Hoe snijbiets’ rode nerven mij weerhouden om te zwerven

.

In augustus wil ik weg, een oerdrift om aan de zwerf te gaan. Elk jaar weer overkomt het me. Het is na het zomerse werk in de hitte, als de meeste vlinders verdwenen zijn, wanneer de bloemen niet meer zo uitbundig bloeien als voorheen en de grond hard en droog is en vol scheuren. Dan komt het verlangen verder te trekken. Ik heb het niet gedaan, tot nog toe lukt het me de neiging te weerstaan.

De hitte is voorbij, het dondert en zware donzige luchten vallen in flarden uiteen. Een dikke bui klettert over de velden, maar doet de diepe scheuren in de bodem niet verdwijnen. Spinnen maken er dankbaar gebruik van om aan de dikke droppels te ontkomen en kruipen vliegensvlug de donkere spleet in. Vlinders en vliegen verschuilen zich onder goten en bladeren en in de grote pruik van hopbladeren naast mijn huis. Dan is het weer voorbij. De lucht trekt open, de zon gaat onder. Langs de oranjerode einder komen wolken met bizarre vormen voorbij zeilen. Een stoet reuzeratten doemt hongerig op aan de horizon. Er is een donkergrijs beest dat een roze berg wil beklimmen. Ik stel me voor dat ik dat beest ben, en dat die berg helemaal voor mij alleen is met rotspartijen die steeds veranderen en daardoor altijd nieuw zijn. In mijn fantasie trek ik naar de meest fantastische plekken. Ik peins er over als ik kijk naar donzige wolken in de wind. De wolkenlucht als een steeds bewegend geheel, telkens weer fris en nieuw. Je kunt je erin mee laten drijven. Dit in tegenstelling tot de meest geijkte reisdoelen op aarde. Dat kost heel wat om er te komen. Een hoop gedoe vooral. Een half uurtje blader ik op druk bezochte websites naar verre landen en avontuurlijke vakanties. Ik word er niet opgetogen van. Bestemmingen, van hun vitale eigenheid beroofd en versleten als bejaarde publieke vrouwen. Ik sluit mijn laptop, zie af van het volgen van die mensenstroom in vliegtuig, trein of bus, en kijk naar buiten. Geweldig eigenlijk dat ik hier woon. De horizon met de wolken. Dat het stil is, dat het gras en de bomen hier nog steeds groen zijn en de dropplant, de chigorei en de goudsbloemen. Ik verbaas me over de schitterende snijbiet die met zijn vurige nerven elke dag zijn gebed ten hemel spreidt. Het bos dat ik plantte groeit hard. En tussendoor lees ik over de natuur op aarde, in vroeger tijden. Ik hoef niet naar India of te varen langs Kaap de goede hoop, ik lees erover. Ik verblijf in India, volg de zijderoute, laat me meenemen in het verhaal en beeld me in hoe het was ooit, lang geleden. Ik vaar langs kusten vol klapperbomen, stranden vol schelpen, beklim stille berghelllingen. We drinken uit glasheldere beken.

Dan leg ik het boek neer om water te halen bij de boerderij. Ik zie mensen komen en gaan. Het is geen stroom, het druppelt slechts. Een enkele gast vindt deze uitzonderlijke plek. Mijn vriend Dick komt terug, buurman Jeroen vertrekt naar een klooster in Limburg. Hij vertelt er over: “Het gebouw alleen al is een gebed zeggen ze.” Misschien ga ik daar ook wel heen, een paar dagen. Een bestemming van rust en schoonheid. Waar vrede is van binnenuit. Niet afgetrapt maar gevoed door vele bezoekers. Zo hoort het te zijn. En ik hoop dat mensen deze plek ook zo zien. Een plek om heel eenvoudig te genieten en waar je voor even kan delen in het leven van de bewoners. Deze plek waar de Swette stroomt, waar wilgen groeien en de snijbiet zijn vurig pleidooi houdt bij ondergaande zon. Een plek om te voeden en goed voor te zorgen. En ik hoop dat op dezelfde manier veel meer plekken hun kracht terug krijgen. Als een van vele bronnen is deze plek, vanwaaruit het leven wederkeert. Het komt door de energie die wij het geven. En dat ik en vele anderen mee kunnen helpen door hier en nu te zijn. Dat is mijn gebed.

.

Langzaam verandert alles

Jij bent daar, ik ben hier. Elke plek vraagt om eigen oplossingen, elke generatie zorgt op eigen wijze voor wat nodig is. Zo verandert alles, en is er altijd hoop.

Walnootboom die maar twee meter hoog wordt, goed in zo’n open vlakte.


Liever luisteren? KLik op de knop onderaan de tekst.


Vanuit de Swette stroomt het water de sloten in en bevochtigt het land. Vaak staat het water hoog, tot vlak onder de steiger. Dat moet ook, de grondwaterstand in het noorden van Friesland is tien centimeter lager dan eigenlijk zou moeten. Gelukkig hebben we het IJsselmeer, dat is nog vol genoeg. In 2018 was dat anders, toen begon onze grote regenton brak te worden, zo laag stond het water. De invloed van de zee gaat immers altijd door, en dat merken we steeds meer. Maar daar ga ik het nu even niet over hebben. Genietend kijk ik naar de volle sloot die langs de bult loopt. De sloot en de bult. Dat lange eind, waar nu zoveel bomen en struiken groeien. Door mij! Ik verwonder me over het Verhalenpad dat steeds weer dicht groeit van alle verhalen die over elkaar heen slingeren. En ik selecteer wat doorgaat en wat wordt geknot. Midden op de dag, als de zon hoog aan de hemel staat, hoor je water lopen, onder de gelderse roos een donkere poel in. Daar, in de schaduw komt de tuinslang uit in een kuil. ’s Nachts staat die kuil droog, overdag stroomt hij weer vol. Er huppelen kikkertjes naast, de grond rondom is zompig. Alles wat groeit uit die zompige grond is groot. Een bos wilgenroosjes torent als een roze boeket uit boven de wei. De rand van mijn bosje tekent zich duidelijk af. Het gras verderop in het weiland groeit nauwelijks, maar mijn bomen groeien door. Af en toe kom ik er om te snoeien en om het weer begaanbaar te maken. De rietzangers zijn weg. De eerste noten rijpen. De bessen die er groeien zijn sappig en smaakvol, de bloemen bloeien lang en vol. Er is volop zon en er is water uit de sloot . De drijvende pomp inclusief zonnepaneel werkt. Hier kan dat. Elders niet meer, daar wordt gewerkt aan andere oplossingen. Maar dit is het land waarin ik werk. De bomen zijn groen en vol. Dat is waarover ik schrijf. Over de mogelijkheden die er zijn, altijd weer en op elke plek anders. Eigenlijk is de menselijke geest net zoiets als de bodem. Als het teveel uitdroogt neemt het geen vocht meer op, dan loopt alles weg. Een mens kan ook teveel uitdrogen, dan is elke sprankeling verdwenen. Dan knijpen de lippen stijf op elkaar en hoopvolle woorden worden met wantrouwen bekeken. Het is allemaal even erg, niets kan nog goed zijn en de mensen hebben allemaal hun ogen dicht en straks vergaat de wereld. Dat geloof ik dus niet. Er is echt wel iets gaande. Mijn buurman, die vanuit zijn beroep veel mensen spreekt over het landschapsbeleid, zegt dat er een omslag bezig is. Het is de oudere generatie die stukje bij beetje het roer moet overgeven. De jongeren hebben een andere blik op de zaak, straks is het hun beurt. Het duurt een tijd voor de bomen die je plant een echt bos zijn. Dezelfde tijd kost het om veranderingen door te voeren. Als water vloeit het de diepe bodem in. Heel langzaam. De heilige traagheid der dingen zal nieuw leven brengen.

.

Op de voorgrond mijn eerste echte moestuin met rijtjes snijbiet en pompoenen, erachter zie je de kopse kant van het Verhalenpad met rechts het riet en de sloot.

Dwaze bazen en kleine kanjers

.

Verhalenpad, het achterste deel dat voor de dieren bestemd is.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is bijna half januari. De lucht wordt lichter. Het is een tijd van glorende hoop. Ondanks de donkere luchten in de politieke contreien, mannen, macht, kapitaal, oorlog. Maar de zon keert terug en met dat de dagen langer worden, komt ook de energie weer terug. De bodem is nat en staat vol plassen. De klei is blubberig. Als je daar steeds doorheen loopt stamp je alle luchtigheid eruit, en als het dan opdroogt is het keihard. Zo gaat dat met klei. Nog even en er komt een droge periode aan. Dan ga ik weer planten. Ik houd me stil en wacht op precies het juiste moment. Ik heb het niet voor het zeggen. Het is de aarde, de zon en de regen. Nog even. Als het licht komt, kom ik ook. Ik laat me niet afleiden door wat voor tumult dan ook.

En nu is het er. Het licht. De plassen beginnen op te drogen.Langzaam strek ik mijn nek uit. Het heeft vannacht gevroren. De lucht is helderblauw. Er ligt een waas van vorst over het veld, waardoor het ritme van de greppels wordt versterkt. De lage zon legt een warme gele gloed over het landschap, die mij mij verheugt en verwarmt. Niet ver van mij af ligt het Verhalenpad, de silhouetten van de kale bomen en struiken steken af tegen de hemel. Een paar kramsvogels vliegen op met een knerpend geluid, als een trage ratel. In de sloot klinkt het gefluit van de smienten. Dit is de plek waar ik voor zorg.

Er kunnen oorlogen zijn of komen. Continenten en zogenaamde wereldleiders kunnen elkaar afgunstig land willen aftroggelen. China, Amerika. Europa, Rusland. Land voor grondstoffen. Voor strategische geopolitieke locaties. Maar ik zorg voor deze plek. In een wereld waarin groot-machtig-meest door dwaze bazen en oligarchen het belangrijkste wordt gemaakt, is dit mijn verantwoordelijkheid. En ik vertrouw erop dat er anderen zijn die hetzelfde doen. Die hun licht laten schijnen. Lekker vieze handen maken. Opkomen voor de rechten van de Aarde. Al is de situatie niet altijd even best, wij doen in elk geval wat we kunnen. Ten slotte heeft de aarde, de wilde wereld, de zon en de wind geen eigenaar. Geen enkele baas kan de baas meer spelen, als een zonnestorm het leven ontregelt. Of een overstroming het land opvreet als een waterwolf. Aan de andere kant slaat opnieuw een brand uit. Dat houdt geen rekening met links of rechts. De dwaze bazen staan als verbijsterde jongens aan de kant. Bij overmacht is er geen onderscheid meer tussen rijk of arm. Degenen die kunnen samenwerken zijn het beste af. Het gaat zoals het gaat, en dat is altijd anders dan gedacht. Ik sta klaar en kijk. Misschien is het vijf voor twaalf. Maar het wordt lichter. Nog even, dan kan ik de vuilbessen en berberissen gaan planten. Dat die gaan groeien, dat is wél een ding dat zeker is! Ze doen het graag bij mij. En hoe meer mensen eraan werken, een groeizame aarde, hoe mooier het wordt. Stil sta ik te wachten, tot het tijd is. Het begint al te kriebelen. Mijn dromen zijn bevolkt met bezige mensen. Allemaal kleine kanjers, die de basis leggen. Een voorbode, voor wat komt.

.

Struiken planten op Friese weiden

.

.

Het is zondagochtend. Als ik eruit ga om de luiken te openen, beland ik in een sprookje. De wereld is gehuld in sluiers van mist. Spontaan besluit ik om het project te filmen, waar ik mee bezig ben. Het graafwerk voor de struiken die er komen, in het stuk achter mijn huis. Het licht is nog bescheiden, en een grote groep wulpen zit onzichtbaar, maar toch dichtbij, in het veld. Ze fluiten naar elkaar. Ik pak mijn mobiel en praat terwijl ik de beelden vastleg. Maar mijn stem is nog hees en niet wakker. Het geeft niet, het past goed bij de mist. Ik wandel van mijn huis naar de plek erachter, daar aan de andere kant van de wilgenrij. Hier staan al honderd elsjes, en nu plant ik er vuilbessen en berberissen, ofwel zuurbessen. Vuilbessen voor de insecten, en zuurbessen voor de bloemen, de bessen en en beschermende stekels, die kleine vogels kunnen beschermen. Ik graaf heel wat af! Nu is de grond mooi droog, en het is prachtig weer om alles voor te bereiden. Dit is de film, van negen minuten. Je krijgt hierin een duidelijk beeld van de plek waar ik woon, en waar het zich afspeelt.

Met groet, Alowieke

.

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.

Verwelkoming van het esdoornjaar

Hoe een gehekelde zaailing geliefd werd.

.

Twee zaailingen van esdoorns.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is miezerig. Het Verhalenpad is te drassig om met de kruiwagen te rijden. Eigenlijk moet dat nog, de berg compost is nog niet helemaal weg. Zo nat is het! De eenden vinden het heerlijk, al die plassen. Ik zie ze overal kuieren, alleen of in groepjes. Maar boeren en hoveniers worden er mesjokke van. Er moet ingezaaid worden, maar daar is het telkens weer te nat voor. Ik heb ook nog een paar zakjes met zaad. Het zijn kleine zakjes van Joop. Na zeventien jaar tuinieren en planten heb ik het inmiddels afgeleerd om al te enthousiast te beginnen. Ik weet hoe bordjes met namen al gauw verdwijnen in een wir war van groen. Die verdraaide diversiteit ook! Ik moest die eerste keer erg om mezelf lachen. Natúúrlijk gaat het anders dan ik bedacht had. Op nieuwe grond die honderden jaren niks anders kent dan weide en riet, moet je ook niet al te hoogmoedig zijn, met zaaiwerk. Tussen de bomen en heesters die ik plantte, groeit al genoeg. Wilgenroosje, speenkruid, gele melkdistel, kaardebol, paardebloemen, veldkers, zilverschoon, hondsdraf, om maar eens enkele te noemen. De twaalfjarige luzerne die ik zaaide, zijn allemaal opgegeten door de hazen. De drie salieplanten trokken het niet. Ook de lijsterbes heeft er moeite mee. De klei valt ze zwaar. Het is een optimistische struik, die graag weer opnieuw begint. Maar als de bodem zo ontoegankelijk is, raakt ze ook snel ontmoedigd. Het is boeiend om te zien hoe dingen goed gaan, maar ook hoe moeizaam het kan zijn. Ik doe er dus alles aan om de overgang van weide naar bostuin te bespoedigen, zodat meer planten zich thuis zullen voelen. Zeker op harde weidegrond in een overgangsfase.

Ik herinner me de dag dat ik bomen haalde, bij MeerbomenNu. Ik ontmoette daar een kloek groepje vrouwen en een enthousiaste man. De man bleek de leiding te hebben, hij was één van de twee opperhoofden van het land. Tjeerd, heette hij. “Hé ben jij Alowieke!” riep hij tot mijn verrassing. Hij had van me gehoord, en was mijn blog gaan volgen. We hadden een levendig gesprek. “Misschien kun je daar ook wel een voedselbos planten!” zei hij. Ik vertelde dat de boer het daar inderdaad over gehad heeft. “Maar ik heb het idee niet met beide handen aangegrepen“ ging ik verder “Ik denk dat enige terughoudendheid op zijn plek is. Ik weet nu hoeveel werk het is. Het is keiharde weidegrond en na vijftien centimeter begint de stijve grijze zeeklei.” Hij keek bedenkelijk. “Ja, dan moet je eenvoudig beginnen.” Hij geeft me gelijk zijn advies. “Begin met esdoorns.” Aan dat idee moet ik wennen. Eén van de eerste dingen die ik leerde van de hoveniers bij Copijn, was esdoorns uittrekken. Voor je het weet heb je ze overal. Esdoorns, die plant ik dus niet. Ik vertel hem dat ik vooral wilgen en elzen heb geplant. En ook nog een zootje hazelaars, notenbomen, berken, lijsterbessen, maar dan wel met heel veel compost erbij. Ook plantte ik veel bomen op het hoge stuk, waar ze niet kunnen verzuipen. “Het is een mooi begin, voor een voedselbos. Maar voor een hele hectare is dat een hele opgave,” zei ik.

Nu kijk ik naar de esdoorns achter mijn huis. Ik heb er zeventien omgezaagd. Ze zijn allemaal weer vrolijk uitgelopen, tot mooie compacte bosjes. Gaandeweg ben ik ze steeds meer gaan waarderen. Er zitten graag vogels in en ik hoor ze de hele dag. Daar achter mijn kleine huis, daar komt verder niemand. De esdoornstruiken geven wat beschutting, want ondergroei is er nauwelijks onder de hoog opschietende schietwilgen.

.

Allemaal zaailingen van esdoorns

.

Deze lente is het bezaaid met piepkleine esdoorns. Overal zie ik de kiemen opkomen, op alle paden, langs de bosranden, tussen de tegels. Nog nooit heb ik er zoveel gezien. Je zal maar hovenier zijn en ze allemaal uit moeten trekken! De natte winter was kennelijk ideaal voor het zaad. Overal zijn de helikopters heen gedwarreld, de harde herfstwinden hebben ze ver gedragen. Maar de boer lacht erom. Als je ze maait, dan verdwijnen ze wel, zegt hij. Ik ben benieuwd. Er zullen vast heel wat kieren en spleten zijn, waar ze een tijd ongezien hun gang kunnen gaan. En tussen de bomen en bosjes zullen ze overal opkomen, net als in het riet. Eenmaal wortels gemaakt, krijg je ze moeilijk meer weg.
Maar langzaam maar zeker ben ik er anders tegenaan gaan kijken. De esdoorns horen hier. Ik zal ze niet meer tegenhouden. Laat ze de grond maar klaarmaken voor de anderen, samen met de wilgen en de elzen. Als ze groter zijn zal ik ze knotten, net als de esdoorns achter mijn huis. Het wordt laag kreupelhout, en dat is fijne beschutting voor de dieren. De takken zullen de bodem verrijken en steeds geschikter maken voor anderen. Er is wat er is en daar kan ik steeds vaker blij om zijn. Ik vind een manier om er mee om te gaan, zodat het verrijkend werkt voor alles. Toch maar eens vaker met mensen als Tjeerd praten. Het opperhoofd bij de bomenplanters. Er valt nog veel uit te wisselen.

.

.

We moeten voeten in aarde maken

.

De brug van droom naar een gastvrije bodem.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

De droom kan zo mooi zijn. In een droom kan je de werkelijkheid opkleuren, verlichten, je kan weggetjes maken die er nooit geweest zijn. Wat recht is kan je laten kronkelen en vervuilde rivieren zijn in je gedachten zo helder als kristal. Jarenlang kun je dromen over een bos dat bulkt van allerlei soorten. En je kunt dromen hoe donker het daar is, onder al die kruinen. Je voelt aan de oude stammen vol scheuren in de schors. Je laat lange baarden van mos langs je hoofd gaan zoals je nog nooit in het echt hebt gevoeld. In je droom kan alles.
Tot je op de harde natte klei terecht komt, waar het bos moet komen, dat je zo mooi had bedacht. Waar de jonge bomen met hun wortels tegen een stijve muur aanbotsen. En als ze dan eindelijk met veel moeite kunnen doordringen in de ongastvrije massa, dan wordt het winter, gaat het regenen, en verzuipen ze in de natte klei. Of je staat op de zandgrond en wekenlange droogte teert al het leven uit. De jonge loten die je hebt geplant verdorren tot armzalige sprietjes en gaan dood.

Dat kan anders. In een tijd van toenemende extremen is een rustige, volhardende houding nodig. Ideeën zijn als lucht, ze komen even snel als ze gaan. Aan een idee alleen heb je niks. Er zijn al er al gauw teveel van. Brainstorms genoeg op deze aardkloot. Dromen zijn al wat bestendiger dan ideeën, ze bestrijken een langere tijd om te wortelen in je hart. Vervlecht het idee met hoop en behandel dit met zachtheid en geduld.

Vuur op zijn tijd is goed, maar let op dat het niet te hoog oplaait, op onwillekeurige momenten.

Teveel aan vuur verschroeit de aanzet tot groei, knoppen die nog maar zo klein zijn dat je ze nauwelijks ziet. De piepkleine aanzet tot wortelgroei, die bodem zoekt. Een vurige droom zonder bodem glipt uit je handen en daar sta je dan. Vol onrust en volkomen alleen met weer een illusie minder. En hoe meer er uit je handen glijdt, hoe meer gaten er vallen. Het geeft ruimte aan anderen, waar je niet voor gekozen hebt. Gespuis dat het belang niet dient. Ze komen als virussen in een lichaam dat zijn weerstand kwijt is. Als verwarde zwervers die niet weten wat ze moeten. De gaten zijn het begin van het verval.

Ja, Dat kan anders, heel anders. Een droom heeft een rustperiode nodig en een blik die kan doorvorsen of het moment daar is of niet. Het hart is getraind in geduld om in stilte te zien of de tijd rijp is, om te zien wat levensvatbaar is en wat moet wachten of wat onverbiddelijk moet worden doorgestreept. Stap voor stap worden keuzes gemaakt. De vitale delen krijgen de aandacht en krijgen wat ze nodig hebben. Er is wat er is, elk mens, elke boom op dit unieke moment, alles wat is moet zo zijn. Daar ga je vanuit. Dat is de basis, daar kies je voor. En dan kom je in de stroom op gang, die meewerkt. Op het land groeien de bomen die het wél redden op de natte klei of de droge grond. Je verbetert de omstandigheden, meer en meer, zonder haast of dwang. Langzaam maar zeker komt de beloning. Dieren die weg waren keren terug. Zaden die je ooit strooide, komen ineens op. Planten die je nog nooit gezien had, komen spontaan omhoog en tot bloei. Het begin is gemaakt. Zodra er iets is wat voeten in aarde maakt, kan het andere daar steun bij vinden. Zo bouwen we aan een vitale plek, in een vitale wereld. Al is het begin klein, met rust en volharding groeit het. Een bodem voor alles wat voeten in aarde zoekt.

Dingen langzaam doen is het geheim van de transformatie. (Kazuaki Tanahashi, 1933)

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Alles schuift . . . all things move

Schiermonnikoog, Noordzeestrand.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Alles beweegt. Vooral zand, water en wind. Nu is het zo dat het strand van Ameland steeds in zee verdwijnt. Maar een eiland zonder strand, dat kan niet, vinden de mensen. Het strand geeft het eiland ook extra bescherming. Daarom graven ze zand uit de Noordzee en spuiten het tegen het eiland aan. Elke keer opnieuw, want steeds weer verdwijnt het. Hoe? Waarheen….?

.

Everything moves. Especially sand, water and wind. Now it is the case that the beach of Ameland keeps disappearing into the sea. But people think an island without a beach is impossible. A bigger beach is also safer. That is why they dig sand from the North Sea and spray it against the island. Every time again, because it disappears again and again. How? Where to …. ?

De gevolgen van zandwinning op de Noordzee. Er is een toenemende vraag naar zand en steeds minder aanbod. Onze Noordzee is een zandwinningsgat. Vaargeulen worden dieper en breder. Het vele graven en baggeren blijft niet zonder gevolgen. Het is een vloek voor het bodemleven en het doet stromingen van koers veranderen. https://www.waterforum.net/onderzoek-naar-effect-grootschalige-zandwinning-op-noordzee/

Opnieuw delen van het strand van Ameland weggespoeld – https://nos.nl/l/2457956

.

.

.

.

Ik houd niet van doem (I don’t like doom)

.

Ik ben op de markt en heb een discussie. Ik voel me alleen. Ben ik de enige die nog ergens in gelooft? Is de voedselmarkt eeuwig gedoemd tot sommen winst, volume en eigenbelang? Geeft er nog iemand om? Jazeker! Er is een belangrijke beweging. Ik lees de Nyéléni verklaring van het internationale forum voor agro ecologie

Boerenforum, Toekomstboeren, Wervel, Oxfam, FIAN Belgium, Voedsel Anders, Alowieke

.

.

Mijn kinderen zijn niet van vlees en bloed. Het zijn bomen en beestjes. Het zijn verhalen en gesprekken op de markt en onderweg, wanneer ik door het weidse land fiets. Ik produceer ze niet. Ik plant ze, ik deel ze en ze geven het leven inhoud. Hetzelfde geldt voor de zaden, die klaarliggen om op te kweken, in de nieuwe kas. Het is meer dan voedsel. Het is zin. Dikwijls is dat anders. In de wereld van nu draait alles om een grote productie. Maar als leven een optelsom is, hoe vruchtbaar is het dan? En waar is het respect voor de aarde?

.

.

Er zijn dagen dat het discussies regent. De donkere dagen zijn voorbij, met lage luchten en motregen. Het is marktdag en de lucht is licht. Ik heb deze week veel nagedacht over mijn eenzame werk op het land, tijdens deze miezerige januaridagen. Ik dacht aan de toekomst van dit land en aan mensen dichtbij en ver, mensen waar ik van houd. Het ging door tot ik in bed lag. Ik slaap al jaren prima. Ik houd ervan, me over te geven aan de nacht. Maar nu lag ik wakker in mijn hangmat.

Ik doe mijn ogen open. Ik heb toch nog een poosje geslapen. Het is zeven uur, zegt de wekker, net als anders. Ik kruip niet terug in mijn hol, maar sta op met het vertrouwen dat het wel weer goed komt. Het is ook geen onprettig gevoel. Ik ben niet moe, er ligt alleen een waas over de wereld, als een lichte vitrage. Na slechts een paar uur slaap is het of mijn ziel dichter onder de huid zit. Het hart ligt broeierig op de tong. Ik was me met ijskoud water en kleed me netjes aan. Het is vrijdag en vrijdag is marktdag. Daar ga ik heen. Net als vorige week. En de week ervoor.

De markt is een heel eind fietsen. Ik ga ook een stukje met de trein, want er is een harde tegenwind. Dat is niet fijn met een fiets vol zware boodschappen. De biologische markt is op het hoekje van de veel grotere markt, niet ver van het station. Het is er gezellig en langzaamaan leer ik iedereen kennen. Mensen ontmoeten elkaar en eten soep bij de Reizende Kookvrouw. Een enkele marktman of vrouw houdt van een discussie of een kort gesprek over de bizarre vorm die het leven neemt in onze tijd. De één is serieus, de ander maakt er grapjes over.

Ik sta bij de laatste kraam voor vandaag. Ik wil nog boekweit kopen. Boekweit in een papieren zak. Dat hebben ze hier. De man achter de kraam praat met een klant, die al met één been weggelopen is. “De nierbonen van mij komen van eigen land,” zegt hij. “Ik produceer twee keer zoveel als Hak per hectare, maar ik ben dan ook al zeven jaar aan het veredelen. Zij beginnen pas, met biologische teelt!” Maar hij praat tegen dovemansoren. De vorige klant is al weg. Dus ik neem het gesprek over. “Zijn ze zaadvast?” vraag ik. Hij leunt voorover, zijn handen steunend op de kraam. “Daar gaat het niet meer om,” zegt hij. “Het gaat om een grote productie. De voedingswaarde gaat steeds meer achteruit, maar dat wil de markt. Vroeger komt nooit meer terug.” Verbaasd kijk ik hem aan. Ik geef tegengas. Dat niemand de toekomst kent. Dat er ook een andere tendens is. Maar hij gelooft er niet in. Hij glimlacht meewarig, terwijl hij mijn boekweit inpakt. Naast me staat de volgende klant te wachten. Ze lacht om mijn brede gebaren en deinst achteruit als ik haar bijna raak, met mijn vingertoppen. Ze staat breed te grijnzen alsof ik een clown ben. Ik wilde ook nog gierst, maar dat laat ik nu maar zitten. Ik betaal, pak de boekweit en vlucht weg. Ik voel me alleen en de laatste woorden liggen onuitgesproken op mijn lippen. Verdorie, ik ben toch niet de enige die nog ergens in gelooft? Is de voedselmarkt voor eeuwig gedoemd tot sommen van winst, volume en eigenbelang? Wie maakt het eigenlijk nog uit?

.

.

Bij een andere kraam zit een meisje op de lege kratten uit te blazen. Ze heeft me kort geleden nog geholpen. Ze glimlacht naar me. “Heb je pauze?” Vraag ik. “Nee,” zegt ze “Ik ben klaar voor vandaag.”. “O, zou ik dan wat mogen vragen?” Ze knikt en kijkt me nieuwsgierig aan. “Denk jij dat de voedselmarkt voor altijd gedoemd is tot meer en meer, ten koste van wat dan ook?” Ze kijkt me helder aan. “Ik houd niet van doem,” zegt ze kort en bondig. “Ik denk dat er wel degelijk een beweging is, de andere kant op. Steeds meer mensen willen dat helemaal niet, steeds meer en meer. Genoeg is genoeg, vinden ze.” Ze praat in alle rust verder, zonder dat ik haar nog maar één vraag hoef te stellen. Dit gaat ons aan, haar en mij. Ik luister aandachtig en het doet ons beide goed. “Dank je wel,” zeg ik uiteindelijk. “Ik had zojuist een discussie daarover. Ik ben blij dat ik in deze kraam iemand vind die net zo denkt als ik.” Ze knikt en antwoordt oprecht: ”Dat snap ik best.” Ik lach haar hartelijk toe, wanneer ik de zware tas weer oppak. Ook mijn rugzak is zwaar en mijn schouders verlangen naar ontspanning. Bepakt en bezakt kuier ik het plein af, de trein in en dan naar mijn fiets. Het is maar zes kilometer. Ik heb de wind schuin in de rug.

Eenmaal thuis pak ik het boekje met de Nyeleni verklaring, het internationale forum voor Agro ecologie. Want natuurlijk ben ik niet alleen. Overal op de wereld zijn mensen bezig. Met elkaar bouwen we aan een andere manier van leven. Ik blader en put hoop, meer nog dan anders. Dan kom ik bij punt zes:

Mens, natuur en spiritualiteit zijn aan elkaar verbonden.

De kern van onze holistische visie is het noodzakelijke evenwicht tussen de natuur, de kosmos en de mens. We erkennen dat we als mensen slechts een deel van de natuur en de kosmos zijn. We delen een spirituele band met ons land en met het web des levens. We houden van ons land en van onze volkeren. Zonder dat, kunnen we onze agro-ecologie niet verdedigen, niet vechten voor onze rechten, of de wereld voeden. Wij verwerpen de commodificatie van elke vorm van leven.

Goddank. Ik ben niet alleen.

(Commodificatie is het proces waarbij steeds meer aspecten van het menselijk handelen en de resultaten daarvan worden uitgedruikt in een geldwaarde in plaats van de intrinsieke waarde. Het begrip werd geïntroduceerd door Karl Marx.)

.

.

.

LINK naar Nyeleni Europe: https://nyeleni-eca.net/
De Nyéléni declaration in English: https://www.foodsovereignty.org/wp-content/uploads/2015/02/Download-declaration-Agroecology-Nyeleni-2015.pdf

.

NEDERLANDS:

.

ENGELS:

.

I’m on the market and having a discussion. I feel alone. Am I the only one who still believes in something? Is the food market eternally doomed to sums of profit, volume and self-interest? Who really cares anyway? Yes, yes! There is an important movement. I read the Nyeleni Statement of the International Forum for Agro Ecology:

The core of our cosmovisions is the necessary balance between nature, the cosmos and human
beings. We recognize that as humans we are but a part of nature and the cosmos We share a spiritual
connection with our lands and with the web of life. We love our lands and our peoples, and without that,
we cannot defend our agroecology, fight for our rights, or feed the world. We reject the commodification
of all forms of life.

.

Song that calls for action: Fight for our lands and web of life

.

Fights for our rights

hands for our lands

every man and every wife

will take part of web of life

Every woman with her spouse

creates a world that not allows

the loss of value of the hart

an economic world so smart

in last spasms it is curled

we don’t need to feed the world

feed yourself an feed your neighbour

an end will come to senseless labor

without a soul within

.