan, letterlijk en figuurlijk. Er kunnen wegen en rustpunten worden aangelegd voor trekdieren in plaats van grondstoffen en parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Degenen die ons land zijn ontvlucht vanwege kaalslag, opgedrongen technologie, de onvruchtbaarheid van de regelgeest, iedereen kan terugkomen. Het kan lang of kort duren, het maakt niet uit. Maar dit is het pad dat ik bewandel en ik ga niet weg. En ik ben niet de enige die richting kiest. Wie gaat er nog meer mee?

.

Losmaken wat vastzit

.

.

 

Er zijn maar weinig mensen die het leuk vinden om brandnetels te rooien. Trekken, met wortel en al. Je erin vastbijten om de bodem lucht te geven, ruimte voor alle andere kiemen die eronder liggen en die geen kans krijgen. En al prikt de netel stiekum in het stukje blote vel, precies in de kier van je handschoen en je mouw, je laat je niet weerhouden. Het geeft een opgeruimd gevoel van ritme om elke ochtend, als er nog niemand is, weer een stuk te doen.

 

Op mijn modderige klompen sta ik te kijken hoe het licht speelt in het fijne blad van het fluitekruid. Ik kniel bij een stukje zwarte grond en zie hoe het Kruipend Zenegroen ontkiemt, dat ik zaaide. Maar ik zie nog veel meer.Wat zou het allemaal zijn? De bodem is prachtig, hij is donker en vochtig, het is los en rul gemaakt door de uitgetrokken wortels van de brandnetels. Als ik een zaadje was, dan wist ik het wel. Ontkiemen, wortelen en blaadjes maken, en dan omhoog, omhoog! O, wat gebeurt er nu veel op deze groeizame dagen van de lente. Ik kijk naar de bodem als een ander naar Netflix, maar het vervult me tot in mijn tenen, dat is het grote verschil. Ik maak er zelf deel van uit. Zelfs een week vol bewolkte dagen maakt mij niet meer bedrukt, in deze heerlijke lente.

Ja, de bodem bevat ongelooflijk veel mogelijkheden. En als de eerste bloemen zijn uitgebloeid zal ook de lucht vol van zaden zijn, verlangend naar een plek om te ontkiemen. Die plek moet er zijn. Vruchtbare bodem maken, luchtigheid en ruimte creëeren, het is een taak op zich.

Ik heb die ruimte! Het zit in mijn adem, in mijn borst en in mijn geest. Het zit in het genieten van mijn voeten die lopen kunnen en in nieuwsgierigheid naar al wat is.
Ik loop terug naar mijn kleine wandelhuisje. Niets houd me tegen om te gaan. Maar nu ben ik hier, in Friesland, op Ecocamping de Swetteblom. Het is hier goed, ik ben hier nodig. Ik plant bomen en maak plek voor iets anders, in de schuur en op het land. Anderen zien het en doen mee. Mogelijkheden vermenigvuldigen zich, verder dan ik kan kijken.

Ik doe de deur van mijn huisje open en geniet van de lichte wooncocon die ik heb gecreëerd. Hoewel het buiten fris is, is het er behaaglijk warm. De zon komt onder een wolk vandaan en schijnt op de vensterbank. Ik pak het kopje dat er staat en zet het aan de kant op de plank. Ik wil voorkomen dat het dicht slipt met alledaagse dingen. Ik ga zitten op de schapenvacht en vouw mijn benen op, zodat ik mijn koude voeten kan warmen met mijn eigen lichaam. Stil kijk ik naar buiten, waar de bomen steeds groener worden. Het licht dat door het raam naar binnenvalt weerkaatst op het warme hout. Het licht, de leegte, het wast me schoon van binnen. Dan sta ik op, mijn voeten zijn weer warm. Ik doe mijn klompen aan en stap het bordes af.

Er zal een dag zijn dat ik weer verder ga. Maar nu is het tijd om brandnetels te rooien, ruimte te maken voor het nieuwe dat zich steeds meer openbaart. De Swetteblom zal tot bloei komen. Dan ben ik klaar en ga ik. Op een rollende steen groeit geen mos, zei ooit één van mijn drie broers. Dat ben ik nooit vergeten. Beweging en ruimte, ik heb het nodig. Alleen zò kan ik creëren. Stap voor stap, als een ketting die ik rijg met mijn handen, samen met wie er is.

Geboeid door een plek die tot leven komt

.

.

Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. Ik laat me met plezier afleiden. Maar ik weet dat mijn pad verder gaat.

.

Ik gooi een bosje brandnetels opzij en strek mijn rug. De zon schijnt op een lichte sluier van blaadjes, de meidoorns lopen uit en ook de vlier. Lichtgroene toefjes ontstaan in de donkergroene jungle van braamstruiken en twee fitissen vliegen van tak tot tak. Ze trekken zich niks aan van de doorns en voelen zich beschermd door de stekelige zee. Ik beweeg mijn vingers om ze soepel te maken, na het harde werken. Mijn handen zijn net zo bedrijvig als de vogels, bouwend aan hun nest.

Deze lentedag houdt niet van verfrommelde lijstjes die al wekenlang klaarliggen. Aarde vraagt om handen. Hoe meer kleur en geur hoe meer ik tot leven kom. Lente! Ik kan me niet aan die enorme kracht onttrekken. Alles roept en groeit.
Overal ben ik, luister ik en kijk ik. Ik wied brandnetels langs de paadjes om er munt uit te planten. Ik snoei het enorme braambos een stukje in. Ergens daarachter staat een grote woonwagen, dat ik het kasteel van Doornroosje heb genoemd. Ze heeft ook een prins. Het stel is er niet zo vaak en als ze er wel zijn zie je ze niet.
De braam groeit met grijpgrage scheuten, gretig en snel. Mijn kniptang is voor dit moment de heerser, al is het maar even. Mijn klompen trappen dode stekeltakken stuk. Dan hoor ik een stem. “Hallo!” Opeens staat de prins van Doornroosje naast me, een gespierde vent met lang haar en een tattoo op zijn schouder. Hij kijkt me gespannen aan en vraagt wat. Of ik niet te ver ga met die bramen. Het is hun privacy, legt hij uit. Ik kijk hem aan en zeg dat ik het wel snap van die privacy. Maar het is nodig dat ik meer ruimte maak aan deze kant. Ik knip niet alles kaal, want daar houd ik niet van. En er komt een sering, lekker hoog. Of ze dat ook mooi vinden? Dat moet hij even met Doornroosje bespreken en hij verdwijnt achter een deur waar een gordijn voor hangt. Even later komt hij weer het pad aflopen. Ja, zo’n hoge struik met paarse bloemen, dat is best okee, zegt hij. Maar zelf had hij de bramen liever laten verder groeien en het spijt hem dat dat niet kan op een camping. Dan gaat hij gaat weer.

Ik ga verder en verken elk hoekje. Ik graaf mooie planten uit die in de looproute staan en geef ze een beter plekje. Het zijn Monnikskappen en ze worden lang en paars. Giftig zijn ze ook. Ik zet ze middenin een veld brandnetels, dan kan niemand er bij. Terwijl ik naar het resultaat kijk, komt er een vrouw naar me toegelopen, over het smalle pad tussen de begroeiing door. Haar grijze haren zijn opgestoken boven haar ronde volle gezicht. Zij is hier af en toe, net als Doornroosje. Ik zie haar genieten met haar kersverse echtgenoot. Het geluk dat ze uitstraalt maakt haar mooi en levendig. Vastbesloten komt ze dichterbij, tot ze tegenover me staat. “Weet je een manier hoe ik de brandnetels kwijtraak? Ik vind het zo inspirerend wat je doet, ik ga ook bloemen uitplanten!”
Ik zeg dat ik brandnetels drastisch weg haal en vertel enthousiast hoe ik dat doe. Ze knikt. “Ik ga het proberen”, zegt ze en kijkt me ineens aandachtig aan. “En weet je, jij kàn hier helemaal niet weg!!” Ze groet me lachend, draait zich om en loopt weg. Ik glimlach.

De één wil met rust worden gelaten, de ander laat zich inspireren. Zo gaat het. Als je zo aan het werk bent, dan leer je de mensen snel kennen. Nadenkend was ik mijn zwarte handen in een emmer water en kijk naar mijn huisje. Ik moet nu toch echt voor mezelf bezig gaan. Het plan is immers om te gaan trekken! De banden zijn al opgepompt, maar er is nog veel meer te doen, voor ik zover ben. Ik draai mijn gezicht naar het westen. De zon schijnt laag tussen de bomen door, de dag loopt op zijn eind. Wat nu? Eerst maar die berg uitgetrokken brandnetels opruimen. En de kuilen die ik heb gemaakt in het pad, om die monnikskappen uit te graven, die moeten toch echt weer dicht, anders valt er nog iemand.

De lente geeft me kracht en inspiratie. En die geef ik weer terug aan de plek waar ik ben. Lente is een feest, een feest dat plannen in de war schopt. En hoe meer mensen er meedoen, hoe liever het me is.

.

 

Zeulen voor een gevulde keuken

.

 

Een duurzaam en eenvoudig leven, je moet er wat voor over hebben. Maar ik vandaag train ik mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot. Ze mogen denken dat ik een zwerver ben, van binnen ben ik rijk.

.

Ik sluit de deur. Achter me klinken pianoklanken, de volgende leerling is al bezig. Mijn pianoles is nu afgelopen. Ik loop naar mijn fiets en kijk naar de fietskar. Die moet nu worden gevuld met boodschappen. Ik heb bijna tien kilometer gefietst naar de pianoles en dan is het handig om zaken te combineren. Ik voel in mijn zakken. Die voelen akelig leeg. Shit. Portemonnee vergeten, hij ligt nog op de vensterbank. Ik blaas de donderwolk opzij, die zich boven mijn hoofd begint samen te pakken. Het is zoals het is. Morgen is er weer een kans. En dan ga ik met de bus. Dat scheelt weer een lang eind fietsen met al die bagage, tegen de harde wind in.

De volgende dag fiets ik met rugzak op naar de bushalte. Achter mijn fiets hobbelt het karretje, daar kan ik straks de volle vracht in droppen. Ik parkeer de fiets met de kar bij de halte. De wind is hard en koud, ik ben blij als ik in de warme bus kan stappen.
In Leeuwarden trek ik de riemen van mijn rugzak strakker aan en loop eerst naar een koffietentje om mezelf te verwennen. Als ik met een volle kop Latte Machiato naar een leeg tafeltje loop, zit het gevaarte op mijn rug wel wat in de weg, de tafeltjes staan dicht op elkaar voor zoveel mogelijk klandizie. Een stel kijkt me verstoord aan. “Dank u wel dat ik er even langs mag,” lach ik met mijn vriendelijkste glimlach. Het maakt niks uit. Ze kijken zuur naar de grote rugzak.

Ik loop door naar de Ecowinkel. Ik koop zoveel groente, fruit, pompoenpitten en rozijnen, dat ik mijn rugzak nog net op mijn rug kan hijsen. Ik gesp het riempje op mijn borst dicht en trek de buikriem strak. Het gaat net. Mijn chique wijde jas wordt tot een frommeltje samengeperst, mijn mooie grote sjaal zit onder de riem gepropt tegen de druk van het insnoeren. Als een molenpaard tors ik het gewicht, loop stapvoets terug naar het busstation en kijk niet op of om.
Opeens hoor ik achter me twee jongens grinniken. “Heeft u wèl geld gehad?” Ik begrijp het eerst niet en antwoord het eerste wat in me op komt: “Ik heb een voorraad eten in geslagen. Dat zit in mijn rugzak.”
Hun respons klinkt verontwaardigd. “Ja wij willen ook graag eten, maar we hebben geen geld!”
Ik zeg dat ik dat heel rot voor ze vind en kijk ze verbaasd na. Kennelijk zien ze in mij een gelijke, een vrouw van de straat, zeulend met al haar bezit. Geen welvarend mens gaat lopen sjouwen met zo’n ding, al zit hij nog zo vol met dure biogroente. Ze lopen me in snel tempo voorbij. Het is niet aan ze af te zien, dat het jongens van de straat zijn. Ze zijn jong en vrolijk en goed gekleed. Ik zie er meer uit als een zwerver dan zij, kromgebogen met mijn vracht op de rug, in mijn verfrommelde jas. En dat alles voor een duurzaam en eenvoudig leven. Je moet er wat voor over hebben. Maar ik train mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot.

Als ik thuis ben maak ik de lekkerste yoghurt klaar die ik ooit heb gehad, met een heerlijk cox appeltje er in, een likje honing, rozijnen en een toefje kaneel. Helemaal gelukkig steek ik de lepel in mijn mond. Alles waar je moeite voor doet, smaakt driedubbel zo lekker. Als ik dan toch een zwerver ben, dan wel eentje die best geboft heeft.

.

Ook als ik straks onderweg ben, zal ik er rekening mee moeten houden op de juiste momenten voorraden in te slaan. De voordelen van de stad zijn dan ver weg. Maar wie weet welke verrassingen langs de kant van de weg te vinden zijn. In Friesland en Groningen kan ik zien wat ik aan eetbaars in de berm vind. Verder naar het zuiden, waar steeds meer begroeiing is, zijn ook meer kraampjes langs de weg, waar voedsel verkrijgbaar is. Maar zo ver kom ik dit jaar vast nog niet, want ik begin heeeeeel langzaam.

.

 

Het meisje dat het hooi kwam halen

.

.

Hooi is mooi. Geurend hooi in een kleine baal met een touwtje erom is een kunstwerk. Het laat de schoonheid zien in gewone dingen, die we soms bijna vergeten zijn. Ik sprak met een jonge Friezin die een kar vol balen kwam halen.

.

“Als je de hooizolder nog wil zien, moet je nu gaan, want ze komen het halen,” kwam boer Jochum mij zeggen. Ik klom de ladder op tussen balken vol spinnewebben. Ik dook in het hooi en rook de zoetige geur die doet denken aan vroeger, toen de balen nog niet door grote stalen grijparmen werden ingepakt met enige tientallen lagen lichtgroen of zwart plastic. Die wereld lijkt heel ver weg op deze plek.

En nu staat daar een grote kar, half in de schuur geparkeerd. Ik hang over mijn onderdeur en kijk toe. Jochum gooit de balen in de schuur naar beneden. Vader en dochter geven de balen aan elkaar door en de stapel op de kar wordt hoger en hoger. Tot het vol is en tijd voor vertrek.
Om weg te kunnen, moet de vracht eerst een heel krap hoekje om, vlak langs de oude boerderij. Terwijl de mannen staan te kijken hoe dat het beste kan, begin ik een gesprek met de jonge vrouw. Ze is begin twintig, haar donkerblonde haar is nonchalant opgestoken zodat het niet in de weg zit. Ze kijkt me levendig aan met haar blauwe ogen en wil graag mijn huis zien. De buitenkant vindt ze mooi, maar van de binnenkant is ze pas echt onder de indruk. Samen staan we op het bordes en kijken over de onderdeur heen naar binnen, terwijl de trekker de eerste pogingen doet om de kar de bocht om te krijgen. Vooruit, achteruit en weer terug, vlak langs de bakstenen muur.
“Het zou mooi zijn als je hier echt mee ging trekken,” zegt ze en ik lach opgewekt. “Ja! Dat is ook de bedoeling. Ik dacht eerst dat ik met paarden of muildieren zou reizen. Maar dat is geen optie.” Ze kijkt nadenkend. “Ja dan moeten het wel heel zware dieren zijn. Kan het niet met iets anders? Een trekker?” Grijnzend wijs ik naar de stal. “Daar staat hij! Mijn electrotrekker. Ik kan er maximaal tien kilometer per dag mee. Laden kan met de zonnepanelen die op mijn bagagewagen komen te liggen. Zo ben ik onafhankelijk, wat energie betreft.”
Ondertussen kijken we allebei naar de manoeuvres met de hooiwagen. Een baal steekt wat uit en houdt de boel tegen. De trekker neemt een nog ruimere bocht, tot vlak langs de oude auto die ingegroeid is tussen een paar vlierbomen. Ik hoor wat kraken, maar het effect is duidelijk. Hij komt een stuk verder.
“Tien kilometer per dag? Dat is niet ver,” zegt ze. Ik haal mijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Ik ben een keer twintig meter verhuisd met een woonwagen, gewoon voor een ander uitzicht. Dat was al een hele belevenis.” Ze knikt met een blik vol herkenning. “Ja, ik ben pas naar de andere kant van het dorp verhuisd, dat is ook al heel anders. Maar niet zo anders als Gent, waar ik een jaar heb gestudeerd. Mensen gaan daar toch heel anders met elkaar om. Ze draaien om de hete brij heen. Wij Friezen zijn meer recht voor zijn raap. Dat ben ik zo gewend. Maar ik ben blij dat ik weet dat het ook anders kan.”
“Zou je hier ooit weg willen?” vraag ik.
“Nee nooit!” zegt ze vastbesloten. “Ik woon nu met mijn vriend in een prachtig boerderijtje met twee echte bedstedes. Ik houd van Friesland, dit is mijn thuis. Ik wil hier nooit weg. Al weet je natuurlijk niet wat er gebeurt.”
“Fijn dat je een plek heb waar je helemaal thuis bent, ” zeg ik. “Dat heb ik niet meer. In de polder, waar ik geboren ben, daar is het niet. In Utrecht heb ik mijn netwerk, daar heb ik geschiedenis opgebouwd, daar heb ik mijn roots. Maar ik wil en kan niet terug naar de stad. Dus ik ben nu een echte nomade aan het worden, ” grijns ik.
“Ik ben benieuwd naar je avonturen, ” zegt ze. Ik doe een stap naar binnen en geef haar mijn kaartje. “Kijk maar. Er is van alles te beleven op mijn blog.” Blij pakt ze het aan. Voor hen die blijven zijn er altijd nog de verhalen van reizigers.

De trekker steekt voor de laatste keer, de uitstekende baal schuurt tegen de hoek van de boerderij langs, maar het lukt. “Ik moet gaan,” zegt ze. “Ik wens je heel veel plezier op je reis.” Ik glunder. “En jij ook, in je mooie boerderij met je vriend!” Ze lacht en springt het bordes af, om gauw in de trekker te stappen, naast haar vader, terug naar het dorp waar ze zo mee vergroeid is. Een mooie jonge Friezin, met een heel leven voor zich, dat is ze.

.

.

.

Hooien.

Dit is het andere beeld dat veel meer gangbaar is. Rijke boeren met veel land gebruiken met hun hightech hooimethodes niet alleen veel plastic, maar ook veel subsidie. In dit filmpje kun je zien hoe vernuftig de machines zijn, die ze daarmee kunnen kopen. Je kijkt je ogen uit. Maar de balans raakt zoek. Kleine boeren krijgen nauwelijks of geen geld en moeten wél investeren om zich te blijven aanpassen. Velen redden het niet. Onafhankelijkheid door specialisatie is een oplossing. Ik sta nu met ‘t Wandelhuis bij Boer Jochum. Hij heeft altijd zes koeien gehad en maakte kwark en yoghurt, die hij zelf naar de biologische winkel bracht. Daarbij voerde hij een camping, dezelfde als waar ik nu sta. Hij redde het net, het was hard werken. Nu hij zeventig is, kan hij iets rustiger aan doen en is hij gestopt met de zuivelverwerking. Jammer, ik ben gek op kwark.

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

Het trage tikken van tijd

.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. Gelukkig heb ik een wekker. Ik wind hem op en al draaiend ga ik een spannend nieuwjaar in.

.

Een bleek gezicht kijkt me aan. Het is een wintergezicht, dat mij in de spiegel aanstaart. Het haar is donker, al de door de zon gebleekte plukken zijn eraf. Op de dag van de zonnewende heb ik het geknipt, zodat het tegelijk met het nieuwe licht weer groeien kan. Wiekie gekortwiekt! Ik lach naar het bleke gezicht omlijst door haren die alle kanten opstaan. Het gezicht lacht tot mijn tevredenheid terug.

We missen het licht nu al dagen. Ik heb geleerd te leven in het donker, de jaren dat ik onder straatstenen en herenhuizen in een Utrechtse werfkelder woonde. Ik kan wachten tot de zon weer terug komt, het heerlijke moment dat de energie weer gaat stromen. Ik kan wachten, tot het wachten popelen wordt, vlak voor het voorjaar doorbreekt. Wat een feest is dat! Dat de zonnekracht stroomt door het hele lijf en overal waar het nodig is. Dat het stroomt door mijn stopcontacten, die me nu leeg en doelloos aankijken met hun zwarte oogjes.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. De nutteloos geworden snoeren en stekkers liggen netjes opgeborgen in de kast. Het leven verandert grondig. Ik wen er snel aan, maar tegelijkertijd besef ik hoe weinig mensen dit kennen, behalve dan misschien op een regenachtige dag in de vakantie. Het schrijven met pen en papier is soms een dromerige bezigheid. Ik kijk door het raam naar buiten, terwijl mijn gedachten als wolken door de hemel drijven. Mijn pen maakt met zwarte inkt zinnen op papier. Ik ijsbeer, want dan kan ik beter nadenken. Ik maak muziek of hang op de kop aan mijn plafond. Mijn huis lijkt op een capsule, waar de tijd lijkt stil te staan. Mijn telefoon staat bijna altijd uit, om stroom te sparen. Dus ik heb geen digitale cijfers die de tijd weergeven.
Toch staat de tijd niet helemaal stil. En dat is dankzij een prachtige nieuwe opwindbare wekker.  Ik ben blij met mijn wekker. Ik moet er iets voor doen om het tikken van tijd gaande te houden. Het geeft mij veel voldoening om elke ochtend, wanneer ik uit bed kom, het degelijke tijdklokje op te winden. Ik voel het gewicht van het raderwerk, ik voel de knoppen die niet rammelen, ik luister naar het uurwerk dat strak doordraait zonder zonder speling. Het is een echte goeie, zoeen wide ik altijd al hebben.

En zo tikt mijn wekker het nieuwjaar in. Ik hoop dat het een jaar wordt waarin veel mensen hun wensen waar kunnen maken. Veel geluk iedereen en maak er wat moois van!

Mijn opwindbare tijdklok

Ik draai de tijd op gang.
net zo lang
tot het nieuwe jaar begint
Ik draai tot de dagen lengen
tot het eindeloze weiland wit is
van venijnig koude vorst
en de vogels hun dorst
moeten lessen met sneeuw

Ik draai
tot de oostenwind de hemel schoonmaakt
en de zon weer schijnen gaat
die groeit in warme kracht
Ik draai tot de lente wordt gebracht
op vleugels van de zuidenwind
en dan
als bloesems uit trillende knoppen knallen
is het moment dat mijn reis begint.

.

Al ben je de enige

.

En altijd breekt de zon weer door

.

De lucht is grijs, de teller van mijn zonnepanelen blijft maar op nul staan. Het is de donkerste dag van het jaar, de dag van de zonnewende. Ik kijk geen filmpjes, ik luister geen muziek, de laptop staat dagenlang ongebruikt in de hoek. In plaats daarvan maak ik tekeningen, schrijf met pen op papier en speel dwarsfluit. De fluit ligt te glanzen op de vensterbank met een stuk van Bach en Teleman ernaast. Ik heb mijn zuiverheid geoefend en de lenigheid van mijn vingers op de zwarte noten getest, die als mieren over het witte blad kriebelen. Het gaat hartstikke goed, maar nu verlang ik naar frisse wind om mijn hoofd. Ik ben al te lang binnen geweest. En straks komen er drie studenten van de kunstakademie om een korte docu te maken over hoe ik leef. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog mooi een lange wandeling kan maken, voor ze er zijn.

Als ik terugkom loop ik voorbij twee bouwvakkers. De twee vijftigers werken stoer door in wind en mottige regen aan een nieuwe goot. Het is een grote goot en veel werk. Ik loop naar ze toe en bewonder hun werk. Ze stellen me vragen over waar de afvoer moet komen. Ik zeg dat ik het niet weet. Tot nu toe dachten ze dat ik ook een bewoner was, maar nu weet ik ze eindelijk duidelijk te maken dat ik hier te gast ben.
“O, ga je weg? En waarheen dan?” vraagt de dikste en de meest spraakzame van de twee. Kort vertel ik mijn plan. “Ik wil al wandelend de grenzen van Nederland af.”
“En hoe trek je je woonwagen dan?”
“Het is eigenlijk geen woonwagen, maar een wonderwandelhuis, ” begin ik. Daarna beantwoord ik zijn vraag. “Ik heb een electrische mover om er voor te zetten. En als ik dan door Nederland reis, dan kom ik vast en zeker mensen en plekken tegen die me boeien. Dan blijf ik daar een tijdje.”
“Ga toch naar het buitenland! Daarna kom je gewoon weer terug.” Hij begint enthousiast te worden.
“Ik heb geen terug. Ik ben er al. Nederland is mijn thuis. Door te trekken en mensen te ontmoeten kan ik straks overal terugkeren en thuiszijn.”
De man kijkt vaag voor zich uit. Ik vraag me af of hij wel luistert. Opeens begint hij te lachen. “Waarom zet je geen rendier voor je wagen?”
“Doe jij dat maar,” kaats ik terug. “En als je dan met je kar de lucht in vliegt, dan noemen we je Wodan.” Hij kijkt me verbaasd aan, zijn bolle gezicht verschiet en hij buldert van het lachen. Ja ik zie hem wel als Wodan. En ik geloof werkelijk dat hij zich gevleid voelt. Ik groet hem om terug te lopen naar mijn warme wonderwandelhuis. In de verte zie ik drie fietsen aankomen. Het zijn de studentes voor de film.

Ze zetten hun fietsen neer en ik wijs naar de bagagewagen. “Doe daar je tas maar in, met de spullen die je niet nodig hebt.” Ik laat ze binnen en geniet van hun jonge stralende ogen. Ze vinden mijn huis prachtig. Ze stellen vragen en filmen. Het ontwikkelen van je authenticiteit in vrijheid, daar gaat het over. Ze begrijpen goed hoe belangrijk het is om doortastende keuzes te maken, al ben je de enige en al ben je alleen. De dag wordt afgesloten met een prachtige zonsondergang. Met glimmende ogen pakken ze hun spullen om te gaan.
Vanuit mijn warme huisje kijk ik ze na en gloei van tevredenheid. Ik houd van zulke jonge mensen, die hun dromen onderzoeken. We hebben elkaar nodig, zij en ik.

.