Een kraai op je hoofd

Reddend zwemmen in de Zwette.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog nooit heb ik een jong dier grootgebracht. En kinderen ook niet. Hoe speciaal is het als er dan onverwachts een dier op je pad komt. Zal het blijven, of niet? En heb ik eigenlijk wel zin om mijn leven zozeer aan te passen? Op een dag kom ik onverwacht voor deze vraag te staan. Uiteindelijk lost het vraagstuk zich vanzelf op.

Het is aan het begin van de avond. Ik fiets over het Swettepaad van de boerderij terug naar huis. Vanuit de verte hoor ik geschreeuw van kraaien. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik hoor dat er echt iets aan de hand is. Opgewonden klinkt het gekras over het water. Snel zet ik mijn fiets neer en loop naar de steiger. En daar, in het midden van het water ligt een kraai. De vogels vliegen weg als ze mij zien, een voor een. De jonge kraai ploetert door. Eerst eens zien of hij het zelf redt. Met een krachtige vlinderslag ploegt hij door het water naar de oever. Aan de kant is de lisdodde hoog opgeschoten, er is nergens een opening om de kant op te krabbelen. Ik zie hoe zijn kracht afneemt bij het zien van deze hopeloze toestand. Het zal ook niet lang duren of hij zakt met zijn kop steeds dieper in het water. Daar wacht ik niet op. Ik trek mijn kleren uit en spring er in. Het water is koud, maar niet ijskoud. Tussen de bladeren van de gele plomp door zwem ik naar hem toe. De stengels slingeren glibberig om mijn benen. Als ik bij hem kom, zet ik het dier op mijn hoofd, zodat ik mijn armen vrij heb om te zwemmen. Het is een jong dier, sterk genoeg om de wereld te verkennen maar nog niet volgroeid. Hij is nog wat kaal en donzig onder de vleugels. Wellicht is hij bij zijn eerste vliegpogingen te water geraakt. Onhandig balanceert het dier nu op dit ongewone plekje, een klein bewegend eilandje boven het water. Zijn scherpe klauwen grijpen zich vast in mijn haar terwijl hij druk met zijn vleugels klappert om zijn evenwicht te bewaren. Met een hand houd ik hem op zijn plek, met de andere arm zwem ik terug naar de steiger. Inmiddels zijn alle kraaien weggevlogen, behalve eentje, die uiteindelijk ook wegvliegt. Zijn moeder?

Ik zet de natte vogel op de steiger en loop weg. Misschien komt de moeder terug. Maar als ik vijf minuten later terugkom zit hij daar nog, in zijn eentje, rillend en met zijn vleugels gespreid. En het word al schemerig. De nacht zal koud zijn. Ik til hem op. Met de jonge kraai op mijn hoofd ga ik naar huis. Daar stop ik hem in een fleecedekentje, met een infraroodpaneel ernaast. Het dier rilt en het duurt lang voor hij is opgewarmd. Ik zit naast hem en kijk. Hij is volledig in zichzelf gekeerd. Ik stap de deur uit om een eindje te wandelen en na te denken. Wat moet ik hiermee? Is dit een kans om een jong dier groot te brengen, voor het eerst van mijn leven? Maar waar moet hij dan blijven? Kan ik hem dan overal mee naar toe nemen? De buschauffeur ziet me aankomen, met zo’n poepende vogel. Dan ga ik terug om op de bank naast de vogel een stukje te lezen. Af en toe kijk ik op. “Hoe is het?” vraag ik. Het dier draait zijn kop en kijkt me aan. Hij knippert vaak met zijn ogen. Een wit vlies dat telkens over zijn felle grijze kraaienogen trekt. Ik trek het dekentje een stuk van hem af, zodat de natte veren beter kunnen drogen bij de kachel. Op zijn borst heeft hij kleine witte veertjes tussen het donkergrijs. Alleen zijn vleugels, staart en kop zijn pikzwart. Dan gaat hij staan, stevig met beide poten op de rand van het geïmproviseerde nest. Wat gaat hij doen? O jee. Een flinke straal poep schiet over de rand. Netjes gedaan, je mag het nest niet bevuilen, zo is hij opgevoed. Maar het is wel mijn bank. Met een oud washandje, water en een beetje zeep maak ik het schoon. De kraai kijkt toe. Mijn huis is geen vogelhok. Dit wil ik niet. Ik zie het aan, voor een nacht.

Net als anders maak ik die avond mijn bed in de hangmat en slaap onmiddellijk in. Als ik de volgende ochtend wakker word weet ik het meteen. De kraai! Zonder nog even na te sluimeren spring ik eruit. Het is half zeven op de wekker. Het huis is nog donker, iets van het licht schemert onder de dichte luiken door. Het dier zit somber en stil naar me te kijken. Ik zet hem op mijn hand, Van schrik schijt hij op de fleecedeken maar toch klauwt hij zijn poten gelijk diep in mijn vel. Ik duw het wat opzij, zodat hij op de mouw van mijn trui zit. Dan open ik de achterdeurtjes. Verrast kijkt de jonge kraai om zich heen. Buiten is de wereld al helemaal begonnen. Het licht en het leven dat hij kent. Een huis is niks voor kraaien. Met vrouwen en doekjes die poep wegvegen. Daar zijn hij en ik het kennelijk over eens. Ik moet hem terugbrengen waar ik hem vond. Met het dier nog steeds op mijn hand loop ik naar de deur. De scherpe klauwen gaan door mijn trui heen. Au. Ik probeer hem op mijn schouder te zetten, waar tamme kraaien ten slotte horen te zitten. Maar deze is niet tam en hij wil niet. Meteen krabbelt hij boven op mijn hoofd, waar hij houvast heeft aan mijn stevig invlochten haar. Stel dat hij toch blijft. Dan heb ik een tamme kraai die alleen maar op mijn hoofd wil zitten. Dan word ik “Die vrouw met die kraai op haar hoofd”. Het was niet mijn bedoeling, maar als het moet mag hij. Het lijkt er echter op dat hij geen zin heeft in mijn moederschap. Hij is zijn kuikentijd ontgroeid en zijn moeder kent hij veel te goed. Ik voel hoe hij af en toe met zijn vleugels fladdert boven mijn hoofd. Logisch, ten slotte zat hij midden in zijn eerste vlieglessen, toen hij te water kwam. Ik loop naar de steiger, naar de plek waar het gebeurde. Dan loop ik terug, ga ik midden op het naastgelegen veldje staan. Op dat moment hoor ik een volwassen kraait krassen ergens hoog in de bomen. Het jonge dier houdt zich nog steeds stevig vast aan mijn haar. “Hop!” zeg ik, en maak een sprongetje. En zowaar, weg vliegt hij, de wilgenboom in. Daar zit hij nu, op een takje rond te kijken. Ik heb wat fruit neergelegd op de grond onder hem, maar hij taalt niet naar eten. Hij blijft daar maar zitten op zijn tak, aan de luwe zijde van een dikke wilg, alsof hij bij de bushalte staat te wachten. Het is zijn leven, en zijn familie. Ze zullen blij zijn als hij terug is. Toch een beetje opgelucht loop ik naar huis. Voor mij geen tamme kraai, geen dier om groot te brengen. Buiten hoor ik de kreet van een bonte specht. Hij komt vogelvoer halen voor zijn kleintjes. Heb ik toch kleintjes. Heel veel zelfs. Bomen, bloemen, vogels, vlinders. Ze groeien als kool, in mijn buurt. Ik ben niet de vrouw met de kraai op haar hoofd. Ik ben een natuurmoeder en herstel het levengevend land. Dat is mijn verhaal, daar gaat het over. Telkens weer.

.

Afspraak is afspraak

Tot halverwege mag ik. Dat was de afspraak, een afspraak die nergens op papier staat. Ik maakte hem met de dieren zelf. Halverwege de bult begint de wildernis waar ik zo min mogelijk kom. Ik creëerde die plek en nu is het voor hen. Nog in mijn pyjama kruip ik tussen het riet. Waar ben ik eigenlijk? Opeens krijg ik een waarschuwing.

.


Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“Even buiten kijken” dacht ik, een poosje na het wakker worden. Om zeven uur is de wereld nog jong en fris. Daar houd ik van. Vanuit mijn kleine huis stap ik zo naar buiten.. En ik ben er zo, bij het Verhalenpad, de bult, waar ik naartoe wil. Net de deur uit duw ik een paar slierten hop terug, die al te opdringerig voor mijn neus hangen. Een hoge stap over de moerasandoorn heen brengt me op het graspaadje, dat in tegenstelling tot de wilde hop, zich redelijk netjes laat afzetten met een koord. Witte bloesems van de tuinradijs hangen er in hoge dikke bossen overheen. Dan ga ik schuin het veld over. Een merel pikt nog eenmaal in het gras en vliegt dan weg. Verder ga ik, over de watertunnel heen, langs de andere kant van de sloot. En daar is het dan. Het Verhalenpad, door mij tot stand gekomen, maar niet meer geheel toegankelijk. Tot halverwege mag ik. Dat is de afspraak. Een verbond tussen de plek en mij. Maar waarom zou je helemaal tot het eind gaan, zelfs als je aan het begin ervan staat, dan zie je al zoveel! Ik sta tussen de jonge bomen en het riet, waarvan hele stukken door mij zijn weggeknipt om kattestaart, boerenwormkruid en andere bloemen de ruimte te geven. Ik zie het zaad dat op komt in de vruchtbare grond van bloemen die ik nog niet ken. De bodem is bagger, afkomstig uit de sloot, die is uitgediept door ’t Wetterskip. Het ligt er sinds november. En nu is het juni. De aantrekkingskracht van goeie grond is groot. Ik heb gezaaid. En nu groeit dat daar allemaal. Tussen het riet, dat natuurlijk altijd en eeuwig weer terug komt, taaier dan wat dan ook! En nu kruip ik in mijn pyama tussen de stengels van dat riet en onderscheid de sterke halmen van de wintergerst die ertussen staan. Hier en daar groeien bloemen. Kruipend breek ik de dikke groene rietstengels af. Voorzichtig kijk ik waar ik mijn voeten en knieën zet, ik wil de andere planten niet beschadigen. Brandnetel staat er ook veel, heel jong nog, slap en lichtgroen van kleur. Ik trek ze er zo uit. Nu kan het nog. Minutenlang ga ik door. De zon stijgt onzichtbaar aan de kim en komt af en toe achter de wolken vandaan. Tijd bestaat niet meer. Alleen ik, in mijn pyjama, tussen de halmen en het ruisende riet. Steeds verder ga ik. Ik kijk niet achter me, wat ik gedaan heb is gedaan. Mijn wereld bestaat uit de paar vierkante meters voor me. Als een krekel in het veld, zo voel ik me. Er komt geen einde aan.
Ik vraag me net af hoever ik eigenlijk ben, wanneer ik iets bijzonders zie. Een brandnetel met een trosje rupsen er in. Subiet houd ik op. Grijzige geblokte rupsjes. Dat is de kleine vos! Ik dacht al, waar blijven ze! Ze zijn wat later dit jaar. Op het zelfde moment hoor ik een waarschuwende roep uit de bosjes. Het is een kort ratelend geluid. Komt dat uit het nest van de rietzanger? Ik heb het gezien, per ongeluk, toen ik net als nu, brandnetels aan het wieden was. Een heel klein nestje met piepkleine eitjes. Ik dacht dat het verlaten was. Is dat niet zo? Ik wil niet kijken. Laat ze maar. Ik kruip terug tussen de afgebroken stoppels riet, de wintergerst, de kattenstaart en de tuinradijs. Mijn pyjamabroek is nat van de dauw, mijn handen zijn alweer ruw van het werk.
De rupsen en de kleine vogel herinneren mij aan de afspraak. Tot halverwege mag ik. Halverwege begint de wildernis. Dat is voor de dieren. De dieren weten het. En afspraak is afspraak. Waar of niet.

.

Verhuizing van de houtmieren

Alles verandert en gaat toch door. Als de ene hand de andere maar wast.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt zes minuten.


Alles is rustig, de zon is al een tijdje op. Er is bijna geen wind en de lucht is strakblauw, boven de oude boerderij en de schuur, boven de grote linden, essen en esdoorns. Vroeg in de morgen sta ik naar de boerenzwaluwen te kijken op het erf, wanneer de boer er aan komt. Net als ik is hij al vroeg wakker. “Ik ben aan het opruimen voor de familiereünie. Die houtstapel van Dick moet ook een keer weg.” zegt hij. Het zijn een paar overgebleven oude balken met landbouwplastic erover. Vorig jaar was het nog een hele berg. We zaagden ze in stukken, voor de kachel. Er zaten een hoop spijkers in. Hoe verder we kwamen in de stapel hoe meer, leek het wel. In de onderste laag aangekomen wemelde het van de beestjes. “Laat de rest maar zitten” zei ik tegen Dick. “Dan kunnen die daar ook warm overwinteren. En ik heb ook wel genoeg van al die spijkers.” Nu is het dus tijd om de boel te ontmantelen. Laat ik het dan ook maar meteen doen. Ik haal het zeil eraf en de bovenste balken. Dan zie ik het. Ik was vergeten dat het mierennest zo groot was, dat eronder zat. Houtmolm, eieren, talloze mieren in de stress omdat hun dak eraf ligt. Dit kan ik niet zonder meer slopen. Ik kijk om me heen en roep de eerste beste man die voorbij loopt. Ik vraag of hij wil helpen. “Ach joh, die kun je er gewoon afgooien” zegt hij. “Het zijn houtmieren zie je wel? Ze knagen het hout aan pulp voor hun gangen.” Verbaasd kijk ik hem aan. “Ik wil niks kapot maken. Ik wil het nest in zijn geheel verplaatsen naar een rustige plek. Als we telkens twee balken tegelijk nemen moet het lukken” zeg ik. Zo gezegd zo gedaan. Maar onderweg vallen er toch een hoop tussenuit. Daar kan ik me op dat moment niet druk om maken. Even later, terwijl de man om de hoek verdwijnt, zie ik echter overal verdwaalde mieren lopen, al dan niet zeulend met een ei. Dat kan ik niet aanzien, zo’n mier die doelloos met een ei loopt te sjouwen. Ik veeg alle gevallen mieren op met stoffer en blik, en zet ze onderaan de houtstapel. Elke keer wanneer ik denk klaar te zijn, zie ik er weer een paar. Op het laatst is er nog eentje over, een mier die eenzaam met een ei over het grindpad loopt. Ik veeg hem dit keer niet op, zoals de anderen. Omdat ze de laatste is, heeft deze harde werkster de eer om met haar ei zelf het blik op te lopen. Ik leg het plat neer op haar spoor, ze kan er zo op Het werkt, de mier loopt gewoon door. Wanneer ik het blik bij de houtstapel neerleg, komt daar net een andere mier aan, klaar om het ei over te nemen, voor de lange tocht naar boven. De kleine werkster heeft nauwelijks gemerkt dat ze verdwaald was! Haar volk is vlakbij en alles gaat door. Tevreden kijk ik toe. Zo hoort het te zijn. Alles verandert, maar gaat toch door. Dat kan alleen zo. De ene hand wast de andere. Wordt wijs en kijk naar de mieren.

.


Waarschijnlijk was het de boommier, lasius bruneus, niet te verwarren met de glanzende houtmier, die zwarter is en een stuk groter. Hij zit ook in houtconstructies of houtstapels buitenshuis.



.

De bovenste foto is van mezelf, de onderste niet.

De spotvogel zingt van Afrika

Terwijl ik muntwater drink naast een theatergezelschap, kijken we naar het Verhalenpad in de verte. We horen de spotvogel. Voor de tweede zomer is de zeldzame vogel hier en zingt liedjes uit Afrika.

Hier meer info over de vogel. https://stats.sovon.nl/stats/soort/12590

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Tegenover alle droevenis van deze tijd, staat het groeizame wat zich vlak naast ons bevindt. Dat is de tegenhanger, waardoor we in balans en gezond blijven. Je moet rustig zijn om erop te kunnen letten, anders gaat het aan je voorbij. Ik neem er graag de tijd voor. Tussen de bedrijvigheden door sta ik stil en luister. Af en toe hoor ik bijzondere geluiden. Zo is er sinds vorig jaar een spotvogel neergestreken op het Verhalenpad. Hij is hier voor de tweede keer om maandenlang te zingen. De spotvogel neemt letterlijk verhalen met zich mee. Hij imiteert alles wat hij hoort, of het nou vogels zijn of het geluid van een telefoon.

Nu sta ik op een avond naast een roze caravan muntwater te drinken uit een kartonnen bekertje. Er zijn meer mensen. Er is theater op de camping en iedereen zit op klap- en strandstoelen te wachten tot het begint. In de verte ligt het begin van het Verhalenpad. “Daar heb ik zeshonderd bomen en struiken geplant,” vertel ik “En verderop nog tweehonderd”. Nu ik de gelegenheid krijg zal ik erover vertellen ook. “Er zijn steeds meer vogels en vlinders die er terugkeren,” ga ik verder. Een van de vrouwen lijkt niet te luisteren, ze kijkt geconcentreerd voor zich uit. “Wat hoor ik toch voor vogel?” vraagt ze dan. Ik lach, blij dat ik het haar kan vertellen. “Het is de spotvogel.” Ze juicht opgetogen. “Eindelijk hoor ik hem een keer. Dat wil ik al zo lang!”
De spotvogel hier te hebben, dat is geweldig. Hij neemt verhalen mee uit Afrika, landen als Congo, ten zuiden van de evenaar. Elke dag heeft hij een ander repertoire, vaak is dat Europees, met merel- mees- en winterkoninggeluiden ertussen, maar nu is hij met zijn liedje weer helemaal terug in Afrika. Zijn ritmes doen denken aan de muziek van de Batwa, ofwel de pygmeeën. Ze zingen nog steeds, maar of het nog altijd dezelfde liederen zijn weet ik niet. Er is veel gebeurd, en hun verhalen zijn veranderd. Ik zie ze voor me, de kleine donkere mensen, een zachtaardig volk en eeuwenlang thuis in de wouden van Congo. Dat ze daar zijn verdreven, daar hebben ze zich nooit bij neergelegd. Ze willen maar een ding: Terug naar hun voorouderlijk land. In 2024 heeft het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren die beslissing genomen. Hun uitzetting is veroordeeld, als schending van mensenrechten. Maar daarmee is het nog niet geregeld met hun terugkeer. Het is alleen een aanbeveling voor de autoriteiten, geen verplichting. Hun strijd gaat door.

En hier staan wij, te luisteren naar het vogeltje dat zijn lied zingt en hun verhaal vertelt, aan het begin van het Verhalenpad. Meer mensen hebben het opgemerkt. Ik ben vereerd dat de spotvogel hier nu is. Ik hoef niet op reis te gaan. Hij brengt de wereld bij mij thuis.

.

.

Het filmpje duurt vijf minuten. We lopen eerst naar het pas aangeplante stuk waar een puttertje keihard zit te zingen en gelijk daarna zie je het Verhalenpad. Voor het eerst laat ik het hele bosje zien van afstand. Het is enorm gegroeid, als je bedenkt dat het grootste gedeelte nog maar drie en een half jaar oud is. Liggend op de rug, tussen het riet en de berkebomen luisteren we naar de spotvogel.

Een waterwezen worden

.

.

Alle vogels fluiten. Het is zes uur en ik lig nog in mijn hangmat. De bovendeuren staan open, aan beide kanten van de wagen, en er waait een fris briesje door mijn huis. Ik trek de slaapzak wat hoger op maar echt behaaglijk warm krijg ik het niet. Gisteren was het een hete dag, Ik heb de deuren opengelaten. Maar nu is het niet warm meer. De wind is gedraaid. Gisteren was het nog heel anders.

Het is warm. Boven het water vliegen de zwaluwen en het riet groeit hard, na een periode met regen. Ik loop naar het water, bezweet na een lange dag gras trekken. De grote houten steiger is leeg en ook het fietspad aan de overkant is verlaten. Ik gooi het lange vest van me af en stap de ladder op die inmiddels diep in de modderige bodem is gezakt. Het water voelt koud aan mijn hete huid, maar al gauw went het. Halverwege de ladder houd ik stil. Ik laat mijn bovenlichaam zakken, tot ik in gehurkte houding op de ladder zit, met het water tot mijn kin. Nu wachten. Als ik heel stil ben komt het. Ik buig mijn hoofd om naar beneden te kijken, het puntje van mijn neus raakt het glinsterende oppervlak. De zon schijnt op mijn ondergedompelde huid en mijn benen zijn van groen goud. Verder zie ik nog niks. Niet wat ik verwacht te zien. Ik kijk weer op en wacht nog langer. Dan voel ik het. Een kleine subtiele aanraking in mijn zij, en nog een, en nog een. Hele kleine mondjes kussen mijn huid. Het is een gevoel dat nergens anders mee te vergelijken is. Als ik opnieuw naar beneden kijk zie ik ze. Kleine visjes zijn het van vijf centimeter lang. Nieuwsgierig verkennen ze mijn lichaam, een nieuw element in hun onderwaterlandschap. Ze zwemmen over mijn gehurkte benen heen en er weer onderdoor. Mijn groengouden huid is omgeven door kleine bewegingen. Kleine mondjes raken me aan. Er komen er steeds meer. Ik denk eraan hoe het zou zijn om hier te blijven, en een waterwezen te worden. Dat er niets anders zou zijn dan ik en de vissen, vertrouwd met mijn vel, dat almaar groener wordt, net als de steiger en het riet. Wonderlijk en tijdloos.

Heel langzaam strek ik me uit. Mijn natte vel glimt in de zon. De visjes schieten weer onder de steiger.

.

Mijn leven met Mol

De mollen hebben het moeilijk. Bij mij woont er een en we leven vreedzaam samen. Ze maken de bodem los, zodat zaad kan groeien in luchtige grond.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De grond beweegt. Daaronder het oppervlak woont een blind dier dat zich continue een weg baant met zijn puntige snuit en graafhandjes. De mol. Zijn hele lijf doet mee, hij wurmt en wriemelt zich een weg en moeder Aarde koestert hem in haar schoot. Hij maakt de grond los en klaar om nieuw zaad te ontvangen. Zo was het. Maar hij heeft het moeilijk, de laatste tijd. Soms is het kletsnat, dan is het weer kurkdroog. De laatste weken was de kleigrond hard, doordat het wekenlang niet regende. Hij volgt de zandpaden die ik maakte en de grove graszoden die ik ernaast heb opgestapeld. Onder de stapel zoden is het nog vochtig en vol wormen. Het zandpad biedt hem een mooie route langs de beste snackplekken en daar vallen de wormen zo zijn gang in. Langs dat pad staan pas geplante boompjes, en ook die gaat hij af. Hij weet precies welke ik water geef. sporkehout doet niet moeilijk, maar houdt zijn blaadjes klein en groeit niet. Ik giet een volle emmer leeg bij eentje die het wel erg slecht getroffen heeft. Het water kolkt direct de mollengangen in, weg van de behoeftige wortels van de plant. Gauw duw ik proppen klei en hooi in de gangen. Ik druk de grond aan, naar de jonge struik toe, zodat hij op een bultje komt te staan. De mol kan er alsnog omheen om nog een wormpje mee te pikken. Er is genoeg te halen hier, voor mol. Op veel plekken groeit bosandoorn en bladkool, hun grote bladeren maken schaduw op de bodem. Een tapijt van gemaaid en uitgetrokken gras gaat de verdamping tegen en maakt ook dat dit een van de weinige plekken is waar hij kan leven. Ook de rij grote wilgen doen veel goeds. Hier is het nog enigszins vochtig. Tussen die pasgemaaide weiden vormt het een kleine oase. De grond van die weiden is keihard en kurkdroog. Er zit maar weinig organisch materiaal in dit gebied. De droogte maakt de klei bijna zo hard als steen. Hoe zou hij hier moeten overleven? Twaalf uur zonder eten en Mol is dood. Op de Swetteblom onder de bomen mogen ze hun gang gaan en er worden hier geen klemmen gezet en geen glasscherven in hun gangen geprikt. De mensen houden hier niet van die gemene dingen. Het is leven en laten leven. Dus zowat overal waar het maar mogelijk is vind je mollengangen. In de bosjes en langs de bomen, dat zijn favoriete plekken. Daar is de grond rijk aan humus en vol beestjes. Hier wordt de grond niet hard in droge tijden en ook niet zompig bij langdurige regenval. Regen is fijn voor Mol, maar als het teveel is loopt zijn hol onder water en verzuipt hij. Bomen en bosjes bieden hem overlevingskans, in droge en natte tijden. Doordat ik ze plant help ik wormen en mijn Mol. Hij weet mij dan ook goed te vinden. Het terrein rond mijn wagen ligt wat hoger en vormt in natte tijden een veilige haven. Overal zie ik omgewoelde aarde. We leven hier vreedzaam naast elkaar. Ik weet precies waar zijn gangen liggen. Daar stap ik netjes tussendoor, zodat ik niets plattrap en hij geen nieuwe hoeft te graven. Dat wordt immers steeds lastiger als het in de lente weer droger wordt.

Ik geef de mollengangen ook wel eens water. Dat trekt wormen aan. Ja, het gaat slecht met de mol, niet alleen omdat mensen een hekel aan hem hebben, maar ook door toenemende weersextremen. De mol mag daar net zo min de dupe van worden als welk ander dier of mens dan ook. Dus ik zorg goed voor hem. Mijn Mol.

.

.

Luister hier

Eerst zij, dan ik

Een bosje voor de dieren

.

Dit is het andere bosje voor de dieren, bij het Verhalenpad, dat ik de afgelopen jaren plantte.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is voorbij, het plantwerk. Terwijl de vorst in de nachten over het veld kruipt en alles wit maakt, wortelen de bomen. Ik ben vrij. Voor even. Heerlijk is het weg te kruipen in mijn warme hol met een boek. Lang doen we over het eten koken, samen, en dan, aan tafel, nemen we met elkaar de dag door en het nieuws. De zuurbessen en het sporkehout staan er in. “Waarom plant je geen kruisbessen en zwarte bessen? Dat is toch veel lekkerder?” opperde een man van Staatsbosbeheer. Hij deed mee aan heggenvlechten in Menaam. Een tijdje later is het de boer die ongeveer het zelfde zegt. “Is er niks voor ons bij?” Nee, dit keer weinig. Van die zure bessen zullen we niet veel eten. En het sporkehout is hooguit te gebruiken als aanmaakhout. Maar dat is niet de bedoeling. Dit bosje is voor de aarde. Het dode hout is om te verteren en bodem op te bouwen. Niet om te stoken. En het levende hout, de bladeren en de bloesems zijn voor de talloze insecten. Het sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, bloeit rijk en lang. Van mei tot september! Het wordt een paradijs voor bijen, hommels en vlinders. Er komen rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder. Ik verheug me op de geurende gele bloemen van de berberis. En daarna zal het er barsten van de bessen. Van een afstand zal je het zien als een rode waas aan het einde van de weilanden. Alles voor de vogels. Er is genoeg voor de mensen. Mensen nemen steeds meer ruimte in. Ik denk dat het een kunst is om bescheiden te blijven. Te weten dat je niet de enige bent op de wereld.

Ik houd van de lange wintertijd. De mist, de rust op het land, de ruimte die de dieren dan hebben. Ik houd mijn pas in om te luisteren. Want straks kan ik dat wel vergeten. Straks, als het weer hoogzomer is. De zomer is een hectische tijd. Iedereen is bezig met leuke dingen doen, en elk paadje wordt belopen, elk plekje moet worden ontdekt. Ik ben steeds meer van de winter gaan houden. De mistige tijd, dat de paden verborgen blijven en de mensen rustiger zijn. Pal naast mijn huis is een klein veldje. Ik schreef er al vaak over. Een grote wilgeboom is daar neergevallen, zijn drie groten takken liggen als een ster uitgespreid op de grond, en van daaruit groeit een nieuw bos. Vanuit die oude takken de nieuwe takken. Erachter is de steiger met het water van de Swette. Het magische plekje wordt steeds meer ontdekt en drie maanden per jaar wordt het volledig overgenomen door grote groepen kampeerders. Mede daarom heb ik het nieuwe bosje geplant. Vijftig vuilbessen en vijftig stekelige zuurbessen. Voor de vogels en de dieren. De Vuilbessen worden bovendien dichte struiken waar je niet doorheen komt. De zuurbessen hebben de meest akelige stekels die je maar kan bedenken. In drukke tijden is het een toevluchtsoord. Ik heb er twee open plekken in gemaakt, die straks alleen nog maar bereikbaar zijn voor de vogels.

Goed voor mezelf zorgen is voor mij eerst goed voor de aarde zorgen. Het is prachtig om te zien hoe het hier steeds meer fladdert, krabbelt en kruipt. Ik hoor het tjilpen, piepen, een kreet in de nacht. Zo hoort het te zijn. Straks, als het bosje groot is, wordt het daar nog drukker. In de lente om te broeden. In de zomer om te schuilen voor de drukte. In de herfst voor de bessen. Dat is niet alleen goed voor hen, maar ook voor mij. Want hoe meer zij van de voor hen begeerlijke rode bessen eten, hoe meer er overblijft van mijn gele herfstframboos. Door geheel te dienen, heb ik er zelf profijt van. Dat heet: de wet der wederkerigheid. De aarde heeft ons veel te bieden, als we haar met liefde behandelen. In zo’n wereld hoef je niet meer overal naar toe. Alles is er al. Zeker als we onze handen uitsteken.

.

.

.

.

We zijn niet alleen op de wereld

Een overpeinzing over de rol van muizen.

.

Ja het is zo. We denken in eerste plaats aan onszelf. Daar is niks mis mee. Maar af en toe is een bredere blik zeer verrijkend om opnieuw je plaats in het geheel te zien. Kleine beestjes kunnen daarin heel verhelderend zijn, juist als je een hekel aan ze hebt.

Nu heb ik een grote hekel aan muizen in huis. Als ze er zijn doe ik er alles aan om ze kwijt te raken, behalve gif strooien en klemmen zetten. Maar er waren dit jaar weiniģ muizen. Eerst was ik daar blij mee. Ik hoefde geen strijd te leveren in huis. Er was geen eentje die me lastig viel. Maar langzaam aan zag ik de gevolgen. Een wereld zonder muizen loopt in het honderd. Voor anderen werd het leven zwaar. Voor de roofdieren in de eerste plaats. Een veel te groot contrast was het. Omdat het vorig jaar een droog jaar was, was het een echt muizenjaar. De hele dag zag je kraaien, eksters en valken in het veld, die zich te goed deden aan de vele veldmuisjes. Ook marters vermenigvuldigden zich door al die overvloed. Na al die regen de hele winter en dan ook nog de hele lente, waren er nauwelijks muizen meer. Maar nog wel steeds veel roofdieren, omdat vorig jaar zo overvloedig was. Die hebben zich dus maar gestort op eieren en jonge vogels. Het werd daardoor een zeer slecht jaar voor de weidevogels. Maar ook voor anderen. Ikzelf mis de winterkoninkjes. Er waren er meerdere, nu is er geen een meer. Het is heel stil geworden zonder hun triomfantelijke gefluit. Ik verdenk de kat van de buren. Die zie ik hier telkens sluipen, ’s ochtends bij schemering. Dat beest heeft nu ook weinig muizen meer om op te jagen. En jagen wil hij toch. Nee, ik houd niet van muizen in huis. Maar toch hoop ik dat er volgend jaar weer meer zijn. En dat er weer winterkoninkjes komen en heel veel gruttokuikens. En dus neem ik de strijd met die paar irritante knagers in huis ook maar voor lief. We zijn niet alleen op de wereld, zei mijn lief toen hij nog leefde. Hij was een wijs man. En bij deze staan zijn woorden zwart op wit.

.

PS Ik doe mijn best om volgende week weer te starten met de luisterversies

Tussen de laatste rommel (Among the last rubbish)

.

Lente! Ruimte maken voor groeizaamheid. Opruimen voor een frisse geest en nieuw leven. Opruimen. Maar niet alles. Want tussen de laatste rommel kan je soms iets verstoren wat eigenlijk met rust gelaten wilde worden. Ik zag het gebeuren en was stomverbaasd.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Sneeuw bedekt al het lelijke, stalen blokkendozen, geparkeerde auto’s, achteloos neergeworpen afval. Maar de prille lente maakt het contrast juist groter. De tere blaadjes, net uit de knop, doen een beroep op onze eigen jeugd, verstofd, verdwaald geraakt of ingeklemd tussen alles wat we verzamelden. Daarom is de lente een tijd om op te ruimen. Een nieuw jaar begint. Dat is een mooie kans. We krijgen het cadeau, elk jaar weer. Geef groeizaamheid de ruimte!

Ik ben al een paar weken bezig. Rond en onder mijn huis is alles schoon. Er lag van alles. Lege in elkaar gezakte dozen, verdwaalde plastic bloempotten, wat weggewaaide oude kranten, een paar beschimmelde lappen en glazen potjes. . . Zelfs al leef ik eenvoudig, spul blijft kleven. Ik wil best wat rommel, maar dan van het aangename soort. Blaadjes, takjes onder de struiken. Een mooie humuslaag. Groen en nog meer groen. Bloeiende bomen en dikke heggen. Uitbottende wilgeknoppen. Lente! Het mooiste moment van het jaar.

Ik fiets terug langs het pad, op weg naar huis. Ik heb net koffie gedronken bij mijn vriend Dick en wil weer verder aan het werk. Maar dan valt mijn oog weer op de verzameling plastic pijpjes, die al een tijdje tussen de struiken ligt. Er ligt nog meer troep, verderop. Wat eigenlijk? Ik zet mijn fiets neer en ga het pad af, de bosjes in, tussen een stacaravan en een zelfgebouwd houten huis door. Ik schrik ervan. Het lijkt erop dat dit niemandsland is. Niemand voelt zich verantwoordeliljk voor dit stuk grond. Het ligt vol rotzooi en het begint uit de hand te lopen. Wel dertig lege plastic vaten met een groene waas. Kennelijk liggen ze hier al lang. Een berg beeldschermen, stukken geplastificeerde spaanplaat, elektrische apparaten, noem maar op. Met open mond sta ik te kijken. Mijn buurman komt naar buiten. We praten erover. “Ik wil wel helpen” zeg ik “Dan regel ik iemand om het weg te brengen. “Fijn” zegt hij. “Ik wilde er al een tijdje aan beginnen. Het is zooi van de vorige bewoner, maar er zit ook van mij bij. Toen ik hier kwam heb ik veel opgeruimd. Maar nu…. Je weet hoe dat gaat.” Ja dat weet ik. En ik maal er niet om van wie het is. We ruimen op en we doen het samen.

Tussen de rotzooi ligt ook een rol, van dik ijzerdraad. Het is rasterwerk voor een hek, met grote vierkante gaten. Die kan ik wel gebruiken. Ik bind hem vast aan mijn bagagedrager en fiets terug naar huis. De rol hobbelt achter me aan over de weg vol kuilen. Dan stap ik af, knoop de rol weer los en loop ermee achter de wilgen langs, waar het grote weiland ligt. Hier begint de lege ruimte, tot aan de contouren van Leeuwarden. Je ziet de enorme windmolens, een grote torenflat en de snelweg, die erheen leidt. Vanuit de auto zie je een mooi landschap, maar vanuit het land is de lelijke weg en het opdringende stadsbeeld nogal dominant. De stad komt steeds dichterbij, zeggen de oude lieden. Ik denk er nu niet verder over na. Er is genoeg te doen. Ik leg de rol bij de andere neer. Het is al een mooie verzameling. Ze lagen over het hele terrein verspreid, de rollen gaas en rasterwerk, en niemand die er wat mee deed. Ik wel! Het wordt een schutting tegen de harde wind. Je kunt er riet doorheen vlechten. Ik verzamel het langs de sloten en langs de Zwette. Er is riet genoeg en het is mooi werk. Er komt klimop tegenaan, tussen de opgroeiende wilgen in. Drie dozen vol potjes staan klaar. Het wordt een heerlijk plekje hier. Dat vinden de vogels ook. Het zijn er steeds meer.

.

.

Ik loop tussen twee bomen door en kom uit in de beschutte ruimte achter de kas en mijn woonwagen. Het is een kleine hoek, waar ook de voedertafel staat. Ik hurk om brandnetels en kleefkruid weg te halen. Hier, naast de bomen, moet de klimop komen te staan. Maar eerst moet er ruimte komen. Mijn handen werken systematisch de bomenrand af. Ik ben zo lekker bezig, dat ik verder ga dan ik eigenlijk hoef. Maar dan kom ik bij een grote grijze ton. Hij ligt op zijn kant, geklemd tussen twee bomen in. Het grijze plastic is verweerd en zit vol donkere vlekken. Ik kom dichter en dichterbij, mijn handen wieden door. Dan beweegt er iets, dat schijnbaar vanuit het niets tevoorschijn komt, vlak voor mijn neus. Een jong haasje! Zelfs van zo dichtbij had ik hem niet gezien, zijn gevlekte vacht heeft een perfecte schutkleur, naast de verweerde ton. Hij huppelt om de ton heen en gaat aan de andere kant zitten. Nu kan ik hem niet meer zien. Ik ben stom van verbazing. Wat een goede hazenmoeder, ze weten de plekjes wel te vinden. Ik ben blij dat ik die ton daar heb laten liggen. Opruimen is een goed ding, maar niet alles! Dat weet ik nu weer. En eigenlijk is het ook wel heel leeg, waar ik heb gewied. Het is een kale kamer, voor de kleine haas. Gauw pluk ik wat handenvol stug gras en drapeer het om een bos takjes heen. Nu is het weer wat meer beschut. Kom nou maar terug haasje, ik ben weg.

Ik ga voort en mijn handen werken verder. Werk, om te doen groeien. Ruimte maken. Ruimte voor leven. Met opgeruimde geest, en hier en daar wat rommel.

.

.

NEDERLANDS:.

ENGELS:

Spring! Make room for growth. Clean up for a fresh mind and new life. Tidy up. But not everything. Between the last mess you can disturb something that actually wanted to be left alone. I saw it happen and was amazed.

Schapen scheppen een band ( Sheep bring us together)

.

Schapen achter mijn huis.

.

Er zijn twee grote zakken wol gedumpt, bij Wiersma. Zomaar in de tuin. Ik mag ze hebben. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Dot you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Er lopen schapen in de wei. Boer Sjoerd uit Jorwerd heeft hun dieren hierheen gebracht. Ze houden het gras deze winter kort. Ik heb hier nog nooit schapen gezien, het is voor het eerst. Het zijn Texelaars. Ze mogen een heel jaar in de wei lopen. Daarna worden ze niet ver van hier geslacht. Tevreden kijkt Sjoerd er naar. “Ze worden al lekker dik!” zegt de jonge boer. Dat moet ook wel. Ze eten de hele dag gras en klaver en paardebloemen. Het is kauwen en slikken. Na lang grazen gaan ze liggen en dan floept alles weer terug, omhoog in de bek. Terwijl ze glazig in de verte staren kauwen ze weer verder. En uiteindelijk worden al die groene blaadjes vlees, botten en wol. Ongelooflijk. Ik denk daaraan terwijl ik naar ze kijk. Dat kan ik nu, kijken. Daar heb ik nu het geduld voor. Als kind kende ik een man die schapen filmde. Dat vond ik zo raar! Ik vond ze maar saai. Maar nu ik ouder ben kijk ik er graag naar. Hoe ze met elkaar opgrazen en de lekkerste hapjes zoeken. En ik denk eraan hoe ze straks onder het mes gaan.

.

.

Het hele biologisch leven bestaat uit eten en gegeten worden. En al die verorberde eiwitten gaan rond en transformeren van het één in het ander. Eigenlijk is de aarde één grote toverbal, vol verrassingen. Zelfs zo’n suffe grazer kan er wat van. Behalve dat het rustgevend is om naar te kijken, zorgen ze voor vlees. En wol! Maar wat gebeurt daar dan mee? De boeren kunnen het aan de straatstenen niet meer kwijt. Dat hoor ik overal. Dat komt zo: Er zijn kerels met enorme kuddes. Die laat hij verzorgen door anderen. Die baas is boer noch herder. Het is een zakenman. Hij stuurt de wol massaal op naar China en als we het weer terug willen, moeten we het importeren. Daarom is er geen boer meer die schapen voor de wol heeft. Ze weten bij God niet wat ze ermee moeten. Menig boer gooit het maar ergens neer, soms met pijn in het hart.

.

Pruik van buurman Rachid

.

Een dag later fiets ik door het dorp, de lange weg naar het station in Deinum. Dan zie ik letters op een schuur. “Wolhandel” lees ik. Gek, dat heb ik nog nooit gezien. Ik zie een man lopen op het erf. Hij komt richting de weg. Dat is een mooie kans voor een kennismaking. Ik stap af en loop naar de man toe. “Heeft u hier nog steeds een bedrijf?” wijs ik naar het bord.

“Nee, al een tijd niet meer,” zegt hij. “Die tekst moet er nodig af. We hebben vijftig jaar in wol gehandeld. Elke ochtend waren we om vijf uur op. Alle boeren van de streek kwamen hier, met hun wol. Het was een druk bestaan. Het is mooi geweest, maar ik ben blij dat we nu eens ontspannen kunnen, mijn vrouw en ik.” Hij was een van de laatste wolhandelaren van het land. En nu is ook hij ermee gestopt. Waar moeten de boeren nu met hun wol heen? Wie weet het?

Twee weken later wordt ik geroepen door Jochum. “Heb jij interesse in schapenwol? Wiersma heeft voor je gebeld!” Het is de wolhandelaar in ruste. Hij heeft twee bigbags vol, zegt hij. In de tuin gevonden, gewoon gedumpt. “Ik wil ze graag,” zeg ik. Ik kom ze zo snel mogelijk halen.

Wat kan je daar allemaal mee doen? Tochtgaten opvullen in het dak. En als afscheiding, tussen paden en perken in de tuin. We kunnen ook gaan spinnen!

.

Buurman Jeroen

.

Ik praat erover met buurman Jeroen, hij doet graag mee. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in. Gelukkig is het maar een klein stukje. Eenmaal terug parkeert Jeroen de auto op het erf, en we gooien de twee bigbags leeg op het beton. Het is een mooi gezicht, die warme kleuren in de zon. We sorteren de grote stukken uit één stuk, en gooien de losse flodders op een andere hoop. Het is prachtige wol, met maar weinig stront erin. De kleur is diepbruin, soms met licht rossige uiteinden, of met stukken grijs er in, als zilver. Soms zijn er stukken in elkaar gedraaid, als rasta haar. Ik geniet van het werk. Net als ik dat wil zeggen, haalt Jeroen de woorden uit mijn mond. “Als ik dit in handen heb, is het net of ik het altijd al gedaan heb. Alsof mijn DNA weet, dit is mooi materiaal, daar hebben we wat aan. En nu wordt het gedumpt… Hoe ver is de wereld afgedwaald dat het nu afval is!” Ik knik. “Ja, dat dacht ik ook..”

Als de wol gesorteerd is hebben we drie zakken. De flinkste met grote stukken, eentje met kleinere stukken, en één met alleen maar wolvlokken en poep erin. Die wol komt bij de kont vandaan. De eerste twee gaan naar de hooizolder, de laatste gaat mijn landje op. Samen lopen we het pad af, de witte zak tussen ons in. We lopen het Verhalenpad op, en ik leg de wol neer waar ik het wil. Het zal hier de grond bedekken. Het zal het kweekgras tegenhouden in zijn groei en er zullen beestjes onder schuilen deze winter. Uiteindelijk zal het verteren, als voeding voor planten en struiken. Van de grond naar het gras naar het schaap naar de grond. Zo maken we de cirkel rond en laten we er iets moois op groeien.

.

Wol tussen pad en perk

Al is het wel een hele korte kringloop… Daarom wil ik ook niet ál de wol hier neer leggen. Er moet meer mee. “Laten we elke maand een handwerkavond houden!” zegt Jeroen. “Spinnen, weven en breien…”
“Maar eerst een spinnewiel,” besluit ik, “Ik ga ernaar uitkijken.”
Ik denk er nog steeds aan als ik even later Sjoerd tegen kom. Ik vertel hem van al die wol en wat we willen. “Hij lacht stralend. O! Dat vind mijn zus ook leuk. Zij verft wol, met planten.” Ik loop glimlachend verder. Dat deed ik vroeger ook, samen met mijn moeder…

Schapen scheppen een band. Het is het land zelf, dat het doet. Samen maken we de cirkel rond. Hier, waar we zijn. Wij en het land, het land en wij.

(Toegift in de luisterversie)

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

.

There are sheep in de meadow. They are from farmer Sjoerd. What happens with their wool? The woolmerchant has stopped. But still this man found two bigbags of wool in his garden. My neighbor and I pick up the dropped bales , we admire the beautifull material and come up with ideas.