Het werk op Frijlân

.

 

.

 

Het werk op Frijlân is voor mij:

Hakken in keiharde klei
waar drie opgesloten wormen
droogjes wachten op de regen
om zich vochtig kronkelend
verder te kunnen bewegen

Hakken tussen zuring en distels
hoge halmen van het gras
om gaten te maken
voor ’t planten van de herfstframboos.
Ik hoop dat hun wortels de kluiten kraken.

Ruimte scheppen bij een wolkbreuk
als deze de hitte in tweeën splijt
het welkome water maakt alles zacht
we scheppen een pad op de juiste momenten
Als de regen naar ons lacht

Langzaam verzamelen zich
de mensen van dit land
om zich met elkaar
een weg te wensen
die gebarsten werkelijkheid
met frisse volharding
in tweeën splijt.

.

.

.

.

.

Het mooist is het land om vijf uur ’s ochtends,

in die vochtige stilte van de lente, voor de hitte komt. 

De oude boerderij is gehuld in

pastelkleurige luchten en het zachte ochtendlicht,

net een eeuwenoud schilderij.

.

.

.

.

De lange oprijlaan in de mist. De bossige oase van het

land van de Oerfloed komt nu echt tot zijn recht.

 

.

.

Een van de yurts, waarin nu Irma woont.

 

.

.

En mijn allerliefste huisje in de gouden zon.

 

.

 

 

 

Een verrassend kronkelpad

.

.
Het weer is helemaal omgeslagen. Hier in Friesland is alles extremer. De kou is kouder, de wind waait harder, de hitte lijkt groter. Een landschap met bomen zorgt voor meer balans en nu ik net uit Brabant kom, voel ik dat goed. Toch is de warmte mij meer dan welkom.
Naast me zit Dick. We zitten allebei voor ons uit te kijken over het vlakke land, de zon heeft de betonplaten onder onze blote voeten lekker warm gemaakt en staat al iets lager aan de hemel. “Zullen we nog gaan fietsen?” vraag ik, zo opgewekt alsof de dag nog moet beginnen.
“Ja!” zegt Dick instemmend. “Laten we dat doen!”

We rijden over de Boksummerdijk richting Boksum. Het eerste stuk ken ik. Tussen de schapen en het eindeloze raaigras door en dan langs de bedrijfsterreinen, waar onder andere een megaslachterij gevestigd is. Ik ben vegetariër. Tegelijkertijd heb mezelf al van jong leren wennen aan het idee dat dieren worden geslacht en opgegeten. Dat er lijden is en de wereld niet één twee drie verandert.  We rijden door, steken de grote weg over. Daar verandert alles.

In Boksum staat een paal met bordjes. “Zullen we richting Deinum?” vraag ik. Dick vindt het allemaal goed. Ik volg de richting die het bordje wijst en hij volgt mij, langzaam trappend fietsen we een pad op, dat een beetje op een oprit lijkt. Dan staat daar opeens een jongen. “Gaan we hier naar Deinum?” Ik ben niet meer zo zeker van de zaak.
“Nee, wij wonen hier. Het bordje is een beetje verdraaid. Je moet nog even door fietsen en dan is er een klein pad naar rechts.”

We volgen de instructies. En wat een verrassing, we vinden een eeuwenoud pad, een prachtig pad tussen kleine oude terpdorpen door. Het is het vroegere Tsjerkenpad, maar nu heet het, het “Heitze Holwerdapad.” Het slingert dwars door de weilanden, met weelderig begroeide sloten ernaast. En hier zijn de vogels wèl! Ik geniet met volle teugen, wanneer een grutto pal boven ons hoofd fel alarm geeft.
“Pfieeeeeeuw..!”
Als we het volgende dorp  inrijden, word ik verrast door de mooiste lindelaan die ik ooit heb gezien. Mijn mond valt open van verbazing en ik stap van mijn fiets. “Dick, zie je nou, hier leerde Leentje Lotje lopen…Ik wist niet dat dat nog bestond.” Aan het einde van de laan staat een statig huis al decennia lang te staan. Op het pad ligt een vrouw op haar knieën. Ze fotografeert iets, wat in het gras zit. Het is een klein egeltje. Hij hijgt van de hitte.
“Hij heeft het warm,” zeg ik.
“Ik ook, ” zegt de vrouw. Ze heeft net een klein geel vogeltje gekiekt dat in de bosjes zat, vertelt ze. Ik vraag of ik het mag zien. Ze tovert het beeld uit haar camera. Het is prachtig en heeft een fel oranje snaveltje.
“Wat hier ook leuk is,” zegt ze, “verderop staat een oude koelkast. Daarin zit een minibibliotheekje. Je mag er boeken heenbrengen en uithalen.” Dick luistert op de achtergrond mee en samen lopen we het laantje weer uit naar onze fietsen. Bij de kerk staat een picknicktafel en inderdaad een koelkast. Er ligt ook een boek in plastic. “De zonde van Heitze Holwerda. Niet meenemen”, staat erop. Het is helemaal in het Fries. de hoofdpersoon is dezelfde als waar het pad naar genoemd is. Ik lees een stukje voor en begrijp het nog ook.

Wat een prachtige dag is dit. “Ik ben blij dat ik dit nog gezien heb,” zegt Dick als we thuis zijn. “Dat er zoveel meer is en zo dicht in de buurt.” Ik glim. Ik denk aan het pad dat ik zou willen maken, samen anderen. Dat ene kronkelpad vol geuren, kleuren, vol smaken, dieren en belevenissen,  laat het er komen, hier, waar nu een strak groen tapijt ligt van glanzend raaigras. O, als het nou eens net zo oud kan worden als dat tsjerkenpad…

.

.

De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Vertrekken en aankomen

.

.

Het zijn mijn laatste dagen in Brabant. Er komt iemand het veld opgefietst. Of eigenlijk, een jongensachtige man van een jaar of vijftig. “Hallo, ben jij Alowieke?” vraagt hij onmiddellijk. “Ja!” roep ik verrast, “en dinsdag ga ik verhuizen.” Ik hoor dat hij Martijn heet en dat hij al drie jaar van plan was mij op te zoeken. “Dan ben ik nog net op tijd!”
Martijn blijft drie dagen. We praten heel wat af. Er ontstaan inspirerende ideeën en we wisselen adressen uit. “Ik kom bij je langs, op Frijlân!” Dat is het laatste wat hij roept, wanneer hij weer verder rijdt. Ik vind het leuk, dat hij komt. Hij neemt drie walnootboompjes mee en een stel hazelaars, zegt hij. Fijn!

Het is zover. De dag van de verhuizing is aangebroken. Ik heb goed geslapen en ben blij dat Dick komt. Ik verzamel de laatste spullen die naar binnen moeten en als ik klaar ben komt hij net precies aanfietsen. “Héé, jij bent lekker vroeg!” roep ik. Dick is om vijf uur opgestaan om me te helpen met inpakken, mijn fiets, het keukentje, een grote emmer vol lijmklemmen. Uiteindelijk staat het helemaal vol. Precies om half tien ligt alles vast op zijn plek, zonder dat er iets kan omvallen. De chauffeur is er nog niet. Ik kijk op mijn telefoon. Er is een bericht. De chauffeur heeft pech, hij moet eerst de lier repareren en komt in de loop van de middag. Dick en ik wandelen de hele middag in de zon, over de velden en in het bos. Het is heerlijk warm en bijna windstil. Overal fluiten de vogels.

.

.

De bel rinkelt als we het erf oprijden. Een paar vrouwen staan te kijken wanneer de witte vrachtwagen het erf opkomt. Ik zit in de cabine en kijk achterom. “Leuk hè, die bel aan mijn wagen.” Jan, de chauffeur grijnst. “Het is net een ijscowagen.” Jan rijdt al twintig jaar met vracht. Hij neemt de haakse bochtjes zo perfect, dat ik niet anders kan dan bewonderend vanuit het raampje kijken hoe hij vlak langs de sloot, vlak langs de berg betonplaten manoeuvreert. We stappen uit en langzaam wordt mijn kleine huis de rijplaat af gereden, heel langzaam rolt de lier af en raken de wielen de Friese bodem.

.

.

De wind rukt aan mijn wagen. De wind komt uit het Noorden en staat dwars op mijn huis. Ik heb net de zonnepanelen recht gelegd, die door het rijden waren verschoven, de betonplaten voor mijn deur aangeveegd, en een matrasje uit de sloot gehaald, die onder mijn vloer was weggewaaid. Ik heb de boompjes water gegeven en een Roomse Kervel geplant. Zolang ik niks geplant heb, voel ik mij niet thuis.

.

.

Door het ene raam heb ik uitzicht op de boerderij. Voor het andere raam is een sloot en  een grasvlakte.  Ik hoor het gieren van de wind door de smalle kier van mijn daklicht. Heel in de verte hoor ik een pauw. Het geluid van vogels ontbreekt totaal. Dit is de plek waar ik ga planten, bomen, struiken en bloemen. Dit is de plek die herboren moet worden. Daarvoor ben ik gekomen. De wind neem ik voor lief. Hij schudt mijn wagen heen en weer en waait mijn fiets om. Toch maar gauw een schutting bouwen. Eentje waar je doorheen kan kijken. Want op een plek waar alles wegwaait, daar kan je niets beginnen.

Inpakken en wegwezen

.

.

Mijn gedachten branden
als een oranjegele vlam
in zomers korte nachten.
Onrustig wacht ik op de dag

De dag komt dichterbij
dat ik mijn vleugels spreid
na zes jaar vlieg ik weer
voor ’t eerst in eigen wooncocon
Als een havik vlieg ik
een nieuwe tijd tegemoet.

Ik zal landen in het Noorden
samen met mijn huis.
Vijftien mei twee-duizend-achttien!
O, wie zal ik daar allemaal zien?

 

Volgende week verslag van de reis en de aankomst!

 

(Fototitel: “De vlam van gedachten in de nacht.”)

.

.

Halters in het maanlicht

.

De maan verbindt ons met elkaar, als één groot lied van de nacht

.

Het is vrijdagavond en windstil. De laatste roodborstjes zijn gestopt met zingen, de boeren zijn gestopt met het injecteren van drijfmest en het ploegen van het land, de Brabantse mannen zitten bij hun gezinnen en drinken hun biertje. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik heb mijn plan uitgevoerd, ik maakte een goeie condenskier onder de dakrand. Tevreden zie ik de details voor me, het is gelukt, ik weet bijna zeker dat dit gaat werken. Nu de andere helft van het dak nog. En dan?

Dan is het tijd om te vertrekken naar Friesland. Een vreemd idee lijkt het. Ik kijk naar buiten. De zon is al helemaal onder gegaan. Ik heb de luiken nog niet gesloten. Wat is het stil! De tijd lijkt stil te staan als in een schilderij. Het is of ik hier nog eeuwen zal blijven, alsof er nooit iets zal veranderen. En dat terwijl ik hier misschien al heel snel weg ben! Gek hoor, een vreemd idee.
Ik gaap en staar dromerig door het raam. Het licht van de maan schijnt in de vijver. In de wei staan de schapen nog steeds te grazen. Ik gooi mijn benen van de hoge bank af en sta op om naar buiten te gaan en de luiken te sluiten. Ik schuif een half vergane rieten stoel onder het raam en zet mijn voet op een plek waar geen gat is. Ik glimlach tevreden en duw tot ik het luik zachtjes dicht hoor klikken. Met luiken dicht is mijn huis een echte wooncocon, waar je heerlijk in kan slapen. Nu de andere kant nog. Aan de andere kant staat de steiger, omdat ik daar nog aan het dak moet werken. Ik klim op de dikke planken en sluit ook deze kant af.
Ik klauter weer naar beneden en blijf bewonderend staan. De hemel is zwart en de sterren lijken op speldenprikjes in bordkarton. De toenemende maan is helder. Het is dezelfde maan als die in Friesland schijnt, dezelfde als op Frijlân. En ook is het dezelfde als die een Nederlandse sojahaven oplicht in Brazilië en die het verlaten dorp beschijnt wat er naast ligt. Er zijn zoveel verhalen! De maan verbindt ons met elkaar, als goede en de trieste strofes, alles in één groot lied van de nacht.

Ik maak mijn blik los van de nachtelijke hemel en buk me. Bij het bordes staat een kistje, dat ik gebruik als opstapje. Hij ligt omgekeerd, met een extra plank erop, zodat je er niet opeens doorheen zakt. Ik leg de plank opzij en draai het kistje op zijn kant. Eronder liggen twee halters van zes kilo. Ik heb ze aan een stuk bezemsteel bevestigd en voel het warme ronde hout in mijn eeltige werkhanden. Ik ga op mijn rug op het kistje liggen en doe één voor één alle oefeningen om arm, rug, en borstspieren te trainen. De maan lacht recht in mijn gezicht en verdwijnt half achter wolkenflarden. Hij speelt ermee en maakt een kring van roze weerschijn in bewegende sluiers. Ik vraag me af, wie kijkt er nu nog meer naar de maan? Ik ben vast niet de enige…

.

.

.

 

 

Terwijl ik mijn halters hef, op en neer en weer en weer, straalt het maanlicht in mijn gezicht. Ik voel mijn armspieren werken en denk aan wat ik vandaag las. Het waren een paar artikelen over de Nederlandse bemoeienis in Brazilië. Ik zie het voor me als in een droom.
Terwijl ik naar de zwarte lucht tussen de sterren kijk, zie ik enorme majestueuze wouden. In snel tempo worden de bomen gekapt en met vrachtauto’s naar binnenvaartschepen gebracht, met Nederlandse namen erop. De schepen varen naar de haven. Het hout wordt netjes opgestapeld voor verkoop in Europa. Naast de exporthaven ligt een verlaten dorp. Overrijpe mango’s liggen te rotten op straat. Wie woonde er en waarom is iedereen verdwenen?
Als een vogel vlieg ik verder. Verder het land in staat een boswachtershuisje. Maar er is geen bos meer. Het staat nu in een eindeloos grote sojaplantage, soja voor veevoer en biobrandstoffen. Ik zie hoe een vrachtwagen heen en weer zwaait op een blubberige weg. Het beeld vervaagt.

Ik voel mijn rug op het harde houten kistje en weet het. Het Amazonegebied wordt uitgekleed, ontbost, gestript.  De laatste vijf jaar zijn er veel wegen en spoorlijnen aangelegd. Het is een voorproefje van wat komen gaat. Een enorme spoorlijn moet er komen om dit proces te versnellen. Het is een bom die op ontploffen staat, zeggen bewoners die naar de hoofdstad zijn gekomen om hun noodkreet te laten klinken. Twee rijke en machtige families worden nog veel rijker en een paar Nederlandse bedrijven ook. Waarom? Is het zo leuk om te bulken van het geld? 

Ik lees verhalen van noodkreten, die niet alleen in Brazilië, maar overal ter wereld klinken. De bevolking heeft geen grond meer om op te staan en mensen verdwijnen spoorloos. Niemand weet waar ze zijn heen gevlucht of wat er met ze is gebeurd. Het zijn de eerste bewoners, die nooit of met heel veel moeite een eigendomsbewijs krijgen, van de grond waarop ze al eeuwen leefden. Het zijn vreemde zakenlieden, die worden verwelkomd door rijke machtshebbers, zakenlieden uit rijke landen als Nederland.

Het zijn niet alleen lokale dorpelingen, die er onder lijden. Het gaat ons net zo goed aan, het gaat de hele aarde aan. Met het kappen van bomen ontstaat erosie en een grote opslag aan CO2 gaat verloren. En met het verdwijnen van de enorme vochtige wouden verandert het weer. De gevolgen zouden nog wel eens ver kunnen reiken. En nu kijk ik naar de maan. En ik besef, de maan en het water zijn het, die ons met elkaar verbinden en de lucht is het, die we inademen en uitademen, de lucht die waait met de wind en overal komt. De aarde met alles erop, het werkt met elkaar als één levend systeem. Dit systeem levend houden, dat is het enige wat duurzaam is. Dit denk ik, terwijl ik mijn gewichten neerleg om naar bed te gaan.

Lees hier het artikel in de Trouw over de sojaroute

Survival International doet verslag hoe bewoners vechten voor hun rechten.

Soja als biobrandstof zou verder aan banden worden gelegd.

.

.

 

Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Een feestelijke opening

.

Het schilderij is op tijd afgekomen, na drie dagen hard werken.

.

De grote zware plaat staat schuin tegen de schuurdeur aan. Na een grijze ochtend is de zon gaan schijnen. Fijn, dan droogt de verf lekker snel. Ik doop mijn kwast in de pot groene zijdemat. Ik maak een Artist Impression van Frijlân in vogelvlucht. Voor de dag om is, wil ik de eerste laag er op hebben. Zorgvuldig zet ik het perspectief uit.
Net als ik tevreden de lijnen bekijk, zie ik drie jongens het erf op lopen. Twee magere blonde en een dikke donkere, die mij in de verte doet denken aan een Chileen die ik ooit kende. Ik hoor het klikken van blikjes die worden opengetrokken en ik zie ze een sjekkie opsteken. Vanuit de verte groet ik, en leg rustig de kwast terug. Na even te hebben gewacht, loop ik naar ze toe.
“Komen jullie om hier te kijken?” vraag ik. “Ja, we zochten een rustig plekje,” zegt de één. Ik moet lachen. “Nou, het is hier niet zo rustig als het lijkt, over twee dagen is hier een opening. We moeten nog van alles af zien te krijgen.” De donkere jongen vraagt wat er hier gaat gebeuren. Ik vertel dat er bedrijfjes komen en dat er onderzoek wordt gedaan naar andere manieren van leven met de natuur. Ik vertel dat er ook scholen aan meedoen.
De jongens zetten grote ogen op. “Goh, dat had ik niet gedacht. Het was hier altijd een bende. Er stond ook nog een woonhuis met een gat in het dak.”
“Ja dat is als eerste gesloopt,” zeg ik.
“Heb je die bank nog gezien?” vraagt de Chileen, “Die was van mij. Ik ben zwerver. Ik sliep er op.”
“Nee die heb ik niet gezien. Ik ben later gekomen. Maar ik moet weer verder, ik wil het schilderij overmorgen af hebben.” Ik kijk ze alle drie aan en ze knikken rustig. “Erg leuk om je gesproken te hebben,” zeg ik en ik kijk hem lachend aan, ” als vorige bewoner ben je toch ook een stukje van de geschiedenis van deze plek, niet waar?” Hij glimt.
Ik zeg ze dat ze rustig hun sjekkie op kunnen roken, maar dat ze dan toch een ander stekkie moeten gaan zoeken. Ze knikken en lopen dan meteen maar op hun dooie akkertje terug naar het hek. Ik keer terug naar mijn kwast. Nog twee dagen …. en dan is het!

.

DE OPENING

Jamilla Faber zingt haar lenteliedjesshow. De voorste meisjes  zijn vast heel erg onder de indruk. Ze zingt nu over verliefdheid.

 

.

 

De vrijwilligers van het Bijenlint in Leeuwarden hebben voor elk kind een vak uitgezet om bijenbloemen in te zaaien. Het veld is pas de dag ervoor klaargekomen en geëgaliseerd door de jongens van de WMR. Achter de bloemenwei is een vijver. Dat is vlak naast waar mijn huisje komt.

 

.

De bijenbloemenvrouw en een meisje. Zelf zijn ze net zo kleurrijk als het spoor dat ze achter laten.

.

 

Kluiten gooien vanaf de grote bergen met klei, dat is keileuk. Wedstrijdje wie het verst komt. Morgen worden de bergen verwerkt in een ander deel van het landje.

.

De meiden gooien nog fanatieker. Zien ze me?

 

.

Irma, de eerste initiatiefneemster van het project, luistert tussen het publiek naar poëzie.  Schrijvers dragen hun gedichten voor bij het planten van de boom.

 

.

Wat kan die vrouw spreken!

 

.

Marin, medebewoonster, heeft heerlijke veganistische hapjes gemaakt. Zij heeft ook een website, “Groene avonturen.”

 

.

Elbrecht, ook een medebewoonster.

 

.

Verhalen in de oude koeienstal, een indrukwekkend monument.

 

.

Passerende mensen voor een kapot raam in de kleine schuur.

 

.

Het vertrek van de kinderen.

 

.

Voor alles is opgeknapt, is het verval vol onverwachte wonderen. Een net, een deurpost en een muur met craquelé, erachter.

 

De opening is voorbij. Ik ben terug in Brabant. De uitgestrekte groene weides hebben plaatsgemaakt voor bossen. Hanen kraaien, de bloesems bloeien en een waas van allerlei kleuren groen tooit het land. Frijlân is een fijne plek, in het verre Friesland. Maar die waas van groen, die mis ik er. Ik wil ervoor zorgen dat het gaat groeien, de groene sluier van de lente, die almaar wijder wordt en hoger zal rijken, hoger, de hemel in, het diepe blauw van de lentelucht, als coulissen tussen de bloemrijke weides. Zo zie ik het voor me. Zo zal het zijn, ooit.

Bedolven verhalen van Frijlân

.

.

Met pezige nieuwsgierigheid
onderzoekt de wroeteldoener
verhalen in de bodem
.

.

Het is een lange oprit vol hobbels en bobbels. Ik zie sporen van grote machines. Hier wordt keihard gewerkt en hier komt straks mijn woonwagen te staan,  op het land dat“Frijlân” heet
Ik zet de geelblauwe OV fiets tegen de muur van de oude boerderij. Tussen keurige stapels oranje dakpannen huppelt een zwart konijn weg. In de lucht vliegt een torenvalk, en ik volg hem tot hij verdwijnt achter het pannendak, dat zo mooi is gerestaureerd. Even later zie ik hem terug komen. Hij vliegt over het erf, tot voorbij de plek waar straks mijn woonwagen staat en verder, de eindeloze groene velden over.

Ik loop de koele boerderij in. Om het hoekje zitten twee mannen koffie te drinken. Het zijn de timmerlui, die aan het dak van de schuur werken. Ze groeten me vrolijk en staan net op om aan het werk te gaan. Ik volg hun voorbeeld, pak de spade, doe mijn klompen aan en vind een paar passende werkhandschoenen. Ik ga graven. Wat zal ik aantreffen in de bodem? Hier ben ik al zo lang benieuwd naar!
Ik loop over het modderige erf vol plassen. Dit is de plek waar een grote schuur is gesloopt. Straks is het mijn uitzicht, een bloemenweide met een vijver. Er is fantasie voor nodig om dat voor je te zien en gelukkig heb ik die. Anders zou ik er nooit aan beginnen. Want nu is het een miserabele vlakte van klei, bezaaid met stenen en plastic.
Wat zit er onder? Ik wil het weten, weten wat er onder het oppervlak ligt. Ik wil graven en kijken, verhalen lezen in de grond. Welke sporen heeft de zee hier achtergelaten? En wat vind ik terug van de mensen die hier hebben geleefd? Ik wil het zien. Ik wil graven, in de aarde, vóór de grote machines komen en alles door elkaar husselen.

De klei onder mijn voeten is zompig. Dat is een goed teken. Maar verderop is de grond keihard onder de plassen. Dat hoort niet. Hier is iets. Ik schraap met mijn spade en zoek naar een plek om te steken. Ik besluit een geul te graven om het water af te voeren, maar moet hier door zestig centimeter stenen heen. Behalve steen, zit er nog  veel meer in de grond. Stukken plastic en  glas leg ik duidelijk neer voor de andere opruimers. Maar vooral vind ik  oude keien en brokken beton, kleine geeltjes en rode bakstenen, van alles door elkaar.  Het lijkt het fundament te vormen van een ouder, kleiner gebouw. Ze hebben er alles onder gegooid wat ze maar konden vinden. Al gravend ontdek ik de afmetingen ervan. Ik werk als een pezige wroetelaar. Ik stapel grof puin op een aparte hoop en selecteer eruit wat waardevol is, een reeks prachtige ronde stenen met cijfers er op

Het veld droogt op, door mijn harde werken. Ik graaf in oude blauwe zeeklei, zo compact dat je er mee zou kunnen pottenbakken. Ik graaf in korrelige zwarte klei, dat tjokvol koolstof zit. Het is een vruchtbare bodem. Maar het snakt naar doorluchting en bodemleven. Daar gaan wij voor zorgen, met onze lange adem brengen we hier het leven terug, een nieuw verhaal op een oude bodem.

De rest van de week werk ik door. Met de beste en mooiste keien bouw ik aan mijn vesting, die het oude en het nieuwe samenvat, een lage stenen wal, die straks de grens van mijn achtertuin vormt. Mijn handen zijn stijf geworden van het steken met de spade en sjorren aan stenen. Tevreden kijk ik naar alle kleuren en vormen, die ik in mijn wal heb verwerkt. Ik zucht. Ten midden van alles wat onder de schop genomen wordt, is hier alvast iets wat blijft staan. Vanuit een ooghoek zie ik een oorwurm verdwijnen onder een steen. Glimlachend neem ik afscheid. Ik zwaai met mijn armen om mijn spieren los te maken. Terug in het werkhok doe ik mijn klompen uit. Ze zijn grijs van de opgedroogde modder.

Terug ga ik naar Brabant, waar nog steeds mijn huisje staat, mijn kleine huis op wielen. Hoelang nog?

.

Volgende week publiceer ik mijn blog ietsje later. Die woensdag, de achttiende, maak ik een live verslag van de opening van Frijlân!

ΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩ

.

 

GEDICHT VAN IDA GERHARD

Misschien is dit het wel, waaruit Frijlân wordt geboren, wat ik ervaar als ik bezig ben op deze plek. Een zelfde begin, eenzelfde gloed.

 

Kinderland
 
Als ik ontwaakte onder ’t zolderdak,
in goede geur van appelen en hout,
was het weer daar: de pijltjes tintelgoud
van ’t licht, dat door de fijne spleten brak.
 
Eén streep, die trillend als een gouden speer
schuin inviel – ik kon, reikende opgericht,
mijn vinger doopen in die baan van licht, –
dan legde ik, bevredigd, mij weer neer.
 
En turend in die sterke wemeling
met warme gloed van leven binnenin,
heb ik vermoed, in schemerend begin
àlles, wat later voor mij openging.
 
Zoo liggen steden in een gouden mist
bij lente -, op het mild-beschenen plein
gaan menschen, met in woord en samenzijn
een zacht geheim, dat tastend wordt gegist. –
 
In ièder ding vindt men het anders weer,
en langzaam wordt een samenhang onthuld. –
Ik lag verzonken, zalig en vervuld;
aan ’t hoofdeneind straalde de gouden speer.
 
 
Ida Gerhardt (1905-1997)
Het veerhuis (1945)
.
.
.

Groei maar!

.

.

De tiende kruiwagen met aarde weegt zwaar van de regen. Ik loop van het boerenland terug naar de camping, waar de potten staan, de potten voor de kleine boompjes die vanochtend arriveerden in een grote zware doos. Wat is het toch fijn, dat ik deze compost mag gebruiken! “Pak maar van mij,” had de buurman gezegd, “Ik heb 40 kuub besteld, een beetje minder daar merk ik niks van. Pak maar.” “Is het stadscompost?” Had ik gevraagd, maar tevreden hoorde ik zijn antwoord. “Nee,nee, geen stadscompost. Andere, voor bomen en struiken.” Het was precies wat ik wilde.

Mijn haar hangt in natte slierten over mijn gezicht, wanneer ik buk en met blote handen de donkere compostaarde in de zoveelste pot stop. De bodem van de pot is helemaal bedekt en ik pak vijf boompjes uit de cementkuip, die ik met water heb gevuld. Kleine kerspruimen zijn het van meer dan een meter lang. Voorzichtig spreid ik de wortels uit en bedek ze onder een dikke deken van rulle aarde, ik vul de zwarte emmergrote pot tot vlak onder de rand.
Ik ga staan en recht mijn rug. Ik tel. Het is de honderdste pot.

Die avond lig ik in bed en luister naar de dichte motregen die tikt op mijn dak. Ik luister en kan de boompjes bijna horen, al die jonge scheuten, hoe ze lispelen met elkaar. “Groei maar boompjes”, fluister ik in het donker. “Weten jullie wel hoe bijzonder je bent? Jullie gaan naar Friesland! Jullie mogen de wind keren en bijen en vogels ontvangen in jullie takken en bloesems. Groei maar!” Ik spreek mijn wens uit over alle kleine meidoorns, seringen, lindes en de kerspruimen. Prachtige bloesems zullen jullie maken en de lucht zal vol zijn van levensgeuren.

De regen tikt op mijn dak. Zwijgend spreken de boompjes het antwoord van verlangen. Het antwoord van de lente, boom te worden, steeds meer boom. Ik zal ze helpen.

.

.

Dit filmpje gaat over de plek waar ik naar toe ga, met de boompjes. Frijlân is een leerplek in wording, in het open Friese land. En plek waar je eenvoudigweg naar toe getrokken wordt. Er wordt hard gewerkt, want het moet van een desolate plek tot een zelfvoorzienend ecoparadijsje worden omgetoverd, waar het voor mens en dier heerlijk toeven is. Een plek waar je je in je element kan zijn, als je wilt leren van de natuur. 

Wat niet in het filmpje staat,  is dat  ook technisch geïnteresseerden straks kunnen zien hoe we bijvoorbeeld uit compost warm water maken. Er komen zonnepanelen en omdat het er altijd waait, is een windmolen wenselijk. Bovendien wordt het een plek vol cultuur, kunstenaars, dichters, verhalenvertellers, muzikanten zijn er allemaal van harte welkom.

.

.