Verhuizing van de houtmieren

Alles verandert en gaat toch door. Als de ene hand de andere maar wast.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt zes minuten.


Alles is rustig, de zon is al een tijdje op. Er is bijna geen wind en de lucht is strakblauw, boven de oude boerderij en de schuur, boven de grote linden, essen en esdoorns. Vroeg in de morgen sta ik naar de boerenzwaluwen te kijken op het erf, wanneer de boer er aan komt. Net als ik is hij al vroeg wakker. “Ik ben aan het opruimen voor de familiereünie. Die houtstapel van Dick moet ook een keer weg.” zegt hij. Het zijn een paar overgebleven oude balken met landbouwplastic erover. Vorig jaar was het nog een hele berg. We zaagden ze in stukken, voor de kachel. Er zaten een hoop spijkers in. Hoe verder we kwamen in de stapel hoe meer, leek het wel. In de onderste laag aangekomen wemelde het van de beestjes. “Laat de rest maar zitten” zei ik tegen Dick. “Dan kunnen die daar ook warm overwinteren. En ik heb ook wel genoeg van al die spijkers.” Nu is het dus tijd om de boel te ontmantelen. Laat ik het dan ook maar meteen doen. Ik haal het zeil eraf en de bovenste balken. Dan zie ik het. Ik was vergeten dat het mierennest zo groot was, dat eronder zat. Houtmolm, eieren, talloze mieren in de stress omdat hun dak eraf ligt. Dit kan ik niet zonder meer slopen. Ik kijk om me heen en roep de eerste beste man die voorbij loopt. Ik vraag of hij wil helpen. “Ach joh, die kun je er gewoon afgooien” zegt hij. “Het zijn houtmieren zie je wel? Ze knagen het hout aan pulp voor hun gangen.” Verbaasd kijk ik hem aan. “Ik wil niks kapot maken. Ik wil het nest in zijn geheel verplaatsen naar een rustige plek. Als we telkens twee balken tegelijk nemen moet het lukken” zeg ik. Zo gezegd zo gedaan. Maar onderweg vallen er toch een hoop tussenuit. Daar kan ik me op dat moment niet druk om maken. Even later, terwijl de man om de hoek verdwijnt, zie ik echter overal verdwaalde mieren lopen, al dan niet zeulend met een ei. Dat kan ik niet aanzien, zo’n mier die doelloos met een ei loopt te sjouwen. Ik veeg alle gevallen mieren op met stoffer en blik, en zet ze onderaan de houtstapel. Elke keer wanneer ik denk klaar te zijn, zie ik er weer een paar. Op het laatst is er nog eentje over, een mier die eenzaam met een ei over het grindpad loopt. Ik veeg hem dit keer niet op, zoals de anderen. Omdat ze de laatste is, heeft deze harde werkster de eer om met haar ei zelf het blik op te lopen. Ik leg het plat neer op haar spoor, ze kan er zo op Het werkt, de mier loopt gewoon door. Wanneer ik het blik bij de houtstapel neerleg, komt daar net een andere mier aan, klaar om het ei over te nemen, voor de lange tocht naar boven. De kleine werkster heeft nauwelijks gemerkt dat ze verdwaald was! Haar volk is vlakbij en alles gaat door. Tevreden kijk ik toe. Zo hoort het te zijn. Alles verandert, maar gaat toch door. Dat kan alleen zo. De ene hand wast de andere. Wordt wijs en kijk naar de mieren.

.


Waarschijnlijk was het de boommier, lasius bruneus, niet te verwarren met de glanzende houtmier, die zwarter is en een stuk groter. Hij zit ook in houtconstructies of houtstapels buitenshuis.



.

De bovenste foto is van mezelf, de onderste niet.

We zullen de koeien missen

De boer besluit om de laatste drie koeien weg te doen. Ik bedenk me waarom we ze zullen missen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het zijn rustige tijden. In de winter komen hier niet veel mensen. De twee kilometers naar de weg zijn lang. Ze zijn des te langer omdat de weg telkens weer vol kuilen zit. Het is een belemmering voor auto’s, om hier te komen. Anderen varen er wel bij. Smienten, kieviten, kramsvogels en valken vinden hier een rustige plek. Op oudejaarsdag klinken de knallen van het vuurwerk ver weg. De cirkel van geluid is rondom ons. En hier is het stille midden.

Hoe stiller het is, hoe belangrijker dat ene moment. Die zondagmiddag, aan het einde van de maand, dan komen de vaste bewoners bij elkaar. Het is op die middag dat de boer aan komt lopen. In zijn handen heeft hij een kerststol van Bakker Bolhuis, die hij met een bonk op tafel zet. “De koeien gaan weg,” zegt hij. Iedereen kijkt op. “Waarom?” vraagt de vrouw met het lange grijze haar. Het antwoord komt meteen. “Het is te veel werk en ik ben nooit vrij.”
Op de boerderij zijn nog steeds twee koeien en een enorme os. In zomer staan ze in de wei. In de winter kan dat niet, dan is het land zo zompig dat de zware os nauwelijks zijn poten zou kunnen verzetten. Dus de hele winter staan ze in de stal. Het is maar een kleine ruimte, voor de koeien gaat het nog wel maar de os past er maar net in. Al hun stront komt in de grup, de mestgoot, die achter hun kont loopt. Dat wordt er wekelijks uitgeschept en naar de mesthoop gekruid, vrijwel altijd door de boer zelf. Een enkele keer is er een behulpzame vrouw die er haar schouders onder zet, om haar gedachten te verzetten. Het is een heel werk, dat mest scheppen. Maar het levert ook wat op. Er zijn twee mesthopen naast elkaar. De ene ligt er al een paar jaar, de andere is vers. De stevige drollen zijn gemengd met grof gras en riet. Terwijl het steeds verder verteert naar vruchtbare grond, wemelt het van roze mestwormen. Het is ook niet voor niets dat er altijd vogels te zien zijn. Merels, die woest naar wormen pikken. Maar ook roodborstjes en kwikstaartjes, die insecten vangen. Toch is dit niet het eerste waar ik nu aan denk. De koeien zijn mijn eerste zorg. “Waar gaan ze heen?” vraag ik.
“Dat komt wel goed!” zegt de boer. “Ze krijgen het een stuk beter. Ze gaan naar een opvangplek voor bejaarde koeien. Daar hebben ze veel meer de ruimte.”
“Maar die ene koe is toch nog jong?”
“Ja, er komen ook wel jonge koeien. Ze komen overal vandaan. Er is daar een koe, die zag ineens het licht, toen hij naar de slacht werd geleid. Die vloog er vandoor. Toen hebben ze haar maar naar dat koeienparadijs gebracht.”
“Fijn zeg. Dan hebben ze het daar vast goed.” Daarmee is het onderwerp afgesloten.
Het is pas in de avond als ik bedenk hoezeer we die mesthoop zullen missen. De mesthoop is een heel centrale plek voor al het leven, besef ik. En dat is bewezen ook. Het was Els, die een wedstrijd deed met haar vriendin, de hele zomer. Met de Obsidentify app kun je vrij nauwkeurig insecten determineren. Ze had er al vele vastgelegd en thuisgebracht. Ik hoor het haar zeggen. “Vooral bij de mesthoop, daar zijn er zoveel!!”
Kunnen we die mesthoop wel missen? De boerenzwaluwen maken er hun nesten van. Allerlei vogels zullen hun belangrijkste voedselbron kwijtraken. Sommige insecten zullen van het erf verdwijnen. Dat gaat me aan het hart. Maar ook voor onszelf is de mest waardevol. Het is een welkome aanvulling in de groentetuin. Ik gebruik het hier en daar, waar het nodig is. Vaak meng ik het met de verhitte, veel te stoffige bladcompost die ik heb laten bezorgen. Hete compost leeft niet meer. Ik gebruik de jarenoude grond van de mesthoop, om er weer leven in te brengen. Ja, we zullen het missen.
Ik denk aan het beeld van de drie koeien in de wei. Een vertrouwd gezicht, die trage koppen die langzaam naar je toe draaiden, wanneer je langs liep. Ik denk aan de koeienvlaaien in het gras. Als het wekenlang droog was, zag je vaak vogels bij die stront. De zeeklei werd dan immers keihard, er was nauwelijks nog een wurm uit te halen. Onder de koeienvlaaien was het nog wat vochtig. En bovendien zaten er vliegen op de drollen, die ze konden eten. Dieren in de wei zijn nodig. We zullen de koeien missen.
Dat vertel ik de boer, later, als hij alweer thuis is. Ze zijn belangrijk, de koeien. Belangrijk, vooral voor de biodiversiteit. Dat weet de boer.
“We kunnen altijd een hoop paardenmest halen bij de paardenfokkerij,” oppert hij. “Dan leggen we die daar neer. En de hoop die we nu hebben is ook nog lang niet weg…”
Dat is zo. Je kan het altijd van elders halen. En ook de weiden zijn niet leeg in de zomer. Er staan ook paarden, verderop. Evengoed is het jammer, dat ze weggaan. Toch is het te begrijpen. De boer is al vijfenzeventig. Als er niemand is die het werk overneemt, dan houdt het op. En dan is er straks geen mesthoop meer, van eigen vee.
“Als je een keer weg wilt doe ik het wel,” zeg ik. De boer bedankt me. Maar het brengt hem niet van zijn gedachte af.

Weer een mesthoop minder. Elke mesthoop is belangrijk. Vooral nu, in deze tijd, waarin de gangbare methode nog steeds op drijfmest is gebaseerd. Drijfmest, een half vloeibaar goedje, dat in de grond wordt geïnjecteerd. Zo moest dat, vanwege de uitstoot van ammoniak. Maar het helpt niets. De uitstoot blijft hetzelfde. Het kost wel veel, niet alleen geld voor de nodige machines. Het kost ook levens. De wormen willen niet verzuipen en komen boven. Een feestmaal voor de meeuwen. Tot het op is. Tot alle wormen weg zijn. Nee, het is niet goed voor de bodem, die drijfmest. Je moet het niet te vaak doen. Beter is helemaal niet. Beter is om de mesthopen weer terug te brengen. Hopen met stro en drollen. Vitale mensen hebben we nodig, mensen die willen scheppen. En dan, misschien komen er dan weer nieuwe koeien, op een dag. Ook hier. Niet veel, een paar maar. Net als nu. Een paar, dat is genoeg. Ik hoop het.

.

.

De zwarte os, Quintus, is op 3 februari 2024 heen gegaan. Hij is bijna zeventien jaar geworden. Een leeftijd die de meeste runderen niet bereiken. Hij heeft een goed leven gehad.