Verkleumde helden en stumpers

Je hebt het koud. Verder heeft niemand dat, alleen jij. Koud ben je en langzaam kruipt het tot in je botten.

Idee: twee lagen regenpak. Een cape en daaronder nog een regenjas en een broek. Eens uitproberen.



“Je kan niet op het platteland wonen als je geen auto hebt” zeggen sommige mensen. Nou ja, het kan dus wel, maar dan moet je fietsen. Wij fietsen heel wat af, met als enige energiebron havermout met rozijnen. Er zijn meer mensen die fietsen, met of zonder motor. Maar in de maand oktober wordt dat beduidend minder. Driekwart van de mensen heeft een auto en maakt daar dankbaar gebruik van. Bij hitte of kou, de kleine persoonlijke ruimte geeft een altijd leefbaar plekje. In de zomer airconcitioning, op kille onstuimige dagen zet je de verwarming aan. De regen klettert op het dak. Thuisgekomen ben je nog steeds lekker warm van de auto en hoeft de verwarming nog niet aan. Fijn, dat scheelt.
Maar goed, wij fietsen dus nog steeds. Ook als het regent. Deze week heb ik wel vier keer een uur door de regen gefietst. Wat er te bieden is aan regenpakken, daar ben ik inmiddels expert in. Maar in geen enkel regenpak blijf je droog, na een uur in de regen. Hoe duur het ook is, je komt altijd nat en een beetje verkleumd aan. De cursuszaal voelt kil, maar de anderen vinden van niet.“Vooruit, het gaat nog wel” denk je dan, terwijl je op een stoel in de onverwarmde ruimte je tekenblok pakt. Het naaktmodel heeft het warm. Ze woont om de hoek en hoefde nauwelijks naar buiten om hier te komen. Dat ene elektrische kacheltje gaf nog wat warmte en tot je verdriet gaat dat nu op een laag standje. Nou ja, pech gehad. Geconcentreerd ga je aan het werk. Maar na drie uur stilzitten merk je opeens dat je echt verkleumd bent geraakt. Verder heeft niemand er last van. Je bent de enige, Verdorie.
Een andere keer kom je na een lange natte fietstocht aan bij een B&B. De kamer is warmgeel geschilderd maar het is er koud en het raam staat open. Gauw doe je het dicht, en vraagt aan de gastheer waar je je natte spullen kan ophangen om te drogen. Is er een verwarming aan? De man sputtert tegen, hij wil de verwarming nog niet aan doen. “Pak de föhn maar”, zegt hij. Met het apparaat blaas je je schoenen droog en de regenkleding hang je in de badkamer. Het bed is klam en er ligt een dun dekbedje op. Om half vijf word je wakker met keelpijn. Gelukkig is er een waterkoker en thee. Wat kan thee toch enorm verkwikkend zijn als je onbehaaglijk bent en keelpijn hebt. Gelukkig mag je ook in bad, heeft hij gezegd. Tot je grote vreugde heeft de gastheer toch nog de verwarming achter je regenkleding aangezet. Het is nu droog, je legt het klaar naast je bed. Je kan weer goed voorbereid de regen in! Een natte regenjas weer aandoen is een akelig begin van de dag.
Zou het kunnen dat mensen in warme auto’s soms vergeten zijn hoe verkleumd je kan raken als je nat geregend bent? En dat ondanks je dure regenpak? Energiebesparing is een goed ding en zeker in deze tijd, nu het steeds duurder wordt. Maar als verkleumde stumper kan je toch ongelooflijk dankbaar zijn met een plekje in een warme keuken. Misschien zouden we allemaal een keer per jaar verkleumd moeten raken, om weer te weten hoe het was. Hoe blij je dan bent met een hete steen of een elektrische stoof onder je voeten en een deken om je heen. En dan vooral een kop hete thee of bouillon. Zo heerlijk! Elke held op de fiets gun ik het. Iedereen die weer en wind trotseert om er toch op uit te gaan. Maar meer nog gun ik het de verliezer, die niets anders heeft. Een fijne plek om bij te komen.

.

Open, kwetsbaar en veerkrachtig

Fietsen, lopen en leven onder de wijde wolkenlucht van Friesland.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Van het ene moment op het andere valt het met bakken uit de lucht. Dit weer vraagt om inschikkelijkheid en verwondering. Elk moment is anders, de lichtval, de wolkenluchten die adembenemend voorbijtrekken. Friesland is mooi. Overal kun je het zien. Avontuurlijk is het ook, steeds weer anders. Het leven met de elementen, daar moet je van houden. “In Ierland is het altijd zo” zegt mijn buurman. “Daarom zijn we er weggegaan.” Tja, ieder zijn meug. Ik houd van dit weer. Niet die wekenlange donkere mist, maar heldere prachtige luchten waar af en toe een stortbui uit valt. Zojuist heb ik wat kleine boompjes uit het riet gesnoeid en daarmee een schuilplaats gemaakt voor de vogels. Mijn broek is nu nat bij de knieën. Ik kijk er even naar, loop dan verder over het veld, genietend van de zon. Daar staat de boer, die van de opklaring gebruik heeft gemaakt om zijn twee koeien te verplaatsen. In het stukje wei was niet veel meer te grazen. Ze lopen nu in een hoger liggend weitje. Dat begint ook wel nodig te worden. De bovenlaag van de grond is al drassig van de vele regen die in korte tijd viel. Maar verder de diepte in is het nog droog, overal zitten nog de scheuren, als littekens van een lange droge zomer. We staan midden in de wei en de zon schijnt tot aan de horizon. De boer is blij met een praatje en we wisselen de dagelijkse nieuwtjes uit. En terwijl ik terug wandel naar huis merk ik dat mijn broek alweer is opgedroogd. Maar bij de dikke wilgenboom gekomen begint het ineens weer te stortregenen. Ik zoek beschutting achter de dikke stam, maar alsnog druipt het via een dikke tak gestadig in mijn nek. Met een spurt duik ik onder de grote picknicktafel met aaneengesloten blad. Ook de vogels vluchten naar hun schuilhoeken. Langzaam wordt de regen minder en de zon begint alweer te schijnen, dwars door de druppels heen. In de vlierhaag laat een merel van zich horen, als een twinkelende lichtstraal van geluid. De lucht wordt weer blauw en het zonlicht maakt het gras heldergroen met oplichtende parels. Ik kruip onder de tafel vandaan en draai hem meteen op zijn kant, met twee stenen eronder. Zo blijft er geen water op staan en blijft hij langer goed. Die avond geniet ik van de warme kachel en slaap diep en ontspannen.

De volgende ochtend moet ik al vroeg weg. Met goeie regenkleding aan fiets ik naar de stad. Het is anderhalf uur fietsen voor een cursus fotografie. Het regent aan een stuk door en ik moet heel ver, dit keer. Elke week gaan we naar een andere wijk. Dat leek me een mooie manier om de stad te verkennen, als nieuweling. Vlak voor het tunneltje naar Camminghaburen fiets ik langs de zwartgeblakerde resten van een gebouw. Iemand vertelde me dat het een bowlingcentrum was. Er staat een hek omheen, je kan de ruïne niet betreden. Ik ruik een muffe brandlucht, alsof het door de nattigheid opnieuw begint te smeulen. Auto’s rijden voorbij. Mensen in auto’s ruiken en zien niks. Toch jammer.
Bij het wijkgebouw staan ook al auto’s. “Heb je een uur door de regen gefietst om hier te komen?” klinkt het ongelovig “Anderhalf uur” verbeter ik, terwijl ik mijn trui op de verwarming hang. De uiteindes van de mouwen zijn vochtig geworden, fijn dat ze kunnen drogen. Meewarig schudden ze hun hoofd. Iemand had me een appje gestuurd. Ik had halverwege mee kunnen rijden. Of ik dat gezien heb. Nee dus. Ik was bezig met de voorbereidingen om de buien te trotseren. Je fietst of je fietst niet, vind ik. Laat mij maar schuiven. Spectaculaire wolkenluchten trekken voorbij. En ik beweeg eronder. Open, kwetsbaar en veerkrachtig.

.

Onder mijn vorige blog hadden twee mensen gezegd: Ik leef om te leven. Dit verhaal zal hen wellicht aanspreken.

De vraag

Het begint bij de vraag: Waar gaat mijn leven over? En alles wat daaruit voortkomt.

Auteursrechten Alowieke van Mulligen van Beusekom

.

Als ze je zouden vragen: “Waar gaat jouw leven over”, wat zou je dan zeggen? Als je dit leest, dan leg je het nu even opzij om er over na te denken. Dat zou ik tenminste doen. Daarna zou ik weer verder lezen. Wat zouden de antwoorden zijn? Sommigen zijn hun hele leven aan het vluchten. Of zijn hun leven lang bang. Voor de gelukkigen is het de liefde of muziek. Of het gaat om zorg voor de ander of voor je koeien. Er zijn nog steeds mensen voor wie het gaat om geld verdienen of die alleen maar macht willen verwerven. De antwoorden zijn oneindig. Mijn antwoord op de vraag is: “Eenvoudig leven.”
Eenvoudig leven gaat niet alleen over spullen. Het gaat ook om wat er in je hoofd zit, en wat er aan herinneringen in je lijf zit opgeslagen. Soms voel je je oud en moe, dan kun je niets anders dan je als een rood esdoornblad laten weggeblazen door de wind. Je laat je vallen op de vochtige aarde. Dauwdruppels weerspiegelen in het licht. Er gaat tijd overheen. De aarde verteert wat overbodig is en na een lange winter komt de lente. Wat vergaan is transformeert tot nieuw leven. Op toverachtige wijze stroomt het in je bloed. Voor mij is dat de kern van eenvoudig leven. Afstand kunnen doen van wat overbodig is. Je laten transformeren. Mijn huis heb ik aangepast aan mijn levensfilosofie. Het is licht en eenvoudig en van niemand anders dan van mij. Als ik hier ben is er rust en ontspanning. Het is een buik waar ik in kan kruipen en waar ik verjongd weer uit kom. Voor mij is leef-tijd dus ook een rekbaar begrip. En soms merk ik dat anderen daar een vastomlijnd idee over hebben. Zo had ik onlangs dit gesprek.

We zitten buiten in een warme herfstzon. Het terras is halfvol, voor ons liggen de uitgestrekte groene weiden. “Gisteren was ik in Workum. De terrassen zaten daar vol oude mensen” zei ik. Ze kijkt me kritisch aan. “Wat nou! Je bent zelf ook oud. Net als ik, zestig.” Ze gaat met haar vinger langs het knoopsgat van haar jas. Het is uitgescheurd. Het is een mooie jas van fijne donkerrode wol. Zonde.

“O ja? Zo voelt het niet.”

“Nee, dat is waar, jij doet nog heel jong.”

Ik voel me niet echt aangesproken. Het klinkt alsof het een kunstje is, eigenlijk ben je oud en je weet het te verbergen door te doen alsof je jong bent.

“Ik denk dat we alleen zelf weten hoe oud of jong we zijn. Het is eerder je levensverwachting dan je letterlijke leeftijd. Toen mijn man vijfendertig was zei hij dat hij oud was. Daarna ging hij dood. ”

Dat komt binnen. Het is even stil.

“Je kunt het ook zien aan de ogen. Er zit een sprankeling in of niet.” zegt ze dan zachtjes.

“Ik had geen sprankeling toen ik veertig was. Na de dood van mijn grote liefde voelde ik me oud en moe. Er lag een enorme berg om op te ruimen die mij soms verpletterde. Soms werd ik wel zestig geschat. Ik zou je nog veel meer kunnen vertellen maar dat doe ik niet. Al met al zijn er in mijn leven veel zware jaren geweest. Nu wil ik jong zijn!” Mijn stem klinkt helder en vastbesloten en ze kan niet anders dan begrijpend knikken.

“Mijn vader wordt acht en negentig,” zeg ik, na een kleine pauze.

“Bijna honderd!”roept ze uit. “Dat is pas echt oud.”

“Ja.”

“Stel je voor dat je ook honderd wordt. En dat je al die tijd blijft zeggen dat je oud bent. Vanaf je zestigste, veertig jaar lang. Je zou er moe van worden, toch?” Ze geeft me gelijk. Maar ik moet ook mijn hand in eigen boezem steken. Natuurlijk had ik die mensen op het terras in Workum ook niet over een kam moeten scheren. Waren die allemaal oud? Wie weet wat voor gepassioneerde gesprekken er werden gevoerd. Waar gaat je leven over? Misschien waren er oude vrienden die filosofische bespiegelingen hadden over tijd, na elkaar lang niet te hebben gezien. Tijd, en de sporen die het nalaat. Mijn man was gek op zulke sporen. Hij wist dat hij niet oud zou worden en sporen maken was voor hem een doel op zich.
Ik kijk naar mijn werkhanden. Mijn man zou er trots op zijn. Ooit was er iemand die dacht dat ik zeventig was. Die keek niet naar gezichten of naar ogen. Ze had iets met handen. Daar keek ze naar. In handen zie je geschiedenis. De mijne hebben een hoop werk verzet en dat zie je er aan af. Ik heb jongeren gezien die er gefascineerd naar keken: “Zulke handen wil ik ook krijgen,” zeiden ze. Hun vingers waren dun en glad, nog nauwelijks bekend met zwaarder werk. “Werkhanden krijgen” kan een levensdoel op zich zijn. Na elke rustpauze, na elke winterse stilte staan ze weer klaar. Groene vingers, gouden handjes om in te zetten waar het nodig is.
Toch zijn die werkhanden niet het belangrijkste voor mij. In de eerste plaats gaat het me om de eenvoud van het geheel. Het scheppen daarvan. Werkhanden helpen me. Met mijn handen maak ik een omgeving waarin ik me thuisvoel: een klein en fijn huis met allerlei soorten bomen en bloemen eromheen. Of nee! Het is andersom, het landschap is het belangrijkste, mijn huis is daar alleen maar een onderdeel van. Dat is eenvoud! Het nest is niet groter dan nodig. Er zijn dieren, vogels en insecten. Er zijn mensen op het veld die in deze omgeving tot rust komen. Het is een haven om je te laven en weer verder te gaan. Eenvoud maakt dat je er verfrist weer op uit kan gaan en terug kan komen met een gevoel van tevredenheid. Ik denk dat dit in onze wereld een groot tekort is. Dat we dit verliezen. Het wordt steeds gecompliceerder. En alles neemt steeds meer energie . En dit is wat teveel wordt, wat vol en zwaar, oud en versleten maakt. Maar deze wereld is een 24 uurs economie. Voor je het weet word je erdoor meegesleurd of eronder bedolven. Dan begint het met de vraag: Waar gaat mijn leven over? Daarmee begint eenvoudig leven, bij het antwoord geven op die vraag en alles wat daaruit voortkomt..

.

Eenvoudig leven is een vorm van activisme.

.

.

De energietransitie is niet meer dan een verhaal waar we in geloven. Oude energiebronnen verdwijnen en nieuwe, betere komen ervoor in de plaats, denken we. Niets is minder waar. Oude energiebronnen verdwijnen niet, ze blijven en het gebruik wordt alleen maar groter. De nieuwe energiebronnen komen erbij. Het vormt met elkaar een massief cluster dat alleen maar groter wordt. Het lijkt wel een zwart gat. Je eraan onttrekken is een hele kunst. Zouden we dat allemaal doen, dan zouden we onszelf en de aarde bevrijden van een enorme last.

Hoe het dorp toch gelukkig werd

Sprookje gebaseerd op actualiteiten en de huidige tijdsgeest. Ik lag wakker en bedacht een goede afloop. Toen viel ik in slaap.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt zes minuten.

.

.

Er was eens een man. Zijn land lag tussen bloemenweiden en rotspartijen, met een prachtig uitzicht op het meer dat beneden aan de voet van de berg lag. Hij was er van jongs af aan opgegroeid. Een plek om volmaakt gelukkig te zijn. Dat wilde de man ook. Dat iedereen hier gelukkig was. De beek die erlangs stroomde was helder en koel. De grond was al eeuwenlang familiebezit. Zonen of dochters had hij niet. Wel had hij een goed hart. Als mensen geen verblijfplaats hadden konden ze blijven. Daar vroeg hij dan wat geld voor, zodat hij zichzelf en de plek kon onderhouden. Sommigen kwamen alleen om een tijdje tot rust te komen en zich onder te dompelen in het verfrissende water. Anderen bleven langer en vertrokken zodra hun kansen wederkeerden. Maar enkele mensen bleven en bouwden aan hun huis. Er werden palen in de grond geslagen. Beter moest het worden en groter. Ze vergaten dat ze te gast waren en begonnen eisen te stellen. Met het zweet op hun voorhoofden stonden ze voor zijn deur. Het was niet genoeg. Ze wilden meer. De man keek hen aan en rechtte zijn rug. Ik ben hier nog steeds de baas, zei hij, en meer krijg je niet. Maar het geroep ging door: Jij moet zorgen dat we hier altijd kunnen blijven in onze huizen. Jij heb toegestaan dat wij hier bouwden en wij hebben veel geïnvesteerd! Het land had natuurlijk ook in de toekomst zorg nodig. Dat wist de man, dat wisten de mensen. Ten slotte had hij geen kinderen en die zouden ook nooit meer komen. Geef je een vinger, willen ze je hele hand, dacht de man en zijn antwoord was duidelijk. Zolang ik nog niet dood ben, ben ik hier de baas, herhaalde hij en sloot de deur. Daar konden ze het mee doen. Er klonk gegrom. De mensen konden niet wachten, ze wilden zekerheid en zelf de baas zijn. Keer op keer kwamen ze terug en er kwam ruzie. Ze verkochten hun huis en kwamen nooit meer terug.

Gelukkig waren er ook genoeg die geen eisen stelden. Ze bakten broden, planten bomen ter beschutting, voerden actie voor hun prachtige meer beneden aan de berg en zongen liedjes over de vrede. Rustig gingen zij hun gang en keken met elkaar op het bankje naar de zonsondergang. Wij zijn hier zolang als het duurt zeiden ze en liepen terug naar hun eenvoudige hutten. Ze zorgden goed voor de plek zonder al te veel aan zichzelf te denken en de tijd was hun welgezind. De vogels en andere wilde dieren waren hen vertrouwd en de dorpelingen bij het meer waren blij met het voedsel dat ze verbouwden op de kleine akker. Jaar na jaar ging voorbij. En zo kwam het dat de man hen zijn vertrouwen gaf. Hij legde vast dat zij en hun nageslacht er altijd konden blijven wonen. Het werd een geliefd pelgrimsoord voor mensen onderweg. In harmonie leefde men er samen, precies zoals de man had gewild. Hij werd heel oud en stierf met een glimlach op zijn gezicht. Nog altijd zie je daar het kleine dorp, als een parel op de berghelling, boven het meer dat steeds helderder in de zon ligt te stralen.

.

De uitdaging van een beweeglijk mens

De Waddenzee is vlakbij. Op de boot naar Schiermonnikoog.

.

Het waait over de weiden. Verder is het best stil. De broedvogels zijn grotendeels weggetrokken, de wintergasten komen in kleine groepjes terug. Af en toe klinkt het geluid van ganzen en wulpen. Na de droogte halen de planten hun verloren groeitijd in razend tempo in. Vannacht lag ik wakker. Hoewel ik echt genieten kan van deze plek, het werk en het contact met gasten, voelt het soms als het einde van de wereld. Zeker als de herfst nadert. De blubber wordt door veel mensen gemeden. De meesten komen hier in de zomer. Vaste bewoners zijn met hun eigen zaken bezig. De wind waait hard, regen klettert op het dak. De stad is ineens een stuk verder weg. De stad, waar mensen zijn en gezamenlijke creativiteit. Hoe kom ik hier weg? Ik wil nou eenmaal op een gewone fiets blijven rijden, dat geeft beperkingen. Even voel ik me opstandig. Kan het echt niet anders?
Je kunt twee kanten op denken: aan jezelf of wat er is buiten jezelf. Ga je voor het impuls van het moment of zet je je in voor het grote geheel, waarvan je deel uitmaakt. Ook al moet je er af en toe een stuk voor fietsen. Door hier en nu naar buiten te gaan kom je tegelijkertijd dichter bij je binnenwereld. Al fietsend. Eigen behoeften gaan alle kanten op, dan mis je dit, dan mis je dat. De ene keer voel je je alleen, de andere keer is het veel te druk. Fietsen houdt daar balans in. Juist omdat je er iets voor moet doen. Iets extra’s. Want wat is er nog meer allemaal. De ene keer wil je een moestuin, de andere keer wil je een bos vlakbij met tientallen paadjes om te ontdekken. Keer op keer kun je iets nieuws beginnen met het idee dat dit jouw zaligmakende bestemming is. Bestaat dat? Ah, ga toch fietsen. Duizend dromen wachten. Niet om gelijk te vervullen, maar om zich uiteindelijk te verweven tot een mooi filosofisch verhaal.
Waar droom ik van? Ik kan aan Utrecht denken, aan het sociale leven dat ik daar achterliet. Mijn beste tekeningen die daar hangen in het stadsarchief. Vrienden die er nog steeds wonen. De straten, de bomen, de huizen waar ik nog steeds van houd. Soms denk ik: het leven bestaat toch uit meer dan distels wieden op een afgelegen plek in een groene vlakte. Dan lokt de bedrijvige creatieve stad die daar ligt, waar we op de werf naar een opera luisterden, waar koetsen in optocht door de stad reden en waar je plotseling verrast werd door gezang van een Engels jongenskoor vanuit de kerk tijdens een avondwandeling. Die stad daar, die is er nog steeds, in het midden van het land. En ik zit nu in het noorden.
Soms denk ik aan plekken verder het noorden in, aan Schotland, waar ik nog nooit ben geweest. Om daar eens een jaar lang te zijn en rond te lopen. Er is nog zoveel te ontdekken op de wereld! Ik kom zelden of nooit Nederland uit, terwijl ik een nieuwsgierig en beweeglijk mens ben.

Maar ik ben hier. De stad Leeuwarden ligt te wachten om ontdekt te worden. En er ligt plenty snoeiwerk te wachten, waar ik van houd. Ik kan foto’s en tekeningen maken van wat er is. Vlinders, stad of mensen. Ik kan me verbazen over de Friese taal en onbeholpen zinnetjes stamelen waar de ander vriendelijk om moet lachen. Ik schud de hand van een nieuwe vriend en we werken samen aan het grote geheel, dat nu binnen bereik is. Dat geeft energie als van een stralende zonsopgang. Ik houd van de ochtend. Net uit bed is de wereld op zijn mooist. De zon schijnt laag en warm over het ontwakende land. De ganzen, gisteren weggejaagd door een rondjakkerende trekker, zijn terug. Ik hoorde ze toen ik in bed lag. Ergens klinkt het gefluit van een wulp. Al struinend maak ik een rondje, langs de ruige wei waar de nieuwe boomgaard moet komen. Een haas schiet weg, ik weet dat hij daar graag zit. Verder ga ik, langs het paadje, langs de elsjes en de wirwar aan bruine skeletten. Dat is van het mosterdzaad. Ik baan me een weg tussen de hoge obstakels. Het overvloedige zaad is een mooie wintervoorraad voor de vogels. Verderop, bij de sleedoornstruiken, vliegen twee vinken weg. Het zit daar vol donkerblauwe bessen.

Iets moois maken doe je door met toewijding verder te gaan op je weg, ook al moet je af en toe iets missen. Hoe groter de concentratie, hoe mooier het wordt. Als beweeglijk en nieuwsgierig mens is dat de uitdaging. Op die plek blijven waar je werkt. En hoe langer je dat doet, hoe groter de beloning.

.

Hoe snijbiets’ rode nerven mij weerhouden om te zwerven

.

In augustus wil ik weg, een oerdrift om aan de zwerf te gaan. Elk jaar weer overkomt het me. Het is na het zomerse werk in de hitte, als de meeste vlinders verdwenen zijn, wanneer de bloemen niet meer zo uitbundig bloeien als voorheen en de grond hard en droog is en vol scheuren. Dan komt het verlangen verder te trekken. Ik heb het niet gedaan, tot nog toe lukt het me de neiging te weerstaan.

De hitte is voorbij, het dondert en zware donzige luchten vallen in flarden uiteen. Een dikke bui klettert over de velden, maar doet de diepe scheuren in de bodem niet verdwijnen. Spinnen maken er dankbaar gebruik van om aan de dikke droppels te ontkomen en kruipen vliegensvlug de donkere spleet in. Vlinders en vliegen verschuilen zich onder goten en bladeren en in de grote pruik van hopbladeren naast mijn huis. Dan is het weer voorbij. De lucht trekt open, de zon gaat onder. Langs de oranjerode einder komen wolken met bizarre vormen voorbij zeilen. Een stoet reuzeratten doemt hongerig op aan de horizon. Er is een donkergrijs beest dat een roze berg wil beklimmen. Ik stel me voor dat ik dat beest ben, en dat die berg helemaal voor mij alleen is met rotspartijen die steeds veranderen en daardoor altijd nieuw zijn. In mijn fantasie trek ik naar de meest fantastische plekken. Ik peins er over als ik kijk naar donzige wolken in de wind. De wolkenlucht als een steeds bewegend geheel, telkens weer fris en nieuw. Je kunt je erin mee laten drijven. Dit in tegenstelling tot de meest geijkte reisdoelen op aarde. Dat kost heel wat om er te komen. Een hoop gedoe vooral. Een half uurtje blader ik op druk bezochte websites naar verre landen en avontuurlijke vakanties. Ik word er niet opgetogen van. Bestemmingen, van hun vitale eigenheid beroofd en versleten als bejaarde publieke vrouwen. Ik sluit mijn laptop, zie af van het volgen van die mensenstroom in vliegtuig, trein of bus, en kijk naar buiten. Geweldig eigenlijk dat ik hier woon. De horizon met de wolken. Dat het stil is, dat het gras en de bomen hier nog steeds groen zijn en de dropplant, de chigorei en de goudsbloemen. Ik verbaas me over de schitterende snijbiet die met zijn vurige nerven elke dag zijn gebed ten hemel spreidt. Het bos dat ik plantte groeit hard. En tussendoor lees ik over de natuur op aarde, in vroeger tijden. Ik hoef niet naar India of te varen langs Kaap de goede hoop, ik lees erover. Ik verblijf in India, volg de zijderoute, laat me meenemen in het verhaal en beeld me in hoe het was ooit, lang geleden. Ik vaar langs kusten vol klapperbomen, stranden vol schelpen, beklim stille berghelllingen. We drinken uit glasheldere beken.

Dan leg ik het boek neer om water te halen bij de boerderij. Ik zie mensen komen en gaan. Het is geen stroom, het druppelt slechts. Een enkele gast vindt deze uitzonderlijke plek. Mijn vriend Dick komt terug, buurman Jeroen vertrekt naar een klooster in Limburg. Hij vertelt er over: “Het gebouw alleen al is een gebed zeggen ze.” Misschien ga ik daar ook wel heen, een paar dagen. Een bestemming van rust en schoonheid. Waar vrede is van binnenuit. Niet afgetrapt maar gevoed door vele bezoekers. Zo hoort het te zijn. En ik hoop dat mensen deze plek ook zo zien. Een plek om heel eenvoudig te genieten en waar je voor even kan delen in het leven van de bewoners. Deze plek waar de Swette stroomt, waar wilgen groeien en de snijbiet zijn vurig pleidooi houdt bij ondergaande zon. Een plek om te voeden en goed voor te zorgen. En ik hoop dat op dezelfde manier veel meer plekken hun kracht terug krijgen. Als een van vele bronnen is deze plek, vanwaaruit het leven wederkeert. Het komt door de energie die wij het geven. En dat ik en vele anderen mee kunnen helpen door hier en nu te zijn. Dat is mijn gebed.

.

De kentering van licht naar donker

Elk jaar, als de maand september komt, heb ik een sombere avond. Eentje maar, en dan is het weer voorbij.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

Dit keer is er alleen geschreven tekst.

.

Het is niet vaak dat ik sombere gedachten heb. Het is maar één enkele avond en bijna altijd tegen de herfst, als de eerste bladeren vallen en de dagen korter worden. Het is wanneer ik al een hele zomer tuinonderhoud heb gepleegd en er nog steeds veel werk moet worden gedaan. En dan ook nog al die demonstraties waar we voor worden opgeroepen, tegen volkerenmoord, tegen boringen van Shell op de Waddenzee, en tegen het handelsverdrag Mercosur… Ik voel me verantwoordelijk. Maar in beweging komen gaat nu stroever. De vroege ochtend heeft de betovering van de lente verloren, en de vogels fluiten niet meer. De broedvogels vertrekken, de wintergasten zijn nog niet gearriveerd.  De magische herfstssluiers zijn er nog niet. En de bessen, pruimpjes en frambozen zijn allemaal geplukt, terwijl de appels nog niet rijp zijn. Donkere gedachten drijven als wolken mijn kop binnen. Iemand zegt dat de aarde ons er straks allemaal af-flikkert en dan zelf verder gaat. Ik denk daaraan als ik die avond in bed lig. Soms kan ik daar dankbaar voor zijn, dat alles uiteindelijk wel goed komt met onze planeet. Maar nu niet. Ja, we maken er een puinhoop van. En wat kan ik nou doen in mijn uppie, al leef ik nog zo eenvoudig en zorg ik goed voor mijn bomen. Misschien kan ik net zo goed ophouden met bestaan, als het dan toch die kant op gaat met ons. Gelukkig redt de slaap me uit mijn somberheid. Het universum van de droom brengt me zoals altijd tot mezelf. De herfst is in aantocht. Het is de herfst, de lucht vol schimmels en verrotting.

In huis is het ’s ochtends koud. Zoals gewoonlijk doe ik mijn oefeningen en maak ontbijt. Maar na de verwarmende pap weegt die sombere avond nog steeds in mijn ledematen en ik duik opnieuw onder de wol. Tot een uur of tien, half elf, dan komt de zon over de bomen heen en maakt de wereld lichter. Net als de natuur keer ik langzaam naar binnen, voel de stralen van de nazomerzon en doe wat nog gedaan moeten worden. Het maaien van het lange gras, distels trekken, riet weghalen. Overwoekerde paden maak ik zichtbaar aan het einde van het land. Zo kunnen we bewonderen wat er dit jaar is gaan groeien. Ik ontdek de zaailing van een lijsterbes met bessen er al aan. Sommige struiken hebben al gele bladeren. De overgang is duidelijk. Die ene avond gebeurt het. Als een zonnebloem die haar zwaar geworden kop omlaag knikt, voor ze haar zaad weggeeft. Als de kentering tussen vloed en eb, tussen de zonnetijd en de donkere dagen. Het is de wet van al wat leeft, waar ik nog altijd deel van uitmaak.

Eenvoudig leven in een Meth

Wonen in een Mobile Ecologic Tiny House

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik heb een eigen huis. Al zien sommige mensen een huis anders voor zich, voor mij is het enorm bevredigend te wonen in mijn zelfgebouwde Meth. Een mobiel ecologisch tiny house, zo noem ik het. Ik ben vrij in eenvoud.

Als je een eigen huis hebt, ben je vrij en zelfstandig. Hoe groter hoe beter, vindt men. Dat is een goede investering voor de toekomst. Zo denkt men al jaren en de hele politiek, van links tot rechts speelt daarop in. Maar eigenlijk is het een ingewikkelde toestand en dat wordt alleen maar ingewikkelder. Er worden dure huizen bijgebouwd, want de grondprijzen stijgen flink. Alleen de mensen die dat kunnen betalen verhuizen naar hun nieuwe kasteel. Anderen kunnen doorstromen in de goedkopere woningen, die leeg achterblijven. Mensen in die grote dure huizen bemoeien zich nauwelijks nog met de buurt of met anderen die het minder treffen. Het is steeds meer ieder voor zich.

Deze week ontmoette ik Albert. Hij woont in een dorp in de buurt en stond hier op het veld van de camping, even weg van zijn gezin. Hij hoefde niet zo nodig ver weg, als hij maar lekker kon aanrommelen rond zijn tent. “Ik ben sociaal werker” zei hij. “Maar ik mis het werk met mijn handen. Ik droom ervan om, wanneer ik met pensioen ben, het kaatsveld te onderhouden.” Het is een eenvoudige echt Friese droom. Elk zichzelf respecterend Fries dorp heeft namelijk een kaatsveld en de oude traditionele sport wordt nog steeds fanatiek beoefend. Het is een van de dingen die de gemeenschap nog altijd samenbindt. “Ik zou het heel mooi maken, zoals het nu ook is, strakke randjes met bloemen eromheen.” zegt Albert stralend en dan denkt hij even na. “Maar als ik in een groot huis terecht kom, dan denk ik niet dat ik daar tijd voor heb.” Ik raad hem serieus aan dan geen groot huis te kopen. Ik hoop echt dat hij het gaat doen, met dat kaatsveld. De plek waar het hele dorp samenkomt.

Maar hoe kom je aan een huis? Het mooiste is als je zelf je huis kan bouwen, samen met de buren op een plek waar je je thuis voelt. Een huis dat even groot is als alle andere van het dorp, zodat iedereen gelijk is. Zo was het vroeger, op vele plekken in de wereld. Op sommige plaatsen is dat nu nog zo. Het is fijn om iets zelf te bouwen. Ik snap Albert wel, dat hij het mist, het werk met de handen. Ik ontwierp en bouwde mijn eigen huis, het brein en de handen werkten samen. Nu is het een plek die helemaal op mij is afgestemd. Ik noem het een Meth, een Mobile Ecologic Tiny House.

Het is ecologisch omdat het gebouwd is van zoveel mogelijk ecologische materialen. Maar ook ben ik deel van de natuur om me heen, met ogen, oren en handen. Ik plant bomen en werk aan de biodiversiteit, vier jaar nu, op deze boerderij. Ik sta er ingeschreven en de gemeente weet ervan. Zolang ik hier werk heb blijf ik.

De manier hoe er tegen woningen en woningbouw wordt aangekeken, loopt dood. De twintigers van nu ervaren dat aan den lijve en zoeken naar oplossingen. Een klein mobiel huis is ook zo’n oplossing. Ik denk dat we creatieve wegen op moeten zoeken, met eenvoudige haalbare doelen. Er zal niet altijd iemand zijn die ons de weg wijst. Een nieuw avontuur ligt voor ons.

Een waterwezen worden

.

.

Alle vogels fluiten. Het is zes uur en ik lig nog in mijn hangmat. De bovendeuren staan open, aan beide kanten van de wagen, en er waait een fris briesje door mijn huis. Ik trek de slaapzak wat hoger op maar echt behaaglijk warm krijg ik het niet. Gisteren was het een hete dag, Ik heb de deuren opengelaten. Maar nu is het niet warm meer. De wind is gedraaid. Gisteren was het nog heel anders.

Het is warm. Boven het water vliegen de zwaluwen en het riet groeit hard, na een periode met regen. Ik loop naar het water, bezweet na een lange dag gras trekken. De grote houten steiger is leeg en ook het fietspad aan de overkant is verlaten. Ik gooi het lange vest van me af en stap de ladder op die inmiddels diep in de modderige bodem is gezakt. Het water voelt koud aan mijn hete huid, maar al gauw went het. Halverwege de ladder houd ik stil. Ik laat mijn bovenlichaam zakken, tot ik in gehurkte houding op de ladder zit, met het water tot mijn kin. Nu wachten. Als ik heel stil ben komt het. Ik buig mijn hoofd om naar beneden te kijken, het puntje van mijn neus raakt het glinsterende oppervlak. De zon schijnt op mijn ondergedompelde huid en mijn benen zijn van groen goud. Verder zie ik nog niks. Niet wat ik verwacht te zien. Ik kijk weer op en wacht nog langer. Dan voel ik het. Een kleine subtiele aanraking in mijn zij, en nog een, en nog een. Hele kleine mondjes kussen mijn huid. Het is een gevoel dat nergens anders mee te vergelijken is. Als ik opnieuw naar beneden kijk zie ik ze. Kleine visjes zijn het van vijf centimeter lang. Nieuwsgierig verkennen ze mijn lichaam, een nieuw element in hun onderwaterlandschap. Ze zwemmen over mijn gehurkte benen heen en er weer onderdoor. Mijn groengouden huid is omgeven door kleine bewegingen. Kleine mondjes raken me aan. Er komen er steeds meer. Ik denk eraan hoe het zou zijn om hier te blijven, en een waterwezen te worden. Dat er niets anders zou zijn dan ik en de vissen, vertrouwd met mijn vel, dat almaar groener wordt, net als de steiger en het riet. Wonderlijk en tijdloos.

Heel langzaam strek ik me uit. Mijn natte vel glimt in de zon. De visjes schieten weer onder de steiger.

.

Opgeschrikt in een verhaal

Luisterend naar de stem van een stervende rivier

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.



Het is zes uur in de ochtend. Om een of andere reden ben ik wakker geworden en de regen tikt op het dak. Rustige grote druppels zijn het, de wind is kennelijk gaan liggen. Ik stel me voor hoe de insecten en vlinders beschutting zoeken onder grote bladeren. Veel van die planten heb ik zelf gezaaid of uitgezet en ze breiden zich snel uit. In de tuinradijs, onder de moerasandoorn, overal schuilen libellen en vlinders. Het land, de dieren en ik, alles hoort bij elkaar.

Ik luister naar de regen maar val niet opnieuw in slaap. Wacht, ik kan het luisterboek aanzetten, dat ik gisteren geleend heb bij de online bibliotheek.

“Ik ben een berg die op me wacht” heet het. Een fascinerende titel. Nu zijn hier geen bergen. Hier in Fryslân is water. Ook de Swette, het water wat hier al eeuwen loopt, hoort daarbij. Fryslân zonder glinsterende vaarten en meren, dat kun je je toch niet voorstellen? Ik had er zelf nog niet aan gedacht, om de Swette een stem te geven in een verhaal. De schrijfster van dit boek heeft dat wel gedaan. Het is de rivier die spreekt over alles wat hij ziet. Een nomadenvolk leeft al eeuwenlang samen met de stroom. Er is een vrouw, heerlijk als de zon, die haar handen onder zijn huid dompelt. De rivier is verliefd op haar. Er is een zanger die zingt over de rivier en de bergen. En er is ook een jongen die alleen maar dode vissen verzamelt. Stil lig ik te luisteren. Het verhaal kabbelt rustig voort, net als de regen op het dak. Langzaamaan dommel ik weg. Plots word ik wakker. De stem is opeens scherp geworden. “Waarom verzamel je dode vissen?” vraagt iemand. De jongen antwoord: “Ik luister naar hun verhaal. De dode vissen hebben iets te vertellen. Ze zijn bang voor de toekomst. We zien het toch. Het ijs op de berg smelt. Er is steeds minder water.” De rivier hoort het, maar kan het zich niet voorstellen dat dit kan. Het land als een dor gerimpeld vel, zonder hem als stroom en bron van leven. Zonder rivier is er niets meer. Zonder de rivier geen vissen, geen nomadenvolk dat met hem samenleeft.

Ik ben in een keer wakker. Ik had het boek niet eens zo bewust gekozen. Maar dit! De dreiging uit dit verhaal is onlangs werkelijkheid geworden. Gisteren nog plaatste ik het bericht op Linkedin: De gletsjer in Nepal is gestorven. Hoe dramatisch dit ook is, er werd geen enkele aandacht aan gegeven. Natuurlijk hebben we verschrikkelijk veel aan ons hoofd. Maar toch is het raar. Stel je voor dat er geen water meer in de Swette was, of dat de Rijn bijna niet meer stroomde, of dat het IJsselmeer droog stond! Dan piepten we wel anders. In dit verhaal is het of de ziel van het landschap zijn stem laat horen. En wat daar gebeurt, is nog maar het begin. Als de gletsjer sterft sterft de rivier en zonder water is er geen leven.

Nu ik dit gehoord heb, denk ik niet dat ik nog in slaap ga vallen, bij het luisteren naar dit boek. Ik wil horen wat de schrijfster, Sholeh Rezazadeh, mij te vertellen heeft. Het is een noodkreet. Een verhaal van ons allemaal.

“Ik ben een berg die op me wacht.“ Zo heet het. Morgen luister ik verder. En dan met volle aandacht.

Hoe gaat het verder? Ik wist het nog niet. Maar dit is de tekst bij Ambos uitgevers.

De veertigjarige Alma die woont in een woonboot op de Amstel, een rimpelloze rivier. Ze heeft een drukke baan. Op een dag neemt ze een radicaal besluit: ze reist in haar eentje naar Iran. Daar sluit ze zich aan bij een nomadenvolk. Saray hoedt schapen en melkt geiten. Ze is verliefd op een jongen van een andere nomadenfamilie en ontmoet hem in het geheim aan de oever van de Aras, de bruisende rivier die door het ruige berglandschap dendert.

Lukt het Alma om haar jachtige bestaan achter zich te laten? De nomaden leven bij de dag en eten wat de seizoenen te bieden hebben. In plaats van constant op hun iPhone te turen zijn ze verbonden met elkaar. Maar ze worden in hun voortbestaan bedreigd. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger, Aras buldert minder en steeds meer jonge nomaden willen in de stad leven.

(Noot van mij: Is er in de stad nog wel water dan? Als er geen rivier meer is? Dit vraagt om een vervolg.)

‘Met de natuur als een echt personage en de mens als onvolmaakt wezen op zoek naar liefde en verbinding, droom je weg bij elke zin die je leest.’- JAN

.