Het plan

.

“Volg je hart!” roept iemand me toe. Ik heb verteld dat ik van plan ben op pad te gaan, met mijn woonwagen, te voet. Maar ik ga niet zomaar weg. Mijn hoofd en handen vragen allebei om tijd. Een onhandig hart maakt een slechte start.

Het is begonnen met een droom. Ik  zou met paard en wagen op weg gaan. Ik ontwierp een woonwagen. Ik maakte het ontwerp zo, dat ik ook het fietspad op zou kunnen. Het onderstel mocht niet meer dan 150 cm breed zijn. De Witte Smid bouwde het voor mij op maat, met een paar brede wielen er onder.
Al snel had ik door dat het een enorme klus zou worden, met dieren de drukke weg op te gaan. Ik besloot dat mijn woonwagen in eerste plaats een woonhuis moest worden, dat voor mij perfect was. Daarna zou ik wel verder zien.

En nu sta ik ermee op Frijlân, ecoparadijs in wording. De wielen staan op een betonplaat, waar vroeger de mest van de boer op lag. Daar is niks meer van te zien. Ik kijk door het raam naar buiten. Er staat een harde koude westenwind. Ik ben lekker binnen en de zon schijnt warm door het raam. Voor me ligt het oranje pannendak van de boerderij en het grote veld. Bosjes riet met bruine pluimen golven in de wind. Tussen het lange gras staan gele bloemen, die stralen in de zon. Wolken met dikke koppen drijven voorbij. Nu ik weet dat ik weg ga, geniet ik extra.

Frijlân wil een broedplaats zijn voor cultuur en verandering. Er is veel energie voor nodig en ik help mee met het geven van vitale en creatieve voorzetten, waar straks op kan worden voortgeborduurd. Er is veel te doen. Ondertussen bereid ik me voor op een leven als voetganger. Ik zoek uit of ik mijn wagen kan trekken met een elektrische mover. Als dat werkt, dan ga ik hem testen. Waar zou dat kunnen, vraag ik me af. Ah! De ontdekkingstocht kan nu al beginnen.

Ik loop met mijn vriend Dick over het betonpad, dat in een rechte lijn langs het eindeloze raaigras loopt. In de zak van mijn paarse regenjas bungelt iets zwaars. Het is mijn rolmaat. We gaan meten of ik hier straks mijn woonwagen langs kan trekken.
“Dit is vast veel te krap,” zegt Dick twijfelend. Ik kijk naar het pad onder onze voeten en maak een inschatting. “Nou, ik denk dat het meevalt. Als je in mijn woonwagen staat, lijkt een meter veel breder, zo’n pad dat in de verte verdwijnt geeft aan alles een andere verhouding.” Ik kniel met de rolmaat op het beton en betast het omzomende gras, dat er over heen is gegroeid. “Ïk kan dit niet goed meten Dick, ik weet niet waar de rand is.”
Ik kijk op en zie verderop een brug, die over de sloot ligt. Het beton steekt daar een eindje boven het gras uit en de randen zijn afgebrokkeld. Hier trek ik opnieuw mijn rolmaat uit. “Een meter zes en vijftig,” zeg ik hardop. “Dat kan nèt.”

Ik zou op weg willen gaan als landschouwer en mensen ontmoeten. Ik zou doorgaan met mijn blog. Maar dan met een vraag op mijn lippen. “Wat betekent het land voor jullie, en de manier waarop ons voedsel wordt verbouwd?” Ik ben benieuwd of er een kentering gaande is.
Onderweg zal ik ongetwijfeld plekken vinden waar ik een tijdje blijf.

Dat is het plan. Maar voor de reis mag beginnen, dan hebben vast al een hele winter achter de rug…

.

PS: Scroll op de website eens naar onderen, daar heb ik een collectie van al mijn tekeningen. Een kleurrijk geheel is het. Als je op een tekening klikt, kan je hem in het groot bekijken.

.

Toch op pad

.

.

“Heb jij je eigen huis gebouwd? En je lijkt zo’n tenger meisje.” Ik zie terugkerende verbazing in gezichten van sommige passanten. Ik snap er niks van. Ten eerste, waarom zou je niet je eigen kleine huis kunnen bouwen wanneer je tenger bent? Ten tweede, ik ben niet tenger, maar pezig, met een stel stevige benen eronder om mee de wereld in te gaan…

Achter het glas van het windscherm is het lekker beschut. Ik heb een stoel neergezet, om op te zitten. Tot nog toe had ik alleen mijn melkkrukje en de prullenbak met een plankje erop tegen het inzakken. Het wordt hier steeds luxer. Mijn woonwagen staat redelijk uit de wind en ik waai niet meer zomaar weg in mijn buitenkeukentje. Ik zit in de rotanstoel en kijk uit over de wijdse vlakte met raaigras en nog eens raaigras.
“Het lijkt wel een aquarium!” zei mijn vriend Dick, toen het windscherm er net stond. “Neuhh! Het is veel meer dan een aquarium, kijk eens wat een uitzicht!” Snel ontkende ik de vergelijking.

Ik kijk door het glas. Ik zie hoe de wolken over het land schuiven. Elke dag anders. Maar toch…. De wielen onder mijn wagen beginnen zachtjes te fluisteren. “Wij willen rollen, je hebt het ons beloofd!” Het glas rondom lijkt steeds meer het glas van een couveuse te worden, of van een etalage. Eén keer per maand is de open dag. Dan vertel ik de hele dag het verhaal van de bouw. Het is net een theatervoorstelling. Daarna is het weer stil. Er komt zelden iemand in deze uithoek, achter het glazen scherm. Ja, je kan er heerlijk zitten, uit de wind, in de rotanstoel, dat wel.

De tijd rolt verder, met de eindeloze hitte, de eerste regenbuien, de eerste kille nazomerdagen. Ik bewater de potten met bomen, wied de brandnetels en de distels langs de paden, tussen de bloemen. De anderen werken aan hun bedrijf, verzorgen hun yurt, de konijnen en de hond of vragen subsidies aan voor ambitieuze plannen van Frijlân. Er komen mensen kijken naar de vijvers en de bloemen, ze vergapen zich aan de mooie yurts, de opgeknapte schuur en de ingenieuze manier hoe ons sanitair wordt opgebouwd.
Toen ik hier kwam was ik blij. Mooi, dat ik uitgenodigd werd als kunstenaar, terwijl mijn woonwagen net af was.
Ik luister geboeid naar de verhalen van Irma Abelskamp, die met zoveel mensen praat en stug doorgaat met het aansturen op verandering, verandering in de eindeloze vlakte van raaigras en woonwijken zonder diversiteit.
Maar ondanks de verhalen en de beweging die er in zit, lijken mijn voeten steeds trager te gaan, alsof de grond van stroop is. Mijn blijdschap verdort en maakt plaats voor een gevoel van melancholie.

Op een morgen word ik wakker met een glashelder besef. Ik ben hier tijdelijk. Frijlân is de startplaats voor een lange reis. Hier bereid ik me voor op een lange wandeltocht door Nederland, mèt mijn woonwagen. En ik weet, er is geen betere plek om te beginnen dan op Frijlân, vlak bij Leeuwarden. Langzaam groeit er een plan…

 

.

.

Elke verandering is een spel

.

.

Ik werk waar ik ben
in Brabant was ik Brabander
kwam ik jandorie op tv
En nu doe ik vol overtuiging
met een groepje Friezen mee

Frijlân is in Friesland ja
het is een piepklein dorp
ik woon en werk en onderga
de harde winden en denk na

In een wereld zo verstoord
wil ik eenvoudig leven
en het landschap om mij heen
iets van zijn eigenheid terug geven

Ik ben waar ik ben
en kijk
Hoe geef ik vruchtbaarheid aan ‘t land
hoe laat ik voedsel groeien
en hoe geef ik voeten aan
de mogelijkheden die ‘t verstand
keer op keer te boven gaan

Ik kijk met de spade in de hand
naar uitverkoren wriemelbeestjes
vochtig onder stenen
en vliegensvlugge zwaluwen
die in de blauwe hete hemel
zo weer zijn verdwenen

Ik werk en kijk en maak er wat moois van
Ik plant en bouw en kijk opnieuw
tot ik bijna alles
rond mijn huis wel dromen kan

Maar nooit zeg ik
Ik weet het wel want
elke verandering
is een spel

Vrij om te gaan
blijf ik nu hier
om bodem te vormen
te praten met de regenwormen
Hoe maken we een paradijs

En doen het.

 

.

.

.

.

Denkend aan Brabantse hitte

.

.

.

Vandaag begint mijn vakantie. Dat heb ik vanochtend besloten. Deze week doe ik alleen waar ik zelf zin in heb. Dat moet af en toe. In de stroom van gebeurtenissen wil ik af en toe een stuk alleen zwemmen.

De zon schijnt warm, maar er staat een verkoelend briesje. Ik heb mijn zondagse jurk aan het glas van het windscherm gehangen, netjes aan een hanger. Het is een rode jurk met rode kersen en groene blaadjes De wind laat de dunne stof elegant wapperen. Gisteren had ik hem nog aan. Ik had de hele week hard gewerkt en had mijn vuile kloffie in de was gedaan. Ik zat met mijn mooie rode jurk aan in het gras, bij de vijver in het park en had mijn rode hoedje op. Ik voerde stukjes appeltaart aan de meerkoeten, terwijl mijn vriend Dick verontwaardigd toekeek. Het was appeltaart van Appie, voor de halve prijs, fabriekstaart. Zeven jonge watervogels zwommen haastig naar me toe, voor die paar kruimels. Ik stelde me voor dat er in het park overal fruitbomen stonden, fruit, waar ik taart van bakte. Zou ik dat ook aan de meerkoeten voeren? Vast niet.

De taart is op en Dick is weg. Vandaag hangt mijn jurk buiten, aan het glas van het windscherm. De groene weilanden er achter maken de jurk nog roder. Ik kijk naar de groene velden, die zover reiken. En ik denk aan Brabant. Daar is het gras niet meer groen, maar geel. Het is er heet, al heel lang. “Het gras kraakt onder je voeten,” schrijft iemand me, “Er is geen klavertje meer te bekennen.”

Vijf jaar lang was ik daar, tuinierde in zandgrond, zag hoe de boeren ploegden, zaaiden, mest injecteerden en oogsten. Ik zag hoe de wind het losse zand wegblies in tijden van droogte. En nu zie ik foto’s van vrienden op facebook, erger dan ooit, geel gras, dode bloemen. En het is nog niet afgelopen. Vanaf morgen wordt het nóg warmer, nóg heter. “Dit lijkt niet eens meer op Zuid Frankrijk, dit is Soedan,” schrijft Manon Ossevoort, die heel Afrika doortrok met haar trekker. Ik bedenk me dat het hier zo slecht niet is, op de Friese kleigrond, met om vijf uur de dichte ochtendmist, die van zee komt. Soms is alles kletsnat van de dauw, wat een geluk.

Bij de boerderij zitten José, Anna, Marin en Irma. Ze hebben ochtendoverleg. Als ik aan kom lopen, kijkt iedereen me aan. Ik vertel wat ik gehoord heb, over Brabant, mijn vorige thuishaven. Hoe het daar nu is. “Het weer wordt nu echt extreem,” vertel ik. “ We moeten mensen nù leren wat er groeit en wat eetbaar is. Ik stel voor om er meteen mee beginnen.” Ik geef Marin een stuk gaas, om er een droogrek van te maken voor de oogst van het meldezaad, dat hier nu in grote bossen groeit, ondanks de langdurige droogte. Marin, wildplukster en kokkin, kijkt blij.
Irma vertelt over de stukken land die vrijkomen, waar wij straks ook mee aan de slag kunnen gaan. “We moeten er wadi’s maken”, zegt ze. “ Ja, om de slagregens in op te vangen, “ voeg ik toe en denk even na. “We kunnen tamme kastanjes en walnoot planten op de hogere delen. Dat zijn sterke bomen.” Irma knikt bevestigend. “En beschutte plekken maken, waar andere planten kunnen groeien en dieren kunnen schuilen.” We praten over wat er nog meer kan, in een klimaat dat zo anders wordt.
“Hoe dan ook, ik heb er zin in!” roep ik opgewekt en blij dat we nu aan de slag kunnen.
José lacht. “Eerst kom je met een bericht dat de wereld zo ongeveer vergaat en dan zeg je dat je er zin in hebt!”
Ik draai me om en loop lachend weg. Ik weet al wat ik ga doen, de eerste dag van mijn vakantie. Ik ga in de sloot spelen en modder scheppen. Ik ga de visjes een diepe poel geven, een vluchtplek voor als de sloot uitdroogt. Dàt ga ik doen!

 

.

.

.

Met modder gooien

.

.

 

Anna staat in de sloot met haar laarzen vast in de modder. Haar voeten zitten vastgezogen in de laarzen, in een vacuümtoestand. “Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”

 

Mijn watervoorraad bewaar ik in mijn fietskar. Op Frijlân is nog maar één watertap, helemaal aan de andere kant. Het is gewoon een tuinslang, die uit de grote betonnen waterput komt, waarin de kraan van de waterleiding zit. Omdat het een eind lopen is, sla ik groot in. Mijn fietskar heeft een mooie plastic bak, genoeg voor zo’n veertig liter water.
Ik heb mijn waskom schoongepoetst met een doek en wil vers water scheppen uit mijn voorraad. Ik til het tentzeil op, dat het water schoon moet houden. Eronder is nog maar een klein bodempje. Het word tijd om het aan te vullen.
Ik pak het handvat van de kar en loop over de betonplaten om het veld knalgele koolzaad heen. Eerst kom ik bij de caravan van Anna. Anna is een jonge blonde vrouw en de kinderen van Elbrecht zijn gek op haar. Ik kijk naar de planten, die voor haar wagen staan. Een roze spirea is op sterven na dood en de anderen liggen droog bij elkaar.
“Hee Anna, zal ik die planten van je even redden?” vraag ik. Anna kijkt me somber aan. “Ik kan het niet, ze gaan dood bij mij. En ik heb mijn dag niet,” moppert Anna.
“Kom op, we leggen ze gewoon in de sloot. Dan kunnen ze zich even flink volzuigen en bij komen. Dan zijn ze vast te redden.” Anna stemt in, dat vindt ze een goed idee. “Ik zou het heel rot vinden als de planten doodgingen”, zegt ze ongelukkig.

Anna voegt daad bij woord. Over de net iets te schuine helling glijdt ze richting sloot. Ze pakt de planten aan die ik haar aangeef. De sloot is dieper dan we dachten, de potten raken de bodem niet. Ik moet aparte kom voor de planten uitgraven, vlak langs de oever. Ik ga weg om de spade te halen. Anna zegt vastbesloten dat zij ervoor zal zorgen dat de planten niet wegdrijven.

Als ik terug kom staat ze nog steeds in het water en  houdt de potten op hun plek. Ik hak een hazetrapje naar beneden, zodat ik makkelijk weer bij de sloot kom. Ik graaf een zijkom aan de sloot. We geven alle planten een plek.  Anna haalt allerlei capriolen uit om niet te vallen. De bodem van de sloot is onbegroeid en de grijze klei is spekglad. “Haal die grote ook nog even, die nog bij de caravan staat.” zegt Anna wankelend. “Die is er ook slecht aan toe.”
Ik klim weer naar boven voor de laatste pot met de grote vergeelde kornoelje. “Zal ik hem eerst even flink nat maken?” vraagt Anna me. Ik knik instemmend. Met alle toewijding die ze in haar onhandige positie kan opbrengen, dompelt ze de rand van de pot onder water. Nu moet hij naar de kant. De pot is tien keer zo zwaar geworden. Anna strekt haar armen om de pot aan te geven. Ze verliest bijna haar evenwicht en laat de pot los. “Help, mijn laarzen zitten muurvast in de modder!” Ze zwaait met haar armen. Het volgende ogenblik ligt ze languit in de sloot. Verbouwereerd en lacherig komt ze overeind en duwt alsnog de pot naar de kant. We klaren de klus. Anna is al die tijd niet van haar plek afgekomen. Haar laarzen en de bodem van de sloot zijn één onbeweeglijk geheel geworden. Haar voeten zitten vastgezogen de laarzen, in een vacuümtoestand.
“Ga liggen en geef je over,” zeg ik “als je languit in de sloot ligt, komen ze vast los.”
“Jij hebt makkelijk praten!” roept ze quasi verontwaardigd “Jij staat schoon en droog langs de kant!”
“Okee, zal ik dan ook de sloot in komen?” Eigenlijk heb ik daar best zin in.
“Ja!” roept Anna stellig. Solidariteit gaat boven alles.
“Maar dan doe ik wel even mijn badpak aan.”

Even later staan we schaterend in de sloot elkaar met modder te bekogelen. Marin is er ook bij gekomen, in haar mooie jurkje. We smeren de modder in elkaars haar en maken een gezichtsmasker. Wat een heerlijke verfrissing!
Na een tijdje krijg ik het koud. De twee twintigers zijn nog vrolijk bezig, met hun modderbad. Ik ga eruit en trek de handdoek om me heen. Alles tintelt. Ik voel me een heel ander mens. Dit gaan we vaker doen. Zeker weten!

.

.

Een koelhuis vol kinderen

..

Er staan vier grote auto’s op de inrit naar de geitenboer. Wat is er aan de hand? Ik zet mijn fiets neer, pak de lege melkflessen uit mijn fietstas en maak het grote hek open, net ver genoeg om erdoor te kunnen. Ik kijk het erf over. De deur naar de melkstal staat op een kier. Ik zie een flits van lang blond meisjeshaar. Ik loop er niet heen, maar ga verder naar het koelhuis, waar de volle tank staat. Als ik door de open schuurdeur naar binnen kijk, zie ik aan de andere kant een grote drom kinderen. Door de kleine deur komen ze het koelhuis binnen stromen en de kleine ruimte is in één keer vol. Verrast kijk ik om me heen. Zo druk heb ik het hier nog nooit gezien. “We krijgen een rondleiding!” roept iemand me enthousiast toe. De geitenboer sluit de stoet en concentreert zich op zijn verhaal.
“Zal ik later terug komen?” roep ik naar de boer, maar ik krijg geen reactie. Zijn rode krullenbol steekt hoog boven de kinderhoofden uit en hij begint te vertellen.

“Hier gaat de melk naartoe.” Hij wijst naar de koeltank en vertelt een verhaaltje over de melk die warm uit de geit komt. Hij vraagt de kinderen wat er gebeurt als je de warme melk niet koelt. Een  meisje zegt aarzelend dat de melk dan dik wordt, maar verder weten de kinderen niet zo goed wat er dan gebeurt. Kennelijk zorgen hun moeders er wel voor dat er nooit zure melk gedronken wordt. Een wijs jongetje stelt technische vragen, de anderen luisteren, tot de boer is uitverteld en de kinderen naar buiten hollen.
Ik kijk afwachtend naar de boer, benieuwd of hij tijd heeft om mijn flessen te vullen. Hij blijft rustig staan, neemt grijnzend de twee flessen in ontvangst en draait zich om naar de koeltank. Wanneer hij gehurkt op de grond de grote kraan opendraait, staan er drie meisjes door het open raam naar binnen te kijken. Een levendige brunette met lang krulhaar buigt zich ver voorover. Ze wil alles zien. Als de ene fles vol is vraag ik haar: ”Wil je voelen hoe koud hij is?“ Haar bruine ogen glimmen en ze voelt aan de fles. “Oh ja, koud zeg!” roept ze. Nu willen opeens een heleboel meisjes voelen en één voor één raken ze het koude glas gevuld met het witte romige geitenmelk.
“Mwwwuh.. warm!” roept een eigenwijze dreumes.
“Jij bent zeker een eskimo,” zeg ik en verlegen lacht ze. Ik trek mijn hand terug door het raam de koelruimte in, om de andere fles ook aan te pakken, die de boer inmiddels keurig tot de rand toe heeft gevuld. Als ik even later de flessen in mijn fietstas stop, zijn de kinderen de melk alweer vergeten. Het eten staat klaar. Alle kleine voeten gaan op een drafje richting het huis.

Terwijl ik op mijn fiets stap denk ik aan Frijlân, de plek waar ik straks heen ga. Ook daar zullen kinderen zijn om te spelen en te leren op de boerderij. “Leren van nature,” wordt de slogan. Wie weet kom ik vaker in zo’n kinderdrom te staan. Als ik wegfiets over het asfalt, waait een frisse wind om mijn hoofd en zonlicht schijnt over het boerenland. Nog even en het zal ander land zijn, waar ik fiets, waar ik de lente zie ontluiken, een ander land en Friese kinderen. Zou er ook een geitenboer zijn?

Een huis dat zweten kan

.

.

Steeds meer begin ik te beseffen dat een klein huis leeft. Het is als een tweede huid, die aandacht nodig heeft en waar je af en toe even in alle hoeken en gaten komt, om te poetsen, te boenen en te smeren, net als een ouderwetse scheepsmotor. Het kleine huis wil gekend worden! Dat is een reden dat ik heel blij ben dat ik mijn mobiele stulp zelf heb gebouwd. Ik ken het als mijn eigen lichaam.

Het is één uur in de nacht. De kachel is al uitgegaan. Ik lig in bed, het schapenwollen dekbed hoog opgetrokken om mijn schouders en mijn hoofd goed ingepakt in een sjaal. De wagen schudt heen en weer door harde wind en regen plenst op het dak. Ik zie het zo voor me. Het dak ziet er weer net zo hobbelig uit, als voor ik de buigtriplex ertussen legde. De platen zorgden ervoor dat het dak er netjes uit zag. Maar onder die schone schijn voltrok zich een kleine ramp. Wat ben ik blij dat ik het op tijd ontdekte…  De constructie zelf was nog helemaal onaangetast!

Ik wilde geen dag langer wachten. De schimmel die ik in de dakplaten had ontdekt moest meteen verwijderd worden. Niet met smerig chemisch spul, nee ik zou drastisch te werk gaan en alle platen vervangen. Het was heerlijk windstil vriesweer, perfect voor de klus. Ik genoot van de heldere winterzon en hoopte dat het nog een tijdje zou aanhouden. Na twee dagen peuteren hing het dakzeil weer los naar beneden, als een slappe huid die los aan  een ruggengraat hangt, over alle ribben heen. Ik heb het rondom vastgebonden met een touw. Het leek nogal overdreven, met dit windstille weer.

En nu lig ik in bed en luister naar de wind. Wat ben ik blij dat ik het dringende deel van de klus klaar heb, en dat ik het zeil  zo goed heb vastgeknoopt. Want o, wat waait het! Zit het echt wel vast genoeg? Ik maak me zorgen om dat ene hoekje, waar het zeil wat aan de korte kant is. Ik draai me onrustig om op mijn andere zij, maar ik sta niet op om te kijken. Ik zie het wel, morgen. Om twee uur gaat de wind liggen, en val ik in een diepe slaap.

.

Dakzeil dat los in de goot hangt

.

De volgende ochtend wordt ik uitgerust wakker. Door het venster van mijn voordeur zie ik regenwolken voorbij jagen en tegelijkertijd schijnt de zon. Mijn huisje is flink afgekoeld en ik loop naar de kachel om hem aan te steken. De kachel staat in de hoek, pal onder de kritieke plek waar ik vannacht aan dacht. De vensterbank er naast is nat. Dus toch! Ik veeg het droog en doe mijn terreinlaarzen aan en ga naar buiten. Ik klim op de steiger en zie dat het zeil in de hoek niet goed zat vastgeklemd. Het heeft gewapperd en er onder is het een beetje nat. Ik trek kleine stukken natte wol er uit en leg het zeil weer terug. Dit keer zet ik het zo vast dat het geen kant meer op kan. Ik leg de wol te drogen bij de kachel en zet het plafond op de ventileerstand.

.

Plafond in de ventilatiestand, even een ribje losmaken

.

Wonen in een klein huis is een uitdaging. Hoe kleiner het huis, hoe groter de mogelijke problemen in de vochthuishouding. De warme vochtige lucht stijgt omhoog. Bij mij gaat het dwars door de wol heen en vindt het koude vlak van het dak. Vooral boven het bed is het erg. We bestaan immers voor 80 % uit vocht en wasemen in alle rust een hoop uit. Waar gaat dat allemaal heen? Ik ben blij dat ik het dak zo heb gemaakt, dat ik overal bij kan.

.

Zo erg was het

.

Nu is de vraag, hoe los ik dit probleem op. Ik heb een plan en hoop dat het werkt. Misschien heb ik straks een huis dat zweten kan. En weet je? Eigenlijk vind ik het helemaal niet erg dat ik weer iets heb om mijn tanden in te zetten…

.

Op poreuze vlakken plant de schimmel zich snel voort

 

.

WERKGESCHIEDENIS
Wat deed ik om het vocht kwijt te raken?

Ik ontwierp een huis met zo min mogelijk koudebruggen. Ik maakte ventilatiegaten onder in de muur en onder de vloerspanten en uitneembare drempels. Ik koos voor ademende isolatie, zelfs in de deuren zit het. Verder maakte een dampkap in het midden van het dak met aan weerszijden een kier, waar de condens weg kon. Boven de isolatie, pal achter de goot kwam ook zo’n kier. Maar de dakplaten, die ik pas later toevoegde, lagen er onbehandeld én poreus op en zonder folie. Dan werkt die mooie kier dus niet. Het nieuwe materiaal ga ik eerst grondig behandelen.

Het kastje onder het bed ruikt niet muf en is goed gelukt. De vloer is warm en droog. De ramen lekken niet en de drempel laat niets door. Het is snel warm, door kachel en door zonnewarmte door de ramen. Het dak is waterdicht. Ik ben tevreden over mijn ontwerp. Nu verder.

HET VOORBEHANDELEN EN CONSERVEREN VAN DE PLATEN                                                                    Ik verwijder alle schimmelresten op het EPDM grondig met soda en daarna met azijn. Zelfs al zie ik niks meer, liever een keer teveel gepoetst dan te weinig. De nieuwe dakplaten impregneer ik met hele dunne olie, die er diep intrekt. Dat doe ik twee keer. Dan volgt een dikkere perkoleumlaag, die ik meng met de dunne olie. Dan komt een tweede onverdunde perkoleumlaag, die er meer bovenop blijft liggen. Daarna schuur ik het. Vervolgens kan er hoogglans verf op, op lijnoliebasis. Als de verf goed hard is ontvet ik het, schuur het nog een keer en smeer er een laag dunne contactlijm op. Uiteindelijk komt op speciaal uitgekozen plekken een laag dampkerende folie.

.

.

HET WERKPLAN VAN HET ZWEETSYSTEEM
In het uiterste midden zorgt de dampkap ervoor dat ik mijn vochtige lucht kwijt raak. Naast het midden, voor het dak naar beneden afbuigt, komt dampkerende folie tegen het behandelde hout en ook onder de wol, achter de plafondbekleding. Verder opzij, aan de schuine zijkanten van het dak, plak ik geen folie maar EPDM tegen het dak en verder niks dan de doorlaatbare wol.
Ik hoop dat de vochtige lucht condenseert tegen het koude oppervlak van de schuin aflopende zijkant. Ik laat de EPDM als een uitstekende lap door de kier steken, die onder de goot zit. Ik hoop dat de gecondenseerde damp in druppels zijn weg naar buiten zal vinden. Op die manier werkt een luchtontvochtiger ook!

Dat wordt een mooie klus. Maar zover is het nog niet. Ik wacht tot de eerste warme lentedagen, zodat alles goed droog is. En ondertussen heb ik alle tijd om alles voor te bereiden!

.

De zweetkier onder de goot

.

 

Van binnen, essenhouten boog met stuivers als uitvulling

.

Boog van buiten, in de zweetkier (moet ook in de olie.)

.

.

 

Schrikken voor het slapen gaan

.

.

Door vermoeienis dwaal je af van het pad, dat je zelf hebt gebaand, dat je zelf met zoveel hersenbrekens tot perfectie had gebracht. Vergeten liggen gevallen steken, verborgen voor het oog. (Alowieke)

De hemel is gesluierd met een donker wolkendek. Gisteren kwam de zon er door heen, een verrassing na dagenlang mist en de regen. Maar vandaag is hij weer weg. En het is al januari geweest! Ik weet dat het klimaat verandert. Toch verrast het me op onprettige wijze. Dat de herfstige buien maar blijven vallen, dat de nevels maar blijven komen, het verandert de wereld. Ook mijn huis lijdt er onder en zulke dingen ontdek je nou net op de meest ongelegen momenten.

Ik heb mijn pyjama aan gedaan. Op het bed ligt een extra deken, want het wordt koud vannacht. Ik kijk op de wekker. Het is nog maar kwart over tien, ik ga vroeg mijn nest in, want Dick en ik gaan er op uit, dit weekend. Als ik mijn pantoffels uit doe, zie ik iets.
Het is een vochtvlek op het witte doek van het plafond. Een klein vlekje maar, maar het zat er eerst niet en dat is raar. Heeft het gelekt?
Ik vouw de stof opzij en trek de dikke isolatie weg. De grijze schapenwol voelt vochtig aan de bovenkant. Ik weet dat daar een kleine lek zit, maar daar heb ik tijdelijk een theedoek tussen gepropt. Het lek is zo klein, dat ik het alleen bij hoosbuien in de gaten moest houden. Ik had gedacht het op de eerste lentedag piekfijn in orde te maken. Maar wat nu? Ik trek de isolatie verder weg en schrik. Het buigtriplex is zwart van de schimmel. Zou het hele plafond er zo uit zien, al die tijd verborgen voor het oog? O dat dak, waar al zoveel uren in hebben gezeten!

Het is een warme dag in de nazomer. Ik sjouw met  grote buigzame platen, die moeten straks het dak op. Ik smeer een heel blik lijm op de randen, tegen inkruipend vocht. Het is mooie dunne lijm en het gaat snel. Terwijl ik ermee bezig ben, komt de buurman kijken, een loodgieter. Hij is ook nog psycholoog en ik kan altijd heerlijk met hem filosoferen.
Hij kijkt hoe ik de soepele kwast in de lijm doop. “Ga je de rest van de plaat nog behandelen?” vraagt hij me. Ik kijk hem aan. “Nee. Ik ben doodmoe. Het moet nu maar eens af zijn.” Hij kijkt bezorgd naar het hout. “Ach ja, vervangen kan altijd nog.”

En nu staar ik naar mijn plafond en denk aan hem, ik zie die bezorgde blik nog glashelder voor me. Ik ben net wakker na een paar uur slaap. Ik heb een hoop uitgezocht en opgeschreven. Piekeren ‘s nachts is soms heel functioneel. De zwarte schimmel heet stachybotrys en is schadelijk voor de gezondheid. Als de toestand al te bar is ga ik het nodige vervangen.
Na een flinke kom havermout voel ik mij bestand tegen elke tegenslag. Rustig haal ik adem en besluit te blijven glimlachen, terwijl ik het doek wegtrek. Langzaam onthul ik een kleine ramp. Het zit er letterlijk ònder, allemaal zwarte en witte schimmel. Er hangen druppels aan het poreuze houten dak. De druppels moeten rollen, zoals op de werktekening, rollen langs spiegelglad oppervlak, door de speciaal ontworpen kier naar buiten.

Ik weet wat ik te doen heb. Steiger plaatsen, dakbedekking lostrekken, de platen ertussen uit halen. Ik zal de nieuwe bestellen en op maat zagen, ze conserveren met goeie harde hoogglansverf. Ik plak gladde folie tegen het plafond boven de wol, dan is de afwatering van condens goed geregeld. Daarna controleer ik een paar weken of het werkt. Is het okee, dan plak ik de dakbedekking weer vast, met een nieuwe pot rubberlijm en maak alles weer netjes.

Het komt goed. Maar ach, eerst maar eens  goed slapen.

 

.

Eindejaarsfilm

.

Vlak voor het nieuwe jaar begint, wil ik iets bijzonders presenteren. Geen blog, geen tekening, geen gedicht, geen korte video, maar een film, dè film!

In deze tijd worden oude dingen worden afgerond. We nemen afscheid van een jaar met spijt of met voldoening, of alles tegelijk. Voor mij waren deze donkere dagen ideaal om het  nog een tweede keer te beleven, in een flitsende samenvatting. Ik maakte een film van de bouw van mijn “wooncocon”. Al het beeldmateriaal, meer dan drie jaar bouwen, heb ik gerangschikt. Ik heb er een verhaal van gemaakt, dat hopelijk niet alleen goed te volgen is, maar ook prachtige sfeerbeelden geeft.

Ik kon mijn droom waarmaken op deze minicamping in Brabant, waar ik heel dankbaar voor ben. Alle omstandigheden waren perfect voor deze film. De verstilde beelden in de winter zijn adembenemend en in de lente hoor je slechts het gekwinkeleer van de vogels. Je kan hier werken met een ideale concentratie zonder stoorzenders. Ik heb het hele proces consequent vastgelegd. Niet alleen met mijn huisje, maar ook over de film ben ik  helemaal tevreden.

Ik hoop dat dit verhaal zijn weg vindt en dat het nog menig enthousiaste bouwer inspiratie biedt. Of laat het er zijn, gewoon als verhaal, om naar te kijken en van te genieten.

Ik wens jullie veel kijkplezier en alle mogelijkheden om je dromen waar te maken en van dat proces te genieten. Een vitaal 2018!

.

.

Het laatste idee is om mijn wooncocon in een kas te zetten van 40 – 50 M2. Dan heb ik daarin mijn buitenkeuken en composttoilet, kruiden, druiven, tomaten, komkommers en de kleine stekken voor ze de koude (klei)grond in kunnen. Later meer daarover.

.

.

Huisje in de sneeuw

.

.

Het is snijdend koud en het sneeuwt al urenlang. Er staat een keiharde oostenwind. De vlokken waaien horizontaal tegen mijn voordeur. Die bestaat uit vier kleinere deurtjes. Ik heb ze met veel zorg precies passend gemaakt. Dat duurde lang. De naden heb ik bedekt met afwerklatten. Mooi werk, vond ik, de wind kon er vast niet doorheen. Dat dacht ik. Maar mooi niet. Vandaag waait de wind medogeloos. Het is een robuuste jongen. Hij laat zich door niets weerhouden en geen kiertje is te klein. Ik kijk er naar en voel de tocht langs mijn handen. Ik weet maar één oplossing, dichtplakken.

En nu is alles dicht. De tocht is weg. Ik kan er niet meer door. Ik ben waar ik ben. Ik heb het bed niet opgeruimd en omgetoverd tot zithoek, zoals anders. Ik heb het bed het bed gelaten en dat is nu mijn leefhol. Ik schrijf, bewerk mijn foto’s. Af en toe sta ik op en kijk naar de vogels. Het zijn er een heleboel. Ze eten van vetbollen en zaad. Zelfs als het stormt.

.

.

Ik kan nog wèl door de achterdeur. Zo fijn dat ik die heb! Er zitten òòk vier deurtjes, net als voor. De bovenste twee zitten bij mijn bed. Als ik de twee deurtjes open doe, waait er geen koude wind naar binnen. De achterdeur zit nu in de luwte. Dat scheelt! Ik glimlach tevreden. Vanuit het bed klauter ik op mijn sokken naar beneden, de buitenkeuken in. Daar staan mijn klompen. Ze voelen koud aan mijn voeten. Zo kan ik het netjes doen, zonder het bed vies te maken. Het is een hele organisatie, om alles via deze omweg te doen. Water halen, kaas uit de keuken meenemen, schillen naar buiten gooien, plasflessen legen, hout voor de kachel naar binnen sjouwen, de asla van de kachel legen. O ja, ook nog mijn composttoilet, dat moet ook nog naar buiten. Ik ben er zowat twee uur zoet mee.

.

.

Als ik klaar ben voel ik me zo voldaan, dat ik er de hele dag tevreden over ben. Het uitzicht is adembenemend. Een rukwind waait de sneeuw van de takken. De wind rukt aan de dichtgeplakte voordeur en ik hoor het plakband knisperen. Toch blijft alles op zijn plek. Dan is het weer stil. En onmiddellijk zijn daar de vogels weer. De krulwilg, nog niet eens al zijn blaadjes kwijt, is één groot fladderballet van vleugels en wappersneeuw.

.

.

Ik geniet met volle teugen. Dit uitzicht is uniek. Straks is het er niet meer. Ik wil een tuinkas om mijn wagen hebben. Dan hoef ik de voordeur niet meer dicht te plakken. Dan kan ik gewoon naar buiten stappen, midden in de ergste sneeuwstorm, om iets buiten mijn wagen te doen. Superhandig, zo’n tuinkas. In de lente kan mijn huis eruit en kunnen de plantjes erin.

.

.

Als ik zo beschermd sta, dan is het ruige romantiek er wel een beetje af. Dan wiebelt mijn huis niet meer bij rukwinden, dan heb ik de mezen niet meer in mijn keuken. Geen pimpelmees die er nog schuilt, in een achteloos opgehangen broodzak, pal achter het raam. Dan zijn er weer andere dingen om naar te kijken.
Dus ik geniet van hoe het is. Elk moment opnieuw.

.

.

 

Dit is speciaal voor Herma van radio 4, die gezorgd heeft voor zoveel kristalheldere muziekmomenten en die nu weggaat.

.

 

.