De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Bèèèèèèèèèh!

.

.

Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèh” zegt het schaap. 

 

Het is nu echt januari. Ik kijk uit het raam. Dick is net weg. Dit keer hoeft hij nìet door de regen. Hij kan in de zon naar huis. Maar koud is het wel. Ik geniet van het witte winterlicht. Het is zo helder.

De schapen voor het raam hebben van de wei een modderpoel gemaakt. Het gras is geel en ligt slap in de drab. De madelieven zijn verdwenen. Het verborgen leven rust in zompige aarde tot het tijd is. En met het terugkerende licht wordt het popelen om lente bijna hoorbaar, als een terugkerend refrein, luider en luider.

Het is een tijd vol veranderingen. Tegelijkertijd gaat het traag, voor wie de wereld anders wil zien. In de winter is alles extra traag. Voor mij is dat juist goed. Al jaren leef ik in het ritme van het licht en pas er mijn dagen en werkzaamheden op aan. De winter is een tijd voor denkwerk, om plannen uit te werken.
Voor me heb ik een vel papier. Het is een werklijstje. Het zijn allemaal restjes werk, bij elkaar geveegd van het laatste jaar, de laatste dingen. Maar dit jaar wordt alles anders. Dat weet ik. Ik vraag me af of het nog klopt, wat ik te doen heb. Ik maak daarom geen haast. Nieuwe plannen krijgen langzaam vorm in mijn gedachten. Ik pak ze beet en leg ze weer neer. In de lente, ja, dán gebeurt het. Dat weet ik.
De schapen staren naar me, door mijn raam. Ik kijk terug. Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèèèèèh”, zegt het schaap en kijkt naar het hek. Er komt iemand aan.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.