Ik waste een wesp in de keuken

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

Ik ben op een camping vlakbij Mildam. Mijn wagen heb ik gestald op de parkeerplaats en nu eet ik een ijsje. Verspreid over het terras zitten papa’s en mama’s en om hen heen scharrelen kinderen. Ik lik aan mijn ijsje en kijk rond. Aan de muur van de boerderij hangt een fles. Er zit een klein laagje oranje vloeistof in. Op de bodem ligt een laag wespelijken. Enkele zijn pas aangekomen en leveren een tevergeefse strijd om uit het stroperige sap te komen. Naast mij zit de boerin van de minicamping. Ze ziet me kijken. „Er zitten er al lekker veel in,“ zegt ze „Het is niks gedaan, al die wespen met die spelende kinderen hier.“ Helaas moet ik haar gelijk geven. Ik kijk naar de peuters die langs het hek bij de ezel staan te kijken. Die letten niet op wespen. Die gaan er gewoon bovenop zitten. Ik let wèl op ze. Ik leef samen met alle dieren om me heen. Als ik kinderen had, zou ik ze dat ook leren. Stap voor stap.

Even later sta ik bij mijn keuken. Een keuken trekt altijd dieren aan. Ook wanneer het alleen maar een plank in een bagagewagen is. Voor het slapen gaan sluit ik de klep. Dat moet wel, want anders zitten straks alle katten van de boerderij erin. Vannacht hebben ze een heel pakje boter opgegeten. Ik leef graag samen met dieren, maar er zijn grenzen. In mijn keuken hangen diverse huisvliegen rond. Ze zitten daar lekker uit de wind. Er vliegt één wesp. Al de hele dag zwerft ze wat heen en weer over de potjes en pannen, kruipt even op het deksel van de honingpot en en vliegt dan zigzaggend verder naar haar favoriete plekje. Dat is een leeg ijsbakje. Het is een klein kartonnen bakje en ik heb het speciaal voor haar op tafel laten staan. De tafel is gedekt met een lichtblauw kleed en het bakje is het enige wat er op staat. „Goedzo wesp,“ zeg ik „Eet maar lekker de restjes op.“
De wesp eet nu ijs, maar dat is alleen maar omdat ze op dit moment werkeloos is. Haar werk is het voeden van larven. Ze vangt levende vliegen en muggen. Ze ruimt ook lijken op. Het vlees zit boordevol eiwitten. Dat hebben de larven nodig om te groeien. Tegelijkertijd scheiden de larven een zoete stof uit, waar de werksters lekker van smikkelen.

Nu is het eind juli. De larven zijn grootgeworden. Er is even niks te doen voor de voedsters, tot er weer nieuwe larven zijn. Er is dus ook geen zoetigheid meer. Daarom hangen ze nu rond bij terrassen. Je moet toch wat, als wesp. De boerin heeft een slimme val gemaakt. Een ellendige plek voor een wesp. Maar deze wesp is nu bij mij. Ze boft maar.

Het is ochtend. Ik loop langs mijn woonwagen naar achteren. De markies met de tafel eronder vormt een heerlijk hoekje om mijn ontbijt te nuttigen. Ik wil de klep van de bagagewagen openen, om bij de keuken te kunnen. Dan zie ik iets spartelen. Het is de wesp. Gisteren heb ik een restje pap in het ijsbakje gegooid. Niets vermoedend is de wesp erin gevlogen. Lullig zeg. Stel je voor dat je in de supermarkt iets wil pakken en opeens donder je in een gat vol slik. Dat is niet aardig. Ik wil de wesp graag redden. Ik steek mijn vinger in de pap. Ze klimt er meteen op en gaat zich op mijn hand zitten poetsen. Ze zoemt en trilt met haar vleugels om de smurrie eraf te krijgen. Dan begint ze weer driftig te poetsen. Haar achterlijf is helemaal besmeurd. Maar daar kan ze niet bij, de pootjes zijn te kort. Ik steek mijn vinger in een kom water en heel zachtjes raak ik de wesp aan. Ze vindt het goed. Voorzichtig tik ik op het piepkleine lijfje, zo zachtjes, dat ik haar bijna niet raak. Dan steek ik mijn vinger weer in de kom.
Zo was ik de wesp. De wesp zoemt en trilt om de nattigheid weer van haar lijf te schudden. Twee keer valt ze van mijn hand. Dan houd ik opnieuw mijn vinger voor haar kop. Ze klimt er gauw weer op. Samen gaan we verder met wassen tot alles er af is. En dan, plotseling vliegt ze op. Weg is ze. Ik heb haar niet meer teruggezien. Als ze maar niet in de lijkenpot is terechtgekomen bij de boerin. Maar dan heb ik in elk geval iets meegemaakt. Want wie heeft er ooit een wesp kunnen wassen?

Nieuws: Ik ben 16 juli vertrokken met het Wandelhuis. Via Mildam ben ik nu onderweg naar Wolvega.
Vanaf het moment dat ik rijd, is mijn kleine huis een rijdende verhalenwagen. Dat kan je lezen op de wand. Tien maanden lang stond die wand tegen een hoge heg aan. Toen was mijn huis alleen een wooncocon. Zo gaat het. Verhalen zijn als eb en vloed. Als ik stilsta is het eb, als de wielen rollen is het vloed. Dan trek ik ze aan, de verhalen. Het is een ritme. Als ik alle verhalen zou beschrijven, dan had ik een zee. De stroom aan verhalen zou een boek worden. Maar dat boek heb ik vorig jaar al geschreven. Het was mooi werk, maar ook pittig. Ik heb er meer dan een jaar aan gewerkt en in oktober komt het uit.
Dit jaar hoef ik niks. Ik geniet van stralende blikken en goeie gesprekken. Ik hoef ze niet allemaal te onthouden, de woorden, de gelaatsuitdrukkingen, de landschappen. Heerlijk is dat!

Maar wil je toch lezen hoe ik mijn reis beleef, kijk dan naar deze link op de site. Hier vind je een beschrijving van het boek: ’Langs kantelende wegen’. Het is niet alleen mijn eigen verhaal, maar ook verhalen van anderen heb ik zo zorgvuldig en levendig mogelijk onder woorden gebracht. Ik hoop dat het leest als een sprankelende parelketting. Maar dat moet een ander maar beoordelen.

https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-komt-uit-bestellen-kan-hier/

.

Kom eerst maar eens los!

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 4 minuten.

Ik ben verhuisd. Het is maar een klein stukje. Maar toch betekent dat heel wat. Het is de eerste stap richting vertrek. Op dit moment sta ik pal voor de weg. Ik blokkeer de oprit. Een auto kan er niet meer langs. ‘Geeft niet,’ zegt mijn buurvrouw. ‘Ik zet de auto wel verderop neer, in de berm’. Dat is aardig van haar.

Nee, ik kan niet zomaar weggaan, van de ene dag op de andere. Dat heb ik de voorgaande keren ook gemerkt. Al drie keer eerder ben ik eerst een stukje opgeschoven, voor ik uiteindelijk vertrok. Om te wennen. Al heb ik wielen die rollen, ze zakken toch de grond in. Zo voelt het voor mij zelf ook. Ik raak geworteld op een plek. Dus voor het losmaken neem ik de tijd. Zoals een beer uit zijn hol komt na zijn winterslaap. Die rent ook niet meteen weg. Hij gaat eerst om zich heen zitten kijken. Toch?

De kachel brandt. Buiten valt een fijne motregen die kleine spatjes maakt op het raam. De asfaltweg glimt van de vele regen. Auto’s rijden nu pal voor mijn deur langs. Ik wen aan de weg, want dat wil ik. Campina melkwagens, sportpaardentransport, trekkers, het komt allemaal voorbij. Ik doe de bovendeur open en kijk naar buiten. Tegelijkertijd stapt aan de overkant de buurvrouw in haar auto. Ze steekt achteruit de weg op en wanneer ze voor me staat, draait ze het raampje open. ‚We zouden nog steeds thee bij je komen drinken. Je gaat toch nog niet weg??’ Ik stel haar gerust. Nee, ik ga nog niet weg. Ik ben nog niet klaar. We hebben nog het hele weekend. Ze glimlacht tevreden. ‚Dat is dan afgesproken.’ Ze draait het raampje weer dicht en rijdt verder.

Ik kijk naar de dikke haag waar ik tegenaan sta. Het lichtgroene blad groeit als een fris kleed over de gesnoeide haag heen. Kijkend door het raam zie ik hoe het uitzicht compleet veranderd is, door een paar meter verderop te gaan staan. Het is al heel wat, dat die verhuizing gelukt is. Want vijftienhonderd kilo verplaats je niet zomaar. Er komt van alles bij kijken. Het is leuk om daar de tijd voor te nemen. Hoe dat ging, dat kan je zien in dit grappige filmpje.

Nog even, en dan ga ik de weg op. Wanneer dit blog uitkomt, ben ik onderweg!

Ijs en weder dienende.

.

.

.

Vertrekken met aandacht

.

Ik sta stil aan de kant, en luister naar de klok van ’t Universum, die vertrouwen tikt.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

.

Vorig jaar ben ik drie maanden door Friesland getrokken. Dat was hard werken, want ik schreef ondertussen een boek. Het plan is om nu weer te gaan reizen. Niet om een lang verhaal te schrijven en ook niet om een film te maken. Gewoon om te genieten. Want in oktober is de boekpresentatie, iets om naar uit te kijken!

Dus ik ga op reis voor mijn plezier en ontspanning. Al een paar weken bereid ik me voor.

Weggaan is altijd anders. Soms loopt het soepel als van een leien dakje. Alles helpt mee. Het is als surfen op de golven. Een ander moment waait de wind woest om de oren. Golven woelen onvoorspelbaar om je heen en het is onmogelijk om richting te kiezen. Dan lig je de halve nacht met open ogen in het donker te staren. De volgende ochtend komen er van alle kanten berichten die je afleiden van je vertrek. Alles komt tegelijk.

Zo is het nu. Ik had een datum genoemd. Vier juli zou ik gaan. Dat heb ik gezegd tegen mijn buurvrouw. Hoe kwam ik er eigenlijk bij? De vorige keer gaf het ook stress. Dat was toen SBS6 kwam filmen. Wat een gedoe was dat. Ik kon mijn doe lijst niet afmaken en vertrok gehaast omdat de regisseur me riep.
Ook nu ben ik niet nog klaar. Ik zou mijn hoofd vergeten. En als ik mijn hoofd vergeet, dan kan ik het wel schudden.

Dus: Ik spreek nooit meer een datum af. Want weggaan vraagt om een goede afstemming. Ik kan ook niet zomaar wegrijden. De diverse manoeuvres vragen om rust en aandacht. Daarvoor moet ik van te voren een plan maken. Doet mijn krik het nog? Want ik moet eerst los komen. En waar plaats ik dan de mover, in welke richting trek ik, hoeveel ruimte heb ik? Hoe vaak moet ik loskoppelen en de mover verplaatsen? Niemand kent mijn wagen en mijn elektrische trekkertje zo goed als ik. Dus dat doe ik lekker alleen.

Het waait hard. Mijn hoofd is wazig door te weinig slaap. De wagen schudt heen en weer in de Westenwind. Alles stormt vandaag. Het stormt in de lucht en in levens van vrienden en kennissen. Het stormt in de wereld. Ontelbare verhalen klotsen wild door elkaar heen. Ik weet, hoe harder het stormt, hoe belangrijker is de stilte. Ik luister naar mijn eigen kloppende hart. Ik ga nog niet weg. Niet vandaag. Ik luister. Want alleen mijn eigen hart vertelt mij het juiste moment om te gaan. Heel stil ben ik.

Wat hoor ik daar? Ik sta op en spits mijn oren. Is het de klok van het universum die mijn vertrek inluid? Nee, ik vergis me. Het is een jonge uil in de schemering, die roept. Het is zo hoog en ijl dat je het bijna niet hoort. Een volwassen uil antwoordt met een rauw geluid. Dan zwijgen ze. Rustig ga ik weer zitten en luister naar de wind. Het komt zoals het komt.

.

 

 

.

.

Klein en vertrouwd

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9,5 minuut.

.

Ik heb een hele mooie kachel. Hij staat in de hoek bij de deur. Daar past hij precies. Het is een kleine Salamander. Het is een hele oude, en doet denken aan vroeger tijden, toen de wereld nog overzichtelijk was en iedereen in het dorp elkaar kende. Er stond een keteltje op met heet water. De koffie stond altijd klaar.
De kachel is slank, rond en hoog en is bedekt met een laagje sjieke bruine emaille. Bovenop is in het dekseltje een salamander gegraveerd. Dat deksel geeft toegang tot het binnenste, dat al door zoveel handen is gevuld met hout. Alles is tot as vergaan, jaar in jaar uit opnieuw.

Om de kachel heen is het een zootje. Er liggen oude kranten, schoenen, houtblokjes, een koffiekom, en soms wat vuile sokken die de was in moeten.
Onder de kachel moet eigenlijk een vonkvaste plaat. Die heb ik nog niet. In de vloer zit hier en daar een brandplekje. Ook zitten er een paar krassen in van de bijl. Ik heb me er lang aan gestoord. Maar ach, alles went. Op een gegeven moment weet je niet anders meer.
„O?“ zegt iets in mij, „Dat laat je toch niet zomaar gebeuren met je prachtige huisje! Dit is het begin van het verval.“

Dus nu heb ik besloten dat dit een goed moment is om de boel eens lekker op te knappen. Met frisse moed maak ik een plan. Ik zaag de dikke vloerplanken af, rond de kachel. Ik laat ze bij het timmerbedrijf door de vandiktebank halen. Daarna schroef ik er een stalen plaat op. Die moet verroest zijn. De roest maakt het oppervlak stroef, waardoor de verf goed blijft zitten. Dat moet bij een kachel, want het is een werkhoek. Je moet er kunnen hakken met de bijl. Ik wil de plaat maisgeel maken, dezelfde kleur als de rest van de houten vloer.

Waar haal ik dat staal? Bij de oudijzerboer natuurlijk. En dan niet zo’n grote, maar een kleintje. Zo’n ouwe rommelaar, die moet ik hebben. Ik vind hem al snel, het is een half uurtje fietsen. Ik bel hem op en kan meteen komen. Eigenlijk sluit hij om vijf uur, maar hij zal wachten tot ik er ben. Het duurt iets langer, want ik fiets eerst verkeerd, en kom bij een ander bedrijf uit. Het terrein ligt vol enorme schroothopen en er rijden grote kranen rond. Ik keer meteen om. Ik moet een stuk terug zijn.
Uiteindelijk ben ik er. Het bedrijfje is aanzienlijk kleiner. Er staat een verroeste Atlaskraan, een kast met pannetjes, bakken met geplette blikjes, een bak met het hele interieur van een professionele keuken. Ik loop verder. Achter een stoffig raam zie ik een gestalte en de houten deur gaat open.

„Ah ben je daar! Hoe kon je nou bij mijn concurrent terechtkomen?!“ In zijn stem klinkt verbijstering door. Dat snap ik wel, stel je voor dat al zijn klanten uitkomen bij de concurrent, die toch al rijk zat is. „Ik wist wel dat ik verkeerd zat hoor, zo n groot bedrijf daar heb je niks aan. Hier moet ik wezen en nergens anders.“ Mijn stem klinkt vastbesloten. Hij grijnst gerustgesteld en ik vertel wat ik moet hebben. Hij leidt me rond en uiteindelijk vind ik een goede plaat, mooi recht en verroest. Alleen een beetje te groot. Maar dat is geen probleem. Die snijdt hij wel door met de snijbrander. Hij legt de plaat op een stevige ijzeren werkbank, en tekent de lijn af. Dan legt hij er een H-profiel op en gebruikt hem als geleider. De vlam gaat keurig langs de rand, tot het laatste stukje toe. „Kijk eens hoe mooi!“ straalt hij. Ik ben vol bewondering. „Niet aankomen hoor! Het is nog heet, “ waarschust hij. Ik waag het niet, want ik dat weet ik maar wat goed. Hij loopt naar de deur. „Wil je nog een bakkie koffie? Dan kan het ondertussen afkoelen.“
Ik volg hem door de donkere schuur. Er staat een mooi trekkertje te koop tussen tal van andere zaken. Aan de wand hangen grote roestvrijstalen harpsluitingen. In de hoek zit een deur. Achter de deur is een klein kantoortje met bruine wanden. Er hangen foto’s van honden en mensen.
Hij schuift een stoel naar me toe. „Doe je aan corona?“ vraagt hij me. Ik zeg nee. Hier niet. Gelukkig, zie ik hem denken. De tafel is maar klein. Lang geen anderhalve meter. Hij schenkt koffie in een kop en zet hem voor me op tafel. Hij schudt zijn hoofd: „De mensen zijn zo bang! Ze doen alles wat Rutte zegt. Ik heb nu veel minder klanten. Hij is niet goed voor ons, werklui. Die andere is beter.“ Ik vraag wie hij bedoelt. „Ach, die met die moeilijke Franse naam. En Wilders, zegt ook wel goeie dingen, al is het een raar mannetje.“ Ik kijk hem geïnteresseerd aan. Maar zo boeiend is de politiek nou ook weer niet. Het gaat al snel over zijn vrienden, vriendinnen, en al de trouwe hondevrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Hij geniet zichtbaar van mijn bezoekje. Na een half uur betaal ik hem en laat hij me uit. Ik bind de kachelplaat stevig vast op mijn bagagedrager. „Ik zie je vast nog wel eens terug!“ zegt hij vol vertrouwen.

Terwijl ik terugfiets over de smalle rustige plattelandsweg, denk ik eraan hoeveel we er mee zouden winnen als dorpen weer hun eigen bestuurders kenden. Als een dorp of wijk niet meer dan 500 bewoners had en eigen kleinschalige bedrijfjes. Dan kent iedereen elkaar. Dan zou de oudijzerboer op straat een praatje kunnen maken met de burgemeester. Hij zou zelfs kennis maken met dat ene Turkse of Marokaanse gezin. Dat ene is immers altijd anders dan de rest! Kleinschaligheid schept vertrouwen. Is dat het niet wat we nodig hebben in deze tijd? Klein beginnen. Gewoon, een bakkie doen bij de ijzerboer.

.

 

.

 

Doen of laten op deze planeet

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten

.

Ik ben terug op dezelfde camping als waar ik vertrok, in juni 2019. De lente hult het terrein in een lichtgroene waas en de Zwette schittert in de zon. Dit is de plek waar ik bomen plantte, en kruiden. Ik was zo nieuwsgierig hoe het ermee stond! Nu wandel ik rond en kijk bij elk huisje en langs elk paadje. Bijna iedereen laat zijn gezicht zien.  Daarna ga ik aan het werk.

Ik verplant een paar kerspruimen naar een ruimere plek. Het zijn wilde prunussen die horen op deze natte kleigronden. Ze doen het hier geweldig. Ik zie zelfs al bloesems! Daarna loop ik naar de wilde kruidentuin. De munt neemt al een flink veld in beslag en ook de teunisbloemen rukken op, fier en recht de lucht in. Alleen de brandnetels rukken óók op. Die moeten met stevige hand in toom worden gehouden, al is het maar één keer per jaar.

En daarom ben ik hier!

Urenlang werk ik door en trek de zoveelste brandnetel uit de grond. Hij heeft een lange wortel en er zit een heel netwerk aan vast. Terwijl ik trek, scheuren de wortels de stijve bodem uiteen. Twee kippen haasten zich naar de los gewoelde grond en zien alles wat er wriemelend en roze in rond beweegt. Pik! Ann kijkt lachend toe, vanuit de verte. „Je lijkt wel een kip!“ roept ze hard. Ze zit op de drempel van haar huisje en kijkt naar me. Tussen ons in staan bomen en beginnend fluitekruid en brandnetels. De zon schijnt door de takken en zet alles in een warm licht.
„Wat doe je eigenlijk?“ roept ze dan. Ik loop naar haar toe om antwoord te geven. „Ik trek brandnetels uit, zeg ik. De kruiden die ik heb geplant, moeten hun plek gaan innemen en de brandnetels terugdringen. Het is voor de bijen en insecten.“ Ann knikt. „Dank je, dat wou ik weten. Ik denk altijd in eerste plaats aan eten, zie je. Al ben ik niet zo’n goede oogster, in dit geval.“
Ik glimlach. Dat zie ik hier graag, mensen die niks plukken. Mijn missie op deze plek is een andere. Ik wil onze kaalgeplukte planeet een handje helpen. Er is veel herstelwerk nodig. Het werk dat ik hier doe, zie ik als een beginnetje. Al is mijn werk maar sprietje vergeleken bij het woud dat we nodig hebben, ik word er zo blij van!

Als een tuin nog jong is, dan eet ik er niet van, ook geen blaadjes voor de thee. Wel pluk ik brandneteltoppen, look zonder look, en jong fluitekruid, voor in de soep. Dat staat er in overvloed. Wat groeien moet, moet je met rust laten, vind ik. Al verlang je nog zo naar zo’n sappig blaadje!

De wereld is een grote tuin. En gulzigheid kent grenzen. Daar komen we nu achter! Tot hier en niet verder, zegt de planeet. We zullen er aan moeten geloven. De aarde is geen dode kluit om te plunderen naar eigen believen. Het is een wonderlijk en levend geheel van talloze ecosystemen. Het reguleert op een intelligente manier. Dat blijkt maar weer. Nu hebben we een virus.

Ik kijk naar Ann, die nog steeds voor me op haar drempel zit. Op haar schoot heeft ze een artikel over vetcellen die virussen aantrekken. Ze leest hardop voor dat de IC nu bezet wordt door vooral dikke mensen. „Die krijgen het nu dubbel moeilijk…“ zeg ik peinzend. Dan laat ik haar achter met haar leesvoer. Ik loop onder de bomen door, naar de plek waar ik bezig was.

Ik kijk en bewonder. Ik zie zonnehoed en appelmunt, dropplanten en zenegroen. Ze zijn nog klein, maar alles leeft en zal verder groeien. Ik denk aan ze. En mijn poep geef ik terug aan de aarde, voor de planten. Laat het zijn werk doen, in alle rust. Laat het langzaam verteren, en tot voedsel dienen voor wat komt. Net zoals al die gedachten, van alle mensen die nu thuis zitten. Laat het zijn. Laat het zijn werk doen.

.

Klik hier voor het lezen van een goed artikel. Een stuk waarin ik een goede samenvatting vind, van alles wat ik zo graag wilde vertellen. Als we onze leefstijl, en vooral onze relatie met de natuurlijke omgeving niet veranderen, zal onze kwetsbaarheid voor infectieziekten toenemen. Maar wellicht wordt het besef van de noodzaak voor verandering door het coronavirus zo groot, dat prioriteiten verschuiven. En dat na deze pandemie de experts die voorheen tegen dovemansoren riepen, nu wel gehoord worden en we stappen ondernemen naar een wereld met een betere ecologische balans………………………………………………………. Ik heb alleen één kanttekening. Er komt een tijgerbeschermer aan het woord. Voor het beschermen van tijgers wordt in India de inheemse bevolking op dit moment van hun land verjaagd, terwijl zij juist de meeste kennis hebben van de biodiversiteit. Dit wordt verderop in het stuk wèl genoemd en dient ook in India nader onderzocht te worden.

(Laatste opmerking:Bron Survival International, al meer dan 50 jaar actief op dit gebied)

Ik geef me over

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10,5 minuten.

De lentezon lijkt nog helderder te stralen dan anders. Ik schuif het gordijn voor mijn deur opzij, en hang over de onderdeur heen. De hagen en struiken botten uit. Het Friese land is wijd en groen. Het is vol stille wegen, al is het nu drukker dan anders. Een fervente schaatser vindt nu tijd om te skeeleren. Bij gebrek aan ijs beweegt hij op de gladde asfaltweg.  Ik kijk hoe hij voorbij scheert onder de helderblauwe hemel. Achter hem naderen er meer, sporters in felgekleurde pakken, die strak om hun gespierde benen en billen sluiten. Wandelaars passeren en een trekker.

Alles is anders. Een vriendin in Brabant laat weten dat ze het ook heeft. Het virus.  Maar ik voel me fit, ga niet met de trein en geniet nog steeds van de lente. Ik denk aan alles wat we hebben. Dat is veel! Al de voorzieningen die er zijn ervaar ik al lange tijd als een luxueuze uitzondering, in de lange lijn van de wereldgeschiedenis. Mijn eenvoudige leven heeft dat besef versterkt.
Ik zie dat mensen bang zijn om te verliezen. Maar we kunnen er niet onderuit. Laat maar komen, is mijn levensinstelling. Ik ontvang. En hoe beter ik kan ontvangen, hoe eerder het transformeert, in mij en om mij heen. Als het maar stroomt. Zelfs als de dood komt geef ik me over.  Ik heb hem leren kennen, het lijkt me geen kwaaie gozer.

Ik stap van het bordes van mijn woonwagen af, om te gaan wandelen. De zon schijnt warm in mijn gezicht. Ik begroet een meisje. Ze loopt in een grote bocht om me heen. Ik lach haar toe en loop verder en verder, langs huizen en hagen tot over de brug. Daar is een kronkelpaadje waar ik nog nooit ben geweest. Ik ga door de hekjes, langs sloten en struin over kleine velden zonder vee. Ik zie een huis met een grote tuin, vrij tussen de door bomen omzoomde weilanden. Ik sta stil en kijk over de heg. Aan de andere kant staat een man. Hoe is het leven hier, vraag ik. De ander glimlacht en blijft staan voor een praatje. Het leven is gemoedelijk en goed, ook nu. Al zijn er zorgen.
Soms verlang ik naar verre reizen. Maar ik heb mezelf aangeleerd vrede te hebben met het moment. Ik geniet van verhalen. Mijn agenda is leeg, maar de bron van inspiratie is onuitputtelijk lijkt het wel. De acceptatie maakt mijn leven stabiel en vruchtbaar, ook in deze tijd. Ik leg mijn oor te luisteren, elke dag opnieuw.

Ik zie verbroedering, eensgezindheid en samenwerking. Er is creativiteit en doorzettingsvermogen. Toch zie ik ook andere dingen gebeuren. In een discussie snoert iemand de ander de mond, die een manier zoekt om haar zorgen te delen. Het zijn lompe woorden die ik lees: „In deze tijden zitten we niet te wachten op zulke onzin!“ Alsof de nood hem het recht geeft om alle andere gedachten dan de zijne in één keer af te breken.
Maar is het niet juist nú belangrijk om elkaar te laten uitspreken? Om onze gedachten te laten stromen en met elkaar te bespreken hoe de gebeurtenissen je wereldbeeld veranderen? Wat je angsten zijn en wat je hoop is?
Want dát is de positieve kant van het verhaal. Samen respecteren we de verschillen, we luisteren naar elkaars verhalen en verkennen de veranderende wereld waarin we leven. Elk verhaal is belangrijk, en tegelijkertijd: niemand heeft gelijk. Alles is in verandering en wat gisteren waar was, is vandaag weer anders.

Zelf denk ik veel na over de allerdiepste oorzaak. Dat hield me al heel jong bezig. Het ontbreken van verbindingen. De balans die steeds schever wordt.

Ik draai me om, loop langzaam terug naar huis, langs de kerk, de oude begraafplaats, de weg op. Een blauwe man zoeft me voorbij op zijn skeelers. Ik bewonder zijn stevige dijen en zijn perfecte balans, en hoe hij het ene been voor het andere zet. Ik aarzel niet. Dat doe ik ook,maar dan in mijn eigen tempo. Stap voor stap, het ene been voor het andere. We komen er wel, we komen precies waar we moeten zijn. Ik geef me over.

 

Vogels, vissen
.
Zet de radio uit. Je hoort niets nieuws. De stilte wacht geduldig af.
Vouw de krant dicht. Hij was oud voordat hij werd gedrukt.
Zoek niet, deel niet, duim niet tot je vierkant ziet.
Zet eindelijk het scherm op zwart.
.
Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen
die ik niet missen kan. Ik had ook gespaard voor andere dingen:
verre reizen, eerste hulp bij een gebroken hart,
een auto die wat vaker start.
.
Maar: in Wuhan hoor je vogels zingen.
Boven China was de lucht nog nooit zo blauw.
In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden.
.
De kunst van leven was altijd dezelfde: ongevraagd komen,
ongewild gaan, intussen doen wat je het liefste doet,
vrede sluiten met je lot.
.
Sluit de voordeur. Zet de tuindeur open, voel de zon op je gezicht.
Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen:
wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen.
.
.
.
Ingmar Heytze (1970)
.
.

Terug naar het innerlijk kompas

.

Het innerlijk kompas, 1991.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten

.

Het is allang donker, wanneer ik de bus uit stap. Het was een welbestede dag, de lange wandeling door de Kennemerduinen, de ontmoeting met een trouwe bloglezer in Zandvoort, maar nu verlang ik naar dat warme kroegje vlak bij mijn slaapadres. Ik verheug me erop om nog even in mijn eentje na te mijmeren bij een goed glas wijn.

De mouwen van mijn jas zijn nog steeds kletsnat. Het heeft de hele dag geregend. In de duinen waren meer wandelaars, we keken elkaar aan alsof we bondgenoten waren: Wij trekken ons er niks van aan! Wij trotseren wind en regen! Die glimlachjes verlichten mijn hele dag.
Maar nu is het donker. Ik kijk op mijn telefoon, Google maps geeft aan waar ik ben. Het is 4,5 kilometer, vanaf de bushalte. Stevig loop ik door, langs het fietspad, de bocht om, het dorp in. Bloemendaal is rijk, huizen als kastelen staan tussen de hoge bomen in, met lange oprijlanen. De verlichting is schaars en ik zie niemand op straat. Ik raak een beetje in de war. De straat loopt uit in splitsing, terwijl het op mijn telefoon leek alsof het gewoon rechtdoor liep. Mijn telefoon is nat. Ik veeg hem droog aan mijn hemd en open opnieuw het gouden beschermkapje. Een blauw licht straalt mij tegemoet. Met één klik zie ik de kaart tevoorschijn komen.  Dan gaat het licht plotseling uit. De batterij is leeg. Wat nu? Ik heb ook een kaart in mijn zak, maar die is kletsnat en bovendien geleend. Als ik hem openmaak scheurt hij meteen uit elkaar. Dat kan ik niet maken.
Op de gok loop ik door.

Ik heb drie splitsingen gehad en weet dat ik nu echt verkeerd loop. Zal ik aanbellen bij één van die kasteeldeuren? Ja, waarom niet. Ik loop een grindpad op. Een opgewekte veertiger doet open. O, moet je in richting van de hockeyvelden? Dat is rechtdoor en dan linksaf.
Hij is kort van stof en groet me lachend terwijl hij de deur weer sluit. Als ik doorloop blijkt er wéér geen rechtdoor te zijn. Ik vind opnieuw zo’n verwarrende splitsing. Ik bel bij drie huizen aan waar licht brandt. Niemand doet open. Net als ik me eenzaam begin te voelen komt er een fietser aan. Hij is allervriendelijkst en gaat niet weg voor het echt duidelijk is waar ik heen moet. Eindelijk.

Als ik bij het eethuis aankom is de deur op slot. Twee meisjes met witte bloesjes vegen de tafels schoon en kijken niet op of om. Ik loop door naar mijn gehuurde kamer.

Die dagen ervaar ik dat mijn telefoon vaker de verkeerde weg aanwijst. En terwijl ik net geconcentreerd ben, krijg ik bovendien meldingen en seintjes over dingen waar ik helemaal niet mee bezig ben. Waarom heb ik dit ding eigenlijk? Het is een stoorzender. Ik kijk steeds vaker naar mijn telefoon.

Vroeger had ik een heel goed innerlijk kompas. Als kind was ik goed in het inschatten van tijd en richting. Ik speelde altijd buiten en keek naar de zon en de richting van de wind. Waarom zou ik dat niet opnieuw gaan trainen? Ik vecht me vrij, ik kies voor dat wat er bij me hoort. Ik bouwde mijn eigen huis en bewandel de wegen die ik wil. Maar ook de binnenwegen wil ik open houden, die naar mijn hart en intuïtie. Ik wil al die bordjes, piepjes en flikkerlichtjes reduceren tot het meest noodzakelijke, tot dat wat mij dient. Want ik ben de koningin van mijn leven en geen slaaf van de technologie of wat dan ook.

En het gaat niet alleen over mij. Als ik me bedenk hoeveel energie dat kost, al die mensen die constant online zijn, techniek waar steeds meer oren aangenaaid worden, die steeds ingewikkelder wordt en daardoor nóg meer energie kost… Wat we nodig hebben is eenvoud. Eenvoud biedt helderheid, maakt dat we kunnen kiezen waarheen het wijs is om te gaan. En helderheid hebben we nodig, in een bestaan dat steeds sneller verandert.

 

 

 

MAATREGELEN.

1 Richting kiezen:

* Ik ga weer met stevige papieren kaart op pad, of bestudeer deze uitgebreid van te voren, met persoonlijke aantekeningen. Ik haal mijn kompas weer boven water en kijk weer vaker naar de richting van de zon en de wind en zal vaker vragen stellen aan voorbijgangers. (Dat levert soms verrassende ontmoetingen op!) Zo mogelijk neem ik een waterdichte kaart mee. Is die er niet, dan maak ik een uitgebreide tekening op een stuk compact karton met potlood.

 

2 Internet:

* Ik neem een abonnement met ongeveer 10.000 MB’s. Het werkt via een dongel die in mijn laptop kan. 

* Om op internet te gaan moet ik mijn scherm installeren. Dat doe ik niet zomaar tussendoor. Ik zal op vaste tijden bereikbaar zijn, op maandagmiddag en woensdagochtend lang en tussen zes en zeven check even ik mijn mail en whats app (Zie tip hieronder)

* Ik gebruik de mobiele versie van facebook, dat kost veel minder energie en ik krijg minder advertenties. http://m.facebook.com/

* Ik gebruik mijn smartphone alleen nog als camera en radio. Daar heb je geen simkaart voor nodig en het is toch een mooi klein dingetje. Ik hoop dat hij nog lang meegaat.

* Ik werk met voortschrijdend inzicht.

Nieuws:

 Ik waardeer het als mensen mij links opsturen naar nieuws dat opvallend was of een stuk dat goed is overdacht. Ik vind het leuk om daarover te corresponderen. Je kan die link ook onder mijn blog zetten, dan kunnen meer mensen er kennis van nemen. (Aarde, natuur, bodem, filosofie, samenleving, wetenschap, boeken, cultuur.)

Tips van anderen:

* Arie: Whatsapp kun je ook op laptop uitlezen, en op een smartphone helpen een browser als Brave, een blocker als Ghostery, gebruik van een incognitomodus, uitschakelen diverse functies zoals gepersonaliseerde advertenties, geen locatiegeschiedenis, of evt anoniem netwerk. Net als veel nuttige apparaten en veel anders in het leven: aantal beperken en gedoseerd gebruik, maar vaak moet je even de uitersten bewandelen om te weten waar het midden ligt (Bomans)

* Marianne: Ik begrijp het heel goed Alowieke van Beusekom! Ik erger me ook groen en geel aan de algoritmes en de adds die je allemaal krijgt.Heb daarom laatst wat veranderingen aangebracht met een andere browser die je niet volgt, adds blokkeren o.a. ook van facebook. En ook signal gebruiken ipv whatsapp. Het helpt een beetje maar ja als anderen niet ook signal gaan gebruiken wordt het wel lastig. Er zijn wel alternatieven maar op de één of andere manier vinden mensen het kennelijk niet belangrijk genoeg. Hoop toch wel dat je bereikbaar blijft 🙂 De weg vinden vanuit je innerlijke kompas gaat vast wel lukken! Groetjes uit Zeeland 🙋‍♀️

Een stormband om mijn huis

.

Deze stormtekening maakte ik in 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

“Er komt storm Annemarie!” zeg ik. Ze haalt haar schouders op. “Ja. ik hoorde het al,” zegt mijn buurvrouw. “Iedereen heeft het erover, Dat is vast omdat hij voor het eerst een naam heeft gekregen. Dan maken mensen het al gauw erg. Misschien stelt het niks voor.” Ik lach. “Daar zou je best gelijk in kunnen hebben, maar ik ga toch maatregelen treffen!”

Het eerste waar ik aan denk, zijn de zonnepanelen op mijn dak. Die moeten goed vastzitten. Ik zet de trap tegen de buitenwand en gooi de haken van een zesarmige spin over de nok. Ik maak de spin aan beide kanten vast aan de stootrand, die over de hele lengte langs de goot loopt.
Dan duik ik in mijn bagagewagen, om de potkrik te pakken. Ik wil mijn assen op blokken zetten, tegen het wiebelen. De krik is de allerkleinste die er is, maar ik heb ook geen grotere nodig. Mijn huis weegt maar 1500 kg. Dat is per wiel 375, dat kan zon krikje makkelijk hebben. Plat op mijn buik duw ik met een paar slagen de as omhoog. Dan leg er een stapel stenen onder. Die zit. Nu de andere hoeken nog. Ik bevrijd de krik en loop ermee het hoekje om, waar de mussen en mezen in de manshoge heg zitten. Als ze me zien vliegen ze op naar de buren en blijven op een afstandje naar me kijken.

Het is even passen en meten. Als alles op de juiste hoogte staat en stevig vast zit, ga ik tevreden naar binnen. Ik voel meteen het verschil. Mijn huisje is nu een stuk stabieler. Ik vraag me af waarom ik dat niet eerder heb gedaan.

Wat moet ik nu doen? Ik kan me nergens op concentreren, en ben volledig in afwachting van de storm. Ik hoor de bomen heen en weer zwaaien en kijk uit het raam. Met een opgewekte spanning ga ik het experiment aan. Elke plek is anders. Sta ik dit keer goed uit de wind?
Ik hoor hoe hij aantrekt. De toppen van de bomen bewegen steeds wilder heen en weer. Maar de wind is zuid west, en daar staat het huis van Annemarie voor. Dat staat er al meer dan een eeuw, en dat valt niet zomaar om. Het huis houdt de wind tegen en tot mijn verbazing voel ik er helemaal niks van.

In de loop van de middag draait de wind naar het westen. Daar is de weg, en dat is de hoek waar ik kan uitkijken op het weiland. Hier heeft de wind vrij spel. Nu ga ik het voelen. De avond valt.

 

Ook 1991

 

Mijn huis schudt heen en weer. Dat ben ik wel gewend, en voor een poosje is het prachtig, één te zijn met de elementen. Tot het bijna bedtijd is. Op dat moment slaat er ineens een plensbui uit de lucht, met kletterend geweld op mijn dak. Alles schudt en trilt door de massieve vuist van de wind. Ik verstijf. Zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Het duurt twee minuten dan is het over. Ik ontspan en maak mijn hangmat klaar, om te gaan slapen, in een relatieve stilte.

Bijna val ik in slaap, als de wind opnieuw aantrekt. De zonnepanelen beginnen te klapperen, de dwarslijnen beginnen kennelijk los te raken. In de lengte zitten ze onwrikbaar vast aan de opstaande koekoek vast met bouten, staaldraad en draadspanners. Maar de dwarslijnen zijn vastgeknoopt aan de stootrand die langs de goot loopt. Door het constante geruk van de wind, raken de lijnen steeds een beetje losser. Ik luister gespannen. Dan schrik ik op van een harde klap op het dak. Nou wordt het te zot. Er is vast niks aan de hand, maar ik neem geen risico. Met zulke geluiden doe ik toch geen oog dicht.

Met blote voeten stap ik in mijn schoenen en ga naar buiten om te pakken wat ik nodig heb. De bagagewagen staat uit de wind en zonder dat de klep uit mijn handen waait, maak ik hem open. Zelfs in het donker weet ik de lange sjorband makkelijk te vinden. Ik heb alles zo vaak in handen gehad! Ik koester mijn handige kar, waarmee ik me overal weet te redden en ook nu weer.

Ik frommel de stijve band tot een slordige bol, en gooi die over het dak heen. Gauw loop ik naar de andere kant, voor hij weg waait. De ijzeren klem heb ik al snel te pakken. Ik trek de band door de spleet van de klem en ratelend trek ik hem zo strak, dat de stootrand ervan krom staat. Ik ken deze handeling zo goed, ooit voer ik met twee schepen aan elkaar, met dezelfde sjorband. Toen had ik als schipper twintig meter voor me met wel veertig mensen. Nu heb ik die verantwoordelijkheid niet meer. Nu gaat het alleen om een paar klapperende panelen. Dat is een makkie.

Tevreden kijk ik naar het resultaat, loop nog even het hoekje om en struikel over de gootemmer vol water. Het plenst over mijn ene schoen heen. Mijn blote voet sopt in het koude nat en gauw ga ik naar binnen om ze uit te doen. Ik kruip weer in de hangmat en voel dat mijn pyjamabroek ook nat is geworden. Bah. Ik heb geen zin om er weer uit te gaan en wrijf mijn enkels warm.
Ik lig nog een poos wakker. Mijn broek is al zo goed als droog. Mijn hangmat is een heerlijk warm nest. Nu alles goed vast zit, kan ik rustig liggen luisteren. Nu de woonwagen op blokken staat schudt hij minder heen en weer. Het bewegen is meer een trillen geworden, dat met hele kleine schokjes gaat. Eigenlijk is het net alsof ik in een buik zit, van een bang dier.

Met die gedachte geef ik me over en terwijl de wind langzaam afneemt val ik eindelijk in slaap.

.

 

.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Slapen in mijn bungelbed

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

Wat is het toch heerlijk om wakker te worden in mijn bungelnest. De stevige katoen van de grote hangmat, vormt zich naar mijn lichaam, alsof ik in een buik zit. Onder me liggen schapevachten en ik ben compleet omhuld door het donzen dekbed, dat vanzelf in mijn kuiltje blijft liggen. Ik koester mezelf in de warmte en kan me voorstellen hoe het is om een jonge winterkoning te zijn tussen moederveren, in een kogelrond nestje. Mijn plafond is rond als een buik, met gebogen ribben. Zachte witte stof bekleed de dikke laag schapenwol in het dak als een huid en je krijgt zin om het aan te raken.Het is een dak dat leeft. Toch is het gewoon een huis, een heel klein huis op wielen, waar ik in leef, slaap en wakker word, ook vandaag, op deze donkere winterdag.
Ik blijf nog lekker even liggen.
Mijn hangmat is comfortabel omdat hij dubbelbreed is. In een eenpersoons hangmat kan je geen houding vinden die je de hele nacht vol kan houden. Maar hierin kan ik mijn benen strekken en languit op mijn rug liggen, zonder dat mijn lichaam de vorm van een winkelhaak aanneemt. Ik kan opgekruld op mijn zij liggen. Alleen niet op de buik, maar dat deed ik toch al nooit.

De hangmat is het beste bed wat ik ooit heb gehad. Ik ontdekte het door mijn vriendin Kirsten, die kon er zo lyrisch over spreken dat ik nieuwsgierig werd. Het was in 2011, ik woonde nog in de oude werfkelder aan de gracht. Ik was snipverkouden, maar wilde toch naar de afspraak in Den Haag, om een vriend ondersteuning te bieden bij zijn politieke actie. Toen gebeurde het, op een behulpzaam moment in de trein. Ik wilde alleen maar iemands koffer in het bagagerek leggen. Dát wreekte zich. Het lukte me wel om thuis te komen. Maar de pijn was zo erg dat ik er niet van kon slapen.
Toen dacht ik aan de hangmat van Kirsten. Ik vroeg het haar en hoera, ik kon hem lenen, een joekel van een hangmat was het, en ik gooide er mijn dikke schapevachten meteen in. Het was een grote opluchting hierin de nacht door te brengen, zelfs als ik wakker lag. Ik kon er in wiebelen om mijn spieren los te maken, zonder dat het moeite kostte. En ’s ochtends was ik niet stijf als een hark, maar elke nacht was een zegen. Het ging steeds beter. En zo kwam ik uiteindelijk, na vele weken, van die rugblessure af.

Ik ben daarna uit de kelder vertrokken en nooit had ik nog last van mijn rug. Tot dit jaar het grijze vochtige herfstweer begon. Het matras waarop ik sliep was eigenlijk iets te hard, en ik had blootgelegen in mijn slaap, omdat de deken van me was afgerold. Mijn rug vond dat niet leuk, en voelde stijf en pijnlijk. Meteen dacht ik aan mijn eigen goeie hangmat. Ik had hem niet in gebruik genomen, omdat ik dacht dat hij niet in mijn huisje pastte. Maar nu zag ik iets wat ik al die tijd niet had opgemerkt. Als ik het ventilatieluik boven de voordeur opende, dan kon ik het uiteinde van de hangmat doortrekken naar buiten en daar vastmaken. Ik sprong opgewekt uit mijn bed, om meteen daad bij woord te voegen. Deze roekeloze actie werd meteen bestraft en even stond ik stijf van de pijn. Even stond ik stil, en mijn kaak spande zich. Daarna bewoog ik me weloverwogen voort. Als een stram oud wijf lukte het me om de hangmat op de juiste plek te krijgen, ik trok de harde lus door het luik naar buiten en maakte het vast aan de laatste spant onder het bordes.
Die avond kroop ik er heerlijk in. Onder de hangmat had ik het dwarsbankje geïnstalleerd, en daarop lag het infaroodpaneel. De straling daarvan is erg goed voor je spieren en gaat heel diep.
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde mijn rug als herboren. De pijn en de stramheid, alles was in één nacht verdwenen!

Ik slaap nu iedere nacht in de hangmat. Het meest geniet ik van het wakker worden, nog doezelend tussen waken en slapen in, dan ben ik helemaal gelukkig. Ik lig een beetje te wiebelen en luister naar het opgewekte getjilp van de mussen. Even blijven liggen, maar niet te lang, dat is jammer van de ochtend. Ik voel het tot in mijn tenen, het wordt weer een mooie dag, hoe grijs hij ook is. Na zo’n heerlijke nacht in mijn bungelbed kijk ik nergens tegenop!

.

.

Omdat ik veel werk heb aan de tekeningen van mijn boek, plaats ik tijdelijk meer fotografische afbeeldingen.