De aantrekkingskracht van eenmalige magie

.

.

Iemand kwam eens naar mijn huisje kijken. “Deze woonwagen heeft iets magnetisch. Het wordt een plek van communicatie..” merkte hij op, helder en bedachtzaam. Op dat moment waren we met zijn tweeën. Na een dag als vandaag denk ik daar aan terug.

,

Ik sta achter mijn glazen windscherm en kijk over het veld naar de boerderij. De didgeridoospeler die net bij me was, loopt terug naar de feestende menigte. Bij de boerderij brandt een vuur en er lopen mensen. Ik zie het van uit de verte, ik zie hoe hij met zijn vrouw bij het vuur gaat staan. Zo juist hebben we getest hoe het klonk, de diepe bas van het instrument, terwijl ik spreek. Hij gaat het verhaal begeleiden dat ik zodadelijk ga vertellen. Af en toe zal hij een zachte ondertoon te laten horen als achtergrond. We hebben niet geoefend, dus ik heb geen idee op welke momenten hij invalt. Ik vind het wel spannend.
Vastbesloten om er iets moois van te maken, kniel ik bij het vuur en leg het hout er op. De snel in elkaar getimmerde bankjes staan er in een halve boog omheen. Ik kan zeker dertig mensen ontvangen.

Ik componeerde een verhaal voor Samhain, het feest wat we nu vieren en waarop we terugkijken en ons bezinnen. Wat kunnen we oogsten en wat laten we los? Vroeger geloofde men dat dit de tijd was, waarin de levenden en de doden het dichts bij elkaar zijn. Niet voor niets hebben de Christenen er Allerzielen en Allerheiligen van gemaakt en de Amerikanen Halloween.
Het inspireerde mij. Ik dacht, wat heeft het Friese volk in het verleden zodanig geraakt, dat het nog lang rond bleef spoken? Ik ging op zoek naar een trauma in de geschiedenis. Iets wat ongelooflijke impact moet hebben gehad. Ik vond de oorlog bij de Middelsee in 734, de dag dat de Franken binnenvielen met een enorme vloot, de dag dat het Friese volk niet alleen zijn onafhankelijkheid kwijt raakte, maar ook alles waar ze tot nog toe in geloofden, hun god Wralda en hun godin Fostare, hun priesteressen, hun rechtsysteem brokkelde af, met de Lexion Frisia, hun dagelijkse gewoonten. Alles wat ze al eeuwen en eeuwen lang kenden, er bleef niets meer van over dan een rokende ruïne.

Ik wilde het helemaal voor me kunnen zien, en terwijl ik meer en meer ontdekte over die tijd, ontspon zich in snel tempo een verhaal, dat begint op de plek waar ik nu ben, maar dan in 2060. Ik ben Beitske. In haar dromen keert Beitske terug naar het oude Friesland, in de gedaante van een uil.

Ik spreek de laatste zinnen uit van het verhaal. Het einde is hoopvol en hartverwarmend. Ik zie stralende ogen en in de hoek zit een man die bij elk woord heel wijs knikt, alsof hij alles wat ik zeg wil bevestigen. Na de laatste woorden is het stil. Iedereen kijkt me aan, alsof ze nog iets van mij verwachten. Ik geef een nawoord, ik vraag of ik de mensen mee heb kunnen nemen, een andere tijd in. Ja, knikken er velen, ja!
Ik ben blij. We kijken naar de sterrenhemel boven ons. Die is zo mooi, dat hebben we al vele nachten niet meer gezien.

En nu is het voorbij. Het verhaal is verteld. Het duurde iets meer dan een half uur, maar het lijkt of we veel langer zijn weggeweest. Ik heb het niet opgeschreven. Het is wat het is en het was wat het was. Het is een vertelling die nu alleen nog bestaat in de herinnering. Ik denk ook niet dat ik het nog een keer vertel. In deze tijd waar alles eindeloos herhaald kan worden op talloze manieren geef ik mijn verhaal de magie van de eenmaligheid. Ik wil passanten duidelijk maken, het gebeurt nu! Wees erbij of niet. Daar heb je dan vast een goede reden voor. Maar wees je bewust van de pareltjes die opbloeien op de plek waar je bent. Dat is wat ik wil zeggen. Het liefst zou ik zien dat, net als in Ierland in de kroeg, elk verhaal of lied alle aandacht zou krijgen, wie het ook zingt of vertelt, volledige, oprechte aandacht.

Dus deze gedachte neem ik straks mee op mijn reis. Elke plek heeft zijn eigen verhaal en ik hoop dat ik het mag vertellen, misschien wel samen met anderen. Het is wat het is. Als ik weer vertrek laat ik het verhaal achter. Want daar heeft het zijn wortels. Elke plek is uniek, elk mens is uniek. En het moment is eeuwig en altijd nieuw.

.

.

.

 

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Een taal die niemand kent

.

.

Ik heb de kachel aangemaakt met kleine houtjes die ik gesprokkeld heb in het bos. Het is een koude ochtend. Ik kijk door het raam van mijn woonwagen naar de witte bevroren mist. Er is geen briesje, geen takje wat beweegt. Een paar mezen hangen aan de vetballen die ik ophing. Het Brabantse platteland maakt zich klaar voor de winter.
Ik kijk door het raam en luister. Ik heb een nieuwe CD, van Goran Bregovic en geniet met volle teugen. Vaska Jankovska, ik hou van haar stem. De muziek neemt mij mee naar buiten. Ik kijk en zie haar tere, heldere meisjesstem als lichte nevel over bevroren gras. Donkere klanken van de contrabas zijn als de natte kale takken, houterig en zwart van vocht. Alles lijkt in elkaar over te vloeien, de stem, de muziek en het verstilde landschap. Ik krijg kippenvel. Ik hoor wat ik vóór me zie. Wat is dit? Wat zingt ze in hemelsnaam?

“Aven Ivenda” lees ik op het beeldscherm. Dat is de titel. Ik zoek verder. Onder een filmpje op You Tube vind ik uiteindelijk de tekst van het lied. Het is geschreven in de taal van de Roma’s, het romani genoemd. Er staan veel reacties onder. Niemand weet de betekenis van de tekst. Ik ga verder op zoek naar een vertaling, maar die is er niet. Er is geen woordenboek van deze taal! Ook Bregovic zelf laat geen woord los over betekenissen. Het komt van een CD met verhalen en liederen van trouwerijen en begravenissen. Het is muziek uit allerlei culturen, het ene moment ingetogen poëtisch om vervolgens uit te barsten in feestelijke uitbundigheid, zo intens als het leven zelf.
Ik zoek en zoek. Maar waar ik ook kijk, nergens is een vertaling van de gezongen teksten en ook niet van dit prachtige lied.

Na een poosje vind ik iemand die meer weet, al is het dan alleen de titel.
Verwonderd staar ik naar de vertaling ervan. Het betekent “De winter komt…”
Notabene! Hier wil ik meer van weten.

De Roma zijn een volk dat veracht wordt. We noemen ze meestal “zigeuners”. Van oorsprong komen ze uit Azië en hun taal lijkt op Sanskriet. Ze zijn muzikaal en ambachtelijk en kunnen veel. Toch krijgen ze zelden respect. In Oost Europa kwamen velen terecht in een hard leven van slavernij. In de tweede wereldoorlog wachtte hen hetzelfde lot als de joden. Het zijn mensen bestempeld als dieven, onbetrouwbaar tuig en asociale schreeuwers. Ik kijk naar verschillende filmpjes, waarin dit beeld bevestigd wordt en een lange lijst met de even schreeuwerige reacties van Nederlanders die ernaar keken. Wat een tegenstelling is dit, met de poëzie van dit ingetogen lied!
Ik zie veel enthousiasme over dit gezongen gedicht, een lied van de Roma. Maar toch vind ik niemand die naar ze toe is gegaan om te vragen wat het betekent. Ik kan het laten liggen. Net als de anderen zeggen, dan weet ik het maar niet. Maar dat zou jammer zijn. Het is zo mooi. En ten slotte woon ik ook in een huis op wielen, net als zij. Als ik het echt wil weten, moet ik zelf op zoek gaan. Op zoek naar één van die Roma. Ergens mòet toch iemand zijn die het me kan vertellen.

.

Sa gada guglije munrrije sa gada dilije
Ucharla iva parne
Thaj duj cikne asvora
Sar duj cirikljora
ivja furjan
Ileja
Aven Ivenda

So te cera romano kopile
Vo isuso sas kopile
Thaj cerlas katar o paj mol
Kale themeja men ustavasa
Punrro ci mekasa
Lundze droma
Ileja
Aven Ivenda

.

.

.

.

Een warm vuur in mijn borst

.

 

dansend-twee-en-vijftig-jaar-kl-frm-2

 

 

Mijn 53e levensjaar is vandaag begonnen. Hoe ouder ik word, hoe lichter en speelser het leven. Als een vrolijke Ierse jig, die steeds sneller gaat. Heerlijk. Na het zware werk van de afgelopen twintig jaar, verlang ik naar meer speelse lichtheid in het bestaan en naar muziek. We vieren mijn verjaardag en we dansen en zingen de vonken ervan af.

Het is een bijzondere avond, hier in Eindhoven. Ik heb er ver voor moeten fietsen. En nu zijn we er! Ik was er aan toe. Al urenlang geniet ik van de muziek, die klinkt als een klok door de luidsprekers. De zaal lijkt op een kerk, daardoor krijgt de hele belevenis iets magisch, en de hoge ruimte boven onze hoofden maakt onze voeten nog lichter.
Geboeid luister ik. Ik ben langs de kant gaan staan, om me even helemaal op de muziek zelf te concentreren, zachtjes wiegend en zingend vind ik een tweede stem die zo klopt met de muziek dat het er naadloos bij lijkt te horen, lange melodielijnen als een meanderende rivier. Het volgende nummer is wilder en ik zing in een reeks van staccato kreten, die het ritme van de muziek lijken te versterken. Het is of de aarde zelf haar leven in mijn voeten stopt, het door mijn hele lichaam laat stromen en door mijn mond naar buiten galmt. Ik voel me als een olm in de wind.
Ik stap naar voren en beweeg rustig mee met de mensen en laat me al zingend naar het midden voeren. Af en toe kijkt iemand blij verrast opzij, bij het horen van een heldere stem naast zich. Ze beginnen mee te zingen, soms aarzelend, dan weer vol overgave, luid boven de muziek uit. De ene stem wisselt zich af met de andere. Niemand weet wie ermee begon. Ik straal stilletjes en luister.
Mijn lichaam danst de dans die eeuwig lijkt te duren.

Dan is het stil. Een zaal vol mensen staat in afwachting en niemand beweegt nog. Ergens uit de hoek begint een blonde vrouw piano te spelen. Het is het lied Hallelujah, van Leonard Cohen. Ze zingt ingetogen door de microfoon, de mensen zingen opgetogen mee. Ik word naar de piano toe getrokken als een magneet. Op twee meter afstand blijf ik staan. Ik zing nog steeds, hoog helder en blij. De diskjockey staat aan de andere kant van de piano, een enthousiaste vrouw met een rond gezicht en grijzend haar. Ze kijkt me lachend aan en terwijl ik haar mond zie bewegen als de mijne en de muziek naar een crescendo voert, moedigt ze me aan met haar ogen. Haar hele lijf lijkt te zeggen: luider, helderder, laat het galmen! Ik blijf naar haar kijken en mijn stem groeit door haar blik. Ze had dirigent kunnen worden, denk ik bewonderend. Dan verdwijnt ze. Ik blijf staan en mis haar.

Na het eerste lied volgt een tweede, een heel lang lied. En nu, na heel lang kijken, durf ik dichterbij de spelende handen te komen. Opeens sta ik naast haar, naast de pianiste. Ik demp mijn stem, zing zachtjes een octaaf lager dan zojuist en zoek contact. De pianiste negeert me. En ineens vind ik de toon niet meer. Even sta ik vertwijfeld en verlegen naast haar, niet wetend wat te doen, maar het is al gauw duidelijk. Zodra ze kans ziet om haar linkerhand van de piano los te laten, wappert ze me afwerend weg. Ik spring geschrokken terug. Oei. Ze heeft vast volle concentratie nodig en een volkomen onbekende naast zich stoort haar. Als een pingpongballetje schiet ik terug de zaal in en kijk om me heen.

Daar is de jongen, met wie ik aan het begin van de avond danste en samen zong. Hij kijkt me lachend aan, alsof hij wil zeggen: „O, was je dáár!” Een warm vuur gloeit in mijn borst. Hier hoor ik nu, tussen al die mensen. Hier, waar we met elkaar iets maken wat elke keer ongekend is. Zo wil ik oud worden, heel oud. En zingen. Laat stralen wat er stralen kan. Maak levend wat kan leven.

 

Dit gedicht maakte ik op mijn vijfentwintigste.

Lieve god,
die in mijn tenen
en mijn vingertoppen
Sta me bij
want ik wil leven
Bloeien wil ik,
bewonderen en laten groeien wil ik
Lieve, lieve, lieve
Jij

Meisje van diamant

.

-violiste-en-het-kind-kl-frm

Tijdens mijn verblijf op Schiermonnikoog maakte ik iets heel bijzonders mee. Samen met een hele stoet andere muziekliefhebbers ben ik op de veerboot gestapt, voor de “Ode aan de wadden“. Het was de opening van het vijftiende Kamermuziekfestival. Tijdens het concert was ik het meest geraakt bij het zien van dit meisje.
.
.

Meisje van diamant

In de banken zitten mannen, vrouwen
ze kijken allemaal heel ernstig
naar twee mensen op de planken
die met de muziek wilden trouwen

Ze spelen daar met heel hun hart
de tango met al zijn emoties
de viool die zingt en knarst
gitaar verlicht de smart

Tussen de groten, op de grond
zit heel alleen een meisje
ze kijkt naar ’t spel met grote ogen
glimmend met half open mond

Haar gezicht is lief en zacht
een witte jurk hangt rond de knieën
Het haar in lange krullen danst
telkens als ze lacht

Ze straalt verwonderd
naar haar engel,
donkere ogen, als betoverd
staren naar
de jonge
violiste

Dan wordt ze plotseling overdonderd
door een valse noot

Ze knijpt abrupt haar ogen dicht
en lippen op elkaar
alsof
ze een tik krijgt
op haar wangen

De muziek is als het licht
en zij weet het te vangen

Het kind is als een diamant
en alle kleuren van ’t heelal
weerkaatsen keer op keer
terug van haar gezicht

.

Na het concert ben ik naar haar toegelopen. Ze zat bij haar ouders, allebei mensen met donker krullend haar. “Ik vond het zó leuk om naar je te kijken!” zei ik, “Je ging helemaal op in de muziek!” En ze antwoordde stralend: “Ja, ik speel zelf ook viool en mijn vader ook en onze hele familie is muzikaal!” Ik werd helemaal blij van haar. Toen ik allang in bed lag zag ik haar gezicht nog steeds voor me.

.

.

VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Corrie van Rijthoven

voetnoot-corrie-kleine-prins-kl-frm

.

.

.

.

.

.

.

.

Dit is op dit moment mijn lievelingsboekje:
“De kleine prins”, van Antoine de Saint-Exupéry. Ik vind het mooi vanwege de puurheid waarmee het geschreven is en om het geheim, dat in de volgende passage te lezen is.

Vaarwel, zei de vos. Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.

.

.

DE BOUW

Ik ben nu lekker uitgerust en ga zo meteen kijken hoe de wagen erbij staat.

 

Het bevrijden van de koning, het slot

.

Protesten in de stad, met Drakenlief

.

Het grote plein is vol mensen. Agremone heeft haar wagen achtergelaten aan de rand van de stad. Haar draken staan op een groot veld tussen vele andere trekdieren. Zij en haar twee vrienden kunnen nergens langs, en mensen verdringen zich rond een doel dat nog onzichtbaar is. Dat moet de ingang van het paleis zijn. Er lopen soldaten rond om de orde te bewaken, maar ze weten niet goed wat te doen, met zo’n enorme menigte kunnen ze niks beginnen.
Agremone kijkt verward om haar heen. „Kom naar de kerk!“ roept een heldere jongensstem naar haar en haar metgezellen. „Daar verzamelen we ons, alle muzikanten!“
De oude hoofdstad is beroemd om haar kerk. Het is de grootse en mooiste kerk die ooit gebouwd is, en haar dikke muren kunnen een paar duizend mensen bergen. De jongen loopt op een holletje voor de drie uit, af en toe achterom kijkend of ze hem nog kunnen volgen. Dan komen ze bij een dikke deur, die krakend voor hen open gaat. „Kom erin,“ zegt de jongen en de twee muzikanten volgen. De lange man met zijn viool, het haar samengebonden in een zwarte staart, de kleine met een trekzak in de hand. „Ja, jij ook!“ zegt de jongen, als Agremone aarzelt om naar binnen te gaan. Zij heeft immers geen instrument! Of toch… ze heeft immers haar stem! De stem van Drakenlief!

.

Muzikanten in de kerk, met Drakenlief

.

De hal gonst van geluiden. Violen worden gestemd, trommelvellen strakgetrokken, zangers en zangeressen oefenen hun toonladders. Dan wordt iedereen verrast door het geluid van een enorme gong, die lijf en leden doet trillen. Eensklaps is het doodstil. Het is hààr violist, die de stilte doorbreekt. Zijn ogen schitteren van concentratie en een heldere zuivere toon vult de kerk. Ze luistert vol bewondering. Zonder erbij na te denken valt ze in met haar zuivere stem, een cello volgt en nog meer instrumenten en dan de trommels. Agremone wordt bijna overweldigd door de grootsheid van dit enorme concert waar zij midden in staat, en ineens weet ze het zeker. Natúúrlijk moeten we naar de koning, en wel nù! Ze is ervan overtuigd dat het gaat lukken. Ze kijkt naar de lange violist die naast haar staat, en bijna onmerkbaar knikt hij haar toe. Samen bewegen ze zich naar de grote deuren en de één na de ander volgt hen.
De menigte buiten wijkt verrast opzij, wanneer de deuren open gaan en muziek van duizenden over het plein golft. Soms is het zacht en lieflijk en hoor je alleen de fluiten en violen, daarna zijn het de trommels en trompetten die de boventoon voeren. Iedereen weet precies wat hij moet doen. Want niemand komt voor zichzelf, iedereen komt hier voor het grootste muziekstuk aller tijden, dat de betovering moet doorbreken. Maar niemand ziet de kleine bosuil die bovenop de kerktoren zit, hoog boven de massa’s. Hij slaat zijn vleugels uit en verdwijnt in de blauwe lucht.

.

Bosuil boven menigte, met Drakenlief

.

Agremone schroomt niet om voorop te lopen, en veel mensen vragen zich af wie die mooie prinses toch is. Zonder barrières bereikt de stoet de poort van het paleis. De muzikanten volgen tot de hele binnenplaats vol staat. Anderen vinden plek op balkons of klimmen zelfs op het dak en in de bomen die er staan. Ieders blik is gericht op de grote gouden deur onder de moerbeiboom. De muzikanten spelen de vonken ervan af. Tot heel langzaam de deur open gaat en bleek en verbaasd de koning naar buiten komt, gevolgd door drie nòg blekere, hele dikke mannen. Ineens is het doodstil.
„Wat moet dat hier?!!!“ buldert de dikste van de drie, maar zijn handen trillen en zijn stem breekt. De koning kijkt hem bevreemd aan, alsof hij wakker wordt, en staart plotseling naar de lucht boven hem. Vanuit het niets komt een kleine bosuil aangevlogen. De anders zo schuwe vogel neemt zeer beslist plaats op de schouder van de koning. En dan geloven de mensen hun ogen niet. De kleine klauwen van de uil groeien uit tot indrukwekkende proporties, de vleugels strekken zich, en dan, dan staat op de koninklijke schouder een enorme glanzende arend. Hij verzet zijn poten om de koning niet te bezeren en strijkt met zijn veren langs zijn hoofd alsof hij hem al jaren kent.

.

De koning en de adelaar, met Drakenlief

.

„W-w-wat is dit?“ een piepend stemmetje komt uit de zojuist nog bulderende man. Maar niemand hoort het. Terwijl alle muzikanten de koning bewonderen om de warmte en de wijsheid die hij nu zo glansrijk uitstraalt, zijn de drie dikke mannen opeens helemaal verdwenen. Er klinkt gejuich en de koning maakt de indrukwekkendste toespraak die hij ooit heeft gehouden en bedankt iedereen vanuit de grond van zijn hart. Een groot feest volgt en zal nog dagen duren. Veel mensen kunnen eindelijk weer eten, want onder het paleis ligt genoeg voedsel om het volk een heel jaar te voeden en de koning is gul.
Agremone zit buiten adem op een muurtje. Ze heeft de hele nacht gedanst en het was heerlijk. Drakenlief heeft haar muziek gevonden. De violist streelt bewonderend haar rode haar. Hun gezichten gloeien. „Nu komt het allemaal goed,“ zegt ze.
.

Epiloog

De mensen zijn nooit vergeten wat er in dit land op deze dag gebeurde. Het werd De Grote Ommekeer. Het immense samenspel dat tot de bevrijding leidde, inspireerde iedereen die erbij was en ervan hoorde. Het land veranderde onherkenbaar. Geen uitgedroogde vlakten meer, maar kruidige weiden en gevarieerde loofbossen, die zich steeds verder uitbreidden. Vogels konden weer nestelen en bijen vonden nectar in vele bloesems. In de omgeving van de verkoelende wouden ontstond een groeizaam klimaat.
Nog altijd is het heerlijk om naar te kijken, de lappendeken van moestuinen, de bedrijvigheid van mensen, die aan het werk zijn. Het land wordt doorkruist met tientallen weggetjes, omlijst met vele soorten notenbomen en fruit. De langdurige droogtes zijn voorbij, maar niet vergeten. Andere landen, eveneens getergd door extreme weersomstandigheden, volgen het voorbeeld van de groeikracht van dit land.

Agremone en de violist namen afscheid van de accordeonist, die met tranen in de ogen een laatste lied voor hen speelde. Hij bleef bij de koning als hofmuzikant.
De Arend van Eeuwen bleef trouw bij de koning voor vele jaren.Toen de geliefde koning uiteindelijk stierf, spreidde hij zijn vleugels en stootte een kreet uit die alle harten raakte. Hij vloog de bergen in en vond zijn wijfje. Hij heeft de bergen nooit meer verlaten.

Het liefdespaar leidt nu een kleurrijk leven. Langzaam trekken ze verder, met de kleine woonwagen en de twee draken. Ze dansen in de ochtendzon, zingen liedjes in de avond en laten de mooiste dingen groeien uit hun handen. Waar ze ook gaan, ze maken veel mensen gelukkig.

.

Verliefd op de muziek, Drakenlief en de vilolist

.

In veel sprookjes moet men eerst weten hoe de betovering verbroken kan worden. Daarna krijgt de dappere held of heldin één of meer opdrachten, die gewoonlijk met succes wordt vervuld.
Agremone, of Drakenlief, heeft die rol gespeeld zonder het zelf te weten. Want niet alleen de muziek was doorslaggevend. De koning had de Arend der Eeuwen òòk nodig, om de macht over zichzelf terug te krijgen. Daarom liep Drakenlief voorop, met een koninklijk zelfvertrouwen. Ze nam de bosuil mee, met de kracht van een Arend. En ze wist het niet.
In het echte leven gaat het immers net zo. De meeste invloed oefenen we uit zonder dat we het beseffen. Al proberen we toch zoveel mogelijk op te merken, het meeste weten we niet en krijgen we nooit te weten. Gelukkig maar. Als je àlles wist…!
Het plotselinge verdwijnen van de drie dikke mannen is overigens geheel volgens de wetten van de quantumfysica. Dat wat niet gezien wordt, verliest zijn vorm en is niets meer dan een stel ongelooflijk kleine deeltjes, die chaotisch door elkaar heen stuiven. Zo leerde ik tenminste op een open college van de Utrechtse Universiteit.
Ik denk dat ik me inderdaad zò zou voelen, als ik één van deze drie was. Krijg jezelf maar eens bij elkaar geraapt na zo’n toestand, een hele klus lijkt me dat. Wat ben ik blij dat ik niet in hun schoenen sta. Zoals Shakespeare al zei „To be or not to be, that ’s the question.“ Wat niet bezield is, kan zich niet blijvend manifesteren. Onoprechte intenties verdwijnen als wilde energie in de storm. En dode dingen vergaan. Maar goddank! Altijd weer tot voeding van iets anders.