WAT BOMEN FLUISTEREN WANNEER JE TEVEEL WILT . . . . . . . .What trees whisper, when you want too much

.

.

Heel veel willen is als een laaiend vuur. Wat doe je daarmee? De woorden kwamen uit mijn eigen mond. “Ik kijk naar wat is, niet naar wat ik wil wat er is.” Verbaasd lees ik het, als een waarheid die steeds opnieuw ontkiemt.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Listen to the english version? Click on the button down under the text

Er is een sprookje waar ik vaak aan moet denken. Het gaat over de gevolgen van teveel. Nu zijn er meer sprookjes die gaan over hebberigheid of vriendelijke behulpzaamheid zoals Vrouw Holle. Maar wat gebeurt er nou echt met je, als je teveel wilt? Ten slotte zijn het niet allemaal lelijke stiefdochters die daar last van hebben. We hebben het allemaal wel eens. Soms gaat het zo verschrikkelijk goed, je zit in de juiste stroom en krijgt van alles aangeboden. Welke keuzes neem je dan? Graag denk ik dan aan het sprookje van de arme vrouw.

Een arme oude vrouw woont eenzaam in een hutje op de hei. Meer kan ze niet betalen. Ze werkt wat in haar groentetuintje, dat maar weinig opbrengt, op de arme zandgrond. Ze heeft één magere geit, die ze dagelijks melkt. Veel geeft ze niet, maar ja. Het oude mens heeft er vrede mee. Op een dag klopt er iemand aan. Ze opent de deur. Het is een knappe man met mooie kleren aan, het lijkt wel een prins. “Ik ben verdwaald” zegt de prins. “En ik heb honger, heeft u misschien te eten voor mij?” De oude vrouw zegt dat ze niet veel heeft, maar ze kan wel soep maken. De prins is haar heel dankbaar. “Ik geef u voor elke vetkring in de soep een zilveren daalder” zegt hij stralend en hij gaat zitten op het bankje naast het huis. De arme vrouw maakt de soep en doet de boter erin. Netjes afgepast, één eetlepel, zoals altijd. Maar dan laait er een vuur in haar op. Wat kan ze allemaal doen als ze veel méér daalders kan krijgen? Een groter huis met een boomgaard, een koets met paarden ….Gretig gooit ze de hele kluit boter in de soep. Het is alles wat ze in huis heeft. Dan staart ze ontsteld in de pan. Op de soep ligt één dikke laag vet!

Ik was mijn vuile handen in de waskom. Twee diepe kuilen in de weg zijn weer mooi geëgaliseerd. Zo kunnen we makkelijk keren, als we dit weekend de boompjes uitladen. Er ligt een berg zand klaar om ze tijdelijk in de grond te zetten, want ik krijg ze niet alle driehonderd in één keer de grond in. Doe ik wel genoeg, vraag ik me soms af. Wat stelt dit eigenlijk voor vergeleken bij de duizenden bomen die sommige anderen kunnen planten? Misschien kan ik mijn talent wel veel breder inzetten. Ten slotte: bomen planten kan iedereen. Ik kijk naar de onverharde weg. De kuil is in elk geval dicht.

Ik ga naar binnen om verder te werken aan mijn laatste verhaal. Ik open mijn laptop. Eerst kijk ik even naar de vele reacties op het laatste interview in de Leeuwarder Courant. “Verlangen naar langzaam leven” staat erboven. En: “Ik kijk naar wat is, niet naar wat ik wil wat er is.” Het is alsof ik de woorden opnieuw zie. Dat heeft de schrijfster mooi samengevat. Er is ook een vrouw die me bedankt voor al mijn blogs, mijn eenvoud inspireert haar en het heeft haar door een moeilijke tijd geholpen. “Bedankt dat je zo gewoon bent!” zegt ze. Ik glimlach. Langzaam maar zeker bouwen we een netwerk op van bomen, planten, en mensen. Dan zie ik een volgend bericht. Ik word attent gemaakt op een groot kunstevenement. Bosklab in Leeuwarden. Er is veel geld voor beschikbaar en het lijkt op mijn lijf te zijn geschreven. Het gaat over bomen en verbinding. Wat leren we van bomen en hoe kunnen we daar anderen mee inspireren, zo snel mogelijk? Het duurt honderd dagen. Speciaal voor die gelegenheid komen meer dan duizend bomen de stad in wandelen. Ik zie een plaatje met mensen die tussen bomen doorlopen, bomen die allemaal in bakken staan. Ieder loopt er op zichzelf. Verbinding zie ik niet. Wat raar… Maar het is wel een mooie kans. Als kunstenaar kan ik er vast anderen ontmoeten en meer naam maken. Ik kan veel meer dan wat ik nu doe! Even brandt er een vuur in mij. Ga ik het doen? Maar inmiddels ken ik dat vuur wel. Het is vaak de aankondiging van een periode met weinig slaap en teveel hooi op de vork. Bovendien: Is het wel nodig, meer naamsbekendheid? Het gaat toch goed zo? En verbreek ik juist niet de verbinding met wat ik nu, heel langzaam aan het opbouwen ben?

Ik denk aan de oude vrouw in de hut en neem een besluit. Het is genoeg. Ik hoef niet meer. Ik doe het met wat er is en ik weet zeker dat het iets heel moois gaat worden. Ook bomen groeien niet in één dag. Ze hebben een netwerk nodig. En wandelen kunnen ze ook niet. Al zou je willen.

(Wat gebeurt er eigenlijk met die bomen na afloop? Gaan ze dan de grond in?)

.

Bosklab (van laboratorium), komt drie maanden lang in Leeuwarden, van de zomer. Het wordt vast een leuk evenement. Wie weet wat voor bruisende dingen de kunstenaars er aan toe kunnen voegen. Maar het concept mist voor mij diepgang, letterlijk. De bomen staan centraal. In bakken worden ze door de stad gerold. Maar de energie van de boom komt vooral uit de bodem. De boom heeft een netwerk nodig van micchorizae, schimmels, die hen onderling voedt en verbindt. En meer nog. Talloze miniscule beestjes maken de bodem los en vol leven. Als dit alles er is, dan pas staat een boom in diepgaande verbinding en is hij gezond. Het is een voorwaarde voor leven, de bodem is de basis. Mensen horen er geen werk aan te hoeven besteden, dan is het goed. Bomen in bakken zijn eenlingen, ze missen hun gemeenschap. Dat evenementenmensen weinig met wortels hebben is logisch. Dat zijn snelle zaken, per definitie niet geworteld. Het komt en het gaat. “Stadsinrichters willen meer groen. Het lijkt een mooie match, maak er een bomenevenement van. Je kunt rollen met bomen als meubelstukken om te kijken hoe je het wilt hebben, in de stad van de toekomst. Dat is leuk. Maar de vraag die je dan stelt is: “Wat willen wij”. Dat is volgens mij toch heel wat anders als: “Wat kan de boom mij vertellen.”

Hoe bruisend het ook kan worden, ik zie er geen bodem in, als gewortelde nomade. Ik zou er eerder hyper van worden, elke dag wat anders. Bomen in bakken, twaalfhonderd nog wel. Al dat geld voor die eenzame bomen rollend door de stad, dat besteed ik liever aan iets anders. Ik zou het verspreiden over een nog langere periode. Met een speciaal aanvullend programma voor scholen bijvoorbeeld. Natuurouders en kinderen verbinden met kunstenaars. En niet alleen kunstenaars met naam uitnodigen, maar vooral ook buitenlandse inheemse activisten. Zij wagen hun leven om het regenwoud te beschermen. Ze zien familieleden sterven door de afbraak van hun land, de toenemende ziektes, de terloorgang van natuurlijk medicijn. Denken aan bomen is voor hen geen evenement, maar puur overleven. Die mensen eens te zien en te kunnen spreken, dat zou mij als activistisch kunstenaar pas werkelijk beroeren en inspireren. Ik denk al zo lang aan ze! Waarom worden ze steeds vergeten? Zij staan aan de heetste vuren van deze tijd! Zij zouden ons kunnen leren hoe we werkelijk naar bomen kunnen luisteren.

.

PS: Ik las later, dat een oude studiegenoot van mij zorgt voor een verdiepend kinderprogramma. Dat is mooi. Nu de inheemse activisten nog.

Nederlands:

Engels:

Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Een levend thuis met echte buren

.

Een deel van deze afbeelding komt terug in een ander verhaal: “De bestendigheidsgelofte.”

Een deel van mijn leven in vogelvlucht. Hoe ik woonde en wat ik mijn thuis noemde. Hoe ik de wet der wederkerigheid ontdekte, die ik niet alleen toepas op menselijke relaties, maar ook in relatie met de planten en dieren heel dichtbij, direct om mijn huis. Ze horen er allemaal bij.

Liever luisteren? Klik op de knop onder het tweede plaatje.

Er was een dag dat ik in een stenen huis woonde. Nooit had ik zorgen om de wind, de regen en er was niets wat weg kon waaien. Er was niets om vast te sjorren en een schoorsteenkapje hoefde ik niet te hebben want ik had CV. Het water en de stroom werd verzorgd door anderen en het huis werd onderhouden door de woningbouwvereniging. Dat is lang geleden. Wel vijfentwintig jaar. Hierna kwam ik in een eeuwenoude werfkelder terecht. Een heel romantisch plekje, maar je bent wel altijd bezig om je huis bewoonbaar te maken, en ook te houden. Een werfkelder vraagt ook veel energie. De stenen muren zijn tegelijkertijd het fundament van de huizen erboven. Daarom zijn ze een meter dik en warmen erg traag op. Ik moest de hele zomer blijven stoken op een laag pitje. Anders werd alles klam en vochtig en kleding begon te schimmelen in de kast. Ik heb geleerd mijn huis zo leeg mogelijk te laten zodat de lucht goed kan circuleren. Ik heb geleerd dat ventilatie erg belangrijk is en dat de wanden poreus moeten zijn en moeten kunnen ademen.

Uiteindelijk heb ik veel van de verworven wijsheden in de bouw van mijn kleine huis gestopt, met als gevolg dat ik vele malen minder hoef te stoken en altijd een heerlijk licht plekje heb. Het beddengoed voelt niet vochtig aan, de kleding schimmelt niet in de kast en ruikt gewoon fris. Een huisje klein maar fijn.

De basis is goed. Maar wat er van buiten op me af komt, dat heb ik niet voor het zeggen. Het kan stormen of de wielen zakken weg in de modder. Zo is het nu. Maar zo was het niet altijd. Ooit stond mijn wagen op een mooie ondergrond van beton. Om me heen had ik een glazen windscherm laten bouwen, op Frijlân. Dat was mijn eerste woonplek in Friesland. Ik had dat mooie scherm niet alleen voor mezelf. Dan had ik het nooit gedaan. Ik wist dat ik weer weg zou gaan. Het windscherm zou een cadeau worden aan de gemeenschap. Ik had veel aan de gemeenschap te danken, al was het dan in een andere plaats, op een ander moment. Dat was aan de Oudegracht, in die werfkelder. Het voelde als een ver verleden, de vuren op de werf aan het water, de muziek en de mensen van toen. Ik zou ze nooit van mijn leven meer bij elkaar kunnen krijgen, iedereen die er bij was. Maar dat hoeft ook niet. Ik heb geleerd dat je, wat je krijgt, niet per se aan dezelfde mensen terug hoeft te geven. Het netwerk is immers met vele lijnen aan elkaar verbonden en het voedt veel meer dan wat je kan zien. Ik weet nog dat iemand me dat uitlegde. Ik had het gevoel in het krijt te staan. Die man had zoveel voor me gedaan! “Ik vind je een mooi mens” zei hij, “En je bent met goeie dingen bezig. Daarom help ik je. Als je mij iets wilt geven, geef het dan aan een ander.” Ik voelde me verlegen en verbaasd dat ik daar nog nooit eerder bij stil had gestaan.

Het glazen windscherm wordt nu goed gebruikt. Er komen mensen bij elkaar en er wordt muziek gemaakt. Ik ben erbij, als het einde van het seizoen wordt gevierd. De trommels klinken prachtig tussen de glazen wanden, met de vloer van beton. Het is een perfecte klankkast. Overal zie ik lachende gezichten, er wordt gedanst en er worden oerkreten geslaakt. Even krijg ik kippenvel. De sfeer is precies als die ik achter liet. De feesten van toen, op de werf in Utrecht, hadden dezelfde muzikale openhartigheid als wat ik nu meemaak. Hetzelfde vuur. Is dit de wet der wederkerigheid? Dat alles bij je terugkeert als je durft te geven?

Mijn huis staat nu op een andere plek. Voor mezelf wil ik geen glazen windscherm, geen betonnen vloer. Ik hoef ook niet opgeborgen te staan in een schuur, zodat me niets kan gebeuren. Ik wil leven tussen het leven wat mij omringt. Glazen wanden geven mij het gevoel van gekooid zijn, dat ik in een aquarium zit, los van de rest. Ik maak het scherm nu van riet, dat ik rechtop tegen een wand zet. Die wand is van pallets gemaakt en goed gestut. Een windschut moet leven. Het moet langzaam vergaan, en terugkeren naar de bodem. Ik geniet er van om op die manier ruimte bieden aan andere levende wezens. Al is het maar een groep duizendpoten, die er beschutting vinden. Het is heerlijk om daar telkens weer aan te bouwen, en te zien wat er gebeurt. Ik maak er holletjes in voor de vogels. Ik zie hoe er na een uur al een hele zwerm kleine mugjes in woont. Als het winterkoninkje dat ontdekt, dan heeft hij weer eten. Maar ik heb hem nog niet gezien. Wanneer zou hij het ontdekken, mijn geliefde vogeltje? Al kijkende werk ik aan mijn plek. Vanuit mijn raam moet ik het zien. Juist wat dichtbij is, krijgt de meeste voeding. Doordat ik mezelf verzorg, verzorg ik de Aarde. Zoals ooit mijn geliefde zei: “We zijn niet alleen op de wereld.”

Het doet mij meer dan ooit beseffen: Het moet nu gebeuren. Hier, waar je bent. Op je eigen plek, en het liefst vlak voor je voeten. Het Web van Leven is overal.

.

.

Versterkt windschut met geoogst riet. Er zitten holletjes in voor insecten en voor de vogels. Doordat het jaar extreem vochtig was, was de rietoogst vele malen groter dan vorig jaar. Ik gebruik het ook voor paadjes, zodat het niet modderig wordt. Ik bouw met wat er is, ik leef samen met het leven dat zich vestigt. Ook muggen.

.

Tijdens het opschonen van mijn mailbox kwam ik toevallig deze architect weer tegen. Anna Heringer. Niet voor niets had ik haar opzij gezet, ze is belangrijk voor me. Waar zij voor staat als architect, datzelfde draag ik uit in mijn verhalen. Ook zegt het iets over het feit waarom mijn buren zo belangrijk voor me zijn . En over hoe ik nu mijn windschut bouw en versterk . Door haar levenswerk een plek te geven in mijn blog, hoop ik mijn keuzes nog beter toe te kunnen lichten.

Voor Anna Heringer is ‘Het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven. Denk daar maar eens over na. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby. (Artikel 360 Magazine 1-10-2020 “Natuur en bouwsector moeten bondgenoten worden.”).

In dit filmpje kun je zien hoe ze samen met een heel dorp in Bangladesh een lemen school bouwde. De materialen komen uit de streek zelf. Het is zeker inspirerend, want modder hebben wij hier ook op deze oude zeebodem (Middelsee, N. Fryslân). Zelf heb ik diverse ervaringen met klei en het bouwen ermee. In deze beelden komt de titel van dit verhaal weer terug. Een levend thuis met echte buren.

Uitvliegen

.

.

Dit verhaal gaat verder waar ik vorige week stopte. Hoewel er een week tussen zit in mijn blogs, is dat in werkelijkheid niet zo. Het één volgt op het ander, dit alles gebeurde op één dag.

Liever luisteren? Klik op de link onderaan de tekst.

Daar sta ik dan, als gewortelde nomade. Ik heb er even genoeg van. Ik sluit de deur om eens een flinke wandeling te gaan maken. Wat heb ik nog op de camping te zoeken? Het is wel klaar hier. De bomen en de velden munt hebben de top van hun groei bereikt. De weiden zijn gemaaid en wachten op de laatste oogst van hooi. Vaste gasten en bewoners zijn óf druk, óf niet fit, of met eigen sores bezig. Enkele oudere mannen kijken mij lonkend na. Hun leven is op een dood pad gekomen en daarom zijn ze een tijdje hier. Ze kijken naar me. Leuk, zo’n vrouwtje dat van alles doet. Maar ze kijken zonder vragen te stellen. Niet aan mij, laat staan over mijn gewortelde ideaal: te Zijn en en te Blijven.

Ik zal even uitleggen hoe ik het zie. Ik denk dat zijn waar je bent precies is waar de aarde behoefte aan heeft. Je gebruikt geen brandstof, eet lokaal en poept voor de composthoop die de aarde vruchtbaar maakt. Je praat met de buren en bent er voor ze wanneer ze je nodig hebben. Op die manier verbindingen maken. Dat is mijn streven. Ik zorg ook voor de vogels, de wormen, de salamanders en de krekels. Zo te zijn, dat noem ik “Mijn gewortelde ideaal.” Maar wat als de aarde hard is en de buren vooral druk zijn met eigen dingen? Ik heb gebikkeld, met spades, grondboor en de sikkel. Bomen geplant, gemaaid. Ik ben er als de boer me nodig heeft, voor het hooien, voor een politieke actie. Of voor iemand anders. Eerst was het leuk. Maar energie moet worden gevoed en aangevuld. Soms krijgen de wortels te weinig voeding. Dan is er iets nodig. Wat? Heerlijk is het om dan te spelen en te lachen om niks. Of te verdwijnen in meerstemmig zang en je stem te mengen met andere! Je lievelingsnummer draaien voor een echte luisteraar die je ontroert aankijkt. Kijken hoe mooi de bomen groeien, die je ooit samen plantte. Die dingen. En dan bedenk ik me, kan een ideaal wel altijd geworteld zijn en standvastig? Ik denk dat er ook licht en lucht bij moet. Het liefst lekker veel. En vleugeltjes en gezoem, waarvan je gaat trillen en gloeien. Soms moet je weggaan. Het verstikte ideaal achter je laten. De hoek om en lekker rondkijken. Misschien staat je liefste droom daar vroeg of laat wel weer opnieuw. Zomaar. Helemaal fris en gevoed.

Dat beeld is de aanzet. Het gezoem, de vleugeltjes, het weggaan.

Ik hoef er niet eens over na te denken. Ik trek mijn jas aan en veter mijn wandelschoenen vast. Met stevige pas loop ik over het lange grindpad. Ik voel me gelijk anders. De vrijheid waait me tegemoet. De twee kilometer naar de weg heb ik in een oogwenk afgelegd. Het lijkt wel of de tijd met me mee stroomt, alsof alles sneller gaat. Bij de asfaltweg tussen Weidum en Jellum ga ik links de bocht om. Daarna zie ik rechts van me de landweg die door Bears leidt. Een mooi oud dorp. Daar is de kerk en de kinderboerderij. Ik sta stil, kijk even en loop door. Voor mij daagt het bord op, van een heel klein gehucht. “It Wiel”. Ik ben er vaak doorheen gereden, zonder te zien wat het nou eigenlijk is. Het is tijd dat ik het eens ga onderzoeken. Het is zo klein, sommige mensen weten niet eens dat het bestaat. Maar de echte Friezen hier kennen het allemaal.

Het zijn maar een paar huizen. Erachter staat een oud fabrieksgebouw. Wat zou dat toch zijn? Ik heb het me wel vaker afgevraagd. Meteen verdwijnt die vraag uit mijn gedachten. Want er staat een klein kastje naast de weg. Het is een kleine straatbieb. Ik pak er een boek uit en ga op mijn hurken in het gras zitten lezen. Dan hoor ik het geluid van voetstappen. De zon schijnt op schoenen die vlak voor mij stoppen. Ik kijk omhoog. Er staat een man van middelbare leeftijd. “Is het wat?” vraagt hij. “Ja, het gaat over Afrika,” zeg ik. We praten verder. Hij weet warempel nog wie ik ben. “O, jij bent het, je kwam toen langs met je wagen. Ben je niet meer op pad?” Ik antwoord van nee. “Veel mensen hebben allang van me gehoord of gezien, op televisie, in de krant. Opnieuw weggaan is voor mij niets anders dan de herhaling van een kleurplaat die al is ingekleurd. Bovendien is het een onrustig bestaan. En er is al zoveel onrust.” De man knikt. “Dat snap ik helemaal.” We praten over bijen, want hij is imker. Het gaat heel goed met zijn bijen. Ook kleine wilde grondbijtjes doen het goed. Er waren er heel veel van dit jaar. Of ik de buurvrouw niet eens wil ontmoeten? Zij werkt mee met zaaien voor het Bijenflinterlint en zingt in het zangkoor van Weidum. Ik kijk hem verbaasd en hoopvol aan. Goh, ik wist niet dat Weidum een zangkoor had. Ik dacht dat dat was opgedoekt.

Het is een genoeglijk gesprek, maar de man heeft nog meer te doen vandaag, zegt hij. Hij wil teruglopen naar de deur. Ik heb nog een vraag en ben net op tijd. “Wat een rij brievenbussen staat er hier naast de oprit! Van wie zijn die allemaal?” Rustig geeft hij antwoord. “De bussen zijn van de mensen hierachter. In de oude fabriek is een bedrijfsverzamelgebouw. Er zit van alles. Ook zijn er nog een paar kleine huisjes waar mensen wonen. Ga gerust eens kijken!” Ik gloei van nieuwsgierigheid en kom meteen overeind. “Ik wist niet dat dat mocht.” Hij grijnst. “Er staat een bord bij met een plattegrond, daar kan je zien wat hier allemaal is.”

Mijn bloed gaat sneller stromen. In mijn borst trilt en gonst het, precies zoals ik vanochtend hoopte. Ik loop dichter en dichterbij naar het oude gebouw. Bedrijvigheid… Wat was ik daar aan toe! Voor het bord sta ik stil, en kijk. Het is een lange lijst en rustig lees ik de namen. Wie zullen dat allemaal zijn?

.

.

.

.

.

.

Eigenlijk wilde ik gaan zwemmen.

.

.

.

.

.

Tot het krakend neerstort

.

.

Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen, al was het maar tijdelijk. Maar dat hoeft ook niet. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt, kraakt en barst en zegt: Nou is het eens afgelopen met al dat drukke mensengedoe. (Onderaan de tekst vind je een knop om naar het verhaal te kunnen luisteren.)

.

Marja heeft het gehoord. Het regende, iedereen zat binnen. Toen klonk er luid gekraak. Marja zat op het puntje van haar stoel, vlakbij, in haar kleine huis. “O jee, als er maar niks bovenop mij valt,” dacht ze. Maar dat was niet zo. Toen ze naar buiten kwam zag ze het. De boom.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje. Ik sta op Jochumsreed met de sikkel in de hand. Ik wil gras snijden. Dagelijks houd ik het Verhalenpad bij. Het is een eindeloos creatief proces van laten groeien en laten verteren. Ik wil net het veld oversteken, als Dick komt aanfietsen. Hij grijnst en stopt vlak naast me. “Er is een boom omgevallen. Hij ligt over de weg heen, auto’s kunnen er niet meer langs”, glundert hij. Hij groet en fietst verder om boodschappen te doen. Ik loop nieuwsgierig naar de boerderij toe. Ik denk dat ik weet welke het is. Het is van verre te zien. Het pad eindigt in een donkergroene massa. Als ik dichterbij kom zie ik dat een dikke tak is afgescheurd. Hij hangt nog met zijn oksel aan de boom, die verder helemaal niks mankeert. Het gewicht moet te groot zijn geworden, door al het blad en die regen. Hij leunt op een dikke zijtak op de oever, pal naast een omgekeerde boot. Het vormt een poortje. Ik kan er net rechtop onderdoor. Een paar mensen staan aan de andere kant te kijken. Boer Jochum, de gedreven greppelkenner Jeroen, en een gast. Verbaasd nemen ze de onverwachte verandering in zich op. Bewonderend, en tegelijkertijd prakkiserend: Wat moeten we hiermee aan? Maar boer Jochum twijfelt niet. “Ik laat hem een tijdje liggen. Het komt me wel goed uit. Het erf is leeg. Ik moet hooien, en nu hoef ik niet steeds iemand aan zijn jas te trekken dat zijn auto in de weg staat.” De mannen praten nog even verder. Ik loop door naar het erf. De rust is heerlijk en de schoonheid van oude boerderij komt nog beter tot zijn recht.

De natuur heeft vandaag terrein gewonnen. Voorlopig. De houtduif, die anders schichtig op het pad scharrelt, klaar om weg te schieten, doet dat nu op zijn dooie akkertje. “Dit is nu ook van ons,” lijkt hij te zeggen. De donkere bladermassa beschermt hem. De tak is zijn vriend. Ik begrijp dat sommigen het gevaarlijk vinden, bomen en zwaartekracht. Maar ik geniet hiervan, ik houd van risico’s, die bij het leven horen. Ik houd van dingen laten zijn zoals ze zijn en eenvoud. Ik doe boodschappen op de fiets en reis maar af en toe een keer met de trein. Ik plant bomen en struiken en houd mijn voetstap bewust klein, om de natuur de ruimte te geven. Maar hier op de camping staat het vaak vol blik. Allemaal mensen die van de rust willen genieten. Nogal tegenstrijdig, vind ik. Al die auto’s die het terrein domineren, waarom moet dat? Het lijkt een vanzelfsprekend recht te zijn op het uiterste gemak. Een parkeerverbod op het erf zou nooit ter sprake komen. Maar dat hoeft ook niet. Hoera. De natuur zelf geeft het antwoord. Ze gromt en kraakt en zegt: Nou is het afgelopen met al dat drukke mensengedoe. Ik steek er een stokje voor. Ik hoop dat die tak daar nog lang blijft liggen.

Hoelang kunnen we de wereld naar onze hand zetten, inrichten naar ons gemak? De politiek kan eindeloos debatteren over stikstof. Over de noodzaak van verstedelijking en over natuur die het onderspit delft. Vogelweides krijgen een bouwbestemming. De bouwnorm moet gehaald worden. We moeten wel, zegt de gemeente. De economie dendert voort. Het dreunt, het ruist, het piept, en toetert tot je oren ervan fluiten. Er komt geen einde aan. Zo lijkt het. Tot de Aarde beeft en een monsterlijk grote boom het dreunend begeeft. Het is de Wilg, het toonbeeld van levenskracht. Symbool van de eindeloos taaie natuur. De Wilg die vanuit zijn wortels voortleeft. Vanuit de liggende takken ontspringt een nieuw bos. Het groeit zo snel, dat er geen houden aan is. Niemand had het voorzien. En niemand had er ooit aan gedacht. Het leven gaat waar het wil, en trekt zich nergens iets van aan. Als een zwaluw in zijn vlucht.

.

.

Gluren naar de karekiet

De stem van de natuur en haar rechten

.

.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan, zoals deze kennismaking met de karekiet het begin daarvan illustreert. (Je kunt ook luisteren naar dit verhaal. Klik op de link onder de tweede foto in deze tekst.)

Het is zomer aan het worden. De Swetteblom wordt steeds meer bezocht door stadsmensen, die het drukke leven moe zijn. De rust die deze plek uitstraalt is weldadig en steeds meer mensen weten het te vinden. Er zijn weekendgasten en soms mensen die hier langere tijd verblijven. Het veldje naast de Swette is erg populair. De hele winter liep ik daar om naar de aangrenzende steiger te gaan, voor mijn dagelijks bad. Nu doe ik dat niet meer. Niet nu er mensen staan. In plaats daarvan heb ik een geheim paadje gemaakt, verderop, dwars door het riet.

Het is half acht in de ochtend. Ik haal de kleden weg die mijn kleine huis verduisterden voor de nacht en open de deur. De zon schijnt met een zacht licht. In de verte hoor ik het heldere gefluit van de winterkoning. Ik denk dat hij een tweede nest heeft in de oude wilg. Ik wikkel de handdoek om mijn heupen en zet het vast met een ijzeren knijper. Nu heb ik een groen rokje aan. Met blote voeten in de klompen stap ik het bordes af, loop om mijn wagen heen en kruip door het poortje in de wilgenhaag. Nu het veld steeds vaker bezet is door gasten, heb ik mijn eigen paadje gemaakt, naar de weg. Zachtjes loop ik over het veld, mijn klompen pletten de harde stengels van het gemaaide gras. Ik steek Jochumsreed over, de zandweg vol stenen en kuilen, die naar de boerderij leidt. Ik speur naar de plek waar ik moet zijn. Een inheemse berenklauw markeert de ingang van mijn spoor door het riet. Het is maar heel smal en omlijst door een paar brandnetels, om nieuwsgierigen af te schrikken. Het paadje gaat direct de bocht om. Mocht iemand iets opmerken, dan lijkt het net alsof het daar al ophoudt. Alleen ik weet het te vinden. Daar, in die brede strook riet, daar komt nooit iemand.

Ik houd mijn adem in, wanneer ik tussen de brandnetels door loop. Ik leerde het van mijn moeder. Houd je adem in, dan prikt het niet. Voetje voor voetje loop ik over het klomp-brede pad, de bocht om en verder. Het riet strijkt langs mijn lichaam. Dan ben ik er. Daar, aan het water, heb ik een open plek gemaakt. Het is maar een vierkante meter, en het hoge riet vormt een dichte wand rondom mij, die hoger is dan ikzelf. Er ligt een dikke laag hooi. Het is een heel fijn nestje. Een nest dat niemand weet. Niemand? Dat dacht ik maar.

Ik trek mijn shirt uit. Dan hoor ik een zacht fluitje, vlak bij mijn hoofd. En daarachter klinkt geritstel. Heel langzaam draai ik mijn hoofd om. Het zijn twee karekieten. Ze komen steeds dichter bij en gluren naar me, tussen de rietstengels door. Nog trager dan net ga ik op mijn hurken zitten. Ik kijk naar hen en zij kijken naar mij. Heel lang, want niemand heeft haast. Tot ik me herinner dat ik ging zwemmen. Ik buig me naar voren. In het water staat een trapje, diep in de modder gedrukt. Ik span mijn spieren om heel langzaam die grote stap te nemen. Via het trapje glijd ik, traag en geruisloos als een krokodil, het water in. Er is nauwelijks een rimpeling. Ik glijd tussen de drijvende plompebladeren door, zoals ik dat leerde met kunstzwemmen: de benen gestrekt en strak als een duikboot. Mijn armen houd ik dicht bij mijn lichaam en mijn handen bewegen heen en weer als de vinnen van een vis. De karekiet gaat in een rietstengel verderop zitten en fluit zijn liedje. Boven het water vliegen talloze mugjes en een klein vlindertje. Overal hoor ik karekieten. Ze zitten ongeveer om de twintig meter en sommigen vliegen al fluitend steeds heen en weer naar de overkant. Stil kijk ik om me heen. Het water is niet heel koud meer maar nog wel fris. De kou trekt langzaam door mijn armen mijn lijf in. Langzaam drijf ik terug. Net zo geruisloos glijd ik terug naar het trapje. Traag als een oosterse butohdanser kruip ik terug de wal op. Ik ben een wandelende boom, zeg ik tegen mezelf. Je ziet bijna niet dat ik beweeg. Het hooi veert onder mijn blote voet. Het is warm en zacht. In het riet hoor ik opnieuw geritsel. Kleine kraalogen gluren naar me, tussen de stengels door.

Zo kan het zijn, wanneer we plekken behouden voor de dieren. Het riet is van de karekiet, ik ben hun eerste menselijke gast. Hij vertrouwt me, want het vertrouwen is nog nooit beschaamd. Zo kan het zijn. In het drukke mensenland zijn er nog altijd plekken als deze. Kleine stroken buiten onze paden. Stroken van soms maar een paar meter breed, zo begroeid dat niemand eraan denkt het te verkennen. Soms is het een kreek, een moddersloot, en maar weinigen zullen zich vuil willen maken om te zien wat daar is. Natuur en mensen kunnen heel goed met elkaar. Als je maar stil bent. Als je maar weet dat je te gast bent, op deze wondermooie aarde. Mensen zijn geen vernietigers. Maar alleen als we onze voetstap klein houden en onze bewegingen langzaam en betrouwbaar. Tevreden zijn met niets.

Er zijn steeds meer organisaties die de natuur een stem willen geven. Maar dan zijn er nog altijd mensen nodig die die stem kunnen verstaan. Die weten op welke stukken land we de baas zijn, en waar niet. Mensen die ecologische vrijplaatsen aan kunnen wijzen en zich daarover met anderen kunnen verhouden. Met elkaar kunnen we leren hoe dat moet, hoe we ons als gast kunnen gedragen. Wat is daar? Op die paden, buiten de onze? Een verkenningstocht is prachtig. Maar mysteries moeten er blijven. Met respect voor het nest van de buren. Hoe kan je dat respect hard maken?

Wereldwijd zijn er 369 initiatieven gestart om rechten toe te kennen aan de natuur. De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Boven alles hoop ik, dat wij met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. Wil je hier meer over de rechten van de Aarde lezen, ga dan hieronder verder.

.

TIP …. Kom vanavond om half zeven naar het Hofplein bij het gemeentehuis in Leeuwarden. We demonstreren tegen de nieuwe woonwijk, die pal tegen een vogelweidegebied aan komt te liggen. Er is een milieurapport geweest. De gemeente moet driehonderd meter afstand houden, maar vertikt dat. Wij willen laten weten dat dit niet kan.

En dit kan altijd. Deze petitie tekenen. Hier word je ook aardebeschermer: https://www.stopecocide.nl/word-aardebeschermer

.

.

In Ecuador wordt de natuur gezien als uiting van Pachamama, de Inca-vruchtbaarheidsgodin. Je zou haar kunnen zien als “Moeder Aarde”. In de GalaposIn 2008 werd als eerste land ter wereld in de grondwet opgenomen.om de rechten van de natuur op te nemen. Pachamama heeft niet alleen bestaansrecht, maar ook het onderhoud en herstel wordt vanaf nu in de gaten gehouden. Het gaat om levenscycli, structuren, en evolutionaire processen. In 2011 was er een eerste rechtszaak, aangedragen door de bewakers. Het ging om de Vilcabamba-rivier, die had geleden onder puinophoping van een wegverbredingproject. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de rivier. De rechten van Pachamama werden wettelijk gehandhaafd. Andere landen waar de wet voor de natuur al is aangepast, zijn: Colombia, Australië en de VS. Thomas Berry, een Amerikaanse cultuurhistoricus heeft er diep over nagedacht. Wetten van de samenleving horen volgens hem voort te komen uit de wetten van de natuur. Het universum is een ​​gemeenschap van levende onderwerpen, niet een verzameling objecten”. Ook Christopher Stone, professor in de rechten aan de Universiteit van Zuid-Californië, schreef uitgebreid over dit onderwerp in zijn baanbrekende essay, “Should Trees Have Standing”. Overal ter wereld zijn er mensen die hier over na denken en aktie ondernemen. In Bangladesh was het de Tourag rivier die nu mag bloeien en vloeien met alle rechten die erbij horen. De rivier was aan het verdwijnen doordat bedrijven en overheden zand en vervuilde grond in de rivier stortten om daarop industriële gebouwen te realiseren.  Daar is nu een stokje voor gestoken. Het kan! En ook in India heeft de Ganges rechten gekregen. Lokale gemeenschappen hebben zich daarvoor ingezet. De Indische bevolking vond de vervuiling van de Ganges onacceptabel, te meer omdat ‘Ganga’ de Hindoestaanse godin van zuivering en vergeving is. Vandana Shiva komt uit India. Zij is een activistische geleerde. Ze heeft veel goeds te zeggen. Zij heeft uitgebreid geschreven over de rechten van de Aarde en Earth Democracy, De verantwoordelijkheid van lokale gemeenschappen is in haar visie erg belangrijk. Vooral de vrouw kan volgens haar verantwoordelijkheid terugnemen. De vrouw wil immers haar kinderen goed en gezond voedsel geven. Dat is eeuwenlang haar rol geweest. En gezonde kinderen kunnen alleen maar opgroeien uit een gezonde Aarde. Vandana Shiva is dan ook een prominent vertegenwoordigster van het eco feminisme. Ik ben het met haar eens dat lokale gemeenschappen belangrijk zijn. Van daaruit komt veel kracht. Ook in Nieuw zeeland is de gemeenschap druk bezig geweest. Het is voor elkaar: De berg Taranaki is nu een rechtspersoon. Ook hebben inheemse Maori voorgesteld om rechten aan de Whanganui Rivier toe te kennen. Zij wilden zeggenschap hebben over de visrechten in de Rivier. Overexploitatie kan nu een halt toe worden geroepen. Maar er zit nog een diepere motivatie achter. De Rivier wordt als een spirituele entiteit gezien en zij noemen deze ‘Te Awa Tupua’, dat is: ‘Rivier van heilige kracht’. De Rivier wordt gezien als een levend wezen en als een voorouder en levensbronnen voor de Maori’s. De Maori’s geloven dat hun welzijn en dat van de Rivier een en dezelfde zijn. Zij voelen er zich in hoge mate verantwoordelijk voor en ermee verbonden. Daar kunnen wij nog van leren. En natuurlijk zijn er meer succesvolle wetten gelanceerd voor de Aarde, in Bolivia, Mexico, Uganda. En dan heb ik nog niet eens alles genoemd.

Rechten geven aan de Waddenzee?

De gemeente Nord East Fryslan heeft een motie aangenomen, om rechten toe te kennen onze Waddenzee. Ook aan de universiteit in Nijenrode wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om dit uit te voeren. Miljoenen trekvogels komen er ieder jaar langs, het gebied bulkt van biodiversiteit. Het is een uniek getijdengebied, dat is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Toch wordt het bestaan ervan regelmatig bedreigd door een oprukkende economie. Een pijpleiding of kabel is belangrijker voor onze bestuurders. ze moeten nog veel leren. Want het moet en kàn anders. “Laten we ervoor zorgen dat ook toekomstige generaties van dit gebied kunnen genieten”, zegt professor Tineke Lambooy.

De Verenigde Naties hebben sinds 2019 negen dialogen gehouden over de Aarde: “Harmony with Nature” werd het genoemd. Een werkgroep kijkt verder hoe de Rechten van de Natuur gerespecteerd kunnen worden. Milieuspecialist Jessica den Outer is één van hen. Er is een IUCN Wereld Verklaring naar buiten gebracht, over de ”Environmental Rule of Law”. Daarin wordt erkend dat “de natuur het inherente recht heeft om te bestaan, te bloeien en te evolueren”. Dat is één. Nu de handhaving nog. Jessica den Ouden: ‘Met anderen pleit ik in een aantal artikelen voor het oprichten van een nieuwe publiekrechtelijke rechtspersoon, het Natuurschap. Een rechtspersoon is een juridische constructie, waardoor bijvoorbeeld een besloten vennootschap of een provincie rechten kan uitoefenen. Ook voor kleinschalige betrokkenheid is men bezig zich te organiseren. “Het nieuwe instituut” werkt aan een nieuwe organisatievorm, waarin mensen kunnen strijden voor niet-mensen. “Zoöp” gaat het heten. Het biedt handvaten om als gemeenschap aan het werk te gaan. Al is het maar voor een stuk braakliggende grond bij jou in de buurt. Juist plekken waar niks mee gebeurt, kunnen veel leven ontwikkelen. (Artikel uit Waag, met Klaas Kuitenbrouwer.)

Ik hoop dat dit alles iets teweeg gaat brengen. Dat wij gaandeweg met elkaar leren de Stem van de Aarde te verstaan. Als het zover komt, dan zijn al die wetten niet meer nodig. Daar ga ik voor. En dan hoef ik ook niet meer te schrijven. Dan kan iedereen het zelf meemaken. Toch? (Belangrijkste bronnen: IVN nieuws, Nijenrode nieuws, Wikipedia en Waag.)



Het ontkiemen van verhalenpaden

.

.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook mensen moeten wennen aan iets nieuws.

(Het voorgelezen verhaal staat vanaf nu onderaan de pagina)

De lucht is blauw, de wind van gisteren is gaan liggen. Ik loop de donkere hooischuur in. Hij zit vast aan het huis. De deur naar de gang staat open. Daar moet ik zijn. Ik klop op de deur van de boer. “Ja!” klinkt het luid. De boer zit op zijn stoel, wanneer ik binnenkom. Zijn kachel staat open en is bezig uit te gaan. Dat geeft niet, het is warm voor de tijd van het jaar. De groeihormonen van de bomen beginnen op gang te komen. Daarom ben ik hier. Ik kijk hem helder aan.“Ik wilde het hebben over de bomen. Dinsdag gaan we naar de kweker. Zal ik ook nog twee tamme kastanjes voor je meenemen? Ik hoop dat de bodem er klaar voor is”. De boer heeft nog meer wensen, waar ik mooi op in kan spelen. Ik denk aan de zuurbessen, hazelaars en lijsterbessen. “Ik wil…” zeg ik en slik mijn woorden in en zoek naar andere woorden. Nee, geen ik wil. Het gaat erom waar het land om vraagt. Wat de mensen nodig hebben. Daar ben ik voor. Zelfbewust begin ik opnieuw. “Ik zou graag zien…” verbeter ik mezelf. Hij luistert. Terwijl ik met hem praat besef ik hoe bijzonder het is, dat ik opnieuw het vertrouwen krijg om iets te doen op deze grond.

“Je kan het stuk grond naast het dijkje gebruiken. Het is jouw verantwoordelijkheid. Als je het maar zelf maait.” De boer hoeft niet lang na te denken. Hier heeft hij al vaak over gemeimerd. “Hoe doe ik dat? Moet ik dan geen zeisles nemen?” vraag ik. Hij slaat achteloos met zijn arm in de lucht, alsof hij een maaibeweging maakt. “Ach joh, het gaat alleen om het groffe spul. Vooral riet en natuurlijk de distels. Dat gaat heel makkelijk met de zeis.” Ik schud mijn hoofd. “De distels hoeven niet. Die steek ik uit met penwortel en al,” zeg ik beslist. Dat vindt de boer nog mooier. Hij houdt niet van distels. Helaas voor de vlinders, zegt hij spijtig. “Voor de bijen en vlinders zaaien we graag wat anders” antwoord ik. Ik kan al bij voorbaat genieten van het wildebloemenmengsel, de meerjarige luzerne, al dat paars tussen het gras, en de zonnebloemen die we zullen zaaien.

We praten nog even verder en verkennen de mogelijkheden. Ik beheers me om niet te enthousiast te worden. Het groeihormoon kietelt. Maar hardlopers zijn doodlopers. De grond moet er klaar voor zijn en de mensen ook. Het is niet de bedoeling dat ik in mijn eentje fanatiek ga lopen worden. Ik wil er het komende jaar vooral veel zijn, veel kijken, en selectief wieden. Grote bomen komen later wel. Ik glimlach en bedank hem, dat ik dit mag doen. Hij grijnst tevreden en knikt. Het gebeurt niet elke dag, dat hij wordt bedankt. Ik heb herhaaldelijk gezien dat mensen steeds meer grond in gebruik nemen, bijna alsof ze er recht op hebben. Ik ben niet van plan om steeds meer spullen neer te zetten in schuurtjes en opslagplaatsen rond mijn huis. Ik ben een gewortelde nomade. Liever laat ik levende planten groeien, waar alles en iedereen nog jaren van kan genieten als ik allang weg ben. Het hoeft niet van mij te zijn. Liever niet zelfs.

Als ik de deur van de boer dichtdoe, sta ik opnieuw in de donkere stoffige hooischuur. Even sta ik stil, mijn voeten op het beton. Ik krijg de verantwoordelijkheid. Ik weet wat dat betekent. O ja! Pak het niet te groot op. Begin klein en doe het spelenderwijs. Laat mensen zelf kijken en zin krijgen. Linde, als eerste. Linde die het zo hard nodig heeft, om buiten in de natuur te werken. Ze geniet er zo van. Stap voor stap ontdekken we. Alles wat er groeien gaat. Van binnen en van buiten.

Ik ben een gewortelde nomade. De wortels groeien dieper en dieper. Ik ga hier pas weg als ik klaar ben. Als ik geroepen word. Maar nu roept de bodem mij, onder de voeten. Het wil gezien worden, en bezongen.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook de mensen moeten wennen aan iets nieuws. Daar denk ik steeds weer aan. Er is veel tijd. Ik hoef me niet te haasten. En al die tijd kunnen we spelen en genieten! Als gewortelde nomade ben ik begonnen met liedjes schrijven. Ik denk dat het gaat over de verhalenpaden, die langzaam zullen groeien. De bloemen, de bomen, de dijk, de grond. . . de stenen, de beelden. . . Zijn dit niet dezelfde “Songlines” waar de Australische aborigionals over spreken? Begint een nieuwe wereld niet met het lied van de verbeelding? Wij mensen zijn scheppers, zei ooit een boer tegen mij, die de omslag maakte. Daar denk ik nu aan. Maak van de kanteling een dans, en zing!

.

Luister hier naar het verhaal.
Luister hier naar het lied: “Wilgeboom, de eerste van de bomen.”

Klein bestaan, wilde hemel

.

.

.

.

Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. Luister hier naar het verhaal.

.

Ooit was ik schipper. Ik had diverse schepen en scheepjes, een grote van twintig meter en kleine, waarmee ik rondvaarten deed. Eén ervan is de boot geworden die mij tot op het laatst vergezeld heeft en die velen kennen, in Utrecht. Als schipper was ik eraan gewend om te luisteren naar geluiden. Ik luisterde naar de motor. Altijd. Zelfs wanneer ik met iemand tijdens het varen in gesprek was, hoorde ik onmiddellijk wanneer er iets anders klonk dan normaal. Ook bij noodweer stonden mijn sensoren aan. Zelfs die ene keer dat ik niet thuis was, wist ik dat er iets mis ging en dat ik onmiddellijk naar huis moest. Ik was precies op tijd om te pompen, want er was een plaatselijke wolkbreuk geweest en de boot stond behoorlijk vol. Als je altijd ergens bent, dan weet je dingen, zoals een moeder dingen weet, of een kleinschalige boer, die getrouwd is met het land van zijn voorouders. Zo is een schipper één met zijn schuit en hij gebruikt alle zintuigen om de elementen een stap voor te zijn.
Mijn voorouders van moeders kant woonden in Spakenburg, aan de Zuiderzee. Er waren vissers onder hen. Zit dat in mijn bloed? Ik weet het niet. Maar het boeit me, het water en de elementen. Dat alles wat er is zo groots en indrukwekkend kan zijn, dat ik me klein voel. Ik neem maatregelen en hoop dat ik slim genoeg ben en dat mijn materialen goed gekozen zijn.

Het windscherm voor mijn kleine huis is stevig gespannen. De touwen zitten op meerdere manieren vast, en de dikke tak die het zeil moet tegenhouden wordt omhooggehouden door een dicht opeenstaande rij wilgen. Al zouden ze willen, die kunnen nu niet meer meebuigen met de wind, de tak zit vast aan beide kanten en is dik genoeg om de druk tegen te houden. Hij is gestut met een dwarsboom. De boom eindigt in een vork die er precies omheen past.
Ook elders ben ik in de weer geweest. Zwaren stukken hout liggen ter voorbereiding van de storm op het afdekzeil van de bagagewagen en ook op de zonnepanelen op het dak. Als ik dat niet doe gaan ze vibreren en klapperen. Er gebeurt verder niks, maar daar lig je liever niet onder, in je hangmatje.

Ik hield als schipper een logboek bij, zoals dat hoort. Ik had er plezier in. Ik besluit om deze nacht wakker te blijven en een logboek te maken van de storm. In het donker lig ik in mijn hangmat en hoor alles.

LOGBOEK VAN STORM 20.1.21

3.10 De eerste zware windstoot
3.44 De tweede
4.30 Wind komt uit het zuidwesten. Het grote windscherm doet zijn werk, het dikke transparante raamzeil heeft tientallen bevestigingsogen. Het zit vast geregen met dik touw. Nergens is geklapper of geflapper te horen. Tevreden glimlach ik. Zou het zo blijven? Of niet? Ik heb hem vanmiddag nog versterkt.
5.00 Wind draait opeens naar NW. Ik heb ook een klein dwarszeil gemaakt, haaks aan het grote zeil vastzit , op het zuiden. Daardoor kolkt de wind niet meer achter het scherm langs. Het nieuwe zeil hangt dubbelgeklapt over een stalen constructie, met pallets, takken en riet omhuld. Het kan nergens heen. Maar met NW klappert hij een beetje, maar het is niet alarmerend.
Waar de wind nu vandaan komt, daar staat alleen een jong wilgebosje. Dat biedt weinig beschutting. De wind neemt toe. Regen klettert met dikke droppels op het dak en tegen de gesloten luiken.
5.30 Oef. Wind uit Noord noordwest. Dat hebben we nooit gehad. Een plotselinge harde windstoot doet me opschrikken. In de verte hoor ik: KLENG BENG! Alsof het iets groots is. Wind trekt aan. Huisje staat te trillen, de wind staat nu recht op de wand. Het portaalzeil bij de deur klappert. Een losse plank onder de wagen beweegt heen en weer. Bonk bonk. Het duurt een minuut. Ik wacht stil. Het is een hoop herrie, maar ik weet dat het wel eens erger is geweest. Dan verandert het trillen in zacht en stil wiegen, alsof mijn huis een boot is. De wind draait terug naar het zuidwesten en dan houdt ook het wiegen op. Het grote zeil van het windscherm doet zijn werk weer.
Het is half zeven als de rust wederkeert. Ik ga slapen.

Einde logboek.

De volgende dag staat er een man onder de windmolen van de buurman. Die staat in de naastgelegen wei. Ik zie dat er een wiek is afgebroken. Ik kleed me snel aan en ga naar hem toe om te vertellen wat ik vannacht gehoord heb.
Het is niet mijn huis dat de klos is. Nee. Mijn huis is nog maar vier jaar oud en het zit aan elkaar met tientallen verbindingen en vijfhonderd houten deuvels met goeie lijm. Het is één geheel. Ik ben er trots op. Maar hoe trots ik ook ben, altijd blijf ik voorzichtig en waakzaam.
Ik blijf ook vol verwondering van alles wat ik niet weet, en wat zoveel sterker en grootser is dan ik ooit kan bedenken.
Als ik die avond in het donker buiten sta, is de wind helemaal gaan liggen en de lucht is helder. Slechts een paar tientallen meters verder glinstert de Swette in het maanlicht. De rietkraag beweegt niet. Het is stil en donker. Het kunstlicht is ver van deze plek verwijderd, een eindeloze rij verre lampjes ligt als een kring om deze stille, oude plek heen. Het is een grote cirkel van wel meer dan vier kilometer doorsnee, en ik sta in het midden. Ik kijk omhoog. De sterren staan te stralen aan de hemel.

Klein voel ik me, onder de onmetelijke ruimte van het heelal.

.

(Bovenstaande illustratie is een fragment van een tekening uit mijn boek: “Langs kantelende wegen.” https://www.uitgeverijlouise.nl/index.php?id=4&tx_sanwarebooks_pi1[book]=82 )

Storm op komst

.

.

.

.

Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar! Al zou je vallen in de storm van het heelal, op de grens van het bestaan groeit creativiteit.

.

„Wil je koffie?“ vraagt Anne me. Anne is mijn tijdelijke buurvrouw. Haar lange grijze haar hangt krullend over haar schouders, terwijl ze me vragend aankijkt. „Kamillethee graag“, zeg ik. Ik kijk toe hoe ze het dampende water in een kopje giet en er een zakje bij doet. „Het gaat stormen donderdag“, merk ik op. Haar ogen kijken nadenkend, terwijl ze mij het kopje aangeeft. „Oh echt waar? Donderdag de 21e? Dat is apart! Tjee, op die dag is er een heel speciale planetenstand.“ Ze lacht even. Ik haal mijn wenkbrauwen op en ga verder. „Heb je nog iets voor te bereiden, met die harde westenwind? Kan ik je ergens mee helpen? Ik ben zelf al klaar.“ Ik houd voorzichtig het kopje vast, adem de damp in en zet de thee weer neer. Te heet. Anne antwoordt. „Nee hoor, ik red me wel. Maar jij, jij staat daar wel heel erg in een waaierig stuk hè, had je niet beter ergens anders kunnen gaan staan?“
„Nee!“ antwoord ik feller dan de bedoeling was. „Ik wil hier juíst staan. Ik heb er over nagedacht.“ Ik houd me even in. Langs de houten planken van het huisje loopt een lieveheersbeestje naar beneden. Ik kijk ernaar terwijl ik woorden zoek voor wat ik wil zeggen. „Ik heb lang nagedacht hoe het ideale huis er voor mij uitziet. Ik zou mijn woonwagen in een groot tuinhuis zetten, met gemetselde hoeken, een transparant golfplatendak, en overal glas. Ik zou een gat maken door het dak voor de schoorsteen. Als de zon schijnt hoef ik dan bijna niet te stoken in de winter en de wind heeft geen vat op me. Een prachtig idee, vond ik.“ Ik kijk naar Anne. Ze ziet het helemaal voor zich. „Ja! Dat lijkt me ook heel mooi. Je kan die ruimte ook als kas gebruiken. En wil je dat dan hier gaan doen?“ Ik grinnik. „Nee. Ik ga het niet doen.“ Verbaasd kijkt ze me aan. „Waarom niet? Het is een goed idee.“ Ik kijk naar haar grote blauwe ogen. De zon schijnt door het raam en haar haar krijgt een zilveren glans.
„Wat ik zei. Omdat ik in de wind wil staan. De elementen mogen het best af en toe van me winnen. Het houd me bescheiden. En het zorgt dat ik steeds weer iets moet bedenken. Het maakt dat ik het gevoel heb deel uit te maken van alles. Het hoeft voor mij niet allemaal perfect te zijn. Juist niet. Het is niet altijd leuk, maar het daagt me ook uit. En ach, het duurt een dag, of hoogstens twee. Dan is het weer voorbij.“
Haar ogen lichten op. „Ik begrijp het denk ik. Ik denk het ook dat die houding het meest vruchtbaar is. Op die grens van het bestaan groeit creativiteit.“ Ik straal. „Dat is precies wat ik bedoel!“ Ze glimlacht even en gaat dan verder. „Ik vind het ook heel spannend, als het gaat stormen. Dat het nou net donderdag is, dat die storm is verwacht. Dan hebben we een ceremonie, met trommels. Tjee zeg…“ Ze staart peinzend naar buiten waar de bomen roerloos het veld omzomen. Alleen de toppen bewegen een heel klein beetje. Gek dat dat zomaar kan veranderen. Het lieveheersbeestje is ondertussen weer helemaal langs de rand van de plank omhoog gekropen en verdwijnt in een gaatje in het dak, lekker warm en beschermd tegen weer en wind. Ik pak mijn kop thee. Ik neem een slok en luister naar de stilte. Anne staat op van haar plek bij het raam, stopt een blok hout in de kachel en draait zich om naar mij. „Als je al teveel ligt te schudden in je bed, mag je wel bij mij schuilen hoor!“ Warm glimlach ik haar toe. „Dank je. Als ik ervan wakker lig, dan zal ik dat zeker doen.“

Als ik even later met mijn blauwe klompen door de plassen loop, denk ik eraan hoe fijn het is, dat er altijd iemand is, die graag een helpende hand toesteekt. Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Ik hoef niet alles te hebben. Zo helpen we elkaar!

.

.

Mijn stormbestendig windscherm

.

.

De heilige regelmaat van een nomade

.

.

,

.

Ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van tien minuten.

Vertrouwen komt te voet, en gaat te paard, luidt een oud spreekwoord. Sinds ik het hoorde, ben ik het nooit meer vergeten. Het maakt deel uit van mijn langzame leven. Een snelle beweging op het verkeerde moment kan veel verpesten. Bezint eer gij begint. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Al die oude wijsheden gaan over rust en beheersing van al te opgewonden impulsen. Daar luister ik graag naar.
Ik kom regelmatig mensen tegen die denken dat ik een reiziger ben. Mensen vol wilde plannen die denken in mij een bondgenoot te vinden en herkenning. Herkennen doe ik het wel, maar meer ook niet. Ik ben geen reiziger. Ik ben me al jarenlang aan het beheersen. Ik ben een nomade, zoals ik dat noem. Ik vertrek als het moet, maar blijf liever waar ik ben. Ik ben geland in Friesland, aan de Swette. Dit is de plek waar ik ben. Al zou ik de bergen willen zien, indianen willen ontmoeten. Al zou ik naar Ierland willen reizen, met mijn huisje op een schip, of alleen maar naar Limburg. Ik doe het niet. Ik blijf. Al is het soms moeilijk me te beheersen. Een vreemd land is een spannend avontuur dat altijd lokt. Ik houd van ontdekken. Ik vind het prachtig. Maar de vogels kennen me niet. De grond is me vreemd. Elke ontmoeting is intens, maar al te veel intensiteit is dodelijk vermoeiend. Ik slaap veel minder goed, op vreemde grond. Thuiszijn betekent rust en vertrouwen. Ontdekken vanuit zijn. Dat zoek ik op. Daarom beheers ik mezelf, telkens weer.

Vertrouwen komt voort uit rust en regelmaat. En ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje. Ik pak mijn zwarte onderbroek van het wasrekje, dat buiten hangt. Die heb ik gisteren nat opgehangen en hij is een beetje stijf. Het heeft gevroren. Dat doet het al de hele week. Ik doe een stap terug, naar binnen en duw hem even tegen de hete kachelpijp aan. Het sist. Ik kneed hem soepel in mijn handen en trek hem aan. Dan loop ik achter de beschutting van mijn huis vandaan. Ik voel de wind. Met blote voeten in mijn azuurblauwe klompen wandel ik over het gras. De zompige modder is stijf en het dunne ijs in de plassen kraakt. Ik loop onder de oude wilgebomen door, waarin twee kraaien zitten te kijken. Daar is de oever, en het riet, achter een haag van vlier struiken. Een paar meesjes fluiten opgewonden als ze me zien. Ze weten dondersgoed dat ik het ben. Het mens met de zaadjes. Eten! Maar nu niet. Ik loop het kleine beschutte veldje over naar de steiger. Nu voel ik me bloot en kwetsbaar, in de koude bries. Het is nul graden en het waait een beetje. Straks voel ik me heel anders. Dat weet ik. Dan gloei ik van binnen uit.
Ik loop over de steiger, glad van opgevroren dauw. Voor de hoeveelste keer loop ik hier al? De eenden weten het inmiddels. De eerste tijd vlogen ze luid kwakend op, toen ik aan kwam lopen. Nu niet meer. Heel langzaam zwemmen ze de andere kant op, alsof het ze niet interesseert.
Ik aarzel niet. Mijn lichaam verlangt naar het koude water. Stap voor stap ga ik langs het laddertje omlaag, dat tegen de steiger aan staat. Vier treden. Het water staat laag. Daaronder is de modder, voel ik met mijn tenen. Ik stap terug naar de onderste tree en ga door mijn knieën. Ik geniet van de kou. Mijn hele lichaam is in één keer wakker. Met alleen mijn hoofd boven water, kijk ik rustig om me heen. De zon schijnt achter een sluierwolk en het water is van zilver. De toppen van het riet bewegen zachtjes heen en weer. Ik ga er helemaal in op. Dit is een heilig moment. Hoe vaker ik dit doe, hoe meer deze plek voor mij betekent. Het is een ritueel, dat voeding geeft. Aan mij. Aan de plek. Aan de plek en mij.

Dit is wat ik mis, als ik op reis ga. Ja er zullen overal rivieren zijn en plassen om in de baden. Maar het is niet deze ene plek, bij de oude wilgen die ik zo goed ken. Waar de twee kraaien zitten te kijken vanuit de boom en waar de mezen me achterna vliegen. Waar de eenden niet wegvliegen als ik het water instap, maar gewoon doorgaan met wat ze doen.

Dat is thuis. Thuis op eigen bodem. Wilde plannen laat ik rustig in de modder zinken. Misschien komen ze ooit weer bovendrijven, misschien ook niet. Ik laat het. Want liever kweek ik rust en vertrouwen, zodat het wilde leven om mij heen steeds meer bij me hoort. Zeker in deze tijd zijn dit voor mij de belangrijkste waarden. In een wereld met zoveel ontworteling, vertrouw ik graag op plekken die me heilig zijn. Als nomade trek ik. Maar niet zomaar. En niet alleen voor mezelf. Ik ga ook omdat de plek me roept. Anders ga ik niet.