Ontdekkingsreis

.

.

Dit is het derde deel van een verhaal met een tijdsbestek van één dag.

De jongen kijkt me stralend aan. “Een vlot? Ik heb in mijn jeugd niets anders gedaan dan vlotten bouwen! Het ene na het andere.”

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

De plattegrond van de oude fabriek is afgebeeld met witte lijnen op een donkerbruine ondergrond. Er staat een lange lijst namen op. Er is een houtbewerker en een schepenstalling. Een geluidstudio voor bandjes en nog veel meer. Wie had dat gedacht van een gehucht als It Wiel! Rustig lees ik de hele lijst, van begin tot einde. Ertussenin zie ik de naam van de muzikant Sytze Pruiksma. Die ken ik. Het is de man van Nynke Laverman, de Friese zangeres, die bekend geworden is van haar Friese Fado’s. Dat zijn eigenlijk een soort van Portugese smartlappen, maar in haar Friese taal klinkt het prachtig en ze zingt het heel doorleefd. Zouden zij hier dan ook wonen? Ik doe een paar stappen opzij en kijk om het hoekje. Een paar kleine huisjes leunen met hun achterwand tegen de fabriek. Het lijken wel voormalige arbeiderswoningen. Om de huisjes en de fabriek heen ligt het eindeloze weidelandschap. De lucht is blauw met wolkjes. Alles ademt ruimte.

Ik loop over de kleine straat die aan de groene vlakte grenst. Na twee huisjes al kan ik de hoek om. Er zitten mensen op een piepklein terrasje aan een houten tafel. Ik herken ze, Nynke en Sytze. Pasgeleden nog heb ik ze voor het eerst gehoord bij een heel kleinschalig optreden. De eerste na corona, voor mij. Alleen dat al was ontroerend. Het lied maakte dat nog erger. “Ancestor” zong ze. Een heftig lied. Ze praat met mensen die zullen leven over honderd, tweehonderd jaar. Op haar website citeert ze de eerste zinnen: ‘Luister, dit is jullie voorouder, heb je twee minuutjes voor mij? Ik moet jullie iets vertellen’. Het was lang geleden dat ik met tranen in de ogen naar een lied luisterde. Ik vraag me af hoe het moet zijn om dit keer op keer te zingen. Dat lijkt me zwaar. Net een rouwproces. En nu zit ze daar, aan de houten buitentafel. Ze zijn met zijn drieën.

“Hoi!” zeg ik en schuif mijn grijze wollen pet naar achteren. “Heee” zegt Nynke. “Jij hier! We komen nog een keer bij je langs hè… maar nu ben jij híer!” Haar blik is ernstig en geconcentreerd. Kennelijk waren ze iets aan het doen. Haar man begroet me met een glimlach. Ik kijk om me heen, het oude fabrieksgebouw aan de ene kant, het oude weidelandschap aan de andere. “Wat een bijzondere plek is dit!” zeg ik. Er zit ook een blonde jongen aan tafel en er ligt papier en schrijfgerei. “Ja, dit is een mooie stekkie. We wonen hier graag. We waren aan het vergaderen. Het is lekker weer om het buiten te doen, niet te warm, niet te koud.” Ik zou best meer willen weten, waar vergaderen ze over, wie is de blonde jongen, hoe leven ze hier. Maar ik zeg natuurlijk niks. “Staat er ook een piano in de geluidsstudio?” vraag ik alleen. “Nee,” zegt Sytze. “De studio wordt gebruikt door hardrockbands. Er staat alleen een elektrische. Bij mij staat er wél een.” Zijn ogen twinkelen. “Jammer,”zeg ik. Sytze knikt begrijpend. Ik wens ze een fijne dag en loop verder.

Al snel kom ik bij een hal die openstaat. Ik zie steigerdelen liggen en ruige meubelen staan, die daar kennelijk van gemaakt worden. Een jongen met een blozend gezicht houdt op met wat hij aan het doen was en kijkt me vriendelijk aan. “Kom maar binnen hoor.” Ik loop hem tegemoet en kijk naar het hout. We maken kennis en hebben een kort gesprek over corona. Tot ik er een einde aan maak, met een praktische vraag: “Verkoop je die ook los?” Ik wijs naar de stapel steigerdelen die naast me op het beton ligt. “Ik wil een vlot maken, om de Zwette over te steken met een fiets.” Ik speel al een tijdje met het idee. Het begon heel idealitisch. Een pontje voor de buurt, zodat ons dooie eind levendiger kon worden. Nu denk ik, laat dat idealistische maar even. Ik doe het gewoon omdat ik het leuk vind. Lekker simpel, geen gedoe. Die steigerdelen zijn mooi dik en lang. Ik kan ze in passende delen zagen. Even kijken hoe… Ik kijk op. De jongen kijkt me stralend aan. “Een vlot? Ik heb in mijn jeugd niets anders gedaan dan vlotten bouwen! Het ene na het andere.” Ik grijns hem toe. “Dat was zeker het begin van je carrière?” Ik kijk hem aan, eigenlijk nog steeds verbaasd. Daar staat hij dan, een deskundige voor mijn plan. En zo dicht in de buurt! Ik kijk opnieuw naar de stapel steigerdelen. “Wat kosten ze?”

Hij denkt met me mee en het plan is snel gemaakt. Het hout is er. Nu de drijvers nog. Om de hoek zit de baas van het terrein, zegt de meubelmaker. Hij heeft vaten, kleine en grote. Die kan ik er onder binden. Nieuwsgierig loop ik een stukje door en daar staat hij, de baas. De vaten zijn groot en blauw. Na een kort gesprek is alles in kannen en kruiken. Binnenkort kom ik langs met mijn fietskar om alles één voor één mee te nemen.

En zo ga ik weer verder. Ik ontmoet de één na de ander. De dag, die zo somber begon, is er een vol verrassingen geworden. Ik kan weer uit de voeten. En alleen maar door een heel klein straatje in te gaan.

.

.

.

.

.

.

.

PS Dat ik met het vlot begin gewoon omdat ik het leuk vind, betekent niet dat ik straks niemand uitnodig om ook over te varen.

.

Op de markt gebeurt het

.

.

Cultuur hoort met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou eigenlijk iets feestelijk moeten hebben. Dat vind ik op de markt.

Wil je liever luisteren? Klik dan op de knop onderaan het verhaal.

.

Ik ben laat. De dag is snel voorbijgegaan. Nu Dick er niet is, doe ik heel andere dingen. Ik heb thee gedronken bij een buurvrouw. Natuurlijk heb ik de pompoenen verzorgd en ook een stukje van de camping gewied, waarbij ik tot mijn verrassing kattestaarten ontdekte. Ze waren nog klein en zaten verborgen onder massa’s kleefkruid en hoog opgeschoten brandnetels. Die heb ik allemaal weggehaald. Heel voorzichtig. Wat zullen ze straks mooi bloeien, nu ze de ruimte hebben! Ik houd van de lange paarse bloemen en de bijen die er op afkomen. En vlinders… Steeds meer ontdek ik er. Hele kleintjes nog, allemaal smalle puntige blaadjes. Ik ga er helemaal in op. Het is al half vier geweest wanneer ik met bedenk dat ik nog naar de markt wilde. Het is al half vier! Ik pak mijn fiets en in stevig tempo ga ik er van door. Eerst over de Hegedyk, dan door de stad. Ik ga over asfaltwegen en tussen bedrijfsgebouwen door. Bij het station linksaf, dan ben ik er. De biologische markt is ’s middags rustig, ik kan gewoon met de fiets aan de hand de kramen af. Eerst naar Bakker Bolhuis. Ik weet nu dat “bôle” brood betekent in het Fries. Is het dan eigenlijk Bakker Broodhuis? Dat moet ik eens vragen. Het echtpaar begroet me allerhartelijkst en roepen onmiddellijk : “Daar is de zangeres! Melvin, ze wil graag een duet met je zingen!” Ik schrik op. Aan de andere kant van de kraam staat inderdaad Melvin met zijn gitaar. Ja, ik heb al een paar keer meegezongen, vanaf de kant. Ik houd heel veel van meerstemmig zang. Vier jaar had ik zangles, maar nooit vond ik de juiste mensen. Ik heb de droom om te zingen al jaren in de koelkast gezet. Maar de sfeer op deze markt is warm en ingevroren zaken smelten al gauw. Melvin loopt gelijk naar me toe. “Ah, daar is de tweede stem!” Ik pak twee zware oerbroden uit de hand van de bakker, maar tegelijkertijd staat de muzikant al vlak naast me te spelen. Hij zingt “You never walk alone” en verwacht dat ik inhaak. Eindelijk leg ik dan mijn boodschappen opzij en ga naast hem staan. Dat had ik natuurlijk gelijk moeten doen. Ik haal de tweede stem vol en diep uit mijn buik. Het klinkt prachtig samen.

Melvin speelt maar één liedje met me. Jammer. Sommige kramen beginnen al op te ruimen. Het was kort maar prachtig. Ik heb niet alleen gezongen, maar ook met allerlei marktlui gepraat. Ik voel me thuis. Een goeie markt is zo belangrijk. Hier kan ik groenten, granen, knollen, kolen en fruit kopen, helemaal zonder plastic. Zelfs noten en rozijnen zijn er te krijgen in een papieren zak. De mensen zijn aardig, mededeelzaam en maken grapjes. En er is muziek! Ik begin het steeds meer te beseffen. Een goeie markt is voor mij een stuk cultuur. Cultuur hoort voor mij met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou altijd iets feestelijk moeten hebben. Zoals hier, op vrijdag in het centrum van Leeuwarden. Volgende week kom ik weer, maar dan vroeger. Een mooi stuk cultuur laat ik niet stikken.

.

.

.

Vitale fossielen

.

.

Als deze oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. (Onder de tekst staat de knop om het verhaal te beluisteren.)

Er zijn plekken waar de tijd stil staat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

“Blijf”.

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt te voorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

.

.

.

Al die vormen en smaken!

.

.

Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. (Onderaan de tekst vind je de link naar het voorgelezen verhaal.)

.

Ik sta bij de groente op de markt. Het is al middag en het is rustig. Ze staan met zijn drieën achter de kraam en behalve mij is er maar één andere klant. Femke helpt me. Eén voor één geeft ze alles aan wat ik noem, tot ik al mijn boodschappen bij elkaar heb. De eerste bloemkool van het jaar, valappeltjes en een dikke vuile peen. “Ben je nog steeds Fries aan het leren?” vraagt Femke. Ze is oprecht geïnteresseerd, er is niet veel import die de moeite neemt om de originele taal te leren, een taal die toch uniek is en al eeuwen hier gesproken wordt. Leren hoeft ook niet, de Friezen spreken allemaal Nederlands en het is maar een enkeling die met me in zijn of haar moedertaal spreekt. Ik vind dat wel jammer. “Er is schroom onder de Friezen,”, zegt Femke spijtig. Het Fries is niet de enige uitstervende taal. Elke dag sterft er een taal uit. En daarmee sterven tal van woorden die de wereld beschrijven vanuit een heel eigen cultuur.

“Nee,” antwoord ik op haar vraag. “Ik leer weinig Fries meer. Het ligt stil. Ik ben bomen aan het planten. Dat heeft nu prioriteit. Het is veel werk en het moet nu gebeuren.” Ze kijkt me opgewekt aan. “Hoe heetten die kleine pruimenboompjes nou, die je hebt geplant?” Ik ben verrast dat ze dat nog weet. De pruimenboompjes zijn mij lief. Ik heb er honderd meegenomen naar Friesland, ik heb ze een jaar lang verzorgd tot ze een flinke wortelkluit hadden. Ze hebben op diverse locaties een plek gevonden en ze doen het allemaal goed. “Kerspuim,” zeg ik dan “Maar ze noemen ze ook wel kroosjes. Klein en geel. Is er een naam voor in het Fries?” Femke denkt even na. “Ik denk dat ik het wel weet. Misschien is het de Wichtprume. De Groningers noemen ze ook zo. Een wicht is een meisje.” Terwijl ze vertelt kijk ik even opzij. De andere klant is ondertussen klaar. De man die haar hielp komt naar ons toen om te luisteren waar we het over hebben. Fruit en alles wat er te maken heeft, hij kan er geen genoeg van krijgen. Femke vertelt verder. “Ze heten zo omdat ze een spleetje hebben. Net als een k…..” Onbekommerd noemt ze het woord. De luisterende groenteman verschiet van kleur en kijkt alsof hij een oorwurm heeft ingeslikt. Ik schaterlach. De man schiet met een scheef lachje bij ons vandaan, naar de andere kant van de kraam. ”Hier hoor ik niet bij hoor!” roept hij. Femke en ik lachen uitbundig.

Dit is een moment wat ik koester. Het is sprankelend van vitaliteit, het is een voorval dat ook duizend jaar geleden had kunnen gebeuren. Het leven in al zijn vormen prikkelt onze fantasie, we hebben in al die eeuwen talloze woorden gegeven aan het voedsel dat groeide uit onze eigen bodem. Het leven openbaart zich overal anders en is nooit helemaal te temmen. Het verrast ons met bizarre vormen, oneindig in getal. En wij mensen zien het. Wij geven het een naam, maken associaties, die overal anders zijn en toch dezelfde behoeften vervullen. Dat kunnen we. Dat maakt ons mens. Althans, zo is het altijd geweest! Laat het weer zo zijn. Alleen dan keert de vitaliteit terug. De grote variatie in ons voedsel hoort verbonden te zijn met onze oorsprong. Lang leve de vrije komkommer die gewoon krom mag zijn, de tomaat die groeit als een hartje, de verbazing over de zachte perzik en al dat fruit in ontelbare vormen en smaken. Laten we nooit ophouden daar namen aan te geven, het laten groeien, het te bezingen. En laten we tegelijkertijd de talen koesteren die al dat leven hebben beschreven. Voor het te laat is.

Ik betaal en stop mijn tassen vol. Terug naar huis. Terug naar mijn spade en het verhalenpad.

.

Het ontkiemen van verhalenpaden

.

.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook mensen moeten wennen aan iets nieuws.

(Het voorgelezen verhaal staat vanaf nu onderaan de pagina)

De lucht is blauw, de wind van gisteren is gaan liggen. Ik loop de donkere hooischuur in. Hij zit vast aan het huis. De deur naar de gang staat open. Daar moet ik zijn. Ik klop op de deur van de boer. “Ja!” klinkt het luid. De boer zit op zijn stoel, wanneer ik binnenkom. Zijn kachel staat open en is bezig uit te gaan. Dat geeft niet, het is warm voor de tijd van het jaar. De groeihormonen van de bomen beginnen op gang te komen. Daarom ben ik hier. Ik kijk hem helder aan.“Ik wilde het hebben over de bomen. Dinsdag gaan we naar de kweker. Zal ik ook nog twee tamme kastanjes voor je meenemen? Ik hoop dat de bodem er klaar voor is”. De boer heeft nog meer wensen, waar ik mooi op in kan spelen. Ik denk aan de zuurbessen, hazelaars en lijsterbessen. “Ik wil…” zeg ik en slik mijn woorden in en zoek naar andere woorden. Nee, geen ik wil. Het gaat erom waar het land om vraagt. Wat de mensen nodig hebben. Daar ben ik voor. Zelfbewust begin ik opnieuw. “Ik zou graag zien…” verbeter ik mezelf. Hij luistert. Terwijl ik met hem praat besef ik hoe bijzonder het is, dat ik opnieuw het vertrouwen krijg om iets te doen op deze grond.

“Je kan het stuk grond naast het dijkje gebruiken. Het is jouw verantwoordelijkheid. Als je het maar zelf maait.” De boer hoeft niet lang na te denken. Hier heeft hij al vaak over gemeimerd. “Hoe doe ik dat? Moet ik dan geen zeisles nemen?” vraag ik. Hij slaat achteloos met zijn arm in de lucht, alsof hij een maaibeweging maakt. “Ach joh, het gaat alleen om het groffe spul. Vooral riet en natuurlijk de distels. Dat gaat heel makkelijk met de zeis.” Ik schud mijn hoofd. “De distels hoeven niet. Die steek ik uit met penwortel en al,” zeg ik beslist. Dat vindt de boer nog mooier. Hij houdt niet van distels. Helaas voor de vlinders, zegt hij spijtig. “Voor de bijen en vlinders zaaien we graag wat anders” antwoord ik. Ik kan al bij voorbaat genieten van het wildebloemenmengsel, de meerjarige luzerne, al dat paars tussen het gras, en de zonnebloemen die we zullen zaaien.

We praten nog even verder en verkennen de mogelijkheden. Ik beheers me om niet te enthousiast te worden. Het groeihormoon kietelt. Maar hardlopers zijn doodlopers. De grond moet er klaar voor zijn en de mensen ook. Het is niet de bedoeling dat ik in mijn eentje fanatiek ga lopen worden. Ik wil er het komende jaar vooral veel zijn, veel kijken, en selectief wieden. Grote bomen komen later wel. Ik glimlach en bedank hem, dat ik dit mag doen. Hij grijnst tevreden en knikt. Het gebeurt niet elke dag, dat hij wordt bedankt. Ik heb herhaaldelijk gezien dat mensen steeds meer grond in gebruik nemen, bijna alsof ze er recht op hebben. Ik ben niet van plan om steeds meer spullen neer te zetten in schuurtjes en opslagplaatsen rond mijn huis. Ik ben een gewortelde nomade. Liever laat ik levende planten groeien, waar alles en iedereen nog jaren van kan genieten als ik allang weg ben. Het hoeft niet van mij te zijn. Liever niet zelfs.

Als ik de deur van de boer dichtdoe, sta ik opnieuw in de donkere stoffige hooischuur. Even sta ik stil, mijn voeten op het beton. Ik krijg de verantwoordelijkheid. Ik weet wat dat betekent. O ja! Pak het niet te groot op. Begin klein en doe het spelenderwijs. Laat mensen zelf kijken en zin krijgen. Linde, als eerste. Linde die het zo hard nodig heeft, om buiten in de natuur te werken. Ze geniet er zo van. Stap voor stap ontdekken we. Alles wat er groeien gaat. Van binnen en van buiten.

Ik ben een gewortelde nomade. De wortels groeien dieper en dieper. Ik ga hier pas weg als ik klaar ben. Als ik geroepen word. Maar nu roept de bodem mij, onder de voeten. Het wil gezien worden, en bezongen.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook de mensen moeten wennen aan iets nieuws. Daar denk ik steeds weer aan. Er is veel tijd. Ik hoef me niet te haasten. En al die tijd kunnen we spelen en genieten! Als gewortelde nomade ben ik begonnen met liedjes schrijven. Ik denk dat het gaat over de verhalenpaden, die langzaam zullen groeien. De bloemen, de bomen, de dijk, de grond. . . de stenen, de beelden. . . Zijn dit niet dezelfde “Songlines” waar de Australische aborigionals over spreken? Begint een nieuwe wereld niet met het lied van de verbeelding? Wij mensen zijn scheppers, zei ooit een boer tegen mij, die de omslag maakte. Daar denk ik nu aan. Maak van de kanteling een dans, en zing!

.

Luister hier naar het verhaal.
Luister hier naar het lied: “Wilgeboom, de eerste van de bomen.”

Minder blogs, meer diepgang

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van negen minuten.

.

Daar sta ik dan. Terug op de camping van Jochum, precies op hetzelfde plekje waar ik vorig jaar op 4 juli vertrok. Alles is hetzelfde, maar toch niet. De rietkragen van de Zwette liggen plat door de regen en wind. De bomen die ik plantte zijn gegroeid. Vanuit mijn raam zie ik er een drie. Het zijn kerspruimen. Ze staan in het riet naast het water. Ze hebben het daar kennelijk goed, want ze zien er alle drie goed uit. Ik kijk vaak naar ze. Misschien groeien ze dan nóg meer. Aan beide kanten van mijn huis zie ik de horizon. Aan de ene kant, tussen het riet door, schittert het water van de Zwette. Aan de andere kant van mijn huisje, lopen zwarte paarden in een verre wei. Soms gaan ze met zijn allen rennen. Daar kijk ik graag naar. In de verte zie ik de kerktoren van Jellum. De luchten zijn wijds en veranderen continue. Het leven is een stroom. Ik navigeer om mijn eigen koers te varen.

Wanneer begon mijn nieuwe leven? Het was Utrecht, mijn geliefde stad, die mij te klein werd. Te benauwd. Te veel spullen en herinneringen. Ik had nieuwe lucht nodig en een groene bodem. Ruimte. Na jarenlang opruimen verliet ik de werfkelder, het huis onder de kloostermoppen. Dat is nu acht jaar geleden. Ik stap terug in de tijd en vertel.

Ik laat mijn schepen achter me. Ik neem afscheid van mijn bestaan als rondvaartschipper. Maar ook van de plek waar ik trouwde en rouwde. Het leven ligt voor me open. Ik trek in een woonwagen op een Brabantse camping. Ik ken hier helemaal niemand, behalve mijn vriend Dick, die 24 kilometer verderop zit. Het is belangrijk om te blijven communiceren. Ik besef dat ik anders in een isolement kan terecht komen. Ik besluit een blog te beginnen en begin direct. Zo wil ik de band mijn achterban te onderhouden. Ik doe het elke week en besteed er veel tijd aan. Ik vertel vrienden en kennissen over mijn nieuwe leven op het platteland. Ik schrijf verhalen, maar maak ook filmpjes, tekeningen, gedichten. Ik train mijn concentratie, vaardigheden en waarneming.
Dan komt er een creatieveling langs, die een oude vonk in me losmaakt. Ik wil mijn eigen huisje bouwen. Iets in mij zegt dat dit belangrijk is voor mijn toekomst. Dat ik het nodig heb in mijn levensverhaal. Ik ontwerp, ik bouw en ik film elke fase. Het huisje groeit. Ik verwerk het materiaal tot een complete film en zet hem op You Tube. Na drie jaar is mijn huis klaar. Op wielen! Ik kan verder en laat me per trailer naar Friesland vervoeren. Want een trekker heb ik nog niet en paarden ook niet.
Gaandeweg begint de reden om te schrijven te veranderen. Ik denk dat ik iets te vertellen heb, wanneer ik mijn verhaal weet te verweven met dat van anderen. Misschien kan ik slapende vonken laten gloeien, zoals die ene creatieveling bij mij deed. Een boek is een goed middel voor mij. Een aanééngesloten verhaal, waarmee ik lezers meeneem op mijn wandeling. Ik wil zo zuiver mogelijk kunnen weergeven wat ik zie en hoor. Ik train mezelf steeds meer daarin. En steeds meer mensen lezen mijn verhalen.
Een half jaar sta ik op de camping van Jochum, waar ik nu ook ben. Ik werk veel op het terrein, plant bomen en bloemen. Tot de grote dag gekomen is. Ik ga op reis en begin met mijn boek. Inmiddels heb ik een trekhond gekocht, met een elektromotor erin. Ik kan hem laden met zonnepanelen. Het is zo spannend! Waar zal ik uitkomen? Ik ben van plan de landsgrens af te gaan. Maar ik weet niet in welke haven ik zal eindigen.

Zo vertrek ik. Mijn plan verandert onderweg. Ik ga niet de landsgrens af. Ik blijf in Friesland en reis door ’t Bildt. Elke dag schrijf ik. Het is een grote inspanning. Maar het verhaal wordt steeds vollediger. De stroom van mijn leven bundelt zich in een ketting van ontmoetingen en gedachten. Ik geniet van de gastvrijheid die ik overal vind. Ik laat me overweldigen door de ruimte en de elementen. Ik zie uitdagingen waar mensen mee worstelen. En wat ik verlangde, dat lukt. Ik verweef mijn eigen verhaal met dat van anderen.

Nu zijn we dik een jaar verder. De laatste wijzigingen in het manuscript zijn verwerkt.Vanmiddag komt de uitgever mijn boek ophalen. Eind oktober komt het uit. En dan nadert de presentatie, een feestelijk moment met muziek en een verhaal.
Na zeventien maanden hard werken, kan het manuscript naar de drukker. Inclusief de vijftien pentekeningen. Dit was één van de redenen waarom ik jarenlang elke week schreef. Het was een schrijftraining en ik bouwde een lezerskring op. Het doel is bereikt. Nu het boek er komt, houdt het blog dan op? Nee. Het houdt niet op. Ik heb het nodig. Contact met lezers. Maar ik zal niet meer elke week iets publiceren. Voorlopig ga ik over op een maandelijks blog. Dan kan ik meer tijd in het verhaal stoppen, waardoor het meer diepgang krijgt. Wellicht vormt zich op die manier iets nieuws.
We zullen zien. Ik kijk uit naar het moment dat het boek er is!

’Langs kantelende wegen,’
Alowieke van Beusekom
Uitgeverij Louise (1e druk, 500 exemplaren)

 

Nieuwe tijdstip van mijn blog: Eerste maandag van de maand als de sirenes afgaan.

 

 

Verboden doorgang naar het Oude Pad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  11,5 minuut.

.

Mijn vouwfiets staat in de hooischuur. Ik loop erheen. De schuur is nu nog leeg, maar dat duurt niet lang meer. Volgende week gaat de boer hooien, en moet ik hier weg zijn. Maar nu geniet ik nog van de gastvrijheid, en van het plekje dat ik op zijn erf heb gekregen. Ik wil net op mijn fiets stappen, wanneer de beste man aan komt lopen. Hij vraagt waar ik heen ga. Ik leg het uit. Ik wil naar het pad dat tegenover de betonblokken ligt, bij de drukke weg. Hij weet meteen wat ik bedoel. ‚Het Oude Houtpad!’ roept hij. Hij wenst me veel plezier.

Ik bind een krukje en mijn tekenblok achterop de fiets. Ik wil die betonblokken vastleggen,  die het Oude Pad van de dorpelingen blokkeert, bij de snelweg. Ik rijd naar het smalle paadje, dat tussen de huizen doorloopt. Het dorp is in een lange sliert aan een weg gebouwd, een lintdorp. Al snel ben ik achter de huizen. Hier ligt een klein weiland. Aan de andere kant van het pad grenst een zonovergoten maisveld, omzoomd door bomen.

Overal zijn bomen in dit land. Het is een totaal ander landschap dan ik tot nog toe ken van Friesland. Dit is het oude veengebied, de rand van het land dat de zee niet meer kon bereiken. In de ijstijd was dit de strook waar gigantische ijsmassa’s al het leven wegveegden, en grote stenen met zich meenam, helemaal uit Scandinavië. Hier vormde zich de Lindevallei, vol dotterbloemen en ratelaars. Later is de Linde gekanaliseerd. Dat bleek funest voor het moerasgebied. Un deze eeuw zijn een aantal meanders weer open gelegd. Op de oevers groeien nu bomen, afgewisseld door groene weiden. Als je iets verder naar het zuiden gaat, ben je er al snel. Het reservaat rond de Linde is niet zo groot als het Drents-Friese Wold. Dat ligt nóg verder, tien kilometer naar het Oosten. Dit bos beslaat wel 6000 ha. Dat is bijzonder. Want Nederland scoort met zijn natuur het slechtst van heel Europa. Toch is dit gebied één van de belangrijkste van ons continent daarom is het een Natura 2000 gebied.

Maar dat weet ik allemaal nog niet, als ik het smalle pad opfiets, op weg naar de verboden doorgang. Ik weet alleen dat ik naar het mooiste paadje ga dat je hier kan vinden. Dat zei een oude dorpsbewoner. En daar luister ik graag naar. Het is maar een klein bosje, zei hij. In vroeger tijden was zo’n bosje heel belangrijk, voor brandhout, gereedschapsstelen en andere gebruiksvoorwerpen.

Aan het einde van het smalle pad duik ik met mijn fiets onder de takken door. Bijna meteen al zie ik de blokken liggen en ik trap op de rem. Een zestal betonblokken liggen omvergeworpen in het gras en over het verzande grindpad. Dit is dus de plek waar ik niet langs mag van de gemeente. Braamstruiken en brandnetels groeien om de blokken heen. Het zijn grote joekels van stenen. Als ze op elkaar zouden liggen, dan had je hier een muur van 1.80M hoog. Dit hebben de jongeren dus omver geworpen. Een knap staaltje.
Ik zet mijn fiets neer en klim over één van de blokken heen. Erachter razen mensen in auto’s voorbij. Die mensen moesten eens weten, hoe mooi het hier is! Hoe vaak zijn ze hier al langs gereden?
Ik kijk naar links en naar rechts en schiet gauw de weg over. Daar is een breed grindpad, dat tussen de bomen doorloopt. Er staan een paar grote huizen langs en het loopt dood bij een boerderij aan het einde. Daar kan ik een klein paadje in. Ik loop langs een heuphoge houtwal, die al enorm oud moet zijn. Er staan vermolmde boomstammen in die zo als kunstwerk het museum in zouden kunnen. Alleen zullen ze daar nooit zo mooi zijn als hier, zoals ze deel uitmaken van deze plek, de geschiedenis van deze grond. Er groeien vlierstruiken in en berken. De houtwal is een oude manier om eigendom af te bakenen. Tegenwoordig komt dat weer helemaal terug. Ook goed voor de egeltjes!

Ik loop zachtjes, het pad is smal en het veert een beetje onder mijn voeten. Het is heel stil en er staat bijna geen wind. Ik zie niemand en hoor ook geen vogels. Of ja, daar hoor ik het blikachtige geratel van een roodborst. ‚Pas op! Een mens!’ roept hij. Of waarschuwt hij vanwege de buizerd, die rondcirkelt boven de naastgelegen weide? Ik weet het niet en loop verder. Hoewel het om me heen een wildernis lijkt, is het pad goed onderhouden. Dicht opéénstaande hulstbosjes zijn zo gesnoeid dat het bijna een heg is. Dat moet wel, anders is er geen paadje meer. Er staan berken en dennen. Ik ontdek hulstbomen, zoals ik nog nooit van mijn leven heb gezien. De stammen zijn bijna een halve meter dik! In het Drents Friese Wold staan ook zulke grote, hoor ik later. Het is hier verboden ze om te zagen. Ik kijk mijn ogen uit. Wauw!
Ik onderzoek alle paadjes die er zijn. Ik zie eikenstammen, waar keer op keer takken van zijn afgescheurd. De boom heeft de wonden omhuld met nieuw hout. Het resultaat is verbazingwekkend. De onderstammen zijn kort en vol rondingen. Het lijken wel vrouwenlichamen, wulps en weelderig. Ze hebben alleen geen hoofd. In plaats daarvan steken nieuwe jonge takken omhoog, tjokvol levenslust.

Verder ga ik, tot vanuit de donkerte opeens het licht uitbarst. Een veld ligt tussen de bomen in als een kleurrijke verrassing. Tussen het bloeiende gras groeien gele bloemen als margrieten zonder wit, en korenbloem. Wespachtige vliegen helicopteren zorgvuldig van de ene bloem naar de andere. Speurend kuier ik door. De zee van licht duurt niet lang, het pad maakt een bocht en gaat weer het bos in. Het is al laat in de middag, en de zon maakt gouden vlekken op het verstilde volk van stammen. Ik zie een den met een breed uitgegroeide kroon. Ideaal om in te klimmen! Ik aarzel. Hij staat vlak naast een soort dal, waar alleen kleine struiken staan. Het geeft een mooi overzicht en het ziet er aanlokkelijk uit. Zal ik het doen? Ik loop tussen de bomen door.

Dan sta ik getroffen stil. In de schuin oplopende rand van het dal, zit een enorm gat. Ervoor ligt een dik bed van vers geel zand, bovenop de zwarte bosgrond. Er staan allemaal pootjes in. Afdrukken als van katten, met kussentjes bij de tenen. Dit moet een dassenburcht zijn! Nog nooit heb ik er één gezien. Eerbiedig kijk ik ernaar. Er is geen sprake van, dat ik nu in die den ga klimmen. Stilletjes loop ik terug.

Daar staat mijn fiets. Ik zet het krukje op de grond en kijk. Pas na een poosje vis ik het schetsblok uit mijn rugzak en teken de eerste lijnen van de betonblokken. Ik stel me voor dat ze hier altijd zo blijven liggen, tot de dag dat alle auto’s op kerkhoven liggen te vergaan en de asfaltwegen stukscheuren door boomwortels. En dan nog altijd liggen hier de blokken die de sterke jongens van ’Ool Pae’ wisten om te krijgen.

Wat zijn er een verhalen, overal waar je kijkt kan je ze zien. Als je maar langzaam gaat.

.

Het oude pad van de dorpelingen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8,5 minuut.

.

Ik sta met mijn verhalenhuis op de camping van Oldeholtpade. Het is een keurig gemaaid veld, omringd door bomen. Voor de camping ligt de weg naar Wolvega. De camping is van Het Plaatselijk Belang en de opbrengst gaat naar het dorp. Het dorp is gekroond als mooiste dorp in 2016 van heel Friesland. En daar zijn de mensen trots op. Op weg hierheen zag ik veel bomen en weelderige tuinen. De kleine dorpskerk ziet er prachtig uit. Hier en daar staat een geit in de tuin, of er scharrelen kippen of ganzen.

Voor mij staat een man van een jaar of vijfenzestig. Hij is speciaal naar me toe komen wandelen, om mijn woonwagen te zien. Hij vertelt me van alles. Hij is hier geboren en houdt van het dorp. De Stellingwerf- Friezen zijn behoudener. Stellingwerf ligt tegen Drenthe aan en dat merk je. Het zijn rustige lui hier. Ze hoeven niet zo nodig de beste te zijn. En als je ze wat vraagt, dan helpen ze je. Samen krijgen ze van alles voor elkaar. Ook als er problemen zijn.

Voor hij weer wegloopt heeft hij nog een tip voor me. ‘Als je nou die kant op gaat,’ wijst hij, ‘Dan heb je recht tegenover de weg naar Ter Idzard een zandweg. Dan kom je op het allermooiste pad dat we hebben. Halverwege loop je tegen een drukke provinciale weg aan. Daar moet je eigenlijk door een tunneltje, dat een stuk verderop ligt. Sla dat maar over. Je kan gewoon oversteken.’ Mijn interesse is gewekt. ‘Is het niet druk daar?’ vraag ik. ‘Het kan er soms druk zijn,’ beaamt hij. ‘Maar het kan wel. Veel mensen doen het, in Oldeholtpade. De gemeente wil dat eigenlijk niet, ze hebben al van alles geprobeerd om het te verhinderen. Het wordt steeds kapotgemaakt. De jeugd doet dat.’ Hij kijkt er trots en vertederd bij. ‘Wij willen daar oversteken. Dat willen ze ermee zeggen. Zo is het altijd geweest.’ Ik lach uitbundig. ‘Het is júllie pad!’ Hij grijnst trots. ‘Ja, het is óns pad. Er liggen nog wel wat betonbrokken, daar kun je gewoon langslopen.’

Paden zo oud als dat er mensen zijn. Hoeveel zijn er daar nog van? Op het platteland zijn ze nog niet allemaal weggevaagd, zoals in verstedelijkte gebieden, die al veel vaker op de schop zijn gegaan. Oude paden worden in stukken gehakt, ter wille van doorstroming en snelheid van het veeleisende verkeer. Aan de bewoners wordt niks gevraagd. Willen ze dit wel?
Gestudeerde mensen hanteren algoritmes. Die wijzen uit wat het beste is. Oude routes, kronkelwegen met historie, ze dienen de doorstroming niet. Wat heb je aan een lange zigzag weg? Loodrecht, van hier naar daar. Dat betekent tijdwinst. Daar gaat het om. Een nieuwe snelweg is belangrijker.

Maar mensen zijn geen machines. Eigenlijk genieten ze liever van het onderweg zijn. Ook ik kijk graag om me heen. De weg lijkt dan korter, al doe ik er langer over. En ik gá langzaam. Veel langzamer dan anderen ga ik. Ik wandel met mijn wagen over de weg, getrokken door een stalen trekhond. Kuierend door het land spreek ik allerlei mensen. Ik hoor wat er speelt. Ik word steeds wijzer. Ik wandel op wegen waar al duizenden voeten hebben gelopen. Ik leer het land kennen door de mensen te zien.

Kuieren en mensen zien, daar hebben verkeersdeskundigen niet voor geleerd. Alles moet snel. De stroom van auto’s moet worden gediend. Auto’s, auto’s en nog meer auto’s. Nog meer wegen, die nog meer auto’s aantrekken. Zo gaat het. Dorpelingen hebben er weinig over te zeggen. Het oude pad wordt verknipt. Verknipt, maar niet vergeten.

Een Friese geoloog met veel historische kennis leerde mij een begrip dat ik nog niet kende. ‘De DNA structuur van het landschap.’ Die zit in de bodem. Het zijn bijvoorbeeld oude dijkjes die eeuwenlang een route hebben gevormd om van hier naar daar te komen. Ze zijn er nog steeds, die oude paden. Zelfs al zijn ze in stukken gehakt. Al zijn ze gedeeltelijk weggevaagd door snelwegen of ruilverkaveling. Als je goed kijkt zie je ze nog liggen. Er zijn zat Friezen die er nog van weten. Er is verlangen naar herstel. Ik noem het nu: Restauratie van de DNA structuur. Het land met zijn oude paden hoort bij de cultuur en de mensenheugenis. Het is onze verbintenis met de bodem en de elementen.

Al die oude paden worden steeds verder verknipt. Maar nog altijd zijn ze niet helemaal verdwenen. Nog steeds niet. En dat zal ook nooit gebeuren. Onder het netwerk van snelheid ligt het nog steeds verborgen. Traag ademt het, als een levende herinnering. En alles wat aandacht krijgt groeit. Daar blijf ik aan denken. Altijd.

.

PS: Ik heb net het boek uit van Thalia Verkade “Het recht van de snelste,” verkrijgbaar bij de Correspondent.

Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.

 

Een zinderende stad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

Het is zaterdag 31 mei. Ik heb afgesproken met Dick, in Amersfoort. Dat ligt precies tussen Eindhoven en Heerenveen in. Ik ben er het eerst en wacht op het stationsplein. Al gauw zie ik hem mijn kant op komen. Hij is van verre te herkennen door het roze overhemd, dat ik zo mooi vind. Hij grijnst me tegemoet en we zoenen en omhelsen elkaar.

We praten heel wat af, lopen door de stad, fietsen door het bos, en picknicken tussen de zandverstuivingen van Soestduinen. Aan het eind van de dag fietsen we terug. Met de fiets aan de hand lopen we door de smalle straten van Amersfoort, op zoek naar een plek waar nog koffie te krijgen is.

Amersfoort is een kleine middeleeuwse stad, vol terrasjes, die de afgelopen maanden door de pandemie volledig waren uitgestorven. Maar vanavond zijn er overal mensen in de weer. Een caféhouder staat glanzend van tevredenheid zijn bloemen te begieten. „Die zien er goed uit!“ zeg ik bewonderend. “Ja!“ roept hij. „Morgen gaan we weer los!“ Hij straalt van top tot teen.
De hele binnenstad zindert. Morgen is het zo ver! Morgen mogen de terassen weer open. Verderop zie ik een jongen die tafelpoten vastschroeft. Twee andere jongens poetsen tekstborden schoon, waar het menu op staat. Het is één en al bedrijvigheid.
„Wat zou het mooi zijn als het altijd zo was,“ zeg ik tegen Dick. „Wat bedoel je?“ vraagt hij. „Iedereen zo lekker aan het werk, in plaats van al die mensen die maar zitten te consumeren. Zo moet het vroeger zijn geweest. Maar dan anders.“

Ooit waren de straten vol met ratelende wagenwielen, groentekramen, schrobbende huisvrouwen, die hun stoep schoonmaakten. Er waren brouwers die hun vaten vervoerden naar de plek van bestemming. In de Eem voeren kleine schepen met bier weg. Het gouden vocht uit Amersfoort werd graag gedronken. Het water kwam rechtstreeks uit de Veluwe en het was helder en zacht. Nu is er weer een brouwerij, om de traditie te herstellen. Maar er zijn vooral veel terrasjes met bierdrinkende mensen. Die kunnen morgen weer genieten. Maar niet te dicht op elkaar, vanwege het besmettingsgevaar. Ik hoop dat er genoeg plek is, en dat de mensen geen ruzie krijgen om één van de schaarse stoelen.

De terrascultuur is tegelijk gegroeid met het kapitalisme. De eerste tafels en stoelen werden buitengezet in Den Haag in 1863. Afgekeken van Parijs. Fatsoenlijke vrouwen waren er niet erg op gesteld, die blikken van de heren. Maar later mochten er ook rijke vrouwen komen. En nóg later iedereen. Het werd een teken van welvaart. Een land met terrassen, is een rijk land. Nederland scoort hierin erg hoog. Net als in de geluksladder. Ben je gelukkig als je een terrasje kan pakken?

Dick en ik lopen maar weer terug naar het station. Nergens is nog koffie te krijgen. Alle afhaalpunten zijn gesloten. Maar het geeft niet. We zien van alles. Ik loop een hoekje om en zie een gietijzeren hek, met een bordje erbij. „Verboden toegang,“ staat er. Nieuwsgierig blijf ik staan, en roep naar Dick, die achter me aan komt. „Kijk eens!“ Achter het hek zien we een oude binnenplaats. Het hoort bij het Franciskaner klooster. Ik bewonder de oude stenen muren. Het is er stil, de geluiden van de stad dringen er nauwelijks door. Maar er zijn geen monniken meer. Straatsstenen en twee auto’s, dat zie ik. Het is een parkeerplaats.

„Zou dit de kloostertuin zijn geweest?“ vraag ik aan Dick „Wat zou ik die tuin hier graag weer terug zien! Ik zou hier zo mijn woonwagen neerzetten om ermee te beginnen.“ Dick grinnikt. „Ja het is echt een plek voor een binnentuin,“ zegt hij. Ik glimlach. „Mooi is dat hè, hoe een locatie altijd blijft vragen om datgene waar het voor gemaakt is. Hier horen bloeiende kruiden te groeien. Hoeveel mensen zullen dat al hebben gedacht! Ooit komt die tuin weer terug. Dat kan haast niet anders.“

We lopen verder. Nergens is koffie. Morgen gaan ze los. Dat zeggen ze allemaal. Morgen! De tafels en stoelen blinken en de bloemen staan te pronken in de plantenbakken. Een terrasje pakken. Morgen mag het weer! Maar wel op anderhalve meter van elkaar. Consumptiecultuur in afgeslankte versie. Zou het blijvend zijn? Zou dit dan ook het einde inluiden van het kapitalisme?

Dan zou ik graag de hofjes terug zien, met kruiden. Groentevrouwen op de pleinen en ambachtslieden. Vanavond zie ik hoe het kan zijn. De stad als een bezige bijenkorf. Met één bijzonderheid: De opgewekte sfeer van vanavond is ongekend. Dit is het zinderen van de nijvere stad. We mógen weer! Morgen gaan we los!

.