Elke stip is belangrijk

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut en kijk ook nog even hoe ik het opneem, in het filmpje onderaan.

 

Ik was mijn handen in de glazen kom met water en veeg met een vochtige doek de vensterbank schoon. Het is een vertrouwd ritueel aan het begin van een nieuwe werkdag. Ik pak het mapje met schetsen uit de kast en leg ze voorzichtig neer. Ik heb één keer een vetvlek op een pentekening gehad, en een keer een druppel die door de kou uit mijn neus viel. Daar kijk ik nu wel voor uit, dus ik snuit mijn neus en maak alles schoner dan schoon.

Ik kijk naar mijn verzameling. Het zijn er een hele hoop, al die schetsen bij elkaar, wel achtentwintig. Ik laat ze door mijn handen gaan, één voor één, het kaatsveld in Weidum, de zwaaiende koeiestaarten bij boer Auke, de indrukwekkende luchten boven ‘t Bildt… Ga ik ze allemaal in het boek plaatsen? Ik weet het nog niet. Ik bekijk de zes die af zijn. Ik heb een paar verschillende techieken gebruikt, arceren, puntjes zetten, en een eenvoudige tekening van mijn interieur, waar ook grijs potlood in zit. Kan dat wel? Meerdere technieken in één boek?

.

.

Ik pak de pot met pennen en potloden en pik er die ene uit, de allerdunste van 0.2 millimeter. Ik heb hem net gekocht, en ik kan er heel fijn mee werken. Voorzichtig probeer ik hem uit op een schetsblokje. Ik mag niet te hard op de punt drukken, want dan is dat mooie fijne puntje zomaar een platte stompe stip geworden, en ongeschikt voor wat ik wil gaan doen. Ik heb een keer meegemaakt dat een vriendin onverwacht langskwam, terwijl ik nog aan het werk was. Ik was zo blij met haar komst, dat ik uit enthousiasme een keiharde eindstip zette. Oei! Kon ik wéér naar de winkel voor een nieuwe Rothering, met die pennen was ook altijd wat.

Het is stil om me heen. Ik ben op dit moment een soort non. Het hoort bij de herfst en de winter, de tijd om in stilte uit te werken, wat ik in de zomer verzameld heb.
Ik sta aan de vensterbank, met de lessenaar erop ligt het vel precies op de juiste hoogte. Voor me ligt een vel, met alleen potloodlijnen erop. De eerste stip of streep met pen is altijd een spannend moment. Een pentekening is net zoiets als beeldhouwen, wat er staat, dat staat er.

Langzaam vormt zich de afbeelding, tot ik moe word en eindelijk opkijk van het papier. Ik gun mijn ogen rust door naar de horizon te staren. Ik kijk naar de lichte streep aan de einder, onder een egaalgrijze lucht. De Friese wimpel van de buren wappert zachtjes aan de vlaggemast. De wind is zuid oost, zie ik. Ik draai me om, pak een appel van de plank en kauwend kijk ik naar de kwetterende mussen en mezen in de heg.

Even later kijk ik met frisse blik naar mijn tekening en bepaal hoe ik verder ga. Als ik nou dit wit laat, en dát donker maak…. Lichtjes buig ik me voorover en zo groeit het beeld, stipje voor stipje, streep voor streep komt het uit mijn vingers.

.

Het stemgeluid loopt niet synchroon vanwege technische onvolkomenheden. Anders was het onverstaanbaar geweest want ik heb geen los microfoontje aan mijn telefoontje.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.

Opdat we niet vergeten

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 min.

Ik had een verhaal geschreven over een rotdag. Dat maakt iedereen wel eens mee, je vindt dat je ergens bij hoort te zijn, maakt een lange reis en onderweg gaat alles mis. Op de plek van bestemming is er weinig contact en de terugweg is nog erger dan de heenweg, waardoor je pas laat in bed ligt en nog urenlang met wijdopen ogen naar het plafond ligt te staren. Ik heb besloten dat verhaal niet te publiceren, want ik ben blij dat die dag voorbij is.

Ik vond gisteren iets veel leukers. Ik trof dit oude Chinese teken voor vrede aan, in het boek der veranderingen. Ik keek er lang naar en ontdekte steeds meer. Ik zie een veilig dak, dat sterk en stabiel is, te zien aan de drie dikke strepen erboven. Maar het boeiendste vind ik de ster daaronder. Tenminste, ik dacht dat het een ster was. Hetzelfde teken staat namelijk onder mijn handtekening, op mijn vijftiende in spontaniteit ontstaan en nooit verdwenen. Nu kom ik dat symbool op verschillende plekken tegen. Ik weet dat het ook terugkomt als een oud Afrikaans teken: Ananse Ntontan en het gaat over de creatieve complexiteit van het leven en wijsheid daarin. Het is dus geen ster, het is een spinneweb! Ook in dit Chinese teken past het spinneweb als een bus.

Met die gedachte begrijp ik het Chinese symbool nog beter, de complexiteit van het leven kan alleen gedragen worden in een sterk huis van Vrede! Zonder dit fundament stort alles in, de voedselvoorziening en de samenleving tegelijk. Daarom wil ik blijven bouwen hieraan, in mijn blogs en in mijn boek. Ik heb mijn eigen huis gebouwd. Nu wil ik helpen bouwen aan een groter fundament en verbanden leggen, waar ik zie dat het nodig is. Ik blijf bij mezelf en luister naar de ander, die zich openstelt.
.
Het symbool voor Vrede, staat in de I Tjing, als nr. 11. Ik vond er een perfecte gebruiksaanwijzing hoe we met de aarde om moeten gaan. Opdat wij nooit vergeten:
(…..)
De natuur moet worden ondersteund bij haar voortbrengen. Dat gebeurt wanneer men de voortbrengselen aanpast aan de juiste tijd en de juiste plaats. Daardoor wordt de natuurlijke opbrengst verhoogd. Deze activiteit, die de natuur bedwingt en helpt, is het werken aan de natuur, dat allen ten goede komt.

Die dwang is natuurlijk een zachte, met liefde en respect voor dat wat eigen is aan elk levend wezen. Het is een dwang die ondersteunend werkt, ik denk aan een stut onder een oude fruitboom, een humuslaag voor de aarde, of hoe je verschillende planten naast elkaar zet, die elkaar stimuleren. Permacultuur is van alle eeuwen.

”De juiste tijd en de juiste plaats,” dit geldt ook voor onszelf, denk ik. Ben ik op de juiste plaats en is de ander dat ook? …. Is er eigenlijk wel tijd? Zonder tijd kunnen we het wel schudden!

Ook Goethe had die gedachte:
“Dich im Unendlichen zu finden,
Musst unterscheiden und dann verbinden.”

Deze spreuk slaat bij mij in als een klok. Dit is wat vanaf nu in mijn geheugen gegrift staat. Het zal op de eerste pagina staan van mijn boek. Dit is waarom ik op weg ben gegaan en niets anders.

.

 

PS: Drs Jung heeft een voorwoord geschreven in de I Tjing en hij vertelt dat Confucius en Lao Tze zich in alles lieten inspireren door dit magische oude boek.

Een gewone herfstdag

.

Vegen: De stille kracht van de eenvoud

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van dik 10 min.

.

Vrijheid bestaat voor een deel uit discipline. In de herfst en de winter wordt dat extra duidelijk. Wanneer de bijen en vlinders verdwijnen en de mensen haastig met hun kin in de sjaal gedrukt naar huis toe fietsen, dan wordt het stil in mijn kleine huis. Ik moet mezelf op gang houden, een project hebben, waarmee ik de tijd vergeet. Zo ontwierp ik mijn huis, zo schrijf ik verhalen, en maak ik de meest geconcentreerde tekeningen.
Ik kijk naar buiten en zie hoe de mist de ramen dichtplakt. Ik heb mijn ramen nodig, ze geven me het gevoel van ruimte en ik werk graag in het volle licht. Ik heb ze niet voor niets aan beide zijden gemaakt. Nu er zo’n dichte mist hangt, wordt de wereld wel heel erg klein in mijn tiny tiny house. De enige manier om toch fris en vrolijk te blijven, is doorgaan.

Dit is een lijstje van hoe mijn dag er uit ziet.

08.30 Opstaan, oefeningen doen, ontbijten. (Als het licht is)
10.00Werken aan verhalen en tekeningen, mails beantwoorden (Staande bij lessenaar)
12.00 Een kleine wandeling (Vaak hetzelfde stukje) en lunch.
13.00 Verder werken (Staande)
15.00 Soms een grote wandeling van twee uur (Door natuurgebied en over de weg).
17.30 Eten koken
19.00 Luisteren naar Radio4, Passaggio, soms een dansje doen.
20.00 Boek lezen of kaarsje staren.
21.00 Bedritueel met oefeningen, of nog iets langer doorlezen in het boek.
22.00 Naar bed (Tegenwoordig in een hangmat XL, heerlijk!)

Als je het zo bekijkt is het eigenlijk heel saai. Maar voor mij werkt het. En als je tevreden bent, dan gebruik je meteen een stuk minder, minder terrasjes, minder koffie en taartjes, minder benzine of treinritjes. Ik hoef niet per se ergens heen en ik slaap lekker en ontspannen. Ik ben ook echt moe ‘s avonds, want ik zit gewoonlijk maar twee of drie uur per dag. En tijdens de wandelingen kom ik van alles tegen, zoals vandaag.

Ik heb de rietvelden achter me gelaten. Ik zie hoe de weiden oplossen in het witte licht en ik kijk naar de druppels in het vochtige gras. Een klein groepje schapen staat stil in de mist, zeven witte en een zwarte. Wanneer ik naar ze blaat, zeggen ze niks terug, alleen de zwarte komt wat dichterbij en blijft dan staan. Het is een slome tijd, in de lente zijn ze veel spraakzamer. Verderop kijken twee paarden nieuwsgierig naar het voorbijgaan van dit blatende mens, in lange groene jas gekleed. Zouden ze me al herkennen?
Ik tuur naar de horizon, begrensd door een vage blauwgrijze strook van bomen. Een groep ganzen vliegt gakkend over. Ik loop verder over de smalle weg, tot ik een man voor zijn huis blaadjes zie vegen. Prompt sta ik stil. “Wat een prachtige bezem heeft u!” roep ik oprecht enthousiast. Ik houd van de houten steel, de stevige borstel aan het uiteinde, ik houd van handen die de steel omklemmen en de meditatieve blik van vegende mensen. Hoe anders is de bladblazer! Ik had niet eens een gesprek kunnen beginnen! Ieder wat wils, daar zeur ik niet over. Maar iedereen die veegt, kan bij mij rekenen op een allerhartelijkst compliment, dus ook deze man.
Hij grijnst tevreden “Ja, zo’n bladblazer is niet echt handig. Je blaast het alle kanten op en het duurt veel langer voor je een hoopje hebt. Een bladzuiger werkt beter, die heb ik ook. Maar die raakt steeds verstopt en daar ben je dan ook weer een poos mee bezig. Nu doe ik het toch maar weer met de bezem, ” Hij kijkt naar zijn eigen bezem die hij kaarsrecht naast zich houdt, alsof hij een goede vriend op de schouders klopt. Ik knik instemmend. “Ja die elektrische apparaten, daar ben je veel tijd mee kwijt. Mijn boot hoosde ik ook altijd met een doorgesneden jerrycan. Dat ging veel sneller dan met de pomp. Ophalen, snoer uitrollen, ontstoppen, aanzuigen, snoer weer inrollen, dat duurde veel langer!” Ik hoef er niks aan toe te voegen, dat snapt deze meneer heel goed.
Ik kijk naar het keurige hoopje blad, op de met klinkers bedekte oprit. Ik kijk naar de haag met drie grote struiken erachter. Er zitten meesjes in. Hij volgt mijn blik. “Ik voer ze,” zegt hij. Ik knik tevreden. Ik hou van mensen met oog voor wat er leeft.
“U heeft het hier mooi voor elkaar,” lach ik. Ik kijk nog eens rond en mijn blik blijft rusten op zijn bezem. “Ja, “ zegt de man “Ik ga weer eens verder,” en hij begint weer te vegen. Ik groet hem vriendelijk en loop door, de lange weg af, terug naar huis.

.

Weggaan uit een heerlijk dorp

.

.

Luister hier naar de podcast, als je dat liever doet dan lezen. Het duurt 9,5 minuut. Verderop in het stuk staan nog verscheidene illustrerende foto’s.

 

Het is tien uur in de ochtend. De zon schijnt al uitbundig. Ik sta naast Ait Jan bij zijn camper. Buiten zijn gewoonte om, is Ait Jan aan het werk op deze zondag. Ik ben gauw naar hem toegegaan om te horen wat de bedoeling is voor mij, vandaag. Hij is blij dat ik er over begin. “De jongens willen op het terrein aan het werk, ze moeten er langs,” zegt hij “En ik wil ook ruimte, niet morgen, maar vandaag”. Hij heeft een drukke week gehad. Nu wil hij rust en overzicht om de laatste klussen voor de vakantie af te maken. “Ik had ook niet gedacht dat je zo lang zou blijven,” zegt hij verbaasd.
“Nee ik ook niet. Ik ben blij dat ik juist nu in dit dorp terecht gekomen ben! Geweldig,” Ik vertel wat ik hier allemaal opgestoken heb en hoe ik genoten heb. Ait Jan heeft meer verhalen, over leuke dingen en de momenten wanneer het tegenzit. “Sommige mensen doen nooit mee, hoewel ze al vroeg met pensioen zijn, krijg je altijd nee. Anderen hebben het ontzettend druk en doen het er allemaal bij. Zo gaat het.”

Voor mij is alles klaar voor vertrek. De familie heb ik een paar tekeningen gegeven als dank. De zoon, die kaatskampioen is, heeft mijn kaatsposter gekregen.* Ook de koppeling is piekfijn in orde en ik weet al waar ik heen ga. Het volgende dorp heet Mantgum en ik ben straks te gast bij Nynke en Michiel, die me hartelijk welkom heten op het erf van hun boerderij. Voor ik vertrek, zet ik alles nog eens op een rijtje.

.

De solide koppelingsconstructie is met vier vleugelmoeren te verwijderen. Dan kan ik bij het achterste deel van de bagageruimte. Die is overigens ook via luiken in de vloer bereikbaar.

.

WEIDUM ALS LEVENDIG DORP

Hoe komt het dat Weidum zo’n succesvol feestdorp is en al zo lang? Hoe komt het dat hier al jarenlang zoveel op touw wordt gezet ? Ik zie hier echt  “Meanskip”, ofwel, gemeenschapszin en dorpsleven. Hoewel er geen winkels zijn en men boodschappen in Mantgum doet, blijft het dorp bruisen van levendigheid.
Er zijn een aantal zaken belangrijk.

Er is een dorpshuis en twee grote velden in het midden van het dorp. Het is verrassend voor mij om dit te zien. Het is hetzelfde principe als “het cirkeldorp,” wat ik ooit ontworpen heb. In het midden van het dorp ligt een grote open ruimte met veel groen en gras, voor openbaar gebruik. Naast het kaatsveld ligt hier een tweede veld, dat ook gebruikt wordt voor andere evenementen. Tijdens de spulwike wordt er een groot kasteel is gebouwd van plaatmateriaal, wat daar dan een tijdje kan blijven staan. Daarbinnen hebben de kinderen hun eigen wereld.

.

.

Het aantal inwoners is erg belangrijk, dat ligt tussen de 500 en 700. Bij een optocht heb je dan negen versierde wagens, voor elke straat één. Jorwerd, het buurdorp is eigenlijk net te klein voor een gemeenschap. Het jaarlijkse dorpsfeest is ook lang niet zo bruisend als in Weidum. Weidum heeft ook een hele goeie fanfare en een toneelvereniging en zelfs af en toe een songfestival. Ook dorpen in de buurt hebben hun deelnemers en er komen een paar honderd mensen op af om te kijken. Het is het dorp waar de kaatskampioenschappen voor vrouwen plaats vinden, waarbij de fanfare het feest compleet maakt. Mantgum is twee keer zo groot, maar er wordt veel minder georganiseerd. Sommigen noemen het liberaal, iedereen kent elkaar, maar gaat zijn eigen gang.

Er zijn in Weidum altijd een aantal kopstukken geweest, die ergens goed in waren. Professionele mensen voor PR, kunstenaars, een klusser en decorontwerper, iedereen vult elkaar aan en is bereid om zijn of haar vrije tijd te steken in de gemeenschap. Het is goed om mensen die iets kunnen en een goed plan hebben, de vrijheid en het vertrouwen mee te geven om hun gang te gaan. Er zijn periodes dat dit heel goed gaat, soms is het wat minder. Maar de motivatie blijft altijd. Soms is het de één die een idee heeft, dan weer een ander. Die afwisseling maakt het levensvatbaar en inspirerend. Ik hoorde tijdens de merke (feest) een gesprek met een toekomstige bewoner. “Ik hoorde dat jij tuinman bent?!” Wat heeft een nieuweling toe te voegen aan het dorpsgebeuren? Het is altijd interessant voor een gemeenschap met iets meer dan 600 inwoners.

.

.

Mensen delen wat ze hebben. Klaas heeft een paar honderd meter aan lampjes. Die hangt hij op voor het feest en voor de spulwike. Ait Jan leent zijn caravans uit aan begeleiders en ze mogen op zijn land staan en zijn werkschuur gebruiken om even een klusje te klaren. Zo zijn er meer. Er zijn vele sponsoren die de meanskip een warm hart toedragen en dat is nodig ook, want de subsidie is overal stopgezet.

Het enthousiasme uit het verleden, voedt de toekomst.  Het is bekend dat Weidum een feestdorp is, met veel creativiteit en diverse verenigingen. Die wetenschap trekt mensen aan die dit ook willen meemaken en ondersteunen.

Het zet zich voort in generaties. Iedereen die de Merke heeft meegemaakt in zijn jeugd, denkt daar nog met plezier aan terug. En dat is niet het enige. Ook de Spulwike maakt indruk. Kinderen die zelf jaar in jaar uit de Spulwike hebben meegemaakt, worden begeleider als ze ouder worden. De Spulwike heeft veel weg van een creatief kamp, en is opgezet om kinderen die niet op vakantie kunnen, toch een onvergetelijke week te bezorgen. Het bestaat al 47 jaar. Ze kunnen heerlijk met verf gooien, in een autoband rondgeslingerd worden aan een touw door een waanzinnig tollende hijskraan, een doorgezakte hangbrug over sjokken en nat worden tot op de borst, het hoort er allemaal bij. Soms zie je alle kinderen bij elkaar. Die optocht door het kleine dorp is indrukwekkend groot. Het zijn de kinderen van Weidum en dorpen eromheen. “Tjinge tjinge boem,” roepen ze met een ritme dat al een paar generaties meegeroepen wordt en dat nog steeds menig hart doet kloppen.
Die ondernemingszin en het gevoel van “Mienskip,” is ongetwijfeld van groot belang voor de rest van hun leven.

Als dit in Weidum kan, waarom dan niet in andere dorpen? Waarom vluchten veel van mijn ondernemende kennissen, tuinders en kunstenaars, naar het buitenland? Laten we kijken naar goeie voorbeelden hier, in ons eigen land. Zoals dit prachtige dorp en wat we daaraan toe kunnen voegen.

.

PS Wat er in mijn blog staat is maar een fractie van wat ik schrijf. Het grote geheel wordt verwerkt in het boek. (Boek: https://alowieke.blog/boeken/.) In middels sta ik al op deze nieuwe plek in Tsjeintgum, bij Nynke en Michiel.

 

*Kaatsposter: Zie vorige verhaal.

Feest in Weidum

.

.

Om het verhaal te beluisteren, klik hier. Voor de foto’s, kijk verderop in het blog!

 

Vanaf nu heeft mijn blog een eigen dagtelling, vanaf het moment dat ik vertrok van camping de Swetteblom. Ik schrijf elke dag een stukje, en het geheel verwerk ik in het boek. Voor het wekelijkse verhaal maak een selectie van wat ik geschreven en getekend heb. De rest is een verrassing voor de lezers die meer willen zien.

 

Dag 8

Dick is naar me toegekomen, vanuit Eindhoven. Hij heeft vakantie. Daar is hij echt aan toe, want hij heeft keihard gewerkt. Veel rust krijgt hij helaas niet. Het is feest in Weidum. En het is niet een gewoon feest, maar een groot feest, dat drie dagen duurt.

Om acht uur worden we wakker van een sirene, die kennelijk in een auto zit, want het komt steeds dichterbij. Hij gaat het hele dorp rond tot hij vlak in onze buurt is. Om negen uur is de kaatswedstrijd. “Kaetsje”, in het fries. Daar willen we naar toe.
De sirene helpt niet zoveel bij mij. Ik blijf nog even liggen en koester me in mijn nest. Tot ik een paar stevige handen voel, die mijn voeten beetpakken. Ik doe mijn ogen open en zie het vrolijke gezicht van Dick. “Kom je er ook uit?” vraagt hij opgewekt. Ik ben nog wat slaperig. Er waren een hoop geluiden vannacht, jonge feestgangers gingen door tot de zon opging. Als Weidum “Merkelân” is, dan gaan ze er voor, net als Brabanders met hun carnaval. Friezen en Brabanders hebben meer gemeen dan je zou denken! Dat wist ik niet, maar nu wel. Ik ga niet de hele nacht door, maar wil toch zoveel mogelijk zien en meemaken van het cultuurgebeuren.

Op mijn gemak eet ik mijn havermout op. Gelukkig is alles vlakbij en hoeven we ons niet te haasten. Als we klaar zijn lopen we samen de lange oprijlaan af, die naar de weg leidt. De lindes die erlangs staan zijn bijna uitgebloeid, maar hun geur is nog steeds heerlijk. Even later gaan we de hoek om, langs het dorpshuis. En daar, in het midden van Weidum, ligt het grote vierkante veld waar alles gebeurt. Dat veld is al zo oud als Weidum zelf, zo oud als de kleine huisjes die er omheen staan of misschien wel ouder. Het ligt dieper dan de straat, is omzoomd door een heg en je komt er via één van de stenen trappen.
Er is overal voor gezorgd. Voor de kinderen hebben ze een draaimolen laten komen en een zweefmolen. Er staat een tent vol knuffelbeesten die je moet pakken met een grijper en er is ook nog een oliebollenkraam. Op het veld zijn allemaal witte vakken uitgezet en daar wemelt het van mensen. Alle spelers dragen een harde leren handschoen, waar een soort van kuil in is gevormd. Er zijn kleine witte balletjes die precies in die kuil passen.
Mannen en vrouwen zijn druk bezig. Met kracht worden de balletjes naar de partij in het veld gegooid. De gene die aan slag is, moet hem wegkaatsen met de harde handschoen.

.

.

Langs de kant staan palen. Enkele palen zijn nog leeg, aan andere hangen houten bordjes. Sommige bordjes zijn wit, andere rood. Er staat “earst” op, of “spul.” Dick tuurt naar de friese woorden. “Als spel in het fries spul betekent, wat is dan spul?” Dick blijft maar kijken naar de bordjes en vraagt zich hardop af hoe dat nou zit met die puntentelling. Ik doe mijn best om niet naar hem te luisteren. Ik wil een bal volgen en dat is best moeilijk in die mierenhoop.
We snappen niet wat de bedoeling is en vragen om uitleg aan een man, die ook staat te kijken. “Het is niet zo moeilijk,” zegt hij. “De ene partij gooit de bal het veld in, de andere moet de bal terugkaatsen, de lijn over. Dan heb je een kaats. Het is de voorloper van tennis, voordat er rackets bij te pas kwamen.” Ik kijk vol bewondering naar de bedrijvigheid van al die mensen, gisteravond nog laat op het feest en nu alweer in touw. Feesten en sporten gaat gelijk op, bij de Friezen. Daarvoor hoeven ze gelukkig niet te wachten, tot er ooit weer eens een elfstedentocht komt!
“Kijk aan het einde van de week maar eens naar de voordeuren,” zegt de man “De winnaars hebben dan hun krans opgehangen. Dat is een hele eer!” Ik lach naar hem en zeg dat ik er speciaal een wandeling aan wijd.

.

.

Dag 11

Dick is weer naar huis. Ik kijk op mijn gemak wat er nog meer te beleven is en loop door het dorp. Bij het kaatsveld sta ik stil. Vandaag wordt het opnieuw gebruikt, zie ik. Nu lopen er vrouwen rond, met shirts in verschillende kleuren. Ik ben verbaasd. Het lijkt hier nooit op te houden met de aktiviteiten. Ik bewonder die sterke lijven in beweging, het blijft altijd boeien. Naast me kijkt een man geïnteresseerd toe, samen met een vriend. Zijn krullen zijn bijna zwart, niet erg fries. “Zijn dit kampioenschappen voor vrouwen?” vraag ik hem. “I don’t know,” zegt hij. Hij is een reiziger en probeert het spel te snappen. Ik vertel hem wat ik zelf over het kaatsen heb gehoord. “We have a way of speaking, wie kaatst kan de bal verwachten. That means, if you throw something to a person, you can expect that he throws something back.” De man snapt het helemaal en loopt schaterend van het lachen weg. Een oude dorpeling kijkt met glimmende ogen toe vanachter zijn rollator. Wanneer vreemdelingen om je lachen, wordt alles wat eigen is iets bijzonders.

Ik loop verder, de stenen trap af, het veld over, naar de sportkantine. Het ruikt er naar koffie. Twee vrouwen achter de balie begroeten me. “Hee Alowieke, je bent er nog!” Het zijn Christien en Jellie, ik sprak ze allebei op het feest. Ze kunnen me alles vertellen. Het zijn vandaag geen kampioenschappen, maar het is een gewone training. Dat is elke week in een ander dorp. Vandaag is Weidum aan de beurt. “Hoe lang blijf je nog?” vraagt Christien “In september zijn de kampioenschappen voor vrouwen. Dat is ook weer een groot feest.” Ik zie aan haar gezicht dat ze zich er nu al op verheugt. Ik antwoord dat ik het niet weet, maar dat ik er zeker bij zal zijn als het lukt.

Ik weet niet hoe het zal gaan. Ik weet niet of ik deze zomer in Friesland blijf of niet. Ik houd van de eigenheid en de onafhankelijkheid van dit volk. Het past in mijn verhaal. En dat is wat mij leidt. Plannen heeft geen zin. Dat heb ik al lang in de gaten.

Op deze pagina vind je het formulier voor het boek

.

.

Wie is dit meisje? Als ze de foto op volledig formaat wil hebben of wil dat ik hem verwijder, dan neemt ze maar contact op.

.

Lees hier de spelregels van het kaatsen