De sloot

.

.

                                Hoeveel Nederlanders
                                baggeren nog met de hand?
                                Ik ben erbij.
                                Vandaag steek ik mijn schep
                               in schaars zompig land
                               Het is een boeiend karwei
                               en zo vertrouwd,
                              het hoort bij mij.
                              Ik ben immers een pezige vrouw
                              getrokken uit de klei.

 

Van de brede sloot is niet veel over. Een smalle strook water van zeven centimeter diep is het. Op sommige stukken is het al droog gevallen en nu het zo ondiep is geworden gaat de verdamping steeds sneller. Ik sta wijdbeens over de sloot, mijn voeten zakken een eindje weg in de smeuïge klei. Boven mij uit strekt een droge helling van meer dan twee meter. Ik schep tussen mijn benen in een geul. Eén spade diep ga ik, want ik moet nog een heel stuk. Tot de brug wil ik. Mijn zelfgemaakte vlonderbrug, gemaakt van scheepsluiken.
Ik werk hard door. De klei verspreid ik over de helling en ik kneed het, zodat het een deel wordt van de slootwal en er holletjes ontstaan. In de holletjes zit het meteen al vol insecten. Ik glimlach. Het is fijn om het leven te zien volgen in mijn kielzog. Nu de geul steeds smaller wordt, blijft er ook makkelijker water in staan, als het eindelijk weer gaat regenen. Dan spoelt alles er in.
Ik duw mijn spade in de zachte bodem tot ik de harde onderlaag voel. Harde blauwe klei is het, maar niet helemaal klei, het is afgewisseld met lagen organisch materiaal. Het is een opéénstapeling van dikke kleilagen met telkens een dunne kruimelige laag ertussen. Het lijkt op de jaarringen van een boom. Licht in de zomer, donker in de winter. Zou dit ook met de seizoenen te maken hebben? De zee legde een lichte dikke kleilaag neer en spoelde het als een vruchtbare bodem over het land. De zee trok zich terug en alles groeide en stierf weer af. Alle dode planten samen vormden een smalle donkere laag, die nu kruimelig voelt tussen mijn vingers.
Ik duw de steel van de schep ver naar achteren, zodat de grond loskomt onder water. Ik hoor een zuigend en slurpend geluid dat mensen vies en niet netjes vinden. De aarde trekt zich niks aan van wat mensen vinden. Gelukkig maar. Ik zie om de schep beestjes kringelen, in de zuiging van de losgewoelde bodem. Ik stel me voor dat ik zo’n beestje was. Misschien is het wel leuk, dat draaien en kringelen, als een soort achtbaan. Misschien zou ik wel blij zijn dat er eindelijk eens iets gebeurde in die saaie sloot.
Ik schep de dikke kluit los uit de bodem en trek hem voorzichtig met blote handen los. De beestjes draaien zachtjes mee. Het is een mooie kluit, de lagen liggen dicht opeen, als streepjes. Als ik de kluit de helling op gooi, valt hij in twee platte stukken uiteen.

Ik werk de hele dag door, tot ik de brug heb bereikt. Ik leg de schep neer en ga op de donkerbruine scheepsluiken zitten. Ze ruiken naar teer en er staan Romeinse cijfers op. Als ik er op stap hoor ik een plons. Er zwemt een kikker weg, de veilige donkere diepte in. Dan ga ik er eens rustig voor zitten. In de sloot onder mij wemelt het van leven. Ik zie visjes, waterbeestjes die als botsautootjes over het water kringelen, maar elkaar nooit raken. Soms raken ze een klein visje, die dan geschrokken naar de diepte duikt. Is het plagerij? Kunnen zulke kleine beestjes plagen?
Een libelle vliegt over en gaat op een eilandje eendekroos zitten, dat ik daar speciaal naar toe heb gebracht. Ik zie dat ze haar rug kromt. Ze legt eitjes in het kroos. De zon zakt aan de hemel en maakt alle kleuren zacht.

De volgende ochtend is al vroeg heet. Ik ga gelijk naar de sloot. Het is er verbazingwekkend stil. Ik zie geen waterbeestjes meer en geen libelles. De bodem is op meer plekken in zicht dan gisteren. Hier en daar beweegt een klein groepje kleine visjes. Zouden ze blijven leven? Of droogt de sloot toch op? Ik blijf kijken!

.

.

.

.

In Friesland heeft men een proef gedaan met gezamenlijk baggeren met spierkracht. Het zag er zwart van de buitenlanders. Zijn Nederlanders zo ver van hun roots afgedwaald?

http://www.lowtechmagazine.be/2018/07/bagger-kolonie-friesland.html

Met de kracht van een donkergroene reus

Een filosofische wandeling door het bos

.

blogtek-wortelgangen-door-de-tijd-kl-frm

.

Ik spreid mijn handen wijd
maak wortelgangen door de tijd
Onze dromen zijn de bomen
van de toekomst

.

De lucht is koud en blauw, maar onze voeten zijn warm. Samen met Dick loop ik in stevig tempo over de verharde weg richting het landgoed “Baest“. Onze adem maakt wolkjes. Als je je ogen dicht doet, lijkt het of er iemand alleen langs komt, zo gelijk lopen we op. Met halfgesloten ogen kijk ik naar de lage zon en geniet van de kleuren, die het licht tussen mijn wimpers maakt, het lijken net vleugels van libellen. „Zo mooi is het zonlicht,” zeg ik tegen Dick „Als kind deed ik dat ook, zo kijken tussen mijn wimpers.”
„Pas maar op,” lacht hij schertsend „Je wordt er stekeblind van!“
„Dat zeiden ze vroeger ook. Ik merk er nog steeds niks van.“
Ik kijk naar het prachtige zachte licht, tot het bos begint, een bosje met enkel sparren, bedoeld om regelmatig hout uit te kunnen oogsten.
In een stil, gestadig tempo komen we aan bij het oude land, het bos dat al veel langer bestaat. Er staan dikke beukenbomen waar verder niks onder groeit. Er ligt een dikke laag goudgeel blad onder, bedekt met bevroren dauw. De stilte en de herfst maken me filosofisch.
„Jij bent niet bang hè?“ vraag ik.
„Waarvoor?“
„Voor het einde van de wereld. Voor chaos en onherstelbare verwoesting door alles wat er nu gebeurt.“
„Nee, er gebeuren net zoveel goede dingen. Het is maar waar je naar kijkt,“ antwoordt Dick.
Ik kijk naar één van de majestueuze beuken, met takken als armen van een donkergroene reus en zonder bladerige kruin op zijn hoofd kun je zijn houtige spierbundels nog beter zien.
„Ik kende ooit een Afrikaan. In de zomer was hij naar ons land gekomen. Toen het herfst werd, kwam hij zorgelijk bij me aanzetten en met grote ogen zei hij: Alle bomen gaan dood! Ik moest lachen en heb hem gerustgesteld.“
„Ik kan me voorstellen dat het schrikken is, als je dat nooit gezien hebt,“ glimlacht Dick.
„Daar moet ik aan denken. Mensen die bang zijn weten niet dat na elk einde weer een nieuw begin is, net als na de herfst en de winter, net als die Afrikaan. Soms lijkt het of alles afstevent op aftakeling en einden van dingen. Maar ik denk dat de meeste kracht niet zichtbaar is. Het is als een netwerk van wortels dat onder de grond groeit en wacht. Als je niet goed kijkt, dan weet je niks van de enorme levensdrang van alles, dat rust in de bodem en zich klaarmaakt voor een nieuwe lente..”
Ik ben even stil en we kijken naar het krakende bevroren blad onder onze voeten. Dick zegt niks, in afwachting of ik nog meer ga zeggen.
„Ik denk dat het precies zo gaat, in een samenleving van mensen en alles wat ons omringt. Overal zijn mensen die werken aan de basis, vaak onbekend en ongezien, maar met ongekende volharding. Al weet niemand hoe het er straks uit gaat zien.“
„Zo is het,“ knikt Dick.

We lopen verder langs de rietkragen van het Wilhelminakanaal. In het dorp drinken we een heerlijke blonde trappist. De glazen met de goudgele drank fonkelen in de lage zon.
„Op alles wat er is!“ Ik hef het glas en klink tegen het zijne.
„En dat we er nog veel van kunnen genieten,“ lacht mijn vriend.

.
.
.

piano-impro-kado-zw-w-kl-frm

VOETNOOT

Tot mijn verrassing kreeg ik een piano improvisatie kado.
Het thema is “Na elke winter komt een lente“
En het past zo mooi bij dit verhaal
dat ik het in de reacties heb gezet.
Het is van Jeroen de Clercq, uit België.

.

.

..

Tien paar schoenen en meisjesgenade

.

Blogtek. Tien paar schoenen kl frm.

.

Er was een tijd dat ik postbode was. Ik had een eigen wijkje. Dat deed ik met plezier. Maar één winter lang liep ik op kapotte schoenen. Ooit waren het eerste klas wandelschoenen. Die dagen waren al lang voorbij. De ene zool zat los en als het regende werd mijn sok nat. Er was geen geld voor nieuwe.
Misschien is het daarom, dat het wegdoen van schoenen me moeite kost, bij het opruimen.

Als ik straks verhuis naar mijn kleine coconwoning, dan heb ik slechts een paar vierkante meter. Wat doe ik dan met al dat schoeisel, past het wel? Ik wil eigenlijk geen enkele missen. Dit is wat ik heb:.

.
Klompen voor in en uitlopen en warme voeten
Comfortabele met bont gevoerde terreinlaarzen voor diepe plassen
Hele goeie wandelschoenen
Makkelijke nette schoenen
Uitgaansschoenen met hak
Mexicaanse muiltjes, instappers.
Warme pantoffels voor de winter
Sandalen
Renschoenen met verende zool
Balletschoenen, ook te gebruiken voor klimmen in gladde paal en in bomen.

.

Maar wie weet, de kast onder de vloer is best groot. Misschien past het. Nog even verder bouwen, dan weet ik het.
Ik ga nóg kleiner leven. Van twaalf naar zes vierkante meter. Een poppenhuis is het bijna. Ik heb er zin in. En ach, al zou ik een paar schoenen weg moeten doen. Als dat alles is…

Meer dan wat dan ook is dit huisje van mij. Het is méér dan een ding. Mijn eigenwijsheid zit er in en al mijn jongensachtige meisjesdromen. Ik maak het voor de gein.

Genade en gein is hetzelfde woord, al is er haast niemand die dat weet. Genade betekent dus eigenlijk: Geintje, of heb lol. Zo grappig vind ik dat. Ik moest erg lachen toen ik dat ontdekte. Waarom zou je zaken te serieus nemen. Blijf toch lekker spelen. Jongensgenade of meisjesgenade, allemaal leuk.

Hoera, het leven is een geintje!

.

Bodemcompactie op het land, dat is soms ook geinig.

.

.

Nog meer gedachtes over gein…

.

Als je iemand
iets vergeeft
dan zeg je
Kom,
laten we lekker
samen gaan lachen

Dat is genade
Dat is gein
zonder poespas
Heel gewoon

Voeten van de lente

.

.

blogtek-meisje-in-t-groen

.

Ik ben gegaan
langs strakke rijen bomen
en doodgeploegde aarde
elke stap die ik zet
kondigt verandering aan

Al is het maar een lichte bries
of slechts een zweem ervan
mijn adem is een dapper lied
mijn hart verlicht verlies

Achter mij, daar groeien bloemen
ik loop de bodem rijk
ik bedek de naakte aarde
en laat de bijen zoemen

Geweld op doodgeslagen grond
lang liep ik op grijze keien
zag groen ertussen, al maar meer
en zo loop ik de wereld rond

Wat wil bewegen zal nooit dood gaan
zaad blijft leven heel diep weg
de ziel van alles wat er is
blijft altijd in de kern bestaan

Ik loop ik loop steeds verder rond
heel de aarde, dicht de wond

Wat zie ik

.

Wat zie ik? Voeten in het gras

 

Het is ochtend en heerlijk weer. Voor ik weer aan het werk ga maak ik eerst een wandeling, besluit ik. Ik doe een kort jurkje aan en ga naar buiten. De zon schijnt warm en een harde bries waait verkoelend langs mijn blote huid. Als ik het zandpad naast de camping op loop, stuift het droge stof tussen mijn tenen en in mijn sandalen. Ik doe ze uit en loop met mijn schoeisel in de hand verder. Even verderop kan ik op het gras lopen van het hooiland. Het is van de manege, een minuut of vijf fietsen hier vandaan. Ik zie de paarden lopen als ik naar Haghorst rijd. Hun grasland ligt pal achter de dikke rij bomen van ons terrein. Het gras ziet er gezond en stevig uit. Er wordt gelukkig nooit geploegd, alleen gemaaid en geoogst. Na het oogsten wordt er geïnjecteerd met drijfmest.

.Wat zie ik ? Gras

Nu is het gras half lang. Onder het gras zie ik lange strepen van voren in de grond. Dat is van de messen. Met die messen maken ze snedes van een centimeter of vier. Achter het mes komt gelijk de spuit met mest. De bagger loopt in de voren. Zo gaat het. Je blijft de strepen zien tot het gras te lang wordt, als littekens in de bodem. Op plekken waar minder gras is, zie ik hier en daar wormenhoopjes. Ze zien er uit als torentjes van zand. Het is ook zand. Zand in vorm van wormenpoep. Ik vind ze leuk, die torentjes. Maar als de grond nat is zie je ze beter. Deze lente waren het er ontzettend veel. Toch zie ik dat ze er nog zitten, de wormen. Ik had gehoord dat ze massaal stikken in land waar ze drijfmest injecteren. Kennelijk valt het mee. Maar bij ons op het terrein zijn het er meer.

Achter het grote grasveld ligt een akker van een boer uit de buurt. Ik heb hem alleen van afstand gezien op zijn trekker.
Vorig jaar heeft het land een tijd braak gelegen. De eerste pioniers kwamen dapper tevoorschijn. Perzikkruid, zwaluwtong, veldkers, valse kamille.. Voor de boer zaaide, heeft hij de beginnende wildernis platgespoten en omgeploegd. Ik wist wel dat het zo ging. Maar toen ik het voor het eerst zag geloofde ik mijn ogen niet. Onthutsend. Wat een dode massa, op zo’n groene stralende lentedag. (*) En dat zomaar opeens, van de ene dag op de andere leeft er niks meer. En waar is de boer? Geen mens te bekennen. Als een boer een keer zijn trekker uitstapt, moet je er als de kippen bij zijn als je hem wilt leren kennen. Voor je het weet zie je hem het hele jaar niet meer.
Ik ben aan het einde van de akker en hier buigt het pad af naar rechts. Eerst langs de uitbundig bloeiende strook van Brabants landschap. Vorig jaar was het een armzalig strookje langs de grote akker, vol trekkersporen. Verder zag je nog wat kleine boompjes die het volhielden. Dit jaar blijft de boer meer op eigen land. En óf dat scheelt!
Voor ik het bos in loop, komt er eerst een rijtje zielige eiken. Ze vormen een frontlinie langs dit pad, dat de bosrand markeert. Voor de eiken sta ik stil en werp een laatste blik op de bewuste akker. Ik kan nog steeds niet goed thuisbrengen wat er nu op groeit. Het blad lijkt op snijbiet, en er tussen staan grote velden gras van een wat robuuste soort. Het overheerst al het andere. Ik vraag me af, is dit gras nou een onkruid dat resistent is tegen het gif roundup? En wat is dat blad dan, netjes in rijtjes daartussen in? Ach…. wellicht zijn het gewoon groenbemesters, gezaaid door de boer. Zou hij straks alles weer doodspuiten? Ik blijf kijken. Elke dag opnieuw. En vragen. Want niets blijft ooit hetzelfde. Ook mensen niet.

.

Wat zie ik? Planten in het zand

Link:

Verhandeling over glycosfaat: http://www.brabantsemilieufederatie.nl/sites/www.brabantsemilieufederatie.nl/files/2%20stedelijk%20gebied/glyfosaat/121030%20samenvatting_onderzoek_greenpeace.pdf

.

 

Rotspul, bestaat dat?

.

 

„Hondsdraf? Dat is rotspul!” hoorde ik pas. Zo’n plantje dat overal maar tussendoorkruipt, dat wordt meestal niet gewaardeerd. Het komt op in gazons, daar waar mensen gras willen hebben. Inplaats van het glanzend groene raaigras, zie je dan een paarse zee met beestjes die er rondvliegen. Dat is niet de bedoeling van een gazon. Flora en fauna delen we in. Zoals we het zelf willen zien. Nuttig en niet nuttig. Hondsdraf is niet nuttig. Zeker niet in het gazon. Smeerwortel en hoefblad ook niet. Dus dat moet weg. Maar er is een wereld die veel groter is dan wat we weten. De bodem en de bijen en beestjes hebben wellicht iets heel anders nodig. En wij hebben hun weer nodig. Dus wat is wijs?
Ik doe het zelf ook. Ik kies ook welke planten ik niet wil en welke ik wel wil. Ik haal weg wat dominant is, maar er mag altijd wat van blijven staan. Alles heeft zijn funktie. Op kweekgras wordt bijvoorbeeld veel gescholden. Maar ik wist niet dat kweekgras goed is voor de stofwisseling en voor de huid. Dat weet ik pas sinds gisteren. Misschien doet kweek in de bodem ook wel dingen die de bodem gezond maakt. Geneest het niet alleen mijn huid, maar ook de huid van onze planeet, de bodem onder mijn voeten. En dan trek ik het er zomaar uit.
In de permacultuur probeert men funkties te achterhalen, van de plant die er groeit. En dan ruil je die plant voor een andere, die dezelfde rol speelt, maar nóg meer funkties heeft. Een plant waar je ook nog goed van kan eten. Of mandjes van kan vlechten. Of een windhaag van kan maken. En graag een plant die we mooier vinden dan kweek, en makkelijker te verwijderen wanneer wij dat willen. Dan halen we alle kweek weg tot het laatste halmpje, en zetten we er andere plantjes voor in de plaats. Het liefst met grote vruchten en een rijke oogst. Ik ken die verleiding om zo snel mogelijk een grote oogst binnen te halen. En er is dikwijls commerciele noodzaak. Maar wat geven we en wat nemen we?
Ook in de permacultuur zijn mensen hongerig naar kennis, naar feiten die houvast bieden in hun tuinontwerp, of boerderij. Wat is zinvol en wat niet. Je kan dingen lezen op internet of in boeken, en horen van anderen. Maar elke plek is anders, en heeft iets anders nodig. En de natuur is flink in beweging. Alles verandert in hoog tempo. Bodem, klimaat en hele ecosystemen. Wat weet ik nou eigenlijk. Zo weinig toch… Daarom kijk ik maar gewoon. Naar dat hondsdrafje. Of naar de smeerwortel of het kleine hoefblad. Wat staat het daar te doen, op die plek? Hoe ziet het er uit? De aarde geeft zelf aan wat ze nodig heeft. Ik wil daar eerst lekker lang naar kijken en luisteren. Er valt vast en zeker een hoop plezier te beleven aan dingen waar ik nog niks van weet. Misschien vraagt het land wel om iets heel anders, dan ik kan bedenken. Voor mij is het zoiets als een relatie. Pas na een tijd weet je van elkaar wat je prettig en niet prettig vindt. Dan begint er iets te groeien wat blijvend kan zijn. Op deze ontdekkingstocht is er niemand die mij werkelijk kan vertellen wat ik moet doen. Of waar ik naar moet kijken. Gelukkig maar.

De luistertuin

.

 

Ik volg het nieuws
niet op de voet
Ik ben ermee gestopt
De storm, de veelheid
maakt me doof
voor wat al lang
mijn aandacht roept

Piepend, zoemend en krioelend
Een schuilplaats
in een stille stronk
bijen, hommels en springstaartjes
Mijn huis dat is mijn honk

Elke plek
een web van leven
verweven met
nog heel veel meer

Hier sta ik dan
met open mond
en kijk zo vaak ik kan
naar wat er opgroeit
uit de grond
En wat er is
daarboven

.

Scheppend werk

.

.

Ik graaf en schep. Wat een stuk van de schapeweide was, wordt nu een tuin. Alleen al het maken ervan is een spel. De vogels om me heen zingen om het hardst, en ik werk door want de lente komt er aan. Ik schep aarde en staal mijn spieren. Her en der ontstaat een heuveltje en daarna verdwijnt het weer naar elders. Het is nog niet direct te zien wat het moet gaan worden, maar ikzelf zie het helder voor me. Het beeld verandert en past zich aan, terwijl ik werk.
Ik scheid zorgvuldig het onderliggende zand van de vruchtbare bovenlaag. Die bovenlaag moet straks ook weer boven komen, alles heeft zijn plek en dat is niet voor niets. De aarde onder het gras is hard en platgestampt door de schapen. Het is zandgrond. Er hebben ook koeien gelopen, een geel oormerk diep onder de grond herinnert aan vervlogen tijden.
Liever schep ik helemaal niet in aarde, want je kunt het maar beter zoveel mogelijk met rust laten. Vooral geen grondlagen door elkaar gaan gooien. De bodem zit tjokvol micro-organismen. En dat wordt danig verstoord door al dat gegraaf. Maar ik doe het wel, één maal, om de grond los te maken en een wal te maken. Er is een hoop wat ik niet kan zien, maar wormen zie ik wel. Ik ben op elke beweging gespitst. Als ik een wurm zie spartelen, of bewegingloos zie lijden in de droge buitenlucht, dan stop ik hem onder een omgekeerde grasplag. Ik weet niet of hij daar zelf ook naar toe wilde, maar het lijkt me beter dan uitdrogen of opgegeten worden. Daarna pak ik mijn soldatenschep en graaf weer verder.
Ik bouw een kleine dijk met takken er binnen in, uit het boek van Holzer. Het is erg leuk om te maken. De takken onder de aarde zorgen voor heel wat jaren voeding, ze zullen langzaam verteren tot humus.
Terwijl ik ernaar kijk, zie ik dat het de vorm van een oorschelp heeft gekregen. De open kant is naar het zuiden gericht, om zoveel mogelijk zon op te vangen. In de schelp is de luwte. In het midden heb ik een klein vennetje gemaakt, een speelse ven op de plek van de gehoorgang. Eigenlijk is het een luistertuin. Een luistertuin in de vorm van een oor. Dat klopt wel, want ik luister veel. Naar de vogels, en naar de mensen hier.
Nu staat het vennetje droog. Je kunt goed de verschillende grondlagen zien, als je in de kuil kijkt. De aarde is donker, soms pikzwart. Diep daaronder zie je geel zand. Waarschijnlijk is er hier voor de ontginning een ven geweest. Die was waarschijnlijk een stuk groter dan mijn kleine kuil. Ik hoop dat het een poosje veel gaat regenen. Ik wil zien wat er gebeurt. Ik wil water zien in de ven, zaaien en wilde planten ontdekken, kijken wat er groeit. Mijn handen zijn stijf van het vele scheppen, vanochtend werd ik wakker met slapende vingers. Even wat zwaaien en strekken. Dan weer verder. Nog maar een klein stukje. Dan is het scheppen klaar.

PS: Vannacht heeft het zoveel geregend dat er water in mijn vijvertje stond!

Snijdende wind over kale akkers

.

.

Al een aantal dagen snijdt een meedogenloze ijskoude wind over de uitgestrekte kale akkers. Dick en ik hebben allebei een joekel van een tak gevonden in het bos, een van een den en een van een lariks. Ze zijn allebei voor de kachel, dat is nog steeds hard nodig. Vooral de Lariks is zwaar, het hout staat er om bekend, maar Dick is een grote vent met brede schouders, hij tilt het makkelijk. We lopen dwars over het weiland, waar onlangs nog drijfmest is geïnjecteerd. De bodem is in langwerpige stroken gesneden, er staan groeven in de grond. Als je goed kijkt zie je de opgedroogde stront zitten, wijs ik Dick.
Dan naderen we de rand van het maisveld. Althans, het veld waar opnieuw mais moet gaan groeien. De stoppels van vorig jaar hebben ze onlangs omgeploegd. „Laten we hier maar niet overheen lopen”, zegt Dick. De grond is kaal en zwart. “Ik begrijp niet waarom ze niet meer boomhagen planten”, zeg ik. Mais houdt toch ook van een luwe plek, moet je eens zien wat voor een afstand de wind aflegt over die enorme vlakte. Tot Middelbeers is nauwelijks een obstakel te zien. In de zomer wordt verderop spinazie verbouwd, en overal zie je hooiland met één soort gras erop.Te natte grond kan je alleen maar gebruiken voor grasland. Of bossen. Daarom is dat. Er staan nauwelijks bloemen of kruiden in het gras. Toch wordt in Middelbeers streekhoning verkocht. Ik ben benieuwd waar die bijen dat dan vandaan halen. In de verte kan je de weg naar Middelbeers zien, omzoomd met bomen. Langs die weg is land met coniferen, allemaal miniboompjes in rijtjes. Het bedrijf heeft dertig polen in dienst, en de coniferen zijn voor de export. Ze gaan naar Roemenië, is mij verteld. Daarachter ligt het bos van de Baest, een productiebos met sparren en wat beuken ertussen, om het verzuren van de grond tegen te gaan. Maar dat kan je van af hier niet zien, dat bos. Het bos waar wij net uitkomen is veel dichterbij, een klein stukje lopen maar.
We lopen langs de rand van het omgeploegde veld naar het verharde fietspad. Ik verheug me op de warmte van de kachel, en het samen koffie drinken. Lekker terug in mijn kleine stolp, precies groot genoeg en heel gezellig. Mijn eigen huisje op wielen, dat nu tussen de akkers van Brabantse boeren staat. Als het warmer wordt ga ik leren trekker rijden. Ik weet al bij wie.

.

Het aroma van kleine dingen

Atalanta aan de Beerze

Het schrijven lukt niet vandaag. Ik blijf maar typen tot mijn schouders stijf zijn. Telkens weer merk ik, het gaat niet over mij en het loopt niet. Het zijn gedachten, ideeën over wat er moet gebeuren met de aarde, maar wat is mijn rol? Hoe nu verder? Ik schrijf en schrijf en begin voor de zoveelste keer overnieuw. Ik denk na over wat we moeten doen om het tij te keren. Ik droom van een strobalenhuisje om in te wonen, en te leren en te leven van het omringende land. Ik droom van mensen om dat samen te kunnen doen en te delen.
Maar misschien is het bouwen van zo’n huisje wel minder belangrijk dan de wereld redden. Terwijl ik daarover nadenk, vind ik een interessante oproep in mijn mailbox. Het gaat over de bodem. De bodem van onze aarde heeft onze hulp nodig, dat is het thema. Vruchtbare grond over de hele wereld, gaat in rap tempo verloren door verkeerd gebruik. De prioriteit is hoog. Ik vraag me af wat ik kan doen, nu. Behalve dan mijn eigen mest laten composteren in het bos. (*) Ik plaats een berichtje op facebook. Er komt meteen een lijst met tips en films. Veel mensen die iets te vertellen hebben, over humus, bijen, lezingen, zembla, de chemische industrie…. en er is er eentje die een vraag stelt.
Het is een veelheid die me afstompt. Ik weet niet hoe anderen dit ervaren maar bij mij gaat het meeste langs me heen. De stroom van nieuws en aangedragen ideeën wordt met de dag groter. Het vormt een wolk, een dichte massa die mijn aandacht inpakt als een kaarsvlam die te weinig zuurstof krijgt. Wat is wel zinnig om te vertellen en wat niet? Waar moet ik nu naar kijken, wat is nu belangrijk voor míj? En wie zijn de mensen met wie ik dan de wereld moet gaan redden, waar zijn ze nu?

De wereld redden is zo’n groot begrip… Is het niet zo dat, hoe kleiner ik iets maak, hoe sterker het effect is? Hoe kleiner het is, hoe meer aandacht ik het kan geven en hoe meer ik ontdek. Tot in de details! Als ik één enkele tekening maak van een plantje, waar ik vol bewondering naar kijk, dan gaat er een hele wereld voor me open. Of als ik een spade in de grond zet en zie wat er daar allemaal leeft..
Maar als ik bijvoorbeeld een hectare zou hebben, wat ik in een jaar tijd productief moet gaan maken, dan heb ik die aandacht niet, dan is er vooral tijdsdruk en moet ik alles tegelijk te weten komen. In plaats van naar mijn eigen grond te kijken en wat daar is, zou ik misschien de hele dag op internet zitten, mensen opzoeken met kennis van zaken in plaats van mijn eigen inzichten te vormen. Ik zou informatieve bijeenkomsten bezoeken en veel treinreizen maken. Ik doe het liever anders, besluit ik. Veel liever kijk ik er een jaar naar, en begin bescheiden om daarna weer verder te zien hoe het zich ontwikkelt. Ik kan van heel weinig leven. Ik hoef niet zo snel. Zo kan ik veel rustiger en grondiger mijn beslissingen maken.

Toen ik op de werf woonde in Utrecht, ging ik zelden ergens heen. Ook daar was mijn aandacht volkomen gericht op die ene plek. En ik hield het klein, wat ik deed. Zodat ik er wat moois van kon maken. Ik was er dus bijna altijd te vinden, onder de oude kastanjes aan de gracht. Ik moest er ook zijn, voor de rondvaarten met mijn oude schuit. De winter was soms moeilijk door te komen. Er gebeurde weinig en ik was alleen met het onderhoud, wat er te doen was. Maar ’s zomers was het anders. Elk moment kon er iemand komen die wilde varen. Of kwam een wandelaar langs de kelder gelopen die zich afvroeg op wat voor plek die was beland. Ik gaf antwoord op hun vragen, vertelde over Utrecht. Het waren soms boeiende gesprekken waar ik dan de hele dag blij mee was.

Ik was daar, zoals een boer op zijn land. Gehecht aan de plek als de monumentale boom die voor mijn deur stond. Maar de stad is toch mijn plek niet en de donkere kelder waarin ik woonde miste de zon. Ik wilde geen stenen meer onder mijn voeten voelen, maar aarde. Geen muren om me heen, maar bomen en struiken. De drang om dat te vinden werd steeds groter. En nu sta ik op een veldje in een woonwagen. Alles om me heen is van anderen en naar hun regels en wensen ingericht. Het grasveld, de schapen. De uitgestrekte akkers met monocultuur en het wat eentonige bos. Maar er is meer achter de horizon. Straks ga ik op verkenningstocht. Misschien duurt die tocht wel jaren. Ik hoop veel te leren, onderweg. Mijn Juffrouw Kolibri laat ik hier eerst maar even staan, denk ik. Misschien komt er uiteindelijk een nieuwe plek waar ik kan wortelen. Want of ik hier blijf in de toekomst, op dit veldje? We zullen zien. Ik heb geen haast, maar ben toch blij dat mijn wagen wielen heeft! .

(*) Lees het verhaal: https://alowieke.wordpress.com/2013/01/01/een-eerlijke-ruil/