Sombere twijfel en een helder idee

.

.

 

Luister hier naar het voorlezen van dit verhaal.

.

“De wereld is mooi!” had ik net opgeschreven. Ik was lekker op weg, trof overal aardige mensen en het schrijven erover ging goed. Tot ik mijn chatbox op facebook weer eens opende. Ik kijk daar nog zelden in en vond een heel lijstje ongeziene babbels. Plotseling werd ik verrast door een onvriendelijk berichtje dat ik niet begreep. Ik staarde ernaar met ongeloof, het was of ik in een vriendelijk lentebos liep en er opeens een nijdige parkwachter voor me stond. Mijn verstand zei, joh, leg het naast je neer, dit gaat niet over jou, het is iemand die je nauwelijks kent! Maar mijn lichaam was er niet op voorbereid en reageerde ogenblikkelijk. Stress schoot als een bliksemflits door het lijf. Mijn onderrug verstijfde en die nacht lag ik urenlang te draaien in mijn bed.
De volgende ochtend stond ik kokhalzend in het gras naast de mooie parkeerplaats onder de kastanjes. Ik kwam net weer een beetje overeind, toen er een man aan kwam lopen. “De grindweg hier is openbaar, maar de parkeerplaats niet, het is privéterrein. Je kan hier niet blijven staan, mijn buren doen er moeilijk over. Als ze straks thuiskomen krijg je ongetwijfeld problemen.” Ja, hij bracht het vriendelijk en vond het rot om me weg te sturen terwijl ik ziek was, maar wilde toch het liefst dat ik weg ging. “Prima hoor,” zei ik “Dank u voor het waarschuwen.” Dus sjouwde ik mijn fiets weer naar binnen en trok mijn hele hachje weer terug door het privébos naar de openbare weg. Daar vond ik al snel een brede berm. Ik besloot niet verder te zoeken, parkeerde mijn wandelhuis, en dook meteen mijn bed in.

Ik heb een hele nacht en twee dagen in bed gelegen en nu is het avond. Mijn huisje staat scheef als een oud wijf. De berm die ik vond loopt lichtelijk schuin af naar de sloot. Aan één kant is de grond keihard. De weg is zo smal, dat er regelmatig auto’s noodgedwongen over het gras heen rijden, wanneer ze elkaar passeren. Verderop, richting de sloot, is de grond heerlijk zacht en los en ik zag een paar molshopen. Zolang de mollen mijn huisje niet nog schever graven, is dit geen slechte plek om te staan. Ik sta niemand in de weg en het is geen privéterrein. De auto’s en landbouwgevaartes die af en toe voorbij zoeven neem ik maar even voor lief.
Achter de dikke rietkraag hoor ik geluiden van jonge meerkoeten. Af en toe klinkt er de schelle kreet van een volwassen koet en geplons, alsof ze een ander wegjagen. Het geluid van water klinkt me als muziek in de oren. Ik krijg zo’n zin in zwemmen, om het zieke zweet van me af te spoelen!
Ik word aangetrokken door de zeedijk, die ik in de verte zie liggen. De zeedijk is de horizon en daarachter is het grote water. In de avondschemering loop ik het pad af. Ik weet dat ik het water niet kan bereiken vanaf dit punt, maar toch trekt het me aan. De akker ernaast is ingezaaid met rucola, de blaadjes zijn al tien centimeter hoog. De weg eindigt midden in het land. De Waddenzee lijkt nog heel ver weg te zijn. Ik hoor niks en ik ruik niks. In de verte zie ik grote blokkendozen, het zijn de contouren van de haven van Harlingen. Harlingen, de bedoeling is dat ik daarheen ga. Maar op dit moment ben ik niet overtuigd. Ik voel me moe en somber. Ik twijfel aan het reizend bestaan dat ik koos om dit verhaal te schrijven. Waar zijn al die vriendelijke mensen nou gebleven?
Die avond slaap ik niet direct in. De tientallen muggen zijn onuitstaanbaar. Ik pleeg diverse moorden, voor ik rust vind en uiteindelijk inslaap. Maar het is een goede slaap, waar ik echt van uitrust. En daardoor word ik wakker met een helder idee. Ik ga mensen opzoeken. Er is een geitenboerderij hier vlakbij en daar ga ik heen. Ik strek mijn rug en haal diep adem. De ochtendlucht is nog fris en de lage mist boven het land heeft zich pas net opgelost in de warme zon. Het is heerlijk om mijn benen te strekken. Ik heb de tas met lege flessen bij me om te vullen met water en geitenmelk en in de andere hand houd ik de kaart van Friesland vast. Ze kunnen me vast verder helpen, hoe dan ook.

Het is de biologisch dynamische boerderij van Sander en Marjolein. “Gerbrandastate, landbouw en zorg”, staat er op het bord. Er is een bloemrijk grasveld op te zien, met een grote menigte geiten erachter. In de verte is een breed gebouw met een dak dat geen nok heeft maar in plaats daarvan een lichte ronding maakt. Als ik het pad op loop zie ik hetzelfde beeld in werkelijkheid. Alleen de geiten zie ik niet. Wel word ik verrast door een groot en vriendelijk erf met bloemen, een glooiende weide, bessenstruiken en fruitbomen. Ik zie kippen scharrelen in de boomgaard en langs het pad is een man onverstoorbaar grote blokken hout aan het doorzagen met een handzaag.

 

De oprit is lang en aan de rechterkant omzoomd met oude hoge ratelpopulieren die ruisen in de constante bries van het Friese noorderland. Erachter zie ik een wei met twee ezels. Middenin de wei staan een paar fruitbomen. Een goede plek voor de dieren, die eigenlijk uit zuidelijke streken komen en in koude streken eerder ziek worden. De wei ligt beschut en is aan alle kanten omzoomd door bomen en struiken. Twee witte populieren strekken hun takken ver over de zonnige weide uit. Ik zie gladde lichtgrijze stammen van hoge esdoorns. Nu ik goed kijk, bespeur ik ook verschillende essen. Ik houd van hun fijne geveerde blad, waar toch zoveel licht tussendoor schijnt. Ertussenin staan overal iepenstruiken, die de beschutte bomenhaag compleet maken. Aan de noordkant zijn op één plek geen struiken. Daar is een kleine houtwal gemaakt, het zorgt ervoor dat de binnenwei mooi is afgeschermd tegen gure wind. Ik geniet van de zorg die er besteed is aan deze plek en hoe alles wat hier groeit zijn plek gevonden heeft. Ik geniet van de oude bomen, die er nog altijd staan. Ik kijk nog eens naar de twee ezels. Tevreden staan ze te kauwen en kijken maar heel even op, wanneer ze me zien.

 

Ik loop verder langs de hoge lindes, ze staan al tientallen jaren als slank opgesnoeide wachters langs de oprijlaan. Aan het einde van het lange pad is een erf met een geitenstal. Een vrouw is bezig hooi over het hek te gooien en vele geitenkoppen kijken haar acties vol verwachting tegemoet. Ik vraag aan de vrouw of ik hier mijn waterflessen kan vullen. Dat kan zegt ze, en ze wijst me de kraan. Terwijl ik erheen loop, word ik opgehouden door een man, die zich voorstelt met de naam Simon. Hij biedt me thee aan, het is net pauze. De ontvangst is allerhartelijkst. En uiteindelijk komt de boer zelf aanlopen. Sander is een man van indrukwekkende lengte en een rustige optimistische uitstraling. ”Je mag hier best een paar dagen op de kopwei staan hoor, je staat daar lekker rustig in de schaduw. Je mag hier ook douchen en als je de wasmachine nodig hebt vind ik het prima. De melk krijg je van me.” Ik slaak een verheugde kreet. Iedereen lacht zachtjes. Opnieuw bedenk ik bij mezelf, zie je wel, je hoeft het alleen maar te vragen. Als ze je niet zien, dan kunnen ze je ook niet helpen. Mensen vinden het zo leuk om te geven en de ander te zien stralen van dankbaarheid!
Dan weet ik het weer, het is goed dat ik op reis ben. Juist daarom, om dit mee te maken, het niet allemaal zelf te doen, maar te ervaren wat het is, om hulp vragen en daar verheugd over te zijn. Mijn vertrouwen groeit, als de kruin van een diep gewortelde boom, die zijn takken open naar de hemel strekt.

.

 

Doorbraak voor vrije voeten

  1. .

.

Mijn Wandelhuisje gaat het veld af. Ik heb een mooi plekje gevonden bij de ingang, naast het laatste bosje, pal tegen de rietkraag aan, van de Swette. Er heeft in al die jaren nog nooit iemand gestaan, ik ben de eerste. Van daar uit kan ik iedereen aan zien komen, over de twee kilometer lange weg, die naar het dorp leidt.

Ik heb niet veel op te ruimen, maar toch is verhuizen vervelend als je ergens langer hebt gestaan. Ik kijk naar het paadje waar ik liep en de bloemen die ik plantte. Zullen andere ogen net zo aandachtig zijn als de mijne? Ach, het zal zijn weg wel vinden, al wordt het een wildernis.
Er is nog iets anders. Het rottigste van verhuizen is, dat ik tientallen kleine beestjes uit hun huis moet gooien. De emmer zit vol met een lijmklem, een uitgedroogde spons en andere dingen. Onder de rand zit een hele rij spinnetjes, met een wit, draderig pluisje naast zich, waar hun nageslacht in zit. Sneu, maar ik peuter ze er toch uit. Het is ontruimen of nat worden. Ik heb een emmer om onderweg water te halen uit de sloot en was niet van plan om spinnetjes te huisvesten, sorry.

Ik til de dissel op en zie er een mier uit lopen, en nog één. In een klein gaatje zit een mierennest. Ze weten het goed te vinden, slimme beestjes. Met die stortbuien kan je maar beter hoog en droog wonen, anders verzuipt de boel. Maar ik ga weg en de dissel ook. Het is niet handig van de mieren. Weten zij veel. Ik vind het beter om het meteen maar goed duidelijk te maken. Keihard sla ik op het gegalvaniseerde staal en de mieren werpen zich halsoverkop naar beneden met hun eieren. Ik hoop dat ze nu niet allemaal doof zijn en dat ze maar gauw een nieuw huis zullen vinden.

Even later staat mijn huisje keurig op zijn plek. Met het wuivende riet voor de deur en het glinsterende water van de Swette naast mij, kan ik mij rustig voorbereiden op de reis. Nog een maand, dan ga ik. Ik zal hier lang genoeg staan om een nieuwe verzameling beestjes rond mijn huisje te verzamelen. Die zal ik straks weer dakloos moeten maken. Maar ach, ze redden zich wel weer. Mij lukt het immers ook steeds!
O ja!
Alles is continue in beweging en het is veerkracht en vertrouwen, waar de natuur vol van is. Ik ben diep onder de indruk van al die kracht, die ik steeds weer ontmoet. Kracht, om mij heen en in mijzelf. Wat is dat toch? Wat ik woorden geef is slechts een glimp van iets wat eigenlijk onbenoembaar is. Toch probeer ik het.

Vertrouwen stroomt mee met de tijdsrivier. Het is een weten dat de aktie die ik onderneem niet met stel en sprong resultaat hoeft op te leveren. Dat ik weg kan wandelen zonder te weten waar ik uitkom en wat ik achterlaat een heel andere vorm kan aannemen dan mijn bedoeling was. Dat ik geliefd kan zijn, maar dat het soms beter is om te gaan. En dat ik soms zou willen gaan, maar het beter is om te blijven. Dat niemand onmisbaar is en toch te beseffen dat elke stap die ik doe onmiskenbaar invloed heeft op alles. Dat ik alle levende wezens bewonder, maar toch het spinneweb doorbreek wanneer ik mij met lichte voeten een weg baan. En dat alles, na elke sprong, weer een evenwicht vindt, een plek in het bestaan. Zonder die veerkracht, zonder dat vertrouwen in het Al, stond ik niet waar ik nu sta. Dit mijn vrijheid en nooit zal die vanzelfsprekend zijn.

.

 

 

Afronden en klaarmaken

.

.

Daar sta ik dan om elf uur, afgesproken tijd. Ik heb hard gefietst om op tijd terug te zijn. Ik heb mijn fiets op de standaard gezet en mijn rugzak op mijn bordes gelegd. Nu sta ik bij de zithoek. Maar er is niemand te zien. We zouden voor de eerste keer samen in de tuin gaan werken. Genoeg mensen waren enthousiast over een samenwerkmiddag. Maar toch, de één moest zich wel goed voelen, de andere vier zijn wèl bezig met verhuizen, weer een ander gaat drie maanden lang naar Ierland om gedichten te schrijven. Bijna allen zijn dit hele jaar weinig beschikbaar. En Mirre wil de boel graag trekken, maar moet toch steeds rekening houden met haar invalide man. Ik hoop dat het goed komt!

Ik ga naar Jochum, hij heeft het telefoonnummer van Mirre. Ik bel haar meteen. Ze vindt het ontzettend rottig dat ik speciaal teruggekomen ben voor deze afspraak en dat ze er niet is. Haar man is niet zo goed vandaag en het lijkt een koude dag te worden.

De volgende dag is Mirre er heel nadrukkelijk wèl, met lekkere koffie en koek. Ik roep rond dat we gezamenlijk gaan koffiedrinken en dan zitten we daar opeens met zijn vijfen. Er ligt al een tijdje een schoolbord tegen de muur. Daar kwam Tineke mee, een paar weken geleden. Ze was blij dat het een functie kreeg. We pakken het schoolbord en vinden een goed krijtje. We vragen aan Jochum wat hij belangrijk vindt. Het krijtje in mijn vingers vormt woorden op het zwarte vlak. Ook anderen weten wel iets in te brengen. Boer Jochum glimlacht. “Als je nou af en toe zò wil kijken, dan weten wij dat je er blij mee bent!” zeg ik grijnzend en hij knikt tevreden. Vrij snel ontstaat er een lijst. En een uurtje later staan we brandnetels te trekken.

Mirre zegt dat ze, wanneer ze maar kan, op zaterdag en woensdag in de zithoek zit om dit voort te zetten. Ze heeft een boot in de Swette liggen en zij heeft ook geen privéterrein, net zo min als ik dat heb, met mijn Wandelhuisje. Haar man zit sinds twee jaar in een rolstoel. Ze is erg gemotiveerd om naast de zorg voor haar man, iets moois op te bouwen met de mensen van de Swetteblom. Dus haar motivatie staat als een paal boven water. Wie er is krijgt koffie en daarna is er het werk.

Dit geeft mij ruimte. Als zij de stationair motor wordt, al is het nu even op een laag pitje, dan kan ik me voorbereiden op vertrek. Dan is mijn taak gedaan, het aanslingeren van vernieuwing. Zo kan ik met een gerust hart gaan. Langzaam maar zeker verandert alles ten goede.

.

De Swetteblom is een groene oase met hoge bomen aan het water. Het is een plek waar mensen kunnen bijkomen van alle hectiek. Ik plantte er vijf en veertig bloesembomen. Ik rooide brandnetels en maakte een tuin langs het pad. Ik maakte samen met Jochum een zithoek bij de boerderij en sprak veel met hem en bewoonster Maria. Ik hoop dat wat ik achterlaat inspiratie biedt om verder te bouwen. Om samen te werken aan gemeenschappelijke ruimte van groeiend en bloeiend groen. Laat het een deel worden van een eindeloze ketting van bomen en bloemen, waar steeds meer mensen aan mee zullen werken. Daar duim ik voor.

.

Een paspoort voor vergeten wegen

.

.

Groene ruimte is een gedicht dat we samen schrijven, regel voor regel.

.

Tussen vierkante gemaaide weides groeit een oase. Het weelderige eiland van groene bomen doet de vierkante weides nog kaler lijken. Het ziet er uit als een exotische plek. Maar eigenlijk laat het zien hoe het overal zou kunnen zijn. “Ecocamping de Swetteblom.”

Nederland is een blokkendoos. Veel is vierkant en drie keer omgedraaid. Al sinds de Middeleeuwen heeft elke vierkante meter een bestemmingsplan. Nut en ratio krijgen alle kans en strippen het landschap voor een enorme knipseldoos aan belangen. Gelukkig zijn er nog altijd plekken om het hart te laten ademen. Camping de Swetteblom is zo’n plek en heeft terecht deze naam gekregen. De meidoorns geuren en geven het groen een witte waas, weerspiegeld in het water. Het fluitekruid maakt van het land een gesluierde bruid die het lentelicht kust. Het laat zien hoe het overal kan zijn.

Vorig jaar zette ik mijn huisje neer op Frijlan, waar ik was uitgenodigd om een tijdje te komen wonen. Het is een kwartier fietsen vanaf de Swetteblom en het is vier keer zo klein als het land van Jochum. Maar al is het aantal vierkante meters een stuk minder, het is een ambitieus project; natuur, cultuur, nieuwe technieken, scholing en dan ook nog eenvoudig leven… De hoeveelheid doelen is verpletterend. Toen ik het hoorde, klonk het helemaal geweldig en ik vond het een eer dat ik mee kon doen. Ik heb er veel van geleerd. En vooral dat het niet bij me past. Ik kan geen uitvoerder zijn van reeds uitgewerkte plannen van een ander. Er zit voor mij geen muziek in.
Ik kies zelf waaraan ik werk in samenwerking met de ander. Ik woon klein, zodat ik mijn aandacht heel kan houden. Het bouwen van mijn Wandelhuisje was een immens project en drie jaar lang maakte ik in mijn eentje ingewikkelde prioriteitenlijstjes. Nu is mijn agenda vrijwel leeg. En dat is niet voor niks. Ik ben waar ik ben. Op reis en ook weer niet, een nomade met een missie.

Ik kijk veel rond. Ik praat met boer Jochum, over de tuin, het hooiland en de bomen. Ik vraag naar zijn wensen, wat hij wil met het land en wat wij als gemeenschap daarin kunnen doen. Ik luister naar zijn ideeën over een dorpstuin in het dorp. “Daar helemaal?” vraag ik, “Zou het niet mooi zijn om onze eigen kruiden te kweken voor thee in de zithoek? Dan kunnen we plantjes uit wisselen met andere tuinen die wèl in het dorp zijn.” Jochum’s ogen lichten op en hij knikt voorzichtig. “Dat is ook een idee.” Met deze boodschap loop ik verder.

Ik ontmoet Mirre, die hier elke week een dag in haar bootje doorbrengt. Ik zie haar zitten tussen het riet, vlak naast de Swetteblom. Ze ziet mij ook en loopt over de smalle loopplank naar me toe om te praten. “Jij wil nieuwe energie brengen in deze plek hè? Ik wil graag met je meedoen!” Ze is zo enthousiast, dat ze meteen een vaste tijd wil afspreken om samen een begin te maken. Twee uur per week, op zaterdag.
Mirre, die al zoveel zorg heeft aan haar gehandicapte man, ze is de eerste die concrete plannen maakt. Het ontroert me, dat juist zij het is die met mij het voortouw neemt.
Samen nemen we een hele middag de tijd om te struinen. We lopen langs de oude boerderij en langs de kleine, uitgeplante boompjes. In vier kerspruimen zitten veel beestjes die kleine blaadjes opvreten. Ze staan niet goed. We moeten ze maar verplanten, in de herfst. En zo gaan we verder. We fantaseren over een wandelpad, met kruiden en bloemen erlangs.
Geïnspireerd vertel ik over deze ontmoeting aan Berry en Hillegonda. Berry heeft straks stekjes van vergeten groenten. Ze zijn op landgoed Oranjewoud bezig met een groentetuin maar hebben veel last van de herten. Ze zoeken een oplossing. Terwijl ik  verder loop, bedenk ik me dat ik best had kunnen  vragen of ik een keer mee mag.
Aan de andere kant van de schuur staat Maria bij de kraan. Ze luistert met schitterende ogen. “Laten we klein beginnen, op vergeten plekjes”, zegt ze, “Vergeten groenten op vergeten plekjes.” Rond en rond ga ik, pratend met wie wil en iedereen voegt er het zijne aan toe. Zo ontstaat er een gemeenschappelijk beeld van wat we voor ons zien. Ik zie boer Jochum in de stal bezig en vertel hem alles. Hij luistert met een glimlach.

Alleen zo, rondcirkelend in ontspannen tijd en ruimte, alleen zo kan ik het nuttige de poëzie meegeven die de dingen levend maakt. De ruimte is een gedicht, dat we samen deschrijven, regel voor regel. Zo ga ik rond, aandachtig, soms tergend langzaam met lange wachttijden, dan weer sneller. In steeds grotere cirkels teken ik de woorden die ik hoor en de woorden vormen een paspoort. Een paspoort voor de wegen die ik mag bewandelen.

 

..

DE BOOMPJES

Met de geplante bomen gaat het keigoed, hier op de Swetteblom. Slechts 4 van de 45 zien er iets minder goed uit. En er zijn seringen die al 70 centimeter zijn gegroeid! En dat alles door de goeie start met Biohaag, vorig jaar. De supergezonde bomenvoeding met micchorizae, waardoor er schitterende wortels aan zijn gegroeid.  (Te koop  bij info@webshopdetuin.nl. Ik kocht een tien kilozak voor 350 boompjes voor 33 euro incl verzenden.)

..

MYCCHORIZAE, de SCHIMMELS

Dit is, in principe, hoe het werkt: planten produceren koolhydraten door middel van fotosynthese, maar niet alleen voor zichzelf. Ze geven een deel van hun koolstofsuikers af in de grond, waardoor de bacteriën en schimmels te eten krijgen. De bacteriën verdringen zich rond de wortelzone en de schimmels vormen enorme netwerken van in elkaar grijpende strengen die de ene plant vaak met de andere verbinden. De bacteriën zetten stikstof en andere voedingsstoffen om in vormen die de planten kunnen gebruiken, vaak door verslonden te worden door andere microben.

Endomycorrhiza-schimmels  vormen met elkaar de uitgestrekte groei van het mycellium, dat  contact heeft met de wortelhuid, maar dat veel verder reikt in de bodem. Ze vormen ook miljoenen vesikels en arbuskels   daarin kan de plant of boom veel voeding en water opslaan.

De schimmelstrengen, het mycelium, verhogen effectief de wortelmassa van zijn waardplant tot wel duizend keer en transporteren een schare goeden naar de waardplanten, waaronder fosfor, koper, calcium en zink. Er zijn ook aanwijzingen dat bomen dit netwerk gebruiken om signalen naar elkaar te sturen als er bijvoorbeeld bladetende plaagdieren zijn aangekomen.

In zijn Ted Talk verwees mycoloog Paul Stamets naar het mycelium als ‘natuurlijk internet van de aarde’.

 

Bronnen: Wikipedia en deze link van Washington Post.

 

 

 

 

 

 

 

Een zee van ongekende verhalen

.

 

.

Ondanks toenemende transparantie, groeit de vloed aan ongekende verhalen. Het vormt een ingewikkelde  berg spaghetti die blijft liggen op het strand en die almaar verder groeit. Elk ding dat ik koop of vind, vertelt me iets. Ik wil het weten! De feiten die ik bij nader onderzoek op mijn bord krijg, zijn niet mals. Het vraagt om aandacht en rust om er in te duiken en het te verwerken. Dat kan ik alleen opbrengen als ik eenvoudig leef.

.

Ik sta voor de stal. De ruimte waar de os en de koe in de winter staan, is nu gevuld met fietsen. Langs de muur, in het stof, staat een spade en een bezem. En erachter, onder een dekentje, staat mijn elektrische trekkertje, dat ik aan de hand mee kan voeren. Het is een mooi ding, waar ik straks mee de hort op ga met mijn Wandelhuisje. Maar toch is er iets. Er zit een bijsmaak aan. Elektrisch is beter voor het milieu, zeker als ik ze laad met eigen zonnepanelen. Maar ik heb wel twee zware gelaccu’s, met lood erin. Jakkes. Wat gebeurt daarmee als ze uiteindelijk waardeloos worden? Daar ben ik niet bij.

Accu’s met lood, mijnbouw voor grondstoffen in verre landen, ik kijk naar die dingen. Ik bestudeer het verhaal achter de spullen in mijn leven. Ik voel me net een arts die de ongezonde situatie bestudeert. Alleen als ik ernaar kijk, kan ik bedenken wat er aan te doen. Ik weiger om er depressief van te worden of om te gaan mopperen dat alles zo ingewikkeld is dat ik het ook niet meer weet. Ik ben niet verslaafd aan spullen. Ik kan dingen ook laten, als het moet. Liever iets te laten, dan rond te lopen met een rotverhaal, dat ver van mij plaatsvindt, maar waar ik rechtstreeks mee te maken heb. Ik doe wat ik kan.

Er zijn meer dingen waar ik niet bij ben, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen. Voor de energie in huis heb ik een andere accu, die ik zelf heb gekozen. Hoewel het volgens mij de minst slechte keus was, weet ik niet waar de grondstoffen vandaan komen. Ik heb uitgerekend dat mijn milieuvriendelijke lithiumaccu zeer waarschijnlijk wèl een dikke kilo kobalt bevat. Dat is een hoop! Hoeveel tijd kost het om een kilo kobalt te winnen? Wie heeft mijn kobalt in handen gehad? Was het een kindslaaf uit Congo? Ik weet het niet. Het zou kunnen dat zijn huid nog steeds geïrriteerd is en dat zijn longen pijn doen bij het ademen, door dag in dag uit in de mijnen te kruipen. Het kan zijn dat er voor de aanleg van de mijn mensen uit hun huizen zijn gezet. En dat ze nu ontheemd op onvruchtbare bodem staan, wachtend op de vervulling van loze beloften. Er is geen leefbaar bestaan voor teruggekomen. De mijnbouw plundert meer en meer land, en wat er overblijft is steeds minder. En dan is er nog de zee. Daar zit nog zes keer zoveel kobalt onder dan op land. Dat willen ze straks ook hebben. Ik kijk naar mijn mooie rooie trekding, dat daar stil in de stal staat. Ik kijk naar de zonnepanelen op mijn dak en de accu onder mijn bed. Ik denk aan de verhalen, die ik met mij meedraag, alleen al door een kilootje kobalt. En er is nog zoveel meer dan ik weet!

Zeer waarschijnlijk is mijn kilo kobalt getransporteerd naar China en daar, door wie dan ook, omgetoverd tot de accu. Ik ben er blij mee. O ja! Maar er zit toch een luchtje aan.

Ik leef eenvoudig. Dat is niet alleen voor mijn eigen rust en concentratie. Het is meer. Ik wil dat, wat ik gebruik, zoveel mogelijk van dichtbij halen. Wat ik mijn bezit noem, daar zit veel energie in. Energie van anderen die de tol betalen. Het zit ook in mijn laptop en in mijn mobiele telefoon en in veel meer. Maar ik doe mijn best. Het is een zoektocht en een avontuur, om een weg te slaan in de jungle van deze technologische tijd.

Mijn leven zal steeds eenvoudiger worden. En hoe meer mensen er meedoen, hoe makkelijker het gaat. Nu gebruik ik de computer om deze verhalen te schrijven. Maar in de toekomst heb ik dit medium misschien helemaal niet nodig. Ik zou een nieuwsbrief uit kunnen geven in plaats van een blog, ik zou een boek kunnen schrijven. En er zouden veel meer momenten zijn om elkaar te ontmoeten en om bij te praten in plaats van te chatten of te Whatsappen.
Ik zie was- en koelhuizen. Ik zie dorpstuinen, coöperaties en hereboeren die zorgen voor het landschap en het voedsel. Ik zie droogzolders. Ik zie leraren, studenten en ambachtslieden die je ter plekke tegenkomt, precies wanneer je ze nodig hebt.
Als meer mensen meedoen, wordt het steeds makkelijker om een andere weg in te slaan, letterlijk en figuurlijk. Er kunnen wegen en rustpunten worden aangelegd voor trekdieren in plaats van grondstoffen en parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Degenen die ons land zijn ontvlucht vanwege kaalslag, opgedrongen technologie, de onvruchtbaarheid van de regelgeest, iedereen kan terugkomen. Het kan lang of kort duren, het maakt niet uit. Maar dit is het pad dat ik bewandel en ik ga niet weg. En ik ben niet de enige die richting kiest. Wie gaat er nog meer mee?

.

Losmaken wat vastzit

.

.

 

Er zijn maar weinig mensen die het leuk vinden om brandnetels te rooien. Trekken, met wortel en al. Je erin vastbijten om de bodem lucht te geven, ruimte voor alle andere kiemen die eronder liggen en die geen kans krijgen. En al prikt de netel stiekum in het stukje blote vel, precies in de kier van je handschoen en je mouw, je laat je niet weerhouden. Het geeft een opgeruimd gevoel van ritme om elke ochtend, als er nog niemand is, weer een stuk te doen.

 

Op mijn modderige klompen sta ik te kijken hoe het licht speelt in het fijne blad van het fluitekruid. Ik kniel bij een stukje zwarte grond en zie hoe het Kruipend Zenegroen ontkiemt, dat ik zaaide. Maar ik zie nog veel meer.Wat zou het allemaal zijn? De bodem is prachtig, hij is donker en vochtig, het is los en rul gemaakt door de uitgetrokken wortels van de brandnetels. Als ik een zaadje was, dan wist ik het wel. Ontkiemen, wortelen en blaadjes maken, en dan omhoog, omhoog! O, wat gebeurt er nu veel op deze groeizame dagen van de lente. Ik kijk naar de bodem als een ander naar Netflix, maar het vervult me tot in mijn tenen, dat is het grote verschil. Ik maak er zelf deel van uit. Zelfs een week vol bewolkte dagen maakt mij niet meer bedrukt, in deze heerlijke lente.

Ja, de bodem bevat ongelooflijk veel mogelijkheden. En als de eerste bloemen zijn uitgebloeid zal ook de lucht vol van zaden zijn, verlangend naar een plek om te ontkiemen. Die plek moet er zijn. Vruchtbare bodem maken, luchtigheid en ruimte creëeren, het is een taak op zich.

Ik heb die ruimte! Het zit in mijn adem, in mijn borst en in mijn geest. Het zit in het genieten van mijn voeten die lopen kunnen en in nieuwsgierigheid naar al wat is.
Ik loop terug naar mijn kleine wandelhuisje. Niets houd me tegen om te gaan. Maar nu ben ik hier, in Friesland, op Ecocamping de Swetteblom. Het is hier goed, ik ben hier nodig. Ik plant bomen en maak plek voor iets anders, in de schuur en op het land. Anderen zien het en doen mee. Mogelijkheden vermenigvuldigen zich, verder dan ik kan kijken.

Ik doe de deur van mijn huisje open en geniet van de lichte wooncocon die ik heb gecreëerd. Hoewel het buiten fris is, is het er behaaglijk warm. De zon komt onder een wolk vandaan en schijnt op de vensterbank. Ik pak het kopje dat er staat en zet het aan de kant op de plank. Ik wil voorkomen dat het dicht slipt met alledaagse dingen. Ik ga zitten op de schapenvacht en vouw mijn benen op, zodat ik mijn koude voeten kan warmen met mijn eigen lichaam. Stil kijk ik naar buiten, waar de bomen steeds groener worden. Het licht dat door het raam naar binnenvalt weerkaatst op het warme hout. Het licht, de leegte, het wast me schoon van binnen. Dan sta ik op, mijn voeten zijn weer warm. Ik doe mijn klompen aan en stap het bordes af.

Er zal een dag zijn dat ik weer verder ga. Maar nu is het tijd om brandnetels te rooien, ruimte te maken voor het nieuwe dat zich steeds meer openbaart. De Swetteblom zal tot bloei komen. Dan ben ik klaar en ga ik. Op een rollende steen groeit geen mos, zei ooit één van mijn drie broers. Dat ben ik nooit vergeten. Beweging en ruimte, ik heb het nodig. Alleen zò kan ik creëren. Stap voor stap, als een ketting die ik rijg met mijn handen, samen met wie er is.

Een plek om thuis te komen

.

.

Een plek om thuis te komen. Nu ik er ben, weet ik dat ik op reis kan gaan.

.

Met mijn ogen halfdicht geniet ik van het vroege licht dat door mijn koekoek schijnt. Slaperig mijmer ik over wat ik ga doen vandaag. Het is blogschrijfdag. Waar ga ik het over hebben? Gaat het over mijn vertrek op 30 mei? Ik weet het nog niet en laat het maar even. Ik doe het deurtje van de bedstee open om de slaap eruit te laten waaien. Dan  stap ik mijn bed uit. Ik open de deur. Vlak voor het bordes zit een groepje kippen, die halsreikend naar me opkijken. Ze willen eten. Ik stap in mijn pyjama op het vochtige gras en doe mijn klompen aan.

 

.

 

.

De camping met de bomen, het lange gras, alles is nog in een vochtige stilte gehuld. De koele lucht van de ochtend is heerlijk. De kippen pikken driftig van de kruimels die ik strooi. Ik loop terug over het paadje, tussen de essen, lindebomen en de vlierstruiken door. Maar ik ga niet mijn huisje in. Nee, ik pak een paar dikke werkhandschoenen die een vast plekje hebben gekregen in de bagageruimte onder mijn vloer. Ze liggen vooraan, ik kan er makkelijk bij. In mijn pyjama loop ik weer naar het kleine paadje. Het is zo hard als steen, door vele voeten en langdurige droogte. Rondom het pad staat het vol met speenkruid en fluitekruid. Hier en daar zie ik een teunisbloem en zelfs een kleine ooievaarsbek. Maar de grote overwinnaar is de alles overwoekerende brandnetel.

 

.

Wilde bijtjes op Ecocamping de Swetteblom

 

 

Overal in Nederland zie je hem, gestimuleerd door al die uitgespoelde mest, die door de sloten spoelt, zich mengt met het grondwater en onze bodem doordrenkt. Het is een netelige toestand. Mijn handen werken door. Ik trek ze uit of pluk ze af. Ik zie steeds meer wat onder de brandnetels vandaan komt en wat ik nu de ruimte geef. Ik zie het voor me, dit wordt een prachtplek, op deze oude, onberoerde grond. Een hemeltje voor bijen en insecten.
De zon staat al een stuk hoger aan de hemel, wanneer Maria haar yurt uit komt. Haar lange blonde haar glanst als een aureool om haar bruine gezicht. Haar helderblauwe ogen lachen en tientallen fijne lijntjes op haar wangen lachen mee. “Ik vind het zo heerlijk om te zien dat je zo lekker bezig bent! Wil je een kopje koffie met havermelk?” “O ja!” roep ik. “Koffie met havermelk vind ik het aller-allerlekkerste!”
Samen drinken we onze koffie, niet aan tafel op een stoel, nee, we lopen langzaam het hele terrein over. We staan stil bij wat we zien, vertellen wat het ons doet en ik vertel wat ik ervan weet. En Maria blijkt een haarscherpe intuïtie te hebben voor wat de oude honderd jarige appelboom nodig heeft. Er komen herinneringen op en verhalen. Het is een prachtige wandeling.

 

.

 

.

Het is heerlijk, om alleen op het land te werken in de vroege ochtend. Maar ik werk ook graag samen met de boer. We planten boompjes. Jochum  werkt stevig door. Hij is een vitale man en je zou niet zeggen dat hij zeventig is. Hij doet elke ochtend oefeningen, net als ik en gedichten schrijft hij ook nog, in het Fries natuurlijk. Tussen het scheppen door, praten we over onze belevenissen en idealen, en zo komt van het één het ander. Boer Jochum wil minder plastic. Ik wil hem er graag bij helpen. Samen zullen we de ruimte bij de WC’s transformeren in een sfeervolle zithoek.

Zwart landbouwplastic hangt stoffig aan de balken. Vuilnisemmers en dozen met oud papier en karton liggen op een slordige hoop, gemengd met andere zooi die mensen kwijt wilden. Jochem maakt de ruimte helemaal leeg en gaat weg. Nu is het mijn beurt. Ik trek het plastic er af, maak er een pakket van en gooi het op de aanhangwagen, om af te voeren.
Ik kniel op het beton van het erf. Voor me ligt een dikke rol stof, gisteren bezorgd door de postbode. Het is prachtige stevige jute en dit gaat het plastic vervangen.

 

.

 

.

Terwijl ik mijn schaar zet in de dikke jute komt Berry aanlopen. “Wat een mooie stof,” zegt hij. Berry is de man van Hillegonda. Het donkergrijze haar hangt in de war om zijn hoekige gezicht. Zijn ogen kijken vriendelijk en nieuwsgierig de wereld in. Een wereld waarin genoeg te zien is, want hij is tuinman op een landgoed van 24 hectare. Er woont een echte freule. Berry is heel gelukkig met zijn allerliefste Hillegonda, maar ook met dit werk. “Met al die dassen en reeën om me heen, hoe zou ik me er ooit eenzaam kunnen voelen?!” zegt hij.  In zijn aanhanger ligt mooi kastanjehout, dat er vandaan komt. Het is een dikke schijf die uit het onderste van de stam komt. We maken er een stoere tafel van, besluiten we.

 

.

Jochum ziet graag het bordje in het Fries, “Sithoeke”.

.

 

Ik werk de hele dag door en aan het eind van de dag is de transformatie compleet. Jochum komt aanfietsen. Verbluft stapt hij af. “Ongelooflijk,” zegt hij.
In de verte komt Tineke haar woonwagen uit, een kleine vrouw met rood haar. Ze is hier net een paar dagen. Deze plek inspireert haar. Ze ziet van alles en haar handen zijn bezig als een bij. Als boerendochter komen er veel herinneringen omhoog, op deze oude grond. Ze komt hier straks ook wonen. Meewerken op de boerderij, dat lijkt haar hartstikke leuk. Haar kinderen zijn het huis uit en nu kan ze doen wat haar hart haar ingeeft. Ik zie hoe ze rondloopt en hier en daar een bloem plukt. En als ik even later weer kijk, staat er een prachtig wildboeket op de stoere tafel.

Alles klopt. Ik geniet met volle teugen. Dit lijkt op de chemie van transformatie. Dit is wat ik hoopte te vinden. Hier is het, nu. En we doen het met elkaar.

 

.

.

 

Maar ik zou toch vertrekken? Ja ik ga vertrekken. Dertig mei is de grote dag, over vijf weken al. En ik ga ook! Maar nu weet ik dat ik hier terug kan keren, waar mensen er naar uitzien dat ik er ben en waar we in de herfst samen vlinderstruiken gaan planten en andere bloeiende planten. En nu, pas nu, weet ik dat ik kan vertrekken. Reizen is prachtig. Maar vooral als er een plek is waar je thuis kan komen.

 

.

Koe en de os in de wei.

.

 

Trekker met kantelaar

.

 

.

 

Veld met Wiekies Wandelhuisje

.

.

Rebelse gaten in dichtgetimmerde tijd

.

.

Er staan veel hoge bomen rond camping de Swetteblom. Ik leg het boek waarin ik lees even opzij, terwijl ik luister naar het gebulder van de harde wind in de toppen. Wat ben ik blij dat ik hier nu sta, eindelijk in de luwte. Het geeft me rust en concentratie. Zo bereid ik me voor.

 

Ik denk veel na, in mijn kleine huisje, terwijl de bomen de wind opvangen en de regen op het dak tikt en het grasveld steeds zompiger maakt. Ik lees veel, ik lees om herkenning te vinden, zo dat het steeds helderder wordt wat mij beweegt.
Ik pak het boek weer op, dat me nu bezighoudt. “Kairos” heet het, het is van Joke Hermsen en de inhoud verrast me. Ik ben zo blij met deze filosofische gedachten die mij de woorden geven waar ik al langer naar zocht. Ik geniet van de verbinding naar oude tijden, oude beschavingen, alles heeft zijn plek in het bestaan. En hoe klein ik ook ben, toch heb ik een plek gekregen in het verhaal Aarde, de planeet die al zolang bestaat. Wat doe ik daarmee? Om dat te weten wil ik helder hebben hoe ik tijd en energie kan zien en wat we ermee doen.

Wat is tijd

In de Griekse oudheid benoemden ze twee soorten tijd. De uiterlijke, chronologische tijd, en de veel ruimere innerlijke tijd. Chronos, de lineaire tijd werd afgebeeld als een oude man, hij is de man van de klok, de metronoom die het ritme van mijn voetstappen bepaalt, maar hij is ook degene die in het spitsuur de mensen hartkloppingen bezorgt.
Chronos heeft een kleinzoon. Hij symboliseert de innerlijke tijd, waar ik het over had. Hij wordt gespierd afgebeeld, vanwege zijn vitaliteit, want hij kan gaten kan slaan in dicht- getimmerde tijd.  Hij is degene die steeds meer ontbreekt in onze wereld, degene die ons opnieuw onze vrijheid kan doen beleven. In Kairos nemen we geduldig de tijd om ons te bezinnen en krijgen we precies op het juiste moment de ingeving om van richting te veranderen, het idee te lanceren, of om drastisch opnieuw te beginnen.

Rebelse gaten naar vrijheid

Mijn inspiratie voor ’t Wandelhuis, mijn eigen huisje op wielen, komt vanuit Kairos, de innerlijke tijd. In die tijd vind ik ruimte voor ingevingen. Ik slenter wat rond en kijk goed om me heen. Zo vind ik wat nodig is, precies op het juiste moment. Het vraagt veel geduld. Het betekent ook dat ik al jaren veel tijd alleen doorbreng, om vanuit eigenheid en volharding, iets heel nieuws vorm te geven. Zo ontwierp ik het huisje op wielen en bouwde tot het af was.
Ik bepaal daarin mijn eigen tempo en Chronos is voor mij een vriendelijke opa die mij helpt in een vast aangenaam ritme te werken. Ondertussen jaagt de maatschappij voort en hier heeft Chronos een heel ander gezicht. Hier raast hij voort als een waanzinnige, met op hol geslagen digitale klokken die niet meer tikken en die geen ritme meer hebben. Hier sluit hij je op in piepjes en poortjes die op van alles zijn ingesteld, behalve op de mensen. Ik begeef me alleen tussen al die klaphekjes als het noodzakelijk is om dingen te regelen.

Vroeger hoorde ik mensen wel eens zeggen, dat ik economisch gezien veel minder presteerde dan ik kon. Ik heb geleerd me daar niks van aan te trekken. Ik wilde leven. Ik wilde zelf schipper zijn en geen manager van een groot rondvaartbedrijf, ik wilde het water en de oevers aan me voorbij zien glijden en verwonderd zijn dat alles steeds weer anders was. Ik genoot van al die onbewaakte momenten, die mij gul in de schoot werden geworpen, zelfs in de zwaarste tijden. Waakzaam en ontspannen, zo kon ik de rebelse Kairos bij zijn staart grijpen, opnieuw beginnen toen het nodig was en ideeën vormgeven die mijzelf verrasten.

Oprechte duurzaamheid

Ik droom ervan dat de inspiratie van Kairos werkt als een magneet, dat steeds meer mensen de tijd nemen voor zichzelf en de wereld om hen heen. Mensen die zich een weg weten te banen dwars door de dichtgetimmerde kloktijd heen en het lef hebben om de sprong naar vernieuwing te wagen. Dit in alle lagen van de maatschappij te laten gebeuren, het is de enige weg naar oprechte duurzaamheid.

 

.

Ik hoop dat ik met mijn Wandelhuis mensen mee kan nemen die andere tijd in, dat ik op elke plek Kairos kan vinden, terwijl onze voeten in rustig tempo over de weg gaan.  Terwijl veel mensen hun vertrouwen verloren hebben en bescherming binnen hun eigen kring zoeken, sta ik open voor mensen van ieder pluimage. Je weet nooit waar de vonk overspringt. Vertrouwen is voor mij een principe. Het is de enige manier om een bres te slaan, om een kiem van hoop te planten dat een nieuw begin echt mogelijk is . Alleen gezamenlijk kunnen we het hart weer te laten kloppen.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

De tekening van mij is een heel eigen interpretatie van het Kairos moment. Het lijkt een merkwaardige tegenstelling met het oorspronkelijke beeld. Daarin zie je een gevleugelde man met een staart op zijn verder kale hoofd. Die staart moet je grijpen, in volle focus. Dat geeft de doorslag tot vernieuwing en bevrijding -Kairos-.

Mijn tekening lijkt juist verspreiding te verbeelden, in plaats van een geconcentreerd grijpen. Maar de concentratie is even intens. De creator is gefocust en is het zelfde moment bewust van alles om zich heen. Er is hier een eenheid tussen de kijker en de schepping. De kijker is met zijn aandacht bij de wortels in de bodem en spreid tegelijkertijd zijn vleugels uit als vogel tussen de vogels. Hij bevrijdt niet alleen zichzelf.

 

.

Terwijl ik de filosofie van de grieken lees, maak ik tegelijkertijd een relatie met oude natuurvolkeren. Het nieuwe begin dat feestelijk wordt ingeluid, gaat in deze afbeelding ook verder dan het persoonlijke. Door Kairos bij de staart te grijpen, kunnen we niet alleen onze eigen plannen, maar ook onze omgeving nieuw leven in  blazen. Ik laat hiermee een doorslaggevend moment zien, hoe het voor mij is om te beginnen met herstel van onze Aarde, met harmonie in lichaam en geest. Hoe groot te denken en klein te beginnen.

.

Recensie “Kairos’ van Joke Hermsen.

 

.

Opnieuw beginnen als je ouder bent

.

.

Rijkdom kan groeien, bij het klimmen der jaren. Trage bedachtzaamheid kun je gebruiken als een enorme kracht, als je niet verleert met souplesse te reageren op het juiste moment.

.

Ik zet de steelpan op de kachel. Hij zit helemaal vol water, want ik ben van plan een hele sloot verse muntthee te gaan drinken. Ik heb de laatste frisse blaadjes geplukt, het beetje wat er nu nog aan zit, is vol zwarte vlekken.
Ik doe de deksel op de pan. De muur boven de kachel is oranje in de gloed van de ondergaande zon. Ik draai me om, om te kijken. Zo’n weids uitzicht krijg ik misschien nooit meer. Ik ben ontzettend blij dat ik die keiharde wind straks kwijt ben, maar zolang ik hier woon geniet ik van de prachtige luchten. De leegte van het land lijkt de leegte van dit moment te symboliseren. Het is geen dode leegte, maar als een volledig welkom. En hoewel je het misschien niet direct ziet, weet ik dat mijn schijnbare leegte rijk is aan mogelijkheden. De bodem is vol wortels en wie weet hoeveel schimmeldraden, die zich als een netwerk uitspreiden en alles wat groeit met elkaar verbinden en voor voeding zorgen voor alle leven.

Als ik op reis ga, ben ik 54. Ik was 47 toen ik mijn oude leven achter me liet, om verstofte talenten flink uit te kloppen en in het zonnetje te zetten. Al met al zijn er zeven jaren voorbij gegaan, terwijl er langzaam iets groeide, wat altijd al in de kiem aanwezig was. Ik denk na over hoe het voor mij heeft gewerkt.

Als je jong bent en je ontwikkelt je talenten of je begint een grote reis, dan moet alles snel en het liefst meteen. Dat kan dan ook makkelijker, je krijgt sneller steun, aandacht en bewondering. Je bevindt je tussen andere energieke leeftijdsgenoten. Een nieuw spoor opgaan, andere talenten ontwikkelen, een verlangen vervullen dat al sluimert vanaf de jaren dat je een kind was, het is een veel eenzamer proces wanneer je ouder bent. Terwijl je leeftijdsgenoten zich met een drankje op hun lievelingsstoel nestelen, het werk overdenken wat er nog ligt en zich afvragen hoeveel vakantiedagen ze nog hebben, doe jij precies het tegenovergestelde. Je verlaat je lievelingsstoel, zet hem onder de wilgenboom en pakt je biezen. Niet snel, zoals je zou doen als je twintig was, maar heel langzaam.
Die rijkdom kan groeien bij het klimmen der jaren, wanneer je door de harde schil heen gebeten hebt. Het is een trage bedachtzaamheid, die te gebruiken is als een enorme kracht, als je niet verleert met souplesse te reageren op het juiste moment. Als twintiger wist ik dat ik me eerst moest gaan wortelen, pijnlijk door harde bodems moest dringen en dat de grote ontdekkingstocht pas later zou beginnen, wanneer de tijd rijp zou zijn. Nu is het zo ver. Ik maak me los en ga. En tegelijkertijd weet ik, ik ben waar ik ben en ben overal thuis.

Het leven houdt niet op als je vijftig bent. Het hoeft niet te vervagen in een vergeetland dat zich steeds verder uitbreidt. In de lente begint de munt opnieuw te groeien, groter en sterker. Een getraind lichaam en een getrainde geest op kracht en flexibiliteit en rekt grenzen uit. De mogelijkheden worden dan alleen maar groter.
Ik schenk de thee in een glanzend schoon glas. Nog even en de zon is onder. Nog even en ik loop misschien wel op een stille landweg, in dezelfde ondergaande zon, die toch steeds weer anders is.

.

Bewegende lichtjes

.

.

Dezelfde kracht die ooit de schepping in gang zette, zet ons nog steeds in beweging en maakt iedere dag nieuw. (Vrij naar Tagore)

Ik kijk door het raam. Het laatste gloeien van de ondergaande zon is verdwenen. Er zijn donkere wolken gekomen die de hemel nu bedekken. Ik heb de luiken nog niet gesloten en kijk naar de lampjes in de verte, die bewegen langs dezelfde streep. Dat is de snelweg die om Leeuwarden leidt. Soms zijn het een heleboel lampjes achter elkaar. Dat is dan een vrachtwagen. Ik heb geen hekel aan de snelweg, ik kijk er graag naar. Het is ver, net als de hemel boven mijn hoofd. Als er geen sterren zijn, dan kijk ik naar de bewegende lichtjes in de verte.
Aan de andere kant beweegt ook wat, dichterbij. Het is iemand met een zaklamp. We hebben geen buitenlampen. Het kunstlicht is ver weg, ver achter velden en wegen. Het is de stad, aan de horizon, die steeds dichterbij komt. Elke keer komen er weer nieuwe lichtjes bij.

De stad zoekt steeds opnieuw zijn bestemming, er wordt opgebouwd en afgebroken. En ik, ik ben maar een tijdelijke gast in dit verhaal, al is mijn voetstap duidelijk zichtbaar. Hoelang ben ik hier nog? Langzaamaan richten mijn gedachten zich meer en meer op het vertrek. Ik maak af wat ik af wil maken. Ik bereid me voor om met mijn huis te kunnen trekken.

Je begint dapper aan een gekozen pad. Je voelt een drijfveer, een wens. Al twijfel je soms, niet wetend wat de toekomst brengen zal. Soms raakt je drijfveer jarenlang bedolven, maar je weet, het is er, ergens. Ooit komt het weer boven. Toen ik twintig werd groeide bij mij het verlangen om een rijk palet aan disciplines en talenten, van mezelf en die van anderen, te helpen verbinden in een verhaal. Niet zoéén die in een poep en een scheet voorbij is, maar een vervolgverhaal dat lang kan duren.
Dit lukt slechts een enkele twintiger. Doorgaans moet je daarvoor eerst een hoop levenservaring opdoen. En nu ben ik bijna vier en vijftig. Ik weet dat er iets op komst is. Soms word ik huiverig van de leegte, die er voor me ligt, de concrete doelen die verdwijnen zodra ik hier straks mijn hielen licht. Maar wat er ook komen zal, het begint hier, bij mij, bij de eerste stap die ik zet. Ik adem in en uit, verzamel moed en herinner mij mijn grootste wens.

Het lichtje bij de deur is naar binnen verdwenen. Nu komt het weer naar buiten. Ik weet niet wie het is, ik zie alleen een vaag silhouet afsteken tegen de donkergroene schuurdeur. De schim sluit de deur af en loopt weg. Ik staar naar de bewegende boomtoppen, die afsteken tegen het licht van de stad op de achtergrond. Het is een beetje koud geworden in huis. De kachel is bijna uit en de oostenwind waait hard door de miniscule kier van de voordeur. Ik hang het laken op om de tocht tegen te houden. Ik duw het opzij om de deur te openen. Het laken staat meteen bol in de koude wind. Het brandhout ligt in een kist onder het bordes. Ik leg gauw een paar blokjes binnen en doe snel de deur weer dicht. Voor ik terug naar binnen ga pak ik de kruk om de luiken te sluiten. Mijn vriend Dick kan het zonder kruk, maar ik ben daar net te klein voor.

De luiken zijn dicht en de kachel is aan. Dit is mijn heerlijke nest, waarin ik verhalen uit kan broeden, verhalen als parels die het licht weerkaatsen. Ingevingen die iets teweeg kunnen brengen, zoals de bewegende lichtjes langs het pad dat ik zie in de verte.