Terug naar de diepe kracht (Back to the deep power)

.

Gemaakt op 21-10-15

.

Om het groene pad van de toekomst in te slaan spreken we de diepe kracht aan, die in elk mens nog steeds is. Laten we niet alleen in abstracte begrippen denken en in termen van technologie, maar de magie terugroepen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

.

Vaak kan ik me storen aan het begrip “De mensheid”. En vooral als iemand zegt: “De mensheid maakt de wereld kapot. Zo is het en zo is het altijd geweest.” Dat is een zeer beperkte aanname. Sowieso bestaat “De mensheid” niet. Het is een abstract woord. Onze soort is een bonte verzameling van culturen en mensen, die allemaal verschillend met de aarde omgaan. Nu, op dit moment, is de moderne beschaving dominant. Maar duizenden jaren ging het anders en het kan wéér anders. Ik las een boek van Karen Armstrong, “Heilige natuur”, waarin ze ons oproept om dat deel van onszelf aan te spreken dat zich niet afscheidt, maar de verbinding aangaat met de natuur.

“We zijn ondergedompeld in het stadsleven en trekken ons steeds meer terug uit de wereld van de natuur in de richting van de technologie” schrijft Karen Armstrong. “Waar wij een reeks afzonderlijke wezens en verschijnselen opmerken, zien tribale volken een continuüm van tijd en ruimte, waar dieren, planten en mensen allemaal doordrenkt zijn van een blijvende heilige kracht die hen tot een geheel samenbrengt. Duizenden jaren lang, ver voor de ontwikkeling van de stedelijke beschaving, was dit waarschijnlijk hoe de meeste mensen de natuurlijke wereld ervoeren.”
Is dat zo? Moet ik duizenden jaren terug om dat zo te ervaren? Ik dacht het niet. Ik voel het elke dag, als ik haar goed begrijp. De enige voorwaarde is dat ik in de langzame tijd stap. De gewortelde tijd. Niet denken in agenda’s en plannen, maar “Zijn”. De ene dag lukt dat beter dan de andere. Maar elke ochtend neem ik er de tijd voor, door mij onder te dompelen in het Swettewater dat daar al honderden jaren stroomt. Het is een onmisbaar ritueel dat mijn hele dag anders maakt.

De steiger is nat. Op de oude planken groeit mos en ze buigen door als ik erop loop. Even later glijd ik het water in. De wind maakt golfjes. Ze maken me gelukkig. De bruine kleur van omgewoelde modder is verdwenen. Het oppervlak is donker en helder. Er zijn geen boten meer, geen waterscooters, die voorbijkomen. Goddank, de Swette is weer van zichzelf. De dorpelingen zijn de enigen die haar nog bezoeken, ze komen baden in het koude water, net als ik. De Swette is weer van zichzelf en wij horen bij haar. Was het altijd maar zo. Bleven al die anonieme mensen maar rustig thuis, in plaats van overal in volle vaart heen te willen. Ik dompel onder, tot mijn nek net onder water is, mijn hoofd naar voren gebogen. Met mijn gezicht in het frisse nat adem ik uit. Ik voel de belletjes bubbelen tegen mijn huid. Ik voel het water om me heen, dat onmerkbaar langs mij stroomt. Ik geef het water mijn hart mee. Ik geef het aan de visdiefjes in hun snelle duik, aan de vissen en de kikkers. Mijn hart stroomt mee naar het Ijsselmeer. Mensen en dieren drinken het. Het oppervlak verdampt in de zon, tot het dikke wolken zijn, waar het kind naar wijst. Achter het raam drukt hij zijn neus tegen het glas. Het is een dichte motregen, die in vlagen tegen het gezicht slaat. Een oude man fietst stevig door en buigt zich met toegeknepen ogen over zijn stuur. Ik zie ze, allemaal. Ik geef mijn hart aan dezelfde regen die de aarde vochtig maakt. Aan de bomen die het gretig opnemen en hun wortels laten groeien, dieper en dieper. Ik ben één met het groeien en de schepping om mij heen. Langzaam stap ik uit het water, droog me af, kleed me aan, ga terug. Ik loop langs de kleine fruit en notenbomen, die klaar staan om een plek te krijgen. In de kruiwagen staat een plasje. Het begint harder te regenen. De schapen eten door, weer of geen weer. Eentje schudt zijn vacht en de druppels spatten in het rond als kristallen. De reigers staan verspreid tussen hen in. Stil staan ze daar, als standbeelden van deftige heren in loodgrijze pakken. Ze heffen oplettend hun kop als ze me zien. Stil loop ik naar huis.

Nee ik hoef geen foto van ze te maken om te tonen hoe ze er uit zien. Het gaat niet om hoe ze heten en onder welke familie ze vallen. Nu gaat het om meer, om iets anders, iets wat niet zichtbaar is in een digitaal plaatje of vogelboek. Ik kan proberen iets ervan in een tekening uit te beelden. (Zie hierboven). En dan nog blijft er een sluier, die het geheim omhult. Het is de macht die in alles aanwezig is. Het wonderlijk mysterie dat je alleen ziet als je er niet naar op jacht gaat. In het Midden-Oosten was Ilam de schitterende kracht die elke afzonderlijke godheid te boven ging. In India was er brahman, de heilige energie die dieper ging dan de deva’s, de goden die in de natuur aanwezig zijn maar geen macht over de natuurlijke orde hebben. In China heette het tao, de weg van de kosmos. (Karen Armstrong)
Nee, ik geloof niet in een mensheid die het heilige in de natuur niet meer ervaart. Ik geloof dat het ergens in iedereen, nog steeds aanwezig is, de poëzie, het lied van leven, het mysterie. En met elkaar maken we verhalenpaden, paden om de weg weer terug te vinden. Via kennis en rituelen uit het verleden vinden we het groene pad van de toekomst.

Wees weer kind, zie de wonderen. Het komt.

NEDERLANDS:

ENGLISH:

To embark on the green path of the future, we address the deep power that still resides in every human being. Let’s not just think in abstract terms and technology, but recall the magic. (Read also “Sacret Nature” from Karen Armstrong)

https://www.nieuwwij.nl/opinie/recensie-van-de-heilige-natuur-van-karen-armstrong/

Luisteren naar waterland (Listening to waterland)

.

.

Ik zwem in water en denk aan water. Water voor de blinde en water voor het land. Water voor de wormen en water op het zand. Vennen die weer vollopen en vissen die weer zwemmen. Plassen in het veld, die plas mogen zijn. Glooiingen en kommen in het landschap, waar de blinde naar mag luisteren.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

.

Ooit hoorde ik een radio interview met een blinde man, die in de regen stond. Hij vertelde met warme stem hoeveel hij hield van dit geluid. Het was de enige manier waarop hij het land kon zien! Zelfs de glooiingen in het grasveld kon hij onderscheiden door de neervallende druppels. Maar deze zomer van 2022, het was zó droog… Dat zal voor hem extra moeilijk zijn geweest.
Ik denk aan de blinde, wanneer ik in de regen langs de Swette loop. Zou hij, als hij hier naast me liep, het water in de Swette kunnen horen? En ook het riet dat de oever omzoomt? Zou hij de hoge schietwilgen en kunnen onderscheiden, en de kort gemaaide weiden? De bloeiende klaver ziet hij niet, dat zou ik hem moeten vertellen. Rode stippen in het groen, het blad glinsterend van de regen.
De druppels worden dichter en ik maak mijn passen groter. In mijn handen heb ik de muizenval, omhuld met een handdoek. Daarin zit de zoveelste knager die mijn huis bestormde. Ik zal hem vrijlaten aan de overkant, hetzelfde plekje als gisteren. Ik kijk om me heen. Het is schemerig. In sommige kamers brandt al licht. Er is al een flinke plens gevallen vanochtend, en er komt nog veel meer. Ik grijns van genoegen. De bomen hebben het nodig en de dieren. Al het leven heeft water nodig. Laten we dat nooit vergeten.

Het water is koeler dan gisteren. Het is een donkere spiegel en de regen maakt er kringen in. Er is geen wind. Ik zwem. Aan de overkant hoor ik een vreemde fluitende pieptoon, als van een dier, maar toch net niet. Het is het gemaal. Hij voert het regenwater af. Ik loop door de zachte stroom, die tot mijn middel komt. Onder het beton is een donker gat. Daar komt de stroom vandaan. Het regent, dus wordt er afgevoerd. Waarom? De harde klei heeft nog heel wat water nodig. Ik klauter de kant op en zie de barsten onder het korte gras. Diepe kloven in de aarde, die nu langzaam vochtig worden. Ik weet van de ingeslapen wormen, die al zolang voedsel en vocht ontberen. Stil en opgekruld zitten ze in kleine, met slijm bedekte holletjes. Hoelang houden zij dat uit? Is deze bui genoeg voor hen, om weer tot leven te komen?
Ik laat de muis vrij. Hij kruipt droog onder de boomstronk en ik zwem terug. Als ik even later weer binnen ben, steek ik een kaars aan. Druppels spatten tegen het raam erachter. Dan kruip ik snel in mijn warme hangmat. Net als de wormen, opgekruld in mijn hol. Met mijn hoofd boven de deken uit, kijk ik naar de vlam en luister naar de regen die tikt op het dak en spettert in de regenton. Ik denk aan water. Water voor de blinde en water voor het land. Water voor de wormen en water op het zand. Vennen die weer vollopen en vissen die weer zwemmen. Plassen in het veld, die plas mogen zijn. Glooiingen en kommen in het landschap, waar de blinde naar mag luisteren.

Water was onze vijand, al zoveel eeuwen. Vijf overstromingen per eeuw zaaiden angst en onrust. Je zou het bijna vergeten. Maar dat doe ik niet. Nooit. Want water fascineert mij, met al zijn kracht en zachtheid. Ben je bang voor zijn kracht, dan mis je het zachte, dat leven geeft. En vergeet je de blinde, die weer kan zien, alleen maar door te luisteren.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

I swim in the stream. The rain makes circles in the dark surface. Then I hear a sound. It is the pumpstation. Precious water flows away, while the soil is hard en dry. Why?

.

.

Lekker zelf doen

.

.

Automatisch automatiseren is het einde van de creativiteit. Dat doen we dus lekker niet.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Ja, het is zo ver. Eindelijk kan ik weer naar de markt. Ik had met mezelf afgesproken dat eerst het plantwerk af moest zijn, voor ik er weer op uit ging. Bomen moeten de grond in vóór 1 april. Dat is de regel. Dit is zo ongeveer het moment dat de sapstroom op gang komt. Dan kun je ze beter met rust laten. Hier in het koude, winderige Friesland begint het wat later. Hoe dan ook, ik wilde ze op tijd planten. Als ik te laat ben, dan groeien ze het eerste jaar niet. Gelukkig zitten ze nu allemaal in de grond en om het te vieren ga ik vandaag naar de markt in Leeuwarden.

Ik loop met een rugzak en twee canvas tassen het station uit. De markt is vlakbij. Het eerst ga ik naar Leen, biologische kaasboer. Van ver zie ik dat hij een bril op heeft. Dat is nieuw voor me. “Ha!” begroet ik hem. En dan “Ik ben een tijd niet geweest…” Hij kijkt me geduldig en wat lijdzaam aan. “Ja…..máár…….???” Ik lach. “Nee hoor, niks geen gemaar. Ik was bomen aan het planten.” Zijn gezicht klaart ogenblikkelijk op. “O! Dat is mooi. Wat voor bomen?” Ik noem ze op. Elzen, wilgensoorten, hazelaars, meidoorns, sleedoorn, wilde lijsterbes, krent, gele kornoelje, gelderse roos, vlier. “Maar dat zijn vooral struiken!” “Dat klopt”, zeg ik. “Dat is ook de bedoeling. Bosjes, dichte bosjes moeten het worden met veel bloesems.” Ik ben even stil, voor ik verder praat. “Maar ik heb misschien iets stoms gedaan. Ik heb geautomatiseerd. Zonder erbij na te denken heb ik een watervlotje gekocht op internet. Een drijvend zonnepaneel met een pompje. Voor in de sloot. Was dat nou nodig geweest? Met een juk en twee emmers kan ik ook water geven. Ik kan er één laten maken nota bene, door een vriend. Die heeft dat vaker gedaan.” Hij denkt even na. “Ja dat is leuk! En je kan ook gewoon een extra sloot graven, langs de hele lengte van je land.” O ja, bedenk ik me. Daar had Jeroen de greppelkenner het ook al over. Een greppel erbij. Of een kronkelsloot. “Misschien doe ik het wel allemaal” zeg ik tegen Leen, “Het watervlot, de greppel, het juk. Niet alles automatisch.”

Leen kijkt peinzend in de verte. “Ik ken dat. Er zijn genoeg boeren die volledig zijn geautomatiseerd. Ik doe dat niet. Ik blijf kleinschalig, met mijn twintig koeien. Ik verwerk de melk tot kaas, doe alles zelf en verkoop het hier op de markt. Daar red ik het mee. Een boer met een gezin zou aan veertig koeien genoeg hebben, op die manier.” Ik kijk naar zijn kaas in de vitrine. Het is lekkere kaas, en er zit geen plasticlaagje overheen. Je hoeft er niks af te peuteren. “Voor elke boer met tweehonderd koeien zitten er dus vier mensen in de bijstand,” besluit hij zijn verhaal. Ik tel na, veertig keer vijf is tweehonderd. Tweehonderd koeien. Meer mensen aan de kant. Dat is het gevolg van almaar groter en verder gaande automatisering. “Wat jammer,” zeg ik.”Wat is er mis met mooi handwerk? Ik denk dat veel mensen er niet zelf over na denken. Net zoals ik, met mijn watervlotje. Ja, het is een mooi ding, al geeft hij maar vier liter per minuut. Het is mooie techniek, dat vindt iedereen. Maar een handgemaakt houten juk is ook mooi. En een extra greppel geeft weer niet alleen water, maar ook meer beestjes en planten, die willen drinken, zwemmen, of van nattigheid houden. Dat is nog veel mooier. Het geeft zoveel te zien! Ja er kan veel meer, als je creatief nadenkt. En nu we het er toch over hebben, ik kan natuurlijk ook een middeleeuwse putstoel bouwen.” Leen kijkt me vragend aan. “Een putstoel?”

.

.

“Ja! Een vierkante houten toren met bovenaan een plateau. Daar hijs je de emmer het hele eind uit het water en dat gooi je in een goot. Zo ging het in de stad, bij bierbrouwerijen. Het water liep rechtstreeks door het raam de ketel in. Zo’n goot, dat was de voorganger van de tuinslang. Maar hier op het land kan het ook. Dan laat ik het vanuit de goot in een vijver stromen en vanuit de vijver in de greppel. En dan watervalletjes maken. Het watervlot past daar ook prima bij. Ik kan het allemáál wel doen. Het zal even duren, maar ik ben handig zat.” Enthousiast kijk ik hem aan. Dan kijk ik polsend opzij. Naast me staat een vrouw al een tijdje geduldig in haar tas te rommelen. Ik moest maar eens kaas gaan kopen. Leen grijnst en volgt mijn blik naar de vitrine. “Welke wil je?” Ik wijs. “Die! De jouwe! Een heel groot stuk.” Leen pakt het grote mes, en snijdt een flink stuk van de warmgele, romige kaas. Zelfgemaakt en de allerlekkerste. Ja, Nederland heeft meer boeren nodig. Boeren zoals Leen. Mensen die het lekker zelf doen en daar wat moois van maken.

.

.

.

.

.

.

Vlot te water

.

Swetteverhalen . . .

.

Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Daar sta ik dan. De stress is voorbij, het vlot waaraan ik werk, is te water. Wat ging het mooi en voorspoedig! De studenten die het filmden zijn naar huis. Ik heb opnieuw de tijd aan mezelf. De zon schijnt veelbelovend op mijn bouwsel. Het warmbruine hout ligt stil te wachten op een vervolg en ik denk na over hoe nu verder. De zachtblauwe lucht weerspiegelt in het water, roerloos als een spiegel, er is geen zuchtje wind. Ik kijk ernaar en naar de blauwe lucht erboven. Een groep ringmussen danst tjilpend boven mijn hoofd naar de brede rietkraag, onder de wilgenboom. Alles zingt hoop en vrolijkheid. Ik denk aan gisteren, aan mijn buren. Iedereen was er, zomaar. Zonder dat we het hadden afgesproken. Voor het eerst had ik het gevoel een gemeenschap te zijn. Het contrast met het grote nieuws was tekenend. Diezelfde avond nog werd de lock down afgekondigd. Net als vorig jaar kunnen we geen kerst vieren en zijn vele openbare ruimtes gesloten. Waar grote structuren vastlopen, gaat het kleine vlot te water.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het vlot bestaat uit zes kletsnatte steigerdelen, plus nog drie halve. Hij ligt op de kop op het gras, de onderkant ligt boven. Er zitten dikke balken onder om het bij elkaar te houden met slotbouten. Vier vastgeklemde tonnen van tweehonderd liter bieden een fors drijfvermogen. Het weegt nogal wat. Al dat kletsnatte hout is dubbel zwaar. Ik heb geroepen naar Evert, mijn buurman: “Neem iedereen mee die wil, we hebben veel handen nodig!” En nu staan ze daar. Wel tien mensen, plus de filmploeg. Het lijkt een hele happening te worden. De mannen stappen naar voren. “Wat is de bedoeling?” vraagt mijn vriend Dick. Hij is de enige die vraagt. De andere mannen staan druk te praten over wat zij het beste vinden. Ik luister naar iedereen en beslis. “We trekken hem eerst een stuk het veld op, dan kiepen we hem om.” Dat moet wel, anders zou hij in het riet komen.

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Het omkiepen gaat zonder moeite. Het kraakt zelfs niet. Ik ben tevreden over de extra aanpassingen die ik deed, speciaal voor dit kwetsbare moment. Dan ligt het vlot zoals het hoort. Het is een groot oppervlak, al die steigerdelen bij elkaar. De mannen bukken zich en tillen. Het is zwaar, maar de vele handen maken het werk licht. Naar de Swette toe is maar een paar meter. De voorste mannen lopen een klein eindje de steiger op en laten het vlot dan zakken. De eerste plastic ton dobbert nu in het bruine water. Vier mannen staan aan de achterkant en duwen. De ronde tonnen zijn een perfecte geleiding. Alsof ze gesmeerd zijn, zo makkelijk glijden ze het water in. Ik juich luid. Dit gaat boven verwachting!

.

Foto: Michelle van der Plas

.

Ik ben blij met mijn schippersverleden. “Hola, dat wil ik niet!” roep ik tegen een man die zonder te vragen het vlot een stuk verder het water op legt. “Hij moet aan de kant blijven, ik moet er nog met mijn fiets op. Voor de film.” Mijn vriend bromt ook wat. “Als iedereen maar wat gaat doen, dan werkt het niet. Zij is de baas.” Ik knik hem dankbaar toe. Op zo’n moment sta ik helemaal scherp. Ik zie en hoor alles. Dit is het, waar ik een paar weken naartoe heb gewerkt. Ik had niet de tijd aan mezelf, zoals anders. Nee, ik had een deadline. Ik werkte samen met Michelle en Emma. Twee twintigers in opleiding maken een docu. Maar eigenlijk maken we hem met zijn drieën. Het gaat niet over mij, het gaat mét mij. Ik ben alleen maar het middel, om dit verhaal te vertellen. Voor Michelle is het een boodschap van hoop. Ze wil de mensen van haar generatie laten zien dat er na elk einde een nieuw creatief begin mogelijk is. En waar grote structuren vastlopen, daar begint het kleine. Volg het water, volg de stroom van de rivier. Kijk daar gaat het vlot te water! De buren kijken mee en iedereen lacht.

.

.

.

Auteursrechten Michelle van der Plas

Een paadje van niks, maar ondertussen. . .

.

.

Ik wil boodschappen doen en sta voor mijn huis te peinzen. De kleine brug over de Swette is gesloten. De borden met “fietsers afstappen” zijn verwijderd, evenals het knip en plakwerk waarmee de boel bij elkaar gehouden werd. Het wordt weer als nieuw. Maar we moeten nu wel een andere route nemen, intussen. Een loodrecht fietspad pal naast het spoor. Kaal en winderig. Je ziet er haast niemand. Het is een rechte streep vanuit Deinum. Heras hekwerk aan de ene kant, asfalt aan de andere. Dan een diep gat in, onder het kanaal door. Als je weer het licht in fietst, zie je lelijke blokkendozen van een bedrijventerrein. Tot nog toe weet ik niet beter en is dit de enige andere mogelijkheid. Ik heb er weinig zin in. Ik ga toch maar en loop met mijn fiets over het blubberige gras. Voorzichtig en met korte afgemeten stappen, om niet uit te glijden. Achter mijn fiets hobbelt de fietskar, vol rammelende lege flessen. Wanneer ik bij het grindpad kom, zie ik de buurvrouw aankomen. “Ga je boodschappen doen?” vraagt ze. “Moet je langs Ritsumasyl gaan, dat is veel leuker dan die rotweg.” Ze wijst me hoe te fietsen.

Er zijn bedachte wegen, economisch bepaald en zonder uitstraling. Er zijn ook oudere wegen, gegroeid door de jaren heen. Het spoor volgt een concentratie van kleine bedrijvigheid, ingesleten paden langs het water. Nog niet zo lang geleden was het water de beste route om vracht te vervoeren en dat zie je nog steeds terug. Het is pas in de jaren zestig van de vorige eeuw geweest, dat dit veranderde. Asfalt werd uitgerold, sloten en grachten werden gedempt. Het land veranderde soms compleet van karakter. Maar op sommige plekken zijn ze er nog, de oude kanalen met hun bedrijvigheid. De weg die me gewezen is, dat is zo’n route.

.

.

Het is ietsje verder doorfietsen. Dan zie ik de afslag al. Een hoge fietsbrug daagt op. Het is een draaibrug en hij staat open. Twee vrachtschepen gaan er net onderdoor. Ik krijg het gevoel thuis te komen. Hoe vaak keken we vroeger naar de voorbijtrekkende schepen, Michiel en ik, vanaf ons honderd jaar oude beurtschip. Het was een ander leven. Hij is er niet meer. Maar het water dat ik achterliet, spoelt steeds weer terug. Nu stroomt het ver onder mijn voeten door, terwijl ik naast mijn fiets sta te wachten. Het zwaaiende brugdeel draait langzaam weer op zijn plek. De bomen gaan omhoog en ik rijd verder. Aan het einde van de brug staat iets geschreven op het asfalt, slordige rode letters met krijt. “Trap af”, lees ik. Er staat een pijl bij. Wat betekent dat? Er staan twee mannen te werken met gele hesjes aan. “Waarom is dat?” wijs ik. De mannen weten het wel en geven me rustig antwoord. “O dat heeft de jeugd vast gedaan. Een speurtocht denk ik”. Er zijn hier dus kinderen! Komen die uit Ritsumasyl? Het zijn maar een paar huizen. Er liggen ook woonboten. Ik fiets langs een sloot en een braakliggend veld. Een leuke plek om te spelen. Ik kijk mijn ogen uit. Dan duikt er vlak naast me ineens een ijzeren hek op. Fonkelnieuw. Een veld vol zonnepanelen drukt de openbare ruimte in elkaar. Hè jakkes. Dit hoort er niet bij. Dit hoort bij die grote rotweg verderop, niet bij dit fijne kleine pad. Ik fiets er langzaam aan voorbij. Er zitten wel wat wilde eenden naast. Die worden daar in elk geval met rust gelaten, troost ik me.

Uiteindelijk kom ik uit bij een splitsing van kanalen. Ik zie de achterkant van een sloperij met bergen verkreukeld staal. Er liggen schepen aan de kade. Ook dit beeld is me vertrouwd. Hoe vaak lagen wij daar, aangemeerd bij de sloop, om materiaal te zoeken in die paradijselijke jungle voor technische creatievelingen!

Ik stap af om te kijken. Wat zou het mooi zijn, als mensen niet alleen aan zichzelf zouden denken, maar ook de sociale charme van dit gebied zouden zien. Het pad hoeft echt niet op en top onderhouden te zijn, juist niet. Het is goed, precies zoals het is. Velen genieten ervan, zonder uit te kunnen leggen waarom. Maar dat het niet altijd in woorden te vatten is, dat maakt het niet onbelangrijk. Laten we juist die dingen benoemen. En wellicht kom je samen tot veel mooiere oplossingen, die niet vallen als een baksteen in de publieke ruimte. Ook voor kinderen en buren!

Ik stap weer op mijn fiets. De dagen zijn kort, ik moet verder. Nog even, en dan ben ik bij mijn favoriete winkeltje. Het is lokaal en coöperatief. Kijk, dat bedoel ik nou!

.

Voor de nieuwe fietsbrug er lag was er een pontje. Terwijl we stonden te wachten op het sluiten van de brug, hoorde ik anderen daarover spreken. De rust, de gezelligheid van het moment van oversteek, ze missen het nog steeds, hoe mooi de nieuwe fietsbrug ook is. Er is trouwens ook een brugwachter bij. Dus qua werkgelegenheid maakt het niks uit….. https://frieschdagblad.nl/regio/Fietspont-over-Van-Harinxmakanaal-was-een-rustpunt-26798712.html

.

.

Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Een kleine oversteek, een grote onderneming

.

.

Werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit daarin mogelijk is.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Aan één kant van het terrein is geen pad. Er valt niks te maaien, geen grind te storten in de kuilen, niks van dat alles. Het is de kant van het water. Het riviertje de Zwette is het enige wat nog is overgebleven van de Middelzee. Wat mooi moet dat zijn geweest, al dat water, dat vrijelijk in en uit stroomde langs kwelderruggen vol watervogels. Dat is al lang geleden. Het is het landschap dat mij kippenvel bezorgt, alleen al bij de gedachte. Álles is nu anders. Het land is zakelijk en groen geworden, met functionele rechte wegen. De Zwette doorbreekt die starheid, het water glinstert speels in de wind. Maar het heeft ook een taak, het is heel belangrijk voor de afwatering. Zonder Zwette stonden de weilanden regelmatig onder water. Verschillende gemalen moeten goed hun werk doen om dat te voorkomen. Een brede strook riet omzoomt de waterweg. Linksaf ga ik naar Leeuwarden, rechtsaf kan ik naar Sneek. Er is geen brug naar de overkant. Wel zijn er twee bootjes, voor privégebruik. Toch wordt daar nog al eens over geboomd. Kunnen we geen verbinding maken?

“Ik wil dat pontje gaan maken,” zeg ik tegen de boer. Hij staat in de deur van de schuur en een zwaluw scheert rakelings langs zijn hoofd. “Je hebt het er wel eens over gehad. Het lijkt me een mooi project.” zeg ik. Het gezicht van Jochum klaart op. “Ah goedzo. Mooi. Maar wel helemaal aan het einde hè, ik wil al die mensen niet langs de boerderij hebben lopen.” Ik knik opgewekt. “Ja, ik wil er een bel bijhangen. Daarmee kunnen ze me roepen, de mensen. En dan…” ik wil verder gaan, maar ik zie een frons op zijn gezicht. De beste man heeft hier al vaak over nagedacht, dat is duidelijk.“Een bel?” barst hij los “Dat er een vrouw aan te pas moet komen om over te steken? Neeeee dat is toch niks!” Vastbesloten kijk ik hem aan. “Als ik er geen rol in kan spelen, dan doe ik het niet.” Zijn gezicht ontspant en hij denkt even na. “Het is mooi als de mensen het zelf kunnen doen zie je, dat oversteken. Maar jij zal er toch wel een rol in kunnen spelen, op één of andere manier?” Opgelucht ga ik verder. “Dat denk ik ook. En weet je, klein beginnen is denk ik toch het beste. Niet meteen een aanvraag doen voor een officiële pont met een lier. Eerst gewoon die bel, en roeien ofzo. Daarna kunnen we altijd verder zien, als het een succes is. Ik denk over een brede steiger met een bank en liedjes erbij. En mensen kunnen er hun verhaal vertellen, wie weet wat er uit voortkomt.” Hij glimlacht en knikt. “Dat lijkt me wel een goed begin. Je hebt gelijk.Voor zo’n aanvraag erdoor is bij de gemeente, dat duurt jaren.”

En zo komt er aan een dood punt misschien een einde. Al gaat het niet zomaar. Eerst moet ik een goed ponton vinden. Dan ga ik nadenken over de voortstuwing die ik erop maak. Ik wil het vaartuig karakter geven met een stalen kunstwerk. Daarvoor moet ik leren lassen. En langs de oever moet het riet worden gemaaid. Er moeten gaten in de grond worden geboord voor palen. Daar op gaan we de steiger bouwen met een klein terras. Als dat alles klaar is, zullen er mensen oversteken die stekken en boompjes meenemen. Die zijn voor het Verhalenpad. Met elkaar zullen we meer en meer leven in het land brengen en onze wandelpaden onderhouden, tussen stukken onbetreden aarde door. We zullen zien hoe het er wemelt van beestjes en insecten en plantjes. Langzaam groeit het beeld in mijn gedachten. En ik weet: Dit gaat lang duren.

Terwijl het tot me doordringt hoeveel werk het is, wil ik vluchten. Hoe lang wil ik al het kustpad bewandelen in Engeland? Bergen beklimmen in Oostenrijk of Roemenië? De zee op te gaan in met een oud zeilschip, de oversteek maken en kroegen bezoeken in Ierland, meezingen met de liederen die ik ken. De ontdekkingsreiziger in mij roept. Ik haal diep adem. “Nee,” zeg ik tegen de grenzen verkennende avonturier in mezelf. Niet nu. Ik wil werken aan kleine wegen en korte verbindingen. Er zijn nog vele oude ideeën die moeten sneuvelen, voor meer creativiteit mogelijk is. Dat vraagt om een lange adem. Tegelijkertijd is het de kunst om te genieten van wat er al is. Er is niets dat haast heeft. Er is tijd. En verrassingen zijn niet onmogelijk. Net als je denkt dat het nog heel lang gaat duren, gaat het soms ineens heel snel.

.

De hemel is altijd grenzeloos

.

Het water in de Zwette glinstert in het late licht. Het water stroom altijd door, naar Sneek, naar de Waddenzee, de hele aarde over. Alles staat in verbinding. Ook al sta ik als een wilg, stil te kijken langs de kant. Ooit ga ik mee, met het water. Als het werk gedaan is en de wereld zich opnieuw opent.

.

.

Rectificatie: Vroeger was de Zwette een riviertje, voor de loop werd aangepast. Nu heet het een trekvaart. De Zwette (officieel in het Fries: De Swette) of Sneekertrekvaart is de waterverbinding tussen Sneek en Leeuwarden. De vaart maakt deel uit van de Elfstedentocht. De Zwette vormt de grens tussen Oostergo en Westergo. Van de naam wordt aangenomen dat ‘zwet’ of ‘zwette’ een ander woord voor grens is. In het Oudfries betekent ‘zwet’ “zoet” wat in die hoedanigheid gebruikt kan zijn om de verandering, van de ooit zoute Middelzee, naar zoete rivier de Zwette ‘de zoete’ aan te geven. De Zwette loopt ongeveer in het midden van de kwelderwallen van de oude Middelzee. Na het dichtslibben van de Middelzee had de Zwette vooral een functie als afwaterings- en grenssloot. In latere tijden is de loop aangepast en gebruikt als trekvaart tussen Sneek en Leeuwarden. De kwelderwallen zijn te herkennen aan hun hogere ligging in het landschap.

.

.

Het water verbindt ons

.

.

De strijd tegen het water zit diep ingesleten. Voor boer Sjoerd met zijn grutto’s, betekent dat heel veel werk. Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. (Luister naar het voorgelezen verhaal via de link onderaan de tekst.)

“Dit is geen openbare weg hoor!” Het is een jonge boer op een heel klein trekkertje. Verstoord kijkt hij naar de fotocamera op mijn buik. Ik lijk dik door alle kleren die ik aan heb. Mijn muts heb ik ver over de oren getrokken. De boer heeft geen muts. Een verwarde bos krullen steekt uit boven het stuur van de tractor. Dit is onze eerste kennismaking. Ik ben met Jeroen en Christien op pad. Jeroen, de gedreven greppelkenner, die werkt voor Sjoerd. Zo heet deze zesentwintigjarige boer. Christien staat naast Jeroen te luisteren, met de filmcamera in de hand. Ze heeft me al verscheiden malen opgezocht. Ze studeert Culturele Antropologie, en heeft een project over zelfvoorziening. Onze voedselvoorziening lijkt daarin cruciaal te zijn. Haar haren wapperen in de bries. Hoewel het bijna mei is, staat er nog steeds een koude noordenwind. De grutto’s en kievieten in de wei trekken zich er niks van aan. Die zijn alweer druk aan het broeden. Ja, ook daarvoor komen wij, en om dit oude greppelland te zien, het land van weidevogels, dat de jonge boer beheert en beschermt.

“Ik kom hier kijken,” zeg ik. ,Als het mag. Ik was benieuwd naar je land. Jeroen heeft er veel over verteld. \?., ” Sjoerd knikt. “En waarvoor maak je foto’s?” Ik leg hem uit wat ik doe. “Ze zijn voor mijn blog. Het gaat erover dat we een plek hebben waar we thuishoren. Zoals jij ons hier laat zien.” De boer knikt en zijn houding verandert ogenblikkelijk. “Ben jij niet van dat Wandelhuis? Jij plant bomen, toch?” Ik ben verbaasd dat hij me herkent. “Dat klopt. Ze denken dat ik een reiziger ben. Zo stond het in de kranten.” Grijnzend kijkt hij me aan.”Maar je bent nog steeds hier!” Ik doe een paar stappen dichterbij. We staan nu met zijn drieën om de kleine tractor heen. “Haha. Ik ben helemaal geen reiziger. Ik heb maar één keer een lange reis gemaakt, drie maanden door Friesland.” Sjoerd kijkt even naar de onverharde weg, die voor hem uit naar de boerderij leidt. Dan kijkt hij me opgewekt aan. “Ik ben ook wel eens op reis geweest hoor! Naar Australië. Maar ik ben gauw weer teruggegaan. Er was thuis zoveel te doen! Maar nu ga ik verder. Kijk maar rustig rond hier.” Hij kijkt even naar Christien, met haar camera. Zij zal zijn boodschap vastleggen en de wereld insturen. Het land vertelt een eigen verhaal en Jeroen is onze gids. Met sympathie kijk ik de jonge boer na. Ik houd van zijn directe toon.

Wij lopen de golvende weide op. Greppels en sloten zijn hier niet recht, zoals bij boer Jochum. De grond van Jochum is drooggelegde bodem van de Middelsee. Dit is het oude land aan de andere kant van de Hegedyk. De glooiingen lopen onvoorspelbaar in kronkels en bochten, gevormd door aarde en water. Het land is van zichzelf, oorspronkelijk. Hier dienen de mensenhanden het land, in de wetenschap van dat wat je geeft, ook bij je terugkeert. Het is de zorg om het web van leven, waardoor je uiteindelijk zelf gedragen wordt. Boer Sjoerd begrijpt dat. Dit is ook het hart van de principes van permacultuur. Hij zorgt voor de grutto’s. Om ze te beschermen tegen marters, vossen, ratten en katten, heeft hij een lang hek van schapengaas om het land gezet. Het is wel 4.5 kilometer lang, en staat onder stroom. Het moet steeds gemaaid worden, anders lekt de stroom weg via het lange gras. Het is ontzettend veel werk. Dat moet wel, anders zijn er straks geen grutto’s meer.

Jeroen loopt halsreikend voor ons uit. “Zie je die greppel verderop? Hij staat al bijna droog. Eigenlijk moet hij natter zijn. Dan kunnen de vogels er voedsel vinden.” Behalve het hek, is ook het water een zorg. Sjoerd en zijn vader pompen het omhoog, met een solarpomp. Dat gaat aan de lopende band door. In maart heeft het waterschap weer dramatisch veel water weggepompt uit het land. Terwijl er in de zomer steeds langere periodes van droogte zijn. Terwijl de regens steeds meer in één keer vallen, als slagregens, die de uitgedroogde korst van klei niet meer op kan nemen. Toch blijft het Waterschap wegpompen, uit gewoonte. De strijd tegen het water zit diep ingesleten. Het water spoelt weg.

Voor Sjoerd betekent dat heel veel werk. Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. Je kan het niet wegpompen en het land van Sjoerd overslaan. Sluizen en dammen helpen niet om het bij je te houden. Grondwater kent geen grenzen. Dat is de hele ellende. Als het verdwijnt, verdwijnt het overal.

“Maar waarom zijn die grutto’s nou zo belangrijk”, vraag ik Jeroen. Ik stel me voor dat ik een boer ben. Elke boer moet eerst aan zichzelf denken om het hoofd boven water te houden. Natuurlijk is dit de eerste vraag die je dan stelt. “Wat heb ík daaraan? Je kan ze toch ook gewoon uit laten sterven? Als wij maar brood op het bord krijgen.” Jeroen herhaalt wat ik zelf eerder gezegd heb. “Via het grondwater is alles met elkaar verbonden. De grutto’s zijn het meest kwetsbaar. Ze hebben gezond land nodig, voor voedsel. Het leven is een web! Wij maken daar ook deel van uit. Als de grutto’s uitsterven is dat ook voor onze voedselvoorziening geen boodschap waar je blij van wordt. De gevolgen zie je misschien niet direct op je bord. Het duurt langer. Maar we moeten nu al koers wijzigen, anders wordt het heel moeilijk. Als we naar de grutto’s kijken, kijken we naar onze eigen toekomst.”

We lopen terug naar de weg. Jeroen slaat af naar links, hij gaat Sjoerd helpen met mest scheppen. Christien en ik bekijken de permacultuurtuin. Het is een klein stuk grond, in de vorm van een driehoek. Van alle kanten is het omringt door riet, en aan één kant glinstert het water, dat van daaruit in een natuurlijke bocht verder stroomt. Hier en daar die ik een ondiepe, zelfgegraven greppel. Ik pak de zwarte grond in mijn hand en het voelt soepel en vochtig aan. We wandelen langs de palmkolen en prei en kijken naar de kersenbomen, die nog niet in bloei staan. We kijken onze ogen uit. Wat een prachtig plekje.

Doorgaan op land dat in zijn natuurlijke staat is gebleven, is veel makkelijker dan verstoorde bodems te moeten herstellen. Daar is tijd voor nodig en wijsheid. Het beste is om mee te gaan met wat er al is. Je te verbinden met je eigen bodem. Mensen horen bij hun grond, net als de grutto’s die terugkeren om te nestelen. Sjoerd hoort bij dit land als geen ander. Mensen zoals hij worden steeds zeldzamer. Je hoeft het niet met alles eens te zijn wat hij doet. Daar gaat het niet om. Maar laten we ze koesteren.

.

.

In dit artikel lees je meer over permacultuur vanuit een andere cultuur. De principes komen overeen en vooral het eerbaar oogsten wil ik graag helpen uitdragen. Ik leerde dit van mijn moeder. Maar voor velen is dit niet zo vanzelfsprekend. https://chantalvangenderen.com/artikel-permacultuur-magazine-eerbaar-oogsten/

De heilige regelmaat van een nomade

.

.

,

.

Ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van tien minuten.

Vertrouwen komt te voet, en gaat te paard, luidt een oud spreekwoord. Sinds ik het hoorde, ben ik het nooit meer vergeten. Het maakt deel uit van mijn langzame leven. Een snelle beweging op het verkeerde moment kan veel verpesten. Bezint eer gij begint. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Al die oude wijsheden gaan over rust en beheersing van al te opgewonden impulsen. Daar luister ik graag naar.
Ik kom regelmatig mensen tegen die denken dat ik een reiziger ben. Mensen vol wilde plannen die denken in mij een bondgenoot te vinden en herkenning. Herkennen doe ik het wel, maar meer ook niet. Ik ben geen reiziger. Ik ben me al jarenlang aan het beheersen. Ik ben een nomade, zoals ik dat noem. Ik vertrek als het moet, maar blijf liever waar ik ben. Ik ben geland in Friesland, aan de Swette. Dit is de plek waar ik ben. Al zou ik de bergen willen zien, indianen willen ontmoeten. Al zou ik naar Ierland willen reizen, met mijn huisje op een schip, of alleen maar naar Limburg. Ik doe het niet. Ik blijf. Al is het soms moeilijk me te beheersen. Een vreemd land is een spannend avontuur dat altijd lokt. Ik houd van ontdekken. Ik vind het prachtig. Maar de vogels kennen me niet. De grond is me vreemd. Elke ontmoeting is intens, maar al te veel intensiteit is dodelijk vermoeiend. Ik slaap veel minder goed, op vreemde grond. Thuiszijn betekent rust en vertrouwen. Ontdekken vanuit zijn. Dat zoek ik op. Daarom beheers ik mezelf, telkens weer.

Vertrouwen komt voort uit rust en regelmaat. En ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje. Ik pak mijn zwarte onderbroek van het wasrekje, dat buiten hangt. Die heb ik gisteren nat opgehangen en hij is een beetje stijf. Het heeft gevroren. Dat doet het al de hele week. Ik doe een stap terug, naar binnen en duw hem even tegen de hete kachelpijp aan. Het sist. Ik kneed hem soepel in mijn handen en trek hem aan. Dan loop ik achter de beschutting van mijn huis vandaan. Ik voel de wind. Met blote voeten in mijn azuurblauwe klompen wandel ik over het gras. De zompige modder is stijf en het dunne ijs in de plassen kraakt. Ik loop onder de oude wilgebomen door, waarin twee kraaien zitten te kijken. Daar is de oever, en het riet, achter een haag van vlier struiken. Een paar meesjes fluiten opgewonden als ze me zien. Ze weten dondersgoed dat ik het ben. Het mens met de zaadjes. Eten! Maar nu niet. Ik loop het kleine beschutte veldje over naar de steiger. Nu voel ik me bloot en kwetsbaar, in de koude bries. Het is nul graden en het waait een beetje. Straks voel ik me heel anders. Dat weet ik. Dan gloei ik van binnen uit.
Ik loop over de steiger, glad van opgevroren dauw. Voor de hoeveelste keer loop ik hier al? De eenden weten het inmiddels. De eerste tijd vlogen ze luid kwakend op, toen ik aan kwam lopen. Nu niet meer. Heel langzaam zwemmen ze de andere kant op, alsof het ze niet interesseert.
Ik aarzel niet. Mijn lichaam verlangt naar het koude water. Stap voor stap ga ik langs het laddertje omlaag, dat tegen de steiger aan staat. Vier treden. Het water staat laag. Daaronder is de modder, voel ik met mijn tenen. Ik stap terug naar de onderste tree en ga door mijn knieën. Ik geniet van de kou. Mijn hele lichaam is in één keer wakker. Met alleen mijn hoofd boven water, kijk ik rustig om me heen. De zon schijnt achter een sluierwolk en het water is van zilver. De toppen van het riet bewegen zachtjes heen en weer. Ik ga er helemaal in op. Dit is een heilig moment. Hoe vaker ik dit doe, hoe meer deze plek voor mij betekent. Het is een ritueel, dat voeding geeft. Aan mij. Aan de plek. Aan de plek en mij.

Dit is wat ik mis, als ik op reis ga. Ja er zullen overal rivieren zijn en plassen om in de baden. Maar het is niet deze ene plek, bij de oude wilgen die ik zo goed ken. Waar de twee kraaien zitten te kijken vanuit de boom en waar de mezen me achterna vliegen. Waar de eenden niet wegvliegen als ik het water instap, maar gewoon doorgaan met wat ze doen.

Dat is thuis. Thuis op eigen bodem. Wilde plannen laat ik rustig in de modder zinken. Misschien komen ze ooit weer bovendrijven, misschien ook niet. Ik laat het. Want liever kweek ik rust en vertrouwen, zodat het wilde leven om mij heen steeds meer bij me hoort. Zeker in deze tijd zijn dit voor mij de belangrijkste waarden. In een wereld met zoveel ontworteling, vertrouw ik graag op plekken die me heilig zijn. Als nomade trek ik. Maar niet zomaar. En niet alleen voor mezelf. Ik ga ook omdat de plek me roept. Anders ga ik niet.