Schoonheid uit een netje

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

.

Dick is er. We staan klaar om naar een concert te gaan, met tangomuziek en hebben ons mooi aangekleed. Ik heb mijn strakke rode vestje aan, en Dick zijn roze blouse. Als je elkaar niet zo vaak meer ziet is het extra leuk om er op uit te gaan en er iets bijzonders van te maken. “Nu mijn pruik nog op,” zeg ik tegen Dick. Ik pruts wat met de kammetjes en het gespje en dan zit de pruik stevig vast, zo goed, dat ik er zelfs radslag mee kan doen. De blonde krullen vallen weelderig over mijn schouder. Met een verleidelijke lach kijk ik naar hem. Hij begint helemaal te stralen. “Oh, wat ben je nu mooi!”
“Misschien moet ik nog iets aan mijn gezicht doen,” zeg ik nog. “Ach nee joh,” antwoordt mijn vriend “Met zulk haar maakt het toch niet uit wat eronder zit.” Zo makkelijk is het dus om een schoonheid te zijn, gewoon een pruik opzetten. (Zonder vindt hij me trouwens ook leuk)

De uitvoering is in een klein charmant kerkje aan de andere kant van Heerenveen. Als ik binnenkom, staat er een mooi geklede dame bij de ingang. Dat moet Sieta Keizer zujn, de zangeres. Ze kijkt me blij aan en groet me allerhartelijkst. “Je bent de mooiste, met dat haar,” fluistert mijn vriend “Dat kan eigenlijk niet, dat moet de zangeres zijn!” Verder komen er bijna alleen maar grijze hoofden binnen. Het publiek is duidelijk 55 plus.
De zangeres is van mijn leeftijd en zingt Friese tangoliederen. Ze heeft een warme stem, die vooral in de uithalen omfloerst klinkt, zoals het past bij een tango. Kay Sleking, de gitarist speelt soepel en subtiel. En wanneer de twee een paar ritmische tango’s spelen, worden we uitgenodigd om te gaan dansen. Dick en ik zijn de enigen die opstaan. We lopen naar achteren, tussen de houten kerkbanken door, en daar, onder het orgel, is ruimte. Ik doe mijn bergschoenen uit en ook mijn beenwarmers. Op sokken schuiven we over de stenen vloer, volledig conconcentreerd. Ik zie de blikken niet van de mensen in de banken en ook niet die van de muzikanten.

Aan het einde van het optreden krijgen de muzikanten bloemen, en wij worden tot mijn verrassing bedankt. Dan stroomt het kerkje langzaam leeg en wij trekken we onze kousen en schoenen weer aan en pakken onze jassen.
Net wanneer ik mijn arm in de mouw wil steken komt er een man van in de zeventig naar me toe, met dun grijs haar. “Heb je een stukje in je haar? Het is zo weelderig!” Ik grijns ondeugend. “Zal ik het laten zien?” vraag ik en de man knikt nieuwsgierig. Met een breed gebaar trek ik in één ruk de pruik van mijn hoofd.
De man lacht, dit had hij niet gedacht. “Het was zo mooi, hoe het over je schouder viel, toen je danste!” zegt hij, het maakt hem kennelijk niks uit dat het niet echt was.
In het gangpad tussen de banken staat de zangeres met een bezoekster. De zangeres wijst naar ons met een knikje en de vrouw kijkt onthutst achterom. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Dick. We lopen naar de muzikanten om ze te bedanken. Ik heb de pruik nog in mijn hand en de blonde zangeres kijkt bewonderend naar de massa krullen. “Hadden we maar zulk haar,” zegt ze verlangend.

Zonder pruik zie ik er weer heel gewoontjes uit. Ik vraag me af, zou ik dat echt willen, zulk haar? Vroeger had ik ook lang haar, geen krullen zoals de pruik, maar wel heel lang en dik, tot over mijn staartbotje. Als ik het los had hangen of een mooi kapsel had, keken mensen ernaar, en spraken erover hoe prachtig het was. Soms leek het wel of ik alleen maar uit haar bestond en niemand mij in het gezicht keek, naar wie ik was. Dat was een reden om het vaak in een staart of vlecht te dragen.
Nee, ik zou niet altijd maar mooi willen zijn. Weelderige vrouwen zien er misschien uit als een prinses, maar kunnen heel eenzaam zijn.

Als we thuis komen haal ik de pruik weer uit de doos, van mijn bagagedrager. Ik prop de krullen tot een balletje en stop het weer in het netje. Als ik weer de show wil stelen, dan ligt  hij klaar. Misschien doe ik dan mijn lange rok aan van rood fluweel, om echt te gaan zwieren en zwaaien. Heerlijk, die schoonheid in een netje, kant en klaar van de plank.

.

.

 

Elke stip is belangrijk

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut en kijk ook nog even hoe ik het opneem, in het filmpje onderaan.

 

Ik was mijn handen in de glazen kom met water en veeg met een vochtige doek de vensterbank schoon. Het is een vertrouwd ritueel aan het begin van een nieuwe werkdag. Ik pak het mapje met schetsen uit de kast en leg ze voorzichtig neer. Ik heb één keer een vetvlek op een pentekening gehad, en een keer een druppel die door de kou uit mijn neus viel. Daar kijk ik nu wel voor uit, dus ik snuit mijn neus en maak alles schoner dan schoon.

Ik kijk naar mijn verzameling. Het zijn er een hele hoop, al die schetsen bij elkaar, wel achtentwintig. Ik laat ze door mijn handen gaan, één voor één, het kaatsveld in Weidum, de zwaaiende koeiestaarten bij boer Auke, de indrukwekkende luchten boven ‘t Bildt… Ga ik ze allemaal in het boek plaatsen? Ik weet het nog niet. Ik bekijk de zes die af zijn. Ik heb een paar verschillende techieken gebruikt, arceren, puntjes zetten, en een eenvoudige tekening van mijn interieur, waar ook grijs potlood in zit. Kan dat wel? Meerdere technieken in één boek?

.

.

Ik pak de pot met pennen en potloden en pik er die ene uit, de allerdunste van 0.2 millimeter. Ik heb hem net gekocht, en ik kan er heel fijn mee werken. Voorzichtig probeer ik hem uit op een schetsblokje. Ik mag niet te hard op de punt drukken, want dan is dat mooie fijne puntje zomaar een platte stompe stip geworden, en ongeschikt voor wat ik wil gaan doen. Ik heb een keer meegemaakt dat een vriendin onverwacht langskwam, terwijl ik nog aan het werk was. Ik was zo blij met haar komst, dat ik uit enthousiasme een keiharde eindstip zette. Oei! Kon ik wéér naar de winkel voor een nieuwe Rothering, met die pennen was ook altijd wat.

Het is stil om me heen. Ik ben op dit moment een soort non. Het hoort bij de herfst en de winter, de tijd om in stilte uit te werken, wat ik in de zomer verzameld heb.
Ik sta aan de vensterbank, met de lessenaar erop ligt het vel precies op de juiste hoogte. Voor me ligt een vel, met alleen potloodlijnen erop. De eerste stip of streep met pen is altijd een spannend moment. Een pentekening is net zoiets als beeldhouwen, wat er staat, dat staat er.

Langzaam vormt zich de afbeelding, tot ik moe word en eindelijk opkijk van het papier. Ik gun mijn ogen rust door naar de horizon te staren. Ik kijk naar de lichte streep aan de einder, onder een egaalgrijze lucht. De Friese wimpel van de buren wappert zachtjes aan de vlaggemast. De wind is zuid oost, zie ik. Ik draai me om, pak een appel van de plank en kauwend kijk ik naar de kwetterende mussen en mezen in de heg.

Even later kijk ik met frisse blik naar mijn tekening en bepaal hoe ik verder ga. Als ik nou dit wit laat, en dát donker maak…. Lichtjes buig ik me voorover en zo groeit het beeld, stipje voor stipje, streep voor streep komt het uit mijn vingers.

.

Het stemgeluid loopt niet synchroon vanwege technische onvolkomenheden. Anders was het onverstaanbaar geweest want ik heb geen los microfoontje aan mijn telefoontje.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Slapen in mijn bungelbed

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

Wat is het toch heerlijk om wakker te worden in mijn bungelnest. De stevige katoen van de grote hangmat, vormt zich naar mijn lichaam, alsof ik in een buik zit. Onder me liggen schapevachten en ik ben compleet omhuld door het donzen dekbed, dat vanzelf in mijn kuiltje blijft liggen. Ik koester mezelf in de warmte en kan me voorstellen hoe het is om een jonge winterkoning te zijn tussen moederveren, in een kogelrond nestje. Mijn plafond is rond als een buik, met gebogen ribben. Zachte witte stof bekleed de dikke laag schapenwol in het dak als een huid en je krijgt zin om het aan te raken.Het is een dak dat leeft. Toch is het gewoon een huis, een heel klein huis op wielen, waar ik in leef, slaap en wakker word, ook vandaag, op deze donkere winterdag.
Ik blijf nog lekker even liggen.
Mijn hangmat is comfortabel omdat hij dubbelbreed is. In een eenpersoons hangmat kan je geen houding vinden die je de hele nacht vol kan houden. Maar hierin kan ik mijn benen strekken en languit op mijn rug liggen, zonder dat mijn lichaam de vorm van een winkelhaak aanneemt. Ik kan opgekruld op mijn zij liggen. Alleen niet op de buik, maar dat deed ik toch al nooit.

De hangmat is het beste bed wat ik ooit heb gehad. Ik ontdekte het door mijn vriendin Kirsten, die kon er zo lyrisch over spreken dat ik nieuwsgierig werd. Het was in 2011, ik woonde nog in de oude werfkelder aan de gracht. Ik was snipverkouden, maar wilde toch naar de afspraak in Den Haag, om een vriend ondersteuning te bieden bij zijn politieke actie. Toen gebeurde het, op een behulpzaam moment in de trein. Ik wilde alleen maar iemands koffer in het bagagerek leggen. Dát wreekte zich. Het lukte me wel om thuis te komen. Maar de pijn was zo erg dat ik er niet van kon slapen.
Toen dacht ik aan de hangmat van Kirsten. Ik vroeg het haar en hoera, ik kon hem lenen, een joekel van een hangmat was het, en ik gooide er mijn dikke schapevachten meteen in. Het was een grote opluchting hierin de nacht door te brengen, zelfs als ik wakker lag. Ik kon er in wiebelen om mijn spieren los te maken, zonder dat het moeite kostte. En ’s ochtends was ik niet stijf als een hark, maar elke nacht was een zegen. Het ging steeds beter. En zo kwam ik uiteindelijk, na vele weken, van die rugblessure af.

Ik ben daarna uit de kelder vertrokken en nooit had ik nog last van mijn rug. Tot dit jaar het grijze vochtige herfstweer begon. Het matras waarop ik sliep was eigenlijk iets te hard, en ik had blootgelegen in mijn slaap, omdat de deken van me was afgerold. Mijn rug vond dat niet leuk, en voelde stijf en pijnlijk. Meteen dacht ik aan mijn eigen goeie hangmat. Ik had hem niet in gebruik genomen, omdat ik dacht dat hij niet in mijn huisje pastte. Maar nu zag ik iets wat ik al die tijd niet had opgemerkt. Als ik het ventilatieluik boven de voordeur opende, dan kon ik het uiteinde van de hangmat doortrekken naar buiten en daar vastmaken. Ik sprong opgewekt uit mijn bed, om meteen daad bij woord te voegen. Deze roekeloze actie werd meteen bestraft en even stond ik stijf van de pijn. Even stond ik stil, en mijn kaak spande zich. Daarna bewoog ik me weloverwogen voort. Als een stram oud wijf lukte het me om de hangmat op de juiste plek te krijgen, ik trok de harde lus door het luik naar buiten en maakte het vast aan de laatste spant onder het bordes.
Die avond kroop ik er heerlijk in. Onder de hangmat had ik het dwarsbankje geïnstalleerd, en daarop lag het infaroodpaneel. De straling daarvan is erg goed voor je spieren en gaat heel diep.
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde mijn rug als herboren. De pijn en de stramheid, alles was in één nacht verdwenen!

Ik slaap nu iedere nacht in de hangmat. Het meest geniet ik van het wakker worden, nog doezelend tussen waken en slapen in, dan ben ik helemaal gelukkig. Ik lig een beetje te wiebelen en luister naar het opgewekte getjilp van de mussen. Even blijven liggen, maar niet te lang, dat is jammer van de ochtend. Ik voel het tot in mijn tenen, het wordt weer een mooie dag, hoe grijs hij ook is. Na zo’n heerlijke nacht in mijn bungelbed kijk ik nergens tegenop!

.

.

Omdat ik veel werk heb aan de tekeningen van mijn boek, plaats ik tijdelijk meer fotografische afbeeldingen.

Als het maar werkt in 2020

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7.15 min.

Met een gil zie ik hem kletteren. Mijn laptop ligt op zijn kop op de grond, met het open geklapte beeldscherm naar beneden. Gauw haal ik het snoer er af, waar ik over gestruikeld ben, al heeft het weinig zin meer en is het kwaad al geschied. Het beeldscherm is zwart. Ik zet de computer uit en weer aan. Zwart. Ik doe het nog zes keer, maar het is en blijft donker en hij geeft geen kik.

Met de laptop in de hand ga ik naar binnen, het huis van Annemarie in. Vlak voor oud en nieuw zit de hele familie in de kamer, Annemarie zelf, twee zoons, twee schoondochters, vier kleinkinderen. Enkele kijken me vrolijk aan, anderen gaan rustig door met wat ze doen.
Ik houd mijn laptop in de lucht en zeg sip: “Kapot.” De twee jongens willen me meteen helpen en Wander blijkt het meeste ervaring te hebben. We sluiten de laptop aan op de televisie en ik begroet juichend een voortreffelijk beeld. Gelukkig, de computer zelf is niet stuk.
“Je kan makkelijk een tweedehands monitor kopen, die dingen staan overal en bij iedereen in de weg,” zegt Wander. Hij heeft gelijk, we kijken even op internet en na een paar tellen zien we er al eentje. Het is dan wel een vierkante, maar hij kost maar vijf euro, en het is slechts een kwartiertje fietsen hiervandaan. Ik bel en kan meteen komen.

Even later heb ik mijn nieuwe monitor al in huis. Ik sta in een zootje kabels en stekkers te graaien. Welke moet waarin? Waar zet ik die monitor neer? Ik probeer het kleine wandkastje, en daar blijkt hij precies op te passen. Ik kan hem er alleen niet laten staan, hij staat pal voor de lamp. Ik moet hem elke keer weghalen. Ik kan hem misschien wel achter het gordijntje, onder de bank zetten. Maar dan zit ik nog met die kabels erbij. Wat een rommel, in mijn kleine huisje. Zal ik niet toch een nieuw beeldscherm kopen?

Wander staat me opnieuw met raad en daad terzijde. We zoeken een beeldscherm uit. Ik kan precies de goeie krijgen in Nederland voor 150 euro, maar het kan ook bij Ebay voor 70. Ik vertrouw dat niet, zulke megabedrijven weten de macht aan zich te binden en ook het geld. Daar moet ik eigenlijk niks van hebben. Ga ik nu toch overstag? Ik twijfel.
Ondertussen schroeft Wander mijn hele laptop open en laat zien hoe het allemaal zit. “Kijk, dit dunne snoertje moet je vervangen, dat loopt naar het beeldscherm toe.” Hij legt tegelijkertijd uit wat alle andere onderdelen zijn. Ik prent het goed in mijn kop, zodat ik het straks zelf kan, als ik wil. Dan schroeft hij de laptop weer dicht.

Als ik weer in mijn huisje ben, gaat de zon net onder. Ik zit op het houten bankje voor het raam en kijk naar de winterse lilatinten en het groenige blauw, wat de lucht mooier kleurt dan het duurste juweel. Ik denk na. Misschien hoef ik wel helemaal geen nieuw beeldscherm. In feite zijn het maar vier stekkers en twee kabels meer, die ik moet aansluiten. Is dat nou zo erg? Ben ik zo verwend dat ik alles zonder moeite moet kunnen en moet ik daarvoor per se een nieuwe?
Ik sta op en rol de kabels klein en economisch op. Ik knip een stukje ijzerdraad van de rol en bind ze vast en leg ze naast elkaar in het wandkastje. Eigenlijk valt het best mee, zo neemt het niet eens zoveel ruimte in. En de monitor kan ik prima wegmoffelen onder de bank, wanneer ik er niet aan werk.

Het is altijd verleidelijk, om toch weer een nieuwe te kopen, eentje die perfect is. Maar ik doe het niet. Ik ga met een schoon geweten het nieuwe jaar in. Hoera!

Ik wens iedereen een veel geluk en wijsheid toe, en dat je in 2020 een magische tijd mag beleven!

.

.

Levenslust en -liefde

.

Utrecht 1995: De Oudegracht waar ik woonde, vitale ader van leven.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 12 minuten.

.

Tijd bestaat niet. We zijn bevooroordeeld over tijd en levensfases. De vorige keer liet ik heel serieuze dagboekfragmenten lezen van bijna veertig jaar oud. Heb je het gedicht gelezen, dat er onder staat? “Alles wat ik wil is tijd?” Ik schreef het toen ik vijftien was. Nou, die tijd heb ik genomen en nu ben ik bijna vijf en vijftig. Misschien denk je, jemig, zo oud al, die heeft het leven al bijna gehad, die is bijna toe aan de herfstfase. Nou echt niet! Laat ik zeggen, ik ben begonnen met de herfst en ben nu toe aan de lente. Bij mij gaat alles omgekeerd. Want wat gebeurde er na mijn vijftiende? Ik verdeel mijn leven over drie blokken.

De tweede vijftien jaar.

Ik moest me schikken aan het leven als scholier, tot mijn zeventiende. Daarna heb ik tot mijn dertigste manieren gezocht om van de verstomming af te komen, die ik opgelopen had toen ik me bewust werd van de wereld en mezelf. Hoe kon ik mezelf een weg maken? Ik moest veel leren en dat ging niet zomaar. In de eerste plaats wilde ik leren spreken en luisteren. Ik heb alle registers van communicatie opengetrokken ondanks een constant gevoel van angst en onzekerheid. Ik was een dappere angsthaas en zocht de uitdaging die ik wilde en nodig had. Ik deed Handvaardigheid/Tekenen ik volgde de opleiding voor Expressie en Communicatie, ik deed de Schrijversvakschool, hield me bezig met verhalen vertellen, en altijd was er muziek of zangles. Ik deed het met volle overtuiging, maar als ik alleen was, voelde ik me vaak herfstig, melancholiek en had ik angst voor alles.

De derde vijftien jaar.

Op mijn dertigste was ik na vele worstelingen van mijn angst en onzekerheid af. Ik was net precies een geliefd tekenares aan het worden, toen ik een jongen ontmoette waar ik erg verliefd op werd. Hij gaf mij een fikse lading zelfvertrouwen, wat me definitief wortels gaf. Ik liet het tekenwerk voor wat het was, leerde met mijn handen werken en hij liet me inzien dat er goud in zat, goud, in mijn eigen handen! Die jongen werd mijn man. Ik gaf hem al mijn liefde en aandacht, en nog meer toen hij ziek werd.
Na zijn dood heb ik lang gerouwd en heeft het tien jaar geduurd voor ik zijn grote erfenis had verwerkt. Daar was veel geduld, handigheid en doorzettingsvermogen voor nodig, je eigen persoonlijkheid en talenten raken bij de dood van je geliefde verstrengeld met wat de ander aan materie en herinneringen achterlaat. Het is de kunst om het leven weer van jezelf te maken. Dat is me gelukt, ik heb de ballast van me afgelegd, terwijl ik hem nog altijd in mijn hart blijf dragen, met alle lessen die ik van hem leerde.

De vierde vijftien jaar, nu in het tiende jaar, dus nog niet afgelopen.

Drie jaar lang maakte ik ruimte om een nieuw leven mogelijk te maken, om het rondvaartbedrijf en de Utrechtse werfkelder achter met laten. Dat lukte in 2012. De Oudegracht was voor mij een vitale waterader, vanwaaruit ik springlevend de wereld in kon stappen. Het jaar 2012 is het jaar waarvan ik zeg: Dit was het moment dat het leven kon beginnen, een nieuwe geboorte en ik was rijk geworden aan ervaringen en gereedschappen.
Ik vond een camping in Brabant, waar ik uiteindelijk mijn Wandelhuisje heb gebouwd, vanwaaruit ik filmpjes maakte en verhalen schrijf en tekeningen maak.
Dit jaar heb ik mijn eerste reis gemaakt, drie maanden lang. Ik maak mijn weg alleen. Dat maakt elke ontmoeting oprecht en uniek en nu maak ik er een boek van. Ik bén er, met alle aandacht voor waar ik op dat moment aan werk. Ik ben veel alleen om te doen wat ik nu doe en ik geniet daarvan. Toch blijft altijd de wens  aanwezig om weer samen creatief te zijn, zoals in mijn kindertijd met mijn vriendinnen in het bos, en zoals het later in goeie tijden was. Samen een boomhut bouwen en daar liedjes zingen en gedichten schrijven bij schemering,  en nog veel meer.

Je kan denken, iemand die al bijna vijfenvijftig is, die heeft alles al gehad, die gaat afbouwen. Nou echt niet! Ik heb nog een hele hoop in te halen. Toneel en zang bijvoorbeeld, het zijn kiemen die nog altijd verder willen  groeien. Elke ochtend doe ik oefeningen, ik houd mijn lichaam sterk en lenig, ik train mijn stem in strakke toon vanuit mijn buik en gevoelige helderheid. Ik doe het omdat het me kracht geeft, omdat ik er vrolijk en opgewekt van word en omdat ik na al die jaren nog steeds hoop dat ik nog eens met een paar mensen kan gaan zingen.
Er was weinig samenzang en er was veel herfst voor mij. Er zijn ook maar weinig kinderen in mijn leven geweest, herhaaldelijk kwam ik dood, ongeluk en ziekte tegen, na mijn vijftiende. Ik heb ook nog nooit een levend wezen geboren zien worden. Kinderen, jonge dieren, ontkiemende natuur, dit alles betekent lente, voor mij mag de lente wel eens helemaal doorbreken, en niet alleen bij mij, nee, mijn wens is veel groter, ik wil deel uitmaken van een alles omvattende lente. Eén die de wereld hoop geeft en barstensveel energie.

Vaak betekent leven doorgaan, blijven doorgaan, in je eentje. Er zijn talloze lichtpuntjes, mensen die komen en gaan, of dat je gewoon gelukkig bent met jezelf. Stap voor stap gaan we verder. Ik droom ervan te helpen bouwen aan een ontkiemend paradijs en misschien komt het zover, misschien ook niet, dat is ook goed. Hoe dan ook, met mijn vitaliteit en fantasie is het niet anders gesteld dan toen ik vijftien was, sterker nog, het is gevoed en bekrachtigd door het leven en ik kan nu realiseren waar ik eerder niet toe in staat was. Voor mij begint het leven pas. Ik hoop in 2020 nog genoeg andere jongeren tegen te komen met dezelfde intentie als ik, om er wat moois van te maken. Ik stel voor dat we eigenwijs onze gang gaan en somberheid links laten liggen.

Ik ben nu bijna vijfenvijftig, dat is pas de helft van mijn leven. Ik word namelijk 110. Als je dat maar weet.

.

PS, Bovenstaande tekening is mijn eerste stijl van tekenen. Dit is de stijl die ik opnieuw heb omarmd voor mijn boek.

.

Een stille mijlpaal van lang geleden

 

De tekening is van 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min. En vergeet niet naar de onderstaande dagboekfragmenten te kijken, na afloop.

.

Het is heerlijk rustig in huis. Ik hou van de wind, als ik erin fiets, of aan de dijk sta. Ik neem hem voor lief, wanneer hij dagenlang tegen mijn kleine huis aan beukt, precies vanuit het zuidwesten, waar geen beschutting is. De dikke deken, die nu voor mijn achterdeur hangt, beweegt dan zachtjes. Ik ben blij dat ik de wind buiten kan houden, dat ik een huisje heb. Maar nog blijer ben ik als de wind is gaan liggen.

Ik wil me opnieuw concentreren voor de volgende fase van mijn boek. Hoe meer ik me concentreer, hoe beter het wordt. Dat is de hele clou. Dus ik klap de laptop dicht en kijk bewust niet naar de nieuwsberichten. De afgelopen dagen is er weer veel stof opgewaaid, ik heb de discussies gevolgd en meegedaan, ik heb gezegd wat ik wilde zeggen en laat het nu bezinken. Ik hoef niet al het nieuws op de draad te volgen, liever kijk ik af en toe, zodat ik op gepaste momenten een beeld kan maken van het geheel en mijn aandacht niet vervliegt in de stormen van deze tijd. Niemand heeft wat aan me, als ik gespannen in bed lig te staren en me druk maak om iets, waar ik op dat moment niks aan kan doen.

Mijn interesse gaat bijna altijd over de aarde en hoe we daar mee om gaan. Het gaat over boeren en het gaat over bouwers en waar ze hun grondstoffen vandaan halen, het gaat over water, of we het vasthouden of laten vloeien, het gaat over mensen die zich verbonden voelen met hun grond en die ze maar al te vaak moeten verliezen. Ik heb niet veel met reizigers, die zoveel mogelijk indrukken willen opdoen, overal en ergens. Ik bewonder het rijke palet aan culturen en luister naar wat er elders gaande is. Maar ik hoef er niet per se naar toe. Mensen noemen mij een reiziger, denken dat ik dat ben. Ik denk dat ik dat helemaal niet ben. Mij boeit de band die mensen hebben met wat er híer is. Met elkaar moeten we het klaarspelen. Wij hier, zij daar en altijd wetend van elkaar. Ik heb dit vanaf mijn pubertijd beseft en ik wist ook dat het niet makkelijk zou worden. Ik herinner me één speciaal moment.

Het is 1981, ik ben zestien en loop door het Emmeloordse bos, over het brede grindpad. Ik loop langs het gras naast de eendevijver en het hertenkamp. Mijn lange haar licht op in de zon, sinds ik van meisje tot vrouw opgroeide, werd het tot mijn verassing opeens twee keer zo dik. Niet dat ik er de show mee steel, ik houd me daar niet mee bezig. Nee, het is iets anders wat me boeit. Ik heb een boekje, lichtgrijs met subtiele rode letters, een heel klein boekje, van Tagore. Ik vond het in de weggeefmand van de bieb en nu heb ik het heel vaak bij me. Het past precies in mijn jaszak. Tagore is een dichter en filosoof uit India en er staan korte tekstjes in die me de wereld laten zien alsof ik een vogel ben of een vlinder. Maar ook maakt het inzichten bij me los. Ik denk er graag over na en weet dat ik slechts te gast ben op deze aardbol.
Ik voel het boekje in mijn zak en loop naar het kleine veld verderop. Ik stap tussen de bloeiende paardebloemen door naar de picknicktafel, die in het midden staat, ik klim  erboven op en ga op het randje zitten. Mijn benen bungelen naar beneden.
Ik kijk over het veld en sta stil bij het moment. Ik kijk naar de zon die boven de bomen uitklimt, hoger en hoger in zijn baan. Wie ben ik? Ik was een creatief kind met veel vriendinnen. Nu zit ik hier, alleen, als dromerige tiener en ik heb nog maar weinig meegemaakt. Langzaam zie ik hoe de wereld is, kaalslag, oorlog en vluchtende volkeren, het smerige geld waar alles om draait. Het maakt me stom van verbazing en ik kan er niet over uit dat het is zoals het is. Maar toch wil ik hier mijn weg in maken. Ik heb iets te doen, al weet ik nog niet wat. Wat moet ik nog veel leren, denk ik, wiebelend met mijn benen over de rand van de dikke tafel. Ik zie hoe de zon achter een kleine wolk verdwijnt en mijmer. Ik kan een dromer blijven, denk ik bij mezelf, en altijd op picknicktafels naar de zon, het bos en het water blijven staren. Maar dat wil ik niet. Ik kies ervoor om te leven en ik zal elke uitdaging aangaan, die ik nodig heb. Even houd ik mijn adem in. Tjee, denk ik, dat is nogal wat. Ik kruip naar het midden van de tafel toe en leg mijn benen in kleermakerszit. Een tijdje sluit ik mijn ogen, geniet van de zon in mijn gezicht en luister naar de wind in de boomtoppen. Dan pak ik het boekje uit mijn zak en sla ik het open. Op de kleine bladzijde staat maar één ding.

“Je kunt de zee niet oversteken door alleen naar het water te staren.”

Ik kijk getroffen op, klap het dicht zonder er bij na te denken en haal diep adem. Ik staar naar de grijze kaft. Tagore slaat de spijker op zijn kop. Ik kijk weer op, aan de overkant van het veld loopt een man voorbij, hij kijkt niet op of om. Ik stop het boekje terug in mijn zak en klauter van de tafel af om verder te lopen, het veld in, het pad op. Er is net onderhoud gepleegd en het grind knerst onder mijn schoenen. Knersend gaan mijn voetstappen voort, de bekende bocht om en verder, tot waar ik niet meer kijken kan.

(Wordt vervolgd)

.

Hier volgen verschillende dagboekfragmenten uit 1980 (Ik was toen vijftien en letterlijk met stomheid geslagen toen ik me bewust werd van de wereld waarin ik terecht gekomen was.)

.

.

 

.

 

.

.

.

https://www.ad.nl/opinie/boer-komt-klem-te-zitten-door-vrije-wereldhandel~a520c8cc/

.

Als tegenhanger van deze serieuze kost luister ik naar een voorleesboek van Roald Dahl: De GVR

Opdat we niet vergeten

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 min.

Ik had een verhaal geschreven over een rotdag. Dat maakt iedereen wel eens mee, je vindt dat je ergens bij hoort te zijn, maakt een lange reis en onderweg gaat alles mis. Op de plek van bestemming is er weinig contact en de terugweg is nog erger dan de heenweg, waardoor je pas laat in bed ligt en nog urenlang met wijdopen ogen naar het plafond ligt te staren. Ik heb besloten dat verhaal niet te publiceren, want ik ben blij dat die dag voorbij is.

Ik vond gisteren iets veel leukers. Ik trof dit oude Chinese teken voor vrede aan, in het boek der veranderingen. Ik keek er lang naar en ontdekte steeds meer. Ik zie een veilig dak, dat sterk en stabiel is, te zien aan de drie dikke strepen erboven. Maar het boeiendste vind ik de ster daaronder. Tenminste, ik dacht dat het een ster was. Hetzelfde teken staat namelijk onder mijn handtekening, op mijn vijftiende in spontaniteit ontstaan en nooit verdwenen. Nu kom ik dat symbool op verschillende plekken tegen. Ik weet dat het ook terugkomt als een oud Afrikaans teken: Ananse Ntontan en het gaat over de creatieve complexiteit van het leven en wijsheid daarin. Het is dus geen ster, het is een spinneweb! Ook in dit Chinese teken past het spinneweb als een bus.

Met die gedachte begrijp ik het Chinese symbool nog beter, de complexiteit van het leven kan alleen gedragen worden in een sterk huis van Vrede! Zonder dit fundament stort alles in, de voedselvoorziening en de samenleving tegelijk. Daarom wil ik blijven bouwen hieraan, in mijn blogs en in mijn boek. Ik heb mijn eigen huis gebouwd. Nu wil ik helpen bouwen aan een groter fundament en verbanden leggen, waar ik zie dat het nodig is. Ik blijf bij mezelf en luister naar de ander, die zich openstelt.
.
Het symbool voor Vrede, staat in de I Tjing, als nr. 11. Ik vond er een perfecte gebruiksaanwijzing hoe we met de aarde om moeten gaan. Opdat wij nooit vergeten:
(…..)
De natuur moet worden ondersteund bij haar voortbrengen. Dat gebeurt wanneer men de voortbrengselen aanpast aan de juiste tijd en de juiste plaats. Daardoor wordt de natuurlijke opbrengst verhoogd. Deze activiteit, die de natuur bedwingt en helpt, is het werken aan de natuur, dat allen ten goede komt.

Die dwang is natuurlijk een zachte, met liefde en respect voor dat wat eigen is aan elk levend wezen. Het is een dwang die ondersteunend werkt, ik denk aan een stut onder een oude fruitboom, een humuslaag voor de aarde, of hoe je verschillende planten naast elkaar zet, die elkaar stimuleren. Permacultuur is van alle eeuwen.

”De juiste tijd en de juiste plaats,” dit geldt ook voor onszelf, denk ik. Ben ik op de juiste plaats en is de ander dat ook? …. Is er eigenlijk wel tijd? Zonder tijd kunnen we het wel schudden!

Ook Goethe had die gedachte:
“Dich im Unendlichen zu finden,
Musst unterscheiden und dann verbinden.”

Deze spreuk slaat bij mij in als een klok. Dit is wat vanaf nu in mijn geheugen gegrift staat. Het zal op de eerste pagina staan van mijn boek. Dit is waarom ik op weg ben gegaan en niets anders.

.

 

PS: Drs Jung heeft een voorwoord geschreven in de I Tjing en hij vertelt dat Confucius en Lao Tze zich in alles lieten inspireren door dit magische oude boek.

Bij mijn pa

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

Annemarie en ik staan in de garderobe van de Jeruzalemkerk in Emmeloord. We wachten op mijn vader, hij zal zo komen. Mijn pa is al negentig en omdat ik al vele jaren niet meer met hem ben mee geweest, wil ik hem graag een plezier doen. “O ga je naar de kerk? Ik ga met je mee,” zei mijn buurvrouw resoluut, dus nu staan we hier, tussen de jassen. Het duurt lang, hij zou er tien voor negen zijn, maar het is al 8.56 en ik zie hem nog steeds niet. Gelukkig heb ik mijn telefoon mee en kan ik hem bellen. “Pa, waar blijf je?” vraag ik en aan de andere kant is het even stil, mijn punctuele pa zijn adem stokt even voor hij uitbrengt: “Ohhh, vergeten! Ik kom er meteen aan!”
Ik sta voor de kerkdeur en kijk de brede stenen trap af, de parkeerplaats over, naar de bomen langs de Schokkerwal, waar ik geboren ben, maar ik zie zijn auto nog niet. Hij zal toch niet uitgegleden zijn in de stress, vraag ik me af, maar precies op dat moment zie ik zijn kleine gestalte opdagen. Hij is niet met de auto. Natuurlijk niet, hij is met de fiets! Keihard scheurt mijn negentigjarige pa de bocht om en stalt zijn oude trouwe rijwiel naast de kerk. Hijgend komt hij aanlopen: “Ik had me vergist, normaal gesproken begint de kerk altijd om half tien, wat goed dat je belde!”

Ik hou van zingen. Ik zing graag, altijd en overal, het liefst met een tweede stem. Dus ik geniet van het uurtje in de kerkbank, en er is zelfs een lied bij met meerdere stemmen. De vrouw achter de kansel praat over leven dat altijd terugkeert, zelfs na de donkerste duisternis en er worden drie doden herdacht, die deze week zijn heengegaan. Mooi is dat, denk ik bij mezelf, dat je in de kerk met elkaar aan mensen denkt, en aan hun nabestaanden. Dat missen we, in een samenleving zonder geloof.

Even later zitten we in de kamer van mijn ouderlijk huis koffie te drinken. Mijn pa praat levendig en heeft hele verhalen. Wat een verschil met vroeger. Toen mijn moeder nog leefde was hij nogal zwijgzaam. Haar dood heeft veel bij hem gedaan en hij belt me nu regelmatig om te vragen hoe het gaat. Nu zit ik op onze oude leren bank, die er al decennia staat, en ik kijk naar de beeldjes en stukken hout, die mijn moeder ooit op een rij heeft gezet op de vensterbank. Annemarie vraagt naar zijn leven, zijn tijd op de HBS en hoe het ging in de oorlog met dat grote gezin. Ze vraagt honderduit. Ik heb ook vragen maar blijf stil en luister. Er komen nog genoeg dagen voor vragen.
Dan begint hij opeens over dat dramatische moment, dat hij op negenjarige leeftijd zijn vader verloor, en ik hoor het tot in de details. Terwijl hij naar school liep, werd de vrachtwagen aangereden door een dieseltrein, die zijn vader vanuit de mist verrastte. Er waren nog veel onbewaakte spoorwegovergangen in 1939, en dit was er eentje van. Het was een drama. Zijn moeder bleef achter met twaalf kinderen en zijn oudste broer van negentien nam het werk als molenaar over.

Ik hou mijn adem in terwijl hij dit vertelt, en ik kijk naar zijn handen, die elk woord met gebaren ondersteunen. Zijn ogen staan helder en ik merk geen enkele aarzeling in zijn stem. We praten nog lang door. “Willen jullie nog een kopje koffie?” vraagt hij opgewekt en na onze bevestiging komt hij terug met drie gevulde koppen en een schaaltje pepernoten. Wat lief, denk ik, en ik pak er een paar, alleen al om hem een plezier te doen.

Mijn pa kijkt op de klok. “O is het al zo laat? Dan moet ik jullie wegsturen. Ik moet nog naar de verjaardag van mijn jongste zus in Lunteren!” Ik vraag hoe oud ze wordt, mijn tante Miek. “Tachtig,” antwoordt hij. “Dat is nog jong,” zeg ik tegen de rug van mijn pa, terwijl hij de kopjes terugbrengt naar de keuken. Annemarie grinnikt.
Even later rijden we terug naar Friesland. Het is vlakbij en voor ik het weet, parkeert mijn buurvrouw haar auto in op de bekende oprit. Ik ga naar binnen en steek de kachel aan in mijn afgekoelde huisje, terwijl de lage winterzon net precies het hoekje van het huis om kijkt. Ik ben blij dat ik hier ben beland, op deze plek, bij zo’n toffe buurvrouw met wie ik mijn oude kwieke pa kan bezoeken. Nu is hij er nog en je weet maar nooit hoelang het duurt. Maar ik denk dat hij wel honderd wordt.

.

 

Een gewone herfstdag

.

Vegen: De stille kracht van de eenvoud

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van dik 10 min.

.

Vrijheid bestaat voor een deel uit discipline. In de herfst en de winter wordt dat extra duidelijk. Wanneer de bijen en vlinders verdwijnen en de mensen haastig met hun kin in de sjaal gedrukt naar huis toe fietsen, dan wordt het stil in mijn kleine huis. Ik moet mezelf op gang houden, een project hebben, waarmee ik de tijd vergeet. Zo ontwierp ik mijn huis, zo schrijf ik verhalen, en maak ik de meest geconcentreerde tekeningen.
Ik kijk naar buiten en zie hoe de mist de ramen dichtplakt. Ik heb mijn ramen nodig, ze geven me het gevoel van ruimte en ik werk graag in het volle licht. Ik heb ze niet voor niets aan beide zijden gemaakt. Nu er zo’n dichte mist hangt, wordt de wereld wel heel erg klein in mijn tiny tiny house. De enige manier om toch fris en vrolijk te blijven, is doorgaan.

Dit is een lijstje van hoe mijn dag er uit ziet.

08.30 Opstaan, oefeningen doen, ontbijten. (Als het licht is)
10.00Werken aan verhalen en tekeningen, mails beantwoorden (Staande bij lessenaar)
12.00 Een kleine wandeling (Vaak hetzelfde stukje) en lunch.
13.00 Verder werken (Staande)
15.00 Soms een grote wandeling van twee uur (Door natuurgebied en over de weg).
17.30 Eten koken
19.00 Luisteren naar Radio4, Passaggio, soms een dansje doen.
20.00 Boek lezen of kaarsje staren.
21.00 Bedritueel met oefeningen, of nog iets langer doorlezen in het boek.
22.00 Naar bed (Tegenwoordig in een hangmat XL, heerlijk!)

Als je het zo bekijkt is het eigenlijk heel saai. Maar voor mij werkt het. En als je tevreden bent, dan gebruik je meteen een stuk minder, minder terrasjes, minder koffie en taartjes, minder benzine of treinritjes. Ik hoef niet per se ergens heen en ik slaap lekker en ontspannen. Ik ben ook echt moe ‘s avonds, want ik zit gewoonlijk maar twee of drie uur per dag. En tijdens de wandelingen kom ik van alles tegen, zoals vandaag.

Ik heb de rietvelden achter me gelaten. Ik zie hoe de weiden oplossen in het witte licht en ik kijk naar de druppels in het vochtige gras. Een klein groepje schapen staat stil in de mist, zeven witte en een zwarte. Wanneer ik naar ze blaat, zeggen ze niks terug, alleen de zwarte komt wat dichterbij en blijft dan staan. Het is een slome tijd, in de lente zijn ze veel spraakzamer. Verderop kijken twee paarden nieuwsgierig naar het voorbijgaan van dit blatende mens, in lange groene jas gekleed. Zouden ze me al herkennen?
Ik tuur naar de horizon, begrensd door een vage blauwgrijze strook van bomen. Een groep ganzen vliegt gakkend over. Ik loop verder over de smalle weg, tot ik een man voor zijn huis blaadjes zie vegen. Prompt sta ik stil. “Wat een prachtige bezem heeft u!” roep ik oprecht enthousiast. Ik houd van de houten steel, de stevige borstel aan het uiteinde, ik houd van handen die de steel omklemmen en de meditatieve blik van vegende mensen. Hoe anders is de bladblazer! Ik had niet eens een gesprek kunnen beginnen! Ieder wat wils, daar zeur ik niet over. Maar iedereen die veegt, kan bij mij rekenen op een allerhartelijkst compliment, dus ook deze man.
Hij grijnst tevreden “Ja, zo’n bladblazer is niet echt handig. Je blaast het alle kanten op en het duurt veel langer voor je een hoopje hebt. Een bladzuiger werkt beter, die heb ik ook. Maar die raakt steeds verstopt en daar ben je dan ook weer een poos mee bezig. Nu doe ik het toch maar weer met de bezem, ” Hij kijkt naar zijn eigen bezem die hij kaarsrecht naast zich houdt, alsof hij een goede vriend op de schouders klopt. Ik knik instemmend. “Ja die elektrische apparaten, daar ben je veel tijd mee kwijt. Mijn boot hoosde ik ook altijd met een doorgesneden jerrycan. Dat ging veel sneller dan met de pomp. Ophalen, snoer uitrollen, ontstoppen, aanzuigen, snoer weer inrollen, dat duurde veel langer!” Ik hoef er niks aan toe te voegen, dat snapt deze meneer heel goed.
Ik kijk naar het keurige hoopje blad, op de met klinkers bedekte oprit. Ik kijk naar de haag met drie grote struiken erachter. Er zitten meesjes in. Hij volgt mijn blik. “Ik voer ze,” zegt hij. Ik knik tevreden. Ik hou van mensen met oog voor wat er leeft.
“U heeft het hier mooi voor elkaar,” lach ik. Ik kijk nog eens rond en mijn blik blijft rusten op zijn bezem. “Ja, “ zegt de man “Ik ga weer eens verder,” en hij begint weer te vegen. Ik groet hem vriendelijk en loop door, de lange weg af, terug naar huis.

.