Een stormband om mijn huis

.

Deze stormtekening maakte ik in 1991

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 9 minuten.

“Er komt storm Annemarie!” zeg ik. Ze haalt haar schouders op. “Ja. ik hoorde het al,” zegt mijn buurvrouw. “Iedereen heeft het erover, Dat is vast omdat hij voor het eerst een naam heeft gekregen. Dan maken mensen het al gauw erg. Misschien stelt het niks voor.” Ik lach. “Daar zou je best gelijk in kunnen hebben, maar ik ga toch maatregelen treffen!”

Het eerste waar ik aan denk, zijn de zonnepanelen op mijn dak. Die moeten goed vastzitten. Ik zet de trap tegen de buitenwand en gooi de haken van een zesarmige spin over de nok. Ik maak de spin aan beide kanten vast aan de stootrand, die over de hele lengte langs de goot loopt.
Dan duik ik in mijn bagagewagen, om de potkrik te pakken. Ik wil mijn assen op blokken zetten, tegen het wiebelen. De krik is de allerkleinste die er is, maar ik heb ook geen grotere nodig. Mijn huis weegt maar 1500 kg. Dat is per wiel 375, dat kan zon krikje makkelijk hebben. Plat op mijn buik duw ik met een paar slagen de as omhoog. Dan leg er een stapel stenen onder. Die zit. Nu de andere hoeken nog. Ik bevrijd de krik en loop ermee het hoekje om, waar de mussen en mezen in de manshoge heg zitten. Als ze me zien vliegen ze op naar de buren en blijven op een afstandje naar me kijken.

Het is even passen en meten. Als alles op de juiste hoogte staat en stevig vast zit, ga ik tevreden naar binnen. Ik voel meteen het verschil. Mijn huisje is nu een stuk stabieler. Ik vraag me af waarom ik dat niet eerder heb gedaan.

Wat moet ik nu doen? Ik kan me nergens op concentreren, en ben volledig in afwachting van de storm. Ik hoor de bomen heen en weer zwaaien en kijk uit het raam. Met een opgewekte spanning ga ik het experiment aan. Elke plek is anders. Sta ik dit keer goed uit de wind?
Ik hoor hoe hij aantrekt. De toppen van de bomen bewegen steeds wilder heen en weer. Maar de wind is zuid west, en daar staat het huis van Annemarie voor. Dat staat er al meer dan een eeuw, en dat valt niet zomaar om. Het huis houdt de wind tegen en tot mijn verbazing voel ik er helemaal niks van.

In de loop van de middag draait de wind naar het westen. Daar is de weg, en dat is de hoek waar ik kan uitkijken op het weiland. Hier heeft de wind vrij spel. Nu ga ik het voelen. De avond valt.

 

Ook 1991

 

Mijn huis schudt heen en weer. Dat ben ik wel gewend, en voor een poosje is het prachtig, één te zijn met de elementen. Tot het bijna bedtijd is. Op dat moment slaat er ineens een plensbui uit de lucht, met kletterend geweld op mijn dak. Alles schudt en trilt door de massieve vuist van de wind. Ik verstijf. Zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Het duurt twee minuten dan is het over. Ik ontspan en maak mijn hangmat klaar, om te gaan slapen, in een relatieve stilte.

Bijna val ik in slaap, als de wind opnieuw aantrekt. De zonnepanelen beginnen te klapperen, de dwarslijnen beginnen kennelijk los te raken. In de lengte zitten ze onwrikbaar vast aan de opstaande koekoek vast met bouten, staaldraad en draadspanners. Maar de dwarslijnen zijn vastgeknoopt aan de stootrand die langs de goot loopt. Door het constante geruk van de wind, raken de lijnen steeds een beetje losser. Ik luister gespannen. Dan schrik ik op van een harde klap op het dak. Nou wordt het te zot. Er is vast niks aan de hand, maar ik neem geen risico. Met zulke geluiden doe ik toch geen oog dicht.

Met blote voeten stap ik in mijn schoenen en ga naar buiten om te pakken wat ik nodig heb. De bagagewagen staat uit de wind en zonder dat de klep uit mijn handen waait, maak ik hem open. Zelfs in het donker weet ik de lange sjorband makkelijk te vinden. Ik heb alles zo vaak in handen gehad! Ik koester mijn handige kar, waarmee ik me overal weet te redden en ook nu weer.

Ik frommel de stijve band tot een slordige bol, en gooi die over het dak heen. Gauw loop ik naar de andere kant, voor hij weg waait. De ijzeren klem heb ik al snel te pakken. Ik trek de band door de spleet van de klem en ratelend trek ik hem zo strak, dat de stootrand ervan krom staat. Ik ken deze handeling zo goed, ooit voer ik met twee schepen aan elkaar, met dezelfde sjorband. Toen had ik als schipper twintig meter voor me met wel veertig mensen. Nu heb ik die verantwoordelijkheid niet meer. Nu gaat het alleen om een paar klapperende panelen. Dat is een makkie.

Tevreden kijk ik naar het resultaat, loop nog even het hoekje om en struikel over de gootemmer vol water. Het plenst over mijn ene schoen heen. Mijn blote voet sopt in het koude nat en gauw ga ik naar binnen om ze uit te doen. Ik kruip weer in de hangmat en voel dat mijn pyjamabroek ook nat is geworden. Bah. Ik heb geen zin om er weer uit te gaan en wrijf mijn enkels warm.
Ik lig nog een poos wakker. Mijn broek is al zo goed als droog. Mijn hangmat is een heerlijk warm nest. Nu alles goed vast zit, kan ik rustig liggen luisteren. Nu de woonwagen op blokken staat schudt hij minder heen en weer. Het bewegen is meer een trillen geworden, dat met hele kleine schokjes gaat. Eigenlijk is het net alsof ik in een buik zit, van een bang dier.

Met die gedachte geef ik me over en terwijl de wind langzaam afneemt val ik eindelijk in slaap.

.

 

.

.

Kleddernatte windvlagen

.

Overgang dakspant-wand

Idee waar ik mee wakker werd. Stormbestendige dak-constructie met isolatielaag en condensdruipkier

.

Stormachtig waait de wind in vlagen langs de vier houten wanden van mijn stulpje. Ik lig op mijn rug in bed te luisteren. Ik ben al een tijdje wakker. Een verbeterde bouwtekening ligt naast me, met een potlood erbij. Zojuist was ik er nog mee bezig. Maar nu denk ik er niet meer aan. Ik hoor iets anders. Een ritmisch zoemgeluid herhaalt zich. Ik besef dat het de zwiepende staalkabel is, van de schoorsteenpijp op het dak. De kippen houden zich stil, ze schuilen zeker onder mijn wagen, hun verenpak uitgezet tot een rond bolletje om de warmte vast te houden.

Ik rek me uit en gaap.’t Wordt tijd om op te staan. Ik stap uit bed en voel de bruine glanzende tegels van mijn kachel. Hij is nog warm. Het kistje hout staat er naast. Ik pak een plankje van vurenhout, dat lekker snel brandt en doe het klepje weer dicht. Nieuwsgierig schuif ik het dunne witte gordijn opzij, dat voor het raam hangt. Onder de loodgrijze lucht staan grote plassen in het veld. Rond mijn wagen is de blubberige boel nog erger geworden, zie ik. Kennelijk heeft het urenlang geregend vannacht. De sleuf, die ik gegraven had, is niet genoeg om al het neervallende water te verzamelen. Er staat opnieuw een plas omheen. Daar ga ik zo meteen wat aan doen.
Ik was me bij de waskom, kleed me aan en ga naar buiten. De schep ligt om het hoekje bij het rechter voorwiel. Ik zet mijn klomp op de schep, zover als ik durf het water in. Toch voel ik mijn sok een beetje nat worden, maar niet erg. Ik graaf druipende kluiten blubber. Breder en breder wordt de geul. Het water verplaatst zich terwijl ik schep, en de holtes stromen vol. Het ziet er best aardig uit, met dat versgegraven heuveltje ernaast. Leuk straks, met bloemen en kruiden erop.

Ik kijk en zie. Winters worden warmer en natter. Regen valt met bakken tegelijk. Nederland waterspeelplaats. Tot nu toe vind ik het nog steeds leuk. Spelen met water en aarde. Laat mij maar schuiven.

.

.

Wadi voor de deur

.

.

kippenoog.

.