Vijftien jaar

Deze boom is ontsproten uit mijn verbeelding maar blijkt echt te bestaan.  Dit is de boom die ik voor me zie, wat ik heb later groeien door mijn aanwezigheid.
Deze boom is ontsproten uit mijn verbeelding maar blijkt echt te bestaan. Het is de boom van “Zijn”.

.

Vijftien jaar leefde ik in het hartje van een oude stad. Het leek een eeuwigheid. Mijn leven in Utrecht. Vorig jaar heb ik dit grootste project van mijn leven afgerond.
Toen ik twee-en-dertig was, ben ik terechtgekomen op een bijzondere plek. Een middeleeuwse werfkelder in Utrecht aan de gracht. Ik woonde er met mijn vriend, hij was hier al lang bezig als houtdraaier, en iedereen kende hem. Het was een rustige plek, eeuwenoud en daar, onder grote platanen en kastanjes gebeurde het. Ik woonde en werkte er, ik was er altijd en mensen om mij heen dachten dat ik nooit meer weg zou gaan. Ik voer rond in de oude boot met gasten, jaar in jaar uit, dezelfde route. Ik kende elk nest langs de oever en kende vele verhalen. Ik kluste aan schuiten, vertelde over de plek en de stad. Er kwamen vaak wandelaars langs. Soms werd ik verrast door boeiende gesprekken. Ik zorgde voor de plek, en voor het huis met een aandacht die tot in de diepste poriën ging. Ik ben met mijn vriend getrouwd en ik heb gerouwd. Ik ben alleen verdergegaan toen hij stierf. Dat was zwaar en dikwijls wilde ik alleen maar de stad uit, in de natuur leven. Maar dat kon niet. Ik moest hier zijn, ik moest het afmaken.

Ik wil vanuit die geschiedenis vertellen wat er kan groeien als je vijftien jaar lang bijna al je energie op één plek investeert. In de permacultuur worden er vijf zones benoemd rond je huis. Zone vijf is de wildernis. Er was de kleine gezellige winkelstraat om de hoek waar ik voor alles terecht kon, en waar mensen waren. Maar niet minder was het de wilde natuur in de stad, die mij kracht en voedsel gaf. Alleen al de winterkoning met zijn heldere gefluit, die voor zijn nest op zoek was naar spinnenwebben in mijn boot. Zijn nest was een prachtig rond bouwseltje verborgen in de klimop van de oude kastanjeboom. Ik werd vrolijk als ik ernaar keek.
Iedereen kende de geschiedenis van deze plek, iedereen kende mijn overleden vriend, de schipper en de houtdraaier. De wortels ervan gingen door heel de buurt. Toen ik tien jaar na zijn dood afscheid nam, zei een buurman: „Dat jij nou weggaat, het is alsof de boom voor mijn huis wordt omgekapt.”

Ik was daar, waar ik moest zijn. Mijn energie concentreerde zich op die ene plek. Wat belangrijk voor je is, hoort dichtbij. Op een plek die vruchtbaar is voor dat, wat je wil laten groeien. Als je iets of iemand nodig hebt, dan kan je er makkelijk bij. Alle zones dichtbij huis.
Met veel geduld en toewijding kan er iets moois uit komen. De vruchten worden vol en sappig, en iedereen wil ze hebben. Als je van hot naar her moet, om te kunnen doen wat je wilt, dan zijn de vruchten ook kleiner en droger. En soms zijn er zaken die dringend vragen om afronding, om opnieuw vruchtbare grond te maken.
Ik heb gekozen, keer op keer. Dat, waar ik zwaar en moe van werd, en wat niets meer aan mijn leven toevoegde, haalde ik weg en maakte ik tot voeding voor wat nodig was. Steeds weer heb ik gekozen om hier te zijn en daarvoor te gaan. Al wilde ik dikwijls vluchten. Weg, naar de wildernis. Maar ik deed het niet. Ik bleef.

Wat ik hielp groeien was als een boom. De vruchten waren groot, de takken hingen zwaar over. Ik wist dat mijn tijd hier bijna voorbij was. Het was tijd om het over te dragen aan een ander. Al mijn energie had ik er geïnvesteerd. Ik was één met de plek. Zelfs als ik even weg was, dan was een deel van mij nog thuis. Ik wist instinctief wanneer ik terug moest, om wat voor reden dan ook. Ook op het moment dat er twee mannen voor de deur stonden. Het bord dat mijn huis te koop was, stond net een uur in de tuin. Ze hadden het gezien. Ze kwamen van ver en het leken me aardige lui. Ik parkeerde mijn fiets tegen de reling en liep de trap af, de werf op, naar ze toe. Ik liet ze binnen. Een paar uur later was het feit daar. Het bord in de tuin kon ik weghalen.
Lang heb ik verlangd naar een plek met meer ruimte om me heen en waar ik rustig en eenvoudig kon leven met minder spullen. Ik had me er bij neergelegd dat het nog best een tijdje kon duren, voor de mogelijkheid zich zou openen. En dan is het opeens zover. Het gaat om energie, over dingen laten rijpen, zo dicht mogelijk bij jezelf. Laten rijpen en groeien. Alle zones dichtbij huis.

Alles is belangrijk

Het is hier echt donker 's nachts. Zo fijn!

Ik ben hier
niet omdat ik droomde
van een woonwagenleven
Het is ook hard
en koud en alleen soms
en dat wist ik
Ik ga ook niet terug
naar een huis met centrale verwarming
energie van eneco
en een groot warm bad
Nee, ik ben nu op weg.
Zelf.
Ik wil kijken, voelen, leren

Hoe kan ik leven
zonder de rest van de wereld
al te zeer te belasten?
Mijn kachel is okee
Maar mijn wagen houdt de warmte niet vast
Ik droom al lang van een strobalenhuisje
Klein en supergoed geisoleerd
Met een eigen bosje voor brandhout
en water uit de put
en weelderig begroeid land waarvan
je alles kan eten wat je ziet.
Gasten verrassen
met bontgekleurde salades
een tafel vol met vruchten

Maar het gaat stap voor stap
Mijn verhaaltjes zijn klein
De stappen die ik doe ook
Al is klein soms al heel erg groot..

Soms gaat het alleen maar over een
bloemetje of een beestje
Maar alles is belangrijk
Alles.

Een melkbusje vol water

.

Een melkbusje van aluminium met vier liter water

.

 

Het is vrijdagmiddag half vier. Over het grasveld komt Dick aanfietsen, mijn vriend. Helemaal uit Eindhoven. Hij heeft een grote lach op zijn gezicht, een spiegel van de mijne, want we zijn allebei blij elkaar weer te zien. Het was alweer tien dagen geleden dat we afscheid namen. Een warme omhelzing. Ik zet koffie van het laatste water. Dick pakt het lege melkbusje van het aanrecht om water te halen. Hetzelfde busje heeft vroeger ook al dienst gedaan als fooienpot, in de werfkelder, tijdens bijeenkomsten. En nu zit mijn watervoorraad er in. Even later komt Dick terug met de gevulde bus, en ik zet het terug waar het stond. Ik hang de soeplepel weer over de rand heen. Daarmee kun je je glas vullen als je dorst hebt. Of het kommetje water verschonen, waarin je je handen kan wassen.
Naast de waterbus en de gootsteen zit ook een kraan en een knop. Toen ik hier net introk, kwam er water uit die kraan, als je op de knop drukte. Dat water kwam van onder de wagen weg. Daar stond een jerrycan met twintig liter erin en een pomp er aan vast. Die pompte het omhoog en zo leek het net een echte keuken zoals in een gewoon huis.
Ik kwam er al gauw achter dat ik daar helemaal niet zo blij mee was. Ik kon niet zien hoeveel water ik nog had. Net op momenten dat ik er niet op zat te wachten was het op. En als je je handen wast, gebruik je automatisch veel meer. Het lijkt in overvloed aanwezig te zijn. Dat ben je zo gewend, als je een kraan hebt. Opendraaien en uitgebreid laten stromen. Mensen die langskomen hebben het ook niet door. Maar het is toch maar twintig liter wat er in zo’n vaatje zit en een grotere wil ik ook niet, dat kost alleen maar ruimte. Bovendien, hoe meer ik ergens van hebt, hoe meer ik gebruik. Ik vind het ook fijn om het water te zien. En het is ook handig als ik kan zien hoeveel ik nog heb. Het melkbusje is niet te groot en niet te klein. Een leuk ding, vind ik. Er zit vier liter in, en in mijn eentje doe ik er anderhalve dag mee. Twee keer per week ga ik twee minuten onder de douche van de camping en was ik mijn haar.

Al doende merk ik wat ik echt nodig heb en leef met veel minder water. Ik heb een mooi compostemmertje, dus ik hoef ook geen drinkwater door de plee te spoelen. Het liefst zou ik mijn water zelf uit een put halen. Leuk, dat hijsen met een emmer. Maar die hebben we hier niet. Dus haal ik het maar gewoon uit de kraan van de campingkeuken. En als ik dan met Dick mijn vers gezette kopje koffie drink, dan geniet ik.

Vlak voor wij de koffie drinken....

Bevroren vensters

De andere kant van de kijkdoos

Ik word wakker en doe mijn ogen open. Het is veel lichter dan anders, zie ik. Vanuit mijn warme bed vraag ik me af hoe de wereld er vandaag uit ziet. Het is niet de warme gloed van de zon die ik zie door de gordijnen, het licht is witter. Ik verlaat mijn warme hol en schuif het dunne witte katoen opzij, dat voor mijn deur hangt. Het glas in de deur is het enige grote raam van mijn huisje. Er staan ijsbloemen op de ruit en ik maak met mijn adem en nagels een kijkgaatje. Nieuwsgierig kijk ik naar buiten. Ik zie dat er een dikke laag sneeuw ligt. Ik twijfel niet en volg het dagelijkse ritueel, net als anders. Dapper was ik me bij het aanrecht. Met het washandje. Ik heb een kom met water, net als mensen vroeger gebruikten. De afvoer van de gootsteen is dichtgevroren, dus ik gebruik een andere kom voor het vuile water. Als ik klaar ben, pak ik mijn koude kleren en trek ze aan. Brr, ik had liever mijn warme nachthemd nog even aangehouden. Als ik een poosje later klaarwakker en met koude handen en voeten op de bank zit, pak ik de computer. Ik heb er niet echt zin in vandaag. Misschien is er iemand die aan me gedacht heeft, dat zou al een stuk schelen. Ik steek de dongel er in en probeer verbinding te maken. Het lukt niet. Ik probeer het nog een keer en nog een keer, en ik krijg het steeds kouder. Ik weet dat ik er mee op moet houden en wat anders moet gaan doen. Nou voel ik me alleen maar dubbel zielig. Koud en ook nog zonder verbinding. En mijn beltegoed is ook op, dus ik kan niemand bellen. Zo zit ik op de bank te kniezen. Maar niet lang, want al gauw moet ik lachen om mezelf. Het is toch helemaal niet moeilijk om het weer wat leuker te maken… ik kan gewoon naar het dorp fietsen voor een opwaardeerkaart en wat andere boodschappen. Daar word ik dan ook nog lekker warm van. Het is toch al elf uur geweest als ik dat besluit neem. De wagen is inmiddels wat opgewarmd.
Als ik naar buiten ga zie ik geen zwijntje achter het hek bij de vijver, en ook geen pauw op het stille, witte terrein. Zouden ze ziek zijn of nog slapen? Ach die liggen natuurlijk gewoon in hun warme nest. Dieren weten wel beter. In de winter koesteren ze zich zo lang mogelijk in hun eigen lichaamswarmte. Die gaan zich niet staan wassen in de kou, voor de ijsbloemen van de ruiten zijn. Straks ben ik ziek en zij mankeren niks natuurlijk. Pas als ik terug kom van mijn boodschappen komt het zwijntje zijn nest uit, en knort vanuit de verte om voer. Ik haal een portie kattenbrokken voor hem uit de wagen en hij peuzelt ze tevreden op. Ik besluit om morgenochtend te doen wat hij ook doet. Zo min mogelijk energie verspillen.
De volgende dag heb ik een lichte oorpijn en mijn rechteroor zit potdicht. Het is nog veel kouder dan gisteren. Ik doe wat ik bedacht heb, toen ik naar het zwijntje keek. Als ik om negen uur opsta, houd ik mijn nachthemd aan. In mijn nest blijven liggen gaat me toch iets te ver. Ik trek al mijn kleren er over heen. Zo houd ik mijn eigen warmte nog een poos bij me. Ik vouw het beddengoed op, leg het boven de bank op een plank, net als anders. In de kachel liggen nog wat restanten bruinkool te gloeien, en ik krijg hem makkelijk weer brandende. Na het ontbijt doe ik een woonmantel om me heen en gooi af en toe een houtje op de kachel. Vanwege een technisch probleem kan ik hem op dit moment niet superheet stoken. Het is al twee uur in de middag als ik nog steeds met het wollen kleed om me heen en met koude handen aan mijn laptop zit te typen. Daarna wordt het langzaam warmer…
Ik heb Ton gebeld. Het is zeven uur als hij aan komt lopen met twee infraroodkachels, van 450 Watt. Ik mag ook zijn houtvoorraad gebruiken, tegen betaling. Dat is fijn, dan hoef ik niet te gaan sprokkelen en zagen in de sneeuw. Als het weer dooit zoek ik mijn hout zelf wel weer. Ik ben erg blij. Ik doe allebei de kachels tegelijk aan en verdrijf de kou uit mijn botten. Tot ik weer helemaal warm ben. Dan zet ik er eentje uit.

Ik ben nu hier, weg van de bewoonde wereld, dicht bij de natuur. Ik heb mijn huis van de hand gedaan en leef zo simpel als het maar kan. Maar natuurlijk hoeven we niet terug naar de tijd dat het leven bar en boos was in de winter. Mijn omstandigheden zijn nu erg minimaal, zeker met deze temperaturen onder de min vijftien. Maar door heel eenvoudig te leven, zie ik wat ik echt nodig heb. Ik wil geen groot huis meer.

Schrijven in ijs

Speels in de boom of oud in een kar

Speels in de boom of oud in een kar

„Ik kan nu gewoon autorijles nemen! Wat leuk.” Met die gedachte word ik wakker. Raar. Ik heb nooit gedacht aan rijles en nou droom ik er van. Terwijl ik uit bed stap om me te wassen besluit ik om er maar eens rustig over na te denken. Wie weet doe ik het wel.
Een dag later kom ik een bekende tegen. Ik vertel hem er over. “O heb je dat dan nog niet? Dat is een verstandige beslissing. Nu ben je nog niet echt oud, als je straks van alles begint te mankeren, dan mag je geen rijles meer, en dan ben je blij dat je je rijbewijs hebt.” Ik zeg dat ik zo fit ben als een hoentje en zo lenig als een kat. En dat ik fietsen erg leuk vind. Ja, fietsen vindt hij ook leuk, maar het komt er eigenlijk nooit meer van… Maar een rijbewijs halen is toch echt een goed idee. Als vrouw krijg ik misschien wel eerder een no claim op de verzekering. Zeker omdat ik ook al wat ouder ben is die kans groter. Zo praat hij door. Over verzekering… papieren…no claim… En ik, ik word ineens erg moe. Ik ben nu al zolang bezig mijn bezit te verkleinen. Bijna alles is nu weg, of in andere handen. Goede handen. Ik heb alleen nog deze wagen, en dat is een opluchting. Ik moet er niet aan denken om in mijn eentje weer allerlei zaken en bezittingen aan te gaan.
Hoe langer de man door praat, hoe groter mijn vastbeslotenheid om het niet te doen. Nu in elk geval niet en ook niet om deze redenen. Zou ik een rijbewijs halen omdat ik straks oud en krakkemikkig ben? Als ik dat doe, dan geef ik mezelf de boodschap dat ik dat ook word. Zeg het maar vaak genoeg, en het gebeurt ook. Niks voor mij. Ik heb alle vertrouwen in mijn lijf en ben elke keer weer verwonderd hoe mooi het allemaal werkt. Dagelijks doe ik oefeningen, ’s ochtend en ’s avonds voor kracht en souplesse. Soms moet ik mezelf er toe zetten, maar uiteindelijk vind ik het steeds weer lekker om al mijn spieren te voelen. Fietsen is ook fijn, maakt niet uit als het ver is en als het regent doe ik mijn regenpak aan. Ook sjouwen doe ik graag, lekker in het bos, slepen met een dikke tak voor de kachel. Ik vind het allemaal leuk. Toen ik twaalf was heb ik gezegd dat ik nog steeds in bomen zou klimmen als ik 50 was. Nu word ik 48 en ik klim nog graag. Nog niet zo lang geleden klom ik voor het eerst in een hoge lantaarnpaal. Al met al voel ik me nu jonger dan toen ik zestien was. Eigenlijk heb ik jarenlang veel te weinig gelachen, en dat ben ik nu aan het inhalen. Zou ik me nu als een “verstandig” mens moeten gaan voorbereiden op de ouderdom? Ik dacht het niet!
Het is ook maar de vraag hoe de wereld er straks uit ziet. In de komende twintig jaar zal er veel veranderen. Zullen de hulpmiddelen van nu ons nog steeds ter beschikking staan? Is er tegen die tijd nog pensioen en is er nog steeds voldoende zorg voor ouderen? Ook is het maar de vraag of er nog steeds zulke goedkope brandstof is, en of de wegen worden onderhouden zoals nu. Je weet het niet. Maar één ding weet ik zeker. Ik moet het zelf doen. Ik kan er niet van uit gaan dat er mij altijd een heel pakket aan hulpmiddelen en diensten ter beschikking zal staan. Alles verandert, en gelukkig maar.
Ik zie het als een uitdaging. Waar ik kon heb ik mezelf vaardigheden geleerd om mezelf te kunnen redden. Geduld in de eerste plaats, en mezelf gezond houden. Diverse disciplines, werken met gereedschappen, en boven alles, een prettige omgang met de mensen om me heen… Al die dingen zijn voor mij oneindig veel belangrijker dan het halen van een rijbewijs. Maar ik zeg geen nooit. Misschien doe ik het nog wel eens. Zo’n papiertje halen. Als we met een stuk of wat mensen een busje aan kunnen schaffen of zo. Ergens, met wie en waar ik dan ook ben. Maar nu in elk geval niet.

Opruimen voor wat komt

 

.

.

Een troosteloze dag

.

.

Het lijkt vandaag geen dag te worden. Er hangt een wolk vlak boven de aarde met dichte fijne druppels waar je kletsnat van wordt. Ondanks die duisternis heb ik de moed bij elkaar geraapt om weer verder te gaan met een oud karwei. Voor me op de vloer ligt een wanordelijke berg spullen. Het meeste komt uit de houten kist, die ik bij aankomst even onder de wagen heb gestald omdat ik genoeg chaos aan mijn hoofd had. Hoewel de kist een klep heeft, is alles wat er in zat nat geworden. Cassettebandjes, uit alle periodes van mijn leven. Beitels van alle soorten en maten, prachtig gereedschap dat ik niet graag weg zie roesten. Er liggen ook pas gekochte mezenbollen tussen, die gaan gauw genoeg op hier. Er naast staan drie perfecte hardhouten kommetjes. Chiel, mijn man, maakte ze ooit, het is nu tien jaar geleden dat hij heenging. Er liggen ook twee naaidozen, eentje van mezelf en een van zijn eerder overleden moeder. Ik kijk ernaar met weemoed. Ik laat het maar even voor wat het is.
Kijken en moed verzamelen. Er is een onuitputtelijke voorraad supergezonde frisse en hoopgevende moed. Maar soms moet ik er even naar zoeken.
Verder ga ik met ruimte maken, nu de slotfase tegemoet. Alles moet een plek krijgen in mijn woonwagen en zo niet, dan gaat het weg. Wat er verder ook gaande is, dit moet en wil ik afmaken.

Het veld waarop mijn wagen staat, is leeg en stil en er is maar weinig wat me afleidt. Bof ik even… Er zijn zat leuke cursussen te doen en mensen die ik graag zou willen zien. Ik kan ook gaan demonstreren en petities aanbieden voor een betere wereld. Maar dit alles is voor mijzelf alleen maar uitstel. Uitstel voor wat ik werkelijk te doen heb. Opruimen. Ruimte maken in materie en geest. Hier, op dit stille veldje.
Ik voel me even mistroostig als het weer buiten en schrijf naar een vriend. Hij antwoordt onmiddellijk mijn mail en steekt me een hart onder de riem. Erg fijn is dat. Ik heb meteen meer energie om er aan te beginnen. Ik onderzoek de naaidozen en kies de handigste uit. Daar gaat alles in, en dat maakt de tweede overbodig. Ik droog de cassettebandjes en kijk welke ik nog wil houden. Het is een rustig werkje wat veel tijd kost. Aan het einde van de avond ligt alles vol met lege hoesjes en drogende papiertjes. Ik maak er een stapeltje van. Het begin is gemaakt. Mijn hoofd is leeg en ik leg me te ruste op mijn twee warme schapenvachten, naast de warme tegelkachel. Morgen is er weer een dag, dan ga ik verder.

Spullen zijn als fetishen. Alles wat in huis is, vreet een stukje van jouw energie. Of je er nou wel of niet naar omkijkt. Er zijn duizenden redenen te bedenken, waarom je iets laat staan. Het eist je ruimte op en hecht zich vast als een stuk kleefkruid op je jas, het plakt als verrot blad in de modder onder je schoenen.
En nu. Hoe gaan we verder? Er is iets aan het ontluiken, onder oude dingen die vergaan. Iedereen heeft langgekoesterde dromen en beelden. We kennen hoopvolle initiatieven die in een eerdere fase misschien weer in de kast zijn beland. We zoeken nu de jonge kiemen op die uit de grond komen, en geven ze ruimte. We maken van het oude rotte blad een bed van compost om het prille leven heen. Het is veel werk, een nieuw begin maken. Het vraagt geduld en doorzettingsvermogen. Wat een werk verzetten we, met al die mensen samen. Zo maken we een ruimere wereld om ons heen. En al die kleine stukjes gewonnen vrijheid kunnen elkaar gaan vinden en met elkaar gaan spelen. Waar ruimte is, daar kan iets nieuws groeien. Wie weet wat er mogelijk is. Ik werk door en maak mijn handen vrij.

Kijk! Het is er al!

Een eerlijke ruil

.

.

De veelbesproken dag is voorbij. Eenentwintig december tweeduizendtwaalf. Ik kijk om me heen om te zien of er iets is veranderd. Na een bewolkte dag komt de zon tevoorschijn vlak voor hij onder gaat. Ik zie een lucht met lichtblauw, oranje en violet. Een van die prachtige zonsondergangen. Verder lijkt alles hetzelfde. Maar dat zegt niet veel. Want niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt. Misschien zijn de dingen van buiten wel hetzelfde, maar zit het verschil van binnen. Zoals een bolletje onder de grond, die wil gaan groeien in de lente. Wie weet wat daar nog allemaal broeit onder de aarde, wat een uitweg zoekt. Ook onder de mensen broeit er iets, het gonst over voedsel en het herstellen van kringlopen. De een is er elk moment mee bezig, een ander vindt het gewoon lekker en gezellig om bij de plaatselijke tuinder zijn groenten en fruit te halen. Het lijkt soms alsof je een van de weinigen bent die met iets nieuws bezig is, of die dingen anders wil. Maar er zijn veel meer mensen mee bezig dan je weet. Verandering is net als ontkiemen, kleine groene puntjes die boven de grond uit komen, nauwelijiks te zien. Alles is nog dood en verrot en je moet het oude blad opzij schuiven om het te ontdekken. Want ze zijn er wel. Het zou best kunnen, dat dit moment, december 2012, zo ongeveer een dieptepunt is, en tegelijkertijd het einde van een lang traject. We zullen het pas kunnen zien als het geschiedenis is geworden. Dan zeggen we tegen elkaar: „Ja, vanaf die tijd begon de wereld te veranderen.”
Als deze dag een soort “mega-nieuwjaar” is, wat is dan mijn voornemen vraag ik mezelf af. Eigenlijk weet ik het al lange tijd. Er is niet veel magisch aan, en tegelijkertijd doet het wonderen, als het de juiste plek krijgt. Het zit me al jaren dwars dat ik het gewoon door de plee spoel. Poep, het bruine goud. Ik eet veel groente en fruit en geen vlees. Ook melkprodukten eet ik steeds minder. Het is niet dat ik er altijd zo bewust voor kies, ik heb er doodeenvoudig geen zin in. Als er iets is wat er nu wezenlijk verandert voor mij, dan is het dat. Mijn spijsvertering is anders dan vroeger en wat er dagelijks van mijn maaltijden overblijft is perfect voor goede compost.
Eergisteren heb ik een emmertje gemaakt. Mijn huisje is niet groot, en een complete wc met een grote compostbak eronder, dat kan ik niet bergen. Het emmertje is dus maar klein. Het staat duidelijk zichtbaar onder de bank. Wat er in zit ziet er uit als aarde en het ruikt naar aarde. We hebben geleerd dat poep vies is. Grote en kleine boodschappen worden gauw weggespoeld. Mensen die erover nadenken weten het wel. Dat het anders zou moeten. Maar ik heb geloof ik nog nooit iemand ontmoet die er gewoon op een dag mee begon. Het composteren van eigen uitwerpselen. Meestal wordt er lang over gepraat en gelezen. Er is niet altijd ruimte voor. Sommigen haken al af als ze horen dat ze evengoed rioolrechten moeten betalen. Een ander laat zich niet weerhouden en bouwt uiteindelijk het lang gewenste composttoilet. Of je koopt een Nonolet bij wat voorheen “De Twaalf Ambachten” heette. Maar ik wil niet wachten tot er een moment komt dat ik er ruimte voor heb. Ik wil niet alleen mijn keukenafval teruggeven aan de aarde, maar ook dat van mezelf. Ik zoek wel een plekje in het bos, als ik een tak meeneem voor de kachel. Dat lijkt me een eerlijke ruil. Er zijn nog steeds een hoop andere wezens op aarde en we hebben met alle leven een ding gemeen. We eten en we droppen de restanten in verteerde vorm, waaruit weer nieuw leven voortkomt. Het is een mooi ritueel, het klaarmaken van een emmertje. Er mag niet in geplast worden, alleen gepoept. De plas gaat ergens anders in. Het is even oefenen. In het emmertje komt een mengsel van zaagsel, zand en humusrijke aarde. Na elk bezoek aan het emmertje leg je er een papiertje overheen en dan weer een paar handjes zaagselaarde. ’t Ziet er prachtig uit, al zeg ik het zelf. Met deze kleine gift voeg ik daad bij woord. Natuurlijke kringlopen moeten gesloten worden, zodat alles zijn plek weer kan vinden. En ik begin bij mezelf. Het gaat over leven en laten leven. Wat voor mij afval is, is voedsel voor de aarde. Zonde om het de zee in te spoelen. Als ik hier ben, in mijn eigen wagen, dan is dit mijn gift. Mijn gift voor de aarde.

.

Staan voor de aarde

Trekkersporen met plassen in het land

Het is december, de bomen zijn kaal en het grasveld van de camping is kletsnat en vol plassen. Het jaar 2012 loopt ten einde. Een heel nieuw jaar ligt in het verschiet. Ik heb juist een mooie lijst met klussen uitgedacht, waar ik al een tijdje op heb zitten broeden. Ik verheug me erop om te beginnen. Maar kennelijk is het nog te vroeg, daarvoor. Door het raam zie ik de eigenaar van de camping. Hij komt naar me toe en vertelt zijn verhaal.
Hij gaat op vakantie, twee weken. Hij heeft hard gewerkt en is er aan toe. Ik ben de enige die over blijft op het veld. Omdat hij de boel gaat afsluiten ben ik genoodzaakt mijn heil ergens anders te zoeken. Ik begrijp het wel. Ik moet er aan wennen dat ik mijn wagen, nu achter moet laten. Het zij zo, besluit ik en stap op de fiets. Bepakt en bezakt vertrek ik. Op weg naar een appartementje in Boskant, bij St. Oedenrode.

Ik kijk uit het raam over de fietsen heen, die onder de overkapping staan. Kleine droge sneeuwvlokken waaien in vlagen over de tuin. Het dak van het kippenhok is wit en ook de plantenkas ernaast is wit. De takken van de knotwilgen zijn bedekt met een klein laagje sneeuw en steken scherp af tegen de grote donkere coniferen erachter. Af en toe waait de wind door de kruinen en vallen er grote vlokken naar beneden. In de verte zie ik grote populieren langs de bochtige weg, het beeld dat zo kenmerkend is voor deze streek. Ik heb de tafel voor een van de vier ramen gezet zodat ik naar de bomen en struiken kan kijken. Het waait flink. Hoewel de hemel bewolkt is, is het toch best licht op mijn tafel. Al het licht van buiten wordt weerkaatst door de grote witte deken. Zo stil is het, de sneeuw dempt alle geluiden. Auto’s op de weg zijn nauwelijks meer te horen, rijden langzaam, want het is glad. Vogels verstoppen zich in de haag of in het warme windstille kippenhok en laten niets van zich horen. Er is geen radio en geen CD speler die de rust verstoort. De televisie doet het niet, de internetverbinding is slecht, en ik laat het maar zo.

Het sneeuwt en het blijft sneeuwen. De klok tikt. Mijn vingers tikken op het toetsenbord. Verder is er niets. Niets. Onze wereld slaat op hol, maar waar ik ben is het stil. Ik weet dat veel mensen nu aan de aarde denken, en aan het klimaat. Nog meer mensen denken er helemaal niet aan. Maar het gaat er nu om wie er wel aan denkt. Elke middag om twaalf uur is er een moment van aandacht. Een maand lang. Ik ga er aan mee doen. Zijn voor de aarde. Om kwart voor twaalf maak ik me klaar. Ik voel me als een non in een klooster, die zich voorbereid op het gebed. Ik doe mee, en ik blijf het doen. Zolang ik hier ben.
Als de zon ondergaat brei ik een sjaal. Buiten piept een heggenmus. Steek voor steek verstrijken seconden, minuten en uren. Ik ben blij met mijn taak en het lijkt of niets me af kan brengen van de dagelijkse taak, die ik mezelf heb gesteld.

Dan kijk ik op het aanrecht en de schrik slaat me om het hart. Op de glimmende roodbruine theedoos die de gastvrouw hier heeft laten staan zie ik twee overduidelijke ronde, roze verkleuringen. Ik heb er zonder bij na te denken een nat warm pannendeksel opgelegd. Ik vraag me af of ik zo’n doos wel overal kan kopen. Ik heb geen internetverbinding om op marktplaats te kijken. Wat eerst een zegen was, is nu een kwelling. Ik wil het graag snel weer in orde maken, maar dat kan niet. Een paar uur lig ik wakker en moet tegelijkertijd om mezelf lachen. Laat ik me zó makkelijk van mijn taak afbrengen? Wint een theedoos het van de aarde? Krijgt díe nu plotsklaps al mijn aandacht? Nee hoor, theedoos of geen theedoos, ik zal er zijn, besluit ik. Helemaal.
Als ik de volgende ochtend wakker word heb ik het gevoel alsof er een dot watten in mijn hoofd zit. De zon schijnt heel even door het raam. Dat schept hoop. Ik zet mezelf ertoe om het ochtendritueel te doen zoals ik het altijd doe, lichaamsoefeningen, rustig ontbijten. Ik bouw mijn aandacht op zoals elke ochtend. Denken aan de aarde, bij elke adem in en uit. Na twaalven zal ik verder gaan met akkefietjes zoals theedozen. Wat stelt het nou voor, er zijn erger dingen. . .

Onze aardbol is een bijzondere planeet. Ze wordt misbruikt, doorgeploegd en omgeschept, gedolven en besmeurd. Maar tegelijkertijd, er is nog zoveel te ontdekken… Ik besef steeds meer hoe levend ze is en hoe alles met elkaar samenhangt. We staan aan het einde van een tijd en we staan aan een begin, al weet niemand hoe. Maar één ding weet ik zeker:  Weerstand doet de vlieger stijgen.

Een leven zonder wasmachine, kàn dat?

Soms hoor ik mensen verzuchten, ik weet niet wat er straks allemaal gaat gebeuren, als het tijdperk van goedkope energie voorbij is, maar het ergste wat ik zou kunnen missen is mijn wasmachine……!

Mijn was had zich aardig opgestapeld, het kleine mandje op de plank was al vol, met een kop erbovenop. Ik had me afgevraagd wat ik ermee moest doen. Normaal gesproken doe ik hier de was met een teiltje, en daarna in de centrifuge, die hier in de wasruimte staat. Vroeger hadden we thuis ook eentje, een gele met een zwarte deksel. Mijn moeder had me goed uitgelegd hoe het moest. Het gewicht moet je goed verdelen door de was er luchtig in te leggen, je mag niet proppen en ook niet tot de rand toe vol laden. Ik had toch iets niet goed gedaan, die vorige keer. Dat ding stond een paar momenten flink te schudden en daarna deed hij het niet meer.

En de dagen werden korter en natter. Ik vroeg me af of de was nog wel kon drogen in de herfst, of dat ik bij vrienden aan moest kloppen. Of naar Tilburg, een uur reizen van hier, daar is wel een wasserette. Haha.
De lucht is warm vanmiddag en er staat een fikse wind. Een lage wolkenlucht hangt in flarden boven het Brabantse land. Nu moet ik de was gaan doen, bedenk ik me en aarzel geen moment. Ik loop naar de wasruimte en pak de grote gele wasbak onder de gootsteen vandaan. De kleine biezen mand zet ik in het midden op de grote tafel die in de ruimte staat. Een mooie gelegenheid om mijn armspieren weer eens flink te gebruiken, denk ik terwijl ik het ecowasmiddel door het water roer. Ik doe de rubber handschoenen aan en pak eerst het laken. Ik kneed en boen er flink in, zoals ik wasvrouwen dat heb zien doen in films, lekker. De wasvrouwen van vroeger herkende je zo, die hadden vaak enorm gespierde armen, daar kunnen wij in onze tijd niet meer tegenop… In derde wereldlanden weten ze ook nog hoe ze moeten boenen. Een vriendin van me was in de Filipijnen geweest. Samen met de vrouwen uit het dorp had ze staan wassen. Ze hadden haar uitgelachen en in hun ogen zat ze maar wat te roeren in het soppie, zo werd het toch nooit schoon! Boenen moest je, kneden! Bovendien hadden ze het heel praktisch bedacht, in hun armoede. Ze hadden maar twee stel kleren, en elke dag wasten ze het ene uit en droegen het andere. Dat is pas efficient! Er hangt hier nog van alles waar ik afstand van moet doen om zover te zijn als deze vrouwen. Dat alles bedenk ik me terwijl ik net zo hard probeer de kneden in de was als de wasvrouwen, die ik me voor de geest haal.

Als het laken klaar is knoop ik het aan één kant aan de droogmolen en wring het net zolang uit totdat er geen druppeltje meer uit komt. Dan hang ik het op, aan twee hoeken van de vierkante molen met aan elke kant een knijper erbij. Het zijn slappe dunne knijpertjes en eigenlijk weet ik dondersgoed dat het alleen maar aanmaakhoutjes zijn. Het waait hard. Het laken blijft aan de hoeken hangen, de molen tolt rond als en gek, en de knijpers vliegen onmiddellijk de lucht in. Het laken fladdert wild heen en weer in de wind en belandt dan met een boogje in het gras. Het moet anders kunnen. Niet voor niets was ik de afgelopen 17 jaar scheepsvrouw. Ik herinner me de truc met het touw. Gedraaid touw moet ik hebben en natuurlijk heb ik dat nog. Een mooi lang eind en aan het einde zit de dreghaak, die mijn eigen ouwe Chieltje nog heeft gemaakt, toen hij leefde.

Meteen ga ik het halen en ik hang het ene eind aan een perenboom, en het andere eind aan de droogmolen. Die staat nu meteen een stuk steviger, en tolt niet meer als een gek rond in de harde wind. Ik draai een opening in het touw en prop de punt van het laken er in. Aan de andere kant doe ik hetzelfde. Tevreden kijk ik naar het resultaat. De wind rukt en trekt woest aan het groene stuk textiel, maar dat hangt stormvast aan de lijn!
Dan ga ik verder met de rest van de was. Het voordeel van alles één voor één te doen is, dat ik precies kan zien hoe vies ik het gemaakt heb en ik heb nog nooit met zoveel genoegen wit echt wit zien worden. Ik doe de was met een aandacht die ik er nog nooit op die manier aan besteed heb.
Als alle sokken en onderbroeken een beurt hebben gehad hang ik ze net zo op als het laken. Tot mijn verrassing is dat al kurkdroog! Zo eenvoudig is het dus, de was doen. Ik hoef helemaal niet met een zak te sjouwen naar een verre wasmachien. Laat mij maar lekker soppen en zien hoe mooi de wind mijn laken bolblaast.