Een zinderende stad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

Het is zaterdag 31 mei. Ik heb afgesproken met Dick, in Amersfoort. Dat ligt precies tussen Eindhoven en Heerenveen in. Ik ben er het eerst en wacht op het stationsplein. Al gauw zie ik hem mijn kant op komen. Hij is van verre te herkennen door het roze overhemd, dat ik zo mooi vind. Hij grijnst me tegemoet en we zoenen en omhelsen elkaar.

We praten heel wat af, lopen door de stad, fietsen door het bos, en picknicken tussen de zandverstuivingen van Soestduinen. Aan het eind van de dag fietsen we terug. Met de fiets aan de hand lopen we door de smalle straten van Amersfoort, op zoek naar een plek waar nog koffie te krijgen is.

Amersfoort is een kleine middeleeuwse stad, vol terrasjes, die de afgelopen maanden door de pandemie volledig waren uitgestorven. Maar vanavond zijn er overal mensen in de weer. Een caféhouder staat glanzend van tevredenheid zijn bloemen te begieten. „Die zien er goed uit!“ zeg ik bewonderend. “Ja!“ roept hij. „Morgen gaan we weer los!“ Hij straalt van top tot teen.
De hele binnenstad zindert. Morgen is het zo ver! Morgen mogen de terassen weer open. Verderop zie ik een jongen die tafelpoten vastschroeft. Twee andere jongens poetsen tekstborden schoon, waar het menu op staat. Het is één en al bedrijvigheid.
„Wat zou het mooi zijn als het altijd zo was,“ zeg ik tegen Dick. „Wat bedoel je?“ vraagt hij. „Iedereen zo lekker aan het werk, in plaats van al die mensen die maar zitten te consumeren. Zo moet het vroeger zijn geweest. Maar dan anders.“

Ooit waren de straten vol met ratelende wagenwielen, groentekramen, schrobbende huisvrouwen, die hun stoep schoonmaakten. Er waren brouwers die hun vaten vervoerden naar de plek van bestemming. In de Eem voeren kleine schepen met bier weg. Het gouden vocht uit Amersfoort werd graag gedronken. Het water kwam rechtstreeks uit de Veluwe en het was helder en zacht. Nu is er weer een brouwerij, om de traditie te herstellen. Maar er zijn vooral veel terrasjes met bierdrinkende mensen. Die kunnen morgen weer genieten. Maar niet te dicht op elkaar, vanwege het besmettingsgevaar. Ik hoop dat er genoeg plek is, en dat de mensen geen ruzie krijgen om één van de schaarse stoelen.

De terrascultuur is tegelijk gegroeid met het kapitalisme. De eerste tafels en stoelen werden buitengezet in Den Haag in 1863. Afgekeken van Parijs. Fatsoenlijke vrouwen waren er niet erg op gesteld, die blikken van de heren. Maar later mochten er ook rijke vrouwen komen. En nóg later iedereen. Het werd een teken van welvaart. Een land met terrassen, is een rijk land. Nederland scoort hierin erg hoog. Net als in de geluksladder. Ben je gelukkig als je een terrasje kan pakken?

Dick en ik lopen maar weer terug naar het station. Nergens is nog koffie te krijgen. Alle afhaalpunten zijn gesloten. Maar het geeft niet. We zien van alles. Ik loop een hoekje om en zie een gietijzeren hek, met een bordje erbij. „Verboden toegang,“ staat er. Nieuwsgierig blijf ik staan, en roep naar Dick, die achter me aan komt. „Kijk eens!“ Achter het hek zien we een oude binnenplaats. Het hoort bij het Franciskaner klooster. Ik bewonder de oude stenen muren. Het is er stil, de geluiden van de stad dringen er nauwelijks door. Maar er zijn geen monniken meer. Straatsstenen en twee auto’s, dat zie ik. Het is een parkeerplaats.

„Zou dit de kloostertuin zijn geweest?“ vraag ik aan Dick „Wat zou ik die tuin hier graag weer terug zien! Ik zou hier zo mijn woonwagen neerzetten om ermee te beginnen.“ Dick grinnikt. „Ja het is echt een plek voor een binnentuin,“ zegt hij. Ik glimlach. „Mooi is dat hè, hoe een locatie altijd blijft vragen om datgene waar het voor gemaakt is. Hier horen bloeiende kruiden te groeien. Hoeveel mensen zullen dat al hebben gedacht! Ooit komt die tuin weer terug. Dat kan haast niet anders.“

We lopen verder. Nergens is koffie. Morgen gaan ze los. Dat zeggen ze allemaal. Morgen! De tafels en stoelen blinken en de bloemen staan te pronken in de plantenbakken. Een terrasje pakken. Morgen mag het weer! Maar wel op anderhalve meter van elkaar. Consumptiecultuur in afgeslankte versie. Zou het blijvend zijn? Zou dit dan ook het einde inluiden van het kapitalisme?

Dan zou ik graag de hofjes terug zien, met kruiden. Groentevrouwen op de pleinen en ambachtslieden. Vanavond zie ik hoe het kan zijn. De stad als een bezige bijenkorf. Met één bijzonderheid: De opgewekte sfeer van vanavond is ongekend. Dit is het zinderen van de nijvere stad. We mógen weer! Morgen gaan we los!

.