Minder blogs, meer diepgang

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van negen minuten.

.

Daar sta ik dan. Terug op de camping van Jochum, precies op hetzelfde plekje waar ik vorig jaar op 4 juli vertrok. Alles is hetzelfde, maar toch niet. De rietkragen van de Zwette liggen plat door de regen en wind. De bomen die ik plantte zijn gegroeid. Vanuit mijn raam zie ik er een drie. Het zijn kerspruimen. Ze staan in het riet naast het water. Ze hebben het daar kennelijk goed, want ze zien er alle drie goed uit. Ik kijk vaak naar ze. Misschien groeien ze dan nóg meer. Aan beide kanten van mijn huis zie ik de horizon. Aan de ene kant, tussen het riet door, schittert het water van de Zwette. Aan de andere kant van mijn huisje, lopen zwarte paarden in een verre wei. Soms gaan ze met zijn allen rennen. Daar kijk ik graag naar. In de verte zie ik de kerktoren van Jellum. De luchten zijn wijds en veranderen continue. Het leven is een stroom. Ik navigeer om mijn eigen koers te varen.

Wanneer begon mijn nieuwe leven? Het was Utrecht, mijn geliefde stad, die mij te klein werd. Te benauwd. Te veel spullen en herinneringen. Ik had nieuwe lucht nodig en een groene bodem. Ruimte. Na jarenlang opruimen verliet ik de werfkelder, het huis onder de kloostermoppen. Dat is nu acht jaar geleden. Ik stap terug in de tijd en vertel.

Ik laat mijn schepen achter me. Ik neem afscheid van mijn bestaan als rondvaartschipper. Maar ook van de plek waar ik trouwde en rouwde. Het leven ligt voor me open. Ik trek in een woonwagen op een Brabantse camping. Ik ken hier helemaal niemand, behalve mijn vriend Dick, die 24 kilometer verderop zit. Het is belangrijk om te blijven communiceren. Ik besef dat ik anders in een isolement kan terecht komen. Ik besluit een blog te beginnen en begin direct. Zo wil ik de band mijn achterban te onderhouden. Ik doe het elke week en besteed er veel tijd aan. Ik vertel vrienden en kennissen over mijn nieuwe leven op het platteland. Ik schrijf verhalen, maar maak ook filmpjes, tekeningen, gedichten. Ik train mijn concentratie, vaardigheden en waarneming.
Dan komt er een creatieveling langs, die een oude vonk in me losmaakt. Ik wil mijn eigen huisje bouwen. Iets in mij zegt dat dit belangrijk is voor mijn toekomst. Dat ik het nodig heb in mijn levensverhaal. Ik ontwerp, ik bouw en ik film elke fase. Het huisje groeit. Ik verwerk het materiaal tot een complete film en zet hem op You Tube. Na drie jaar is mijn huis klaar. Op wielen! Ik kan verder en laat me per trailer naar Friesland vervoeren. Want een trekker heb ik nog niet en paarden ook niet.
Gaandeweg begint de reden om te schrijven te veranderen. Ik denk dat ik iets te vertellen heb, wanneer ik mijn verhaal weet te verweven met dat van anderen. Misschien kan ik slapende vonken laten gloeien, zoals die ene creatieveling bij mij deed. Een boek is een goed middel voor mij. Een aanééngesloten verhaal, waarmee ik lezers meeneem op mijn wandeling. Ik wil zo zuiver mogelijk kunnen weergeven wat ik zie en hoor. Ik train mezelf steeds meer daarin. En steeds meer mensen lezen mijn verhalen.
Een half jaar sta ik op de camping van Jochum, waar ik nu ook ben. Ik werk veel op het terrein, plant bomen en bloemen. Tot de grote dag gekomen is. Ik ga op reis en begin met mijn boek. Inmiddels heb ik een trekhond gekocht, met een elektromotor erin. Ik kan hem laden met zonnepanelen. Het is zo spannend! Waar zal ik uitkomen? Ik ben van plan de landsgrens af te gaan. Maar ik weet niet in welke haven ik zal eindigen.

Zo vertrek ik. Mijn plan verandert onderweg. Ik ga niet de landsgrens af. Ik blijf in Friesland en reis door ’t Bildt. Elke dag schrijf ik. Het is een grote inspanning. Maar het verhaal wordt steeds vollediger. De stroom van mijn leven bundelt zich in een ketting van ontmoetingen en gedachten. Ik geniet van de gastvrijheid die ik overal vind. Ik laat me overweldigen door de ruimte en de elementen. Ik zie uitdagingen waar mensen mee worstelen. En wat ik verlangde, dat lukt. Ik verweef mijn eigen verhaal met dat van anderen.

Nu zijn we dik een jaar verder. De laatste wijzigingen in het manuscript zijn verwerkt.Vanmiddag komt de uitgever mijn boek ophalen. Eind oktober komt het uit. En dan nadert de presentatie, een feestelijk moment met muziek en een verhaal.
Na zeventien maanden hard werken, kan het manuscript naar de drukker. Inclusief de vijftien pentekeningen. Dit was één van de redenen waarom ik jarenlang elke week schreef. Het was een schrijftraining en ik bouwde een lezerskring op. Het doel is bereikt. Nu het boek er komt, houdt het blog dan op? Nee. Het houdt niet op. Ik heb het nodig. Contact met lezers. Maar ik zal niet meer elke week iets publiceren. Voorlopig ga ik over op een maandelijks blog. Dan kan ik meer tijd in het verhaal stoppen, waardoor het meer diepgang krijgt. Wellicht vormt zich op die manier iets nieuws.
We zullen zien. Ik kijk uit naar het moment dat het boek er is!

’Langs kantelende wegen,’
Alowieke van Beusekom
Uitgeverij Louise (1e druk, 500 exemplaren)

 

Nieuwe tijdstip van mijn blog: Eerste maandag van de maand als de sirenes afgaan.

 

 

Verboden doorgang naar het Oude Pad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  11,5 minuut.

.

Mijn vouwfiets staat in de hooischuur. Ik loop erheen. De schuur is nu nog leeg, maar dat duurt niet lang meer. Volgende week gaat de boer hooien, en moet ik hier weg zijn. Maar nu geniet ik nog van de gastvrijheid, en van het plekje dat ik op zijn erf heb gekregen. Ik wil net op mijn fiets stappen, wanneer de beste man aan komt lopen. Hij vraagt waar ik heen ga. Ik leg het uit. Ik wil naar het pad dat tegenover de betonblokken ligt, bij de drukke weg. Hij weet meteen wat ik bedoel. ‚Het Oude Houtpad!’ roept hij. Hij wenst me veel plezier.

Ik bind een krukje en mijn tekenblok achterop de fiets. Ik wil die betonblokken vastleggen,  die het Oude Pad van de dorpelingen blokkeert, bij de snelweg. Ik rijd naar het smalle paadje, dat tussen de huizen doorloopt. Het dorp is in een lange sliert aan een weg gebouwd, een lintdorp. Al snel ben ik achter de huizen. Hier ligt een klein weiland. Aan de andere kant van het pad grenst een zonovergoten maisveld, omzoomd door bomen.

Overal zijn bomen in dit land. Het is een totaal ander landschap dan ik tot nog toe ken van Friesland. Dit is het oude veengebied, de rand van het land dat de zee niet meer kon bereiken. In de ijstijd was dit de strook waar gigantische ijsmassa’s al het leven wegveegden, en grote stenen met zich meenam, helemaal uit Scandinavië. Hier vormde zich de Lindevallei, vol dotterbloemen en ratelaars. Later is de Linde gekanaliseerd. Dat bleek funest voor het moerasgebied. Un deze eeuw zijn een aantal meanders weer open gelegd. Op de oevers groeien nu bomen, afgewisseld door groene weiden. Als je iets verder naar het zuiden gaat, ben je er al snel. Het reservaat rond de Linde is niet zo groot als het Drents-Friese Wold. Dat ligt nóg verder, tien kilometer naar het Oosten. Dit bos beslaat wel 6000 ha. Dat is bijzonder. Want Nederland scoort met zijn natuur het slechtst van heel Europa. Toch is dit gebied één van de belangrijkste van ons continent daarom is het een Natura 2000 gebied.

Maar dat weet ik allemaal nog niet, als ik het smalle pad opfiets, op weg naar de verboden doorgang. Ik weet alleen dat ik naar het mooiste paadje ga dat je hier kan vinden. Dat zei een oude dorpsbewoner. En daar luister ik graag naar. Het is maar een klein bosje, zei hij. In vroeger tijden was zo’n bosje heel belangrijk, voor brandhout, gereedschapsstelen en andere gebruiksvoorwerpen.

Aan het einde van het smalle pad duik ik met mijn fiets onder de takken door. Bijna meteen al zie ik de blokken liggen en ik trap op de rem. Een zestal betonblokken liggen omvergeworpen in het gras en over het verzande grindpad. Dit is dus de plek waar ik niet langs mag van de gemeente. Braamstruiken en brandnetels groeien om de blokken heen. Het zijn grote joekels van stenen. Als ze op elkaar zouden liggen, dan had je hier een muur van 1.80M hoog. Dit hebben de jongeren dus omver geworpen. Een knap staaltje.
Ik zet mijn fiets neer en klim over één van de blokken heen. Erachter razen mensen in auto’s voorbij. Die mensen moesten eens weten, hoe mooi het hier is! Hoe vaak zijn ze hier al langs gereden?
Ik kijk naar links en naar rechts en schiet gauw de weg over. Daar is een breed grindpad, dat tussen de bomen doorloopt. Er staan een paar grote huizen langs en het loopt dood bij een boerderij aan het einde. Daar kan ik een klein paadje in. Ik loop langs een heuphoge houtwal, die al enorm oud moet zijn. Er staan vermolmde boomstammen in die zo als kunstwerk het museum in zouden kunnen. Alleen zullen ze daar nooit zo mooi zijn als hier, zoals ze deel uitmaken van deze plek, de geschiedenis van deze grond. Er groeien vlierstruiken in en berken. De houtwal is een oude manier om eigendom af te bakenen. Tegenwoordig komt dat weer helemaal terug. Ook goed voor de egeltjes!

Ik loop zachtjes, het pad is smal en het veert een beetje onder mijn voeten. Het is heel stil en er staat bijna geen wind. Ik zie niemand en hoor ook geen vogels. Of ja, daar hoor ik het blikachtige geratel van een roodborst. ‚Pas op! Een mens!’ roept hij. Of waarschuwt hij vanwege de buizerd, die rondcirkelt boven de naastgelegen weide? Ik weet het niet en loop verder. Hoewel het om me heen een wildernis lijkt, is het pad goed onderhouden. Dicht opéénstaande hulstbosjes zijn zo gesnoeid dat het bijna een heg is. Dat moet wel, anders is er geen paadje meer. Er staan berken en dennen. Ik ontdek hulstbomen, zoals ik nog nooit van mijn leven heb gezien. De stammen zijn bijna een halve meter dik! In het Drents Friese Wold staan ook zulke grote, hoor ik later. Het is hier verboden ze om te zagen. Ik kijk mijn ogen uit. Wauw!
Ik onderzoek alle paadjes die er zijn. Ik zie eikenstammen, waar keer op keer takken van zijn afgescheurd. De boom heeft de wonden omhuld met nieuw hout. Het resultaat is verbazingwekkend. De onderstammen zijn kort en vol rondingen. Het lijken wel vrouwenlichamen, wulps en weelderig. Ze hebben alleen geen hoofd. In plaats daarvan steken nieuwe jonge takken omhoog, tjokvol levenslust.

Verder ga ik, tot vanuit de donkerte opeens het licht uitbarst. Een veld ligt tussen de bomen in als een kleurrijke verrassing. Tussen het bloeiende gras groeien gele bloemen als margrieten zonder wit, en korenbloem. Wespachtige vliegen helicopteren zorgvuldig van de ene bloem naar de andere. Speurend kuier ik door. De zee van licht duurt niet lang, het pad maakt een bocht en gaat weer het bos in. Het is al laat in de middag, en de zon maakt gouden vlekken op het verstilde volk van stammen. Ik zie een den met een breed uitgegroeide kroon. Ideaal om in te klimmen! Ik aarzel. Hij staat vlak naast een soort dal, waar alleen kleine struiken staan. Het geeft een mooi overzicht en het ziet er aanlokkelijk uit. Zal ik het doen? Ik loop tussen de bomen door.

Dan sta ik getroffen stil. In de schuin oplopende rand van het dal, zit een enorm gat. Ervoor ligt een dik bed van vers geel zand, bovenop de zwarte bosgrond. Er staan allemaal pootjes in. Afdrukken als van katten, met kussentjes bij de tenen. Dit moet een dassenburcht zijn! Nog nooit heb ik er één gezien. Eerbiedig kijk ik ernaar. Er is geen sprake van, dat ik nu in die den ga klimmen. Stilletjes loop ik terug.

Daar staat mijn fiets. Ik zet het krukje op de grond en kijk. Pas na een poosje vis ik het schetsblok uit mijn rugzak en teken de eerste lijnen van de betonblokken. Ik stel me voor dat ze hier altijd zo blijven liggen, tot de dag dat alle auto’s op kerkhoven liggen te vergaan en de asfaltwegen stukscheuren door boomwortels. En dan nog altijd liggen hier de blokken die de sterke jongens van ’Ool Pae’ wisten om te krijgen.

Wat zijn er een verhalen, overal waar je kijkt kan je ze zien. Als je maar langzaam gaat.

.

Het oude pad van de dorpelingen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8,5 minuut.

.

Ik sta met mijn verhalenhuis op de camping van Oldeholtpade. Het is een keurig gemaaid veld, omringd door bomen. Voor de camping ligt de weg naar Wolvega. De camping is van Het Plaatselijk Belang en de opbrengst gaat naar het dorp. Het dorp is gekroond als mooiste dorp in 2016 van heel Friesland. En daar zijn de mensen trots op. Op weg hierheen zag ik veel bomen en weelderige tuinen. De kleine dorpskerk ziet er prachtig uit. Hier en daar staat een geit in de tuin, of er scharrelen kippen of ganzen.

Voor mij staat een man van een jaar of vijfenzestig. Hij is speciaal naar me toe komen wandelen, om mijn woonwagen te zien. Hij vertelt me van alles. Hij is hier geboren en houdt van het dorp. De Stellingwerf- Friezen zijn behoudener. Stellingwerf ligt tegen Drenthe aan en dat merk je. Het zijn rustige lui hier. Ze hoeven niet zo nodig de beste te zijn. En als je ze wat vraagt, dan helpen ze je. Samen krijgen ze van alles voor elkaar. Ook als er problemen zijn.

Voor hij weer wegloopt heeft hij nog een tip voor me. ‘Als je nou die kant op gaat,’ wijst hij, ‘Dan heb je recht tegenover de weg naar Ter Idzard een zandweg. Dan kom je op het allermooiste pad dat we hebben. Halverwege loop je tegen een drukke provinciale weg aan. Daar moet je eigenlijk door een tunneltje, dat een stuk verderop ligt. Sla dat maar over. Je kan gewoon oversteken.’ Mijn interesse is gewekt. ‘Is het niet druk daar?’ vraag ik. ‘Het kan er soms druk zijn,’ beaamt hij. ‘Maar het kan wel. Veel mensen doen het, in Oldeholtpade. De gemeente wil dat eigenlijk niet, ze hebben al van alles geprobeerd om het te verhinderen. Het wordt steeds kapotgemaakt. De jeugd doet dat.’ Hij kijkt er trots en vertederd bij. ‘Wij willen daar oversteken. Dat willen ze ermee zeggen. Zo is het altijd geweest.’ Ik lach uitbundig. ‘Het is júllie pad!’ Hij grijnst trots. ‘Ja, het is óns pad. Er liggen nog wel wat betonbrokken, daar kun je gewoon langslopen.’

Paden zo oud als dat er mensen zijn. Hoeveel zijn er daar nog van? Op het platteland zijn ze nog niet allemaal weggevaagd, zoals in verstedelijkte gebieden, die al veel vaker op de schop zijn gegaan. Oude paden worden in stukken gehakt, ter wille van doorstroming en snelheid van het veeleisende verkeer. Aan de bewoners wordt niks gevraagd. Willen ze dit wel?
Gestudeerde mensen hanteren algoritmes. Die wijzen uit wat het beste is. Oude routes, kronkelwegen met historie, ze dienen de doorstroming niet. Wat heb je aan een lange zigzag weg? Loodrecht, van hier naar daar. Dat betekent tijdwinst. Daar gaat het om. Een nieuwe snelweg is belangrijker.

Maar mensen zijn geen machines. Eigenlijk genieten ze liever van het onderweg zijn. Ook ik kijk graag om me heen. De weg lijkt dan korter, al doe ik er langer over. En ik gá langzaam. Veel langzamer dan anderen ga ik. Ik wandel met mijn wagen over de weg, getrokken door een stalen trekhond. Kuierend door het land spreek ik allerlei mensen. Ik hoor wat er speelt. Ik word steeds wijzer. Ik wandel op wegen waar al duizenden voeten hebben gelopen. Ik leer het land kennen door de mensen te zien.

Kuieren en mensen zien, daar hebben verkeersdeskundigen niet voor geleerd. Alles moet snel. De stroom van auto’s moet worden gediend. Auto’s, auto’s en nog meer auto’s. Nog meer wegen, die nog meer auto’s aantrekken. Zo gaat het. Dorpelingen hebben er weinig over te zeggen. Het oude pad wordt verknipt. Verknipt, maar niet vergeten.

Een Friese geoloog met veel historische kennis leerde mij een begrip dat ik nog niet kende. ‘De DNA structuur van het landschap.’ Die zit in de bodem. Het zijn bijvoorbeeld oude dijkjes die eeuwenlang een route hebben gevormd om van hier naar daar te komen. Ze zijn er nog steeds, die oude paden. Zelfs al zijn ze in stukken gehakt. Al zijn ze gedeeltelijk weggevaagd door snelwegen of ruilverkaveling. Als je goed kijkt zie je ze nog liggen. Er zijn zat Friezen die er nog van weten. Er is verlangen naar herstel. Ik noem het nu: Restauratie van de DNA structuur. Het land met zijn oude paden hoort bij de cultuur en de mensenheugenis. Het is onze verbintenis met de bodem en de elementen.

Al die oude paden worden steeds verder verknipt. Maar nog altijd zijn ze niet helemaal verdwenen. Nog steeds niet. En dat zal ook nooit gebeuren. Onder het netwerk van snelheid ligt het nog steeds verborgen. Traag ademt het, als een levende herinnering. En alles wat aandacht krijgt groeit. Daar blijf ik aan denken. Altijd.

.

PS: Ik heb net het boek uit van Thalia Verkade “Het recht van de snelste,” verkrijgbaar bij de Correspondent.

Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.

 

Een zinderende stad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8 minuten.

Het is zaterdag 31 mei. Ik heb afgesproken met Dick, in Amersfoort. Dat ligt precies tussen Eindhoven en Heerenveen in. Ik ben er het eerst en wacht op het stationsplein. Al gauw zie ik hem mijn kant op komen. Hij is van verre te herkennen door het roze overhemd, dat ik zo mooi vind. Hij grijnst me tegemoet en we zoenen en omhelsen elkaar.

We praten heel wat af, lopen door de stad, fietsen door het bos, en picknicken tussen de zandverstuivingen van Soestduinen. Aan het eind van de dag fietsen we terug. Met de fiets aan de hand lopen we door de smalle straten van Amersfoort, op zoek naar een plek waar nog koffie te krijgen is.

Amersfoort is een kleine middeleeuwse stad, vol terrasjes, die de afgelopen maanden door de pandemie volledig waren uitgestorven. Maar vanavond zijn er overal mensen in de weer. Een caféhouder staat glanzend van tevredenheid zijn bloemen te begieten. „Die zien er goed uit!“ zeg ik bewonderend. “Ja!“ roept hij. „Morgen gaan we weer los!“ Hij straalt van top tot teen.
De hele binnenstad zindert. Morgen is het zo ver! Morgen mogen de terassen weer open. Verderop zie ik een jongen die tafelpoten vastschroeft. Twee andere jongens poetsen tekstborden schoon, waar het menu op staat. Het is één en al bedrijvigheid.
„Wat zou het mooi zijn als het altijd zo was,“ zeg ik tegen Dick. „Wat bedoel je?“ vraagt hij. „Iedereen zo lekker aan het werk, in plaats van al die mensen die maar zitten te consumeren. Zo moet het vroeger zijn geweest. Maar dan anders.“

Ooit waren de straten vol met ratelende wagenwielen, groentekramen, schrobbende huisvrouwen, die hun stoep schoonmaakten. Er waren brouwers die hun vaten vervoerden naar de plek van bestemming. In de Eem voeren kleine schepen met bier weg. Het gouden vocht uit Amersfoort werd graag gedronken. Het water kwam rechtstreeks uit de Veluwe en het was helder en zacht. Nu is er weer een brouwerij, om de traditie te herstellen. Maar er zijn vooral veel terrasjes met bierdrinkende mensen. Die kunnen morgen weer genieten. Maar niet te dicht op elkaar, vanwege het besmettingsgevaar. Ik hoop dat er genoeg plek is, en dat de mensen geen ruzie krijgen om één van de schaarse stoelen.

De terrascultuur is tegelijk gegroeid met het kapitalisme. De eerste tafels en stoelen werden buitengezet in Den Haag in 1863. Afgekeken van Parijs. Fatsoenlijke vrouwen waren er niet erg op gesteld, die blikken van de heren. Maar later mochten er ook rijke vrouwen komen. En nóg later iedereen. Het werd een teken van welvaart. Een land met terrassen, is een rijk land. Nederland scoort hierin erg hoog. Net als in de geluksladder. Ben je gelukkig als je een terrasje kan pakken?

Dick en ik lopen maar weer terug naar het station. Nergens is nog koffie te krijgen. Alle afhaalpunten zijn gesloten. Maar het geeft niet. We zien van alles. Ik loop een hoekje om en zie een gietijzeren hek, met een bordje erbij. „Verboden toegang,“ staat er. Nieuwsgierig blijf ik staan, en roep naar Dick, die achter me aan komt. „Kijk eens!“ Achter het hek zien we een oude binnenplaats. Het hoort bij het Franciskaner klooster. Ik bewonder de oude stenen muren. Het is er stil, de geluiden van de stad dringen er nauwelijks door. Maar er zijn geen monniken meer. Straatsstenen en twee auto’s, dat zie ik. Het is een parkeerplaats.

„Zou dit de kloostertuin zijn geweest?“ vraag ik aan Dick „Wat zou ik die tuin hier graag weer terug zien! Ik zou hier zo mijn woonwagen neerzetten om ermee te beginnen.“ Dick grinnikt. „Ja het is echt een plek voor een binnentuin,“ zegt hij. Ik glimlach. „Mooi is dat hè, hoe een locatie altijd blijft vragen om datgene waar het voor gemaakt is. Hier horen bloeiende kruiden te groeien. Hoeveel mensen zullen dat al hebben gedacht! Ooit komt die tuin weer terug. Dat kan haast niet anders.“

We lopen verder. Nergens is koffie. Morgen gaan ze los. Dat zeggen ze allemaal. Morgen! De tafels en stoelen blinken en de bloemen staan te pronken in de plantenbakken. Een terrasje pakken. Morgen mag het weer! Maar wel op anderhalve meter van elkaar. Consumptiecultuur in afgeslankte versie. Zou het blijvend zijn? Zou dit dan ook het einde inluiden van het kapitalisme?

Dan zou ik graag de hofjes terug zien, met kruiden. Groentevrouwen op de pleinen en ambachtslieden. Vanavond zie ik hoe het kan zijn. De stad als een bezige bijenkorf. Met één bijzonderheid: De opgewekte sfeer van vanavond is ongekend. Dit is het zinderen van de nijvere stad. We mógen weer! Morgen gaan we los!

.

 

Klein en vertrouwd

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9,5 minuut.

.

Ik heb een hele mooie kachel. Hij staat in de hoek bij de deur. Daar past hij precies. Het is een kleine Salamander. Het is een hele oude, en doet denken aan vroeger tijden, toen de wereld nog overzichtelijk was en iedereen in het dorp elkaar kende. Er stond een keteltje op met heet water. De koffie stond altijd klaar.
De kachel is slank, rond en hoog en is bedekt met een laagje sjieke bruine emaille. Bovenop is in het dekseltje een salamander gegraveerd. Dat deksel geeft toegang tot het binnenste, dat al door zoveel handen is gevuld met hout. Alles is tot as vergaan, jaar in jaar uit opnieuw.

Om de kachel heen is het een zootje. Er liggen oude kranten, schoenen, houtblokjes, een koffiekom, en soms wat vuile sokken die de was in moeten.
Onder de kachel moet eigenlijk een vonkvaste plaat. Die heb ik nog niet. In de vloer zit hier en daar een brandplekje. Ook zitten er een paar krassen in van de bijl. Ik heb me er lang aan gestoord. Maar ach, alles went. Op een gegeven moment weet je niet anders meer.
„O?“ zegt iets in mij, „Dat laat je toch niet zomaar gebeuren met je prachtige huisje! Dit is het begin van het verval.“

Dus nu heb ik besloten dat dit een goed moment is om de boel eens lekker op te knappen. Met frisse moed maak ik een plan. Ik zaag de dikke vloerplanken af, rond de kachel. Ik laat ze bij het timmerbedrijf door de vandiktebank halen. Daarna schroef ik er een stalen plaat op. Die moet verroest zijn. De roest maakt het oppervlak stroef, waardoor de verf goed blijft zitten. Dat moet bij een kachel, want het is een werkhoek. Je moet er kunnen hakken met de bijl. Ik wil de plaat maisgeel maken, dezelfde kleur als de rest van de houten vloer.

Waar haal ik dat staal? Bij de oudijzerboer natuurlijk. En dan niet zo’n grote, maar een kleintje. Zo’n ouwe rommelaar, die moet ik hebben. Ik vind hem al snel, het is een half uurtje fietsen. Ik bel hem op en kan meteen komen. Eigenlijk sluit hij om vijf uur, maar hij zal wachten tot ik er ben. Het duurt iets langer, want ik fiets eerst verkeerd, en kom bij een ander bedrijf uit. Het terrein ligt vol enorme schroothopen en er rijden grote kranen rond. Ik keer meteen om. Ik moet een stuk terug zijn.
Uiteindelijk ben ik er. Het bedrijfje is aanzienlijk kleiner. Er staat een verroeste Atlaskraan, een kast met pannetjes, bakken met geplette blikjes, een bak met het hele interieur van een professionele keuken. Ik loop verder. Achter een stoffig raam zie ik een gestalte en de houten deur gaat open.

„Ah ben je daar! Hoe kon je nou bij mijn concurrent terechtkomen?!“ In zijn stem klinkt verbijstering door. Dat snap ik wel, stel je voor dat al zijn klanten uitkomen bij de concurrent, die toch al rijk zat is. „Ik wist wel dat ik verkeerd zat hoor, zo n groot bedrijf daar heb je niks aan. Hier moet ik wezen en nergens anders.“ Mijn stem klinkt vastbesloten. Hij grijnst gerustgesteld en ik vertel wat ik moet hebben. Hij leidt me rond en uiteindelijk vind ik een goede plaat, mooi recht en verroest. Alleen een beetje te groot. Maar dat is geen probleem. Die snijdt hij wel door met de snijbrander. Hij legt de plaat op een stevige ijzeren werkbank, en tekent de lijn af. Dan legt hij er een H-profiel op en gebruikt hem als geleider. De vlam gaat keurig langs de rand, tot het laatste stukje toe. „Kijk eens hoe mooi!“ straalt hij. Ik ben vol bewondering. „Niet aankomen hoor! Het is nog heet, “ waarschust hij. Ik waag het niet, want ik dat weet ik maar wat goed. Hij loopt naar de deur. „Wil je nog een bakkie koffie? Dan kan het ondertussen afkoelen.“
Ik volg hem door de donkere schuur. Er staat een mooi trekkertje te koop tussen tal van andere zaken. Aan de wand hangen grote roestvrijstalen harpsluitingen. In de hoek zit een deur. Achter de deur is een klein kantoortje met bruine wanden. Er hangen foto’s van honden en mensen.
Hij schuift een stoel naar me toe. „Doe je aan corona?“ vraagt hij me. Ik zeg nee. Hier niet. Gelukkig, zie ik hem denken. De tafel is maar klein. Lang geen anderhalve meter. Hij schenkt koffie in een kop en zet hem voor me op tafel. Hij schudt zijn hoofd: „De mensen zijn zo bang! Ze doen alles wat Rutte zegt. Ik heb nu veel minder klanten. Hij is niet goed voor ons, werklui. Die andere is beter.“ Ik vraag wie hij bedoelt. „Ach, die met die moeilijke Franse naam. En Wilders, zegt ook wel goeie dingen, al is het een raar mannetje.“ Ik kijk hem geïnteresseerd aan. Maar zo boeiend is de politiek nou ook weer niet. Het gaat al snel over zijn vrienden, vriendinnen, en al de trouwe hondevrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Hij geniet zichtbaar van mijn bezoekje. Na een half uur betaal ik hem en laat hij me uit. Ik bind de kachelplaat stevig vast op mijn bagagedrager. „Ik zie je vast nog wel eens terug!“ zegt hij vol vertrouwen.

Terwijl ik terugfiets over de smalle rustige plattelandsweg, denk ik eraan hoeveel we er mee zouden winnen als dorpen weer hun eigen bestuurders kenden. Als een dorp of wijk niet meer dan 500 bewoners had en eigen kleinschalige bedrijfjes. Dan kent iedereen elkaar. Dan zou de oudijzerboer op straat een praatje kunnen maken met de burgemeester. Hij zou zelfs kennis maken met dat ene Turkse of Marokaanse gezin. Dat ene is immers altijd anders dan de rest! Kleinschaligheid schept vertrouwen. Is dat het niet wat we nodig hebben in deze tijd? Klein beginnen. Gewoon, een bakkie doen bij de ijzerboer.

.

 

.

 

Wie gaat ermee naar Engeland varen

                          .

Dagboekfragment 1998

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

.

Nu Engeland slingerend wegroeit van Europa, vraag ik me af of ik iets gemist heb, omdat ik er eigenlijk nooit ben geweest. Alleen met schoolreisje in de vierde klas was ik er. Ik herinner me het nog wát goed! Ik logeerde bij een gastgezin. Mijn enige herinnering aan die week was, dat we de hele week witte bonen in tomatensaus aten en wittebrood. Van beide walgde ik, dus ik liep de hele week hongerig rond en daarna was ik vijf kilo afgevallen. Van de rest weet ik niks meer, heel Engeland is opgeslokt door het hongerige gat van mijn maag.

Nu verandert er veel voor de Engelsen. Wat zal ik daarvan merken, als ik er heen ga? De witte bonen in tomatensaus blijven vast wel. En de fish en chips, die ze nu allemaal zelf op moeten eten.  Ik zou met de mensen moeten praten, om te weten wat er anders is.
Al heel lang denk ik eraan, om naar Engeland te gaan. Ik zou er uitgebreid de tijd voor willen nemen om alles in me op te nemen. Niet alleen het landschap, de oude bomen en tuinen en de oude engelse liederen die mij wel liggen. Niet alleen om de humor van dichtbij mee te maken en het oude klasseverschil te zien, dat nooit verdwenen is. Maar wat vooral heel handig is, dat je er voorrang hebt met paard en wagen.

Ik heb nu gekozen voor een electrische mover, om mijn huis te trekken. In het volle en gehaaste Nederland leek me dat beter. Maar als ik naar Engeland zou gaan, ooit, dan zou ik het misschien toch proberen, met paarden, en er dan een paar jaar voor uit trekken. Ik zou misschien schrijven en tekenen over wat er op mijn pad komt, net zoals nu, maar dan in een land dat ik nog helemaal moet verkennen. Het is een oude droom, die begon bij de man van wie ik hield.

Mijn man ging dood in 2002. Hij had twee bescheiden wensen, die niet zijn vervuld. Graag wilde hij de Staatsloterij winnen en alle verwaarloosde sluisjes in Nederland laten opknappen en van het slot afhalen zodat iedereen er weer door kon.
De andere was: Inschepen naar Engeland. Met onze antieke tuindersvlet zouden we door al die smalle kanalen varen, tussen de longboats in. Ik ken de smalle lange boten wel, ze zijn typisch Engels en niet breder dan een gangpad. Een enkele keer voeren ze voor onze werfkelder langs, in de Oudegracht en dan renden we meteen naar buiten om te kijken.

Mijn man had iets met Engeland, hij speelde the Beast in het Utrechtse Morristeam. Verkleed als draak daagde hij het publiek uit, terwijl de violen fiddelden en de dansers energiek heen en weer sprongen. Je zag ze van verre, die dansers,met hun kleuren wit, zwart en rood en als je dichterbij kwam, zag je hun tinnen bierpullen her en der aan de kant staan. Regelmatig gingen ze overzee om Engelse teams te ontmoeten, die ook  allemaal hun eigen unieke beast hadden en hun fool, een bonte verzameling! Helaas ben ik daar nooit bij geweest, het moet een vrolijke bedoening zijn geweest, waarbij de ale rijkelijk in hun pul stroomde.

Engeland is een eiland, ik heb ermee kennis gemaakt, op allerlei manieren en ook de Morristeams bestaan nog steeds. Maar nooit ben ik er geweest. Engeland vóór de Brexit zal ik nooit meer kunnen leren kennen. Ik heb geen herinnering aan Engeland, alleen maar de wens er ooit heen te gaan. En die kan vast wel worden vervuld, ook na de Brexit, ooit, een keer… Het kan alleen maar beter zijn dan de eerste keer!

 

 

De tuindersvlet voor anker
in een grindgat,
met puts op de pikhaak
als ankerbol.

 

.

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.

Alexis de Roode (1970)

.

Schoonheid uit een netje

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuten.

.

Dick is er. We staan klaar om naar een concert te gaan, met tangomuziek en hebben ons mooi aangekleed. Ik heb mijn strakke rode vestje aan, en Dick zijn roze blouse. Als je elkaar niet zo vaak meer ziet is het extra leuk om er op uit te gaan en er iets bijzonders van te maken. “Nu mijn pruik nog op,” zeg ik tegen Dick. Ik pruts wat met de kammetjes en het gespje en dan zit de pruik stevig vast, zo goed, dat ik er zelfs radslag mee kan doen. De blonde krullen vallen weelderig over mijn schouder. Met een verleidelijke lach kijk ik naar hem. Hij begint helemaal te stralen. “Oh, wat ben je nu mooi!”
“Misschien moet ik nog iets aan mijn gezicht doen,” zeg ik nog. “Ach nee joh,” antwoordt mijn vriend “Met zulk haar maakt het toch niet uit wat eronder zit.” Zo makkelijk is het dus om een schoonheid te zijn, gewoon een pruik opzetten. (Zonder vindt hij me trouwens ook leuk)

De uitvoering is in een klein charmant kerkje aan de andere kant van Heerenveen. Als ik binnenkom, staat er een mooi geklede dame bij de ingang. Dat moet Sieta Keizer zujn, de zangeres. Ze kijkt me blij aan en groet me allerhartelijkst. “Je bent de mooiste, met dat haar,” fluistert mijn vriend “Dat kan eigenlijk niet, dat moet de zangeres zijn!” Verder komen er bijna alleen maar grijze hoofden binnen. Het publiek is duidelijk 55 plus.
De zangeres is van mijn leeftijd en zingt Friese tangoliederen. Ze heeft een warme stem, die vooral in de uithalen omfloerst klinkt, zoals het past bij een tango. Kay Sleking, de gitarist speelt soepel en subtiel. En wanneer de twee een paar ritmische tango’s spelen, worden we uitgenodigd om te gaan dansen. Dick en ik zijn de enigen die opstaan. We lopen naar achteren, tussen de houten kerkbanken door, en daar, onder het orgel, is ruimte. Ik doe mijn bergschoenen uit en ook mijn beenwarmers. Op sokken schuiven we over de stenen vloer, volledig conconcentreerd. Ik zie de blikken niet van de mensen in de banken en ook niet die van de muzikanten.

Aan het einde van het optreden krijgen de muzikanten bloemen, en wij worden tot mijn verrassing bedankt. Dan stroomt het kerkje langzaam leeg en wij trekken we onze kousen en schoenen weer aan en pakken onze jassen.
Net wanneer ik mijn arm in de mouw wil steken komt er een man van in de zeventig naar me toe, met dun grijs haar. “Heb je een stukje in je haar? Het is zo weelderig!” Ik grijns ondeugend. “Zal ik het laten zien?” vraag ik en de man knikt nieuwsgierig. Met een breed gebaar trek ik in één ruk de pruik van mijn hoofd.
De man lacht, dit had hij niet gedacht. “Het was zo mooi, hoe het over je schouder viel, toen je danste!” zegt hij, het maakt hem kennelijk niks uit dat het niet echt was.
In het gangpad tussen de banken staat de zangeres met een bezoekster. De zangeres wijst naar ons met een knikje en de vrouw kijkt onthutst achterom. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Dick. We lopen naar de muzikanten om ze te bedanken. Ik heb de pruik nog in mijn hand en de blonde zangeres kijkt bewonderend naar de massa krullen. “Hadden we maar zulk haar,” zegt ze verlangend.

Zonder pruik zie ik er weer heel gewoontjes uit. Ik vraag me af, zou ik dat echt willen, zulk haar? Vroeger had ik ook lang haar, geen krullen zoals de pruik, maar wel heel lang en dik, tot over mijn staartbotje. Als ik het los had hangen of een mooi kapsel had, keken mensen ernaar, en spraken erover hoe prachtig het was. Soms leek het wel of ik alleen maar uit haar bestond en niemand mij in het gezicht keek, naar wie ik was. Dat was een reden om het vaak in een staart of vlecht te dragen.
Nee, ik zou niet altijd maar mooi willen zijn. Weelderige vrouwen zien er misschien uit als een prinses, maar kunnen heel eenzaam zijn.

Als we thuis komen haal ik de pruik weer uit de doos, van mijn bagagedrager. Ik prop de krullen tot een balletje en stop het weer in het netje. Als ik weer de show wil stelen, dan ligt  hij klaar. Misschien doe ik dan mijn lange rok aan van rood fluweel, om echt te gaan zwieren en zwaaien. Heerlijk, die schoonheid in een netje, kant en klaar van de plank.

.

.

 

Elke stip is belangrijk

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut en kijk ook nog even hoe ik het opneem, in het filmpje onderaan.

 

Ik was mijn handen in de glazen kom met water en veeg met een vochtige doek de vensterbank schoon. Het is een vertrouwd ritueel aan het begin van een nieuwe werkdag. Ik pak het mapje met schetsen uit de kast en leg ze voorzichtig neer. Ik heb één keer een vetvlek op een pentekening gehad, en een keer een druppel die door de kou uit mijn neus viel. Daar kijk ik nu wel voor uit, dus ik snuit mijn neus en maak alles schoner dan schoon.

Ik kijk naar mijn verzameling. Het zijn er een hele hoop, al die schetsen bij elkaar, wel achtentwintig. Ik laat ze door mijn handen gaan, één voor één, het kaatsveld in Weidum, de zwaaiende koeiestaarten bij boer Auke, de indrukwekkende luchten boven ‘t Bildt… Ga ik ze allemaal in het boek plaatsen? Ik weet het nog niet. Ik bekijk de zes die af zijn. Ik heb een paar verschillende techieken gebruikt, arceren, puntjes zetten, en een eenvoudige tekening van mijn interieur, waar ook grijs potlood in zit. Kan dat wel? Meerdere technieken in één boek?

.

.

Ik pak de pot met pennen en potloden en pik er die ene uit, de allerdunste van 0.2 millimeter. Ik heb hem net gekocht, en ik kan er heel fijn mee werken. Voorzichtig probeer ik hem uit op een schetsblokje. Ik mag niet te hard op de punt drukken, want dan is dat mooie fijne puntje zomaar een platte stompe stip geworden, en ongeschikt voor wat ik wil gaan doen. Ik heb een keer meegemaakt dat een vriendin onverwacht langskwam, terwijl ik nog aan het werk was. Ik was zo blij met haar komst, dat ik uit enthousiasme een keiharde eindstip zette. Oei! Kon ik wéér naar de winkel voor een nieuwe Rothering, met die pennen was ook altijd wat.

Het is stil om me heen. Ik ben op dit moment een soort non. Het hoort bij de herfst en de winter, de tijd om in stilte uit te werken, wat ik in de zomer verzameld heb.
Ik sta aan de vensterbank, met de lessenaar erop ligt het vel precies op de juiste hoogte. Voor me ligt een vel, met alleen potloodlijnen erop. De eerste stip of streep met pen is altijd een spannend moment. Een pentekening is net zoiets als beeldhouwen, wat er staat, dat staat er.

Langzaam vormt zich de afbeelding, tot ik moe word en eindelijk opkijk van het papier. Ik gun mijn ogen rust door naar de horizon te staren. Ik kijk naar de lichte streep aan de einder, onder een egaalgrijze lucht. De Friese wimpel van de buren wappert zachtjes aan de vlaggemast. De wind is zuid oost, zie ik. Ik draai me om, pak een appel van de plank en kauwend kijk ik naar de kwetterende mussen en mezen in de heg.

Even later kijk ik met frisse blik naar mijn tekening en bepaal hoe ik verder ga. Als ik nou dit wit laat, en dát donker maak…. Lichtjes buig ik me voorover en zo groeit het beeld, stipje voor stipje, streep voor streep komt het uit mijn vingers.

.

Het stemgeluid loopt niet synchroon vanwege technische onvolkomenheden. Anders was het onverstaanbaar geweest want ik heb geen los microfoontje aan mijn telefoontje.

.

Niets is ver van mijn bed

.

 

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 minuten. Als je ook de bijlage beluistert, duurt het 15,5 minuut.

 

Hoewel de lucht zacht is, is het winter. Ik luister naar de radio en lees berichten die aan mijn oog voorbij komen. Persoonlijke gebeurtenissen vervlechten zich meer en meer met alles wat er nu gebeurt.
Er zijn nieuwsberichten die blijven doorsmeulen onder mijn hersenpan. Ik wil het doven, ik probeer het uit te schakelen, klik sommige berichten weg, het is té erg. Maar als ik wakker word om vijf uur ’s ochtends, slaap ik niet meer in. En als ik de radio aan doe of op facebook kijk, blijven de berichten stromen, die ik niet kan negeren. Het is als een trommel, als pauken in de verte die almaar blijven slaan, als de torenklok die mensen bijeen roept op het heilige uur en in tijden van nood. En alles draait om één ding: De aarde.

Het is zondag, 12 januari en ik heb net de radio aangedaan. Vroege Vogels is allang begonnen, ik ben laat, het is al negen uur. Meteen dondert het bekende nieuws mijn kamer in, nieuws waarvan ik deze week nog zoveel berichten heb uitgezet. Australië staat in brand. De eucalyptusbossen branden zoals ze nog nooit hebben gedaan. Er is al 6 miljoen hectare in rook is opgegaan. Bijna een miljard dieren is verbrand. Stil lig ik in mijn hangmat te luisteren. De deskundige zegt dat de bossen wel weer aan zullen groeien. Vanuit de wortelknopen groeien ze weer aan, wanneer de brand voorbij is, en vanuit de as zullen de zaden weer uitschieten, zegt hij. Ik luister naar zijn geruststellende stem. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Want nog nooit, in al die eeuwen is er zoveel bos verloren gegaan en het zijn de bossen die het vocht vasthouden, en die maken dat het regent, ver landinwaarts. Dat is het, wat mij zorgen baart.

Zoveel eeuwen worden bossen neergehaald, over de hele wereld, voor bouw en brandhout, en de laatste decennia om de snelgroeiende wereldeconomie ruimte te geven. Liever banen dan bomen, denkt menig landsbestuurder. Ook langs de Australische kust is enorm veel bos verloren gegaan aan verstedelijking. De oorspronkelijke bewoners, de Aborigionals, zijn vermoord of verjaagd en hun kinderen werden weg gehaald en opgesloten in scholen om hun eigen cultuur eruit te rammen. Overheden hebben hun excuses aangeboden.

Maar ditzelfde gebeurt nog steeds op allerlei plekken. Nu worden de scholen niet gefinancierd door de overheid, nu zijn het projecten van grote multinationals, die er goede sier mee maken. “Wij doen hier ontwikkelingswerk, en dragen bij in onderwijs,” zeggen ze. Maar het zijn Factoryschools, talloze kinderen gekleed in uniform worden geleerd dat consumeren het belangrijkste op aarde is. Als ze het redden, en na al die tijd terugkomen bij hun familie, zijn ze dikwijls een vreemde geworden. Vaak kijken ze neer op het armoedige leven van hun ouders. Ze vergeten de waardevolle kennis van hun volk.

Het zijn de inheemse volkeren, die de aarde lange tijd hebben behoed en beschermd. Zij hebben duizenden jaren de bossen beheerd, op grote schaal. Zij brandden in de vochtige tijd gecontroleerd stukken bos af voor nieuwe jonge aangroei. In India werkten ze ook met gecontroleerde branden, en ook de Guarani’s in het Amazonegebied wisten hoe ze het moesten doen.
In Australië ging het duizenden jaren zo, en de dieren pasten zich aan. Ze waren gewend aan het vuur, dat regelmatig terugkeerde en dat de natuur opnieuw een kans gaf. Grote bosbranden werden er door in toom gehouden. Door het in de natte tijd te doen, sloegen de vlammen niet omhoog, maar bleven laag boven de grond. De traag bewegende koala’s konden in de toppen van de bomen vluchten. De aborigionals wisten precies wat ze moesten doen. Het is zo bijzonder dat zij dit konden! Waarom is er nooit naar ze geluisterd? Wat hier gebeurt is hetzelfde als wat in vele landen plaatsvindt. Kostbare inheemse kennis dreigt verloren te gaan en ook de zogenaamde Factoryschools dragen hieraan bij.

Het is de hoogste tijd om inheemse volkeren hun stem terug te geven. En het is tijd om te stoppen met voedsel en spullen te kopen dat met enorme containerschepen wordt aangevoerd over de oceaan.

Ik doe wat ik kan en wat ik leuk vind. Ik steun politieke acties, eet wilde planten of koop mijn maaltijd bij de biologische kweker uit de buurt. Vlees eet ik zelden, ik weet, voor het gangbare veevoer wordt oerwoud gekapt. Verder heb ik weinig nodig. Mijn huisje is zo klein, er past ook niet veel in. Ik koop kleren die lang meegaan, het liefst tweedehands. Het is altijd een plezier om daar iets moois te vinden en het in mijn superkleine kledingkastje te kunnen leggen. Ik leef in een rustig tempo en bewonder de wereld om me heen, zodat ik weinig behoefte heb aan verre vakanties. Ik werk liever in een tuin, dan dat ik me als een toerist gedraag. Dit weekend ben ik Earth protector geworden, en schonk een bedrag aan het fonds dat Polly Higgins heeft opgezet. Advocaat van de aarde werd ze genoemd en ze is dit jaar aan kanker overleden. Zij besefte óók hoe belangrijk inheemse volkeren zijn.

Alles waar ik nu over schrijf, lijkt ver van ons bed. Maar míjn bed is een bungelbed, het beweegt en loopt door naar buiten, via een luik boven de deur. Zelfs slapend heeft mijn bed al bungelend contact met de wereld buitenshuis! Niets is ver van mijn bed. En in de ochtend open ik de luiken en haal diep adem. Ik weet: De lucht die ik inadem cirkelt de hele aarde rond en de regen die in druppels neervalt, heeft al een hele route afgelegd. Alles wat ver lijkt, is eigenlijk heel dichtbij. Ik ben niet alleen op de wereld. Nooit.

https://time.com/5686184/indigenous-lesson-climate-change/

 

BIJLAGE

Het trauma van de inheemse volkeren en een waardevol alternatief:

Zo is het gegaan. “Ik keek naar buiten, mijn moeder zwaaide met haar armen, en ze moet gehuild hebben want ik zag mijn vader haar vastpakken en ik vroeg me af waarom, waarom mijn moeder het moeilijk had.” Lynda Pahpasay McDonald was pas vijf jaar oud toen ze werd losgerukt van haar familie Ojibwe en naar een van de beruchte Indiase woonscholen van Canada werd gestuurd. Meer dan 6.000 kinderen stierven in de woonscholen van Canada – dat is één kind op elke 25 die deze instellingen bezocht. Overlevenden en hun families zijn tot op de dag van vandaag getraumatiseerd en kampen met een hoge mate van psychische aandoeningen, verslaving en zelfmoord. Soortgelijke scholen hebben verwoestende gevolgen gehad voor inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australazië. Het lijkt ondenkbaar dat dergelijke scholen vandaag zouden kunnen bestaan, maar op dit moment zijn er duizenden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als de brutale kostscholen die in de VS bestonden, hebben deze “Factoryschools” als doel tribale kinderen te “herprogrammeren” om zich te conformeren aan de dominante samenleving. Deze systematische culturele uitwissing vermomd als onderwijs, brengt miljoenen kinderen, hun families en gemeenschappen wereldwijd schade toe. Veel inheemse kinderen in fabrieksscholen lijden vandaag de dag onder emotionele, fysieke en seksuele mishandeling en het verlies van het gezins- en gemeenschapsleven.

Maar er is een andere manier: wanneer inheems onderwijs in inheemse handen is, kunnen kinderen, families en stammen samen hun potentieel verkennen en floreren. (Op die manier kunnen ze hun waardevolle kennis ook aan óns doorgeven!) Survival International voert campagne om een ​​einde te maken aan Factory Schooling en inheemse kinderen het onderwijs en de toekomst te geven die ze verdienen, onder hun eigen hoede. Het is tijd om krachten te bundelen en in te zetten voor de aarde.

.

.

Geschat aantal inheemse kinderen in Factoryschools in belangrijke landen vandaag:
Bangladesh 290.000
Botswana 7.000
India 1.000.000
Indonesië 1.000.000
Maleisië 130.000
Rusland 40.000
Totaal voor deze landen 2.467.000

Bron: https://www.survivalinternational.org/factoryschools

 

Contact met de wereld.

 

.

.