Ik heb een plek achter me gelaten, die ik mijn thuis noemde. Een eeuwenoude plek onder de bomen aan de gracht van de Domstad. Ik nam afscheid van mijn oude leven. Ik deed afstand van de laatste spullen van mijn lief, die stierf in 2002. De Wereld van Veel maakte plaats voor de Weelde van Eenvoud. Ik woon op een veldje in het platteland, eerst in Brabant, en nu in Friesland. Ik creëer waar ik mijn wortels in de grond zet. Ik bouwde mijn eigen huis, een kleine wagen op wielen. Ik woon er in sinds 2017 en geniet van de comfort die deze kleine ruimte me biedt.
Ik schrijf, ik teken, ik kijk en luister. De aarde boeit me, en wat ons voedt en hoe we hier met elkaar mee omgaan.
Al een aantal dagen snijdt een meedogenloze ijskoude wind over de uitgestrekte kale akkers. Dick en ik hebben allebei een joekel van een tak gevonden in het bos, een van een den en een van een lariks. Ze zijn allebei voor de kachel, dat is nog steeds hard nodig. Vooral de Lariks is zwaar, het hout staat er om bekend, maar Dick is een grote vent met brede schouders, hij tilt het makkelijk. We lopen dwars over het weiland, waar onlangs nog drijfmest is geïnjecteerd. De bodem is in langwerpige stroken gesneden, er staan groeven in de grond. Als je goed kijkt zie je de opgedroogde stront zitten, wijs ik Dick.
Dan naderen we de rand van het maisveld. Althans, het veld waar opnieuw mais moet gaan groeien. De stoppels van vorig jaar hebben ze onlangs omgeploegd. „Laten we hier maar niet overheen lopen”, zegt Dick. De grond is kaal en zwart. “Ik begrijp niet waarom ze niet meer boomhagen planten”, zeg ik. Mais houdt toch ook van een luwe plek, moet je eens zien wat voor een afstand de wind aflegt over die enorme vlakte. Tot Middelbeers is nauwelijks een obstakel te zien. In de zomer wordt verderop spinazie verbouwd, en overal zie je hooiland met één soort gras erop.Te natte grond kan je alleen maar gebruiken voor grasland. Of bossen. Daarom is dat. Er staan nauwelijks bloemen of kruiden in het gras. Toch wordt in Middelbeers streekhoning verkocht. Ik ben benieuwd waar die bijen dat dan vandaan halen. In de verte kan je de weg naar Middelbeers zien, omzoomd met bomen. Langs die weg is land met coniferen, allemaal miniboompjes in rijtjes. Het bedrijf heeft dertig polen in dienst, en de coniferen zijn voor de export. Ze gaan naar Roemenië, is mij verteld. Daarachter ligt het bos van de Baest, een productiebos met sparren en wat beuken ertussen, om het verzuren van de grond tegen te gaan. Maar dat kan je van af hier niet zien, dat bos. Het bos waar wij net uitkomen is veel dichterbij, een klein stukje lopen maar.
We lopen langs de rand van het omgeploegde veld naar het verharde fietspad. Ik verheug me op de warmte van de kachel, en het samen koffie drinken. Lekker terug in mijn kleine stolp, precies groot genoeg en heel gezellig. Mijn eigen huisje op wielen, dat nu tussen de akkers van Brabantse boeren staat. Als het warmer wordt ga ik leren trekker rijden. Ik weet al bij wie.
Deze week ben ik op doorreis. Ik bezoek vrienden in Utrecht, ga bij mijn vader langs in Emmeloord, en het laatste deel van mijn tocht leidt over Delft. Ik ga in één middag leren enten. Dat is de bedoeling. Fruitbomen enten. Als je een jong fruitboompje wil krijgen, of een jonge notenboom, kun je de vrucht in de grond stoppen. Maar de kans dat dit boompje net zoveel vruchten geeft als zijn moederboom is klein. Soms komt er helemaal niks, of zie je na vele jaren een paar hangen. Veel is het meestal niet. Het is bij de meeste fruitbomen maar één op de honderd zaailingen die goed vrucht dragen. In de Kaukasus hebben ze nog zaadvaste soorten, maar hier hebben we die nog niet. Dus als je meer van dezelfde bomen wilt, dan moet je ze enten. Je neemt een tak van de boom naar keuze, en je plaatst deze haarscherp op het levende groene cambium van de onderstam. Dat cambium zit vlak onder de bast en is maar heel dun. Je moet dus heel precies werken, met speciale mesjes, die heel scherp zijn.
Ik wil graag bomen leren enten, al een aantal jaren. Op mijn nieuwe land zou het een van de eerste dingen zijn die ik zou doen. Fruit en notenbomen planten. Dus ik heb het er voor over om vandaag een omweg te maken, helemaal over Delft. Om te leren enten. Ik stap het station uit en beladen met rugzak fiets ik op mijn vouwfietsje naar de Papaver. Een milieucentrum in een natuurgebiedje. Er zijn veel mensen op af gekomen, alle stoelen in de kleine zaal zijn bezet. Ik ben benieuwd. Ik weet dat ik handig ben in dit soort dingen en behoorlijk nauwkeurig kan werken. Linder van den Heerik vertelt. Daarna komen de takken de zaal in en krijgt iedereen een mesje. Ik pak vol verwachting een tak en begin te snijden. In een beweging, naar je tóe, en niet van je af, want dan wordt het niet recht maar krom, zegt Linder. Het is wennen, om naar me toe te snijden. Ik krijg de slag niet te pakken. Als het einde van de middag is gekomen, ligt de hele vloer bezaaid met stukgesneden takken. Veel mensen zijn hun ent al aan elkaar aan het plakken, de onderstam aan het takje. Maar ik heb nog steeds geen goeie snede gemaakt. Een vriendelijke jongen maakt een mooi entje voor me. Die van hem zijn mooi strak.
Is dat even tegenvallen. Moet ik toch veel gaan oefenen voor ik het kan. Dat had ik niet gedacht!
Al een paar dagen achter elkaar werk ik de hele dag in de tuin. De diepe geul langs het vijf en dertig meter lange hek is weer dicht en ingezaaid met bonen en erwten. Het gaas, waarvoor ik de geul groef, loopt tot veertig centimeter door onder de grond en is goed aan het hek bevestigd. Zo kunnen de konijnen en de muizen er niet onder door.
Ik heb leuke plannen. Ik wil een dijkje maken, zoals Sepp Holzer het beschrijft in zijn boek “Holzers permacultuur”. Een dijkje in de zon, vol eetbare bloemen en groenten, dwars door elkaar. Veel bloemen voor bijen, zoals boekweit. In deze streek zijn nauwelijks bloemen. Dat vind ik erg. Ik zie ook niets bij boerderijen. Mensen houden hier paarden, geiten, kippen en schapen of hebben een kleine boomgaard met gras er onder. Er zijn veel keurig gemaaide veldjes. Ook de meeste bermen worden kort gehouden. En het zwarte zand naast de oprit is netjes aangeharkt. De strepen staan erin. Zo hoort het in deze streek. Ik ben hier lang genoeg om rustig om me heen te kijken..
Het is een mooie kans te kunnen tuinieren zo vlak naast mijn woonwagen. Ik begin eenvoudig, met bonen en pompoenen. Ten slotte eet ik die graag, en het is handig als ik weet hoe ik het moet verbouwen. Met oogsten en maaltijden uit voedselbossen heb ik op dit moment nog maar weinig ervaring, maar ik leer. Er bestaan ook nog bijna geen voedselbossen en wat ik hier vind in de bossen om te eten is minimaal.
Dus begin ik gewoon met wat ik nodig heb en wat haalbaar is. Ik werk in de tuin en klus aan de wagen. Deze wagen moet straks klaar zijn om weg te kunnen rijden. Dat is het plan. In oktober houdt het seizoen hier op. Dan oogst ik mijn pompoenen en verder weet ik het niet. Ik weet niet hoe het dan verder gaat. Op dat moment zal het me helder zijn.
PS, Het is anders gelopen. Deze woonwagen was te zwaar en niet naar mijn zin. Een jaar lang werkte ik aan een ontwerp voor een hele nieuwe wagen, die veel kleiner en lichter is en helemaal ingericht op mijn wensen. En nu ben in in de laatste fase van de bouw. Meer hierover in de categorie “Bouwen van de woonwagen.” Concrete toekomstplannen heb ik voorlopig niet en ik houd me er niet mee bezig tot het moment dat dit project is afgelopen. (Alowieke 13-03-2017)
Ik ben hier
niet omdat ik droomde
van een woonwagenleven
Het is ook hard
en koud en alleen soms
en dat wist ik
Ik ga ook niet terug
naar een huis met centrale verwarming
energie van eneco
en een groot warm bad
Nee, ik ben nu op weg.
Zelf.
Ik wil kijken, voelen, leren
Hoe kan ik leven
zonder de rest van de wereld
al te zeer te belasten?
Mijn kachel is okee
Maar mijn wagen houdt de warmte niet vast
Ik droom al lang van een strobalenhuisje
Klein en supergoed geisoleerd
Met een eigen bosje voor brandhout
en water uit de put
en weelderig begroeid land waarvan
je alles kan eten wat je ziet.
Gasten verrassen
met bontgekleurde salades
een tafel vol met vruchten
Maar het gaat stap voor stap
Mijn verhaaltjes zijn klein
De stappen die ik doe ook
Al is klein soms al heel erg groot..
Soms gaat het alleen maar over een
bloemetje of een beestje
Maar alles is belangrijk
Alles.
Een tuin! Hij is er echt. En ik kan al beginnen met spitten. Een lapje grond is het. Heel gewoon, maar voor mij bijzonder. Want ik zorg dat er straks van alles op gaat groeien. Je kan het zien op de foto. Nu is het nog een stukje schapewei. Je kan aan de sneeuw bijna zien hoe groot het is. Het is niet supergroot maar het is ook niet klein. Kaalgevreten gras zie je, bezaaid met keutels en een hek er omheen. Maar veel gras blijft er niet van over straks. Dat is wat mij betreft de bedoeling. Er is al genoeg gras. Ik heb een grote bestelling zaad gedaan, allerlei bijzondere soorten, bij „De Nieuwe Tuin”, in België. Allemaal een- en twee jarigen. De postbode komt het brengen. Ik hoop deze week al. Want wat ik teveel heb kan ik dan weer weggeven op de zadenruilbeurs. Dat is in Den Bosch, zaterdag aanstaande. Het gaat nu snel. Ineens is het zover. De dooi is ingevallen, vogels claimen alvast hun nestelplek. De eerste zaden kunnen nu de grond in, een vroege erwt, tuinbonen. Oei, ik ben net op het nippertje met mijn besluit hier dit jaar te blijven! Wat fijn dat ik mijn groene vingers nu weer kan trainen. En het is zo vlakbij. Ik hoef niet eerst twintig minuten door de drukke stad te fietsen voor ik bij mijn landje ben. Ik hoef niet meer dan vijftig meter te lopen. Dus ik ga hard aan het werk deze week! Spitten, hekken plaatsen tegen vraat, verhoogde bedden maken. Want straks komt er nog veel meer… Daar heb ik een goudgeel vermoeden van.
“Verder achterom lopen!” roept een stem achter het ondoorzichtige glas van de deur. Dick en ik staan bij de herberg van Ton en Ine, in Haghorst. Ton en zijn vrouw Ine beheren samen de camping. Ik ben hier niet zomaar. Het contract van 2013 zal vandaag getekend worden. Ik verleng mijn tijd bij “D’n Bobbel”. We lopen naar de achterkant van het huis. Erachter ligt de dijk van het kanaal, met een kilometers lang fietspad. Ton opent de deur en verwelkomt ons. Op zijn Brabants worden we onthaald en even later zitten we met zijn vieren rond de houten tafel. De komende paar uur zijn we zoet, met veel verhalen, koffie, thee, en nogablokjes.
Zo vlak voor de lente aanbreekt, is de tijd van beslissingen. Ik vind het fijn. Nu wordt me steeds meer helder wat er dit jaar te gebeuren staat. Ik ga nog geen lange reizen maken. Het is nog te vroeg. Eerst goed aarden voor ik weer weg ga. Er is een hoop gebeurd, het laatste jaar. Het begin, dat ik hier heb gemaakt, kan ik beter nog een tijdje voedsel geven. Net als een zaailing die het beste opgroeit op de grond waar hij terecht komt. Zo’n klein boompje kan je maar beter een of twee jaar met rust laten voor je hem verplant. Dan groeit hij later des te beter. Dus ik blijf waar ik ben. Hoe ga ik nu verder?
Ik haal veel inspiratie uit de natuur, en uit toekomstdromen die ik al heb vanaf mijn kindertijd, toen ik nog op blote voeten in het Emmeloordse bos rondliep. Op het moment lees ik een boek dat erg bij me past.
“Holzer’s permacultuur” heet het. Ik kijk naar de foto op de kaft. Een brede goedmoedige man kijkt me aan, leunend op een spade tussen weelderig groen. Sepp Holzer is een boer in Oostenrijk, die meer dan veertig jaar geleden een drastische keuze maakte. Hij besloot alles te vergeten wat hij op de landbouwschool had geleerd, en beheerde zijn bedrijf vanaf dat moment in harmonie met de natuur. Hij haalde veel inspiratie uit ervaringen van zijn kindertijd. In het begin verklaarden velen hem voor gek, maar nu is hij een van de meest succesvolle boerenbedrijven daar. Later ontdekte hij dat de manier waarop hij bezig was, een naam had. “Permacultuur”.
Ik woon niet in Oostenrijk, en heb ook niet mijn leven lang op een boerderij doorgebracht. Maar de tijd dat ik als kind en als puber in het bos struinde ben ik nooit vergeten. Ook niet de keren dat ik op het land werkte bij boeren, en voor Copijn, tussen de hoveniers, en in het natuurgebied ’t Hol, in Utrecht. En mijn tuin, met het tuinhuis. Al een eeuwigheid popelen mijn vingers om weer met levende dingen bezig te zijn. Planten, dieren, levende aarde. Een paar jaar geleden ontdekte ik wat men noemt “De permacultuur”, en herkende er veel van mijn ideeën in terug, op heldere manier in structuur gebracht. Ik ontdekte dat er overal op de wereld mensen mee bezig zijn, en iedereen op zijn manier. De mogelijkheden zijn eindeloos. Ik weet dat ik hier geestverwanten kan vinden. Een goede reden om dit pad te betreden.
Iets willen is één. Of ik op tijd ben om ergens aan te sluiten, dat is een tweede. Maar tot mijn grote verrassing zag ik dat ik nog niet te laat was. Ik ontdekte een cursus, die dit jaar gegeven wordt in Rotterdam. De docenten heb ik wel eens ontmoet, en ik vind het erg leuk om met hen en anderen aan de slag te gaan. Ik heb me meteen aangemeld. Het zijn tien hele weekends, elke maand eentje. De rest van de tijd werk ik in tuinen.
Ik mag van Ton en Ine een tuin aanleggen vlakbij Juffrouw Kolibri. Dat is mooi, dan kan ik wat vergeten groenten zaaien. Ik wil ook graag zeldzaam zaad vermeerderen, van oude rassen.
We zullen zien wat er uit groeit, uit de tuin en uit de cursus..
Het is vrijdagmiddag half vier. Over het grasveld komt Dick aanfietsen, mijn vriend. Helemaal uit Eindhoven. Hij heeft een grote lach op zijn gezicht, een spiegel van de mijne, want we zijn allebei blij elkaar weer te zien. Het was alweer tien dagen geleden dat we afscheid namen. Een warme omhelzing. Ik zet koffie van het laatste water. Dick pakt het lege melkbusje van het aanrecht om water te halen. Hetzelfde busje heeft vroeger ook al dienst gedaan als fooienpot, in de werfkelder, tijdens bijeenkomsten. En nu zit mijn watervoorraad er in. Even later komt Dick terug met de gevulde bus, en ik zet het terug waar het stond. Ik hang de soeplepel weer over de rand heen. Daarmee kun je je glas vullen als je dorst hebt. Of het kommetje water verschonen, waarin je je handen kan wassen.
Naast de waterbus en de gootsteen zit ook een kraan en een knop. Toen ik hier net introk, kwam er water uit die kraan, als je op de knop drukte. Dat water kwam van onder de wagen weg. Daar stond een jerrycan met twintig liter erin en een pomp er aan vast. Die pompte het omhoog en zo leek het net een echte keuken zoals in een gewoon huis.
Ik kwam er al gauw achter dat ik daar helemaal niet zo blij mee was. Ik kon niet zien hoeveel water ik nog had. Net op momenten dat ik er niet op zat te wachten was het op. En als je je handen wast, gebruik je automatisch veel meer. Het lijkt in overvloed aanwezig te zijn. Dat ben je zo gewend, als je een kraan hebt. Opendraaien en uitgebreid laten stromen. Mensen die langskomen hebben het ook niet door. Maar het is toch maar twintig liter wat er in zo’n vaatje zit en een grotere wil ik ook niet, dat kost alleen maar ruimte. Bovendien, hoe meer ik ergens van hebt, hoe meer ik gebruik. Ik vind het ook fijn om het water te zien. En het is ook handig als ik kan zien hoeveel ik nog heb. Het melkbusje is niet te groot en niet te klein. Een leuk ding, vind ik. Er zit vier liter in, en in mijn eentje doe ik er anderhalve dag mee. Twee keer per week ga ik twee minuten onder de douche van de camping en was ik mijn haar.
Al doende merk ik wat ik echt nodig heb en leef met veel minder water. Ik heb een mooi compostemmertje, dus ik hoef ook geen drinkwater door de plee te spoelen. Het liefst zou ik mijn water zelf uit een put halen. Leuk, dat hijsen met een emmer. Maar die hebben we hier niet. Dus haal ik het maar gewoon uit de kraan van de campingkeuken. En als ik dan met Dick mijn vers gezette kopje koffie drink, dan geniet ik.
Ik sta voor het raam en kijk naar buiten. Er staan grote plassen in het gras. De ene na de andere donkere wolk drijft voorbij. Het is een onstuimige dag, vol mooie wolkenluchten. Terwijl ik kijk lijkt het me allemaal zo klein wat ik doe. Een beetje rommelen in zo’n klein huisje… Hout halen en zagen, waterbus opnieuw vullen, de was doen, verhaaltjes schrijven. En wachten. Wachten op de lente, zodat ik verder kan met het afbouwen van mijn wagen… Hoelang nog? Wanneer zal het volle leven weer beginnen? Onrust bekruipt mij. Een poos loop ik rusteloos heen en weer in de kleine ruimte van mijn wagen. Als een leeuwin in haar kooi. Ik vraag me af of ik alvast bij Thera van Osch langs zou gaan in Duitsland, het is maar tachtig kilometer, zag ik. Ik kan informeren naar het tuinproject bij het conferentiecentrum daar. Of een leembouwproject zoeken om praktijkervaring op te doen. Of naar Utrecht gaan, vrienden bezoeken. Of naar het noorden. Prompt schiet het in mijn schouders. Dat is mijn zwakke plek. Ik heb al vaker veel op mijn nek genomen en mijn schouderpartij heeft daar geen zin meer in. Een grote sprong maken, meer willen dan er is. Zo’n verleidelijk idee. Wie kent het niet. Alvast verder met het volgende project. Een project dat misschien wel groter is dan dat waar je nu mee bezig bent, met meer mensen. Of andere mensen. Of op een andere plek die veel meer mogelijkheden biedt. Ik weet het even niet. Wat zal ik doen? Ik bel mijn vriend Dick. Daar word ik rustig van. Uiteindelijk kruip ik maar gewoon in mijn bed en slaap onmiddellijk in.
De volgende ochtend. De stormachtige wind van gisteren is gaan liggen. Ik kijk ontspannen uit het raam en zie een groep vinken en een keepje. Ze pikken het strooizaad op, dat ik over de tegels en het gras heb uitgestrooid. Als ik beweeg vliegen ze allemaal tegelijk op, de boom in.
Ik heb alles in huis. Eten, drinken en een voorraad takken, die ik onder mijn wagen vandaan heb gehaald. Er ligt altijd een voorraadje voor een dag of vier. Elke dag neem ik een tak mee, uit het bos. Het is lekker zwaar grenen en het brandt lang. Ik zaag het in stukken met de handcirkelzaag en droog het in het oventje, dat bovenin mijn kachel zit. Het wordt daar nooit warmer dan 70 graden. En dat is al veel. Soms is het hout zo droog geworden, dat het beter vlam vat dan aanmaakblokjes! Ik kijk naar de kleine stapel hout. Het is niet veel, maar het moet genoeg zijn voor een dag kachelwarmte. En ik heb ook nog een voorraad briketten, als het nodig is. Vandaag ga ik niet naar het bos en ik ga niet meer zagen. De pijn in mijn schouders is nog niet weg, en die hebben vandaag aandacht nodig. Warmte en veel bewegen. De ultraroodlamp van Ton is geweldig. Ik leg er mijn schapenvacht voor en kan de hele dag door oefeningen doen. Ik ben tevreden en vol vertrouwen dat het goed komt.
Ik weet het weer. Het gras is niet groener aan de overkant. En wat hier gebeurt is niet minder dan wat er ergens anders gebeurt. Het gaat om het opbouwen van aandacht. En hoe kleiner het begint, hoe sterker de wortels kunnen groeien. Er zijn genoeg projecten op de aardbol met nauwelijks wortels. Topzware zaken die zomaar om kunnen vallen. Mensen ziek van de stress. Dan maar beter gewoon hier blijven. Hier, in Juffrouw Kolibri. Ik kijk naar buiten en lees de berichten. Hier kan ik afstand nemen van verwarring en tumult en rustig mijn eigen keuzes maken. En buiten regent het. Er gebeurt genoeg. Ook in het klein. En daarvan schrijf ik verhaaltjes, elke week. En ze worden steeds vaker gelezen. Dus ik schrijf nog even door.
Hoe blij ben ik met mijn vriend Dick, die precies op het juiste moment in mijn leven kwam. Hij was er, toen die abrupte verandering in mijn leven zoveel chaos met zich mee bracht. We kennen elkaar nu bijna een jaar. Hij is rustig en aandachtig en we praten veel. En altijd als ik een verhaal klaar heb, leest hij het en kijkt het na voor eventuele verbeteringen. Dat vindt hij leuk. We chatten veel, en zien elkaar in de weekends. We bedanken elkaar elke dag dat we bestaan, want je weet maar nooit hoe lang het duurt. Dick werkt en woont in Eindhoven, bij Omslag. Hij is journalist en schrijft nu al twintig jaar voor het tijdschrift ZOZ, meestal over kleinschalige projecten op gebied van duurzaamheid en vrede. Het is leuk om samen te praten. Maar ook dansen we graag. In de zomer doen we acrobatiek op het grasveld. We maken wandelingen in de buurt of verder weg. Dat is genieten.
Ik wil Dick daar heel veel voor bedanken. En ook wil ik de mensen bedanken die mij schrijven en bellen, en me vertellen hoe graag ze mijn verhalen lezen. Sinds ik weet hoeveel energie dat geeft, neem ik daar zelf ook steeds vaker de tijd voor. Een simpel bedankje of een waarderende opmerking, het scheelt zoveel! Is dát niet een voorwaarde voor duurzaamheid? Het is puur energie genereren. En het komt vaak weer bij je terug ook, zelfs dubbel.
Als elk mens elke dag iemand zou bedanken, dan konden we daarmee een voedzame basis leggen. Dat geloof ik zeker. Je wordt er niet alleen vrolijker van, het geeft ook het gevoel dat je ondersteund wordt, het zorgt voor meer rust en stabiliteit. Het is een geneesmiddel tegen ongeduld en verwarring. En als iedereen het doet, dan gebeurt er wat. Misschien gaan we dan niet meer zo supersnel, maar er ontstaat er een sprankelende kringloop van geven en ontvangen. Iedereen en alles kan meegenieten. Met elkaar komen we er wel.
Het schrijven lukt niet vandaag. Ik blijf maar typen tot mijn schouders stijf zijn. Telkens weer merk ik, het gaat niet over mij en het loopt niet. Het zijn gedachten, ideeën over wat er moet gebeuren met de aarde, maar wat is mijn rol? Hoe nu verder? Ik schrijf en schrijf en begin voor de zoveelste keer overnieuw. Ik denk na over wat we moeten doen om het tij te keren. Ik droom van een strobalenhuisje om in te wonen, en te leren en te leven van het omringende land. Ik droom van mensen om dat samen te kunnen doen en te delen.
Maar misschien is het bouwen van zo’n huisje wel minder belangrijk dan de wereld redden. Terwijl ik daarover nadenk, vind ik een interessante oproep in mijn mailbox. Het gaat over de bodem. De bodem van onze aarde heeft onze hulp nodig, dat is het thema. Vruchtbare grond over de hele wereld, gaat in rap tempo verloren door verkeerd gebruik. De prioriteit is hoog. Ik vraag me af wat ik kan doen, nu. Behalve dan mijn eigen mest laten composteren in het bos. (*) Ik plaats een berichtje op facebook. Er komt meteen een lijst met tips en films. Veel mensen die iets te vertellen hebben, over humus, bijen, lezingen, zembla, de chemische industrie…. en er is er eentje die een vraag stelt.
Het is een veelheid die me afstompt. Ik weet niet hoe anderen dit ervaren maar bij mij gaat het meeste langs me heen. De stroom van nieuws en aangedragen ideeën wordt met de dag groter. Het vormt een wolk, een dichte massa die mijn aandacht inpakt als een kaarsvlam die te weinig zuurstof krijgt. Wat is wel zinnig om te vertellen en wat niet? Waar moet ik nu naar kijken, wat is nu belangrijk voor míj? En wie zijn de mensen met wie ik dan de wereld moet gaan redden, waar zijn ze nu?
De wereld redden is zo’n groot begrip… Is het niet zo dat, hoe kleiner ik iets maak, hoe sterker het effect is? Hoe kleiner het is, hoe meer aandacht ik het kan geven en hoe meer ik ontdek. Tot in de details! Als ik één enkele tekening maak van een plantje, waar ik vol bewondering naar kijk, dan gaat er een hele wereld voor me open. Of als ik een spade in de grond zet en zie wat er daar allemaal leeft..
Maar als ik bijvoorbeeld een hectare zou hebben, wat ik in een jaar tijd productief moet gaan maken, dan heb ik die aandacht niet, dan is er vooral tijdsdruk en moet ik alles tegelijk te weten komen. In plaats van naar mijn eigen grond te kijken en wat daar is, zou ik misschien de hele dag op internet zitten, mensen opzoeken met kennis van zaken in plaats van mijn eigen inzichten te vormen. Ik zou informatieve bijeenkomsten bezoeken en veel treinreizen maken. Ik doe het liever anders, besluit ik. Veel liever kijk ik er een jaar naar, en begin bescheiden om daarna weer verder te zien hoe het zich ontwikkelt. Ik kan van heel weinig leven. Ik hoef niet zo snel. Zo kan ik veel rustiger en grondiger mijn beslissingen maken.
Toen ik op de werf woonde in Utrecht, ging ik zelden ergens heen. Ook daar was mijn aandacht volkomen gericht op die ene plek. En ik hield het klein, wat ik deed. Zodat ik er wat moois van kon maken. Ik was er dus bijna altijd te vinden, onder de oude kastanjes aan de gracht. Ik moest er ook zijn, voor de rondvaarten met mijn oude schuit. De winter was soms moeilijk door te komen. Er gebeurde weinig en ik was alleen met het onderhoud, wat er te doen was. Maar ’s zomers was het anders. Elk moment kon er iemand komen die wilde varen. Of kwam een wandelaar langs de kelder gelopen die zich afvroeg op wat voor plek die was beland. Ik gaf antwoord op hun vragen, vertelde over Utrecht. Het waren soms boeiende gesprekken waar ik dan de hele dag blij mee was.
Ik was daar, zoals een boer op zijn land. Gehecht aan de plek als de monumentale boom die voor mijn deur stond. Maar de stad is toch mijn plek niet en de donkere kelder waarin ik woonde miste de zon. Ik wilde geen stenen meer onder mijn voeten voelen, maar aarde. Geen muren om me heen, maar bomen en struiken. De drang om dat te vinden werd steeds groter. En nu sta ik op een veldje in een woonwagen. Alles om me heen is van anderen en naar hun regels en wensen ingericht. Het grasveld, de schapen. De uitgestrekte akkers met monocultuur en het wat eentonige bos. Maar er is meer achter de horizon. Straks ga ik op verkenningstocht. Misschien duurt die tocht wel jaren. Ik hoop veel te leren, onderweg. Mijn Juffrouw Kolibri laat ik hier eerst maar even staan, denk ik. Misschien komt er uiteindelijk een nieuwe plek waar ik kan wortelen. Want of ik hier blijf in de toekomst, op dit veldje? We zullen zien. Ik heb geen haast, maar ben toch blij dat mijn wagen wielen heeft! .
Ik word wakker en doe mijn ogen open. Het is veel lichter dan anders, zie ik. Vanuit mijn warme bed vraag ik me af hoe de wereld er vandaag uit ziet. Het is niet de warme gloed van de zon die ik zie door de gordijnen, het licht is witter. Ik verlaat mijn warme hol en schuif het dunne witte katoen opzij, dat voor mijn deur hangt. Het glas in de deur is het enige grote raam van mijn huisje. Er staan ijsbloemen op de ruit en ik maak met mijn adem en nagels een kijkgaatje. Nieuwsgierig kijk ik naar buiten. Ik zie dat er een dikke laag sneeuw ligt. Ik twijfel niet en volg het dagelijkse ritueel, net als anders. Dapper was ik me bij het aanrecht. Met het washandje. Ik heb een kom met water, net als mensen vroeger gebruikten. De afvoer van de gootsteen is dichtgevroren, dus ik gebruik een andere kom voor het vuile water. Als ik klaar ben, pak ik mijn koude kleren en trek ze aan. Brr, ik had liever mijn warme nachthemd nog even aangehouden. Als ik een poosje later klaarwakker en met koude handen en voeten op de bank zit, pak ik de computer. Ik heb er niet echt zin in vandaag. Misschien is er iemand die aan me gedacht heeft, dat zou al een stuk schelen. Ik steek de dongel er in en probeer verbinding te maken. Het lukt niet. Ik probeer het nog een keer en nog een keer, en ik krijg het steeds kouder. Ik weet dat ik er mee op moet houden en wat anders moet gaan doen. Nou voel ik me alleen maar dubbel zielig. Koud en ook nog zonder verbinding. En mijn beltegoed is ook op, dus ik kan niemand bellen. Zo zit ik op de bank te kniezen. Maar niet lang, want al gauw moet ik lachen om mezelf. Het is toch helemaal niet moeilijk om het weer wat leuker te maken… ik kan gewoon naar het dorp fietsen voor een opwaardeerkaart en wat andere boodschappen. Daar word ik dan ook nog lekker warm van. Het is toch al elf uur geweest als ik dat besluit neem. De wagen is inmiddels wat opgewarmd.
Als ik naar buiten ga zie ik geen zwijntje achter het hek bij de vijver, en ook geen pauw op het stille, witte terrein. Zouden ze ziek zijn of nog slapen? Ach die liggen natuurlijk gewoon in hun warme nest. Dieren weten wel beter. In de winter koesteren ze zich zo lang mogelijk in hun eigen lichaamswarmte. Die gaan zich niet staan wassen in de kou, voor de ijsbloemen van de ruiten zijn. Straks ben ik ziek en zij mankeren niks natuurlijk. Pas als ik terug kom van mijn boodschappen komt het zwijntje zijn nest uit, en knort vanuit de verte om voer. Ik haal een portie kattenbrokken voor hem uit de wagen en hij peuzelt ze tevreden op. Ik besluit om morgenochtend te doen wat hij ook doet. Zo min mogelijk energie verspillen.
De volgende dag heb ik een lichte oorpijn en mijn rechteroor zit potdicht. Het is nog veel kouder dan gisteren. Ik doe wat ik bedacht heb, toen ik naar het zwijntje keek. Als ik om negen uur opsta, houd ik mijn nachthemd aan. In mijn nest blijven liggen gaat me toch iets te ver. Ik trek al mijn kleren er over heen. Zo houd ik mijn eigen warmte nog een poos bij me. Ik vouw het beddengoed op, leg het boven de bank op een plank, net als anders. In de kachel liggen nog wat restanten bruinkool te gloeien, en ik krijg hem makkelijk weer brandende. Na het ontbijt doe ik een woonmantel om me heen en gooi af en toe een houtje op de kachel. Vanwege een technisch probleem kan ik hem op dit moment niet superheet stoken. Het is al twee uur in de middag als ik nog steeds met het wollen kleed om me heen en met koude handen aan mijn laptop zit te typen. Daarna wordt het langzaam warmer…
Ik heb Ton gebeld. Het is zeven uur als hij aan komt lopen met twee infraroodkachels, van 450 Watt. Ik mag ook zijn houtvoorraad gebruiken, tegen betaling. Dat is fijn, dan hoef ik niet te gaan sprokkelen en zagen in de sneeuw. Als het weer dooit zoek ik mijn hout zelf wel weer. Ik ben erg blij. Ik doe allebei de kachels tegelijk aan en verdrijf de kou uit mijn botten. Tot ik weer helemaal warm ben. Dan zet ik er eentje uit.
Ik ben nu hier, weg van de bewoonde wereld, dicht bij de natuur. Ik heb mijn huis van de hand gedaan en leef zo simpel als het maar kan. Maar natuurlijk hoeven we niet terug naar de tijd dat het leven bar en boos was in de winter. Mijn omstandigheden zijn nu erg minimaal, zeker met deze temperaturen onder de min vijftien. Maar door heel eenvoudig te leven, zie ik wat ik echt nodig heb. Ik wil geen groot huis meer.