Levende wegen

.

.

Ik ben geen reiziger. Ik verzamel verhalen en ik help met het scheppen ervan. “Het rijdende verhalenhuis,” staat er op mijn wagen. Dat klopt. Mijn huisje kàn rijden. Maar ik kies ervoor om te blijven. Deze tijd vraagt daarom. (Luisteren naar het verhaal kan ook, via de knop onderaan de tekst.)

Verdorie, trap ik alweer met mijn klomp in een diepe plas. Ik sta in de wei, met de spade in de hand. Je ziet het niet. Al dat regenwater is verborgen onder het lange gras. Je trapt er in zonder dat je er erg in hebt. En die arme meidoorns staan te verzuipen zonder dat ik het in de gaten had! In het midden van het land heeft zich een ondiepe kom gevormd, daar watert het niet af, ondanks de greppels. Langzaam voel ik mijn sok nat worden. Het regent dikke droppels en ik graaf door. Het moet nu gebeuren, want de pas geplante meidoorns redden het anders niet. Een mooie grote struik is er erg aan toe. In een paar uur tijd zijn de blaadjes bruin gekleurd. Gelukkig zag ik het. Voor deze ene is het vast te laat, maar voor de anderen misschien nog niet.

Aan mijn klompen kleven grote hompen klei. De modder kruipt over het randje heen, mijn natte sokken in. Stom, ik had mijn nieuwe laarzen aan moeten doen. Nou ja, het geeft ook niet. Ik heb het op tijd gezien, dat is belangrijk. Ik graaf kuilen en sleuven, waar het water in kan. Sleuven, slenken en wadi’s, tussen de jonge boompjes door, langs het kronkelpad.

Ik maak het pad niet, het ontstaat. De aarde zit vol geheimen, die zich gaandeweg onthullen. Kuilen, wortels, verborgen zaad. De gang van een mol of het huis van een groep duizendpoten. Ik kan de aarde mijn wil opleggen. Een betegeld pad maken, regelrecht naar perken die ik heb afgebakend. Perken met mijn voedsel. Wat ik wil eten. Ik ben de ontwerper en de baas. Het kan best, nooit meer moddersokken in mijn klompen. Maar ik doe het niet. Ik doe het anders. De aarde en ik zijn steeds in gesprek. Het is geven en nemen, en ik maak kleine stappen. Langzaam vinden we een vaste loop, langs de heuvel, om de kuilen heen. Een pad als dat van de hazen. Elke ochtend rennen ze, ik zie ze tikkertje doen. Daardoor blijven de paden vers, want anders groeien ze dicht.

Zo maak je een Verhalenpad. Niet door te betegelen, want al die rijen tegels maken geen verhalen, ze pletten ze. Een Verhalenpad is een gesprek met de aarde, met de mensen, met wie je oploopt. Sommige mensen denken dat ik een reiziger ben, en een verhalenverteller. Maar ik ben geen reiziger. Ik verzamel verhalen en ik help met het scheppen ervan. “Het rijdende verhalenhuis,” staat er op mijn wagen. Dat klopt. Mijn huisje kàn rijden. Maar ik kies ervoor om te blijven. Deze tijd vraagt daarom. In Nederland is ruimte schaars. In smalle kaalgeschoren bermen is nauwelijks ruimte voor bloemen en beestjes. Ik kan daar overnachten met mijn huisje, in dat smalle strookje, naast de weg. Auto’s en trekkers rijden vlak langs me heen. Soms word ik uitgenodigd. Die mensen hebben een oase gemaakt, om hun huis. Een plek waar je op adem kan komen en waar een palet aan verhalen zich kan wortelen. Ik kan hun gastvrijheid genieten, we kunnen onze verhalen delen en genieten van een vol glas wijn. De eerste avond is prachtig, de tweede is mooi, de derde misschien ook nog wel. Maar daarna raakt de wijn op. Als ik te lang blijf, dan teer ik op hún verhalen. Alles wat zij met vuur en vlam hebben verdedigd, of met veel zweet hebben onderhouden. Het kost moeite om iets voeten in aarde te geven, het afbreken ervan gaat duizend keer sneller. Toerisme is daarop gebaseerd, wandelen op verhalen van anderen. Er worden steeds meer wegen aangelegd om die verhalen van anderen te bereiken. Wegen die weer andere verhalen pletten. Het is een dodelijke weg, die ik niet wil berijden.

In een tijd dat levende verhalen schaarser en schaarser worden, wil ik ze scheppen. Op dit postzegeltje land maak ik het begin van een nieuw, levend pad. En ooit, als alle mensen ontdekt hebben dat het paradijs onder hun eigen voeten ligt, ja, dan zal ik vertrekken en de verhalen aan één kunnen rijgen. Het Rijdende Verhalenhuis zal eindelijk weer rijden op een pad dat bloeit van scheppingskracht. Zal ik dat meemaken? Misschien is dat wel nooit. Dan geef ik mijn stokje door aan een jonge zielsverwant. Een twintiger, die het begrijpt. Ik ontmoet er steeds meer en elke keer ben ik verrast.

Soppend in mijn klompen loop ik terug over het pad, dat zich vormt door mijn voetstappen. Het regent nog steeds en het is koud. In de kou groeit alles trager. Het maakt niet uit. Ik heb de tijd.

.

.

Vitale fossielen

.

.

Als deze oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. (Onder de tekst staat de knop om het verhaal te beluisteren.)

Er zijn plekken waar de tijd stil staat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

“Blijf”.

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt te voorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

.

.

.

De eerste meiregen

.

.

Ik kijk door de kier van de deur. Snel vliegen de wolken door de hemel, als witte droomboten met bollende zeilen. De hopi indianen zagen ze ook. Als het regende, zoals nu, dan werd het land gezegend door de wolkenmensen, die zo neerdaalden en rivierenmensen werden, die terugstroomden naar de zee, om dan weer op te stijgen, de hemel in, als waterdamp.

(Ga naar het voorgelezen verhaal door te klikken op de audiobalk onderaan.)

.

.

Als bij toverslag is het weer veranderd. Viel er gisteren nog een stortbui, vandaag verkwikt een zacht regenbuitje het land. Ik heb de kruiwagen aan de kant gezet, en zit op de drempel van een schaftkeet, die tijdelijk in de berm is gezet. Inmiddels is dat al een half jaar. Hij heeft maar twee wielen. De ingang is scheef omhoog gekieperd en mijn voeten bengelen de afgrond in. De deur hangt op een kier. De regen valt er tussendoor, nog net op mijn knieën. Het is maar een beetje, ik vind het niet erg. Ik luister naar de drukke karekiet in het riet en de ratelende rietzanger. Ik kijk door de kier naar de wolken. Ze zijn net zoals ik ze als kind al tekende, een platte onderkant en een wollige schuimkraag van boven. Ze vliegen snel door de lucht. Boven ons hangt een dikke grijze wolk leeg te regenen, maar aan de horizon zijn ze wit en talrijk als een glanzende kudde schapen.

Als zestienjarige keek ik naar de lucht met heimwee. Het leek of ik daar thuishoorde. Ik zou zo weg kunnen vliegen, het licht in van de ondergaande zon en me op de roze wolken kunnen vlijen. Maar ik wist, dit is niet het moment om weg te vliegen. Geboren worden is al heel wat. En nu werd ik volwassen. Ik moest leren landen met handen en voeten in aarde, zonder de wolken te vergeten. Opgroeien, als een boom.

Ook later heb ik de wolken gezien. Dat was na de dood van mijn grote liefde. Op dat moment leefde ik in een grensgebied, mijn hand reikte uit naar hem, die aan de andere kant was. Vooral in mijn dromen. Op een nacht liep ik over een luchtbrug, een hangbrug die nergens begon en nergens eindigde. Het had een leuning van zacht touw. Ik liep erover en opeens was daar het einde. Witte wolkenkoppen lokten me om in weg te zakken. Maar voor ik een stap verder kon doen, stond daar een man. Ik kon niet om hem heen. Hij schudde zijn hoofd. “Nee,” zei hij zonder woorden, “Jij nog niet. Jij hebt nog iets te doen.” Verbaasd werd ik wakker. Kippenvel.

Wolken zijn niets anders dan waterdamp. Water is leven. Wij mensen bestaan ook voor een heel groot deel uit water. De Hopi indianen geloven dat we, wanneer we dood zijn, opstijgen als waterdamp, en dat we dan wolkenmensen worden. De Hopi hebben vele duizenden jaren geleefd, dit gelovende, met respect voor al het leven. Als het regende, dan werd het land gezegend door hun voorvaderen, door de wolkenmensen, die zo neerdaalden en rivierenmensen werden, die terugstroomden naar de zee, om dan weer op te stijgen, de hemel in, als waterdamp. Snel vliegen de wolken nu door de hemel, als witte droomboten met bollende zeilen. Ik kijk door de kier van de deur. Langzaam wordt de regen minder. Ik ga naar buiten. Ik was mijn handen met het natte gras. En nóg een keer. Met mijn natte handen verfris ik mijn gezicht. Heerlijk. Het doet me goed. Dan loop ik terug, het Verhalenpad op, om aardperen te planten, reuzenriet en gele lupinen.

Die avond eten we rode kool met aardappelen van de markt. Opeens zegt mijn vriend Dick: “Weet je wel dat het 1 mei is? Het is Beltane. Jij hebt mij vertelt wat dat is. Een Keltisch vruchtbaarheidsfeest.” Langzaam dringt het tot mij door. Vandaag wás het! Er zijn twee feesten, Beltane in de lente, en Samhain in de herfst. Op die momenten is de grens tussen de wereld van de levenden en de doden het kleinst. De dauw die dan op het gras ligt is heilig en doet alles groeien. Was je met de zachte meiregen van de eerste mei, en het maakt je vruchtbaar en mooi, van binnen en van buiten. Op één mei zijn de wolkenmensen bij ons, als een voltallig orkest, om ons en de aarde te helpen om tot bloei te komen.

Wist ik dat? Terwijl ik daar zat en de regen bewonderde? Toen ik mijn handen waste en mijn gezicht? Vast! Ik geloof het. En daar kan de wereld nooit slechter van worden. Kijk naar de Hopi indianen, die duizenden jaren hun cultuur hebben kunnen behouden. Samen brengen wij de magie terug. Het water verbindt ons.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

Over de Hopi's.
De Hopi-indianen wonen al duizenden jaren in het noordwesten van Arizona. Hopi' kan worden vertaald als een vreedzaam persoon. Deze Zuidwest-Amerikaanse Indianen bewonen een gebied dat de Black Mesa wordt genoemd, een plateau dat 300 meter boven de omliggende graslanden uitsteekt en naar deze plek verwijst als het centrum van het universum. Ze zijn volledig omgeven door het veel grotere Navajo-reservaat.
Hopi woonde in pueblos of adobe-huizen gemaakt van gedroogde klei en steen. Ze hadden platte daken en meerdere niveaus waar je kwam via een ladder. Eerst had je een ondergrondse catacombe, genaamd een Kiva, bedoeld voor religieuze ceremonies. De bovenste verdiepingen bevatten appartementen zodat de hele familie in het huis kon wonen.
De Hopi-taal is een complexe en moeilijke taal die afstamt van de Azteekse taal en geen verband houdt met andere pueblo-talen. De taal staat bekend om zijn unieke uitdrukking van tijd- en ruimte, die totaal anders is dan onze Westerse tijdsbeleving. 
Land- en tuinbouw waren de hoeksteen van het traditionele Hopi-leven. Met meer dan twintig verschillende maïsvariëteiten, waaronder geel en blauw, was het het meest voorkomende gewas. Ze verbouwden ook pompoen, niet alleen om te eten, maar ook om instrumenten en gebruiksvoorwerpen van te maken. Pompoenen en bonen werden tussen de mais in gezet. De bonen klommen in de mais en gaven de voedzame plant zijn stikstof, en de pompoenen hielden de bodem bedekt en vochtig. Te samen noemt men ze ook wel “De drie gezusters”. Op die manier put je het land nooit uit. Ze verbouwden ook zonnebloem om kleurstoffen en oliën te maken en katoen en tabak.
De Hopi waren bekwame ambachtslieden en hadden een speciale flair voor het maken van aardewerk en ingewikkeld geweven tapijten.
Hopi-aardewerk is zelfs een van de meest herkenbare van alle aardewerkstammen met zijn levendige kleuren en duidelijke hiërogliefen. Het prachtige werk vereist veel aandacht voor detail en urenlang hard werken. Alles wat ze maakten werd gebruikt in het dagelijks leven.
Uit: Native American Indian facts.

Bekijk hier hun verhaal: https://www.pbs.org/video/hopi-origin-story-dc0awe/

.

.

.

Het water verbindt ons

.

.

De strijd tegen het water zit diep ingesleten. Voor boer Sjoerd met zijn grutto’s, betekent dat heel veel werk. Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. (Luister naar het voorgelezen verhaal via de link onderaan de tekst.)

“Dit is geen openbare weg hoor!” Het is een jonge boer op een heel klein trekkertje. Verstoord kijkt hij naar de fotocamera op mijn buik. Ik lijk dik door alle kleren die ik aan heb. Mijn muts heb ik ver over de oren getrokken. De boer heeft geen muts. Een verwarde bos krullen steekt uit boven het stuur van de tractor. Dit is onze eerste kennismaking. Ik ben met Jeroen en Christien op pad. Jeroen, de gedreven greppelkenner, die werkt voor Sjoerd. Zo heet deze zesentwintigjarige boer. Christien staat naast Jeroen te luisteren, met de filmcamera in de hand. Ze heeft me al verscheiden malen opgezocht. Ze studeert Culturele Antropologie, en heeft een project over zelfvoorziening. Onze voedselvoorziening lijkt daarin cruciaal te zijn. Haar haren wapperen in de bries. Hoewel het bijna mei is, staat er nog steeds een koude noordenwind. De grutto’s en kievieten in de wei trekken zich er niks van aan. Die zijn alweer druk aan het broeden. Ja, ook daarvoor komen wij, en om dit oude greppelland te zien, het land van weidevogels, dat de jonge boer beheert en beschermt.

“Ik kom hier kijken,” zeg ik. ,Als het mag. Ik was benieuwd naar je land. Jeroen heeft er veel over verteld. \?., ” Sjoerd knikt. “En waarvoor maak je foto’s?” Ik leg hem uit wat ik doe. “Ze zijn voor mijn blog. Het gaat erover dat we een plek hebben waar we thuishoren. Zoals jij ons hier laat zien.” De boer knikt en zijn houding verandert ogenblikkelijk. “Ben jij niet van dat Wandelhuis? Jij plant bomen, toch?” Ik ben verbaasd dat hij me herkent. “Dat klopt. Ze denken dat ik een reiziger ben. Zo stond het in de kranten.” Grijnzend kijkt hij me aan.”Maar je bent nog steeds hier!” Ik doe een paar stappen dichterbij. We staan nu met zijn drieën om de kleine tractor heen. “Haha. Ik ben helemaal geen reiziger. Ik heb maar één keer een lange reis gemaakt, drie maanden door Friesland.” Sjoerd kijkt even naar de onverharde weg, die voor hem uit naar de boerderij leidt. Dan kijkt hij me opgewekt aan. “Ik ben ook wel eens op reis geweest hoor! Naar Australië. Maar ik ben gauw weer teruggegaan. Er was thuis zoveel te doen! Maar nu ga ik verder. Kijk maar rustig rond hier.” Hij kijkt even naar Christien, met haar camera. Zij zal zijn boodschap vastleggen en de wereld insturen. Het land vertelt een eigen verhaal en Jeroen is onze gids. Met sympathie kijk ik de jonge boer na. Ik houd van zijn directe toon.

Wij lopen de golvende weide op. Greppels en sloten zijn hier niet recht, zoals bij boer Jochum. De grond van Jochum is drooggelegde bodem van de Middelsee. Dit is het oude land aan de andere kant van de Hegedyk. De glooiingen lopen onvoorspelbaar in kronkels en bochten, gevormd door aarde en water. Het land is van zichzelf, oorspronkelijk. Hier dienen de mensenhanden het land, in de wetenschap van dat wat je geeft, ook bij je terugkeert. Het is de zorg om het web van leven, waardoor je uiteindelijk zelf gedragen wordt. Boer Sjoerd begrijpt dat. Dit is ook het hart van de principes van permacultuur. Hij zorgt voor de grutto’s. Om ze te beschermen tegen marters, vossen, ratten en katten, heeft hij een lang hek van schapengaas om het land gezet. Het is wel 4.5 kilometer lang, en staat onder stroom. Het moet steeds gemaaid worden, anders lekt de stroom weg via het lange gras. Het is ontzettend veel werk. Dat moet wel, anders zijn er straks geen grutto’s meer.

Jeroen loopt halsreikend voor ons uit. “Zie je die greppel verderop? Hij staat al bijna droog. Eigenlijk moet hij natter zijn. Dan kunnen de vogels er voedsel vinden.” Behalve het hek, is ook het water een zorg. Sjoerd en zijn vader pompen het omhoog, met een solarpomp. Dat gaat aan de lopende band door. In maart heeft het waterschap weer dramatisch veel water weggepompt uit het land. Terwijl er in de zomer steeds langere periodes van droogte zijn. Terwijl de regens steeds meer in één keer vallen, als slagregens, die de uitgedroogde korst van klei niet meer op kan nemen. Toch blijft het Waterschap wegpompen, uit gewoonte. De strijd tegen het water zit diep ingesleten. Het water spoelt weg.

Voor Sjoerd betekent dat heel veel werk. Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. Je kan het niet wegpompen en het land van Sjoerd overslaan. Sluizen en dammen helpen niet om het bij je te houden. Grondwater kent geen grenzen. Dat is de hele ellende. Als het verdwijnt, verdwijnt het overal.

“Maar waarom zijn die grutto’s nou zo belangrijk”, vraag ik Jeroen. Ik stel me voor dat ik een boer ben. Elke boer moet eerst aan zichzelf denken om het hoofd boven water te houden. Natuurlijk is dit de eerste vraag die je dan stelt. “Wat heb ík daaraan? Je kan ze toch ook gewoon uit laten sterven? Als wij maar brood op het bord krijgen.” Jeroen herhaalt wat ik zelf eerder gezegd heb. “Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. De grutto’s zijn het meest kwetsbaar. Ze hebben gezond land nodig, voor voedsel. Het leven is een web! Wij maken daar ook deel van uit. Als de grutto’s uitsterven is dat ook voor onze voedselvoorziening geen boodschap waar je blij van wordt. De gevolgen zie je misschien niet direct op je bord. Het duurt langer. Maar we moeten nu al koers wijzigen, anders wordt het heel moeilijk. Als we naar de grutto’s kijken, kijken we naar onze eigen toekomst.”

We lopen terug naar de weg. Jeroen slaat af naar links, hij gaat Sjoerd helpen met mest scheppen. Christien en ik bekijken de permacultuurtuin. Het is een klein stuk grond, in de vorm van een driehoek. Van alle kanten is het omringt door riet, en aan één kant glinstert het water, dat van daaruit in een natuurlijke bocht verder stroomt. Hier en daar die ik een ondiepe, zelfgegraven greppel. Ik pak de zwarte grond in mijn hand en het voelt soepel en vochtig aan. We wandelen langs de palmkolen en prei en kijken naar de kersenbomen, die nog niet in bloei staan. We kijken onze ogen uit. Wat een prachtig plekje.

Doorgaan op land dat in zijn natuurlijke staat is gebleven, is veel makkelijker dan verstoorde bodems te moeten herstellen. Daar is tijd voor nodig en wijsheid. Het beste is om mee te gaan met wat er al is. Je te verbinden met je eigen bodem. Mensen horen bij hun grond, net als de grutto’s die terugkeren om te nestelen. Sjoerd hoort bij dit land als geen ander. Mensen zoals hij worden steeds zeldzamer. Je hoeft het niet met alles eens te zijn wat hij doet. Daar gaat het niet om. Maar laten we ze koesteren.

.

.

In dit artikel lees je meer over permacultuur vanuit een andere cultuur. De principes komen overeen en vooral het eerbaar oogsten wil ik graag helpen uitdragen. Ik leerde dit van mijn moeder. Maar voor velen is dit niet zo vanzelfsprekend. https://chantalvangenderen.com/artikel-permacultuur-magazine-eerbaar-oogsten/

Broedsels langs het smalle pad

.

Al die mensen met hun wensen, het zijn allemaal eilandjes.. Zou dit ooit een kralenketting kunnen worden? En is vertrouwen in elkaar dan niet de draad om mee te rijgen?

Luister naar het voorgelezen verhaal onderaan de tekst.

Ik loop met boer Jochum langs het Verhalenpad. Het pad ligt op zijn land, dus ik bespreek met hem wat ik doe. Een verhalenpad moet groeien. De zon schijnt, maar de wind waait al dagenlang uit het Noorden. “In de zon is het warm, maar de wind is koud!” zegt Jochum, terwijl hij om zich heen kijkt. Zo is het, elke lente opnieuw. De vinken en de mussen kwetteren hetzelfde als de mensen, zolang de seizoenen bestaan. “De wind is koud, koud koud!” roepen ze. Maar hier, langs het verhalenpad, zijn nog geen mezen en mussen. De bomen zijn nog veel te klein, ze hebben hier niks te zoeken. Ik ben benieuwd wanneer het zover is, dat ze dit nieuwe groeiende bosje gaan ontdekken.

We lopen links langs het dijkje het kronkelpad op, waar de eerste bomen zijn geplant. De boer kijkt om zich heen. Eigenlijk wou hij hier een moestuin, maar niemand op de camping had er zin in om op die winderige vlakte te gaan tuinieren. Ik pak het anders aan. Ik begin met een windhaag. Daar moet boer Jochum aan wennen. Hij is ook gehecht aan het uitzicht. “Dus als het me toch niet bevalt, dan mag ik van jou alles omzagen?” vraagt hij me. Ik moet even slikken maar geef resoluut antwoord. “Ja. Zo is het. Dat hebben we afgesproken. Jij hebt het laatste woord, het is jouw land.” Gelijk daarna denk ik, als dat zo is, wil ik dat niet meemaken. Dan ga ik aan de wandel, met mijn huis! Maar er is niet veel wat er op wijst, dat dit nodig zal zijn. Jochum zijn gezicht staat steeds vrolijker, vooral wanneer hij aan het einde komt. Daar heb ik al meer dan honderd wilgen geplant, dicht opéén, zodat het een haag kan worden. In een halfronde cirkel ligt het om het einde van het dijkje heen en houdt zo het meeste van de zuidwestewind tegen die daar flink tekeer kan gaan. Het wordt een heerlijke beschutte plek. “Dit wordt de theetuin,” zegt Jochum. Stil laten we onze verbeelding gaan. Hoe zal dit uitgroeien?

Ik doe dit met het vertrouwen dat het wat wordt. Ik beloof dat de boer het laatste woord heeft, maar ik praat met hem over mijn keuzes en met anderen die komen kijken. Het is een groot stuk grond, wel honderd meter lang en vijftien meter breed. Er ligt over de hele lengte een dijkje op. Dat is grond uit de sloot, die ooit is verbreed en uitgediept. Alles is klei en nog eens klei. Het werk gaat langzaam. Langzaamaan, dan breekt het lijntje niet, luidt een oud, vergeten spreekwoord. Daar denk ik vaak aan. Gestadigheid maakt dat er iets kan wortelen. Gestadigheid en vertrouwen liggen dicht bij elkaar.

Zal het verhalenpad doorgaan? Zal het deel uit gaan maken van iets groters in dit land? Wie zal er het zijne toevoegen, wanneer ik vertrokken ben? Steeds meer mensen verlangen naar een holistischer benadering. Dat gaat ook over landverdeling. Boeren zijn verplicht om drie procent van hun land natuur te behouden. Er wordt over nagedacht hoe die stukken aanééngesloten kunnen worden. Misschien moeten er landschapsmanagers komen, om met al die boeren tot overéénstemming te komen. Zou een verhalenpad daar ook in passen? Een pad waar je buiten het broedseizoen toegang hebt? Ik ken meer mensen die ermee bezig zijn. De één wil een heel oud dijkpad herstellen, anderen willen een gedichtenpad maken. Het zijn allemaal eilandjes, om me heen. Zou dit ooit een kralenketting kunnen worden? En is vertrouwen in elkaar dan niet de draad om mee te rijgen?

Ik loop met Jochum terug. Trots kijk ik naar mijn paadje. Je kan goed zien dat het een paadje is. Het gras is kort, de grond is droog en hard, soms met wit zand, dat ik heb aangevoerd. Sommige stukken zijn opgehoogd met plaggen. We lopen langs de twee kruiwagens, langs de grondboor, achteloos neergegooid in het gras. Ernaast ligt het plamuurmes, waarmee ik hem telkens schoonmaak. We lopen verder, achter elkaar over het smalle pad, langs de kleine hoop compost, tot we weer bij het hek zijn. “Hier broedt een meerkoet,” zeg ik, terwijl ik terloops naar beneden kijk. “O ja?” vraagt Jochum opgewekt. Daar beneden is een kruising van twee sloten. Op de hoeken van de sloothelling wordt minder goed gemaaid. Er blijft wat riet staan. Ik heb er een wilgje geplant. Precies daaronder zie ik een zwartwit kopje waakzaam omhoog gericht. Van ons heeft ze niks te vrezen. We lopen door. Maar ik glimlach stilletjes. Zie, het eerste verhaal is er al, langs het pad. Het vult zich vanzelf in, met de sprankelende tover van lente. Mooier kan ik niet bedenken.

PS: De eieren zijn een dag later verdwenen. Er zijn geen kuikens. De twee meerkoeten zwemmen een eind verderop in de sloot. Bovenin een grote schietwilg zit een kraaiennest. Er is nog te weinig beschutting.

Artikel: https://www.groene.nl/artikel/boeren-zijn-als-artsen

Struinen om te planten

.

Alowieke van Beusekom

.

“Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” (Onder het verhaal vind je de link om te luisteren.)

Het is lente, zeggen ze. Maar in Friesland is het nog koud, en het blad aan de bomen heeft zich nog niet ontvouwd. Ik heb tot 1 mei om te planten, zegt de kweker. Ik werk aan het verhalenpad. Het groeit onder mijn handen. Ik heb een paar mooie hazelaars gekocht met grote noten. Ja dat komt straks pas, want eerst moeten ze nog groeien. Maar daarvoor hebben ze wel beschutting nodig, hier op de vlakte. Daarvoor heb ik veel bomen en struiken nodig. Ik verzamel stekken en jonge loten, al dan niet geworteld. Ik spit ze uit hier op het terrein of ik zie ze als ik wandel of op de fiets zit. Ik geef mijn ogen de kost en aarzel niet om te vragen.

Bij de kozijnenhandel staan verwilderde bosjes met bloeiende gele Forcitia. Daar fiets ik nu heen.

Mijn fietskarretje rammelt op de weg. Het zit met een touw vastgeknoopt aan mijn bagagedrager. Dat gaat best goed, als ik maar geen scherpe bocht neem, dan schiet hij ernaast. Ik verlaat het fietspad en steek met ruime bocht in bij de kozijnenhandel. Ik zet mijn fiets op de standaard en loop op twee mannen af, gekleed in overals. Een enorme viking grijnst me toe, de ander bekijkt me aandachtig. “Bent u van hier?” vraag ik. Het is de kleinere man die antwoord geeft. “Ja. Zeg het maar.” Ik vertel wat ik van plan ben. “Vorige week was ik hier ook al even, om te vragen of ik wat jonge uitlopers mag wegscheppen. Ik leg verderop een bosje aan, zie je. Bij mij krijgen ze een nieuw leven als volwassen struik.” De Viking grijnst nog breder. De kleinere man is kennelijk de baas hier. Hij knikt en haalt zijn schouders op. “Je schept maar raak,” zegt hij. Het zal hem een worst zijn. Ik pak mijn schep en loop naar voren. Er is een hek, dat gesloten is. Erachter zie ik verwilderde buxussen en laurierkers met takken die ver over het pad hangen. Een merel schiet weg onder de struiken en ergens hoor ik een tjifttjaf. Dit is een vogelplek. Zou hier ooit nog iemand komen? Ik ga in elk geval niet door het hek. Laat maar. Ik loop terug naar de Forsitia, die vooraan staat. Over een paar liggende takken is een berg blad verteerd. Onder die voedselrijke compost zijn de takken gaan wortelen. Ik steek mijn spade er onder en raak meteen iets hards. Ik schraap de aarde weg en zie grindtegels. Kennelijk heeft het er hier bij de opening van het bedrijf heel netjes uit gezien. Ik kan de geworteld takken zo wegscheppen en knip ze af van de moederstruik. Ik schraap drie tegels schoon, zodat ze weer kunnen zien dat hier een mooi stoepje ligt. Zou iemand het zien? Ik denk het niet. Dan laad ik mijn karretje tot ik de bodem niet meer kan zien. Ik steek mijn hand op naar de mannen en fiets weg, naar het volgende adres.

Vlakbij een statig landhuis groeit een katjeswilg langs de weg. Welke het is weet ik niet precies. Er zijn wel vierhonderd wilgensoorten. De snelle schietwilg is overal dominant aanwezig. Er komen nauwelijks katjes aan. De katjeswilg die ik opzoek, bloeit met lieve gele pluisjes. Hij maakt overal takken waar hij kan, die als lange armen tussen de andere doorkronkelen. Het geheel maakt de indruk van een chaotische, uit de klauwen gegroeide struik. De onderste takken zijn altijd dood, maar sommige nog niet. Die red ik door ze te snoeien. Ik geef ze een eigen leven als boom. Dat gaat heel makkelijk. Je zet ze in de grond en ze doen het. Toch heb ik hier in de wijde omtrek maar vijf van die mooie katwilgen ontdekt. Dat kunnen er veel meer worden.

Zonder aarzelen zet ik mijn fiets langs de weg en loop de oprit op van het prachtige huis. Ik wil eerst even toestemming vragen. Naast het huis groeit een klein bos, op hoge ronde ruggen met greppels ertussen. Er staat een deftige paal in de hoek van het bos, met een tekst die je niet kan lezen. De stenen zijn groen van het mos. Je kan aan alles zien dat het heel oud is. Sinds ik het ontdekt heb, ben ik erdoor gefascineerd. Ik zou er graag eens op ontdekkingstocht gaan. Maar het hoort bij het landhuis.

Ik loop langs het keurig onderhouden grasveld naar het huis toe. Ergens achter hoor ik stemmen. Kleine jongens en een kort antwoord van een volwassen man. Als ik het hoekje omloop, zie ik twee jochies in de weer met een groot kleed. Een grijze man met een jong gezicht staat met een telefoon in zijn hand. Hij groet me opgewekt. “Mag ik wat vragen,” begin ik “Langs de weg staat een katwilg, is het goed dat ik daar wat takken afsnoei om te laten wortelen?” Hij knikt. “Ga je gang maar.” Ik bedank hem en kijk nog even bewonderend om me heen. Achter het huis staat een heel oud mooi gemetseld huisje met raampjes erin. Een schuurtje? “Wat een prachtige plek is dit!” zeg ik, nog steeds om me heen kijkend. De man grijnst. “Ja dat vonden wij ook,” zegt de man grijnzend. De jongetjes hebben intussen het kleed over een tafel gelegd en kruipen er onderdoor. Ze schieten tussen de man en mij door, de tuin in. Weg zijn ze. Ik vraag hoelang hij hier woont. “Een half jaar,” antwoord hij rustig. Dan kijkt hij abrupt naar zijn telefoon. “Ik moet nu even antwoord geven,” zegt hij verontschuldigend. Ik steek mijn hand op en loop weg. Als ik halverwege ben valt mijn oog op de struik, in het midden van het grasveld. Wat is het? Op dat moment gaat opnieuw zijn telefoon af. Hij pakt hem uit zijn zak en praat weer. Het is wat, als je zo’n drukke baan hebt en ook nog een groot huis, een tuin, en kleinkinderen. Ik ben maar wat blij met mijn kleine huis op wielen!

Ik loop het pad af. In de verte zie ik de katjeswilg al. Wat een mooie lange takken! Straks, als de lente komt, mogen ze bomen worden. Het wordt wat. Nee, het ís al wat!

.

Al die vormen en smaken!

.

.

Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. (Onderaan de tekst vind je de link naar het voorgelezen verhaal.)

.

Ik sta bij de groente op de markt. Het is al middag en het is rustig. Ze staan met zijn drieën achter de kraam en behalve mij is er maar één andere klant. Femke helpt me. Eén voor één geeft ze alles aan wat ik noem, tot ik al mijn boodschappen bij elkaar heb. De eerste bloemkool van het jaar, valappeltjes en een dikke vuile peen. “Ben je nog steeds Fries aan het leren?” vraagt Femke. Ze is oprecht geïnteresseerd, er is niet veel import die de moeite neemt om de originele taal te leren, een taal die toch uniek is en al eeuwen hier gesproken wordt. Leren hoeft ook niet, de Friezen spreken allemaal Nederlands en het is maar een enkeling die met me in zijn of haar moedertaal spreekt. Ik vind dat wel jammer. “Er is schroom onder de Friezen,”, zegt Femke spijtig. Het Fries is niet de enige uitstervende taal. Elke dag sterft er een taal uit. En daarmee sterven tal van woorden die de wereld beschrijven vanuit een heel eigen cultuur.

“Nee,” antwoord ik op haar vraag. “Ik leer weinig Fries meer. Het ligt stil. Ik ben bomen aan het planten. Dat heeft nu prioriteit. Het is veel werk en het moet nu gebeuren.” Ze kijkt me opgewekt aan. “Hoe heetten die kleine pruimenboompjes nou, die je hebt geplant?” Ik ben verrast dat ze dat nog weet. De pruimenboompjes zijn mij lief. Ik heb er honderd meegenomen naar Friesland, ik heb ze een jaar lang verzorgd tot ze een flinke wortelkluit hadden. Ze hebben op diverse locaties een plek gevonden en ze doen het allemaal goed. “Kerspuim,” zeg ik dan “Maar ze noemen ze ook wel kroosjes. Klein en geel. Is er een naam voor in het Fries?” Femke denkt even na. “Ik denk dat ik het wel weet. Misschien is het de Wichtprume. De Groningers noemen ze ook zo. Een wicht is een meisje.” Terwijl ze vertelt kijk ik even opzij. De andere klant is ondertussen klaar. De man die haar hielp komt naar ons toen om te luisteren waar we het over hebben. Fruit en alles wat er te maken heeft, hij kan er geen genoeg van krijgen. Femke vertelt verder. “Ze heten zo omdat ze een spleetje hebben. Net als een k…..” Onbekommerd noemt ze het woord. De luisterende groenteman verschiet van kleur en kijkt alsof hij een oorwurm heeft ingeslikt. Ik schaterlach. De man schiet met een scheef lachje bij ons vandaan, naar de andere kant van de kraam. ”Hier hoor ik niet bij hoor!” roept hij. Femke en ik lachen uitbundig.

Dit is een moment wat ik koester. Het is sprankelend van vitaliteit, het is een voorval dat ook duizend jaar geleden had kunnen gebeuren. Het leven in al zijn vormen prikkelt onze fantasie, we hebben in al die eeuwen talloze woorden gegeven aan het voedsel dat groeide uit onze eigen bodem. Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. Dat kunnen we. Dat maakt ons mens. Althans, zo is het altijd geweest! Laat het weer zo zijn. Alleen dan keert de vitaliteit terug. De grote variatie in ons voedsel hoort verbonden te zijn met onze oorsprong. Lang leve de vrije komkommer die gewoon krom mag zijn, de tomaat die groeit als een hartje, de verbazing over de zachte perzik en al dat fruit in ontelbare vormen en smaken. Laten we nooit ophouden daar namen aan te geven, het laten groeien, het te bezingen. En laten we tegelijkertijd de talen koesteren die al dat leven hebben beschreven. Voor het te laat is.

Ik betaal en stop mijn tassen vol. Terug naar huis. Terug naar mijn spade en het verhalenpad.

.

Ik heb iets te vieren

.

.

.

Gisteren deed ik een test: ”Je verborgen impact.” Alles wat je doet, alles wat je gebruikt, eet of drinkt, komt ergens vandaan. (Onder de tekst staat de link naar het voorgelezen verhaal.)

Ooit was het leven nog eenvoudig. Toen was het vrij duidelijk waar alles vandaan kwam. De melk die je dronk kwam van een koe die je kon zien. Eten kocht je bij je eigen boer, wol kwam van het schaap, en de meeste vrouwen sponnen en breiden zelf. Er is ook een tijd geweest dat mannen breiden. Er was veel praktische kennis. Veel vakmanschap was lokaal aanwezig en je hoefde nooit ver te gaan. Nu is dat anders. Er is een veelheid aan spullen en mogelijkheden en al die spullen, al die mensen en al dat eten wordt over grote afstanden verplaatst. Er gaan bossen voor naar de vlakte, er wordt water verspild en vervuild. Al zijn Nederlanders grote gebruikers, wij zien maar een fractie van de impact die onze levensstijl heeft. Vandaar de naam van de test: “Je verborgen impact.” Ze noemen het ook wel: ”Je ecologische voetafdruk.” Nou is het niet zozeer dat ik daar dagelijks mee bezig ben en steeds aan het rekenen ben wat mijn impact is. Eigenlijk nooit. Eenvoudig leven in verbinding met de Aarde is mijn enige echte intentie. Het maakt me helder en sterk. Ik woon in een rijk land, maar ik beheers me in mijn doen en laten. Het is een enigszins Spartaanse ontdekkingstocht. Ik wil niet anders, al wijkt mijn leven af van wat tot nog toe normaal gevonden wordt. Maar de wereld verandert. Steeds meer mensen zeggen: “We kunnen niet meer terug naar het oude normaal.” Misschien is wat ik doe niet zo gek meer.

Ik deed de test. Ik was nieuwsgierig. En wat is de uitkomst? Als iedereen leefde zoals ik, dan hadden we maar een halve aarde nodig! Dan kan de wereldbevolking verdubbelen! Wat doe ik en wat doe ik niet? Ik zal het eerlijk vertellen.

  1. Ik douche niet meer. Ik badder elke dag in de Swette en was mijn haar 1x in de tien dagen onder de kraan. Mijn deodorant maak ik zelf van himalayazout en water.
  2. Ik reis maar een paar keer per jaar, en ga dan met de trein. Ik blijf in Nederland.
  3. Ik eet elke dag één boterham met kaas en eet ongeveer twee keer per jaar vlees. Ik ben klein en tanig en kan met weinig voedsel aardig wat werk verzetten.
  4. Mijn huis is 6 M2 meter en goed geïsoleerd, dus weinig energiegebruik.
  5. Omdat ik veel buiten aan het werk ben, heb ik het niet snel koud en heb ik ook niet de hele dag de kachel aan. Ook het koude bad in de ochtend zorgt dat ik mijn bruine vet omzet in eigengemaakte warmte.
  6. Ik haal mijn water in flessen en gebruik ongeveer drie liter per dag.
  7. Kleren koop ik één keer per jaar, soms iets heel moois en nieuw voor netjes, maar verder het liefste tweedehands. Omdat ik maar een klein kledingkastje heb, heb ik maar een kleine garderobe.
  8. Ik koop zelden nieuwe spullen. In een klein huisje ligt het gauw in de weg. In 2020 kocht ik vier mooie kommen in een lokale keukenwinkel, en ook een Molenaarmesje. Verder kocht ik twee mondkapjes, plakband, een tandenborstel, een pen en knijpers en een leesbril. De rest had ik al. Goed gereedschap vind ik belangrijk om te hebben. Ik wil zelf dingen kunnen maken en ook repareren. Kwaliteit is belangrijk. Goed gereedschap gaat vele jaren mee. Als ik spullen koop, koop ik het in de eerste plaats bij kleine zelfstandige ondernemers en nooit bij de Action. De kwaliteit is er stukken beter en ook het persoonlijk contact en het advies.
  9. Ik composteer mijn poep tot compost en laat daar zonnebloemen op groeien.
  10. Ik doe één keer in de twee maanden de was. Daarin speelt mee dat er ’s winters weinig ruimte is om het te laten drogen, en dat het dan zo vochtig is. Maar uiteindelijk bevalt het goed. En voor de wereld is het beter. Vooral het wassen van fleecekleding is erg schadelijk. Het hele strand ligt vol met microscopisch kleine bolletjes plastic, afkomstig van al die wasbeurten.
  11. Ik koop zo weinig mogelijk voedsel verpakt in plastic. Op de markt in Leeuwarden kan ik veel biologisch eten kopen wat los wordt verkocht of wat in papier is verpakt. Ook granen en peulvruchten.

Waarin ik zondig omdat ik er veel plezier aan beleef:

  1. Ik houd van sterke koffie met melk. Koffie komt van ver, dus is het een luxeproduct. Ik drink 1 kopje per dag. Soms meer.
  2. Ik laat één keer per jaar highligts in mijn haar zetten, door de kapper. (Ik schep er veel plezier in om me af en toe heel netjes en vrouwelijk te kleden.)

Het mooist is, dat ik ter compensatie voor mijn bestaan 370 bomen moet planten. Nu heb ik inmiddels meer dan 400 bomen een plek gegeven! Dus nu sta ik net als natuurvolkeren, op de positieve lijst. Mijn bestaan voegt iets toe aan de gezondheid van de aarde. Dat ik daarin iets kan betekenen, op mijn eigen bescheiden wijze, dat is voor mij zo waardevol! Ja, ik ben een goede tekenaar en kan schrijven. Ik kan ontwerpen en bouwen. Maar bovenal kan ik hele mooie plekken scheppen, vol bloemen, grassen en bomen, vol insecten en andere dieren. En ik ga nog meer bomen planten. Levend in eenvoud scheppen we een nieuwe wereld.

Doe de test: https://mijnverborgenimpact.nl/

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

De foto’s zijn van Elske Riemersma.

Ubuntu aan de Oudegracht

.

Uiteindelijk zitten we met zijn allen in hetzelfde schuitje.

.

Ubuntu komt uit Zuid Afrika. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Ook in Utrecht vind ik het terug, op de plek waar ik mijn wortels heb. (Luister naar het voorgelezen verhaal door op de link onderaan te klikken.)

.

Op een geelblauwe OV fiets rijd ik het station van Utrecht uit. Op de brug naar het centrum sta ik even stil om te kijken naar het water in de singel, die opnieuw is uitgegraven. Het is al meer dan twintig jaar geleden, dat we een referendum hadden over de uitvoer van dit plan. Het stukje vierbaansweg dat hier ooit onder de grond verdween, is nu niet meer dan een dwaling in de geschiedenis. Hoeveel dwalingen moeten we maken, om te ontdekken wat van waarde is? Ik kijk naar de grote bomen die pas langs het water zijn geplant. Dan fiets ik verder. Ik heb honger. Hier vlakbij kan ik een biologisch broodje kopen. Dat is al decennialang zo.

Als ik de Zadelstraat in fiets, is tot mijn verbazing de Groene Winkel weg. Er is nu een kledingwinkel. Wat raar. Wie begint er nu een kledingzaak in deze tijd. Dat heeft toch geen prioriteit?? Ik besluit om door te fietsen naar mijn eigen buurtje, de Twijnstraat. Daar is ook een biologische winkel. Ik steek de Oudegracht over, langs de Donkere Gaard en de Lichte Gaard. Het is stil. Terrasjes zijn leeg en er loopt maar een enkeling op straat. Ik slalom weer terug naar de overkant van de Oudegracht. Uiteindelijk nader ik mijn doel en fiets de vertrouwde kleine straat in, die daar al meer dan duizend jaar winkelstraat ligt te zijn. Ik zet mijn fiets neer en ga Ecoplaza binnen. Althans, dat denk ik. Het hoekje van de groente ligt erbij zoals altijd. Ik hoef geen groente en loop door. Dan word ik overvallen door een veelheid aan producten en uitstallingen en de overheersende kleur geel. Verdorie, ik ben in een Jumbo! Ontdaan ga ik naar buiten. Allebei de biowinkels weg. Hoe kan dat nou?

Alles verandert. Veel kleinschaligheid gaat op in grote ketens en anonieme winkels. Gelukkig is er nog de Werf. De plek aan het water van de gracht, waar mijn wortels liggen. Waar de creatieve Willem woont in mijn oude huis, naast zijn buurman David. Soms hoor je hun muziek zacht door de werfdeuren heen. De klanken zwerven over het glinsterende water van de gracht. Alles is stil, de avondklok heeft reeds geluid. Dit is de wereld onder de straat, die je pas ontdekt als je de trap afloopt. In de middeleeuwse catacomben huizen hier nog altijd creatievelingen. Al jaren! Onder de oude bomen is dit een vrijplaats, een bolwerk dat zichzelf steeds vernieuwt. Maar het zijn oude wortels, die de warme glans geven aan dit straatgezicht. En daar, in de hoek, daar zit Jules.

Ik zet mijn fiets neer tegen de reling van de brug en kijk naar beneden. Het is de grijze beeldhouwer, die ik als eerste zie. Nog altijd werkt hij voor zijn kleine werfkelder aan zijn houten beelden. In weer en wind is hij dagelijks buiten, onder een driehoekig wit zeil. Hij is niet vaak alleen. Er zitten nu vijf mensen om hem heen. Twee dames praten aan de picknicktafel. Naast hen liggen van die gekronkelde takken, die ze vaak voor bloemstukken gebruiken. In de hoek liggen er nog veel meer. Twee meter verder is een jonge vrouw aan het werk. Haar werk staat op een hoge boomstronk. Met de beitel houwt ze gestadig aan een beeld vol bochtjes en bollingen. Naast Jules zit een iets oudere vrouw met stijl donker haar. Ze kijkt me ernstig aan. Maar het meest verrast ben ik door de aanwezigheid van een grijnzende zwarte man, in vrolijke kleuren gehuld. Iedereen kijkt hoe ik de trap afkom.

“Wat een gezellige boel hier,” groet ik het gezelschap. “Dit is het enige gezellige plekje in het hele centrum”, vervolg ik, terwijl ik om me heen kijk. Mijn stem klinkt vastbesloten en trots. Ja, trots ben ik op mijn oude buurman, die hier nog altijd werkt. Het rustige geklop van zijn beitel dat al dertig jaar of langer tussen de huizen klinkt. Ik voel me thuis bij zijn eenvoudige manier van leven, en ik heb bewondering voor hem. Steeds weer redt hij het, om van zijn beelden rond te komen. De zwarte man heeft ook een beitel in de hand. De andere steekt hij op naar mij. Ik groet hem vrolijk terug met een handgebaar. Dan kijk ik om naar de donkere vrouw die zit te wiebelen op haar stoel. Zij wil ook kennis maken. “Ik ben Jaqueline,” zegt ze, nog steeds even ernstig. Ik noem mijn naam en ga op de enige lege stoel zitten. Behalve de mensen, is het de boomspiegel die mijn aandacht trekt. Het is met aandacht ingericht tot een mooie tuin. Ik zie longkruid, varens, gele dovenetel… “Mooi zeg, al die plantjes,” zeg ik hardop. Jules wijst naar de zwarte man. “Dat heeft hij gedaan”. Ik lach de man toe, opnieuw verrast. “Dat deed ik vroeger,” zeg ik. “Toen ik hier nog woonde.” Op dat moment komt er iemand uit de deur vlak naast ons. Het is een vitale lange man van een jaar of zestig. “Mag ik bij jou mijn telefoon opladen?” vraagt hij. Jules knikt en de lange man duikt behendig door de kleine deuropening de stoffige werkplaats in. “Wie is dat?” vraag ik. “Hij is mijn buurman,” zegt Jules. “Hij heeft het gekraakt. Een werfkelder zonder elektra en zonder verwarming. Knap hoor, deze winter, met die kou.” Jules kijkt in gedachten voor zich uit. In de gracht zwemt dezelfde gans als vorig jaar, samen met twee eenden. Hoewel ik deze plek zó goed ken, ben ik er stil van hier weer te zijn. Alles lijkt hetzelfde en toch is het anders. De wereld is veranderd. En door al die veranderingen, krijgt deze plek een eeuwigheidsglans. Het is als een parel in een oester, beschermd door de oude werfmuren en de kruin van de moerbeiboom. Beschermd door de mensen die hier zijn. Het is als een Lothloriën van Tolkien, een plek buiten de tijd. Je zou dit overal ter wereld zou kunnen treffen, waar men zichzelf blijft en waar creatieve intelligentie zich thuis voelt. Je vindt er mensen van allerlei afkomst. Dit had in Afrika kunnen zijn, of in Australië.

Wat is van waarde?

Mensen met weinig geld moeten wel creatief zijn. Je bent meer aangewezen op elkaar. Doen wat bij je hoort kun je veel belangrijker vinden dan geld. Daar kies je voor. Een goeie omgang met je buurman ook. Toch gaat de wereld gebukt onder de mensen die in de ban zijn van iets heel anders. Geld, macht, roem. Iedereen mag fouten maken, daarvoor zijn we hier. We mogen gouden torens bouwen en weer afbreken. Naar de top klimmen en naar beneden donderen. Hele volksstammen dragen de gevolgen, door de lawine die er door ontstaat. Daar denk ik aan, terwijl ik hier zit. De straat boven me is stil. Het eens zo bedrijvige centrum van Utrecht ligt er verlaten bij. Maar de verbreding van snelweg moet doorgang vinden, verderop, bij Amelisweerd. Ondanks die gedachte ontspan ik me, en kijk tevreden naar de stoppelbaard van de beeldhouwer naast me. Goddank zijn er nog altijd plekken als deze. Plekken buiten de tijd, waar creatieve gastvrijheid door vele handen wordt gedragen. Dit moet Ubuntu zijn. Ik ben, omdat wij zijn.

.

.

.

“Umuntu Ngumntu Ngbantu: “Ik ben…. omdat wij zijn!”

Ubuntu is een van origine (Zuidelijk) Afrikaanse existentiële wijsheid. Wij in onze wereld kunnen er veel van leren. Het gaat om een diepgeworteld besef dat we in alles met elkaar verbonden zijn. De Ubuntu-geest zegt: ‘ik ben, omdat wij zijn’. Zet hiertegenover onze westerse Descartes-overtuiging: “ik denk dus ik besta”, en ervaar hoe weinig ruimte er in die gedachte zit! De geest van Ubuntu leidt ons naar de transitie die we nodig hebben. We kunnen het vertalen naar onze organisaties en communities. Dit, opdat mensen weer gaan vertrouwen in de kracht van het dialoog.

.

.

.

Leefruimte

.

Uit het boek: Langs kantelende wegen, zie de link onderaan.

.

Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig. (De link naar het voorgelezen verhaal vind je onderaan. )

Op mijn blauwe klompen klos ik het bordes op van m’n vriend Dick. Het is een klein groen huisje, aan de rand van de weilanden. Het is klein, maar toch wel twee keer zo groot als dat van mij. Het is een heel eind lopen, om er te komen. Ik vind het leuk dat hij ook eenvoudig leeft.

De stormachtige wind waait hard over het weiland. Ik veeg mijn modderklompen af aan een opstaande rand. Voorzichtig doe ik de deur open. Hij draait naar buiten, ik moet uitkijken dat hij niet uit mijn handen klapt. Terwijl ik mijn klompen uitdoe, hoor ik binnen het geluid van de radio. Er is reclame. “Stem op 50+”, hoor ik een vrouw zeggen met een wat monotone stem. Dick fronst zijn wenkbrauwen en kijkt op van zijn laptop. “Dit vind ik zo’n irritante partij! Ze hebben het alleen maar over pietluttige geldzaakjes. Ze denken alleen aan zichzelf, terwijl ze gewoonlijk geld zat hebben.” Ik kijk hem aan. “Als ze alleen aan zichzelf denken, hoe kunnen ze dan samenwerken in een partij?” Vraag ik. En ik denk over zijn opmerking na, terwijl ik water opzet voor thee. “Om het tij te keren moeten we meer in verbanden gaan denken, als Ubuntu. Dat is best lastig in een wereld waarin mensen vooral denken aan hun eigenbelang. Is het dat wat je bedoelt?” Hij kijkt op. “Ja, dat”, zegt hij kort. Dan gaat hij weer door met schrijven. Dat is wat we gemeen hebben. Allebei schrijven we over een mooiere aarde, en wat je daaraan kan doen. Alleen schrijf ik vanuit mijn eigen leven, vaak praktisch, soms verdiepend en filosofisch. In de tijd dat ik ’s ochtends de Swette in stap en mijn oefeningen doe, leest hij elders in zijn huurhuisje de krant. Hij heeft een eigen website en houdt interviews. We praten er vaak over. Hoe maak je de wereld mooier. Waarom leven we liever in een tiny house?

Dick is niet de enige met wie ik daarover praat. Er komen soms mensen bij me langs, die er over na denken. Het gaat over landgebruik en mensen, geschiedenis en toekomst. Er is veel te delen. “De dieren hebben woningnood”, schrijft Natuurmonumenten aan de minister. Er is algehele woningnood, voor mensen én voor dieren. Reekalfjes die verstopt liggen in maisvelden worden kapotgereden door grote tractoren. Reekalfjes in natuurgebieden worden gedood en aangevreten door loslopende honden. Recreatie loopt fors uit de klauwen. Het is maar een voorbeeld. Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig.

Ik maak een klein begin. Samen met Linde werk ik aan een nieuw pad. Ik zie het als symbool voor een veel groter pad, waar ieder mens een begin aan kan maken. We laten een klein stuk land begroeien, Linde en ik. Het is een verhaal, dat je delen kan. Slechts een speldeknop is het, in het uitgestrekte biljartlaken van groene weilanden, maar toch, het ís iets.

Al die hectares met monotone akkers. Het tekort aan leefruimte. Hoe kan het anders, en wel zó, dat de boer er ook beter op wordt? Hiermee eindig ik. Precies op de dag van de verkiezingen. Ja, ik ga ook stemmen, en wel met deze vraag in mijn gedachten.

.

Luister hier

.

Bestel hier mijn boek: https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-is-uit-bestellen-kan-hier/

Groene Verhalen, de site van Dick.

.

.