In de schaduw van een rijk verleden

.

.

Luister hier als je mij wilt horen voorlezen.

.

Elke keer wanneer ik een stukje verder trek, stap ik een wereld in van weer andere mensen. Ik zoek ruimte om te landen, als een vlinder op een bloem. Lang genoeg om de geur te leren kennen, de nectar te proeven en me te omringen met de kleur die zo eigen is aan elke unieke plek. De bloem geniet van de vlinder en de vlinder van de bloem. Nu ga ik naar Nynke en Michiel, die wonen op de oude grasdrogerij in Tsjeintgum. Het moet een inspirerende plek zijn, waar twee-en twintig jaar jang een bekende kunstenaar woonde en werkte.

Het is nog vroeg, wanneer ik vertrek. Het is niet ver, maar vijf kilometer, van Weidum naar Tsjeintgum. Ik kijk naar het acculampje. Die staat nog op “vol”. Ik loop zo langzaam, dat het bijna geen energie kost. De accu laadt tegelijkertijd bij, al zal het nu nog niet veel zijn, met dit prille ochtendlicht.
Ik ga de bocht om, door een laan met aan weerszijden bomen. Aan het einde ervan loop ik Mantgum in, langs het cafetaria, de kerk en het weitje met de schapen. Een moeder met een klein meisje staan te kijken. “Dit is een wandelhuis!” roep ik “Ik reis met energie van zonnepanelen!” De vrouw lacht geïnteresseerd. “Wat een goed idee!” roept ze. En ik loop verder, de statige huizen langs die het dorp rijk is, tot ik het spoor oversteek en ik het bord zie van buurtschap “Tsjeintgum.” Daar is het, achter die dichte bossages is mijn nieuwe stek.

Nynke en Michiel zijn er nog niet, ze komen wat later, zeiden ze aan de telefoon. Ik kon rustig mijn gang gaan, voegde hij er aan toe. Ik parkeer mijn huisje op de betonplaten omringd door Japanse duizendknoop. Er is een doorkijkje naar de weiden waar twee koeien staan. Eentje staart me aan en loeit. Ik groet terug, gelukkig is hier toch een levend wezen. De stilte is vreemd. Ik voelde me al helemaal thuis in het dorpsleven van Weidum en mis het.
Ik open de deur om mijn fiets naar buiten te sjouwen. Eerst wil ik het dorp in, eens kijken bij dat cafetaria, naast de kerk. Ik ben benieuwd naar de reacties.
Het is er druk. Er wordt een tafeltje bijgezet op het terras. Natuurlijk hebben veel mensen me gezien. Eén voor éen komen ze naar me toe. Ze willen weten wat ik doe. Een klein gezelschap zit patat te eten. “Ik reis en schrijf een boek,” vertel ik. “Nu sta ik op het terrein waar de kunstenaar Mander woonde.” “Mader,” verbetert één van de mannen. “Hein Mader. Hij was een vriend van mij. Mooie vent, maar flink ziek op het laatst. Ook ziekzijn deed hij op zijn eigen manier. Overdag sliep hij onder zijn bed, en ’s nachts erboven. Ritme moet er zijn,” zei hij, “Zo wassie.”
Ik denk aan het erf waar ik de komende dagen zal verblijven. Bijzonder dat ik hier nu terecht kom. Een aantal grote beelden van hem zijn achter gebleven, en vormen langzaam maar zeker één geheel met de bomen en struiken er om heen. Zo is zijn schaduw nog steeds aanwezig op de plek waar hij zo lang woonde. Een schaduw, die langzaam wordt opgeslokt door de wildernis.

Die avond steken we het vuur aan. Nynke en ik kijken toe, terwijl Michiel het werk doet. Deskundig hakt hij kleine houtjes en stapelt ze luchtig tegen elkaar aan. Toch wil het niet meteen branden. Aandachtig volgen Nynke en ik zijn bewegingen. In mijn hand heb ik een heerlijk glas wijn die zacht en stevig smaakt. Ik ben benieuwd bij wie ik ben terechtgekomen en mijn gastheer en vrouw zijn net zo nieuwsgierig naar mij. De sfeer is licht en ontspannen. Ze vertellen over het huis. Het zijn twee arbeiderswoningen, aan elkaar. Zij hebben er hard aan gewerkt om er een mooi geheel van te maken. Iedereen vraagt hen: “Wanneer is het af?” Ik glimlach, dat is herkenbaar. Het is net zo’n vraag als: “Waar ga je naar toe?” Inmiddels zijn er al zeven jaar voorbij en af is het nog steeds niet. Gelukkig wisten ze niet waar ze aan begonnen, destijds. Anders hadden ze het nooit gedaan. Maar nu zijn ze erg gelukkig en genieten met volle teugen, samen met hun eenjarige dochtertje.

.

.

De volgende dag wandel ik samen met Nynke over het terrein. Overal op het beton groeit sedum. Tenmidden van dat tapijt van vettige kleine blaadjes, staat een beeld dat Mader maakte, een gekrulde vorm met een horizontaal licht gebogen blad erin. Het straalt rust en harmonie uit en het kan draaien op zijn as, net een bloem! Nynke vertelt. “We zijn door zijn familie uitgekozen omdat wij respect hebben voor wat Hein achterliet. Maar dat was ook best lastig. We hebben er heel wat werk aan gehad om ons deze plek eigen te maken,” zegt ze. “Hij is op dit terrein doodgegaan, een gepassioneerde beeldhouwer. Het lag overal vol met materialen, staal, steen, gereedschappen, Hij was er dan wel niet meer, maar toch ook weer wel. Het was moeilijk om daar een eigen weg in te vinden.” Ik knik begrijpend en net op dat moment komt er gehuil uit het huis. “Elvike is wakker, ik moet naar haar toe!” zegt ze en ze is meteen verdwenen.
Elvike is nog maar veertien maanden. Wat zal ze hier heerlijk kunnen opgroeien, in dit paradijs voor jonge ontdekkingsreizigers! Onder de duizendknoop door is een pad, de lange stengels buigen diep door over de betonplaten eronder. Het meisje zou er zo onderdoor kunnen wandelen, maar ik niet. De zon is zinderend heet en de schaduw onder de dicht opeenstaande planten is weldadig. Ik kruip onder de stengels door en weet niet waar ik uit kom.
Ik kom een brok steen tegen, er zijn diep geulen in gehakt. Het is bijna verdwenen onder de groene stengels. Ernaast liggen een paar oude boomstronken. Dit is de schaduw van Hein die ik tref. En daar tussen zie ik opeens Elvike, balancerend op haar babybeentjes, lachend en onbevangen. Wat een contrast.

Als ik gelijk was vertrokken, dan had ik deze plek nooit de aandacht kunnen geven die het verdient. Het is het verhaal, dat mijn tempo bepaalt, niet de snelheid van mijn wielen.

.

.

Weggaan uit een heerlijk dorp

.

.

Luister hier naar de podcast, als je dat liever doet dan lezen. Het duurt 9,5 minuut. Verderop in het stuk staan nog verscheidene illustrerende foto’s.

 

Het is tien uur in de ochtend. De zon schijnt al uitbundig. Ik sta naast Ait Jan bij zijn camper. Buiten zijn gewoonte om, is Ait Jan aan het werk op deze zondag. Ik ben gauw naar hem toegegaan om te horen wat de bedoeling is voor mij, vandaag. Hij is blij dat ik er over begin. “De jongens willen op het terrein aan het werk, ze moeten er langs,” zegt hij “En ik wil ook ruimte, niet morgen, maar vandaag”. Hij heeft een drukke week gehad. Nu wil hij rust en overzicht om de laatste klussen voor de vakantie af te maken. “Ik had ook niet gedacht dat je zo lang zou blijven,” zegt hij verbaasd.
“Nee ik ook niet. Ik ben blij dat ik juist nu in dit dorp terecht gekomen ben! Geweldig,” Ik vertel wat ik hier allemaal opgestoken heb en hoe ik genoten heb. Ait Jan heeft meer verhalen, over leuke dingen en de momenten wanneer het tegenzit. “Sommige mensen doen nooit mee, hoewel ze al vroeg met pensioen zijn, krijg je altijd nee. Anderen hebben het ontzettend druk en doen het er allemaal bij. Zo gaat het.”

Voor mij is alles klaar voor vertrek. De familie heb ik een paar tekeningen gegeven als dank. De zoon, die kaatskampioen is, heeft mijn kaatsposter gekregen.* Ook de koppeling is piekfijn in orde en ik weet al waar ik heen ga. Het volgende dorp heet Mantgum en ik ben straks te gast bij Nynke en Michiel, die me hartelijk welkom heten op het erf van hun boerderij. Voor ik vertrek, zet ik alles nog eens op een rijtje.

.

De solide koppelingsconstructie is met vier vleugelmoeren te verwijderen. Dan kan ik bij het achterste deel van de bagageruimte. Die is overigens ook via luiken in de vloer bereikbaar.

.

WEIDUM ALS LEVENDIG DORP

Hoe komt het dat Weidum zo’n succesvol feestdorp is en al zo lang? Hoe komt het dat hier al jarenlang zoveel op touw wordt gezet ? Ik zie hier echt  “Meanskip”, ofwel, gemeenschapszin en dorpsleven. Hoewel er geen winkels zijn en men boodschappen in Mantgum doet, blijft het dorp bruisen van levendigheid.
Er zijn een aantal zaken belangrijk.

Er is een dorpshuis en twee grote velden in het midden van het dorp. Het is verrassend voor mij om dit te zien. Het is hetzelfde principe als “het cirkeldorp,” wat ik ooit ontworpen heb. In het midden van het dorp ligt een grote open ruimte met veel groen en gras, voor openbaar gebruik. Naast het kaatsveld ligt hier een tweede veld, dat ook gebruikt wordt voor andere evenementen. Tijdens de spulwike wordt er een groot kasteel is gebouwd van plaatmateriaal, wat daar dan een tijdje kan blijven staan. Daarbinnen hebben de kinderen hun eigen wereld.

.

.

Het aantal inwoners is erg belangrijk, dat ligt tussen de 500 en 700. Bij een optocht heb je dan negen versierde wagens, voor elke straat één. Jorwerd, het buurdorp is eigenlijk net te klein voor een gemeenschap. Het jaarlijkse dorpsfeest is ook lang niet zo bruisend als in Weidum. Weidum heeft ook een hele goeie fanfare en een toneelvereniging en zelfs af en toe een songfestival. Ook dorpen in de buurt hebben hun deelnemers en er komen een paar honderd mensen op af om te kijken. Het is het dorp waar de kaatskampioenschappen voor vrouwen plaats vinden, waarbij de fanfare het feest compleet maakt. Mantgum is twee keer zo groot, maar er wordt veel minder georganiseerd. Sommigen noemen het liberaal, iedereen kent elkaar, maar gaat zijn eigen gang.

Er zijn in Weidum altijd een aantal kopstukken geweest, die ergens goed in waren. Professionele mensen voor PR, kunstenaars, een klusser en decorontwerper, iedereen vult elkaar aan en is bereid om zijn of haar vrije tijd te steken in de gemeenschap. Het is goed om mensen die iets kunnen en een goed plan hebben, de vrijheid en het vertrouwen mee te geven om hun gang te gaan. Er zijn periodes dat dit heel goed gaat, soms is het wat minder. Maar de motivatie blijft altijd. Soms is het de één die een idee heeft, dan weer een ander. Die afwisseling maakt het levensvatbaar en inspirerend. Ik hoorde tijdens de merke (feest) een gesprek met een toekomstige bewoner. “Ik hoorde dat jij tuinman bent?!” Wat heeft een nieuweling toe te voegen aan het dorpsgebeuren? Het is altijd interessant voor een gemeenschap met iets meer dan 600 inwoners.

.

.

Mensen delen wat ze hebben. Klaas heeft een paar honderd meter aan lampjes. Die hangt hij op voor het feest en voor de spulwike. Ait Jan leent zijn caravans uit aan begeleiders en ze mogen op zijn land staan en zijn werkschuur gebruiken om even een klusje te klaren. Zo zijn er meer. Er zijn vele sponsoren die de meanskip een warm hart toedragen en dat is nodig ook, want de subsidie is overal stopgezet.

Het enthousiasme uit het verleden, voedt de toekomst.  Het is bekend dat Weidum een feestdorp is, met veel creativiteit en diverse verenigingen. Die wetenschap trekt mensen aan die dit ook willen meemaken en ondersteunen.

Het zet zich voort in generaties. Iedereen die de Merke heeft meegemaakt in zijn jeugd, denkt daar nog met plezier aan terug. En dat is niet het enige. Ook de Spulwike maakt indruk. Kinderen die zelf jaar in jaar uit de Spulwike hebben meegemaakt, worden begeleider als ze ouder worden. De Spulwike heeft veel weg van een creatief kamp, en is opgezet om kinderen die niet op vakantie kunnen, toch een onvergetelijke week te bezorgen. Het bestaat al 47 jaar. Ze kunnen heerlijk met verf gooien, in een autoband rondgeslingerd worden aan een touw door een waanzinnig tollende hijskraan, een doorgezakte hangbrug over sjokken en nat worden tot op de borst, het hoort er allemaal bij. Soms zie je alle kinderen bij elkaar. Die optocht door het kleine dorp is indrukwekkend groot. Het zijn de kinderen van Weidum en dorpen eromheen. “Tjinge tjinge boem,” roepen ze met een ritme dat al een paar generaties meegeroepen wordt en dat nog steeds menig hart doet kloppen.
Die ondernemingszin en het gevoel van “Mienskip,” is ongetwijfeld van groot belang voor de rest van hun leven.

Als dit in Weidum kan, waarom dan niet in andere dorpen? Waarom vluchten veel van mijn ondernemende kennissen, tuinders en kunstenaars, naar het buitenland? Laten we kijken naar goeie voorbeelden hier, in ons eigen land. Zoals dit prachtige dorp en wat we daaraan toe kunnen voegen.

.

PS Wat er in mijn blog staat is maar een fractie van wat ik schrijf. Het grote geheel wordt verwerkt in het boek. (Boek: https://alowieke.blog/boeken/.) In middels sta ik al op deze nieuwe plek in Tsjeintgum, bij Nynke en Michiel.

 

*Kaatsposter: Zie vorige verhaal.

Feest in Weidum

.

.

Om het verhaal te beluisteren, klik hier. Voor de foto’s, kijk verderop in het blog!

 

Vanaf nu heeft mijn blog een eigen dagtelling, vanaf het moment dat ik vertrok van camping de Swetteblom. Ik schrijf elke dag een stukje, en het geheel verwerk ik in het boek. Voor het wekelijkse verhaal maak een selectie van wat ik geschreven en getekend heb. De rest is een verrassing voor de lezers die meer willen zien.

 

Dag 8

Dick is naar me toegekomen, vanuit Eindhoven. Hij heeft vakantie. Daar is hij echt aan toe, want hij heeft keihard gewerkt. Veel rust krijgt hij helaas niet. Het is feest in Weidum. En het is niet een gewoon feest, maar een groot feest, dat drie dagen duurt.

Om acht uur worden we wakker van een sirene, die kennelijk in een auto zit, want het komt steeds dichterbij. Hij gaat het hele dorp rond tot hij vlak in onze buurt is. Om negen uur is de kaatswedstrijd. “Kaetsje”, in het fries. Daar willen we naar toe.
De sirene helpt niet zoveel bij mij. Ik blijf nog even liggen en koester me in mijn nest. Tot ik een paar stevige handen voel, die mijn voeten beetpakken. Ik doe mijn ogen open en zie het vrolijke gezicht van Dick. “Kom je er ook uit?” vraagt hij opgewekt. Ik ben nog wat slaperig. Er waren een hoop geluiden vannacht, jonge feestgangers gingen door tot de zon opging. Als Weidum “Merkelân” is, dan gaan ze er voor, net als Brabanders met hun carnaval. Friezen en Brabanders hebben meer gemeen dan je zou denken! Dat wist ik niet, maar nu wel. Ik ga niet de hele nacht door, maar wil toch zoveel mogelijk zien en meemaken van het cultuurgebeuren.

Op mijn gemak eet ik mijn havermout op. Gelukkig is alles vlakbij en hoeven we ons niet te haasten. Als we klaar zijn lopen we samen de lange oprijlaan af, die naar de weg leidt. De lindes die erlangs staan zijn bijna uitgebloeid, maar hun geur is nog steeds heerlijk. Even later gaan we de hoek om, langs het dorpshuis. En daar, in het midden van Weidum, ligt het grote vierkante veld waar alles gebeurt. Dat veld is al zo oud als Weidum zelf, zo oud als de kleine huisjes die er omheen staan of misschien wel ouder. Het ligt dieper dan de straat, is omzoomd door een heg en je komt er via één van de stenen trappen.
Er is overal voor gezorgd. Voor de kinderen hebben ze een draaimolen laten komen en een zweefmolen. Er staat een tent vol knuffelbeesten die je moet pakken met een grijper en er is ook nog een oliebollenkraam. Op het veld zijn allemaal witte vakken uitgezet en daar wemelt het van mensen. Alle spelers dragen een harde leren handschoen, waar een soort van kuil in is gevormd. Er zijn kleine witte balletjes die precies in die kuil passen.
Mannen en vrouwen zijn druk bezig. Met kracht worden de balletjes naar de partij in het veld gegooid. De gene die aan slag is, moet hem wegkaatsen met de harde handschoen.

.

.

Langs de kant staan palen. Enkele palen zijn nog leeg, aan andere hangen houten bordjes. Sommige bordjes zijn wit, andere rood. Er staat “earst” op, of “spul.” Dick tuurt naar de friese woorden. “Als spel in het fries spul betekent, wat is dan spul?” Dick blijft maar kijken naar de bordjes en vraagt zich hardop af hoe dat nou zit met die puntentelling. Ik doe mijn best om niet naar hem te luisteren. Ik wil een bal volgen en dat is best moeilijk in die mierenhoop.
We snappen niet wat de bedoeling is en vragen om uitleg aan een man, die ook staat te kijken. “Het is niet zo moeilijk,” zegt hij. “De ene partij gooit de bal het veld in, de andere moet de bal terugkaatsen, de lijn over. Dan heb je een kaats. Het is de voorloper van tennis, voordat er rackets bij te pas kwamen.” Ik kijk vol bewondering naar de bedrijvigheid van al die mensen, gisteravond nog laat op het feest en nu alweer in touw. Feesten en sporten gaat gelijk op, bij de Friezen. Daarvoor hoeven ze gelukkig niet te wachten, tot er ooit weer eens een elfstedentocht komt!
“Kijk aan het einde van de week maar eens naar de voordeuren,” zegt de man “De winnaars hebben dan hun krans opgehangen. Dat is een hele eer!” Ik lach naar hem en zeg dat ik er speciaal een wandeling aan wijd.

.

.

Dag 11

Dick is weer naar huis. Ik kijk op mijn gemak wat er nog meer te beleven is en loop door het dorp. Bij het kaatsveld sta ik stil. Vandaag wordt het opnieuw gebruikt, zie ik. Nu lopen er vrouwen rond, met shirts in verschillende kleuren. Ik ben verbaasd. Het lijkt hier nooit op te houden met de aktiviteiten. Ik bewonder die sterke lijven in beweging, het blijft altijd boeien. Naast me kijkt een man geïnteresseerd toe, samen met een vriend. Zijn krullen zijn bijna zwart, niet erg fries. “Zijn dit kampioenschappen voor vrouwen?” vraag ik hem. “I don’t know,” zegt hij. Hij is een reiziger en probeert het spel te snappen. Ik vertel hem wat ik zelf over het kaatsen heb gehoord. “We have a way of speaking, wie kaatst kan de bal verwachten. That means, if you throw something to a person, you can expect that he throws something back.” De man snapt het helemaal en loopt schaterend van het lachen weg. Een oude dorpeling kijkt met glimmende ogen toe vanachter zijn rollator. Wanneer vreemdelingen om je lachen, wordt alles wat eigen is iets bijzonders.

Ik loop verder, de stenen trap af, het veld over, naar de sportkantine. Het ruikt er naar koffie. Twee vrouwen achter de balie begroeten me. “Hee Alowieke, je bent er nog!” Het zijn Christien en Jellie, ik sprak ze allebei op het feest. Ze kunnen me alles vertellen. Het zijn vandaag geen kampioenschappen, maar het is een gewone training. Dat is elke week in een ander dorp. Vandaag is Weidum aan de beurt. “Hoe lang blijf je nog?” vraagt Christien “In september zijn de kampioenschappen voor vrouwen. Dat is ook weer een groot feest.” Ik zie aan haar gezicht dat ze zich er nu al op verheugt. Ik antwoord dat ik het niet weet, maar dat ik er zeker bij zal zijn als het lukt.

Ik weet niet hoe het zal gaan. Ik weet niet of ik deze zomer in Friesland blijf of niet. Ik houd van de eigenheid en de onafhankelijkheid van dit volk. Het past in mijn verhaal. En dat is wat mij leidt. Plannen heeft geen zin. Dat heb ik al lang in de gaten.

Op deze pagina vind je het formulier voor het boek

.

.

Wie is dit meisje? Als ze de foto op volledig formaat wil hebben of wil dat ik hem verwijder, dan neemt ze maar contact op.

.

Lees hier de spelregels van het kaatsen

 

Een indrukwekkend begin van de reis

Dit blog is langer dan normaal. De bedoeling is dat ik deze winter begin met een boek met verhalen en tekeningen. Omdat deze dag een aanzet maakt tot de thema’s van mijn reis, is dit verhaal extra lang.Het is ook te beluisteren in vorm van een podcast. Voor de plaatjes kun je op het blog meekijken.

.

 

 Ik wil de ander echt zien, die ik ontmoet. Daardoor kan dit verhaal als een kleurrijke ketting worden van vele parels. Ieder mens heeft iets wat de ander kan raken en in de kern ben ik verwant met iedereen.

Het is vier juli, onafhankelijkheidsdag. Vandaag gaat het gebeuren. Ik ga weg van camping de Swetteblom. Ik zit bij Jochum in de kamer, op zijn bank. De kamer is zoals hij altijd was, wat rommelig maar de versleten plankenvloer is leeg en aangeveegd. Ik zie boeken over geschiedenis en een half abstract schilderij van een troubadour. Door de ruiten kan ik de paarse bosliefjes zien en daarachter de Swette. Jochum kijkt in het synoniemenboek. Ik heb hem gevraagd of hij een ander woord voor verhaal weet. Vandaag, op de ochtend van het vertrek, wil ik de naam van mijn huisje vastleggen met verf op de buitenwand. Het wordt niet ‘t Wandelhuis.
“Synoniemen voor verhaal zijn geschiedenis, historie, legende, sage, anekdote, relaas,” zegt hij snel achter elkaar. “Zeg nog eens?” lach ik. Een voor een noemt hij de woorden en kijkt naar mijn reactie. “Allemaal niet geschikt,” zeg ik. “Vanaf nu blijf ik erbij. Het wordt het rijdende verhalenhuis.” Jochum vraagt waarom en ik zoek naar de juiste woorden. “Omdat het wandelhuis de lading niet dekt. Het vertelt niet wat ik doe. In de eerste plaats wil ik verhalen losmaken en daarvan maak ik een boek. Wandelen is een middel om dit werk te kunnen volbrengen.” Dat snapt Jochum wel.

Het is twee uur in de middag en naast mij staat Maria. Ze wijst naar de tekst boven. “Dat vind ik prachtig!” zegt ze met glimmende ogen, die nog even blauw zijn als gisteren. De naam van mijn huisje prijkt hoog boven aan de wand, met paarse letters in de lucht. “Het rijdende verhalenhuis.” Ik wijs haar op de andere tekst, beneden. Daar, in het groene vlak, is mijn missie te lezen. “Een kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen.” staat er. “En dat dan? Vind je dat niet mooi?” vraag ik. Maria schudt nee. “Ik hou er niet zo van om tegen dingen te zijn. Dat is de oude wereld. In de nieuwe wereld gaan we mee met de flow. Maar ik begrijp het wel. De meeste mensen zitten nog in het oude.” Ik knik, ik denk dat ik weet wat ze bedoelt. “Ik ben een transformator,” zeg ik. “ Ik wil graag mensen ontmoeten die de stap willen wagen van oud naar nieuw.
Ze geeft me een fles met roze bubbels en wenst me een heleboel mooie ontmoetingen. Om half vijf is het afscheid. Ze zal er niet bij zijn.

.

.

Het is een afscheid zoals ik nooit heb gehad. De belofte dat de televisie erbij zou zijn hielp om er wat bijzonders van te maken. Mirre en Jochum hebben het samen bekokstoofd. En dit is het resultaat. Op het wijde veld zit nu een hele kring van mensen. De stoelen staan in het korte gras, Jochum heeft pas gehooid, dat komt goed uit. Er staat een enorme hoeveelheid zelf gebakken appeltaart op tafel. Naast de kring van mensen staat een grijnzende man met krullen die zijn gitaar neerlegt en met uitgestoken hand naar me toe komt. “Ik ben Sietse. Ik ga een paar liedjes zingen, die mooi passen bij jouw vertrek.” Even later zingt hij, in het fries natuurlijk. De camera draait op de achtergrond en legt alles vast. Ook de poëzie van Jochum. Hij draagt een gedicht voor, voor mij geschreven!

De regisseur zegt dat het tijd is om te vertrekken. Ik omhels wie ik omhelzen wil. Anderen geef ik een hand. “Ik kom terug! In de herfst, sowieso,” beloof ik. Dan loop ik terug naar mijn treintje, want dat is het wel, de mover, mijn huisje en dan ook nog de bagagewagen erachter. De cameraploeg staat al te wachten. We gaan naar Weidum. Het is vier kilometer en de eerste twee gaan over de onverharde weg tussen de weilanden door. Vier mannen staan klaar om goeie televisie te maken, een regisseur, een cameraman, een geluidsman en presentator Dennis.
Vol goede moed gaan we van start en ik trek mijn huis de berm uit, samen met de bagagewagen, waar ik de zonnepanelen op heb gemonteerd. De kabel is aangesloten, terwijl ik rijd laad de accu van de mover op. Ik laat Dennis zien hoe het apparaat werkt en hij neemt het van me over. Het pad is een gatenkaas, prima om alles te testen. Het effect is spectaculair. Bij de eerste dikke kuil schiet de balk uit de stalen sponning van het onderstel, de balk waar ik de koppeling aan heb gemonteerd. De koppeling zit muurvast, maar de balk ligt los in het frame. Ik heb hem niet gefixeerd, omdat erachter ook een opslagruimte zit. Daar moet ik bij kunnen. Het is een experiment. Nu wordt duidelijk hoe het werkt, als je dat niet doet. De krachten zijn sterk genoeg om de balk om te keren en eruit te trekken. Nu ligt hij los op de grond. De bagagewagen is een paar meter achtergebleven en de mannen schieten meteen toe om de boel te herstellen. Gelukkig heb ik extra lengte gegeven aan de laadkabel, dat komt nu goed van pas. De kabel is niet gebroken.

.

.

Ik kijk wat er gebeurt. Er wordt druk gediscussieerd over hoe het moet en ik sta aan de kant. Er komt een oude wrevel bij me op. Dit is verdorie mijn eigen gebouwde woonwagen en niemand vraagt mij iets. Omdat ik een vrouw ben? Ik kan niet blijven zwijgen. Ik zeg tegen de presentator dat ik er een oplossing voor ga zoeken. “Snap je het dan?” vraagt de presentator. Ik kijk hem verbluft aan. “Ja natuurlijk snap ik het. Ik heb dit huis zelf ontworpen en gebouwd!” Ik krijg de bal meteen terug. “Ben je nou blij dat ik je help?” zegt hij terwijl hij zijn rug recht en me strak aan kijkt. Shit denk ik, nou ben ik natuurlijk onbeleefd. “Ja natuurlijk ben ik daar blij mee, ” haast ik me te zeggen.
Oei. Dit antwoord is als het weggeven van mijn huissleutel. Ik geef de regie uit handen. De presentator neemt nu de rol aan als deskundige en ik ben de vrouwelijke assistent. Wat er nu volgt is precies volgens de eeuwenoude rolverdeling. “Heb je dit nodig?” vraag ik liefjes en ik geef hem een spie van hardhout. Ik zie al helemaal voor me hoe ik het wil doen en die spie is goed te gebruiken. “Nee,” zegt hij. Natuurlijk heeft hij niet bedacht wat ik heb bedacht. Dat is logisch. En wat doe ik? Ik ga niet eens in discussie, en leg de spie weer terug. Wat doe ik nou weer, denk ik ondertussen. En nog wel voor de camera, alles komt straks nog op televisie ook, hoe ik de rolverdeling weer eens bevestig. Dit wil ik helemaal niet!

.

.

Maar ach. Het maakt een verhaal levendig. Eerlijk is eerlijk! Bij een goede scene laat je expres dingen los, om spontaniteit de ruimte te geven. Dat had ik van te voren al bedacht. Het leek me een goed idee om niet alles tot in de puntjes af te maken en perfect te doen. Juist onvolkomenheden zijn het mooiste, de materiële èn de menselijke. Alles wat er gebeurt hoort er bij en ik geef anderen daarmee de gelegenheid zich erin te herkennen. Ik heb er voor gekozen om dit allemaal te laten zien, net als het verhaal wat ik schrijf. Door die oprechtheid komen er ook oprechte reacties terug. Zo kunnen we het ergens over hebben.

Het is maar vier kilometer naar Weidum, maar het duurt eindeloos lang voor we er zijn. We gaan door kuilen en er moeten auto’s passeren op de smalle weg tussen de twee sloten door. Dennis stelt vragen, ik antwoord. Als de regisseur wil dat we stoppen, stoppen we. We werken hard en het worden vast mooie televisieopnamen. Als we in Weidum zijn ben ik opgelucht en uitgeteld. Ik steek de straat in van het bejaardentehuis. Daar kan ik vast wel op de parkeerplaats staan. Misschien moet ik maar iets langer in dit dorp blijven om deze indrukwekkende start te verwerken en uit te rusten. Als dat tenminste lukt op zo’n plek waar iedereen komt en gaat.

.

Precies wanneer ik dat denk, komt Pier aanlopen. Pier is een muzikant uit het dorp, ik ontmoette hem na het songfestival, in het dorpshuis, een paar weken geleden. Met lenige pas komt hij me tegemoet en ik vertel hem waar ik heen wil gaan. “Dat kan je doen,” zegt hij. “Maar ik weet iets veel beters. Ik heb een mooi plekje voor je,” deelt hij me stralend mee. “Veel leuker dan bij het bejaardentehuis. Mijn vriend Ait Jan nodigt je uit. Er is een grasveld en een vijver. En kom je dan straks bij ons eten? Mijn vrouw zorgt voor een heerlijk maal bij het vuur!”
Blij kijk ik hem aan. Natuurlijk kom ik, wat een hartelijkheid! De televisieploeg blijft helaas nog een hele poos hangen en krijgen ook nog bier. Ik hou vol en doe nog even mee met de nodige gezelligheid. Wanneer mag ik naar Pier? Gelukkig heb ik morgen zelf weer de regie in handen.

Eigenlijk wilde ik naar Sneek. Dan kon ik rustig op een camping staan en een paar dagen vakantie vieren met Dick. Maar daarvoor hoef ik helemaal niet verder te reizen. Ait Jan zegt dat ik hier best een week mag blijven. “Wat moet je daar nou in Sneek? Hier is het veel leuker. En volgend weekend is het dorpsfeest. Het thema is “Sprookjes.” En jij bent al een sprookje met je hele verschijning. Je blijft toch wel?
Ik zeg hem dat ik blijf. Ait Jan glundert. Ik blijf zolang als het feest nog niet is geweest en ik me daarop verheugen kan. Ik blijf zolang ik als ik nodig heb om een constructie te maken om de koppeling te fixeren. Ait Jan heeft een bedrijf in technisch ontwerp, decors en tuinen en bouwt heel wat af. Hij werkt ook samen met anderen, veel mannen en soms vrouwen. Ik laat hem de tekening zien, hoe ik het wil doen. “O! Je wilt het met driehoekjes doen en dat je hem met twee pinnen, hoppekee, vast kan zetten! Ik heb alles wat je nodig hebt, je pakt het maar. Ik heb alleen geen vleugelmoeren.” Ik maak een sprongetje van plezier. Samen over constructies praten is veel leuker dan het iemand anders laten doen en zelf aan de kant staan.

.

Zo zou het kunnen. De bout moet iets dikker

.

 

.

Underweis

Begûn dyn mearkereis
Dreamjend nei it frije Swetteblomlân,
Hielendal iepensteand
Foar dyn fleur en difersiteit
Siedzjende tsjoendershân,
Dy’t amper wachtsje kin
Op de folgjende útdaging ûnderweis
Yn Kuierlân.

Goereis Alowieke!

Jochum Rijpsma

.

 

Ik weet nog niet of het boek dit jaar uit komt of in het voorjaar dat er op volgt. Wel kun je je alvast per mail opgeven als je geïnteresseerd bent. Dan hoor je van mij wanneer het zover is.

Contactformulier voor het boek:

.

Onafhankelijkheidsdag

.

.

“Wanneer vertrek je?” vraagt de kaasboer mij, terwijl hij de kaas uit de kleine vitrine pakt. Ik ben de enige die bij zijn marktkraam staat en hij neemt graag tijd voor een praatje. Morgen is hij weer hard aan het werk op de boerderij. “Op vier juli,” zeg ik. “Ah, op independenceday, july, the fourth.” Dat wist ik niet. Ik lach uitbundig. Het is nu niet alleen de onafhankelijkheidsdag van de Amerikanen, maar ook die van mij.

Maar wat me het meeste boeit, hoeveel boeren, mannen en vrouwen kiezen er nog meer hun eigen weg? Wat betekent onafhankelijkheid voor mensen in deze tijd, waarin de druk van buiten af steeds sterker wordt, door alle veranderingen in economie, maatschappij en klimaat?

Het is een week voor mijn vertrek. De zon schijnt en er waait een frisse wind. Ik wil net de kwast oppakken om de bagagewagen te schilderen, wanneer er iemand aan komt lopen. Het is Cythia, één van de vrouwen uit het dorp die ik ontmoette tijdens een wandeling. Nu staat ze glimlachend voor me en kijkt me vrolijk aan met haar wijze grijze ogen, omlijst door grijsbruine krullen. Rustig stelt ze de ene nieuwsgierige vraag na de andere. Straks vertrek ik. Waar kwam ik vandaan? Waar ga ik heen? Waarom doe je wat je doet? En onafhankelijkheid, is dat niet dat je in staat bent een oprechte keus vanuit jezelf te maken? Tegelijkertijd heeft het iets lichtvoetigs, zonder verwachtingen te zijn… Na een boeiend gesprek vertrekt ze weer. Een harde wind waait over het vlakke land terwijl ze verder loopt.

Niet veel later staat Femke voor mijn neus, nog een vrouw die ik ontmoette tijdens een wandelronde. De wind is gaan liggen en de zon doet haar lange haar glanzen. Ik kijk haar aan, haar ogen stralen opgetogen. Ze wilde me persee nog een keer zien, zegt ze. Ze heeft veel te vertellen. Ze heeft pas haar baan op gezegd. Ze wil niet meer doen wat een ander haar opdraagt. Ze wil haar eigen keuzes maken. Hoe doe je dat? Het is spannend. Bij het afscheid vraag ik haar of ze me op de hoogte wil houden als er iets bijzonders gebeurt. Dat doet ze graag. Maar tegelijkertijd zie ik een glimp van onzekerheid in haar ogen. Alsof ze denkt, “wat zou dat dan in godsnaam worden? Waar ga ik heen? Ik heb geen idee….. “
Toch heeft ze de sprong in het diepe genomen. Terwijl haar omgeving haar voor gek verklaart. “Ik moet wel,” zegt ze. “Niks dappers aan!”

Een spiraal aan ontmoetingen is begonnen. Het cirkelen houdt niet meer op. Ja, de volgende ochtend al komt er vlak na het ontbijt nog een vrouw aanlopen. Opgewekt lacht ze me toe, in een licht kort zomerjurkje. Haar vel is gebruind door de zon, haar bruine krullen beginnen grijs te worden.
“Ooh, woon jij hier? Ik ben net aangekomen met mijn camper. Toen ik hier langs kwam dacht ik, wat een mooi zelfgebouwd huisje! Daar moet ik even gaan praten!” Ze heet Jeannine. Ze gaat haar huis verkopen en in een camper wonen. Ze gooit het roer helemaal om, onafhankelijk van wat de rest van de wereld er van vindt. Het is een heel avontuur, alleen het opruimen al. Haar huis heeft wel vijf kamers. Er is veel te doen. Maar nu is ze vrij. Jeannine heeft een hemels plekje gekozen, aan een steiger bij het water. De komende dagen gaat ze uitproberen hoe het is om in een camper te wonen. We zien elkaar nog wel.

Die avond speel ik op mijn piano. Voor het eerst probeer ik “Lang zal ze leven” te spelen, met de juiste akkoorden erbij. Het klinkt best goed. Vrolijk klinkt het lied door de open deur. Dan hoor ik opeens een stem.

“Ben je jarig? Ik heb taart!”

Daar staat de laatste vrouw van vandaag. Ze heeft worteltaart en rosé. We toasten, hoewel ik helemaal niet jarig ben en zij ook niet. “Op de reis!” roepen we. Glazen klinken en lachend drinken we, in het licht van de ondergaande zon.

.

De laatste hand aan de dingen

.

.

Ik sta over mijn onderdeur geleund, kijk en geniet. Als je bijna weggaat koester je de dingen nog meer. De ochtendzon schijnt lijkt nog helderder te schijnen en schittert in het water. Bij het riet en de wilgebomen fladdert, kruipt en zwemt van alles. Onophoudelijk klinkt het schorre gepiep van jonge meerkoeten. Af en toe hoor ik een plons van het jagende visdiefje en ik bewonder de behendigheid van de kleine stern.
Aan de noordoostkant zie ik de skyline van Leeuwarden en de autoweg die de stad omringt. Ik zie auto’s en vrachtwagens voorbijgaan zonder dat ik ze hoor, want de wind komt uit het zuidwesten. Het enige geluid is het ruisen van het riet.

Wat zal ik achterlaten? Het is boer Jochum die me bedankt voor het junspraetsje* voor het slapen gaan. Hebe, de vijftienjarige zoon van Anneke, de eerste jongen die ontdekt heeft dat hij mij kan laten gillen als hij me aan het schrikken maakt. Anneke zelf, die een kist vol duetten blijkt te hebben en met mij dwarsfluit wil spelen, net nu ik wegga. Maria, met haar stille aandacht voor alles wat haar omgeeft. En ook de spontane Hillegonda en haar man Berry, die samen zo’n warme belangstelling tonen voor de wereld.

Ik staak mijn overpeinzingen. Er is nog veel werk te doen. Ik spring van het bordes af en kom in de benen.
Ik wil twee smalle kastjes. In de schuur van Jochum heb ik een bergje beukenhouten latjes gescoord, dat uit een bedbodem komt. Ik kan het goed gebruiken en werk geconcentreerd door tot het klaar is. Dan plaats ik mijn aanwinsten zorgvuldig op het bordes, aan weerszijden één. Het rechtse kastje is voor afval, de linker voor flessen water. Tevreden kijk ik naar mijn extra bergruimte. Hèhè, dit is een goeie zet.
Ik loop naar de bagagewagen om op te ruimen. Ik ben zo blij met dat ding! Ik zou hem niet meer kunnen missen. De wagen heeft vijf gebruikslagen.

Op het deksel zitten zes flexibele panelen die stroom leveren voor de mover XL waarmee ik mijn huisje trek.

In de bak is de buitenkeuken, een plank met gasstel, gasfles en wat potjes en pannen. Het aanrecht ligt op dezelfde hoogte en bestaat uit twee brede stroken plaatmateriaal.

Als je die opzijschuift zie je mijn werkplaats. In keurige zwarte veilingkistjes vind je een mooie sortering aan gereedschappen en materialen. Ik laat mijn oog gaan over machines, bouten, schroeven, stroken EPDM, touw, harpjes, slangeklemmen en nog veel meer. Ik knik tevreden.

Dan buk ik me om onder de bodem te kijken. Daar is de vijfde laag van mijn multifunctionele kar. Ik heb er eenzelfde veilingkistje bevestigd. Het dient als koelkast. Hangt het nog steeds recht? Ja, het hangt goed in de touwen en de boter die erin ligt is ook niet gesmolten.

Na een dag werken in de hete zon ben ik echt moe. Toch neem ik de moeite om de hele rotzooi keurig op te ruimen en ik kan mijn kar weromtsjoenen* tot een mooie keuken. Ik raap de laatste energie bij elkaar om de deksel dicht te doen. Maar net op dat moment laten mijn spieren het af weten. Met een bonk valt het deksel op mijn rug. Au.
Die avond doe ik rustig aan. Voor ik naar bed ga doe ik het kelderluik in mijn woonwagen open, om een appel te pakken. Drie nachtvlinders en twee oorwurmen kruipen verschrikt in de plooien van mijn mooie zomerjas, die er naast ligt. Ik laat ze maar. Voor ik weg ga schud ik de boel wel even uit. Ik sluit het luik, neem een hap van de appel en kijk naar mijn blote rug in de spiegel. Het doet niet zeer en er is geen blauwe plek. Mooi zo. Maar een gewaarschuwd mens telt voor twee. Morgen maar eens een dagje niksen.

*Junspraetsje: Avondpraatje in het Fries.
*Weromtsjoenen: Omtoveren in het Fries. (Vergeten woord)

.

.

.

PS: Ik heb nog iets gedaan. Op de mover heb ik de reserveband van de bagagewagen gelegd. Daarop ligt een dik vierkant tafelblad van 110 x 110 cm met afgeronde hoeken. De tafel is gedekt met een licht, hemelsblauw tafelzeil dat er uit ziet als linnen. Ik heb het vastgeklemd met kleine roestvrijstalen klemmen. Als ik onderweg ben loop ik dus met een gedekte tafel, en in het midden komt een antieke fruitschaal te staan met bananen, appels, sinaasappels en ongepelde noten.
Nu heb ik al speurend op internet een leuke ontdekking gedaan. Warempel, bij een winkel voor medische hulpmiddelen vond ik adaptwandelstokken met zitje. Die kan je uitklappen. Het wordt dan een krukje met drie poten en het zitje heeft dezelfde kleur blauw als mijn tafelkleed. Haha! Meteen besteld natuurlijk! Drie stuks. Iedereen die mee wil krijgt een wandelstok. Bezoek tot maximaal 2 personen anders moet ik bijbestellen.

.

Een spiraal van ontmoetingen

.

.

Wie zal ik verder nog ontmoeten? Met wie dans ik de wervelwind, of volg ik de trage voetstappen van ons DNA? Alles is in beweging en ik maak er deel van uit. Goddank. Ik mag op reis.

Boer Jochum komt langs om te kijken of ik het goed maak, op mijn nieuwe plek. Hij kijkt naar mijn huisje. Hij kijkt naar de gekraakte wilg die horizontaal over het riet hangt. ”Die valt in elk geval niet meer op je dak, want die is al omgevallen,” zegt hij laconiek. “En goed dat je verderop staat en niet hier. Ik had hier al een hoop kleine boompjes gezien. Die wil ik laten groeien om uit te planten.” Ik kijk naar de plek bij zijn voeten. Tussen het fluitekruid zie ik inderdaad allerlei andere blaadjes. “Je kunt wel een boomkwekerij beginnen,” zeg ik hem. “Nu tiny forests zo populair beginnen te worden is daar straks vast veel behoefte aan. Hoeveel goeie bomengrond heb je hier in de buurt? Niet veel toch?” Jochum lacht. “Goed idee, dan beginnen we een nieuwe tak!”

Ja het is een tijd van vernieuwing en oude dingen staan in een ander licht. Jochum is altijd al bezig met bomen, maar er waren weinigen die het zagen. Zien maakt wakker, maakt aktief. Vanzelfsprekendheden worden doorbroken en krijgen nieuw leven ingeblazen. Als een rondcirkelende dans, die steeds sneller gaat. Als een boom die groeit door zonlicht en regen. Als een spiraal van vernieuwing.

Een dag later heb ik opnieuw een ontmoeting die me aan het denken zet.

Het is een bewolkte dag en ik zit binnen te lezen. Dan zie ik Hillegonda onder mijn raam. Ze loopt naar de deur en klopt. “Mag ik erin? Ik ben nog nooit binnen geweest!” roept ze. Ik vind het maar wat leuk dat ze spontaan langskomt en roep “JA!” Ze opent de onderdeur en doet twee stappen op de houten vloer. Ademloos kijkt ze rond. “Wat is het hier stil! Al het geluid wordt gedempt…. heerlijk!” Met open mond staat ze te genieten en kijkt rond. Ik laat haar gaan en zeg alleen maar “Ja, dat komt door de zachte ronde vormen in het dak…”.
Na een poosje is ze klaar met kijken en gooit het tasje leeg, dat ze bij zich had. Op de bank liggen nu allemaal kettingen en hangers uitgespreid. “Weet je nog wat je zei toen je laatst bij ons zat? Je zei dat een ketting je niet stond, nou dat zullen we nog wel eens zien!” lacht ze. Ik kijk naar de uitstalling en hoef niet lang te denken. Ik kies een hanger in de vorm van een rechtsdraaiend spiraal.

Ik weet dat het een symbool is. Dat wist Hillegonda nog niet. Ze is blij met mijn dankbaarheid en zodra ze weg is duik ik dieper in de vorm. Wat betekent die voor mij?

De spiraalvorm keert overal terug, zo vormen planten hun stengels, steeds verder omhoog, zo kruipt de slak zijn huis in. Maar ook ons DNA en draaikolken en wervelwinden maken eenzelfde beweging. Als symbool betekent het dan ook persoonlijke groei en innerlijke vrijheid.
Het is een weten, dat wat je realiseert niet meteen zijn doel hoeft te raken. Vaste gewoontes moeten doorbroken worden om vrijheid te creëren. Vaak moet alles daarna een tijdje rusten voor er iets gebeurt, voor je je creatie uit kan werken en je een poos later op hetzelfde punt uitkomt. De spiraal maakt zijn cirkels, steeds verder omhoog, tot het punt vanwaaruit je opnieuw een doorbraak maakt naar de volgende cirkel. Zo dans ik mijn dans. Zo verlaat ik mijn huis om te reizen en duurt het zeven jaar voor de wielen de weg op gaan.

Wie zal ik verder nog ontmoeten? Met wie dans ik de wervelwind, of volg ik de trage voetstappen van ons DNA? Alles is in beweging en ik maak er deel van uit. Goddank. Ik mag op reis.

.

Doorbraak voor vrije voeten

  1. .

.

Mijn Wandelhuisje gaat het veld af. Ik heb een mooi plekje gevonden bij de ingang, naast het laatste bosje, pal tegen de rietkraag aan, van de Swette. Er heeft in al die jaren nog nooit iemand gestaan, ik ben de eerste. Van daar uit kan ik iedereen aan zien komen, over de twee kilometer lange weg, die naar het dorp leidt.

Ik heb niet veel op te ruimen, maar toch is verhuizen vervelend als je ergens langer hebt gestaan. Ik kijk naar het paadje waar ik liep en de bloemen die ik plantte. Zullen andere ogen net zo aandachtig zijn als de mijne? Ach, het zal zijn weg wel vinden, al wordt het een wildernis.
Er is nog iets anders. Het rottigste van verhuizen is, dat ik tientallen kleine beestjes uit hun huis moet gooien. De emmer zit vol met een lijmklem, een uitgedroogde spons en andere dingen. Onder de rand zit een hele rij spinnetjes, met een wit, draderig pluisje naast zich, waar hun nageslacht in zit. Sneu, maar ik peuter ze er toch uit. Het is ontruimen of nat worden. Ik heb een emmer om onderweg water te halen uit de sloot en was niet van plan om spinnetjes te huisvesten, sorry.

Ik til de dissel op en zie er een mier uit lopen, en nog één. In een klein gaatje zit een mierennest. Ze weten het goed te vinden, slimme beestjes. Met die stortbuien kan je maar beter hoog en droog wonen, anders verzuipt de boel. Maar ik ga weg en de dissel ook. Het is niet handig van de mieren. Weten zij veel. Ik vind het beter om het meteen maar goed duidelijk te maken. Keihard sla ik op het gegalvaniseerde staal en de mieren werpen zich halsoverkop naar beneden met hun eieren. Ik hoop dat ze nu niet allemaal doof zijn en dat ze maar gauw een nieuw huis zullen vinden.

Even later staat mijn huisje keurig op zijn plek. Met het wuivende riet voor de deur en het glinsterende water van de Swette naast mij, kan ik mij rustig voorbereiden op de reis. Nog een maand, dan ga ik. Ik zal hier lang genoeg staan om een nieuwe verzameling beestjes rond mijn huisje te verzamelen. Die zal ik straks weer dakloos moeten maken. Maar ach, ze redden zich wel weer. Mij lukt het immers ook steeds!
O ja!
Alles is continue in beweging en het is veerkracht en vertrouwen, waar de natuur vol van is. Ik ben diep onder de indruk van al die kracht, die ik steeds weer ontmoet. Kracht, om mij heen en in mijzelf. Wat is dat toch? Wat ik woorden geef is slechts een glimp van iets wat eigenlijk onbenoembaar is. Toch probeer ik het.

Vertrouwen stroomt mee met de tijdsrivier. Het is een weten dat de aktie die ik onderneem niet met stel en sprong resultaat hoeft op te leveren. Dat ik weg kan wandelen zonder te weten waar ik uitkom en wat ik achterlaat een heel andere vorm kan aannemen dan mijn bedoeling was. Dat ik geliefd kan zijn, maar dat het soms beter is om te gaan. En dat ik soms zou willen gaan, maar het beter is om te blijven. Dat niemand onmisbaar is en toch te beseffen dat elke stap die ik doe onmiskenbaar invloed heeft op alles. Dat ik alle levende wezens bewonder, maar toch het spinneweb doorbreek wanneer ik mij met lichte voeten een weg baan. En dat alles, na elke sprong, weer een evenwicht vindt, een plek in het bestaan. Zonder die veerkracht, zonder dat vertrouwen in het Al, stond ik niet waar ik nu sta. Dit mijn vrijheid en nooit zal die vanzelfsprekend zijn.

.

 

 

Wanneer de haan kraait zonder mij

.

Alleen als er op onverwachte momenten een herinnering terugkeert en wij ontvankelijk zijn voor het belang en de waarde ervan, “komt de permanente, doorgaans verborgen essentie der dingen vrij en ons ware ik, dat soms al dood leek te zijn, maar het niet helemaal was, ontwaakt en roert zich”. (De tijd hervonden, Proust, p. 14.)

.

De zon schijnt door de ramen. Het wordt een zonnige dag en de opperhaan kraait schel en hard voor mijn deur om eten. Door het raampje zie ik zijn zwarte hennetje, die op het bordes springt. Een zwart kraaloog kijkt me vragend aan. Ik trek me er niks van aan. Ik zet de computer aan en open mijn mailbox. Er is een reactie op mijn laatste verhaal. Fijn, daar ben ik altijd blij mee. Dit is wat ik lees:

Alowieke, ik geniet van je verslagen. Hoe komt het dat er zoveel drang in je ziel zit om verder te reizen..? Nieuwsgierigheid? Bindings-angst? Dol op onderweg zijn…?

Ja in mijn ziel huist een flinke portie levenslust en nieuwsgierigheid hoort daar zeker bij. Maar ik ben ook een beetje verbaasd. Dol op onderweg zijn? Dat weet ik niet. Ik ben haast nooit onderweg en zo is het altijd geweest. Ik ben al zeven jaar bezig weg te gaan.

Het is vrij abnormaal in deze tijd, als je in je leven nauwelijks of niet hebt gereisd. Misschien dat sommige bloglezers het helemaal niet in de gaten hebben, omdat ik het er zo vaak over heb.Toch is het zo, sinds ik het ouderlijk nest verliet ben ik maar een paar keer het land uit geweest. Ja, ik heb twee keer echt gereisd en dat was in Nederland. Eén keer een maand op de fiets in mijn eentje, op mijn zevenentwintigste. Dat was toen mijn gebroken been eindelijk genezen was, na twee lange jaren.
De andere reis was met mijn man. Zes weken lang voer ik met hem door onze rivieren en sloten, kanalen en meren, met onze tuindersvlet. We sliepen onder de luikenkap en hadden een allesbrandertje aan boord waar we regelmatig pannekoeken op bakten. Het was een bijzondere reis. Toch was het geen zorgeloze tocht, want mijn man had toen al een slechte gezondheid en moest altijd spuiten voor zijn suikerziekte.

Ik heb me jarenlang gebonden aan de zorg voor mijn man en zijn nalatenschap. Verder zorgde ik voor behoeftige ouderen, hield trouw contact met mijn moeder die ik elke dag belde, ik zorgde dat het rondvaartbedrijf piekfijn werd voortgezet en nam de zorg voor al het materiaal heel serieus. Reizen kwam niet voor in mijn programma. Ik gaf mezelf met toewijding aan de taak die ik te volbrengen had.

In 2012 vloog ik uit. Ik was eindelijk klaar en kon alles achterlaten. En nu heb ik me zeven jaar lang voorbereid om zó te reizen, dat ik mijn huisje mee kan nemen. Omdat ik het zelf gemaakt heb, is het een deel van mezelf. Het is echt helemaal mijn plek. En waar ik ook ben, kan ik mensen uitnodigen in mijn paleisje. Dat maakt me blij en sterk. Het opent gesprekken. Het zijn die gesprekken waar ik naar verlang.

Hoewel ik erg weinig heb gereisd, zit het wel in mijn bloed. Als kind speelde ik zwerfhondje en struinde ik dagenlang door het Emmeloordse bos, alsof het een oerwoud was. Ik hield van ontdekken, alles onderzoeken wat mijn aandacht vroeg. Dat heb ik nog steeds. Maar al is mijn nieuwsgierigheid dezelfde als toen, het is wel gek, om een start te maken, na al die jaren.

Ik rijd straks gewoon naar de dijk langs de Waddenzee en die volg ik tot de Marlanner Kaashoeve. Mijn enige verantwoordlijkheid is mijn blog en te luisteren naar het land en de mensen, verder niets. Ik verlang naar die lichtheid. Het is een sprong in het koele diepe water. En dan verder zwemmen.

De haan kraait nog een keer en springt naast de hen op het bordes. Met zijn tweeën kijken ze me aan door het raam. Straks zijn er geen kippen meer. Dan zijn er rollende wielen op een weg. Dan zijn er de muggen die dansen boven mijn hoofd, terwijl ik wandel.

.

PS Ik mag altijd terugkomen op de Swetteblom. Van zulke positieve mensen kun je er nooit genoeg hebben, zegt boer Jochum.

.

 

Afronden en klaarmaken

.

.

Daar sta ik dan om elf uur, afgesproken tijd. Ik heb hard gefietst om op tijd terug te zijn. Ik heb mijn fiets op de standaard gezet en mijn rugzak op mijn bordes gelegd. Nu sta ik bij de zithoek. Maar er is niemand te zien. We zouden voor de eerste keer samen in de tuin gaan werken. Genoeg mensen waren enthousiast over een samenwerkmiddag. Maar toch, de één moest zich wel goed voelen, de andere vier zijn wèl bezig met verhuizen, weer een ander gaat drie maanden lang naar Ierland om gedichten te schrijven. Bijna allen zijn dit hele jaar weinig beschikbaar. En Mirre wil de boel graag trekken, maar moet toch steeds rekening houden met haar invalide man. Ik hoop dat het goed komt!

Ik ga naar Jochum, hij heeft het telefoonnummer van Mirre. Ik bel haar meteen. Ze vindt het ontzettend rottig dat ik speciaal teruggekomen ben voor deze afspraak en dat ze er niet is. Haar man is niet zo goed vandaag en het lijkt een koude dag te worden.

De volgende dag is Mirre er heel nadrukkelijk wèl, met lekkere koffie en koek. Ik roep rond dat we gezamenlijk gaan koffiedrinken en dan zitten we daar opeens met zijn vijfen. Er ligt al een tijdje een schoolbord tegen de muur. Daar kwam Tineke mee, een paar weken geleden. Ze was blij dat het een functie kreeg. We pakken het schoolbord en vinden een goed krijtje. We vragen aan Jochum wat hij belangrijk vindt. Het krijtje in mijn vingers vormt woorden op het zwarte vlak. Ook anderen weten wel iets in te brengen. Boer Jochum glimlacht. “Als je nou af en toe zò wil kijken, dan weten wij dat je er blij mee bent!” zeg ik grijnzend en hij knikt tevreden. Vrij snel ontstaat er een lijst. En een uurtje later staan we brandnetels te trekken.

Mirre zegt dat ze, wanneer ze maar kan, op zaterdag en woensdag in de zithoek zit om dit voort te zetten. Ze heeft een boot in de Swette liggen en zij heeft ook geen privéterrein, net zo min als ik dat heb, met mijn Wandelhuisje. Haar man zit sinds twee jaar in een rolstoel. Ze is erg gemotiveerd om naast de zorg voor haar man, iets moois op te bouwen met de mensen van de Swetteblom. Dus haar motivatie staat als een paal boven water. Wie er is krijgt koffie en daarna is er het werk.

Dit geeft mij ruimte. Als zij de stationair motor wordt, al is het nu even op een laag pitje, dan kan ik me voorbereiden op vertrek. Dan is mijn taak gedaan, het aanslingeren van vernieuwing. Zo kan ik met een gerust hart gaan. Langzaam maar zeker verandert alles ten goede.

.

De Swetteblom is een groene oase met hoge bomen aan het water. Het is een plek waar mensen kunnen bijkomen van alle hectiek. Ik plantte er vijf en veertig bloesembomen. Ik rooide brandnetels en maakte een tuin langs het pad. Ik maakte samen met Jochum een zithoek bij de boerderij en sprak veel met hem en bewoonster Maria. Ik hoop dat wat ik achterlaat inspiratie biedt om verder te bouwen. Om samen te werken aan gemeenschappelijke ruimte van groeiend en bloeiend groen. Laat het een deel worden van een eindeloze ketting van bomen en bloemen, waar steeds meer mensen aan mee zullen werken. Daar duim ik voor.

.