De taal van al wat mij omringt

.

.

Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot actie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

.

Inheemse mensen vertellen me dat alles met elkaar verbonden is. Het is alleen al de taal, die zo veelzeggend is. Taal als een bewegend schilderij. Ik luister naar een indiaan uit Amerika. Hij vertelt hoe belangrijk hij het vindt, om zijn eigen taal te spreken. Er is een vogel die roept: „Pluk het, pluk het,“ als het oogstseizoen is aangebroken. Een ander vertelt dat er een boom is die ze „tante“ noemen, omdat ze geloven dat dierbaren in bomen en dieren voortleven. Dit alles vertelt de taal. Hoe meer verschillende talen hoe meer levendigheid. Ook onze eigen taal kent veel verhalen. Vooral planten hebben tal van bijnamen, naar gelang hun werking en de plek. En ook dieren hebben veel verschillende namen. In het Fries heet een winterkoning tuunhipper.“ Het zijn de allerkleinste vogeltjes die er zijn, samen met het goudhaantje. Kleine bolletjes met vleugels en hun staart parmantig omhoog gericht. Ik word altijd blij van ze. Ik zie ze niet hippen, bij mij komen ze pas bij schemering. En dan komen ze in de wilgetakken zitten. Het zijn er twee. „Tsjirrrp tsjirrrrrp,“ zeggen ze. Zijn ze er al?

Ja! Daar komt het eerste winterkoninkje aangevlogen. Hij rust op een tak vlak voor mijn deur. Hij kijkt even om zich heen en vliegt het korte stukje naar de dakoversteek. Daaronder is een holletje. De isolatie steekt naar buiten, door een ventilatiegat. En daar, in de schapewol vinden ze een koninklijk slaapvertrek. Ze hebben het gauw koud, de koninkjes. In strenge winters gaan ze dood, als ze geen schuilplaats hebben. Ik voel me vereerd met hun keuze en bied gastvrijheid. Ik heb de wol losser gemaakt, het nestje ruimer, en de kieren onder de dakkap volgestopt.
Daar is het tweede winterkoninkje ook. Hij strijkt neer in de schutting van slordig bijeengebonden riet. Ik maak geen rumoer, tot ze allebei hun plek gevonden hebben.
De winterkoninkjes eten spinnen en vliegen. Ik kijk naar allemaal. Ik bewonder elk wezen, klein of groot. Alles is beweging, een insect is net zo belangrijk. Dat wij minder met vliegen hebben dan met die lieve fladderende bolletjes, is logisch. Toch doet een vlieg of spin ook van alles. Ik luister en kijk waar ze heengaan. Door de beweging en de geluiden te volgen zie en hoor ik steeds meer. Ik zie de planten en de bomen met wie ze een relatie hebben.Veel planten en dieren hebben namen, die horen bij de plek die ze innemen. Taal leeft, beweegt mee met dat, wat er thuis hoort. De draden vormen het kleurrijke web van leven. Mensen zijn getuigen, stille waarnemers, schilders, componisten en creators. Als ze maar ogen hebben om te zien. En oren om te luisteren. Dan kruipt het leven in de taal, in de kleur en de beweging. Dan wordt de samenleving levend.

Ik luister en kijk, stil als een inheemse mensen. Al jaren. Hoelang kijkt een wijs mens, voor hij tot aktie overgaat? Net zolang als een Japanse kunstschilder, voor hij met zijn kwast doeltreffend de eerste lijn neerzet? Nee, langer nog, denk ik, veel langer. Ik denk aan de jager, die blijft kijken, vol concentratie. Tot hij vol bewondering en respect is voor het dier en alles weet wat hij weten moet en doet wat hij moet doen.
Hoe minder drukte je maakt, hoe meer je ziet. Hoe minder je wilt scoren, hoe rijker het schilderij waar je naar kijkt. Je kan de ene foto maken na de andere. Je kan het trots laten zien met de namen erbij opgezocht met google. Er zijn hele natuurparken voor aangelegd, met apps en betalende bezoekers. Erin en eruit. Kijken en klikken. Er gaan miljoenen in om.

Dit is het niet. Niet voor mij. Dit is het nooit geweest.
Blijf waar je bent. Kweek respect. Ontdek de taal van wat je omringt. Dit is wat ik mezelf vertel, keer op keer. Volg de bewegingen. Vlucht niet weg, denk niet dat het elders beter is. Alles is er al. Het wil alleen gezien worden. En wat nog niet is, zal komen.

.

Dit is de gloednieuwe website van mijn vriend. Voor het eerste interview mocht ik de spits afbijten. https://groeneverhalen.nl/

.

.

De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Bèèèèèèèèèh!

.

.

Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèh” zegt het schaap. 

 

Het is nu echt januari. Ik kijk uit het raam. Dick is net weg. Dit keer hoeft hij nìet door de regen. Hij kan in de zon naar huis. Maar koud is het wel. Ik geniet van het witte winterlicht. Het is zo helder.

De schapen voor het raam hebben van de wei een modderpoel gemaakt. Het gras is geel en ligt slap in de drab. De madelieven zijn verdwenen. Het verborgen leven rust in zompige aarde tot het tijd is. En met het terugkerende licht wordt het popelen om lente bijna hoorbaar, als een terugkerend refrein, luider en luider.

Het is een tijd vol veranderingen. Tegelijkertijd gaat het traag, voor wie de wereld anders wil zien. In de winter is alles extra traag. Voor mij is dat juist goed. Al jaren leef ik in het ritme van het licht en pas er mijn dagen en werkzaamheden op aan. De winter is een tijd voor denkwerk, om plannen uit te werken.
Voor me heb ik een vel papier. Het is een werklijstje. Het zijn allemaal restjes werk, bij elkaar geveegd van het laatste jaar, de laatste dingen. Maar dit jaar wordt alles anders. Dat weet ik. Ik vraag me af of het nog klopt, wat ik te doen heb. Ik maak daarom geen haast. Nieuwe plannen krijgen langzaam vorm in mijn gedachten. Ik pak ze beet en leg ze weer neer. In de lente, ja, dán gebeurt het. Dat weet ik.
De schapen staren naar me, door mijn raam. Ik kijk terug. Ik voel me als een druppel in de golf van de tijd. “Bèèèèèèèèèh”, zegt het schaap en kijkt naar het hek. Er komt iemand aan.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.