Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt zes minuten.

.
Er was eens een man die een mooi stuk grond had geërfd. Het lag tussen bloemenweiden en rotspartijen, met een prachtig uitzicht op het meer dat beneden aan de voet van de berg lag. Hij was er van jongs af aan opgegroeid. Een plek om volmaakt gelukkig te zijn. Dat wilde de man ook. Dat iedereen hier gelukkig was. De beek die erlangs stroomde was helder en koel. De grond was al eeuwenlang familiebezit. Zonen of dochters had hij niet. Wel had hij een goed hart. Als mensen geen verblijfplaats hadden konden ze blijven. Daar vroeg hij dan wat geld voor, zodat hij zichzelf en de plek kon onderhouden. Sommigen kwamen alleen om een tijdje tot rust te komen en zich onder te dompelen in het verfrissende water. Anderen bleven langer en vertrokken zodra hun kansen wederkeerden. Maar enkele mensen bleven en bouwden aan hun huis. Er werden palen in de grond geslagen. Beter moest het worden en groter. Ze vergaten dat ze te gast waren en begonnen eisen te stellen. Met het zweet op hun voorhoofden stonden ze voor zijn deur. Het was niet genoeg. Ze wilden meer. De man keek hen aan en rechtte zijn rug. Ik ben hier nog steeds de baas, zei hij, en meer krijg je niet. Maar het geroep ging door: Jij moet zorgen dat we hier altijd kunnen blijven in onze huizen. Jij heb toegestaan dat wij hier bouwden en wij hebben veel geïnvesteerd! Het land had natuurlijk ook in de toekomst zorg nodig. Dat wist de man, dat wisten de mensen. Ten slotte had hij geen kinderen en die zouden ook nooit meer komen. Geef je een vinger, willen ze je hele hand, dacht de man en zijn antwoord was duidelijk. Zolang ik nog niet dood ben, ben ik hier de baas, herhaalde hij en sloot de deur. Daar konden ze het mee doen. Er klonk gegrom. De mensen konden niet wachten, ze wilden zekerheid en zelf de baas zijn. Keer op keer kwamen ze terug en er kwam ruzie. Ze verkochten hun huis en kwamen nooit meer terug.
Gelukkig waren er ook genoeg die geen eisen stelden. Ze bakten broden, planten bomen ter beschutting, voerden actie voor hun prachtige meer beneden aan de berg en zongen liedjes over de vrede. Rustig gingen zij hun gang en keken met elkaar op het bankje naar de zonsondergang. Wij zijn hier zolang als het duurt zeiden ze en liepen terug naar hun eenvoudige hutten. Ze zorgden goed voor de plek zonder al te veel aan zichzelf te denken en de tijd was hun welgezind. De vogels en andere wilde dieren waren hen vertrouwd en de dorpelingen bij het meer waren blij met het voedsel dat ze verbouwden op de kleine akker. Jaar na jaar ging voorbij. En zo kwam het dat de man hen zijn vertrouwen gaf. Hij legde vast dat zij en hun nageslacht er altijd konden blijven wonen. Het werd een geliefd pelgrimsoord voor mensen onderweg. In harmonie leefde men er samen, precies zoals de man had gewild. Hij werd heel oud en stierf met een glimlach op zijn gezicht. Nog altijd zie je daar het kleine dorp, als een parel op de berghelling, boven het meer dat steeds helderder in de zon ligt te stralen.
.