Klein bestaan, wilde hemel

.

.

.

.

Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. Luister hier naar het verhaal.

.

Ooit was ik schipper. Ik had diverse schepen en scheepjes, een grote van twintig meter en kleine, waarmee ik rondvaarten deed. Eén ervan is de boot geworden die mij tot op het laatst vergezeld heeft en die velen kennen, in Utrecht. Als schipper was ik eraan gewend om te luisteren naar geluiden. Ik luisterde naar de motor. Altijd. Zelfs wanneer ik met iemand tijdens het varen in gesprek was, hoorde ik onmiddellijk wanneer er iets anders klonk dan normaal. Ook bij noodweer stonden mijn sensoren aan. Zelfs die ene keer dat ik niet thuis was, wist ik dat er iets mis ging en dat ik onmiddellijk naar huis moest. Ik was precies op tijd om te pompen, want er was een plaatselijke wolkbreuk geweest en de boot stond behoorlijk vol. Als je altijd ergens bent, dan weet je dingen, zoals een moeder dingen weet, of een kleinschalige boer, die getrouwd is met het land van zijn voorouders. Zo is een schipper één met zijn schuit en hij gebruikt alle zintuigen om de elementen een stap voor te zijn.
Mijn voorouders van moeders kant woonden in Spakenburg, aan de Zuiderzee. Er waren vissers onder hen. Zit dat in mijn bloed? Ik weet het niet. Maar het boeit me, het water en de elementen. Dat alles wat er is zo groots en indrukwekkend kan zijn, dat ik me klein voel. Ik neem maatregelen en hoop dat ik slim genoeg ben en dat mijn materialen goed gekozen zijn.

Het windscherm voor mijn kleine huis is stevig gespannen. De touwen zitten op meerdere manieren vast, en de dikke tak die het zeil moet tegenhouden wordt omhooggehouden door een dicht opeenstaande rij wilgen. Al zouden ze willen, die kunnen nu niet meer meebuigen met de wind, de tak zit vast aan beide kanten en is dik genoeg om de druk tegen te houden. Hij is gestut met een dwarsboom. De boom eindigt in een vork die er precies omheen past.
Ook elders ben ik in de weer geweest. Zwaren stukken hout liggen ter voorbereiding van de storm op het afdekzeil van de bagagewagen en ook op de zonnepanelen op het dak. Als ik dat niet doe gaan ze vibreren en klapperen. Er gebeurt verder niks, maar daar lig je liever niet onder, in je hangmatje.

Ik hield als schipper een logboek bij, zoals dat hoort. Ik had er plezier in. Ik besluit om deze nacht wakker te blijven en een logboek te maken van de storm. In het donker lig ik in mijn hangmat en hoor alles.

LOGBOEK VAN STORM 20.1.21

3.10 De eerste zware windstoot
3.44 De tweede
4.30 Wind komt uit het zuidwesten. Het grote windscherm doet zijn werk, het dikke transparante raamzeil heeft tientallen bevestigingsogen. Het zit vast geregen met dik touw. Nergens is geklapper of geflapper te horen. Tevreden glimlach ik. Zou het zo blijven? Of niet? Ik heb hem vanmiddag nog versterkt.
5.00 Wind draait opeens naar NW. Ik heb ook een klein dwarszeil gemaakt, haaks aan het grote zeil vastzit , op het zuiden. Daardoor kolkt de wind niet meer achter het scherm langs. Het nieuwe zeil hangt dubbelgeklapt over een stalen constructie, met pallets, takken en riet omhuld. Het kan nergens heen. Maar met NW klappert hij een beetje, maar het is niet alarmerend.
Waar de wind nu vandaan komt, daar staat alleen een jong wilgebosje. Dat biedt weinig beschutting. De wind neemt toe. Regen klettert met dikke droppels op het dak en tegen de gesloten luiken.
5.30 Oef. Wind uit Noord noordwest. Dat hebben we nooit gehad. Een plotselinge harde windstoot doet me opschrikken. In de verte hoor ik: KLENG BENG! Alsof het iets groots is. Wind trekt aan. Huisje staat te trillen, de wind staat nu recht op de wand. Het portaalzeil bij de deur klappert. Een losse plank onder de wagen beweegt heen en weer. Bonk bonk. Het duurt een minuut. Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. De wind draait terug naar het zuidwesten en dan houdt ook het wiegen op. Het grote zeil van het windscherm doet zijn werk weer.
Het is half zeven als de rust wederkeert. Ik ga slapen.

Einde logboek.

De volgende dag staat er een man onder de windmolen van de buurman. Die staat in de naastgelegen wei. Ik zie dat er een wiek is afgebroken. Ik kleed me snel aan en ga naar hem toe om te vertellen wat ik vannacht gehoord heb.
Het is niet mijn huis dat de klos is. Nee. Mijn huis is nog maar vier jaar oud en het zit aan elkaar met tientallen verbindingen en vijfhonderd houten deuvels met goeie lijm. Het is één geheel. Ik ben er trots op. Maar hoe trots ik ook ben, altijd blijf ik voorzichtig en waakzaam.
Ik blijf ook vol verwondering van alles wat ik niet weet, en wat zoveel sterker en grootser is dan ik ooit kan bedenken.
Als ik die avond in het donker buiten sta, is de wind helemaal gaan liggen en de lucht is helder. Slechts een paar tientallen meters verder glinstert de Swette in het maanlicht. De rietkraag beweegt niet. Het is stil en donker. Het kunstlicht is ver van deze plek verwijderd, een eindeloze rij verre lampjes ligt als een kring om deze stille, oude plek heen. Het is een grote cirkel van wel meer dan vier kilometer doorsnee, en ik sta in het midden. Ik kijk omhoog. De sterren staan te stralen aan de hemel.

Klein voel ik me, onder de onmetelijke ruimte van het heelal.

.

(Bovenstaande illustratie is een fragment van een tekening uit mijn boek: “Langs kantelende wegen.” https://www.uitgeverijlouise.nl/index.php?id=4&tx_sanwarebooks_pi1[book]=82 )

Storm op komst

.

.

.

.

Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar! Al zou je vallen in de storm van het heelal, op de grens van het bestaan groeit creativiteit.

.

„Wil je koffie?“ vraagt Anne me. Anne is mijn tijdelijke buurvrouw. Haar lange grijze haar hangt krullend over haar schouders, terwijl ze me vragend aankijkt. „Kamillethee graag“, zeg ik. Ik kijk toe hoe ze het dampende water in een kopje giet en er een zakje bij doet. „Het gaat stormen donderdag“, merk ik op. Haar ogen kijken nadenkend, terwijl ze mij het kopje aangeeft. „Oh echt waar? Donderdag de 21e? Dat is apart! Tjee, op die dag is er een heel speciale planetenstand.“ Ze lacht even. Ik haal mijn wenkbrauwen op en ga verder. „Heb je nog iets voor te bereiden, met die harde westenwind? Kan ik je ergens mee helpen? Ik ben zelf al klaar.“ Ik houd voorzichtig het kopje vast, adem de damp in en zet de thee weer neer. Te heet. Anne antwoordt. „Nee hoor, ik red me wel. Maar jij, jij staat daar wel heel erg in een waaierig stuk hè, had je niet beter ergens anders kunnen gaan staan?“
„Nee!“ antwoord ik feller dan de bedoeling was. „Ik wil hier juíst staan. Ik heb er over nagedacht.“ Ik houd me even in. Langs de houten planken van het huisje loopt een lieveheersbeestje naar beneden. Ik kijk ernaar terwijl ik woorden zoek voor wat ik wil zeggen. „Ik heb lang nagedacht hoe het ideale huis er voor mij uitziet. Ik zou mijn woonwagen in een groot tuinhuis zetten, met gemetselde hoeken, een transparant golfplatendak, en overal glas. Ik zou een gat maken door het dak voor de schoorsteen. Als de zon schijnt hoef ik dan bijna niet te stoken in de winter en de wind heeft geen vat op me. Een prachtig idee, vond ik.“ Ik kijk naar Anne. Ze ziet het helemaal voor zich. „Ja! Dat lijkt me ook heel mooi. Je kan die ruimte ook als kas gebruiken. En wil je dat dan hier gaan doen?“ Ik grinnik. „Nee. Ik ga het niet doen.“ Verbaasd kijkt ze me aan. „Waarom niet? Het is een goed idee.“ Ik kijk naar haar grote blauwe ogen. De zon schijnt door het raam en haar haar krijgt een zilveren glans.
„Wat ik zei. Omdat ik in de wind wil staan. De elementen mogen het best af en toe van me winnen. Het houd me bescheiden. En het zorgt dat ik steeds weer iets moet bedenken. Het maakt dat ik het gevoel heb deel uit te maken van alles. Het hoeft voor mij niet allemaal perfect te zijn. Juist niet. Het is niet altijd leuk, maar het daagt me ook uit. En ach, het duurt een dag, of hoogstens twee. Dan is het weer voorbij.“
Haar ogen lichten op. „Ik begrijp het denk ik. Ik denk het ook dat die houding het meest vruchtbaar is. Op die grens van het bestaan groeit creativiteit.“ Ik straal. „Dat is precies wat ik bedoel!“ Ze glimlacht even en gaat dan verder. „Ik vind het ook heel spannend, als het gaat stormen. Dat het nou net donderdag is, dat die storm is verwacht. Dan hebben we een ceremonie, met trommels. Tjee zeg…“ Ze staart peinzend naar buiten waar de bomen roerloos het veld omzomen. Alleen de toppen bewegen een heel klein beetje. Gek dat dat zomaar kan veranderen. Het lieveheersbeestje is ondertussen weer helemaal langs de rand van de plank omhoog gekropen en verdwijnt in een gaatje in het dak, lekker warm en beschermd tegen weer en wind. Ik pak mijn kop thee. Ik neem een slok en luister naar de stilte. Anne staat op van haar plek bij het raam, stopt een blok hout in de kachel en draait zich om naar mij. „Als je al teveel ligt te schudden in je bed, mag je wel bij mij schuilen hoor!“ Warm glimlach ik haar toe. „Dank je. Als ik ervan wakker lig, dan zal ik dat zeker doen.“

Als ik even later met mijn blauwe klompen door de plassen loop, denk ik eraan hoe fijn het is, dat er altijd iemand is, die graag een helpende hand toesteekt. Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar!

.

.

Mijn stormbestendig windscherm

.

.

De heilige regelmaat van een nomade

.

.

,

.

Ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van tien minuten.

Vertrouwen komt te voet, en gaat te paard, luidt een oud spreekwoord. Sinds ik het hoorde, ben ik het nooit meer vergeten. Het maakt deel uit van mijn langzame leven. Een snelle beweging op het verkeerde moment kan veel verpesten. Bezint eer gij begint. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Al die oude wijsheden gaan over rust en beheersing van al te opgewonden impulsen. Daar luister ik graag naar.
Ik kom regelmatig mensen tegen die denken dat ik een reiziger ben. Mensen vol wilde plannen die denken in mij een bondgenoot te vinden en herkenning. Herkennen doe ik het wel, maar meer ook niet. Ik ben geen reiziger. Ik ben me al jarenlang aan het beheersen. Ik ben een nomade, zoals ik dat noem. Ik vertrek als het moet, maar blijf liever waar ik ben. Ik ben geland in Friesland, aan de Swette. Dit is de plek waar ik ben. Al zou ik de bergen willen zien, indianen willen ontmoeten. Al zou ik naar Ierland willen reizen, met mijn huisje op een schip, of alleen maar naar Limburg. Ik doe het niet. Ik blijf. Al is het soms moeilijk me te beheersen. Een vreemd land is een spannend avontuur dat altijd lokt. Ik houd van ontdekken. Ik vind het prachtig. Maar de vogels kennen me niet. De grond is me vreemd. Elke ontmoeting is intens, maar al te veel intensiteit is dodelijk vermoeiend. Ik slaap veel minder goed, op vreemde grond. Thuiszijn betekent rust en vertrouwen. Ontdekken vanuit zijn. Dat zoek ik op. Daarom beheers ik mezelf, telkens weer.

Vertrouwen komt voort uit rust en regelmaat. En ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje. Ik pak mijn zwarte onderbroek van het wasrekje, dat buiten hangt. Die heb ik gisteren nat opgehangen en hij is een beetje stijf. Het heeft gevroren. Dat doet het al de hele week. Ik doe een stap terug, naar binnen en duw hem even tegen de hete kachelpijp aan. Het sist. Ik kneed hem soepel in mijn handen en trek hem aan. Dan loop ik achter de beschutting van mijn huis vandaan. Ik voel de wind. Met blote voeten in mijn azuurblauwe klompen wandel ik over het gras. De zompige modder is stijf en het dunne ijs in de plassen kraakt. Ik loop onder de oude wilgebomen door, waarin twee kraaien zitten te kijken. Daar is de oever, en het riet, achter een haag van vlier struiken. Een paar meesjes fluiten opgewonden als ze me zien. Ze weten dondersgoed dat ik het ben. Het mens met de zaadjes. Eten! Maar nu niet. Ik loop het kleine beschutte veldje over naar de steiger. Nu voel ik me bloot en kwetsbaar, in de koude bries. Het is nul graden en het waait een beetje. Straks voel ik me heel anders. Dat weet ik. Dan gloei ik van binnen uit.
Ik loop over de steiger, glad van opgevroren dauw. Voor de hoeveelste keer loop ik hier al? De eenden weten het inmiddels. De eerste tijd vlogen ze luid kwakend op, toen ik aan kwam lopen. Nu niet meer. Heel langzaam zwemmen ze de andere kant op, alsof het ze niet interesseert.
Ik aarzel niet. Mijn lichaam verlangt naar het koude water. Stap voor stap ga ik langs het laddertje omlaag, dat tegen de steiger aan staat. Vier treden. Het water staat laag. Daaronder is de modder, voel ik met mijn tenen. Ik stap terug naar de onderste tree en ga door mijn knieën. Ik geniet van de kou. Mijn hele lichaam is in één keer wakker. Met alleen mijn hoofd boven water, kijk ik rustig om me heen. De zon schijnt achter een sluierwolk en het water is van zilver. De toppen van het riet bewegen zachtjes heen en weer. Ik ga er helemaal in op. Dit is een heilig moment. Hoe vaker ik dit doe, hoe meer deze plek voor mij betekent. Het is een ritueel, dat voeding geeft. Aan mij. Aan de plek. Aan de plek en mij.

Dit is wat ik mis, als ik op reis ga. Ja er zullen overal rivieren zijn en plassen om in de baden. Maar het is niet deze ene plek, bij de oude wilgen die ik zo goed ken. Waar de twee kraaien zitten te kijken vanuit de boom en waar de mezen me achterna vliegen. Waar de eenden niet wegvliegen als ik het water instap, maar gewoon doorgaan met wat ze doen.

Dat is thuis. Thuis op eigen bodem. Wilde plannen laat ik rustig in de modder zinken. Misschien komen ze ooit weer bovendrijven, misschien ook niet. Ik laat het. Want liever kweek ik rust en vertrouwen, zodat het wilde leven om mij heen steeds meer bij me hoort. Zeker in deze tijd zijn dit voor mij de belangrijkste waarden. In een wereld met zoveel ontworteling, vertrouw ik graag op plekken die me heilig zijn. Als nomade trek ik. Maar niet zomaar. En niet alleen voor mezelf. Ik ga ook omdat de plek me roept. Anders ga ik niet.

De taal van al wat mij omringt

.

.

Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot actie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

Inheemse mensen vertellen me dat alles met elkaar verbonden is. Het is alleen al de taal, die zo veelzeggend is. Taal als een bewegend schilderij. Ik luister naar een indiaan uit Amerika. Hij vertelt hoe belangrijk hij het vindt, om zijn eigen taal te spreken. Er is een vogel die roept: „Pluk het, pluk het,“ als het oogstseizoen is aangebroken. Een ander vertelt dat er een boom is die ze „tante“ noemen, omdat ze geloven dat dierbaren in bomen en dieren voortleven. Dit alles vertelt de taal. Hoe meer verschillende talen hoe meer levendigheid. Ook onze eigen taal kent veel verhalen. Vooral planten hebben tal van bijnamen, naar gelang hun werking en de plek. En ook dieren hebben veel verschillende namen. In het Fries heet een winterkoning tuunhipper.“ Het zijn de allerkleinste vogeltjes die er zijn, samen met het goudhaantje. Kleine bolletjes met vleugels en hun staart parmantig omhoog gericht. Ik word altijd blij van ze. Ik zie ze niet hippen, bij mij komen ze pas bij schemering. En dan komen ze in de wilgetakken zitten. Het zijn er twee. „Tsjirrrp tsjirrrrrp,“ zeggen ze. Zijn ze er al?

Ja! Daar komt het eerste winterkoninkje aangevlogen. Hij rust op een tak vlak voor mijn deur. Hij kijkt even om zich heen en vliegt het korte stukje naar de dakoversteek. Daaronder is een holletje. De isolatie steekt naar buiten, door een ventilatiegat. En daar, in de schapewol vinden ze een koninklijk slaapvertrek. Ze hebben het gauw koud, de koninkjes. In strenge winters gaan ze dood, als ze geen schuilplaats hebben. Ik voel me vereerd met hun keuze en bied gastvrijheid. Ik heb de wol losser gemaakt, het nestje ruimer, en de kieren onder de dakkap volgestopt.
Daar is het tweede winterkoninkje ook. Hij strijkt neer in de schutting van slordig bijeengebonden riet. Ik maak geen rumoer, tot ze allebei hun plek gevonden hebben.
De winterkoninkjes eten spinnen en vliegen. Ik kijk naar allemaal. Ik bewonder elk wezen, klein of groot. Alles is beweging, een insect is net zo belangrijk. Dat wij minder met vliegen hebben dan met die lieve fladderende bolletjes, is logisch. Toch doet een vlieg of spin ook van alles. Ik luister en kijk waar ze heengaan. Door de beweging en de geluiden te volgen zie en hoor ik steeds meer. Ik zie de planten en de bomen met wie ze een relatie hebben.Veel planten en dieren hebben namen, die horen bij de plek die ze innemen. Taal leeft, beweegt mee met dat, wat er thuis hoort. De draden vormen het kleurrijke web van leven. Mensen zijn getuigen, stille waarnemers, schilders, componisten en creators. Als ze maar ogen hebben om te zien. En oren om te luisteren. Dan kruipt het leven in de taal, in de kleur en de beweging. Dan wordt de samenleving levend.

Ik luister en kijk, stil als een inheemse mensen. Al jaren. Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot aktie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik, veel langer. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie. Tot hij vol bewondering en respect is voor het dier en alles weet wat hij weten moet en doet wat hij moet doen.
Hoe minder drukte je maakt, hoe meer je ziet. Hoe minder je wilt scoren, hoe rijker het schilderij waar je naar kijkt. Je kan de ene foto maken na de andere. Je kan het trots laten zien met de namen erbij opgezocht met google. Er zijn hele natuurparken voor aangelegd, met apps en betalende bezoekers. Erin en eruit. Kijken en klikken. Er gaan miljoenen in om.

Dit is het niet. Niet voor mij. Dit is het nooit geweest.
Blijf waar je bent. Kweek respect. Ontdek de taal van wat je omringt. Dit is wat ik mezelf vertel, keer op keer. Volg de bewegingen. Vlucht niet weg, denk niet dat het elders beter is. Alles is er al. Het wil alleen gezien worden. En wat nog niet is, zal komen.

.

Dit is de gloednieuwe website van mijn vriend. Voor het eerste interview mocht ik de spits afbijten. https://groeneverhalen.nl/

.

.

Het wilde als levensbron

.

.

De Octopus in mij,

strekt zijn armen uit,

wil alles zien en voelen

ver weg en ook dichtbij

.

The wild as source of life. Listen to the spoken story of 14 minutes.
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 12,5 minuut.

.

Jeannette en ik zitten op de bank bij haar thuis. Ze is mijn oudste vriendin, al bijna dertig jaar. Het contact is altijd gebleven, soms meer, soms minder. De laatste jaren zie ik haar weer vaker. Ik geniet van de rust en de diepgang in onze gesprekken. Haar kamer is licht en leeg, als de mijne, maar dan veel groter. Ook groot is het enorme beeldscherm aan de wand, iets wat we vroeger een televisie noemden. „Tjee zeg, die is groot!“ zeg ik, „Daarop kun je mooi naar natuurfilms kijken. Ik kijk nooit meer naar films of docu’s. Niks aan op zo’n klein schermpje.“ Tja, in mijn woonwagen heb ik niet veel. Dat wil ik zo. Ik luister liever naar de geluiden buiten, dan dat ik naar een schermpje kijk. Ik heb ook drie vliegen, waar ik vaak naar kijk. Die doen ook van alles. Naar ze kijken geeft me meer rust dan dat lichtgevende vierkantje, met al zijn razendsnelle beelden en boodschappen.
Die smartphone, het is een raar ding. Soms lijkt het wel betoverd, alsof het een deurtje is naar een werkelijkheid die niet bestaat, maar die me wel meeneemt in zijn zuiging. Alsof het een surrogaatzon is, die mijn behoefte aan licht en liefde kan vervullen. Maar dat is niet zo. Dat weet ik. Het is een nuttig ding en niet meer. Toch trap ik er nog regelmatig in. Eenmaal in de ban, hoor en zie ik weinig meer van de echte wereld. En als ik het schermpje uitzet, lijkt die grijze winterdag maar saai en traag. Om weer te genieten, moet ik de knop omdraaien naar een veel lagere frequentie. Hè hè! Dit is het. Ik houd van de winter. En van de lente. En de zomer en de herfst.
Maar nu ben ik bij Jeannette. En ze heeft een prachtig groot beeldscherm. Ik heb nog nooit een film gekeken op zo’n groot scherm. Dat wil ik wel eens beleven. Terwijl dat denk, stelt Jeannette voor om een film te kijken.
„Heb jij de film My Octopus Teacher gezien?“ vraagt ze. Ze haalt me de woorden uit de mond. „Nee“ , zeg ik, nog niet. Maar ik heb er veel over gehoord. Mensen in tranen, die het zagen.“ Zij heeft hem al gezien. Ja, ook bij haar rolden de tranen over de wangen.

Ze start de film. Ik beland in een onderwaterwereld. Een kelpwoud, lange glibberige slierten als een bos, langzaam wiegend in de stroming. Ik zie een forse man zweven. Hij beweegt traag, om niets of niemand te laten schrikken. Zijn huid glanst roze tussen de lange donkergroene slierten van kelp. In zijn ene hand heeft hij een camera. Hij vertelt wat hieraan vooraf ging. „Ik was burned out, Ik kon geen camera meer zien. Ik kon zelfs geen aandacht meer opbrengen voor mijn zoon, die ik op moest voeden.“ Nu zwemt hij daar, in het water dat maar acht graden is. Een duikerspak wil hij niet. Hij wil naakt zijn, in het water. Hij wil contact. Het koude maakt hem wakker, voor het eerst merkt hij de intelligentie op, die in zijn vingers zit en in zijn tenen. Steeds meer is hij ernaar gaan verlangen, die kou, de wakkerheid. Elke cel in hem werkt, in deze koele waterwereld vol met wonderen.

Dan ziet hij haar. De kleine octopus in haar rotsspleet. Haar huid valt weg tegen de zanderige stenen. Het oog staart hem nieuwsgierig maar behoedzaam aan, vanuit het donkere hol.
Dit is het begin van een intense, hechte relatie. De man gaat dagelijks naar beneden.Het duurt krap een jaar, want een octopus wordt niet oud. Ze maken samen van alles mee. Tot de tijd op is. De octopus begroet hem met een omhelzing, de laatste keer, voor ze eieren legt en sterft. Hij is geroerd, wanneer hij erover vertelt. Ze is er niet meer. Maar in hem leeft het dier nog altijd voort. Met de octopus, heeft hij het wilde in zichzelf teruggevonden. En daarmee de bron van energie en levenslust. Hij leeft in en om de zee, samen met zijn zoon. Ze zijn veel samen. De zoon groeit uit tot een sterk zachtaardig mens, vol verwondering over het leven. Een echte zeebioloog. Ze keren regelmatig terug naar de plek waar de octopus leefde. Dan voelt hij haar energie. Ze vinden een piepkleine octopus, waarschijnlijk één van haar kinderen.

Bij mij geen tranen, bij deze film. Wel zit ik op het puntje van mijn stoel, en mijn ogen stralen. Terwijl we napraten over wat deze film nou eigenlijk doet, vraag ik me dit af: Is ons duikerspak niet veel te zwaar? Is het niet de veelheid aan spullen en afspraken, die als een kunstmatige huid om ons kleeft? Al die techniek maakt veel mogelijk, maar tegelijkertijd zorgt het ervoor dat we een buitenstaander blijven. Een buitenstaander van het wilde, waaruit we immers geboren zijn. Het wilde dat ons eindeloos voorziet van levensenergie. De stroom, vanwaaruit alles komt en gaat. Zonder dát is het leven een doods en mager pad.

Ook als ik weer thuis ben, blijven de beelden terugkomen. Steeds weer zie ik de octopus. Ze ligt zo goed als levenloos op het zonnige zand van de zeebodem. Al haar energie gaf ze aan haar eieren. Vissen nemen hapjes van haar. Dan komt de haai aanzwemmen. Hij grijpt haar. Haar armen zwabberen levenloos naar buiten, voor hij haar opschrokt. Ze is slechts een stuk vlees geworden, dat het andere leven voedt. De eeuwige cirkel. Alles komt en gaat. En telkens weer krijgt dat wonderlijke leven een andere vorm. Energie betekent overgave. Overgave aan geboren worden en de dood.

Ik staar vanuit mijn hangmat naar buiten. De wind waait om mijn kleine huis. Klein ben ik in de onmetelijke ruimte. Ganzen vliegen gakkend over, in de schemering. Ik hoor ze. Hoe kleiner mijn huis, hoe groter mijn contact met de wereld. Zo voel ik het. Als een teveel, wat ik heb afgelegd, waardoor ik minder nodig heb en meer kan zien. Misschien is dat ook wel de rode draad van wat ik wil vertellen. Ik ben blij dat ik de film heb gezien. Door mee te leven met de ontroerde duiker, verliefd op een octopus, besef ik het belang ervan. Dat hij kan helpen terug te vinden, wat verloren leek. Het kan ons helpen het beklemmende duikerspak uit te trekken, van alles wat ons dwarszit en verdooft. Alles wat ons zwaar maakt en het contact belemmert met de stroom. Dit verhaal is een parel van licht en leven. Het wijst ons de weg naar een mogelijke toekomst, waarin het wilde in ons weer mag bestaan.

Scheur

.

.

“Crack.” Listen here to the spoken story of twelve minutes
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van bijna dertien minuten

.

Ongerepte natuur en menselijke activiteiten zijn onverenigbaar, zo besloten Amerikaanse mannen in 1864. Zo dacht men anderhalve eeuw lang, op het noordelijk halfrond. Misschien komt er nu een scheur in die gedachte. Een scheur waar het licht door valt. Net zoals de zon, die grauwe herfstsluiers doorbreekt.

Al dagenlang hangt er een mist over de weilanden. De meeuwen, wulpen en kieviten houden zich stil. In een wereld die vlak voor je voeten ophoudt, valt er weinig te vertellen. Je soortgenoten zijn onzichtbaar en je vijanden ook. Er is alleen maar het grote niets, het einde van de wereld. Voor mij is dit een heilig moment, zo vlak voor de zonnewende. De tijd staat stil. Als een dik velours gordijn dat gesloten blijft tot het grote moment aanbreekt. Maar ondanks de stilte ben ik onrustig.
Ik lig in mijn hangmat en kan niet slapen. Al uren lig ik klaarwakker te wezen. Mijn armen en benen hebben eerder zin in rennen en zwaaien dan in rusten. Ik kan er beter uit gaan. Ik doe het licht aan. Het is vier uur. Als ik de deur open, is het mistgordijn nog dikker dan anders. Er is geen zuchtje wind. Het is stil. Doodstil. Zelfs geluiden van de auto’s op “de Haak,“ de grote weg vanuit Leeuwarden, ontbreken. Er is niets en niemand dan ik. Ik stap met blote voeten in mijn klompen en loop door het gras in een wereld van wolk. Ik loop naar de steiger, glad van vocht, en loop voorzichtig naar het water toe. Zacht glinstert het me toe, als een beslagen spiegel. De Swette maakt me rustig. Ik loop terug en ga weer naar binnen en val meteen in slaap.

De volgende dag breekt langzaam de zon door. Door sluierwolken heen wordt het steeds helderder en alles leeft op. Het dierenleven laat opgetogen van zich horen. Op het weiland barst een orkest aan geluiden los, de wulpen, die op doorreis zijn, roepen elkaar van alle kanten. En ik, ik voel me geroepen, net als zij! Ik wandel het pad af. Een gans vliegt gakkend op, weg van het groepje ver weg in de wei. Met uitgestrekte halzen staan ze naar mij te kijken. Aan de andere kant van het pad zijn de meeuwen. Ze schreeuwen weer net zo balorig als twee weken geleden, voor de mist alles in sluiers verhulde. Ergens in de sloot kwaken gemoedelijk een paar eenden, tot ze mij opmerken en geschrokken wegvliegen. En dan hoor ik de ijle stem van de graspieper. Het kleine vogeltje vliegt hoog over mij heen, deinend als op golven. Ik loop langzaam, met trage stappen, in de hoop dat ze zich niet aan mij storen. Dat helpt maar gedeeltelijk. Ze blijven op hun hoede. Ik ben immers een mens.

Weten die dieren het nog wel? Niet alle mensen zijn zo luidruchtig en alleen op hun eigen doel gericht. Ik ben niet de eerste die zo stil loopt. Ik moet nog flink oefenen om het zo goed te kunnen als mijn voorgangers. Dát ze dat deden, dat lees ik in het boek, dat thuis op de vensterbank ligt: “Conservation refugees.” Tenminste vierduizend jaar leefden er andere beschavingen en culturen, die op een heel andere manier met het leven op aarde omgingen dan wij nu. Sommigen noemen we indianen. Die bedoel ik. Want die konden pas stil lopen! Hun voetstap was niet zwaarder als dat van een vogel. Het waren geen figuren uit een romantische mythe. Ze waren er en ze zijn er nog steeds. Talloze antropologiestudies laten zien dat er veel aarde gerichte culturen ruw naar de zijlijn zijn geschoven. Culturen die volkomen duurzaam leefden en voedsel verbouwden in een kringloop met de natuur.
Maar Columbus kwam en de Conquistadores volgden hem. Ze reden te paard door Zuid Amerika, en lieten zich op gruwelijke wijze gelden. De VOC werd opgericht. Europeanen veroverden de wereld. In de negentiende eeuw ging het hard, tegelijk met de stoommachine verhief zich één beschaving boven de rest. Steden en gebouwen groeiden en de expansiedrift werd er alleen maar door aangewakkerd. Blanke mannen verklaarden hun cultuur als de beste. Unieke methodes van voedsel verbouwen werden stap voor stap weggeveegd om plaats te maken voor allemaal dezelfde akkers. Kleine boeren werden gedwongen om moderne landbouwmethodes over te nemen en raakten diep in de schulden. Vruchtbare aarde viel uitéén tot stof. Duizenden natuurparken werden aangelegd uit angst dat de mens het resterende leven op aarde zou vernietigen en daardoor uiteindelijk zelf ten onder zou gaan. De mensen die er woonden moesten vertrekken. Miljoenen waren het. Er werd een scheiding getrokken tussen geïdealiseerde ongerepte natuur en menselijke bedrijvigheid. Want dit was onverenigbaar, zo schreef J.P. Marsh al in 1864 en velen waren het met hem eens. En zo dacht men anderhalve eeuw lang.

Komt er nu een scheur in die levensbeschouwing? Alles vraagt er om. We lopen immers tegen grenzen aan, op allerlei gebieden tegelijkertijd.

“The challenge is not to preserve “the wild”, but peoples relationship with the wild.” Bill Adams, Cambridge University.

De chaos van de wereld is in fel contrast met de rust van dit moment. Ik laat alles voor wat het is. Rutte kondigt de lock down af. Demonstranten joelen en fluiten achter de ruiten. Ik laat het. Ik ben nu hier en de zon is mijn vriend. Mijn boek, vol pijnlijke geschiedenis, ligt thuis op de vensterbank. Stil genietend wandel ik verder. De zon schijnt door een sluierwolk heen en komt dan helemaal tevoorschijn. Wat ik zie is onbeschrijflijk, de laatste restanten van het grauwe gordijn breken open. Het natte gras schittert in de zon en de horizon verdwijnt in een blauwgrijze donkere mist. Wat ben ik klein, in deze uitgestrektheid van het land! Ik sta stil en haal diep adem. Het is alsof ik het bèn, het weiland, de vogels en de glooiingen in het veld.
Uiteindelijk loop ik terug naar mijn warme wooncocon en open de deur. De zon verdwijnt weer. Ik til het deksel op van de kachel. Daar gloeit de laatste houtskool. Aansteken? Nee, laat nog maar even. Ik staar uit het raam en denk aan alles wat vastloopt in onze wereld. Hier sta ik dan. Wat kan ik doen? Ik zucht. En terwijl ik zo stil sta voel ik diep verdriet. Wat is dit? Waarom? Een stille stem in mij geeft antwoord. Wees waar je bent. Kijk. Voel de aarde onder je voeten. Het is wat het is. In de verte roepen de meeuwen. Jaaaa! Jaaa! Jaaa! En ik ben hier en luister. Ik kijk op en begrijp het. Alleen zo kan er iets nieuws wortelen, iets dat veel dieper gaat dan wij ooit kunnen bedenken. En dan voel ik langzaam tevredenheid stromen, vanuit mijn tenen omhoog. Het komt. Het komt. Het is er al.

.

.

Een mooie hoopvolle aanvulling over oude methodes van voedsel verbouwen: https://decorrespondent.nl/11883/waarom-de-toekomst-van-de-landbouw-zomaar-in-het-verleden-kan-liggen/3040831287747-068d4c0b

Groeien buiten de geul

.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van acht minuten.

.

Ik ben een geul aan het graven. Een hele lange, van wel vijfentwintig meter. Het is naast de wilgenhaag, vlak langs het pad, dat door de dorpelingen “Jochums Reed“ wordt genoemd. Het is een onverharde weg vol kuilen van twee kilometer. Elke dag fietst boer Jochum naar de brievenbus, twee kilometer heen, en twee terug. Ik zie iedereen komen en gaan, terwijl ik hier bezig ben.
Ik zet de spade rechtop in de klei en kijk om me heen. De jonge wilgen zijn kaal op een enkeling na, met donkere, vochtige stammen. Tussen de bomen door kijk ik naar het onverharde pad. Er komt iemand aangelopen. Het is de vrouw met de witte hond. Er zijn wel meer mensen zoals zij, die door de weilanden lopen. Als je over het erf van de boerderij gaat, kan je aan de andere kant, via het betonpad weer terug.
„Ga je een kabel leggen?“ vraagt de jonge vrouw. Ik doe een paar stappen naar haar toe. „”Nee, er komt een tweede bomenrij. Boer Jochum wil hier een donker speelpaadje voor kinderen. We denken aan hazelaars, elzen en lijsterbes.“ Ze lacht, „Dat is een goed idee!“ en loopt weer verder.
Ik pak de spade, kies de plek waar ik ga steken en zet mijn volle gewicht op de steel. De grond is niet hard, maar ook niet zacht. Een beetje als oude kaas. Ik heb mijn blauwe klompen aan. Dat is handig. Ik trap met mijn voet hard op de spa. Mijn harde klomp dient als heimachine. Een beetje wrikken en wiebelen en tegelijkertijd heien. Dat werkt het beste. Ik ga er helemaal in op. Een roze wriemeltje komt uit de losgewoelde aarde zetten. Ik trek het los. en stop de kleine worm onder een grote omgekeerde graspol, bij de andere wormen.

Na de vrouw met de witte hond komen er nog vier anderen langs. We praten. Het gaat over zijn waar je bent. Allevier de mensen hebben besloten om van hun eigen plek wat moois te maken. Alle vier hebben ze een periode van onrust achter de rug en zijn hier echt aan toe. Werken aan je eigen tuin, het planten van wilde struiken en fruit, een groentetuin, het werken aan een plek voor een tiny house. Ik sta versteld over wat er broeit. En dan blijkt er ook nog vlakbij een permacultuurtuin te zijn bij een jonge boer. Daar wist ik niets van! Hij verkoopt heerlijke groente en het is maar zes kilometer. Alles waar we al zolang over praten lijkt steeds dichterbij te komen. We weten het al zo lang. De ketens moeten korter. De banden moeten worden aangehaald. Liefde voor je woonerf, vertrouwen in de buren. Kromme komkommers van het seizoen, en geen sjacherijnig geplastificeerd groen staafje, dat voor het stapelgemak niet meer krom mag zijn. Wat kronkelen wil, krijgt weer een kans. Stap voor stap.

De laatste vrouw staat naast me. „Wat mooi dat je dit zegt,“ zegt ze „Ik ervaar precies hetzelfde. Al die plannen, al dat heen en weer gedoe! Ik hoef niet alles van te voren te weten. Het hoeft niet precies te passen. Ik begin gewoon. Ik ga weer wilde bomen en struiken in mijn tuin zetten. Ik ga genieten en kijken wat er gebeurt. Dank je!”
Ik zie haar langzaam verdwijnen in de mistige horizon. Dan graaf ik verder. Ik heb iets ontdekt. Ik maak hoeken in de geul, zodat de wand niet recht loopt, maar onregelmatige inhammen krijgt. De wortels worden zo uitgedaagd om ook de geul uit te groeien. Anders zijn ze geneigd om daarbinnen te blijven hangen!
Opeens gaat er mij een licht op. Met mensen is het immers net zo! Alles wat er nu gebeurt zegt het. Het is tijd om onze oude geul uit te groeien. Om te kijken op een hoek waar je nooit kwam. Zonder grote doelen. Alleen maar een schep in de hand, of een bezem. Of een stoepkrijtje of wat dan ook. Iets simpels doen wat je nooit doet, op een plek waar je wel kwam, maar die je nooit goed bekeken hebt. Misschien is het wel voor je eigen deur, in je eigen straat, waar je altijd doorheen bent gereden, keihard. En al doende, zonder grote doelen, vind je daar misschien wel iets, waarnaar je altijd al op zoek was. Dichterbij dan je ooit had kunnen denken. Het begint bij het groeien buiten de geul. Vlak voor je eigen deur.

.

Ieder heeft een pad

.

.

Listen here to the spoken story of six minutes
Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

„And here I stand, and watch,“ schrijf ik. Ik schrijf een brief aan Roger Waters, van Pink Floyd. Een andere brief ligt al klaar. Het adres staat al op de enveloppe. Die is voor David Gilmour. Ook van Pink Floyd. Maar ze komen nooit meer samen. Er is gedoe. Zoals er tussen veel mensen gedoe is. Maar niet altijd gelukkig. Ik houd van David Gilmour. Roger Waters vind ik gewoon heel goed. Hij heeft veel maatschappijkritische teksten geschreven. Als puber luisterde ik heel goed naar The Wall. Die teksten kende ik allemaal uit mijn hoofd. Het was een dikke dubbelelpee. Die had ik. Ik zat urenlang op de bank met een koptelefoon op. We waren met zijn zevenen thuis. Ieder ging zijn gang. Ik zat daar dan, en luisterde. Maar daar wordt je best somber van, als je veel naar die teksten luistert. Zeker als puber. Gelukkig was er ook nog David. Daar werd ik dan weer gelukkig van. Vooral van de dromerige gitaarsolo’s en zijn zijden stem.
Hier sta ik en kijk. Ik kijk naar een filmpje van de drukke Roger, die de hele wereld af lijkt te gaan om zijn strijd voor vrede en gerechtigheid. Ik zie indrukwekkende muziekshows met breedbeeldfilm op de achtergrond van mensen in oorlog. Publiek met tranen in de ogen. Hij doet erg zijn best, Roger. En hier sta ik en kijk. Mijn leven lijkt compleet het tegenovergestelde. Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat dit mijn kracht is. Het “Nietdoen.“ Het zijn. Waarnemen vanuit stilte, vanuit de plek waar ik ben. Vandaar uit creëer ik. Het is aan mij om te volgen wat er oplicht op mijn pad en me daarin te verdiepen. Het heeft een poos geduurd voordat ik daar de rust voor had. Ik was eigenwijs en wilde veel te veel. Er waren nogal wat zure appels, om doorheen te bijten. Maar ik heb leren leven met de weg die mij op het lijf is geschreven. Het stille. Soms is dat eenzaam. Maar het geeft ook veel voldoening.

Ik kijk naar een filmpje. De vrouw van David Gilmour, de schrijfster Polly Samson, deelt het op Facebook. Het is bij hen thuis. De tafel zit vol. Opgeteld hebben ze samen negen kinderen, boordevol talenten. Ik zie een wand vol kleurige kindertekeningen. Een kuikentje dat over de tafel loopt en pikt naar een foldertje dat iemand daar net neergooide. Mooie kinderen met zwart haar. David speelt gitaar en oefent een lied. Hij kijkt afwezig naar het beestje op de tafel, geheel verdiept in zijn muziek. Ik zou hier helemaal thuis kunnen zijn, tussen mensen die bij me horen en allemaal mooie dingen maken. Maar het is niet mijn leven. Ik moet alleen zijn om te luisteren. Creëren vanuit stilte. Van daaruit ontmoet ik de ander.

Ieder heeft een eigen pad.

.

De onderste 2 foto’s zijn van Elske Riemersma.

.

.

.

.

.

.

.

Keerpunt

.

Deze illustratie komt uit het boek. Een liefdevolle hand met bewegende aarde.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen gedicht van 1.45 minuut

.

.

Hoe haal je de kramp uit een hand
De schreeuw uit het zand
Het licht uit het zwerk
Het vloeken uit de kerk
Het schrijnen uit een wond
De woorden uit de mond
De donder uit de lucht
Het smachten uit de zucht
De voeten uit te krappe laarzen
De vlam naar eindeloos wachtende kaarsen
De zondebok eens op de troon
De chaos terug naar het gewoon
De rust weer in het land
De hitte uit de brand
Oma weer eens uit haar stoel
Het brein weer terug naar het gevoel

.

.

Nieuws:

Met mij gaat het goed. Ik speel en werk. Het meeste werk is de lange geul, aan de rand van het veld. Het is anderhalve meter naast de wilgenhaag. Daar komen straks nieuwe boompjes in te staan. Het moet een donker paadje worden, aan de rand van het kampeerveld. Het is nog lang niet klaar. Daar geniet ik van. Elke keer een stukje. Een zachte bries waait om mijn hoofd en dat de lucht grijs is, is niet erg. Er komen mensen langs, die een rondje door de weilanden maken. Vandaag zijn het jongeren die een tiny house willen. We praten lang. Werken langs het pad levert meer op dan bomen alleen. Ik kan het iedereen aanraden.

Wat de bomen betreft, ik zoek nog zaailingen. Vooral van hazelaar, els, en lijsterbes. Maar ook andere bomen zijn welkom. Dus Friezen uit de buurt van Leeuwarden, kom langs met wat je hebt! Ik ben er blij mee en de boer ook.

Verder kan ik jullie verrassen met deze film, die ik maakte, na de reis. Ik maakte hem een jaar geleden. Dat ik hem niet eerder publiceerde, is omdat ik vond dat hij niet af was. Ik had nog een gesprek willen toevoegen, over toerisme in een kleine kustplaats, en de druk die dat legt op de bewoners. Helaas wilde de persoon die daarover haar nek uitstak, er niet meer in het openbaar over praten. Te pijnlijk. Dat is een punt, waar ik waarschijnlijk nog vaker over zal schrijven. Maar voor nu, het is toch een heel aardig verslag geworden, dat zeker in combinatie met het boek de moeite waard is.

.

.

.

.