Het meisje dat het hooi kwam halen

.

.

Hooi is mooi. Geurend hooi in een kleine baal met een touwtje erom is een kunstwerk. Het laat de schoonheid zien in gewone dingen, die we soms bijna vergeten zijn. Ik sprak met een jonge Friezin die een kar vol balen kwam halen.

.

“Als je de hooizolder nog wil zien, moet je nu gaan, want ze komen het halen,” kwam boer Jochum mij zeggen. Ik klom de ladder op tussen balken vol spinnewebben. Ik dook in het hooi en rook de zoetige geur die doet denken aan vroeger, toen de balen nog niet door grote stalen grijparmen werden ingepakt met enige tientallen lagen lichtgroen of zwart plastic. Die wereld lijkt heel ver weg op deze plek.

En nu staat daar een grote kar, half in de schuur geparkeerd. Ik hang over mijn onderdeur en kijk toe. Jochum gooit de balen in de schuur naar beneden. Vader en dochter geven de balen aan elkaar door en de stapel op de kar wordt hoger en hoger. Tot het vol is en tijd voor vertrek.
Om weg te kunnen, moet de vracht eerst een heel krap hoekje om, vlak langs de oude boerderij. Terwijl de mannen staan te kijken hoe dat het beste kan, begin ik een gesprek met de jonge vrouw. Ze is begin twintig, haar donkerblonde haar is nonchalant opgestoken zodat het niet in de weg zit. Ze kijkt me levendig aan met haar blauwe ogen en wil graag mijn huis zien. De buitenkant vindt ze mooi, maar van de binnenkant is ze pas echt onder de indruk. Samen staan we op het bordes en kijken over de onderdeur heen naar binnen, terwijl de trekker de eerste pogingen doet om de kar de bocht om te krijgen. Vooruit, achteruit en weer terug, vlak langs de bakstenen muur.
“Het zou mooi zijn als je hier echt mee ging trekken,” zegt ze en ik lach opgewekt. “Ja! Dat is ook de bedoeling. Ik dacht eerst dat ik met paarden of muildieren zou reizen. Maar dat is geen optie.” Ze kijkt nadenkend. “Ja dan moeten het wel heel zware dieren zijn. Kan het niet met iets anders? Een trekker?” Grijnzend wijs ik naar de stal. “Daar staat hij! Mijn electrotrekker. Ik kan er maximaal tien kilometer per dag mee. Laden kan met de zonnepanelen die op mijn bagagewagen komen te liggen. Zo ben ik onafhankelijk, wat energie betreft.”
Ondertussen kijken we allebei naar de manoeuvres met de hooiwagen. Een baal steekt wat uit en houdt de boel tegen. De trekker neemt een nog ruimere bocht, tot vlak langs de oude auto die ingegroeid is tussen een paar vlierbomen. Ik hoor wat kraken, maar het effect is duidelijk. Hij komt een stuk verder.
“Tien kilometer per dag? Dat is niet ver,” zegt ze. Ik haal mijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Ik ben een keer twintig meter verhuisd met een woonwagen, gewoon voor een ander uitzicht. Dat was al een hele belevenis.” Ze knikt met een blik vol herkenning. “Ja, ik ben pas naar de andere kant van het dorp verhuisd, dat is ook al heel anders. Maar niet zo anders als Gent, waar ik een jaar heb gestudeerd. Mensen gaan daar toch heel anders met elkaar om. Ze draaien om de hete brij heen. Wij Friezen zijn meer recht voor zijn raap. Dat ben ik zo gewend. Maar ik ben blij dat ik weet dat het ook anders kan.”
“Zou je hier ooit weg willen?” vraag ik.
“Nee nooit!” zegt ze vastbesloten. “Ik woon nu met mijn vriend in een prachtig boerderijtje met twee echte bedstedes. Ik houd van Friesland, dit is mijn thuis. Ik wil hier nooit weg. Al weet je natuurlijk niet wat er gebeurt.”
“Fijn dat je een plek heb waar je helemaal thuis bent, ” zeg ik. “Dat heb ik niet meer. In de polder, waar ik geboren ben, daar is het niet. In Utrecht heb ik mijn netwerk, daar heb ik geschiedenis opgebouwd, daar heb ik mijn roots. Maar ik wil en kan niet terug naar de stad. Dus ik ben nu een echte nomade aan het worden, ” grijns ik.
“Ik ben benieuwd naar je avonturen, ” zegt ze. Ik doe een stap naar binnen en geef haar mijn kaartje. “Kijk maar. Er is van alles te beleven op mijn blog.” Blij pakt ze het aan. Voor hen die blijven zijn er altijd nog de verhalen van reizigers.

De trekker steekt voor de laatste keer, de uitstekende baal schuurt tegen de hoek van de boerderij langs, maar het lukt. “Ik moet gaan,” zegt ze. “Ik wens je heel veel plezier op je reis.” Ik glunder. “En jij ook, in je mooie boerderij met je vriend!” Ze lacht en springt het bordes af, om gauw in de trekker te stappen, naast haar vader, terug naar het dorp waar ze zo mee vergroeid is. Een mooie jonge Friezin, met een heel leven voor zich, dat is ze.

.

.

.

Hooien.

Dit is het andere beeld dat veel meer gangbaar is. Rijke boeren met veel land gebruiken met hun hightech hooimethodes niet alleen veel plastic, maar ook veel subsidie. In dit filmpje kun je zien hoe vernuftig de machines zijn, die ze daarmee kunnen kopen. Je kijkt je ogen uit. Maar de balans raakt zoek. Kleine boeren krijgen nauwelijks of geen geld en moeten wél investeren om zich te blijven aanpassen. Velen redden het niet. Onafhankelijkheid door specialisatie is een oplossing. Ik sta nu met ‘t Wandelhuis bij Boer Jochum. Hij heeft altijd zes koeien gehad en maakte kwark en yoghurt, die hij zelf naar de biologische winkel bracht. Daarbij voerde hij een camping, dezelfde als waar ik nu sta. Hij redde het net, het was hard werken. Nu hij zeventig is, kan hij iets rustiger aan doen en is hij gestopt met de zuivelverwerking. Jammer, ik ben gek op kwark.

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

Het trage tikken van tijd

.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. Gelukkig heb ik een wekker. Ik wind hem op en al draaiend ga ik een spannend nieuwjaar in.

.

Een bleek gezicht kijkt me aan. Het is een wintergezicht, dat mij in de spiegel aanstaart. Het haar is donker, al de door de zon gebleekte plukken zijn eraf. Op de dag van de zonnewende heb ik het geknipt, zodat het tegelijk met het nieuwe licht weer groeien kan. Wiekie gekortwiekt! Ik lach naar het bleke gezicht omlijst door haren die alle kanten opstaan. Het gezicht lacht tot mijn tevredenheid terug.

We missen het licht nu al dagen. Ik heb geleerd te leven in het donker, de jaren dat ik onder straatstenen en herenhuizen in een Utrechtse werfkelder woonde. Ik kan wachten tot de zon weer terug komt, het heerlijke moment dat de energie weer gaat stromen. Ik kan wachten, tot het wachten popelen wordt, vlak voor het voorjaar doorbreekt. Wat een feest is dat! Dat de zonnekracht stroomt door het hele lijf en overal waar het nodig is. Dat het stroomt door mijn stopcontacten, die me nu leeg en doelloos aankijken met hun zwarte oogjes.

In een huis zonder stroom lijkt de tijd stil te staan. De nutteloos geworden snoeren en stekkers liggen netjes opgeborgen in de kast. Het leven verandert grondig. Ik wen er snel aan, maar tegelijkertijd besef ik hoe weinig mensen dit kennen, behalve dan misschien op een regenachtige dag in de vakantie. Het schrijven met pen en papier is soms een dromerige bezigheid. Ik kijk door het raam naar buiten, terwijl mijn gedachten als wolken door de hemel drijven. Mijn pen maakt met zwarte inkt zinnen op papier. Ik ijsbeer, want dan kan ik beter nadenken. Ik maak muziek of hang op de kop aan mijn plafond. Mijn huis lijkt op een capsule, waar de tijd lijkt stil te staan. Mijn telefoon staat bijna altijd uit, om stroom te sparen. Dus ik heb geen digitale cijfers die de tijd weergeven.
Toch staat de tijd niet helemaal stil. En dat is dankzij een prachtige nieuwe opwindbare wekker.  Ik ben blij met mijn wekker. Ik moet er iets voor doen om het tikken van tijd gaande te houden. Het geeft mij veel voldoening om elke ochtend, wanneer ik uit bed kom, het degelijke tijdklokje op te winden. Ik voel het gewicht van het raderwerk, ik voel de knoppen die niet rammelen, ik luister naar het uurwerk dat strak doordraait zonder zonder speling. Het is een echte goeie, zoeen wide ik altijd al hebben.

En zo tikt mijn wekker het nieuwjaar in. Ik hoop dat het een jaar wordt waarin veel mensen hun wensen waar kunnen maken. Veel geluk iedereen en maak er wat moois van!

Mijn opwindbare tijdklok

Ik draai de tijd op gang.
net zo lang
tot het nieuwe jaar begint
Ik draai tot de dagen lengen
tot het eindeloze weiland wit is
van venijnig koude vorst
en de vogels hun dorst
moeten lessen met sneeuw

Ik draai
tot de oostenwind de hemel schoonmaakt
en de zon weer schijnen gaat
die groeit in warme kracht
Ik draai tot de lente wordt gebracht
op vleugels van de zuidenwind
en dan
als bloesems uit trillende knoppen knallen
is het moment dat mijn reis begint.

.

Al ben je de enige

.

En altijd breekt de zon weer door

.

De lucht is grijs, de teller van mijn zonnepanelen blijft maar op nul staan. Het is de donkerste dag van het jaar, de dag van de zonnewende. Ik kijk geen filmpjes, ik luister geen muziek, de laptop staat dagenlang ongebruikt in de hoek. In plaats daarvan maak ik tekeningen, schrijf met pen op papier en speel dwarsfluit. De fluit ligt te glanzen op de vensterbank met een stuk van Bach en Teleman ernaast. Ik heb mijn zuiverheid geoefend en de lenigheid van mijn vingers op de zwarte noten getest, die als mieren over het witte blad kriebelen. Het gaat hartstikke goed, maar nu verlang ik naar frisse wind om mijn hoofd. Ik ben al te lang binnen geweest. En straks komen er drie studenten van de kunstakademie om een korte docu te maken over hoe ik leef. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog mooi een lange wandeling kan maken, voor ze er zijn.

Als ik terugkom loop ik voorbij twee bouwvakkers. De twee vijftigers werken stoer door in wind en mottige regen aan een nieuwe goot. Het is een grote goot en veel werk. Ik loop naar ze toe en bewonder hun werk. Ze stellen me vragen over waar de afvoer moet komen. Ik zeg dat ik het niet weet. Tot nu toe dachten ze dat ik ook een bewoner was, maar nu weet ik ze eindelijk duidelijk te maken dat ik hier te gast ben.
“O, ga je weg? En waarheen dan?” vraagt de dikste en de meest spraakzame van de twee. Kort vertel ik mijn plan. “Ik wil al wandelend de grenzen van Nederland af.”
“En hoe trek je je woonwagen dan?”
“Het is eigenlijk geen woonwagen, maar een wonderwandelhuis, ” begin ik. Daarna beantwoord ik zijn vraag. “Ik heb een electrische mover om er voor te zetten. En als ik dan door Nederland reis, dan kom ik vast en zeker mensen en plekken tegen die me boeien. Dan blijf ik daar een tijdje.”
“Ga toch naar het buitenland! Daarna kom je gewoon weer terug.” Hij begint enthousiast te worden.
“Ik heb geen terug. Ik ben er al. Nederland is mijn thuis. Door te trekken en mensen te ontmoeten kan ik straks overal terugkeren en thuiszijn.”
De man kijkt vaag voor zich uit. Ik vraag me af of hij wel luistert. Opeens begint hij te lachen. “Waarom zet je geen rendier voor je wagen?”
“Doe jij dat maar,” kaats ik terug. “En als je dan met je kar de lucht in vliegt, dan noemen we je Wodan.” Hij kijkt me verbaasd aan, zijn bolle gezicht verschiet en hij buldert van het lachen. Ja ik zie hem wel als Wodan. En ik geloof werkelijk dat hij zich gevleid voelt. Ik groet hem om terug te lopen naar mijn warme wonderwandelhuis. In de verte zie ik drie fietsen aankomen. Het zijn de studentes voor de film.

Ze zetten hun fietsen neer en ik wijs naar de bagagewagen. “Doe daar je tas maar in, met de spullen die je niet nodig hebt.” Ik laat ze binnen en geniet van hun jonge stralende ogen. Ze vinden mijn huis prachtig. Ze stellen vragen en filmen. Het ontwikkelen van je authenticiteit in vrijheid, daar gaat het over. Ze begrijpen goed hoe belangrijk het is om doortastende keuzes te maken, al ben je de enige en al ben je alleen. De dag wordt afgesloten met een prachtige zonsondergang. Met glimmende ogen pakken ze hun spullen om te gaan.
Vanuit mijn warme huisje kijk ik ze na en gloei van tevredenheid. Ik houd van zulke jonge mensen, die hun dromen onderzoeken. We hebben elkaar nodig, zij en ik.

.

Opruimen als levenstaak

.

.

Ik sta bij mijn opslaghoek, in de schuur. Het gaat weer gebeuren. Voor de ik-weet-niet-hoeveelste-keer, ga ik opnieuw kiezen wat ik meeneem op mijn levenspad. Voor me staan zwarte veilingkistjes, met daarin gereedschappen, band, rolletjes EPDM, touwen van diverse diktes, schroeven, bouten en moeren, beitels, een lang snoer en een piepklein ladenkastje vol handige dingetjes, zoals slangenklemmen, musketonhaken en een prachtig hardhouten katrolletje. Ik wil helemaal niets meer weg doen. Maar als het moet, dan moet het.
Buiten staat de bagagewagen. Eén meter twintig breed en twee meter lang is hij.Er zit een mooi deksel op van dunne staalplaat, dat schuin afloopt naar beide zijkanten. Het is niet groot, maar misschien nèt genoeg.
De inhoud van de kistjes is netjes gesorteerd, sinds de verhuizing. Eén voor één zet ik ze er in. En wat heerlijk, het past precies! Ik maak een sprongetje van blijdschap. Ik hoef niet nog meer weg te doen. Dit is het! Dit is echt wat het is, wat ik meeneem op mijn tocht! Het is het eindresultaat van 18 jaar kiezen.

.

Voor de Correspondent schreef ik in een reactie een rake en beknopte samenvatting onder een stuk over opruimen. De vraag die gesteld werd was: Hoe ontprikkel jij je leven? Dit is mijn antwoord.

 

O, deze vraag is mij op het lijf geschreven. Er zit een heel lang verhaal aan vast. Ik verloor mijn man op mijn 37e. Ik bleef achter met een enorme berg emoties en spullen. Ik had een heel oud huis (een werfkelder in Utrecht) een hele werkplaats tjokvol machines, houten kunstwerken, ijzer, boomstammen, dekenkisten, draaibanken, bouten en moeren, oude gereedschappen, wieltjes, enz enz. Alleen al de werkplaats was 70 M2 met grote bergen en een paadje erdoorheen. En dat was nog lang niet alles. Want ook was er de vloot van vier boten. De grootste was 20 meter, een schip uit 1903, onze grote droom. Mijn man en ik wilden het schip in de oude staat herstellen en een varend bestaan gaan leiden. Wat moest ik doen? Kon ik de droom handhaven? Waar moest ik beginnen?

Het was een bijzonder proces, het opruimen. Ik heb er 12 jaar over gedaan, in diverse fasen. Hier in het heel erg kort:

1 Ik heb een jaar aan het schip gewerkt met een groepje van 3 vrijwilligers, elk weekend. Het was niet te doen. Ik werd er doodmoe van en het kostte veel te veel geld. In totaal besloeg het oppervlak aan onderhoud wat ik had 800M2, schepen en huis samen. Dat was van de zotte. Ik verkocht het schip en zette mijn rondvaartbedrijf voort met een kleinere.

2 Ik maakte van mijn huis een werkplaats met oude gereedschappen. Daar heb ik zeven jaar over gedaan.

3 Ik was klaar en het was mooi geworden. Ik dacht, ik maak er een repaircafé van. Er kwam een vrouw binnen van Repaircafé Nederland om te vertellen hoe dat moest. Ik zei haar goedendag en voelde me leeg. Ik wist het even niet meer. Ik besefte dat ik alles deed uit respect voor hem, om het een plek te geven. Wat wilde ik nu zelf??

4 Ik ruimde een groot deel van wat ik had opgebouwd weer op. Dat was enorm zwaar werk. Het leek wel een grafkelder, die werfkelder van mij, zonder daglicht met al die oude spullen, sommige bewaard vanuit nostalgie, andere om hun schoonheid of vanuit functionele overwegingen, alles leek nu doelloos geworden.

5 De kelder was voor een groot deel leeg en moest opnieuw worden opgeknapt. Ik kon niet meer, was helemaal op en organiseerde maandelijkse klusfeesten. Als toevalstreffer ontmoette ik een netwerker die me hielp mensen te verzamelen.

6 Na een jaar was de kelder omgetoverd tot een prachtige middeleeuwse catacombe. Witte muren en spaarbogen, de laatste twee bogen nog de oude kloostermoppen, een groot sisalkleed van 32 M2. Als dank organiseerde ik elke maand een feest met vuur en soep. Er kwamen veel muzikanten op af. Het werd een succes.

7 Het was niet mijn bedoeling een muziekcafé te worden. Het was voor mij allemaal bedoeld als afscheid. Ik had behoefte aan een heel klein en eenvoudig huis. Ik kocht een woonwagen van 12 M2. Ik zette de feesten stop en plantte een bord in de tuin, samen met de makelaar. TE KOOP.
Binnen een half uur was het verkocht. Voor de vraagprijs.

8 Ik leefde in de woonwagen op een camping en schreef me in bij vrienden. Ik ontdekte hoe ik mijn eigen ideale huis voor me zag. Ik begon te ontwerpen. Na drie en een half jaar was het klaar. Een huis dat nog kleiner was, en waar ik mee de weg op kan. Een wooncocon op wielen. Daarin woon ik nu.

9 Ik ben nu 53 jaar oud. Ik maak me klaar voor een hele lange voettocht, met mijn huis achter me aan. Ik wil kijken of ik er een elektrische mover voor kan zetten. Ik hoop dat het lukt! Maar zou eigenlijk niet weten waarom niet. Ik moet wél nog meer spullen gaan opruimen…

.

En nu is het gelukt! Ik ben zover. Ik kan in de lente op pad gaan. Ik ga met wat ik heb, niets meer en niets minder. Na al die tijd is het moment gekomen.

 

Klik hier voor de link naar het artikel in de Correspondent.

 

Ik ga, waar ik het land versta

.

.

Het is weer een winderige dag. Af en toe schijnt de zon even door de sluierwolken door. Ik sta voor het raam en geniet van het licht met mijn ogen half dicht. Er klinkt vriendelijke muziek door mijn luidsprekers, muziek als een glooiend landschap in de zomerzon. Glimlachend doe ik mijn ogen open, terwijl ik mijn blik over het weiland laat gaan.

Meeuwen stampend in het natte gras
op jacht naar regenwormen.
Drie kraaien wassend in een plas
spatterend met hun vleugels.

Dat is wat ik nu zie. En ook mijn buurvrouw zie ik, die ontspannen in haar zwarte zomerjurkje door de koude wind loopt en haar voeten wast in de diepe plas bij de schuurdeur. Ook dat is een moment, een ogenblik in de lange film van een beweeglijk leven.
De muziek is afgelopen. Ik hoor de stem van Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij praat over de muziek van zojuist. Het gaat over de inspiratiebron van de componist.

Heerlijk, op een muilezeltje door Italië trekken.
Trekt me niet zo aan eigenlijk.
Veel te langzaam natuurlijk.

Dat zegt hij. En hij praat over musici, die door het landschap reisden en zich onderweg lieten inspireren door wat ze zagen. Precies wat mij ook zo trekt. Maar die laatste opmerking snap ik niet. Te langzaam? Ik wil juist stapvoets gaan, dat lijkt me prachtig.
Ik aarzel geen moment en typ een kort gedichtje uit, dat ik meteen naar hem opstuur.

Wat hoor ik nou?
Zeg dat eens nog een keer?
Ik geloof het voor geen meter
Langzaam gaande zie ik meer
Heel veel meer!

PS Ik vertrek in de lente.

Niet veel later hoor ik mijn naam noemen op de radio. De mij zo bekende presentator zegt dat ik een boze luisteraar ben en leest mijn gedichtje voor. Daarna vertelt hij dat ik van plan ben in de lente te vertrekken, in een huifkar, op weg naar Roemenië. Ik lach uitbundig. Haha, ik ben helemaal niet boos en ik ga helemaal niet naar Roemenië. Dat was ik zeven jaar geleden van plan, maar nu niet meer. Kennelijk heeft het veel indruk gemaakt. Het verhaal dat ik daarheen ben, zoemt nog steeds rond, dat heb ik wel vaker gemerkt. Ik hoop niet dat er veel bekenden luisteren die nu opnieuw denken dat ik naar Roemenië ga. Ik stuur meteen een berichtje terug.

Ik ga niet naar Roemenië. Ik blijf in Nederland!

Het antwoord volgt snel. Hij zal het niet meer vergeten. Mooi zo, denk ik tevreden. Ik kijk nog een paar keer naar mijn mailbox. Er komen geen verbaasde berichten binnen, niemand heeft het gehoord. Of misschien denken mijn lezers wel: “Die vent weet er helemaal niks van! Wij weten wel beter.”
Gelukkig maar. Want voorlopig ben ik hier en het lijkt me hartstikke leuk om mensen te ontmoeten, bekenden en onbekenden. Inspiratie komt in eerste plaats van de plek waar je bent, waar je voeten hun afdruk maken in de aarde, waar mensen je begrijpen, waar de echo van je woorden wordt weerkaatst, maar dan net een beetje anders dan je het zei, de plek waar je spiegelbeeld in het water rimpelt en waar de man op de radio je antwoord geeft. Daar begint het toch…. Is het niet?

Ik ga, waar ik het land versta.

.

Klik hier voor de link naar het programma “Passaggio” van radio 4, elke werkdag om 19.00 te beluisteren of via Uitzending gemist.

.

 

Snotterig maar goed gestemd

.

.

Hartstikke verkouden ben ik. Slap als een washandje hang ik op de bank, terwijl de oostenwind hard tegen de voordeur blaast. Het doek dat ervoor hangt beweegt zachtjes in de tocht. Ondanks mijn gesnotter, geniet van het gedachteloze zijn. Tevreden drink ik een slok van mijn verse kruidenthee. Ik geef me over aan het geluid van de wind en mijn lichaam dat zich los heeft gemaakt de drukke buitenwereld.

Het begint bij een slechte weerstand. De symptomen zijn duidelijk. De afgelopen tijd kon ik voor me uit staren zonder iets te zien. Kon ik bij mezelf denken, waarom doe ik dit allemaal en waar leidt het toe? Loop ik daar straks in mijn eentje door het land, wat een lol, haha. Mijn haar hing even futloos langs mijn hoofd als ik me voelde.
“Kom op,” probeerde ik mezelf op te peppen, “ Het zijn toch mooie vooruitzichten!” “Ach,” zei een sombere stem vanuit een stoffig hoekje van mijn geest, “Er zit toch niemand op me te wachten.”

Die somberheid verdween als sneeuw voor de zon, toen ik een uitnodiging kreeg van een bloglezer. Als ik op pad zou gaan, zou ik onderweg best een paar weken in hun weitje mogen staan, aan het water. Een golf van blijdschap en vertrouwen spoelde alle naargeestigheid weg, sneller dan welke zuiveringsthee dat ook kon doen. En er kwam nog meer. Pal daarop kreeg ik een afbeelding van een prachtig schilderij toegestuurd. Ik wist meteen van wie het was. Het was van die jonge vrouw met die zwarte krullen, die met glimmende ogen zat te luisteren, die ene magische avond dat ik het verhaal vertelde, bij de drie vuren. Ze was erdoor geïnspireerd geraakt en dit was het resultaat. Ik was ademloos. Wat een zegeningen.

Dit zijn geweldige cadeaus. Maar er is nog iets, wat me goed gestemd kan maken, iets waar ik zelf voor kan zorgen. Dat ontdek opnieuw, nu ik snotterig op de bank lig. Het draait doodsimpel om goede voeding. En in mijn geval, nu op dit moment: extra vitamine D. Elke keer word ik verrast door het effect ervan. Zodra ik eieren, boter en kaas toevoeg in mijn menu, voel ik me helderder, kan ik al het muffe stof naar buiten vegen. En als je dan weer buiten loopt en de lage herfstzon op je gezicht schijnt, dan lacht het leven je weer toe. Soms is het leven niet zo moeilijk!

We vergeten het vaak in de drukte van de dag, hoe belangrijk voedzaam en smaakvol voedsel is en het genieten van wat is. En hoe we eigenlijk gemaakt zijn voor beweging en ritme in ons lijf en om buiten te zijn. We zijn nog altijd etende en poepende Aardbewoners, kleine mensjes onder de wijde hemel. Hoeveel er ook in onze kop omgaat en hoeveel er ook verandert.

.

PS Betreft de vitamine D: Er zijn ook vitaminepillen zonder rotzooi er in. Ik slik een pil zodra mijn energie sterk afneemt en dit is naarmate de winterse duisternis toeneemt. Het helpt bij mij onmiddellijk.

Met de hartelijke groet aan Bernadette, die het nu zonder man moet stellen, nu hij voor een half jaar naar Afrika vertrekt, voor het project “Fit for learning”.  Dapper allebei!

.

.

https://sofiaesmeralda.files.wordpress.com/2018/11/img_9011.jpg?w=300&h=225

https://sofiaesmeralda.me/

 

.

Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.

Het plan

.

“Volg je hart!” roept iemand me toe. Ik heb verteld dat ik van plan ben op pad te gaan, met mijn woonwagen, te voet. Maar ik ga niet zomaar weg. Mijn hoofd en handen vragen allebei om tijd. Een onhandig hart maakt een slechte start.

Het is begonnen met een droom. Ik  zou met paard en wagen op weg gaan. Ik ontwierp een woonwagen. Ik maakte het ontwerp zo, dat ik ook het fietspad op zou kunnen. Het onderstel mocht niet meer dan 150 cm breed zijn. De Witte Smid bouwde het voor mij op maat, met een paar brede wielen er onder.
Al snel had ik door dat het een enorme klus zou worden, met dieren de drukke weg op te gaan. Ik besloot dat mijn woonwagen in eerste plaats een woonhuis moest worden, dat voor mij perfect was. Daarna zou ik wel verder zien.

En nu sta ik ermee op Frijlân, ecoparadijs in wording. De wielen staan op een betonplaat, waar vroeger de mest van de boer op lag. Daar is niks meer van te zien. Ik kijk door het raam naar buiten. Er staat een harde koude westenwind. Ik ben lekker binnen en de zon schijnt warm door het raam. Voor me ligt het oranje pannendak van de boerderij en het grote veld. Bosjes riet met bruine pluimen golven in de wind. Tussen het lange gras staan gele bloemen, die stralen in de zon. Wolken met dikke koppen drijven voorbij. Nu ik weet dat ik weg ga, geniet ik extra.

Frijlân wil een broedplaats zijn voor cultuur en verandering. Er is veel energie voor nodig en ik help mee met het geven van vitale en creatieve voorzetten, waar straks op kan worden voortgeborduurd. Er is veel te doen. Ondertussen bereid ik me voor op een leven als voetganger. Ik zoek uit of ik mijn wagen kan trekken met een elektrische mover. Als dat werkt, dan ga ik hem testen. Waar zou dat kunnen, vraag ik me af. Ah! De ontdekkingstocht kan nu al beginnen.

Ik loop met mijn vriend Dick over het betonpad, dat in een rechte lijn langs het eindeloze raaigras loopt. In de zak van mijn paarse regenjas bungelt iets zwaars. Het is mijn rolmaat. We gaan meten of ik hier straks mijn woonwagen langs kan trekken.
“Dit is vast veel te krap,” zegt Dick twijfelend. Ik kijk naar het pad onder onze voeten en maak een inschatting. “Nou, ik denk dat het meevalt. Als je in mijn woonwagen staat, lijkt een meter veel breder, zo’n pad dat in de verte verdwijnt geeft aan alles een andere verhouding.” Ik kniel met de rolmaat op het beton en betast het omzomende gras, dat er over heen is gegroeid. “Ïk kan dit niet goed meten Dick, ik weet niet waar de rand is.”
Ik kijk op en zie verderop een brug, die over de sloot ligt. Het beton steekt daar een eindje boven het gras uit en de randen zijn afgebrokkeld. Hier trek ik opnieuw mijn rolmaat uit. “Een meter zes en vijftig,” zeg ik hardop. “Dat kan nèt.”

Ik zou op weg willen gaan als landschouwer en mensen ontmoeten. Ik zou doorgaan met mijn blog. Maar dan met een vraag op mijn lippen. “Wat betekent het land voor jullie, en de manier waarop ons voedsel wordt verbouwd?” Ik ben benieuwd of er een kentering gaande is.
Onderweg zal ik ongetwijfeld plekken vinden waar ik een tijdje blijf.

Dat is het plan. Maar voor de reis mag beginnen, dan hebben vast al een hele winter achter de rug…

.

PS: Scroll op de website eens naar onderen, daar heb ik een collectie van al mijn tekeningen. Een kleurrijk geheel is het. Als je op een tekening klikt, kan je hem in het groot bekijken.

.

Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.