Luisterend naar bomen en boeren

.

.

Liever klein en bedachtzaam, dan groots en meeslepend. Dat is wat de bomen me zeggen. En ook de winterkoning. (Klik op de knop onder de tekst voor de luisterversie van het verhaal.)

.

Het is 22 mei. Er waait een stevige bries en een windvlaag doet mijn kleine huis heen en weer schudden. Het geïmproviseerde windscherm doet zijn werk, het dikke transparante zeil houdt het prima. Een winterkoning heeft mijn plekje ook gevonden. Hij vergezelt me dagelijks, en heeft er zijn nest in gebouwd. Het is mooi verscholen onder een overstekend stuk zeil, op de schutting van pallets en riet. Een rond huisje van gras en mos, met een perfect rond gaatje erin, waar hij precies doorheen past. Heftige rukwinden brengen het niet van zijn plek. Ik hielp met het fundament. Met takken en latjes slepen, daar komt immers een reus aan te pas. Ik kijk er steeds naar. Maar nu zie ik de kleine vogel niet. Is hij er wel? Japie? Ik heb het beestje maar een naam gegeven. Ik kijk en kijk. Het wordt schemerig, de wind gaat liggen. Dan komt Japie ineens naar buiten. Hij duikt onder de wagen om vliegjes te vangen.

Het is één van de verhalen, die groeien wanneer je neerstrijkt. Het verhaal van deze plek krijgt steeds meer kleuren en facetten. Als ik uit het raam kijk zie ik wuivend gras met donkere pluimen. De boterbloemen schitteren als kleine sterren. Langs het Swettepad staan de kerspruimen, die ik plantte. Ik kijk naar ze en zorg ervoor. Als ik het niet doe, doet niemand het. Er komt een maaimachine die ze om maait voor ze groot zijn. Of iemand zet er een caravan tegen aan. Zolang ik waak gaat het meestal goed. Ik kijk of ze niet te nat staan en hoe ze groeien. Ik graaf een gat voor wateropvang. Ik probeer ze niet te vaak te verplanten. Ook wanneer de boer erom vraagt, leg ik geduldig uit waarom dat volgens mij niet verstandig is. Elke boom groeit anders. Ook bomen van dezelfde soort.

De kerspruimen die van begin af aan in de wind staan, groeien recht omhoog, de takken dicht tegen zich aan, om zo min mogelijk wind te vangen. Anderen staan onder hoge wilgen en groeien juist ver één kant op met hun takken, zo snel mogelijk naar het licht toe. Hier ben ik geworteld, hier moet ik het mee doen. Dat is de instelling van de boom. Doorgaan met wat je doet, op de plek waar je voeten in aarde hebt gevonden.

In 2019 begon hier mijn reis. Ik beschreef het in het boek: “Langs kantelende wegen.” En hier ben ik terug gekeerd. Terug bij mijn bomen. Zij zijn het, die me vertellen wat wijs is. Geworteld en licht tegelijk. Licht, met knoppen die voorzichtig ontluiken, in de kille lente van het Noorden.

Het planten gaat door. Ook dit jaar heb ik er velen in de grond gezet, langs het Verhalenpad. Nu de bomen zijn geplant ga ik weer op pad. Niet met het huis. Het zou zonde zijn om de winterkoning zijn nest te vernielen. Het zou zonde zijn van al het gedoe en de energie. Ik zou niet eens wegkomen, want het veld is nog altijd modderig. Nee, ik ga maar een heel klein stukje, een dagtocht. In het verlengde van mijn Verhalenpad loopt mijn pad natuurlijk door. De weg leidt langs de route die ik tijdens mijn reis maakte. Ik kwam in Weidum en Hûns. Ik kwam bij de boerderij van Auke en Rennie. “Op de Him,” heet de plek. De biologische veeboer. Daar wil ik nu weer heen. Ik wil melk kopen in hun boerderijwinkel. Ik heb nooit meer iets van ze gehoord en ben benieuwd hoe het gaat. Ik kijk op de kaart, wat de beste route is. Zonder Wandelhuis kan ik ook het voetpad langs de vaart nemen. Dan kom ik precies uit bij boer Auke. Het is wel negen kilometer. En dan weer terug!

Net zoals de bomen een verhaal vertellen van de plek waar ze staan, zo zijn deze mensen. Hun wortels gaan diep. Boer Jochum heeft zijn verhaal. Ook de jonge boer Sjoerd en boer Auke zijn verbonden met hun land. Bomen en deze boeren, ze boeien me beide. Nu ik geworteld ben, voel ik me lichtvoetiger. Ik ben niet gehinderd door mijn opvallende sleurhut, lege accu’s of scheve wegen. Ik ben niet opgehouden door kijkers, passanten of een boek dat ik ondertussen schrijf. Ik kan beter mijn ritme aanhouden en bij mezelf blijven. Dat zint me. Liever klein en doordacht, dan groots en meeslepend. Ik denk aan de bomen. Blijf waar je bent en vind daar je weg. Dat is wat ze me zeggen. En de winterkoning zegt het ook. Ik denk aan ze. Steeds weer.

.

Vitale fossielen

.

.

Als deze oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. (Onder de tekst staat de knop om het verhaal te beluisteren.)

Er zijn plekken waar de tijd stil staat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

“Blijf”.

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt te voorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

.

.

.

Struinen om te planten

.

Alowieke van Beusekom

.

“Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” (Onder het verhaal vind je de link om te luisteren.)

Het is lente, zeggen ze. Maar in Friesland is het nog koud, en het blad aan de bomen heeft zich nog niet ontvouwd. Ik heb tot 1 mei om te planten, zegt de kweker. Ik werk aan het verhalenpad. Het groeit onder mijn handen. Ik heb een paar mooie hazelaars gekocht met grote noten. Ja dat komt straks pas, want eerst moeten ze nog groeien. Maar daarvoor hebben ze wel beschutting nodig, hier op de vlakte. Daarvoor heb ik veel bomen en struiken nodig. Ik verzamel stekken en jonge loten, al dan niet geworteld. Ik spit ze uit hier op het terrein of ik zie ze als ik wandel of op de fiets zit. Ik geef mijn ogen de kost en aarzel niet om te vragen.

Bij de kozijnenhandel staan verwilderde bosjes met bloeiende gele Forcitia. Daar fiets ik nu heen.

Mijn fietskarretje rammelt op de weg. Het zit met een touw vastgeknoopt aan mijn bagagedrager. Dat gaat best goed, als ik maar geen scherpe bocht neem, dan schiet hij ernaast. Ik verlaat het fietspad en steek met ruime bocht in bij de kozijnenhandel. Ik zet mijn fiets op de standaard en loop op twee mannen af, gekleed in overals. Een enorme viking grijnst me toe, de ander bekijkt me aandachtig. “Bent u van hier?” vraag ik. Het is de kleinere man die antwoord geeft. “Ja. Zeg het maar.” Ik vertel wat ik van plan ben. “Vorige week was ik hier ook al even, om te vragen of ik wat jonge uitlopers mag wegscheppen. Ik leg verderop een bosje aan, zie je. Bij mij krijgen ze een nieuw leven als volwassen struik.” De Viking grijnst nog breder. De kleinere man is kennelijk de baas hier. Hij knikt en haalt zijn schouders op. “Je schept maar raak,” zegt hij. Het zal hem een worst zijn. Ik pak mijn schep en loop naar voren. Er is een hek, dat gesloten is. Erachter zie ik verwilderde buxussen en laurierkers met takken die ver over het pad hangen. Een merel schiet weg onder de struiken en ergens hoor ik een tjifttjaf. Dit is een vogelplek. Zou hier ooit nog iemand komen? Ik ga in elk geval niet door het hek. Laat maar. Ik loop terug naar de Forsitia, die vooraan staat. Over een paar liggende takken is een berg blad verteerd. Onder die voedselrijke compost zijn de takken gaan wortelen. Ik steek mijn spade er onder en raak meteen iets hards. Ik schraap de aarde weg en zie grindtegels. Kennelijk heeft het er hier bij de opening van het bedrijf heel netjes uit gezien. Ik kan de geworteld takken zo wegscheppen en knip ze af van de moederstruik. Ik schraap drie tegels schoon, zodat ze weer kunnen zien dat hier een mooi stoepje ligt. Zou iemand het zien? Ik denk het niet. Dan laad ik mijn karretje tot ik de bodem niet meer kan zien. Ik steek mijn hand op naar de mannen en fiets weg, naar het volgende adres.

Vlakbij een statig landhuis groeit een katjeswilg langs de weg. Welke het is weet ik niet precies. Er zijn wel vierhonderd wilgensoorten. De snelle schietwilg is overal dominant aanwezig. Er komen nauwelijks katjes aan. De katjeswilg die ik opzoek, bloeit met lieve gele pluisjes. Hij maakt overal takken waar hij kan, die als lange armen tussen de andere doorkronkelen. Het geheel maakt de indruk van een chaotische, uit de klauwen gegroeide struik. De onderste takken zijn altijd dood, maar sommige nog niet. Die red ik door ze te snoeien. Ik geef ze een eigen leven als boom. Dat gaat heel makkelijk. Je zet ze in de grond en ze doen het. Toch heb ik hier in de wijde omtrek maar vijf van die mooie katwilgen ontdekt. Dat kunnen er veel meer worden.

Zonder aarzelen zet ik mijn fiets langs de weg en loop de oprit op van het prachtige huis. Ik wil eerst even toestemming vragen. Naast het huis groeit een klein bos, op hoge ronde ruggen met greppels ertussen. Er staat een deftige paal in de hoek van het bos, met een tekst die je niet kan lezen. De stenen zijn groen van het mos. Je kan aan alles zien dat het heel oud is. Sinds ik het ontdekt heb, ben ik erdoor gefascineerd. Ik zou er graag eens op ontdekkingstocht gaan. Maar het hoort bij het landhuis.

Ik loop langs het keurig onderhouden grasveld naar het huis toe. Ergens achter hoor ik stemmen. Kleine jongens en een kort antwoord van een volwassen man. Als ik het hoekje omloop, zie ik twee jochies in de weer met een groot kleed. Een grijze man met een jong gezicht staat met een telefoon in zijn hand. Hij groet me opgewekt. “Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” Hij knikt. “Ga je gang maar.” Ik bedank hem en kijk nog even bewonderend om me heen. Achter het huis staat een heel oud mooi gemetseld huisje met raampjes erin. Een schuurtje? “Wat een prachtige plek is dit!” zeg ik, nog steeds om me heen kijkend. De man grijnst. “Ja dat vonden wij ook,” zegt de man grijnzend. De jongetjes hebben intussen het kleed over een tafel gelegd en kruipen er onderdoor. Ze schieten tussen de man en mij door, de tuin in. Weg zijn ze. Ik vraag hoelang hij hier woont. “Een half jaar,” antwoord hij rustig. Dan kijkt hij abrupt naar zijn telefoon. “Ik moet nu even antwoord geven,” zegt hij verontschuldigend. Ik steek mijn hand op en loop weg. Als ik halverwege ben valt mijn oog op de struik, in het midden van het grasveld. Wat is het? Op dat moment gaat opnieuw zijn telefoon af. Hij pakt hem uit zijn zak en praat weer. Het is wat, als je zo’n drukke baan hebt en ook nog een groot huis, een tuin, en kleinkinderen. Ik ben maar wat blij met mijn kleine huis op wielen!

Ik loop het pad af. In de verte zie ik de katjeswilg al. Wat een mooie lange takken! Straks, als de lente komt, mogen ze bomen worden. Het wordt wat. Nee, het ís al wat!

.

Ik heb iets te vieren

.

.

.

Gisteren deed ik een test: ”Je verborgen impact.” Alles wat je doet, alles wat je gebruikt, eet of drinkt, komt ergens vandaan. (Onder de tekst staat de link naar het voorgelezen verhaal.)

Ooit was het leven nog eenvoudig. Toen was het vrij duidelijk waar alles vandaan kwam. De melk die je dronk kwam van een koe die je kon zien. Eten kocht je bij je eigen boer, wol kwam van het schaap, en de meeste vrouwen sponnen en breiden zelf. Er is ook een tijd geweest dat mannen breiden. Er was veel praktische kennis. Veel vakmanschap was lokaal aanwezig en je hoefde nooit ver te gaan. Nu is dat anders. Er is een veelheid aan spullen en mogelijkheden en al die spullen, al die mensen en al dat eten wordt over grote afstanden verplaatst. Er gaan bossen voor naar de vlakte, er wordt water verspild en vervuild. Al zijn Nederlanders grote gebruikers, wij zien maar een fractie van de impact die onze levensstijl heeft. Vandaar de naam van de test: “Je verborgen impact.” Ze noemen het ook wel: ”Je ecologische voetafdruk.” Nou is het niet zozeer dat ik daar dagelijks mee bezig ben en steeds aan het rekenen ben wat mijn impact is. Eigenlijk nooit. Eenvoudig leven in verbinding met de Aarde is mijn enige echte intentie. Het maakt me helder en sterk. Ik woon in een rijk land, maar ik beheers me in mijn doen en laten. Het is een enigszins Spartaanse ontdekkingstocht. Ik wil niet anders, al wijkt mijn leven af van wat tot nog toe normaal gevonden wordt. Maar de wereld verandert. Steeds meer mensen zeggen: “We kunnen niet meer terug naar het oude normaal.” Misschien is wat ik doe niet zo gek meer.

Ik deed de test. Ik was nieuwsgierig. En wat is de uitkomst? Als iedereen leefde zoals ik, dan hadden we maar een halve aarde nodig! Dan kan de wereldbevolking verdubbelen! Wat doe ik en wat doe ik niet? Ik zal het eerlijk vertellen.

  1. Ik douche niet meer. Ik badder elke dag in de Swette en was mijn haar 1x in de tien dagen onder de kraan. Mijn deodorant maak ik zelf van himalayazout en water.
  2. Ik reis maar een paar keer per jaar, en ga dan met de trein. Ik blijf in Nederland.
  3. Ik eet elke dag één boterham met kaas en eet ongeveer twee keer per jaar vlees. Ik ben klein en tanig en kan met weinig voedsel aardig wat werk verzetten.
  4. Mijn huis is 6 M2 meter en goed geïsoleerd, dus weinig energiegebruik.
  5. Omdat ik veel buiten aan het werk ben, heb ik het niet snel koud en heb ik ook niet de hele dag de kachel aan. Ook het koude bad in de ochtend zorgt dat ik mijn bruine vet omzet in eigengemaakte warmte.
  6. Ik haal mijn water in flessen en gebruik ongeveer drie liter per dag.
  7. Kleren koop ik één keer per jaar, soms iets heel moois en nieuw voor netjes, maar verder het liefste tweedehands. Omdat ik maar een klein kledingkastje heb, heb ik maar een kleine garderobe.
  8. Ik koop zelden nieuwe spullen. In een klein huisje ligt het gauw in de weg. In 2020 kocht ik vier mooie kommen in een lokale keukenwinkel, en ook een Molenaarmesje. Verder kocht ik twee mondkapjes, plakband, een tandenborstel, een pen en knijpers en een leesbril. De rest had ik al. Goed gereedschap vind ik belangrijk om te hebben. Ik wil zelf dingen kunnen maken en ook repareren. Kwaliteit is belangrijk. Goed gereedschap gaat vele jaren mee. Als ik spullen koop, koop ik het in de eerste plaats bij kleine zelfstandige ondernemers en nooit bij de Action. De kwaliteit is er stukken beter en ook het persoonlijk contact en het advies.
  9. Ik composteer mijn poep tot compost en laat daar zonnebloemen op groeien.
  10. Ik doe één keer in de twee maanden de was. Daarin speelt mee dat er ’s winters weinig ruimte is om het te laten drogen, en dat het dan zo vochtig is. Maar uiteindelijk bevalt het goed. En voor de wereld is het beter. Vooral het wassen van fleecekleding is erg schadelijk. Het hele strand ligt vol met microscopisch kleine bolletjes plastic, afkomstig van al die wasbeurten.
  11. Ik koop zo weinig mogelijk voedsel verpakt in plastic. Op de markt in Leeuwarden kan ik veel biologisch eten kopen wat los wordt verkocht of wat in papier is verpakt. Ook granen en peulvruchten.

Waarin ik zondig omdat ik er veel plezier aan beleef:

  1. Ik houd van sterke koffie met melk. Koffie komt van ver, dus is het een luxeproduct. Ik drink 1 kopje per dag. Soms meer.
  2. Ik laat één keer per jaar highligts in mijn haar zetten, door de kapper. (Ik schep er veel plezier in om me af en toe heel netjes en vrouwelijk te kleden.)

Het mooist is, dat ik ter compensatie voor mijn bestaan 370 bomen moet planten. Nu heb ik inmiddels meer dan 400 bomen een plek gegeven! Dus nu sta ik net als natuurvolkeren, op de positieve lijst. Mijn bestaan voegt iets toe aan de gezondheid van de aarde. Dat ik daarin iets kan betekenen, op mijn eigen bescheiden wijze, dat is voor mij zo waardevol! Ja, ik ben een goede tekenaar en kan schrijven. Ik kan ontwerpen en bouwen. Maar bovenal kan ik hele mooie plekken scheppen, vol bloemen, grassen en bomen, vol insecten en andere dieren. En ik ga nog meer bomen planten. Levend in eenvoud scheppen we een nieuwe wereld.

Doe de test: https://mijnverborgenimpact.nl/

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

De foto’s zijn van Elske Riemersma.

Ubuntu aan de Oudegracht

.

Uiteindelijk zitten we met zijn allen in hetzelfde schuitje.

.

Ubuntu komt uit Zuid Afrika. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Ook in Utrecht vind ik het terug, op de plek waar ik mijn wortels heb. (Luister naar het voorgelezen verhaal door op de link onderaan te klikken.)

.

Op een geelblauwe OV fiets rijd ik het station van Utrecht uit. Op de brug naar het centrum sta ik even stil om te kijken naar het water in de singel, die opnieuw is uitgegraven. Het is al meer dan twintig jaar geleden, dat we een referendum hadden over de uitvoer van dit plan. Het stukje vierbaansweg dat hier ooit onder de grond verdween, is nu niet meer dan een dwaling in de geschiedenis. Hoeveel dwalingen moeten we maken, om te ontdekken wat van waarde is? Ik kijk naar de grote bomen die pas langs het water zijn geplant. Dan fiets ik verder. Ik heb honger. Hier vlakbij kan ik een biologisch broodje kopen. Dat is al decennialang zo.

Als ik de Zadelstraat in fiets, is tot mijn verbazing de Groene Winkel weg. Er is nu een kledingwinkel. Wat raar. Wie begint er nu een kledingzaak in deze tijd. Dat heeft toch geen prioriteit?? Ik besluit om door te fietsen naar mijn eigen buurtje, de Twijnstraat. Daar is ook een biologische winkel. Ik steek de Oudegracht over, langs de Donkere Gaard en de Lichte Gaard. Het is stil. Terrasjes zijn leeg en er loopt maar een enkeling op straat. Ik slalom weer terug naar de overkant van de Oudegracht. Uiteindelijk nader ik mijn doel en fiets de vertrouwde kleine straat in, die daar al meer dan duizend jaar winkelstraat ligt te zijn. Ik zet mijn fiets neer en ga Ecoplaza binnen. Althans, dat denk ik. Het hoekje van de groente ligt erbij zoals altijd. Ik hoef geen groente en loop door. Dan word ik overvallen door een veelheid aan producten en uitstallingen en de overheersende kleur geel. Verdorie, ik ben in een Jumbo! Ontdaan ga ik naar buiten. Allebei de biowinkels weg. Hoe kan dat nou?

Alles verandert. Veel kleinschaligheid gaat op in grote ketens en anonieme winkels. Gelukkig is er nog de Werf. De plek aan het water van de gracht, waar mijn wortels liggen. Waar de creatieve Willem woont in mijn oude huis, naast zijn buurman David. Soms hoor je hun muziek zacht door de werfdeuren heen. De klanken zwerven over het glinsterende water van de gracht. Alles is stil, de avondklok heeft reeds geluid. Dit is de wereld onder de straat, die je pas ontdekt als je de trap afloopt. In de middeleeuwse catacomben huizen hier nog altijd creatievelingen. Al jaren! Onder de oude bomen is dit een vrijplaats, een bolwerk dat zichzelf steeds vernieuwt. Maar het zijn oude wortels, die de warme glans geven aan dit straatgezicht. En daar, in de hoek, daar zit Jules.

Ik zet mijn fiets neer tegen de reling van de brug en kijk naar beneden. Het is de grijze beeldhouwer, die ik als eerste zie. Nog altijd werkt hij voor zijn kleine werfkelder aan zijn houten beelden. In weer en wind is hij dagelijks buiten, onder een driehoekig wit zeil. Hij is niet vaak alleen. Er zitten nu vijf mensen om hem heen. Twee dames praten aan de picknicktafel. Naast hen liggen van die gekronkelde takken, die ze vaak voor bloemstukken gebruiken. In de hoek liggen er nog veel meer. Twee meter verder is een jonge vrouw aan het werk. Haar werk staat op een hoge boomstronk. Met de beitel houwt ze gestadig aan een beeld vol bochtjes en bollingen. Naast Jules zit een iets oudere vrouw met stijl donker haar. Ze kijkt me ernstig aan. Maar het meest verrast ben ik door de aanwezigheid van een grijnzende zwarte man, in vrolijke kleuren gehuld. Iedereen kijkt hoe ik de trap afkom.

“Wat een gezellige boel hier,” groet ik het gezelschap. “Dit is het enige gezellige plekje in het hele centrum”, vervolg ik, terwijl ik om me heen kijk. Mijn stem klinkt vastbesloten en trots. Ja, trots ben ik op mijn oude buurman, die hier nog altijd werkt. Het rustige geklop van zijn beitel dat al dertig jaar of langer tussen de huizen klinkt. Ik voel me thuis bij zijn eenvoudige manier van leven, en ik heb bewondering voor hem. Steeds weer redt hij het, om van zijn beelden rond te komen. De zwarte man heeft ook een beitel in de hand. De andere steekt hij op naar mij. Ik groet hem vrolijk terug met een handgebaar. Dan kijk ik om naar de donkere vrouw die zit te wiebelen op haar stoel. Zij wil ook kennis maken. “Ik ben Jaqueline,” zegt ze, nog steeds even ernstig. Ik noem mijn naam en ga op de enige lege stoel zitten. Behalve de mensen, is het de boomspiegel die mijn aandacht trekt. Het is met aandacht ingericht tot een mooie tuin. Ik zie longkruid, varens, gele dovenetel… “Mooi zeg, al die plantjes,” zeg ik hardop. Jules wijst naar de zwarte man. “Dat heeft hij gedaan”. Ik lach de man toe, opnieuw verrast. “Dat deed ik vroeger,” zeg ik. “Toen ik hier nog woonde.” Op dat moment komt er iemand uit de deur vlak naast ons. Het is een vitale lange man van een jaar of zestig. “Mag ik bij jou mijn telefoon opladen?” vraagt hij. Jules knikt en de lange man duikt behendig door de kleine deuropening de stoffige werkplaats in. “Wie is dat?” vraag ik. “Hij is mijn buurman,” zegt Jules. “Hij heeft het gekraakt. Een werfkelder zonder elektra en zonder verwarming. Knap hoor, deze winter, met die kou.” Jules kijkt in gedachten voor zich uit. In de gracht zwemt dezelfde gans als vorig jaar, samen met twee eenden. Hoewel ik deze plek zó goed ken, ben ik er stil van hier weer te zijn. Alles lijkt hetzelfde en toch is het anders. De wereld is veranderd. En door al die veranderingen, krijgt deze plek een eeuwigheidsglans. Het is als een parel in een oester, beschermd door de oude werfmuren en de kruin van de moerbeiboom. Beschermd door de mensen die hier zijn. Het is als een Lothloriën van Tolkien, een plek buiten de tijd. Je zou dit overal ter wereld zou kunnen treffen, waar men zichzelf blijft en waar creatieve intelligentie zich thuis voelt. Je vindt er mensen van allerlei afkomst. Dit had in Afrika kunnen zijn, of in Australië.

Wat is van waarde?

Mensen met weinig geld moeten wel creatief zijn. Je bent meer aangewezen op elkaar. Doen wat bij je hoort kun je veel belangrijker vinden dan geld. Daar kies je voor. Een goeie omgang met je buurman ook. Toch gaat de wereld gebukt onder de mensen die in de ban zijn van iets heel anders. Geld, macht, roem. Iedereen mag fouten maken, daarvoor zijn we hier. We mogen gouden torens bouwen en weer afbreken. Naar de top klimmen en naar beneden donderen. Hele volksstammen dragen de gevolgen, door de lawine die er door ontstaat. Daar denk ik aan, terwijl ik hier zit. De straat boven me is stil. Het eens zo bedrijvige centrum van Utrecht ligt er verlaten bij. Maar de verbreding van snelweg moet doorgang vinden, verderop, bij Amelisweerd. Ondanks die gedachte ontspan ik me, en kijk tevreden naar de stoppelbaard van de beeldhouwer naast me. Goddank zijn er nog altijd plekken als deze. Plekken buiten de tijd, waar creatieve gastvrijheid door vele handen wordt gedragen. Dit moet Ubuntu zijn. Ik ben, omdat wij zijn.

.

.

.

“Umuntu Ngumntu Ngbantu: “Ik ben…. omdat wij zijn!”

Ubuntu is een van origine (Zuidelijk) Afrikaanse existentiële wijsheid. Wij in onze wereld kunnen er veel van leren. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Zet hiertegenover onze westerse Descartes-overtuiging: “ik denk dus ik besta”, en ervaar hoe weinig ruimte er in die gedachte zit! De geest van Ubuntu leidt ons naar de transitie die we nodig hebben. We kunnen het vertalen naar onze organisaties en communities. Dit, opdat mensen weer gaan vertrouwen in de kracht van het dialoog.

.

.

.

Klein bestaan, wilde hemel

.

.

.

.

Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. Luister hier naar het verhaal.

.

Ooit was ik schipper. Ik had diverse schepen en scheepjes, een grote van twintig meter en kleine, waarmee ik rondvaarten deed. Eén ervan is de boot geworden die mij tot op het laatst vergezeld heeft en die velen kennen, in Utrecht. Als schipper was ik eraan gewend om te luisteren naar geluiden. Ik luisterde naar de motor. Altijd. Zelfs wanneer ik met iemand tijdens het varen in gesprek was, hoorde ik onmiddellijk wanneer er iets anders klonk dan normaal. Ook bij noodweer stonden mijn sensoren aan. Zelfs die ene keer dat ik niet thuis was, wist ik dat er iets mis ging en dat ik onmiddellijk naar huis moest. Ik was precies op tijd om te pompen, want er was een plaatselijke wolkbreuk geweest en de boot stond behoorlijk vol. Als je altijd ergens bent, dan weet je dingen, zoals een moeder dingen weet, of een kleinschalige boer, die getrouwd is met het land van zijn voorouders. Zo is een schipper één met zijn schuit en hij gebruikt alle zintuigen om de elementen een stap voor te zijn.
Mijn voorouders van moeders kant woonden in Spakenburg, aan de Zuiderzee. Er waren vissers onder hen. Zit dat in mijn bloed? Ik weet het niet. Maar het boeit me, het water en de elementen. Dat alles wat er is zo groots en indrukwekkend kan zijn, dat ik me klein voel. Ik neem maatregelen en hoop dat ik slim genoeg ben en dat mijn materialen goed gekozen zijn.

Het windscherm voor mijn kleine huis is stevig gespannen. De touwen zitten op meerdere manieren vast, en de dikke tak die het zeil moet tegenhouden wordt omhooggehouden door een dicht opeenstaande rij wilgen. Al zouden ze willen, die kunnen nu niet meer meebuigen met de wind, de tak zit vast aan beide kanten en is dik genoeg om de druk tegen te houden. Hij is gestut met een dwarsboom. De boom eindigt in een vork die er precies omheen past.
Ook elders ben ik in de weer geweest. Zwaren stukken hout liggen ter voorbereiding van de storm op het afdekzeil van de bagagewagen en ook op de zonnepanelen op het dak. Als ik dat niet doe gaan ze vibreren en klapperen. Er gebeurt verder niks, maar daar lig je liever niet onder, in je hangmatje.

Ik hield als schipper een logboek bij, zoals dat hoort. Ik had er plezier in. Ik besluit om deze nacht wakker te blijven en een logboek te maken van de storm. In het donker lig ik in mijn hangmat en hoor alles.

LOGBOEK VAN STORM 20.1.21

3.10 De eerste zware windstoot
3.44 De tweede
4.30 Wind komt uit het zuidwesten. Het grote windscherm doet zijn werk, het dikke transparante raamzeil heeft tientallen bevestigingsogen. Het zit vast geregen met dik touw. Nergens is geklapper of geflapper te horen. Tevreden glimlach ik. Zou het zo blijven? Of niet? Ik heb hem vanmiddag nog versterkt.
5.00 Wind draait opeens naar NW. Ik heb ook een klein dwarszeil gemaakt, haaks aan het grote zeil vastzit , op het zuiden. Daardoor kolkt de wind niet meer achter het scherm langs. Het nieuwe zeil hangt dubbelgeklapt over een stalen constructie, met pallets, takken en riet omhuld. Het kan nergens heen. Maar met NW klappert hij een beetje, maar het is niet alarmerend.
Waar de wind nu vandaan komt, daar staat alleen een jong wilgebosje. Dat biedt weinig beschutting. De wind neemt toe. Regen klettert met dikke droppels op het dak en tegen de gesloten luiken.
5.30 Oef. Wind uit Noord noordwest. Dat hebben we nooit gehad. Een plotselinge harde windstoot doet me opschrikken. In de verte hoor ik: KLENG BENG! Alsof het iets groots is. Wind trekt aan. Huisje staat te trillen, de wind staat nu recht op de wand. Het portaalzeil bij de deur klappert. Een losse plank onder de wagen beweegt heen en weer. Bonk bonk. Het duurt een minuut. Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. De wind draait terug naar het zuidwesten en dan houdt ook het wiegen op. Het grote zeil van het windscherm doet zijn werk weer.
Het is half zeven als de rust wederkeert. Ik ga slapen.

Einde logboek.

De volgende dag staat er een man onder de windmolen van de buurman. Die staat in de naastgelegen wei. Ik zie dat er een wiek is afgebroken. Ik kleed me snel aan en ga naar hem toe om te vertellen wat ik vannacht gehoord heb.
Het is niet mijn huis dat de klos is. Nee. Mijn huis is nog maar vier jaar oud en het zit aan elkaar met tientallen verbindingen en vijfhonderd houten deuvels met goeie lijm. Het is één geheel. Ik ben er trots op. Maar hoe trots ik ook ben, altijd blijf ik voorzichtig en waakzaam.
Ik blijf ook vol verwondering van alles wat ik niet weet, en wat zoveel sterker en grootser is dan ik ooit kan bedenken.
Als ik die avond in het donker buiten sta, is de wind helemaal gaan liggen en de lucht is helder. Slechts een paar tientallen meters verder glinstert de Swette in het maanlicht. De rietkraag beweegt niet. Het is stil en donker. Het kunstlicht is ver van deze plek verwijderd, een eindeloze rij verre lampjes ligt als een kring om deze stille, oude plek heen. Het is een grote cirkel van wel meer dan vier kilometer doorsnee, en ik sta in het midden. Ik kijk omhoog. De sterren staan te stralen aan de hemel.

Klein voel ik me, onder de onmetelijke ruimte van het heelal.

.

(Bovenstaande illustratie is een fragment van een tekening uit mijn boek: “Langs kantelende wegen.” https://www.uitgeverijlouise.nl/index.php?id=4&tx_sanwarebooks_pi1[book]=82 )

Storm op komst

.

.

.

.

Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar! Al zou je vallen in de storm van het heelal, op de grens van het bestaan groeit creativiteit.

.

„Wil je koffie?“ vraagt Anne me. Anne is mijn tijdelijke buurvrouw. Haar lange grijze haar hangt krullend over haar schouders, terwijl ze me vragend aankijkt. „Kamillethee graag“, zeg ik. Ik kijk toe hoe ze het dampende water in een kopje giet en er een zakje bij doet. „Het gaat stormen donderdag“, merk ik op. Haar ogen kijken nadenkend, terwijl ze mij het kopje aangeeft. „Oh echt waar? Donderdag de 21e? Dat is apart! Tjee, op die dag is er een heel speciale planetenstand.“ Ze lacht even. Ik haal mijn wenkbrauwen op en ga verder. „Heb je nog iets voor te bereiden, met die harde westenwind? Kan ik je ergens mee helpen? Ik ben zelf al klaar.“ Ik houd voorzichtig het kopje vast, adem de damp in en zet de thee weer neer. Te heet. Anne antwoordt. „Nee hoor, ik red me wel. Maar jij, jij staat daar wel heel erg in een waaierig stuk hè, had je niet beter ergens anders kunnen gaan staan?“
„Nee!“ antwoord ik feller dan de bedoeling was. „Ik wil hier juíst staan. Ik heb er over nagedacht.“ Ik houd me even in. Langs de houten planken van het huisje loopt een lieveheersbeestje naar beneden. Ik kijk ernaar terwijl ik woorden zoek voor wat ik wil zeggen. „Ik heb lang nagedacht hoe het ideale huis er voor mij uitziet. Ik zou mijn woonwagen in een groot tuinhuis zetten, met gemetselde hoeken, een transparant golfplatendak, en overal glas. Ik zou een gat maken door het dak voor de schoorsteen. Als de zon schijnt hoef ik dan bijna niet te stoken in de winter en de wind heeft geen vat op me. Een prachtig idee, vond ik.“ Ik kijk naar Anne. Ze ziet het helemaal voor zich. „Ja! Dat lijkt me ook heel mooi. Je kan die ruimte ook als kas gebruiken. En wil je dat dan hier gaan doen?“ Ik grinnik. „Nee. Ik ga het niet doen.“ Verbaasd kijkt ze me aan. „Waarom niet? Het is een goed idee.“ Ik kijk naar haar grote blauwe ogen. De zon schijnt door het raam en haar haar krijgt een zilveren glans.
„Wat ik zei. Omdat ik in de wind wil staan. De elementen mogen het best af en toe van me winnen. Het houd me bescheiden. En het zorgt dat ik steeds weer iets moet bedenken. Het maakt dat ik het gevoel heb deel uit te maken van alles. Het hoeft voor mij niet allemaal perfect te zijn. Juist niet. Het is niet altijd leuk, maar het daagt me ook uit. En ach, het duurt een dag, of hoogstens twee. Dan is het weer voorbij.“
Haar ogen lichten op. „Ik begrijp het denk ik. Ik denk het ook dat die houding het meest vruchtbaar is. Op die grens van het bestaan groeit creativiteit.“ Ik straal. „Dat is precies wat ik bedoel!“ Ze glimlacht even en gaat dan verder. „Ik vind het ook heel spannend, als het gaat stormen. Dat het nou net donderdag is, dat die storm is verwacht. Dan hebben we een ceremonie, met trommels. Tjee zeg…“ Ze staart peinzend naar buiten waar de bomen roerloos het veld omzomen. Alleen de toppen bewegen een heel klein beetje. Gek dat dat zomaar kan veranderen. Het lieveheersbeestje is ondertussen weer helemaal langs de rand van de plank omhoog gekropen en verdwijnt in een gaatje in het dak, lekker warm en beschermd tegen weer en wind. Ik pak mijn kop thee. Ik neem een slok en luister naar de stilte. Anne staat op van haar plek bij het raam, stopt een blok hout in de kachel en draait zich om naar mij. „Als je al teveel ligt te schudden in je bed, mag je wel bij mij schuilen hoor!“ Warm glimlach ik haar toe. „Dank je. Als ik ervan wakker lig, dan zal ik dat zeker doen.“

Als ik even later met mijn blauwe klompen door de plassen loop, denk ik eraan hoe fijn het is, dat er altijd iemand is, die graag een helpende hand toesteekt. Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar!

.

.

Mijn stormbestendig windscherm

.

.

De taal van al wat mij omringt

.

.

Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot actie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

Inheemse mensen vertellen me dat alles met elkaar verbonden is. Het is alleen al de taal, die zo veelzeggend is. Taal als een bewegend schilderij. Ik luister naar een indiaan uit Amerika. Hij vertelt hoe belangrijk hij het vindt, om zijn eigen taal te spreken. Er is een vogel die roept: „Pluk het, pluk het,“ als het oogstseizoen is aangebroken. Een ander vertelt dat er een boom is die ze „tante“ noemen, omdat ze geloven dat dierbaren in bomen en dieren voortleven. Dit alles vertelt de taal. Hoe meer verschillende talen hoe meer levendigheid. Ook onze eigen taal kent veel verhalen. Vooral planten hebben tal van bijnamen, naar gelang hun werking en de plek. En ook dieren hebben veel verschillende namen. In het Fries heet een winterkoning tuunhipper.“ Het zijn de allerkleinste vogeltjes die er zijn, samen met het goudhaantje. Kleine bolletjes met vleugels en hun staart parmantig omhoog gericht. Ik word altijd blij van ze. Ik zie ze niet hippen, bij mij komen ze pas bij schemering. En dan komen ze in de wilgetakken zitten. Het zijn er twee. „Tsjirrrp tsjirrrrrp,“ zeggen ze. Zijn ze er al?

Ja! Daar komt het eerste winterkoninkje aangevlogen. Hij rust op een tak vlak voor mijn deur. Hij kijkt even om zich heen en vliegt het korte stukje naar de dakoversteek. Daaronder is een holletje. De isolatie steekt naar buiten, door een ventilatiegat. En daar, in de schapewol vinden ze een koninklijk slaapvertrek. Ze hebben het gauw koud, de koninkjes. In strenge winters gaan ze dood, als ze geen schuilplaats hebben. Ik voel me vereerd met hun keuze en bied gastvrijheid. Ik heb de wol losser gemaakt, het nestje ruimer, en de kieren onder de dakkap volgestopt.
Daar is het tweede winterkoninkje ook. Hij strijkt neer in de schutting van slordig bijeengebonden riet. Ik maak geen rumoer, tot ze allebei hun plek gevonden hebben.
De winterkoninkjes eten spinnen en vliegen. Ik kijk naar allemaal. Ik bewonder elk wezen, klein of groot. Alles is beweging, een insect is net zo belangrijk. Dat wij minder met vliegen hebben dan met die lieve fladderende bolletjes, is logisch. Toch doet een vlieg of spin ook van alles. Ik luister en kijk waar ze heengaan. Door de beweging en de geluiden te volgen zie en hoor ik steeds meer. Ik zie de planten en de bomen met wie ze een relatie hebben.Veel planten en dieren hebben namen, die horen bij de plek die ze innemen. Taal leeft, beweegt mee met dat, wat er thuis hoort. De draden vormen het kleurrijke web van leven. Mensen zijn getuigen, stille waarnemers, schilders, componisten en creators. Als ze maar ogen hebben om te zien. En oren om te luisteren. Dan kruipt het leven in de taal, in de kleur en de beweging. Dan wordt de samenleving levend.

Ik luister en kijk, stil als een inheemse mensen. Al jaren. Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot aktie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik, veel langer. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie. Tot hij vol bewondering en respect is voor het dier en alles weet wat hij weten moet en doet wat hij moet doen.
Hoe minder drukte je maakt, hoe meer je ziet. Hoe minder je wilt scoren, hoe rijker het schilderij waar je naar kijkt. Je kan de ene foto maken na de andere. Je kan het trots laten zien met de namen erbij opgezocht met google. Er zijn hele natuurparken voor aangelegd, met apps en betalende bezoekers. Erin en eruit. Kijken en klikken. Er gaan miljoenen in om.

Dit is het niet. Niet voor mij. Dit is het nooit geweest.
Blijf waar je bent. Kweek respect. Ontdek de taal van wat je omringt. Dit is wat ik mezelf vertel, keer op keer. Volg de bewegingen. Vlucht niet weg, denk niet dat het elders beter is. Alles is er al. Het wil alleen gezien worden. En wat nog niet is, zal komen.

.

Dit is de gloednieuwe website van mijn vriend. Voor het eerste interview mocht ik de spits afbijten. https://groeneverhalen.nl/

.

.

Ik waste een wesp in de keuken

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

Ik ben op een camping vlakbij Mildam. Mijn wagen heb ik gestald op de parkeerplaats en nu eet ik een ijsje. Verspreid over het terras zitten papa’s en mama’s en om hen heen scharrelen kinderen. Ik lik aan mijn ijsje en kijk rond. Aan de muur van de boerderij hangt een fles. Er zit een klein laagje oranje vloeistof in. Op de bodem ligt een laag wespelijken. Enkele zijn pas aangekomen en leveren een tevergeefse strijd om uit het stroperige sap te komen. Naast mij zit de boerin van de minicamping. Ze ziet me kijken. „Er zitten er al lekker veel in,“ zegt ze „Het is niks gedaan, al die wespen met die spelende kinderen hier.“ Helaas moet ik haar gelijk geven. Ik kijk naar de peuters die langs het hek bij de ezel staan te kijken. Die letten niet op wespen. Die gaan er gewoon bovenop zitten. Ik let wèl op ze. Ik leef samen met alle dieren om me heen. Als ik kinderen had, zou ik ze dat ook leren. Stap voor stap.

Even later sta ik bij mijn keuken. Een keuken trekt altijd dieren aan. Ook wanneer het alleen maar een plank in een bagagewagen is. Voor het slapen gaan sluit ik de klep. Dat moet wel, want anders zitten straks alle katten van de boerderij erin. Vannacht hebben ze een heel pakje boter opgegeten. Ik leef graag samen met dieren, maar er zijn grenzen. In mijn keuken hangen diverse huisvliegen rond. Ze zitten daar lekker uit de wind. Er vliegt één wesp. Al de hele dag zwerft ze wat heen en weer over de potjes en pannen, kruipt even op het deksel van de honingpot en en vliegt dan zigzaggend verder naar haar favoriete plekje. Dat is een leeg ijsbakje. Het is een klein kartonnen bakje en ik heb het speciaal voor haar op tafel laten staan. De tafel is gedekt met een lichtblauw kleed en het bakje is het enige wat er op staat. „Goedzo wesp,“ zeg ik „Eet maar lekker de restjes op.“
De wesp eet nu ijs, maar dat is alleen maar omdat ze op dit moment werkeloos is. Haar werk is het voeden van larven. Ze vangt levende vliegen en muggen. Ze ruimt ook lijken op. Het vlees zit boordevol eiwitten. Dat hebben de larven nodig om te groeien. Tegelijkertijd scheiden de larven een zoete stof uit, waar de werksters lekker van smikkelen.

Nu is het eind juli. De larven zijn grootgeworden. Er is even niks te doen voor de voedsters, tot er weer nieuwe larven zijn. Er is dus ook geen zoetigheid meer. Daarom hangen ze nu rond bij terrassen. Je moet toch wat, als wesp. De boerin heeft een slimme val gemaakt. Een ellendige plek voor een wesp. Maar deze wesp is nu bij mij. Ze boft maar.

Het is ochtend. Ik loop langs mijn woonwagen naar achteren. De markies met de tafel eronder vormt een heerlijk hoekje om mijn ontbijt te nuttigen. Ik wil de klep van de bagagewagen openen, om bij de keuken te kunnen. Dan zie ik iets spartelen. Het is de wesp. Gisteren heb ik een restje pap in het ijsbakje gegooid. Niets vermoedend is de wesp erin gevlogen. Lullig zeg. Stel je voor dat je in de supermarkt iets wil pakken en opeens donder je in een gat vol slik. Dat is niet aardig. Ik wil de wesp graag redden. Ik steek mijn vinger in de pap. Ze klimt er meteen op en gaat zich op mijn hand zitten poetsen. Ze zoemt en trilt met haar vleugels om de smurrie eraf te krijgen. Dan begint ze weer driftig te poetsen. Haar achterlijf is helemaal besmeurd. Maar daar kan ze niet bij, de pootjes zijn te kort. Ik steek mijn vinger in een kom water en heel zachtjes raak ik de wesp aan. Ze vindt het goed. Voorzichtig tik ik op het piepkleine lijfje, zo zachtjes, dat ik haar bijna niet raak. Dan steek ik mijn vinger weer in de kom.
Zo was ik de wesp. De wesp zoemt en trilt om de nattigheid weer van haar lijf te schudden. Twee keer valt ze van mijn hand. Dan houd ik opnieuw mijn vinger voor haar kop. Ze klimt er gauw weer op. Samen gaan we verder met wassen tot alles er af is. En dan, plotseling vliegt ze op. Weg is ze. Ik heb haar niet meer teruggezien. Als ze maar niet in de lijkenpot is terechtgekomen bij de boerin. Maar dan heb ik in elk geval iets meegemaakt. Want wie heeft er ooit een wesp kunnen wassen?

Nieuws: Ik ben 16 juli vertrokken met het Wandelhuis. Via Mildam ben ik nu onderweg naar Wolvega.
Vanaf het moment dat ik rijd, is mijn kleine huis een rijdende verhalenwagen. Dat kan je lezen op de wand. Tien maanden lang stond die wand tegen een hoge heg aan. Toen was mijn huis alleen een wooncocon. Zo gaat het. Verhalen zijn als eb en vloed. Als ik stilsta is het eb, als de wielen rollen is het vloed. Dan trek ik ze aan, de verhalen. Het is een ritme. Als ik alle verhalen zou beschrijven, dan had ik een zee. De stroom aan verhalen zou een boek worden. Maar dat boek heb ik vorig jaar al geschreven. Het was mooi werk, maar ook pittig. Ik heb er meer dan een jaar aan gewerkt en in oktober komt het uit.
Dit jaar hoef ik niks. Ik geniet van stralende blikken en goeie gesprekken. Ik hoef ze niet allemaal te onthouden, de woorden, de gelaatsuitdrukkingen, de landschappen. Heerlijk is dat!

Maar wil je toch lezen hoe ik mijn reis beleef, kijk dan naar deze link op de site. Hier vind je een beschrijving van het boek: ’Langs kantelende wegen’. Het is niet alleen mijn eigen verhaal, maar ook verhalen van anderen heb ik zo zorgvuldig en levendig mogelijk onder woorden gebracht. Ik hoop dat het leest als een sprankelende parelketting. Maar dat moet een ander maar beoordelen.

https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-komt-uit-bestellen-kan-hier/

.

Kom eerst maar eens los!

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 4 minuten.

Ik ben verhuisd. Het is maar een klein stukje. Maar toch betekent dat heel wat. Het is de eerste stap richting vertrek. Op dit moment sta ik pal voor de weg. Ik blokkeer de oprit. Een auto kan er niet meer langs. ‘Geeft niet,’ zegt mijn buurvrouw. ‘Ik zet de auto wel verderop neer, in de berm’. Dat is aardig van haar.

Nee, ik kan niet zomaar weggaan, van de ene dag op de andere. Dat heb ik de voorgaande keren ook gemerkt. Al drie keer eerder ben ik eerst een stukje opgeschoven, voor ik uiteindelijk vertrok. Om te wennen. Al heb ik wielen die rollen, ze zakken toch de grond in. Zo voelt het voor mij zelf ook. Ik raak geworteld op een plek. Dus voor het losmaken neem ik de tijd. Zoals een beer uit zijn hol komt na zijn winterslaap. Die rent ook niet meteen weg. Hij gaat eerst om zich heen zitten kijken. Toch?

De kachel brandt. Buiten valt een fijne motregen die kleine spatjes maakt op het raam. De asfaltweg glimt van de vele regen. Auto’s rijden nu pal voor mijn deur langs. Ik wen aan de weg, want dat wil ik. Campina melkwagens, sportpaardentransport, trekkers, het komt allemaal voorbij. Ik doe de bovendeur open en kijk naar buiten. Tegelijkertijd stapt aan de overkant de buurvrouw in haar auto. Ze steekt achteruit de weg op en wanneer ze voor me staat, draait ze het raampje open. ‚We zouden nog steeds thee bij je komen drinken. Je gaat toch nog niet weg??’ Ik stel haar gerust. Nee, ik ga nog niet weg. Ik ben nog niet klaar. We hebben nog het hele weekend. Ze glimlacht tevreden. ‚Dat is dan afgesproken.’ Ze draait het raampje weer dicht en rijdt verder.

Ik kijk naar de dikke haag waar ik tegenaan sta. Het lichtgroene blad groeit als een fris kleed over de gesnoeide haag heen. Kijkend door het raam zie ik hoe het uitzicht compleet veranderd is, door een paar meter verderop te gaan staan. Het is al heel wat, dat die verhuizing gelukt is. Want vijftienhonderd kilo verplaats je niet zomaar. Er komt van alles bij kijken. Het is leuk om daar de tijd voor te nemen. Hoe dat ging, dat kan je zien in dit grappige filmpje.

Nog even, en dan ga ik de weg op. Wanneer dit blog uitkomt, ben ik onderweg!

Ijs en weder dienende.

.

.

.