Wie gaat ermee naar Engeland varen

                          .

Dagboekfragment 1998

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

.

Nu Engeland slingerend wegroeit van Europa, vraag ik me af of ik iets gemist heb, omdat ik er eigenlijk nooit ben geweest. Alleen met schoolreisje in de vierde klas was ik er. Ik herinner me het nog wát goed! Ik logeerde bij een gastgezin. Mijn enige herinnering aan die week was, dat we de hele week witte bonen in tomatensaus aten en wittebrood. Van beide walgde ik, dus ik liep de hele week hongerig rond en daarna was ik vijf kilo afgevallen. Van de rest weet ik niks meer, heel Engeland is opgeslokt door het hongerige gat van mijn maag.

Nu verandert er veel voor de Engelsen. Wat zal ik daarvan merken, als ik er heen ga? De witte bonen in tomatensaus blijven vast wel. En de fish en chips, die ze nu allemaal zelf op moeten eten.  Ik zou met de mensen moeten praten, om te weten wat er anders is.
Al heel lang denk ik eraan, om naar Engeland te gaan. Ik zou er uitgebreid de tijd voor willen nemen om alles in me op te nemen. Niet alleen het landschap, de oude bomen en tuinen en de oude engelse liederen die mij wel liggen. Niet alleen om de humor van dichtbij mee te maken en het oude klasseverschil te zien, dat nooit verdwenen is. Maar wat vooral heel handig is, dat je er voorrang hebt met paard en wagen.

Ik heb nu gekozen voor een electrische mover, om mijn huis te trekken. In het volle en gehaaste Nederland leek me dat beter. Maar als ik naar Engeland zou gaan, ooit, dan zou ik het misschien toch proberen, met paarden, en er dan een paar jaar voor uit trekken. Ik zou misschien schrijven en tekenen over wat er op mijn pad komt, net zoals nu, maar dan in een land dat ik nog helemaal moet verkennen. Het is een oude droom, die begon bij de man van wie ik hield.

Mijn man ging dood in 2002. Hij had twee bescheiden wensen, die niet zijn vervuld. Graag wilde hij de Staatsloterij winnen en alle verwaarloosde sluisjes in Nederland laten opknappen en van het slot afhalen zodat iedereen er weer door kon.
De andere was: Inschepen naar Engeland. Met onze antieke tuindersvlet zouden we door al die smalle kanalen varen, tussen de longboats in. Ik ken de smalle lange boten wel, ze zijn typisch Engels en niet breder dan een gangpad. Een enkele keer voeren ze voor onze werfkelder langs, in de Oudegracht en dan renden we meteen naar buiten om te kijken.

Mijn man had iets met Engeland, hij speelde the Beast in het Utrechtse Morristeam. Verkleed als draak daagde hij het publiek uit, terwijl de violen fiddelden en de dansers energiek heen en weer sprongen. Je zag ze van verre, die dansers,met hun kleuren wit, zwart en rood en als je dichterbij kwam, zag je hun tinnen bierpullen her en der aan de kant staan. Regelmatig gingen ze overzee om Engelse teams te ontmoeten, die ook  allemaal hun eigen unieke beast hadden en hun fool, een bonte verzameling! Helaas ben ik daar nooit bij geweest, het moet een vrolijke bedoening zijn geweest, waarbij de ale rijkelijk in hun pul stroomde.

Engeland is een eiland, ik heb ermee kennis gemaakt, op allerlei manieren en ook de Morristeams bestaan nog steeds. Maar nooit ben ik er geweest. Engeland vóór de Brexit zal ik nooit meer kunnen leren kennen. Ik heb geen herinnering aan Engeland, alleen maar de wens er ooit heen te gaan. En die kan vast wel worden vervuld, ook na de Brexit, ooit, een keer… Het kan alleen maar beter zijn dan de eerste keer!

 

 

De tuindersvlet voor anker
in een grindgat,
met puts op de pikhaak
als ankerbol.

 

.

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.

Alexis de Roode (1970)

.

Een stille mijlpaal van lang geleden

 

De tekening is van 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 10 min. En vergeet niet naar de onderstaande dagboekfragmenten te kijken, na afloop.

.

Het is heerlijk rustig in huis. Ik hou van de wind, als ik erin fiets, of aan de dijk sta. Ik neem hem voor lief, wanneer hij dagenlang tegen mijn kleine huis aan beukt, precies vanuit het zuidwesten, waar geen beschutting is. De dikke deken, die nu voor mijn achterdeur hangt, beweegt dan zachtjes. Ik ben blij dat ik de wind buiten kan houden, dat ik een huisje heb. Maar nog blijer ben ik als de wind is gaan liggen.

Ik wil me opnieuw concentreren voor de volgende fase van mijn boek. Hoe meer ik me concentreer, hoe beter het wordt. Dat is de hele clou. Dus ik klap de laptop dicht en kijk bewust niet naar de nieuwsberichten. De afgelopen dagen is er weer veel stof opgewaaid, ik heb de discussies gevolgd en meegedaan, ik heb gezegd wat ik wilde zeggen en laat het nu bezinken. Ik hoef niet al het nieuws op de draad te volgen, liever kijk ik af en toe, zodat ik op gepaste momenten een beeld kan maken van het geheel en mijn aandacht niet vervliegt in de stormen van deze tijd. Niemand heeft wat aan me, als ik gespannen in bed lig te staren en me druk maak om iets, waar ik op dat moment niks aan kan doen.

Mijn interesse gaat bijna altijd over de aarde en hoe we daar mee om gaan. Het gaat over boeren en het gaat over bouwers en waar ze hun grondstoffen vandaan halen, het gaat over water, of we het vasthouden of laten vloeien, het gaat over mensen die zich verbonden voelen met hun grond en die ze maar al te vaak moeten verliezen. Ik heb niet veel met reizigers, die zoveel mogelijk indrukken willen opdoen, overal en ergens. Ik bewonder het rijke palet aan culturen en luister naar wat er elders gaande is. Maar ik hoef er niet per se naar toe. Mensen noemen mij een reiziger, denken dat ik dat ben. Ik denk dat ik dat helemaal niet ben. Mij boeit de band die mensen hebben met wat er híer is. Met elkaar moeten we het klaarspelen. Wij hier, zij daar en altijd wetend van elkaar. Ik heb dit vanaf mijn pubertijd beseft en ik wist ook dat het niet makkelijk zou worden. Ik herinner me één speciaal moment.

Het is 1981, ik ben zestien en loop door het Emmeloordse bos, over het brede grindpad. Ik loop langs het gras naast de eendevijver en het hertenkamp. Mijn lange haar licht op in de zon, sinds ik van meisje tot vrouw opgroeide, werd het tot mijn verassing opeens twee keer zo dik. Niet dat ik er de show mee steel, ik houd me daar niet mee bezig. Nee, het is iets anders wat me boeit. Ik heb een boekje, lichtgrijs met subtiele rode letters, een heel klein boekje, van Tagore. Ik vond het in de weggeefmand van de bieb en nu heb ik het heel vaak bij me. Het past precies in mijn jaszak. Tagore is een dichter en filosoof uit India en er staan korte tekstjes in die me de wereld laten zien alsof ik een vogel ben of een vlinder. Maar ook maakt het inzichten bij me los. Ik denk er graag over na en weet dat ik slechts te gast ben op deze aardbol.
Ik voel het boekje in mijn zak en loop naar het kleine veld verderop. Ik stap tussen de bloeiende paardebloemen door naar de picknicktafel, die in het midden staat, ik klim  erboven op en ga op het randje zitten. Mijn benen bungelen naar beneden.
Ik kijk over het veld en sta stil bij het moment. Ik kijk naar de zon die boven de bomen uitklimt, hoger en hoger in zijn baan. Wie ben ik? Ik was een creatief kind met veel vriendinnen. Nu zit ik hier, alleen, als dromerige tiener en ik heb nog maar weinig meegemaakt. Langzaam zie ik hoe de wereld is, kaalslag, oorlog en vluchtende volkeren, het smerige geld waar alles om draait. Het maakt me stom van verbazing en ik kan er niet over uit dat het is zoals het is. Maar toch wil ik hier mijn weg in maken. Ik heb iets te doen, al weet ik nog niet wat. Wat moet ik nog veel leren, denk ik, wiebelend met mijn benen over de rand van de dikke tafel. Ik zie hoe de zon achter een kleine wolk verdwijnt en mijmer. Ik kan een dromer blijven, denk ik bij mezelf, en altijd op picknicktafels naar de zon, het bos en het water blijven staren. Maar dat wil ik niet. Ik kies ervoor om te leven en ik zal elke uitdaging aangaan, die ik nodig heb. Even houd ik mijn adem in. Tjee, denk ik, dat is nogal wat. Ik kruip naar het midden van de tafel toe en leg mijn benen in kleermakerszit. Een tijdje sluit ik mijn ogen, geniet van de zon in mijn gezicht en luister naar de wind in de boomtoppen. Dan pak ik het boekje uit mijn zak en sla ik het open. Op de kleine bladzijde staat maar één ding.

“Je kunt de zee niet oversteken door alleen naar het water te staren.”

Ik kijk getroffen op, klap het dicht zonder er bij na te denken en haal diep adem. Ik staar naar de grijze kaft. Tagore slaat de spijker op zijn kop. Ik kijk weer op, aan de overkant van het veld loopt een man voorbij, hij kijkt niet op of om. Ik stop het boekje terug in mijn zak en klauter van de tafel af om verder te lopen, het veld in, het pad op. Er is net onderhoud gepleegd en het grind knerst onder mijn schoenen. Knersend gaan mijn voetstappen voort, de bekende bocht om en verder, tot waar ik niet meer kijken kan.

(Wordt vervolgd)

.

Hier volgen verschillende dagboekfragmenten uit 1980 (Ik was toen vijftien en letterlijk met stomheid geslagen toen ik me bewust werd van de wereld waarin ik terecht gekomen was.)

.

.

 

.

 

.

.

.

https://www.ad.nl/opinie/boer-komt-klem-te-zitten-door-vrije-wereldhandel~a520c8cc/

.

Als tegenhanger van deze serieuze kost luister ik naar een voorleesboek van Roald Dahl: De GVR

Waar ben ik eigenlijk

 

.

Klik hier om te luisteren naar het voorgelezen verhaal van 7,5 min.

.

Ik loop over het rode grind naar de tuin, die achter het huis ligt. Er is een smal paadje tussen de buitenmuur en de bosjes ernaast, waar je precies tussendoor kan met een kruiwagen. Maar ik heb geen kruiwagen, ik heb een spade in mijn hand. In de andere draag een emmertje, met een deksel erop. Je zou het heel chique een ecotoilet kunnen noemen of iets minder chique, een compostemmer. Maar eigenlijk is het gewoon een emmertje met zaagsel en poep, met een goed sluitende deksel. Het is klein genoeg om onder de plank onder mijn bed te stoppen.
Ik loop het hoekje om en duik de bosjes in, daar ligt een heuveltje los zand. Ik zet de spade in de grond om een kuiltje te maken. Zand! Ik moet er aan wennen, opnieuw zandgrond te voelen, na anderhalf jaar klei. Ik steek de spade in de aarde en zie dat de wurmen mijn vorige donatie al gevonden hebben. Daar ligt al wat, ik moet iets verder op scheppen. Ik steek twee keer, dan is het kuiltje diep genoeg. Ik gooi de emmer leeg, klop een paar keer op de bodem om het laatste vochtige zaagsel eruit te krijgen. Dan gooi ik de lege emmer naast me neer en schep de donkere aarde terug over mijn vruchtbare bijdrage aan deze prachtige tuin.
Dit is de plek waar ik ben. Elke plek is anders, door langer op een plek te zijn leer je het land veel beter kennen dan wanneer je er vluchtig, als een toerist, voorbij trekt. Waar ik nu ben, dat is dit oude hoogveengebied, dat al lang geleden is afgegraven.

Ik kijk naar een site over geologie, daar is een kaart, waarop ik de samenstelling van de bodem kan uitzoeken. Ik ben nu vlakbij Heerenveen. Er is hier tot 1.80 M zand, daaronder kiezelig leem en klei.

Dit is niet meer het gebied van de zee, dit behoorde tot een uitgestrekt kustgebied. Eeuwenlang lagen hier grote veenmoerassen, plekken vol muggen, met talloze vogels tussen het riet, de gagel en de elzenbosjes. In het natuurgebied hier vlakbij kan je nog een beetje zien hoe het was. Dit soort plekken worden vaak kunstmatig in stand gehouden, als er teveel elzenbosjes in het riet gaan groeien, worden ze verwijderd, net als de bomen op de Brabantse hei. Zoals het was, zo moet het blijven.
Ik loop graag in het natuurgebied, tussen het riet. Maar in een land met elzenbosjes had ik me ook prima gevoeld. Het mooiste is de bodem. De grond is hier pikzwart van verteerde plantenresten. Indrukwekkend! Gek, ik kwam er pas later op, om de grond te voelen, ik woonde hier al twee weken. Toen ik de grond in handen had, merkte  ik het op, goh, hoe kon ik dit nou vergeten! Pas als ik de grond heb gevoeld, dan ben ik er echt, dan ben ik waar ik ben. Elke bodem  verdient het om gezien, verkend en gerespecteerd te worden.

Er zijn nog meer manieren om het land te verkennen, wetenswaardigheden, die je niet direct kan zien. Zo zoek ik altijd even de hoogte uit, ten opzichte van het zeeniveau. Hoewel ik de zeeklei verlaten heb, is deze plek toch niet vrij van water, bij een overstroming. Er staat hier maximaal vijftig centimeter, ontdek ik, Heerenveen ligt dan precies langs de nieuwe kustlijn. Voor Annemarie is dat rot, dan moet ze naar de zolder vluchten, net als veel andere mensen. De vogels en de dieren kunnen hier wel een toevluchtsoord vinden, op de berg stenen bij de Vries, in bomen, op auto’s en karren, op daken van schuurtjes. Als het maar niet te lang duurt. Voor mijn huisje kan het net, als de golfslag niet te groot is. De wielen zijn zestig centimeter hoog, en als ik tegels onder de assen leg, sta ik nòg hoger. Dan wordt mijn huis net een boot, een boot die op de bodem staat.

Waarschijnlijk ben ik allang verdwenen, als het hier ooit onder stroomt. Maar nu ben ik er nog. Ik sta voor het raam. Een koolmees balanceert op de waslijn, vlak voor me. Ik kan hem recht aankijken en houd mijn adem in. Zolang ik niet beweeg, blijft hij wel zitten. Ik kijk naar de kleine kraaloogjes en geniet.

Bekijk hier hoe jouw landschap is veranderd

Klik hier om uit te zoeken wat jouw ondergrond is.

Klik hier om uit te zoeken hoeveel je overstroomt.

.

Nederland onder zeeniveau.