Zingen van lente

.

.

Het paradijs groeit met eelt op de vingers.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Dick en ik zitten aan een klein tafeltje. De rest van het restaurant is leeg. Een kleine Indiaase vrouw is stilletjes bezig aan de andere kant van de zaal. Voor het raam van het restaurant gaat van alles voorbij. Gozertjes op elektrische fietsen die eten rondbrengen. Steeds dezelfde zwarte man, die voor het raam langs loopt, met een grote zwarte doos in zijn armen. Diverse kampeerbussen gaan de bocht om. Wat een gedoe allemaal. Ik ben het al zolang niet meer in de stad geweest! Ik ben op het land en meestal alleen. Als ik alleen ben kan ik beter kijken, en zien wat het land van me wil. Elke dag plant ik bomen. Hele diepe gaten, zodat de wortels veel ruimte hebben. Het is vette klei en daarom gaat in elk gat een emmer zand, voor de lucht. Dat zand haal ik overal vandaan, waar ik het maar zie. En zo werk ik door. Mijn spieren zijn taai en sterk, mijn conditie opperbest. Soms denk ik dat ik bijna klaar ben. Maar dan vind ik weer een vergeten bosje boompjes in een dichtgegooide kuil. Het aantal wat ik nog te doen blijft steken op de vijftig. Ik graaf tot het af is, heb ik gezegd. Toch zit ik hier nu te eten in de stad, met Dick. Het is nog niet af. Maar het geeft niet. Dat mag best wel eens.

De vrouw haalt de borden van tafel. Nee, we hoeven geen koffie meer. “Het is tijd om te gaan,” zegt Dick. In zijn zak zitten kaartjes voor het concert van Lenny Kuhr. We lopen erheen en niet veel later luisteren we naar haar warme diepe stem. De liedjes zijn van haarzelf of ze zijn door anderen voor haar geschreven. Toen ze bekend werd met “De troubadour” was ze achttien, nu is ze tweeënzeventig en ze zingt het nog steeds. Eén keer, als toegift. Er zitten allemaal grijze mensen in de zaal. Ik ben geloof ik de jongste. We luisteren minutenlang en kijken naar het licht op de gezichten die warm afsteken tegen de hoge zwarte gordijnen. Soms vertelt ze er verhaaltjes bij. Ze spreekt over de lente, dat het gevoel geeft eeuwig jong te zijn. Ze heeft het over de eerste meidoorns die nu bloeien. Meidoorn? Zou ze niet de prunus bedoelen, denk ik even. Bomen, ik kan ze wel dromen. Ik doe mijn ogen dicht en droom weg bij haar stem en de sfeervolle gitaarmuziek. Ik zie het steeds voor me, het Verhalenpad, dat loopt tussen de pas geplante boompjes door. Het paradijs groeit met eelt op de vingers. De bomen zingen hun eigen lied. Lenny Kuhr zingt van de lente. Langzaam zak ik weg, mijn hoofd tegen Dick zijn schouder.

.

HET EINDE VAN ONZE IJSTIJD . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. The end of our icetime

.

Afbeelding: Alowieke van Beusekom

.

Economische efficiëntie ligt als een kille ijsmassa over het land. Kan het smelten? En wat gebeurt er dan?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Rather listen? Click on the button at the and of the tekst for the english translation.

Zompig is de grond onder mijn klompen. Ik loop licht en voorzichtig, om geen diepe gaten in de bodem te maken. De paadjes worden steeds drassiger. Hoe dichterbij de lente, hoe natter de klei. Op sommige plekken is er alleen nog modder. Er steken een paar zielige grasprietjes bovenuit. Toch weet ik, daaronder zit het nog vol wortels. Straks wordt alles weer groen. Dan komen ook de paardebloemen weer, waar Jochums land vol mee staat. Groen met gele sterren, zo zal het zijn, zoals elke lente, zodra de zon hoger komt. Maar nu is er blubber. Heel veel blubber, dat moet er toen ook geweest zijn, tienduizend jaar geleden, na de ijstijd. Het land heeft al veel meegemaakt. Als ik hier sta, op deze plek, kan ik dat steeds meer ervaren. Mijn wortels gaan de bodem in, ik verdiep me en raak het verleden dat het in zich draagt. Ik kijk niet alleen met mijn ogen, maar ook met mijn voeten, door te zijn waar ik ben.Ik tuur naar de horizon. Ooit was het hier helemaal bedekt met ijs, zover als je kon kijken. Onvoorstelbaar lijkt dat nu, die zware koude massa. Al het leven dat eronder vermorzeld werd en de bodem in gedrukt. Zaad dat slapend lag te wachten, tot het op een dag bevrijd zou worden. Soms lijkt de grauwheid eeuwig te duren. Dat moet toen ook zo zijn geweest. Maar toch kwam er een andere tijd. Het begon te smelten! Zo nat en drassig was het, daar is mijn zompige paadje niks bij. En geloof het of niet: Het zaad was er nog steeds, daar in de bodem. Wat een ongelooflijk feest moet dat zijn geweest, dat het weer kon ontkiemen! Soms zelfs na duizenden jaren.

Ook John O Donohue heeft zich dit voorgesteld. Hij was een dichter en filosoof die ik graag eens had ontmoet, in zijn thuisland aan de Ierse Westkust. Helaas kan dat niet meer, hij is maar twee en vijftig geworden en stierf in 2008. “Het eeuwige landschap ligt in onszelf,” zei hij en “Het land om ons heen heeft een ziel, net als de dieren, de stenen, de velden”.
Zijn beschrijving van de ijstijd maakte mijn verbeelding los. De veranderingen voor het land moeten intens zijn geweest, het gewicht van het koude grijze ijs dat alles bedekte. Toch kwam daarna alles weer tot leven. Een wonder eigenlijk. Zou dat niet opnieuw kunnen gebeuren, vraag ik me af. Als ik nu naar ons land kijk, de dichtgegooide greppels en kreken, gekapte bomen, de groeiende steden, het asfalt en de betegelde tuinen om tijd te besparen, dan denk ik, is dit niet een nieuwe ijstijd? Een koude hand ligt over de aarde. Het is de kille zucht van geld, geld en economische efficiëntie, als het belangrijkste dat telt. Koud. Kouder dan koud. Zwaar en drukkend. Toen het ijs smolt gebeurden er wonderen. Zou dit niet opnieuw kunnen gebeuren? Zou .. het … niet..

Zompig is de grond onder mijn klompen. Er is klei en er is gras. Boterbloemen, klaver, weegbree. En er is zaad, waarvan ik nog niks weet. Zaad dat wacht op de juiste omstandigheden. Het wil groeien, bloeien en zich verspreiden. Tot de hele wereld in kleuren uitbarst. Het zaad wacht.

Met dank aan Willemien die mij attent maakte op deze filosoof en dichter, na het lezen van mijn vorige blog.

Nederlands:

.

Engels:

.

Nieuws: Deze week schreef Nynke Bruinsma een mooi artikel in de Leeuwarder Courant. Dingen die ik steeds al wilde zeggen.

.

John O Donohue:

Podcast 1 https://lnns.co/sgR1AQmub-t

Podcast 2 https://lnns.co/f7CcY3w0pQH

Kees Klomp: Terug naar een ecologische samenleving: https://maatschapwij.nu/videoportret/kees-klomp-economische-ecologie/

NACHTLAND VAN VERDWENEN DIERBAREN . . . Nightland of lost loved ones

.

Ik denk niet alleen aan mijn verloren lief, met wie ik verbonden was door de aarde. Ik denk ook aan alle inheemse mensen die zich inzetten voor hun land en daarbij het leven moesten verliezen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.


Rather listen? Click on the button down under the text.

.

Herinneringen van de nacht kunnen net zo helder zijn als die van de dag. In sommige tijden zijn ze zelfs sterker, alsof ze bedoeld zijn om draagkracht te creëren en inzicht. Zo heb ik haarscherpe herinneringen aan de jaren na de dood van mijn man. Soms zijn ze weer heel dichtbij, die herinneringen. Zoals nu. Mijn venster kijkt uit op de Friese weiden. Ik heb zojuist de luiken geopend en de wereld opent zich opnieuw. Stil sta ik te staan en denk nergens aan. De horizon is in mist gehuld. Ik staar ernaar, en vermoed een werkelijkheid achter de werkelijkheid, die zich daar verbergt. En als de zon dan komt, heel teder, zie ik het. Het schemerlicht aan de horizon schijnt op een andere plek, die toch dezelfde is als de wereld waar ik in leef. Het grenst aan de wereld van de nacht, de herinneringen van toen. Op zulke dagen zie ik hem weer.

Mijn man was hij. Ik leefde met hem samen in een eeuwenoud huis, half onder de grond verborgen. Het huis stond op de grens van water en aarde. Aarde bond ons samen, de liefde ervoor en voor de trage snelheid die het water ons bood. Hand in hand liepen wij en met ons scheepje voeren we langs grachten en rivieren, als zilveren aderen door de tijd. Hij verliet mij, op een dag was hij er niet meer. Maar in mijn dromen zie ik soms de mist breken, en kan ik een glimp opvangen van zijn wereld, heel ergens anders. Soms is het ver, maar soms toch dichtbij. Op één of andere manier.

Ik sta voor het raam. Vandaag hoef ik niks meer. De mensen met hun drukte zijn verdwenen, de herinneringen aan talloze terloopse opmerkingen en gesprekken spoelen weg. Ik volg het ritueel van de dag en loop naar het water van de Swette. Ik dompel mezelf in de kou en kijk vlak boven het water uit naar daar, waar het om de bocht verdwijnt. De wind breekt de spiegel in kleine oplichtende rimpels. De laatste gedachte aan een drukke week laat ik gaan. Het drijft weg in de stroom. Ik droog me af en kleed me aan. Opnieuw sta ik voor het raam en kijk naar de horizon. Ik zie hoe de sluier breekt, even maar, die eeuwige mist die onze werelden scheidt. En daar is hij, zachtjes koerst hij door krekenland. Hier, waar de zee ooit vloeide en zijn handtekening zette in het zand op talloze manieren. Rustig gaat hij voort, mijn man, omringd door de zilveren aderen die het land doorkruisen. Er zijn zachte glooiingen, kreekruggen die het water begeleiden. Het is of de zon zachter schijnt, en een oude wereld blootlegt. Even zie ik hem, een gunst van het Al, voor de magische sluier zich opnieuw sluit. Door mijn raam zie ik de kreken verdwijnen, de glooiingen vervlakken. Het licht wordt zakelijk en grijs met rechte sloten en uitgestrekte grasvelden. De zon verdwijnt in een steeds grijzer wordende mist. Ik steek de kachel aan. De warmte en het licht van het vuur reflecteert wat ik net heb gezien. Het kruipt diep in mijn spieren en botten. Ik koester het. Het land zit in onszelf.

.

.

De verborgen kreek spreekt

Als kreek ben ik al jaren dicht
levend in de bodem
elke lente stik ik weer
in de drang naar lucht en licht

Mijn bedding en het water
de gele plomp en zwanebloem
kattestaart en waterlelies
de mensen, ja die kwamen later

Ik herinner mij nog alle dagen
de boer die mij toen onderhield
met ferme hand mij steeds bevrijdde
van de brede rietkragen

de zeis die scherp geslepen was
om het verste riet te oogsten
Ik herinner me mijn water
zo helder als een spiegelglas

De bochten waar het ooit eens golfde
voor overheden zaken kozen
onrendabel doorgekrast
met zware grond die mij bedolfde

Wat verlang ik naar de stroom
de bedding die mijn ziel vertolkt
Het zand dat schuurde langs de kant
de droom die ik al zolang droom

Waar zijn de handen van weleer
eeltig, ruw, bedreven
De wielen die nu langs mij rijden
die begrijp ik nu niet meer

Ik ben maar een verborgen kreek
elke dag droom ik opnieuw
van zonlicht en van rimpelingen
de stroom die langs mij streek

.

Nederlands

.

English

.

.

Ruimte maken

.

.

De boer heeft het laatste woord. Als het nou gaat over het land, de schuur, het erf of de weg… Het is allemaal van hem. Zijn keuzes groeien traag, alsof ze moeten rijpen. In de natuur gaat dat ook zo. Eigenlijk vind ik dat wel mooi.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ik zit op het bankje van de biologische winkel en eet een koek. Haverkoek is het, dat vind ik de lekkerste. Ik heb twee pakken in mijn tas. Morgen gaan we samen eten, met de hele Swetteblom. Dan is dit het toetje, heb ik bedacht. Ik neem nog een hap van de koek. Er zit lekker weinig suiker in. Dan proef je de smaak veel beter. Dan hoor ik wat. De deur van de winkel gaat open. Een lange man komt naar buiten met twee volle tassen. “Smaakt het?” vraagt hij. Ik knik en we raken in gesprek over lokaal voedsel en zelf dingen verbouwen. “Ik zoek al een tijdje naar grond”, zegt hij. Ik vertel over het stukje land, waar ik bomen plant, op het land van boer Jochum. “Voor hem was het een stuk waardeloze grond”, zeg ik. Hij kijkt me bezorgd aan. “Ik hoop dat je wel een contract hebt? Anders ben je je bomen straks zo weer kwijt . . .” Glimlachend kijk ik hem aan. “Nee”, zeg ik liefjes “Ik heb hem gezegd: Als je het er niet meer mee eens bent, dan mag je ze allemaal weer omhakken”. Hij kijkt me met lichte verbazing aan. “Jij liever dan ik”, antwoordt hij. “Succes ermee!” Hij propt de zware tassen in zijn fietstas steekt zijn hand op en fietst weg.

Ik kan me de bezorgdheid wel voorstellen. Het is logisch dat je graag je eigen ideeën wilt uitwerken en dat je dat wilt beschermen. Contracten en pachtovereenkomsten zijn daarvoor handig. Je kan je eigen gang gaan en doen wat je wilt. Tot op bepaalde hoogte dan. Want hoeveel zekerheid heb je uiteindelijk, en wat is nou echt van jou? Je deelt het land altijd met anderen. Dieren, buren en boeren, de gemeente, de overheid, de archeologische dienst… Daarom wil ik geen paradijsje voor mezelf, ik wil het samen doen. Ik werk op basis van vertrouwen, ik kijk en onderzoek en leg ik mijn bevindingen keer op keer weer terug op tafel. Nu is dat de tafel van boer Jochum. Het is zíjn land. Hij heeft het laatste woord. Ook als het gaat over de schuur, het erf of de weg… Het is allemaal van hem. Zijn keuzes groeien traag, alsof ze moeten rijpen. In de natuur gaat dat ook zo. Eigenlijk vind ik dat wel mooi. Wij moeten ons aanpassen aan zijn tempo. Dat heeft voordelen. Pas kwam dit weer goed naar voren. Toen ging het over de schuur.

Ik sta met Gerlinde op het erf. We hebben goeie zin, allebei. Het is de eerste dag dat we samen gaan eten, met alle mensen van de Swetteblom. Nou ja, bijna allemaal. Ege heeft het bedacht. Sinds kort woont hij in het huisje dat grenst aan het erf. Zijn deur is vlak naast de kleine stal. Nadat hij had ingericht, had hij zijn volgende idee al klaar. Hij vertelde iedereen dat hij elke maand voor ons wilde koken. “Ik vind het leuk”, zegt hij “En het is mooi om af en toe met elkaar te zijn”. Hij kwam als geroepen. Het hing al in de lucht. Bijna iedereen beloofde dan ook te komen. En daar staan we dan. Gerlinde en ik. De rest is er nog niet.

“Hoe laat begint het?” vraagt Gerlinde. Ege staat tien meter van ons af, in de deuropening van zijn huisje. “Om vier uur”, antwoordt hij. Jochum, de boer, komt net de stal uit, waar de drie koeien staan. “Vier uur? Dat is toch veel te vroeg!” roept hij. Na een korte discussie komen ze overeen dat het half vijf wordt.

Samen staan we voor de schuur, waar het moet plaatsvinden. Boer Jochum, Ege, Gerlinde en ik. De schuur is aan één kant open. Tot voor kort stond hij vol spullen, die stuk voor stuk betekenis hadden, voor de boer. Jarenlang kon je er niet in. Er is nu meer ruimte. Jochum heeft opgeruimd. Dat is een hele prestatie. Halverwege houdt de lege ruimte op. Daar staat de trekker in de winterstalling. “We kunnen er wel een gordijn voorhangen”, oppert de boer, “Dan zie je hem niet”. Zijn grote hand wijst naar de eerste dikke balk. “Daar.” Ege kijkt kritisch. “Neeee”, bromt hij. “Hij moet aan de tweede balk! Dan rijden we de trekker naar achteren. Die rotzooi daar kan best weg, dan heb je een hele meter erbij”. Hij staat er actief bij, alsof hij meteen wel daad bij woord wil voegen. Maar Jochum kijkt hem woest aan. “Rotzooi?! Dat zijn spúllen hoor en zo makkelijk gaat dat niet!” Ege houdt zich in. Hij snapt het. “Ach, het heeft ook geen haast” zegt boer Jochum. Hij draait zich resoluut om en loopt het erf af. Ege duikt weer zijn huis in, waar de pannen staan te dampen. Gerlinde en ik blijven achter en kijken naar de eerste en de tweede balk. Erboven is nog meer opslag en alles zit onder het spinrag en dikke lagen stof. “Ik heb er nu geen tijd voor” zegt ze “Maar ik heb een naaimachine. Als jij me wilt helpen, dan hangen we hem toch gewoon aan de eerste balk, als Jochum dat wil? Verplaatsen kan altijd”. Ik glimlach. “Zo is het. Alles op zijn tijd. Je roept maar. Ik doe met je mee”.

Van het pad komt een man aanlopen met een vuurkorf en hout. Ik loop naar de leeggemaakte werkbank en haal de haverkoeken uit mijn tas. Uit de keuken komt een heerlijke geur. Dat wordt smullen!

(Dit verhaal is een collage van verschillende momenten, die ik in dit verhaal heb samengevoegd, tot een aanéénsluitend verhaal. Sommige namen zijn gefingeerd en sommige details ook.)

Met modderklompen de toekomst in

Hoe wij haar samen maken.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de omastoel van mijn vriend Dick en pak mijn mobiele telefoon uit mijn jaszak. Ik heb zin om iets zinnigs op te zoeken. Iets wat past in deze tijd. Het nieuwe jaar, dat begonnen is. Of misschien is het wel iets onzinnigs, dat weet je maar nooit.

“Zal ik de jaarhoroscoop maar eens voorlezen? Dat hoort er toch ook bij.” Dick zit op zijn bed en kijkt me wakker aan. “Doe die van vorig jaar maar,” zegt hij. Ik twijfel even en geef toe. Ja, het oudejaar is eigenlijk interessanter. Dat kan je checken en bespiegelen, het nieuwe jaar is nog leeg. Ik vind een redelijk serieuze site en lees zijn horoscoop voor. Af en toe zegt hij wat. Sommige dingen kloppen, maar het meeste klopt niet. We zijn er al snel doorheen. Ik kijk op. “Ze hebben ook een horoscoop voor de wereld. Iets met Uranus en dat er een nieuwe tijd begint,” zeg ik. Dick kaatst de bal meteen terug. “Een nieuwe tijd? Het komende jaar? Daar hebben ze het al heel lang over toch? Aquarius… Dat was in de jaren zeventig al.” Ik knik bevestigend. “Ja. Er zijn mensen die zeggen dat de wereld wel verandert, van binnen zeg maar, maar dat het aan de buitenkant nog moet doorbreken. Het systeem zit nog te vast.” Hij grijnst. “Het systeem? Dat zijn wijzelf hoor! Het zijn alle mensen samen.” Daar kan ik geen speld tussen krijgen. Maar toch, hoe zit dat dan? Terwijl ik het me afvraag komen de woorden vanzelf. “Wat mensen als groep bedenken, daar heb je als eenling maar weinig invloed op. Samen vormen ze het systeem.” Ik ben even stil. Er komt een herinnering bij me op. “Er was een tijd dat ik in een huis woonde met vijf anderen. Ik had een gebroken been. Het genas niet, het duurde máánden. Daar zat ik dan op mijn kamertje van vier bij drie. Omdat ik me verveelde begon ik te snoepen. En omdat mijn maag daar niet tegen kan, kotste ik het weer uit. Dat heb ik altijd al gehad en daarom snoep ik nooit. Behalve toen. Zo ging het een paar weken. Toen kreeg ik er genoeg van en ik stopte er weer mee. Maar “het huis” had intussen besloten dat ik boulimia had, een eetziekte. Als ik wat anders zou zeggen, hadden ze het waarschijnlijk niet eens gelooft. Ik denk dat het in het groot ook zo gaat. De groep samen maakt een verklaring voor wat er gebeurt en daar gedragen ze zich naar. Die normen en waarden zijn hard als marmer. Je moet lang bikken, voor er iets verandert.” Dick grijnst niet meer. Hij knikt serieus. “Ja, dat is zo.” Ik vertel verder. “Nou gaat het niet om mij. Ik vond het eigenlijk heel boeiend om mee te maken. Het laat zien hoe dat werkt, met groepen, die ergens in geloven. Voor de één is het Jezus, voor de ander de techniek of een gevaarlijke vijand. In een groep versterken mensen elkaar in hun mening en je kan jezelf erin verstoppen. Het geeft een twijfelachtige vorm van zelfvertrouwen. En samen vormen zij de werkelijkheid, al die grote groepen maken de wereld uit, waarin we leven…

Ik moet denken aan een droom, die ik toen had. Er was een stem die tegen me zei: All in all it’s just a fascinating fuzz.

Ik kijk naar Dick. Hij laat de woorden even op zich inwerken en hij knikt. “Ja..” zegt hij alleen maar. Dit heeft niet meer woorden nodig. Het is immers een groot deel van zijn leven geweest. Er te zijn voor die eenlingen, die de wereld anders zien en die er op eigen wijze wat moois van willen maken, duurzaam, praktisch en in harmonie met de aarde. Nu zit hij hier voor het raam. Sinds tien jaar mijn vriend. De groene mok in de vensterbank is leeg, op een klein bodempje koffie na. Ik kijk van zijn gezicht, de grijze krullen, de blauwe ogen, naar het landschap achter hem. Het weiland is nat van de regen. De zon komt door en schijnt op de plassen in het gras. Het is alsof alles oplicht. Er komt een sprankeling in mijn gedachten, die meteen zijn weg naar buiten vindt. “Maar als we leren daar niet in mee te gaan…” begin ik dan, “Als we leren onszelf te zijn en onbevooroordeeld…” Dick kijkt me aandachtig aan. “…..dan kunnen er wèl dingen veranderen” besluit ik. Op het serieuze gezicht komt een lach. “Ja. Zo is het.”

Ik lach terug terwijl ik mijn muts pak. “Ik ga naar buiten. De zon lokt.” Mijn vriend wenst me veel plezier. Ik stap in mijn blauwe klompen en zoek mijn weg door de modder. We komen er wel.

.

.

Aardgenoten!

.

.

Korte nieuwjaarstoespraak van Alowieke

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

.

Aardgenoten,

Een nieuw lichtjaar is gekomen. De zon heeft zich gewend en de dagen lengen. Blijft u vooral vermenigvuldigen, vissen in de zee, kreeften op de bodem van de grachten en dieren van wie niemand weet. Beter water is op komst. Verheugt u ook in een betere bodem, gij pieren, kevers, springstaartjes. Ringmussen, blijf dansen in de lucht eet van het zaad dat rijkelijk zal groeien. Ganzen mogen gakkend overvliegen om te grazen in het land en te broeden aan verre kusten. Ik wil me verontschuldigen voor het vuurwerk, met nieuwjaar.

Het wordt een jaar dat alles mag blijven liggen. Alle mensen houden op met druk doen. Er wordt minder gereisd, meer tijd besteed aan de grond onder de voeten. Het zand in de zee mag blijven liggen en er varen bijna geen containerschepen. Ouders en jonge meiden maken weer zelf hun kleren en kinderen zullen tijd krijgen om samen zandtaartjes te bakken in de tuin. We zullen meer zaaien en minder graven, meer wandelen en minder leidingen leggen, meer genieten van weinig. Kleine mensen bouwen zandkastelen. Ze zien hoe de zee, de aarde en de wind alles weer mee neemt. Grote mensen zien het ook en zullen bescheiden worden. Ze bouwen alleen nog maar kleine huizen van hennep en leem. Er komt geen uitbreiding van wegen meer. Nieuwe bruggen hoeven ook niet, in het vervolg doen we alles per pont, lopend en op de fiets. De schipper krijgt een zoen van elke blije griet en een grijns van de buurman die eindelijk weer stromend water ziet. Vrienden nemen de tijd om samen naar de overkant te kijken, zonder er heen te hoeven. Het gras zal niet alleen maar groen zijn. Het zal overal bloeien van bloemen en kruiden en het zal fladderen en zoemen van vlinders en bijen. De regen zal zacht en groeizaam neervallen en de hele aarde zal zich hullen in een nieuw kleed van leven, dat iedereen zacht en tevreden maakt.

Een gelukkig nieuwjaar.

.

.

.

..

.

Een kleine oversteek, een grote onderneming

.

.

Werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit daarin mogelijk is.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Aan één kant van het terrein is geen pad. Er valt niks te maaien, geen grind te storten in de kuilen, niks van dat alles. Het is de kant van het water. Het riviertje de Zwette is het enige wat nog is overgebleven van de Middelzee. Wat mooi moet dat zijn geweest, al dat water, dat vrijelijk in en uit stroomde langs kwelderruggen vol watervogels. Dat is al lang geleden. Het is het landschap dat mij kippenvel bezorgt, alleen al bij de gedachte. Álles is nu anders. Het land is zakelijk en groen geworden, met functionele rechte wegen. De Zwette doorbreekt die starheid, het water glinstert speels in de wind. Maar het heeft ook een taak, het is heel belangrijk voor de afwatering. Zonder Zwette stonden de weilanden regelmatig onder water. Verschillende gemalen moeten goed hun werk doen om dat te voorkomen. Een brede strook riet omzoomt de waterweg. Linksaf ga ik naar Leeuwarden, rechtsaf kan ik naar Sneek. Er is geen brug naar de overkant. Wel zijn er twee bootjes, voor privégebruik. Toch wordt daar nog al eens over geboomd. Kunnen we geen verbinding maken?

“Ik wil dat pontje gaan maken,” zeg ik tegen de boer. Hij staat in de deur van de schuur en een zwaluw scheert rakelings langs zijn hoofd. “Je hebt het er wel eens over gehad. Het lijkt me een mooi project.” zeg ik. Het gezicht van Jochum klaart op. “Ah goedzo. Mooi. Maar wel helemaal aan het einde hè, ik wil al die mensen niet langs de boerderij hebben lopen.” Ik knik opgewekt. “Ja, ik wil er een bel bijhangen. Daarmee kunnen ze me roepen, de mensen. En dan…” ik wil verder gaan, maar ik zie een frons op zijn gezicht. De beste man heeft hier al vaak over nagedacht, dat is duidelijk.“Een bel?” barst hij los “Dat er een vrouw aan te pas moet komen om over te steken? Neeeee dat is toch niks!” Vastbesloten kijk ik hem aan. “Als ik er geen rol in kan spelen, dan doe ik het niet.” Zijn gezicht ontspant en hij denkt even na. “Het is mooi als de mensen het zelf kunnen doen zie je, dat oversteken. Maar jij zal er toch wel een rol in kunnen spelen, op één of andere manier?” Opgelucht ga ik verder. “Dat denk ik ook. En weet je, klein beginnen is denk ik toch het beste. Niet meteen een aanvraag doen voor een officiële pont met een lier. Eerst gewoon die bel, en roeien ofzo. Daarna kunnen we altijd verder zien, als het een succes is. Ik denk over een brede steiger met een bank en liedjes erbij. En mensen kunnen er hun verhaal vertellen, wie weet wat er uit voortkomt.” Hij glimlacht en knikt. “Dat lijkt me wel een goed begin. Je hebt gelijk.Voor zo’n aanvraag erdoor is bij de gemeente, dat duurt jaren.”

En zo komt er aan een dood punt misschien een einde. Al gaat het niet zomaar. Eerst moet ik een goed ponton vinden. Dan ga ik nadenken over de voortstuwing die ik erop maak. Ik wil het vaartuig karakter geven met een stalen kunstwerk. Daarvoor moet ik leren lassen. En langs de oever moet het riet worden gemaaid. Er moeten gaten in de grond worden geboord voor palen. Daar op gaan we de steiger bouwen met een klein terras. Als dat alles klaar is, zullen er mensen oversteken die stekken en boompjes meenemen. Die zijn voor het Verhalenpad. Met elkaar zullen we meer en meer leven in het land brengen en onze wandelpaden onderhouden, tussen stukken onbetreden aarde door. We zullen zien hoe het er wemelt van beestjes en insecten en plantjes. Langzaam groeit het beeld in mijn gedachten. En ik weet: Dit gaat lang duren.

Terwijl het tot me doordringt hoeveel werk het is, wil ik vluchten. Hoe lang wil ik al het kustpad bewandelen in Engeland? Bergen beklimmen in Oostenrijk of Roemenië? De zee op te gaan in met een oud zeilschip, de oversteek maken en kroegen bezoeken in Ierland, meezingen met de liederen die ik ken. De ontdekkingsreiziger in mij roept. Ik haal diep adem. “Nee,” zeg ik tegen de grenzen verkennende avonturier in mezelf. Niet nu. Ik wil werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit mogelijk is. Dat vraagt om een lange adem. Tegelijkertijd is het de kunst om te genieten van wat er al is. Er is niets dat haast heeft. Er is tijd. En verrassingen zijn niet onmogelijk. Net als je denkt dat het nog heel lang gaat duren, gaat het soms ineens heel snel.

.

De hemel is altijd grenzeloos

.

Het water in de Zwette glinstert in het late licht. Het water stroom altijd door, naar Sneek, naar de Waddenzee, de hele aarde over. Alles staat in verbinding. Ook al sta ik als een wilg, stil te kijken langs de kant. Ooit ga ik mee, met het water. Als het werk gedaan is en de wereld zich opnieuw opent.

.

.

Rectificatie: Vroeger was de Zwette een riviertje, voor de loop werd aangepast. Nu heet het een trekvaart. De Zwette (officieel in het Fries: De Swette) of Sneekertrekvaart is de waterverbinding tussen Sneek en Leeuwarden. De vaart maakt deel uit van de Elfstedentocht. De Zwette vormt de grens tussen Oostergo en Westergo. Van de naam wordt aangenomen dat ‘zwet’ of ‘zwette’ een ander woord voor grens is. In het Oudfries betekent ‘zwet’ “zoet” wat in die hoedanigheid gebruikt kan zijn om de verandering, van de ooit zoute Middelzee, naar zoete rivier de Zwette ‘de zoete’ aan te geven. De Zwette loopt ongeveer in het midden van de kwelderwallen van de oude Middelzee. Na het dichtslibben van de Middelzee had de Zwette vooral een functie als afwaterings- en grenssloot. In latere tijden is de loop aangepast en gebruikt als trekvaart tussen Sneek en Leeuwarden. De kwelderwallen zijn te herkennen aan hun hogere ligging in het landschap.

.

.

Als het spandoek valt

.

.

Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De laatste regendruppels vallen op de markies boven ons. Mijn vriend Dick zit naast me. Hij is een weekendje terug. “Ik vind het zo grappig, je nieuwe keuken,” zegt hij. “Het is net een cockpit. Je zit op je stoel met alles binnen handbereik. En ook nog lekker droog”. Toen Dick voor drie maanden vertrok, moest ik mijn eigen kookplek maken. Zijn huisje zou deze zomer aan toeristen worden verhuurd. Ik vond het een leuke uitdaging. Al het materiaal lag binnen handbereik. De dikke tafel mocht ik gebruiken van de boer. Ik vond ijzeren spijlen van een oud ledikant bij het oudijzer. Ik hamerde ze dwars door het tafelblad en het zit als een huis. Een oud stuk horregaas bond ik eromheen. Dat was de basis. Een legercape XL maakte het compleet. De tafel kwam op een stevig pellet, zodat ik droge voeten zou houden. Het werkt. Het is sterk en droog van boven en van onder, en ik zit er graag. Dick kan er net precies op een krukje naast zitten, zonder nat te worden. Het was heerlijk dit te maken na het wekenlange woelen in de aarde, het meditatieve snijden van het gras. Hoe mooi het ook is, een mens kan meer dan dat, en die afwisseling is als het zout in de maaltijd. Constructief denkwerk maakt me lichter, beweeglijker. In het brein ontstaat iets nieuws. De handen maken het. En nu genieten we van het resultaat.

Langzaam drijven de grijze wolken van ons weg en komt er blauw tevoorschijn. We drinken net de laatste slok koffie, als Jochum door het gat in de heg komt lopen. “Ha, ben je er weer” zegt hij tegen Dick. Hij is helemaal in het zwart en heeft een zwarte rugzak op. Zo struint hij door zijn velden, op zoek naar distels en Jacobskruiskruid. Die moeten er allemaal uit. Nu leunt hij tegen de bagagewagen aan voor een praatje. Op dat moment komen er nog meer mensen aan. Het is een kleurrijk groepje, een ouder stel en een jonge meid met vrolijk gezicht. “Anne wil graag je wagen zien, Alowieke!” Ik kijk in levendige blauwe ogen onder grijze haren. “Wat heb je daar voor een spreuk op je huis gezet?” Het hele groepje staat stil om te lezen.

De mens graaft en weegt en wikt

De aarde slikt en slikt en slikt

We kunnen niet meer zonder

maar straks komt het gedonder

.

Dit was mijn klimaatalarm voor de actie in maart. Overal in Nederland deden mensen mee vanuit huis. Een demonstratie was niet mogelijk, door de lock down. Ik maakte toen dit bord. Het hangt er nu vier maanden.

“Waar kunnen we niet zonder? Zonder de aarde?” De oude man kijkt me vragend aan onder de rand van zijn hoed. Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik bedoel het anders. We kunnen niet meer zonder al die dingen die we uitgraven en wegen om te verkopen. Alles wat we bouwen, kauwen en in huis halen. Dingen die de aarde maar moet slikken. We wikken wat af en kijken hoe ver we nog kunnen gaan. Maar de balans is ver zoek. Dan kun je gedonder verwachten.” Hij licht zijn wenkbrauwen op. “Ah, nou snap ik het.” Zijn vrouw staat naast hem in een bontgekleurde bloemenjurk. “Anne is juist heel positief over de toekomst, hè? Ze ontmoet jongeren die heel onbaatzuchtig zijn en vooral aan de ander denken.” Ik doe een paar stappen dichterbij. Achter mij luisteren Jochum en Dick mee. Ik haast me om antwoord te geven: “O, dat ben ik ook hoor, het één sluit het ander niet uit. Soms hebben we gedonder nodig, een lont die de boel aansteekt. Dat geeft gang. Pas als je iets ontbeert ga je kijken hoe het ook kan. Dat kan heel positief zijn.” Ik denk aan mijn nieuwe kookplek en hoe leuk het was om die te maken. Ik deed het pas toen ik hem echt nodig had.

De vraag is of het altijd zo moet gaan. Als je weet dat het anders kan, hoef je toch niet eerst te gaan wachten op ontberingen. Of wel? En terwijl de anderen verder praten vraag ik me af of ik het bord nog langer moet laten hangen.

Anne stapt naar voren. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ik laat haar mijn huisje zien en ze vindt het prachtig. Zodra we weer naar buiten komen vertrekt ze, samen met het echtpaar. Jochum duikt weer door het gat in de heg. Terwijl ze verdwijnen, passeren twee jongetjes. Ze blijven staan en kijken. Waarnaar? De jongetjes turen aandachtig. Tot de grootste van de twee zijn rug strekt. Een heldere jongensstem klinkt over het kleine veld. “Het Rijdende Verhalenhuis… Maar dat klopt niet! Hij staat stil! Het is een Stilstaand Verhalenhuis!” Hij leest de naam voor van de wagen, die vlak boven het klimaatalarm staat. Ik schilderde het voordat mijn reis begon, in 2019. Vlak onder de goot, met paarse letters in het blauw prijkt het op de wand.

Ik geef de jongetjes gelijk. Ja hij staat stil. Inderdaad, het klopt niet. Ik steek mijn hand op wanneer ze verder lopen. Langzaam sterven de jongensstemmen weg en ben ik weer alleen met Dick. “Zal ik dat bord met die tekst maar eens weghalen?” denk ik hardop, “Ik ben wel klaar met praten over de dreiging in een mogelijke toekomst. Liever heb ik het over wat ik hier doe. Ik kan een schets maken voor een schilderij. Met een nieuwe tekst.” Ik kijk naar het vertrouwde gezicht, de nadenkende blauwe ogen onder een bos grijze krullen. Dan zegt hij: ”Ik ben benieuwd wat dat gaat worden.”

We praten erover. Ik ga ermee naar bed en ik word ermee wakker. Ik open mijn ogen, en staar naar de dakbogen boven mijn hangmat. Ik zie de jongetjes voor me, van gisteren. Hoe ze riepen dat het niet klopte. Langzaam begint het te dagen, tegelijk met het glorende licht. De nieuwe spreuk.

.

Het rijdende verhalenhuis

kwam in Bears tot stilstand

hier weef ik mijn verhaal aan één

met het bloeiend groots verband

van water, weiden, wilgen,

en mensen van het vlakke land

.

(Dit verhaal is een beetje anders geschreven dan hoe het in werkelijkheid ging, om duidelijk te maken waarom het me gaat, en ook om het beter leesbaar te maken.)

.

.

.

Tot het krakend neerstort

.

.

Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen, al was het maar tijdelijk. Maar dat hoeft ook niet. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt, kraakt en barst en zegt: Nou is het eens afgelopen met al dat drukke mensengedoe. (Onderaan de tekst vind je een knop om naar het verhaal te kunnen luisteren.)

.

Marja heeft het gehoord. Het regende, iedereen zat binnen. Toen klonk er luid gekraak. Marja zat op het puntje van haar stoel, vlakbij, in haar kleine huis. “O jee, als er maar niks bovenop mij valt,” dacht ze. Maar dat was niet zo. Toen ze naar buiten kwam zag ze het. De boom.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje. Ik sta op Jochumsreed met de sikkel in de hand. Ik wil gras snijden. Dagelijks houd ik het Verhalenpad bij. Het is een eindeloos creatief proces van laten groeien en laten verteren. Ik wil net het veld oversteken, als Dick komt aanfietsen. Hij grijnst en stopt vlak naast me. “Er is een boom omgevallen. Hij ligt over de weg heen, auto’s kunnen er niet meer langs”, glundert hij. Hij groet en fietst verder om boodschappen te doen. Ik loop nieuwsgierig naar de boerderij toe. Ik denk dat ik weet welke het is. Het is van verre te zien. Het pad eindigt in een donkergroene massa. Als ik dichterbij kom zie ik dat een dikke tak is afgescheurd. Hij hangt nog met zijn oksel aan de boom, die verder helemaal niks mankeert. Het gewicht moet te groot zijn geworden, door al het blad en die regen. Hij leunt op een dikke zijtak op de oever, pal naast een omgekeerde boot. Het vormt een poortje. Ik kan er net rechtop onderdoor. Een paar mensen staan aan de andere kant te kijken. Boer Jochum, de gedreven greppelkenner Jeroen, en een gast. Verbaasd nemen ze de onverwachte verandering in zich op. Bewonderend, en tegelijkertijd prakkiserend: Wat moeten we hiermee aan? Maar boer Jochum twijfelt niet. “Ik laat hem een tijdje liggen. Het komt me wel goed uit. Het erf is leeg. Ik moet hooien, en nu hoef ik niet steeds iemand aan zijn jas te trekken dat zijn auto in de weg staat.” De mannen praten nog even verder. Ik loop door naar het erf. De rust is heerlijk en de schoonheid van oude boerderij komt nog beter tot zijn recht.

De natuur heeft vandaag terrein gewonnen. Voorlopig. De houtduif, die anders schichtig op het pad scharrelt, klaar om weg te schieten, doet dat nu op zijn dooie akkertje. “Dit is nu ook van ons,” lijkt hij te zeggen. De donkere bladermassa beschermt hem. De tak is zijn vriend. Ik begrijp dat sommigen het gevaarlijk vinden, bomen en zwaartekracht. Maar ik geniet hiervan, ik houd van risico’s, die bij het leven horen. Ik houd van dingen laten zijn zoals ze zijn en eenvoud. Ik doe boodschappen op de fiets en reis maar af en toe een keer met de trein. Ik plant bomen en struiken en houd mijn voetstap bewust klein, om de natuur de ruimte te geven. Maar hier op de camping staat het vaak vol blik. Allemaal mensen die van de rust willen genieten. Nogal tegenstrijdig, vind ik. Al die auto’s die het terrein domineren, waarom moet dat? Het lijkt een vanzelfsprekend recht te zijn op het uiterste gemak. Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen. Maar dat hoeft ook niet. Hoera. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt en kraakt en zegt: Nou is het afgelopen met al dat drukke mensengedoe. Ik steek er een stokje voor. Ik hoop dat die tak daar nog lang blijft liggen.

Hoelang kunnen we de wereld naar onze hand zetten, inrichten naar ons gemak? De politiek kan eindeloos debatteren over stikstof. Over de noodzaak van verstedelijking en over natuur die het onderspit delft. Vogelweides krijgen een bouwbestemming. De bouwnorm moet gehaald worden. We moeten wel, zegt de gemeente. De economie dendert voort. Het dreunt, het ruist, het piept, en toetert tot je oren ervan fluiten. Er komt geen einde aan. Zo lijkt het. Tot de Aarde beeft en een monsterlijk grote boom het dreunend begeeft. Het is de Wilg, het toonbeeld van levenskracht. Symbool van de eindeloos taaie natuur. De Wilg die vanuit zijn wortels voortleeft. Vanuit de liggende takken ontspringt een nieuw bos. Het groeit zo snel, dat er geen houden aan is. Niemand had het voorzien. En niemand had er ooit aan gedacht. Het leven gaat waar het wil, en trekt zich nergens iets van aan. Als een zwaluw in zijn vlucht.

.

.

Snakken naar de dans

.

.

“Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” (Je kan ook luisteren naar dit verhaal, zie de knop onder de tekst!)

.

Op de markt hebben ze hele mooie aardperen. Speciaal daarvoor ben ik gegaan, vandaag. Ik weet dat deze twee keer zoveel kiemkracht hebben door een speciale veredeling. Nu staat mijn fiets tegen de bagagekar geleund en ik pak de schat uit de fietstas. Het is wel twee kilo, gehuld in een bruine kartonnen zak. Het is altijd een uitstapje, om naar de markt te gaan. Je spreekt boeren en handelaren en dat vind ik inspirerend. Ik ben net thuis en loop over het platgetreden pad, door het lange gras, naar mijn landje toe. Ik zet de zak pootgoed bij het hek en kijk om me heen. Na een grijs begin is de zon gaan schijnen. Het gras is nat, maar daar heb ik geen last van, met mijn hoge laarzen aan. De regen is eindelijk weggetrokken en de hoge halmen groeien hard en de brandnetels ook. Slakken hebben zich door het vocht sterk vermenigvuldigd en ik zie ze overal lopen, tussen het plant en zaaigoed, op het kronkelpad, en op de uitgetrokken bergen brandnetels en gras. Drie keer per dag ga ik overal langs om ze te vangen en bij de sloot weer uit te zetten. Ik weet nu waar ze vandaan komen. Onder de brandnetels groeit mos. Als je dat wegtrekt zie je witte glazige bolletjes. Ze lijken precies op de bolletjes die vroeger in de vullingen van onze vulpen zaten. We spaarden ze. Daarvoor moest je veel geduld hebben, want zo’n pen is niet zomaar leeg. Dit zijn er veel meer! Daar komen straks ontelbaar veel slakjes uit. Ik scheur een lap mos weg en ontdek nog zo’n kunstig bouwwerk van glazen bolletjes. Met mijn handen schep een hap grond weg inclusief het nageslacht van de slak. Dan gooi ik het ver weg, het veld in.

Op dat moment zie ik iemand bij het hek. Een bekende gast, al weet ik haar naam niet. Ze zwaait uitbundig en ik loop naar haar toe. “Héé hoe is het! Ja, wij zijn op vakantie, eindelijk kan het weer eens, het wordt prachtig weer hè?” Ik kijk naar hun camper, die verderop achter de bosjes staat. Ze vertelt verder. “Ik geloof dat ik alles series op Netflix zowat gezien heb, in het afgelopen jaar. Ik ben blij dat we dadelijk weer vrij onze gang kunnen gaan. Weg van het beeldscherm! En ga jij ook nog ergens heen? Friesland verkennen?” “Ik ben waar ik ben,” zeg ik vastbesloten. Ik wil haar meer zeggen, een blijk van herkenning geven, of een hart onder de riem. Ik zoek naar woorden. ,Ik begrijp je denk ik wel,” zeg ik haar. “Ik voel het ook trekken. Van de week keek ik voor het eerst sinds lange tijd naar een film. De landschappen waren geweldig. Toen het afgelopen was ervoer ik het contrast. Wat stelt het gewone leven nou eigenlijk voor, dacht ik. Slakken rapen en brandnetels wieden. Het duurt zo lang voor het paradijs er is, dat ik voor me zie! Het groeit traag en met tal van obstakels. In die film was alles er al. Met muziek en al. Heerlijk. Het is zo verleidelijk om daarin te vluchten!” Ik stop met praten. Ze kijkt me aan, in afwachting of ik nog meer ga zeggen. Haar donkere krullen wapperen in de lichte bries, die er hier bijna altijd is, in dit open weideland. “En jij?” vraag ik. Ze kijkt me verward aan. “Wat bedoel je?” Ik zoek naar woorden. “Ik hoorde sommige mensen praten over Coronabevrijdingsdag. Dat ze er een groot feest van willen maken… Wil jij dat ook?” Die vraag komt onverwacht. Peinzend leunt ze over het stalen hek heen en staart in de sloot ernaast. Een kikker kwaakt kneuterig voor zich uit, maar ik zie hem niet.”Ik weet het niet,” zegt ze. “Ik zou ook wel willen blijven waar ik ben. Net als jij. Heel geduldig. Maar mijn wereld is zo klein en er is zo weinig natuur. We snakken ernaar. En naar muziek en dansen op het strand. Het lijkt allemaal zo lang geleden!” Ik kijk haar aan. “Er zullen velen zijn zoals jij. Het duurt lang. Het leven is ingewikkeld geworden. De problemen zijn nog lang niet voorbij. Maar we zullen zien wat het ons brengt. Ik houd me in elk geval bij mijn voornemen.” Ze knikt bevestigend. “Ik wens je veel succes. Ik hoop dat ik dat ook kan, op een dag.” Ze is even stil en gaat dan verder. “Zullen we op een dag écht iets te vieren hebben? Dansend op het strand? Een dag dat alles goed is?” vraagt ze me en gaat door, zonder het antwoord af te wachten. “Ik hoop het,” zegt ze zacht. De kikker kwaakt hard terug, als een plechtig “Amen.”

.

Luister hier naar het verhaal.

.

.

Het leven dichtbij huis hoeft niet saai te zijn. Madelon Oostwoud laat zien wat een weelde aan eetbare planten je kan laten groeien in slechts een kleine stadstuin.

Leven dat groeit onder je voeten.

.