Een hoopvol jaar

Nieuwjaarstoespraak 2024

.

.

Het nieuwe jaar biedt ons nieuwe hoop. Licht gloort aan de horizon. Dit jaar zullen alle mensen tot inzicht komen dat geweld geweld oproept. Dat alles wat ze een ander aandoen, op een dag dubbel en dwars tegen hen zal keren. Na een blikseminslag uit de kosmos zullen wereldleiders zeven weken wakker liggen en om dan eendrachtig te verklaren dat vrede de enige oplossing is. Puin wordt geruimd, gekwetsten krijgen zorg. Inheemse volkeren krijgen eindelijk de waardering die ze verdienen. Het Amazonewoud wordt gered. De mijnaktiviteiten worden gestopt, de illegale ontbossing neemt een keer. Elke wereldbewoner vindt vrienden en buren naast zich en hoeft nooit meer weg omdat het klokje thuis tikt zoals het nergens tikt. Het aantal wereldbewegingen neemt af en de olieconcerns besluiten dan ook dat het geen zin meer heeft om door te gaan met de fossiele brandstoffen. Lokale handel floreert, en de kringloopeconomie komt volledig op gang. De ziekenhuizen lopen leeg en de buurthuizen lopen vol. Er wordt gezongen en gezaaid. Niemand fietst nog met doppen in zijn oren en mensen groeten elkaar op straat. Het spitsuur is zo gezellig dat iedereen te laat op zijn werk is, en omdat iedereen meedoet, vindt niemand het erg. Rozen zullen weer geuren, bijen zullen zoemen. Alles wat zich terugtrok in zichzelf, opent zich. De hele schepping heelt. Een gelukkig 2024!

Nieuw jaar, nieuw boek

De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.

.

Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.

Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.

Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”

Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.

Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.

.

Het riet

Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit.
Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.

Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes.
Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd.
Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.

Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!

Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!

(Een bekend Perzisch spreekwoord.)

Luisteren? Klik hier.

Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.

Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029

Levensdraden en oude stenen

Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. En toch zijn de oude verhalen nog zichtbaar. Als je de tijd neemt.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de trein naar het Zuiden. De lucht is helder, de weiden wit, en de sloten zijn bevroren. Waar het land hoger wordt, in de buurt van de zandgronden en de bossen, daar zie ik het landschap letterlijk verdwijnen. Het is een dichte wolk, een mist die alles omhult. Ik zie het dichterbij komen en dan verdwijnen we zelf. Van het ene moment op het andere zien we niks meer. En terwijl ik verder reis, raken we de mist niet meer kwijt. Soms lijkt het wel of het met alles zo is. Dat alles in een mist verdwijnt. Het echte voelbare, tastbare.

Ik kom terug in Utrecht, na meer dan een jaar, de tussenpozen duren steeds langer. Ik hoor welke mensen er zijn verhuisd en doodgegaan. Grote bomen hebben plaatsgemaakt voor kleinere. Langzaam veegt de tijd zijn sporen in het bestaande. Kades liggen zonder de vertrouwde boten, want dat mag niet meer. De terrassen zijn van nog meer luxe voorzien. Ambachtelijke werkplaatsen zijn bijna niet meer te vinden. De stad wordt netter, er zijn verkeersborden bijgekomen en de rommeligheid van het bedrijvige verleden wordt stukje bij beetje uitgewist.
Maar toch blijft het bestaan. Het verleden van een stad, als een sluier over het bestaande. De verhalen in de mensen, in de oude stenen zijn er nog. Je kan de stad zien, als door de tijden heen, maar dat lukt je alleen als de stad je eigen is en als je de tijd neemt. Ik hou van Utrecht. De stad hoort bij me. Het zijn de verhalen die ik jarenlang vertelde en de vele kostbare momenten uit mijn stadse leven. Nooit in mijn leven heb ik zoveel mensen gekend als hier. Ik heb er mijn grote liefde ontmoet en verloren. Honderden rondes heb ik gevaren door de grachten, als gasten ontvangende schipper. Werven, muren, bomen en de glinstering in het water, alles heb ik uitgetekend met eindeloos veel zwarte lijntjes op papier. Maar ook de stad zelf heb ik gevonden en in mijn hart gesloten. Overal zijn hoeken en straten met een verhaal, persoonlijke verhalen, verhalen van vrienden, verhalen van de stad zelf. Als ik er rondloop borrelt het één voor één omhoog. Nu ik er niet meer woon, besef ik dat geen enkele stad me ooit zo vertrouwd zal zijn als deze. Het is als een relatie die je heel lang hebt gehad, voor je om één of andere reden toch uit elkaar gaat. Het is nooit verdwenen, het blijft deel uitmaken van wie je bent.

Het gevoel van het land, het sociale netwerk en hoe dit met elkaar verweven is. Draden die jou daarmee verbinden. Dat gaat door.

Maar de stad van toen komt nooit meer terug. Plekken en mensen veranderen en verdwijnen. Dat is niet erg, het is zoals het is. Maar het zijn niet alleen mensen die weggaan en sterven. Niet alleen dat vriendschappen verwateren en klanten die nooit meer zullen meevaren in mijn boot. Het is iets groters dan mijn persoonlijk leven. Iets wezenlijks dat verandert, overal. Met elke seconde die het leven sneller gaat, wordt het tegelijkertijd vluchtiger. En dat vind ik alarmerend. Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. Mijn grote liefde hoorde ook bij het oude. Hij was als een middeleeuwer en zou zich compleet verdwaald hebben gevoeld tussen al die snelle fietsers met telefoons in de hand. Ook hij leefde in die heilige traagheid. Hij kon niet anders. Wij waren als een afdrijvende oase van wat ooit algemeen was. Werkers met vuile handen, die tijd nemen voor een praatje tussendoor.

Hier in het Noorden is het nog te vinden. Bedrijvigheid zonder overdreven haast. Dorpelingen zijn al generaties lang met elkaar vertrouwd, en hebben hun tradities. Hier zijn de gelukkigste mensen van Nederland zeggen de statistieken, hoewel ze het minste geld hebben. Ze noemen het “De Friese Paradox”. De vraag is hoelang het blijft. Er wordt gewerkt aan meer wegen, meer huizen en treinverbindingen. Het leven wordt sneller. Wat leveren we ervoor in?
Het maakt op een gegeven moment niet meer uit waar je woont, je kan overal plezier hebben en een baan vinden, je hobby’s doen en er is altijd wel ergens een vertrouwde Hema of een sportschool. Maar de anonimiteit wordt groter. Juist nu, tussen al die parkeerplaatsen, bedrijventerreinen en grote ketens, hebben we mensen nodig die eigenheid uitstralen en die levensdraden weven. Die deel uitmaken van de oude verhalen en ze kunnen uitdragen.
Wat wegzakt duikelen we op. We trekken aan de draden die losraken in het weefwerk van het leven en zetten ze vast met een persoonlijke steek. We weven er nieuwe tussendoor, glinsterend als water. Overal zijn scheppers en mensen die onderhoud plegen, op talloze manieren. Eens zal blijken wat er over is en blijft, van dat wat echt en wezenlijk is. De oude bodem van het bestaan. De bodem, die alles draagt, doorweven van wortels, de enige duurzame toekomst.

.