Bedolven verhalen van Frijlân

.

.

Met pezige nieuwsgierigheid
onderzoekt de wroeteldoener
verhalen in de bodem
.

.

Het is een lange oprit vol hobbels en bobbels. Ik zie sporen van grote machines. Hier wordt keihard gewerkt en hier komt straks mijn woonwagen te staan,  op het land dat“Frijlân” heet
Ik zet de geelblauwe OV fiets tegen de muur van de oude boerderij. Tussen keurige stapels oranje dakpannen huppelt een zwart konijn weg. In de lucht vliegt een torenvalk, en ik volg hem tot hij verdwijnt achter het pannendak, dat zo mooi is gerestaureerd. Even later zie ik hem terug komen. Hij vliegt over het erf, tot voorbij de plek waar straks mijn woonwagen staat en verder, de eindeloze groene velden over.

Ik loop de koele boerderij in. Om het hoekje zitten twee mannen koffie te drinken. Het zijn de timmerlui, die aan het dak van de schuur werken. Ze groeten me vrolijk en staan net op om aan het werk te gaan. Ik volg hun voorbeeld, pak de spade, doe mijn klompen aan en vind een paar passende werkhandschoenen. Ik ga graven. Wat zal ik aantreffen in de bodem? Hier ben ik al zo lang benieuwd naar!
Ik loop over het modderige erf vol plassen. Dit is de plek waar een grote schuur is gesloopt. Straks is het mijn uitzicht, een bloemenweide met een vijver. Er is fantasie voor nodig om dat voor je te zien en gelukkig heb ik die. Anders zou ik er nooit aan beginnen. Want nu is het een miserabele vlakte van klei, bezaaid met stenen en plastic.
Wat zit er onder? Ik wil het weten, weten wat er onder het oppervlak ligt. Ik wil graven en kijken, verhalen lezen in de grond. Welke sporen heeft de zee hier achtergelaten? En wat vind ik terug van de mensen die hier hebben geleefd? Ik wil het zien. Ik wil graven, in de aarde, vóór de grote machines komen en alles door elkaar husselen.

De klei onder mijn voeten is zompig. Dat is een goed teken. Maar verderop is de grond keihard onder de plassen. Dat hoort niet. Hier is iets. Ik schraap met mijn spade en zoek naar een plek om te steken. Ik besluit een geul te graven om het water af te voeren, maar moet hier door zestig centimeter stenen heen. Behalve steen, zit er nog  veel meer in de grond. Stukken plastic en  glas leg ik duidelijk neer voor de andere opruimers. Maar vooral vind ik  oude keien en brokken beton, kleine geeltjes en rode bakstenen, van alles door elkaar.  Het lijkt het fundament te vormen van een ouder, kleiner gebouw. Ze hebben er alles onder gegooid wat ze maar konden vinden. Al gravend ontdek ik de afmetingen ervan. Ik werk als een pezige wroetelaar. Ik stapel grof puin op een aparte hoop en selecteer eruit wat waardevol is, een reeks prachtige ronde stenen met cijfers er op

Het veld droogt op, door mijn harde werken. Ik graaf in oude blauwe zeeklei, zo compact dat je er mee zou kunnen pottenbakken. Ik graaf in korrelige zwarte klei, dat tjokvol koolstof zit. Het is een vruchtbare bodem. Maar het snakt naar doorluchting en bodemleven. Daar gaan wij voor zorgen, met onze lange adem brengen we hier het leven terug, een nieuw verhaal op een oude bodem.

De rest van de week werk ik door. Met de beste en mooiste keien bouw ik aan mijn vesting, die het oude en het nieuwe samenvat, een lage stenen wal, die straks de grens van mijn achtertuin vormt. Mijn handen zijn stijf geworden van het steken met de spade en sjorren aan stenen. Tevreden kijk ik naar alle kleuren en vormen, die ik in mijn wal heb verwerkt. Ik zucht. Ten midden van alles wat onder de schop genomen wordt, is hier alvast iets wat blijft staan. Vanuit een ooghoek zie ik een oorwurm verdwijnen onder een steen. Glimlachend neem ik afscheid. Ik zwaai met mijn armen om mijn spieren los te maken. Terug in het werkhok doe ik mijn klompen uit. Ze zijn grijs van de opgedroogde modder.

Terug ga ik naar Brabant, waar nog steeds mijn huisje staat, mijn kleine huis op wielen. Hoelang nog?

.

Volgende week publiceer ik mijn blog ietsje later. Die woensdag, de achttiende, maak ik een live verslag van de opening van Frijlân!

ΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩ

.

 

GEDICHT VAN IDA GERHARD

Misschien is dit het wel, waaruit Frijlân wordt geboren, wat ik ervaar als ik bezig ben op deze plek. Een zelfde begin, eenzelfde gloed.

 

Kinderland
 
Als ik ontwaakte onder ’t zolderdak,
in goede geur van appelen en hout,
was het weer daar: de pijltjes tintelgoud
van ’t licht, dat door de fijne spleten brak.
 
Eén streep, die trillend als een gouden speer
schuin inviel – ik kon, reikende opgericht,
mijn vinger doopen in die baan van licht, –
dan legde ik, bevredigd, mij weer neer.
 
En turend in die sterke wemeling
met warme gloed van leven binnenin,
heb ik vermoed, in schemerend begin
àlles, wat later voor mij openging.
 
Zoo liggen steden in een gouden mist
bij lente -, op het mild-beschenen plein
gaan menschen, met in woord en samenzijn
een zacht geheim, dat tastend wordt gegist. –
 
In ièder ding vindt men het anders weer,
en langzaam wordt een samenhang onthuld. –
Ik lag verzonken, zalig en vervuld;
aan ’t hoofdeneind straalde de gouden speer.
 
 
Ida Gerhardt (1905-1997)
Het veerhuis (1945)
.
.
.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s