Alles is belangrijk

Het is hier echt donker 's nachts. Zo fijn!

Ik ben hier
niet omdat ik droomde
van een woonwagenleven
Het is ook hard
en koud en alleen soms
en dat wist ik
Ik ga ook niet terug
naar een huis met centrale verwarming
energie van eneco
en een groot warm bad
Nee, ik ben nu op weg.
Zelf.
Ik wil kijken, voelen, leren

Hoe kan ik leven
zonder de rest van de wereld
al te zeer te belasten?
Mijn kachel is okee
Maar mijn wagen houdt de warmte niet vast
Ik droom al lang van een strobalenhuisje
Klein en supergoed geisoleerd
Met een eigen bosje voor brandhout
en water uit de put
en weelderig begroeid land waarvan
je alles kan eten wat je ziet.
Gasten verrassen
met bontgekleurde salades
een tafel vol met vruchten

Maar het gaat stap voor stap
Mijn verhaaltjes zijn klein
De stappen die ik doe ook
Al is klein soms al heel erg groot..

Soms gaat het alleen maar over een
bloemetje of een beestje
Maar alles is belangrijk
Alles.

Net op tijd!

.

 

Een tuin! Hij is er echt. En ik kan al beginnen met spitten. Een lapje grond is het. Heel gewoon, maar voor mij bijzonder. Want ik zorg dat er straks van alles op gaat groeien. Je kan het zien op de foto. Nu is het nog een stukje schapewei. Je kan aan de sneeuw bijna zien hoe groot het is. Het is niet supergroot maar het is ook niet klein. Kaalgevreten gras zie je, bezaaid met keutels en een hek er omheen. Maar veel gras blijft er niet van over straks. Dat is wat mij betreft de bedoeling. Er is al genoeg gras. Ik heb een grote bestelling zaad gedaan, allerlei bijzondere soorten, bij „De Nieuwe Tuin”, in België. Allemaal een- en twee jarigen. De postbode komt het brengen. Ik hoop deze week al. Want wat ik teveel heb kan ik dan weer weggeven op de zadenruilbeurs. Dat is in Den Bosch, zaterdag aanstaande. Het gaat nu snel. Ineens is het zover. De dooi is ingevallen, vogels claimen alvast hun nestelplek. De eerste zaden kunnen nu de grond in, een vroege erwt, tuinbonen. Oei, ik ben net op het nippertje met mijn besluit hier dit jaar te blijven! Wat fijn dat ik mijn groene vingers nu weer kan trainen. En het is zo vlakbij. Ik hoef niet eerst twintig minuten door de drukke stad te fietsen voor ik bij mijn landje ben. Ik hoef niet meer dan vijftig meter te lopen. Dus ik ga hard aan het werk deze week! Spitten, hekken plaatsen tegen vraat, verhoogde bedden maken. Want straks komt er nog veel meer… Daar heb ik een goudgeel vermoeden van.

Bijna lente, plannen maken!

Bijna lente!

“Verder achterom lopen!” roept een stem achter het ondoorzichtige glas van de deur. Dick en ik staan bij de herberg van Ton en Ine, in Haghorst. Ton en zijn vrouw Ine beheren samen de camping. Ik ben hier niet zomaar. Het contract van 2013 zal vandaag getekend worden. Ik verleng mijn tijd bij “D’n Bobbel”. We lopen naar de achterkant van het huis. Erachter ligt de dijk van het kanaal, met een kilometers lang fietspad. Ton opent de deur en verwelkomt ons. Op zijn Brabants worden we onthaald en even later zitten we met zijn vieren rond de houten tafel. De komende paar uur zijn we zoet, met veel verhalen, koffie, thee, en nogablokjes.

Zo vlak voor de lente aanbreekt, is de tijd van beslissingen. Ik vind het fijn. Nu wordt me steeds meer helder wat er dit jaar te gebeuren staat. Ik ga nog geen lange reizen maken. Het is nog te vroeg. Eerst goed aarden voor ik weer weg ga. Er is een hoop gebeurd, het laatste jaar. Het begin, dat ik hier heb gemaakt, kan ik beter nog een tijdje voedsel geven. Net als een zaailing die het beste opgroeit op de grond waar hij terecht komt. Zo’n klein boompje kan je maar beter een of twee jaar met rust laten voor je hem verplant. Dan groeit hij later des te beter. Dus ik blijf waar ik ben. Hoe ga ik nu verder?
Ik haal veel inspiratie uit de natuur, en uit toekomstdromen die ik al heb vanaf mijn kindertijd, toen ik nog op blote voeten in het Emmeloordse bos rondliep. Op het moment lees ik een boek dat erg bij me past.
“Holzer’s permacultuur” heet het. Ik kijk naar de foto op de kaft. Een brede goedmoedige man kijkt me aan, leunend op een spade tussen weelderig groen. Sepp Holzer is een boer in Oostenrijk, die meer dan veertig jaar geleden een drastische keuze maakte. Hij besloot alles te vergeten wat hij op de landbouwschool had geleerd, en beheerde zijn bedrijf vanaf dat moment in harmonie met de natuur. Hij haalde veel inspiratie uit ervaringen van zijn kindertijd. In het begin verklaarden velen hem voor gek, maar nu is hij een van de meest succesvolle boerenbedrijven daar. Later ontdekte hij dat de manier waarop hij bezig was, een naam had. “Permacultuur”.
Ik woon niet in Oostenrijk, en heb ook niet mijn leven lang op een boerderij doorgebracht. Maar de tijd dat ik als kind en als puber in het bos struinde ben ik nooit vergeten. Ook niet de keren dat ik op het land werkte bij boeren, en voor Copijn, tussen de hoveniers, en in het natuurgebied ’t Hol, in Utrecht. En mijn tuin, met het tuinhuis. Al een eeuwigheid popelen mijn vingers om weer met levende dingen bezig te zijn. Planten, dieren, levende aarde. Een paar jaar geleden ontdekte ik wat men noemt “De permacultuur”, en herkende er veel van mijn ideeën in terug, op heldere manier in structuur gebracht. Ik ontdekte dat er overal op de wereld mensen mee bezig zijn, en iedereen op zijn manier. De mogelijkheden zijn eindeloos. Ik weet dat ik hier geestverwanten kan vinden. Een goede reden om dit pad te betreden.
Iets willen is één. Of ik op tijd ben om ergens aan te sluiten, dat is een tweede. Maar tot mijn grote verrassing zag ik dat ik nog niet te laat was. Ik ontdekte een cursus, die dit jaar gegeven wordt in Rotterdam. De docenten heb ik wel eens ontmoet, en ik vind het erg leuk om met hen en anderen aan de slag te gaan. Ik heb me meteen aangemeld. Het zijn tien hele weekends, elke maand eentje. De rest van de tijd werk ik in tuinen.
Ik mag van Ton en Ine een tuin aanleggen vlakbij Juffrouw Kolibri. Dat is mooi, dan kan ik wat vergeten groenten zaaien. Ik wil ook graag zeldzaam zaad vermeerderen, van oude rassen.

We zullen zien wat er uit groeit, uit de tuin en uit de cursus..

.

Een melkbusje vol water

.

Een melkbusje van aluminium met vier liter water

.

 

Het is vrijdagmiddag half vier. Over het grasveld komt Dick aanfietsen, mijn vriend. Helemaal uit Eindhoven. Hij heeft een grote lach op zijn gezicht, een spiegel van de mijne, want we zijn allebei blij elkaar weer te zien. Het was alweer tien dagen geleden dat we afscheid namen. Een warme omhelzing. Ik zet koffie van het laatste water. Dick pakt het lege melkbusje van het aanrecht om water te halen. Hetzelfde busje heeft vroeger ook al dienst gedaan als fooienpot, in de werfkelder, tijdens bijeenkomsten. En nu zit mijn watervoorraad er in. Even later komt Dick terug met de gevulde bus, en ik zet het terug waar het stond. Ik hang de soeplepel weer over de rand heen. Daarmee kun je je glas vullen als je dorst hebt. Of het kommetje water verschonen, waarin je je handen kan wassen.
Naast de waterbus en de gootsteen zit ook een kraan en een knop. Toen ik hier net introk, kwam er water uit die kraan, als je op de knop drukte. Dat water kwam van onder de wagen weg. Daar stond een jerrycan met twintig liter erin en een pomp er aan vast. Die pompte het omhoog en zo leek het net een echte keuken zoals in een gewoon huis.
Ik kwam er al gauw achter dat ik daar helemaal niet zo blij mee was. Ik kon niet zien hoeveel water ik nog had. Net op momenten dat ik er niet op zat te wachten was het op. En als je je handen wast, gebruik je automatisch veel meer. Het lijkt in overvloed aanwezig te zijn. Dat ben je zo gewend, als je een kraan hebt. Opendraaien en uitgebreid laten stromen. Mensen die langskomen hebben het ook niet door. Maar het is toch maar twintig liter wat er in zo’n vaatje zit en een grotere wil ik ook niet, dat kost alleen maar ruimte. Bovendien, hoe meer ik ergens van hebt, hoe meer ik gebruik. Ik vind het ook fijn om het water te zien. En het is ook handig als ik kan zien hoeveel ik nog heb. Het melkbusje is niet te groot en niet te klein. Een leuk ding, vind ik. Er zit vier liter in, en in mijn eentje doe ik er anderhalve dag mee. Twee keer per week ga ik twee minuten onder de douche van de camping en was ik mijn haar.

Al doende merk ik wat ik echt nodig heb en leef met veel minder water. Ik heb een mooi compostemmertje, dus ik hoef ook geen drinkwater door de plee te spoelen. Het liefst zou ik mijn water zelf uit een put halen. Leuk, dat hijsen met een emmer. Maar die hebben we hier niet. Dus haal ik het maar gewoon uit de kraan van de campingkeuken. En als ik dan met Dick mijn vers gezette kopje koffie drink, dan geniet ik.

Vlak voor wij de koffie drinken....

Een trage bedoening

En wat nu, wat nu?

Ik sta voor het raam en kijk naar buiten. Er staan grote plassen in het gras. De ene na de andere donkere wolk drijft voorbij. Het is een onstuimige dag, vol mooie wolkenluchten. Terwijl ik kijk lijkt het me allemaal zo klein wat ik doe. Een beetje rommelen in zo’n klein huisje… Hout halen en zagen, waterbus opnieuw vullen, de was doen, verhaaltjes schrijven. En wachten. Wachten op de lente, zodat ik verder kan met het afbouwen van mijn wagen… Hoelang nog? Wanneer zal het volle leven weer beginnen? Onrust bekruipt mij. Een poos loop ik rusteloos heen en weer in de kleine ruimte van mijn wagen. Als een leeuwin in haar kooi. Ik vraag me af of ik alvast bij Thera van Osch langs zou gaan in Duitsland, het is maar tachtig kilometer, zag ik. Ik kan informeren naar het tuinproject bij het conferentiecentrum daar. Of een leembouwproject zoeken om praktijkervaring op te doen. Of naar Utrecht gaan, vrienden bezoeken. Of naar het noorden. Prompt schiet het in mijn schouders. Dat is mijn zwakke plek. Ik heb al vaker veel op mijn nek genomen en mijn schouderpartij heeft daar geen zin meer in. Een grote sprong maken, meer willen dan er is. Zo’n verleidelijk idee. Wie kent het niet. Alvast verder met het volgende project. Een project dat misschien wel groter is dan dat waar je nu mee bezig bent, met meer mensen. Of andere mensen. Of op een andere plek die veel meer mogelijkheden biedt. Ik weet het even niet. Wat zal ik doen? Ik bel mijn vriend Dick. Daar word ik rustig van. Uiteindelijk kruip ik maar gewoon in mijn bed en slaap onmiddellijk in.

De volgende ochtend. De stormachtige wind van gisteren is gaan liggen. Ik kijk ontspannen uit het raam en zie een groep vinken en een keepje. Ze pikken het strooizaad op, dat ik over de tegels en het gras heb uitgestrooid. Als ik beweeg vliegen ze allemaal tegelijk op, de boom in.
Ik heb alles in huis. Eten, drinken en een voorraad takken, die ik onder mijn wagen vandaan heb gehaald. Er ligt altijd een voorraadje voor een dag of vier. Elke dag neem ik een tak mee, uit het bos. Het is lekker zwaar grenen en het brandt lang. Ik zaag het in stukken met de handcirkelzaag en droog het in het oventje, dat bovenin mijn kachel zit. Het wordt daar nooit warmer dan 70 graden. En dat is al veel. Soms is het hout zo droog geworden, dat het beter vlam vat dan aanmaakblokjes! Ik kijk naar de kleine stapel hout. Het is niet veel, maar het moet genoeg zijn voor een dag kachelwarmte. En ik heb ook nog een voorraad briketten, als het nodig is. Vandaag ga ik niet naar het bos en ik ga niet meer zagen. De pijn in mijn schouders is nog niet weg, en die hebben vandaag aandacht nodig. Warmte en veel bewegen. De ultraroodlamp van Ton is geweldig. Ik leg er mijn schapenvacht voor en kan de hele dag door oefeningen doen. Ik ben tevreden en vol vertrouwen dat het goed komt.

Ik weet het weer. Het gras is niet groener aan de overkant. En wat hier gebeurt is niet minder dan wat er ergens anders gebeurt. Het gaat om het opbouwen van aandacht. En hoe kleiner het begint, hoe sterker de wortels kunnen groeien. Er zijn genoeg projecten op de aardbol met nauwelijks wortels. Topzware zaken die zomaar om kunnen vallen. Mensen ziek van de stress. Dan maar beter gewoon hier blijven. Hier, in Juffrouw Kolibri. Ik kijk naar buiten en lees de berichten. Hier kan ik afstand nemen van verwarring en tumult en rustig mijn eigen keuzes maken. En buiten regent het. Er gebeurt genoeg. Ook in het klein. En daarvan schrijf ik verhaaltjes, elke week. En ze worden steeds vaker gelezen. Dus ik schrijf nog even door.

Hoe blij ben ik met mijn vriend Dick, die precies op het juiste moment in mijn leven kwam. Hij was er, toen die abrupte verandering in mijn leven zoveel chaos met zich mee bracht. We kennen elkaar nu bijna een jaar. Hij is rustig en aandachtig en we praten veel. En altijd als ik een verhaal klaar heb, leest hij het en kijkt het na voor eventuele verbeteringen. Dat vindt hij leuk. We chatten veel, en zien elkaar in de weekends. We bedanken elkaar elke dag dat we bestaan, want je weet maar nooit hoe lang het duurt. Dick werkt en woont in Eindhoven, bij Omslag. Hij is journalist en schrijft nu al twintig jaar voor het tijdschrift ZOZ, meestal over kleinschalige projecten op gebied van duurzaamheid en vrede. Het is leuk om samen te praten. Maar ook dansen we graag. In de zomer doen we acrobatiek op het grasveld. We maken wandelingen in de buurt of verder weg. Dat is genieten.
Ik wil Dick daar heel veel voor bedanken. En ook wil ik de mensen bedanken die mij schrijven en bellen, en me vertellen hoe graag ze mijn verhalen lezen. Sinds ik weet hoeveel energie dat geeft, neem ik daar zelf ook steeds vaker de tijd voor. Een simpel bedankje of een waarderende opmerking, het scheelt zoveel! Is dát niet een voorwaarde voor duurzaamheid? Het is puur energie genereren. En het komt vaak weer bij je terug ook, zelfs dubbel.

Als elk mens elke dag iemand zou bedanken, dan konden we daarmee een voedzame basis leggen. Dat geloof ik zeker. Je wordt er niet alleen vrolijker van, het geeft ook het gevoel dat je ondersteund wordt, het zorgt voor meer rust en stabiliteit. Het is een geneesmiddel tegen ongeduld en verwarring. En als iedereen het doet, dan gebeurt er wat. Misschien gaan we dan niet meer zo supersnel, maar er ontstaat er een sprankelende kringloop van geven en ontvangen. Iedereen en alles kan meegenieten. Met elkaar komen we er wel.

Het aroma van kleine dingen

Atalanta aan de Beerze

Het schrijven lukt niet vandaag. Ik blijf maar typen tot mijn schouders stijf zijn. Telkens weer merk ik, het gaat niet over mij en het loopt niet. Het zijn gedachten, ideeën over wat er moet gebeuren met de aarde, maar wat is mijn rol? Hoe nu verder? Ik schrijf en schrijf en begin voor de zoveelste keer overnieuw. Ik denk na over wat we moeten doen om het tij te keren. Ik droom van een strobalenhuisje om in te wonen, en te leren en te leven van het omringende land. Ik droom van mensen om dat samen te kunnen doen en te delen.
Maar misschien is het bouwen van zo’n huisje wel minder belangrijk dan de wereld redden. Terwijl ik daarover nadenk, vind ik een interessante oproep in mijn mailbox. Het gaat over de bodem. De bodem van onze aarde heeft onze hulp nodig, dat is het thema. Vruchtbare grond over de hele wereld, gaat in rap tempo verloren door verkeerd gebruik. De prioriteit is hoog. Ik vraag me af wat ik kan doen, nu. Behalve dan mijn eigen mest laten composteren in het bos. (*) Ik plaats een berichtje op facebook. Er komt meteen een lijst met tips en films. Veel mensen die iets te vertellen hebben, over humus, bijen, lezingen, zembla, de chemische industrie…. en er is er eentje die een vraag stelt.
Het is een veelheid die me afstompt. Ik weet niet hoe anderen dit ervaren maar bij mij gaat het meeste langs me heen. De stroom van nieuws en aangedragen ideeën wordt met de dag groter. Het vormt een wolk, een dichte massa die mijn aandacht inpakt als een kaarsvlam die te weinig zuurstof krijgt. Wat is wel zinnig om te vertellen en wat niet? Waar moet ik nu naar kijken, wat is nu belangrijk voor míj? En wie zijn de mensen met wie ik dan de wereld moet gaan redden, waar zijn ze nu?

De wereld redden is zo’n groot begrip… Is het niet zo dat, hoe kleiner ik iets maak, hoe sterker het effect is? Hoe kleiner het is, hoe meer aandacht ik het kan geven en hoe meer ik ontdek. Tot in de details! Als ik één enkele tekening maak van een plantje, waar ik vol bewondering naar kijk, dan gaat er een hele wereld voor me open. Of als ik een spade in de grond zet en zie wat er daar allemaal leeft..
Maar als ik bijvoorbeeld een hectare zou hebben, wat ik in een jaar tijd productief moet gaan maken, dan heb ik die aandacht niet, dan is er vooral tijdsdruk en moet ik alles tegelijk te weten komen. In plaats van naar mijn eigen grond te kijken en wat daar is, zou ik misschien de hele dag op internet zitten, mensen opzoeken met kennis van zaken in plaats van mijn eigen inzichten te vormen. Ik zou informatieve bijeenkomsten bezoeken en veel treinreizen maken. Ik doe het liever anders, besluit ik. Veel liever kijk ik er een jaar naar, en begin bescheiden om daarna weer verder te zien hoe het zich ontwikkelt. Ik kan van heel weinig leven. Ik hoef niet zo snel. Zo kan ik veel rustiger en grondiger mijn beslissingen maken.

Toen ik op de werf woonde in Utrecht, ging ik zelden ergens heen. Ook daar was mijn aandacht volkomen gericht op die ene plek. En ik hield het klein, wat ik deed. Zodat ik er wat moois van kon maken. Ik was er dus bijna altijd te vinden, onder de oude kastanjes aan de gracht. Ik moest er ook zijn, voor de rondvaarten met mijn oude schuit. De winter was soms moeilijk door te komen. Er gebeurde weinig en ik was alleen met het onderhoud, wat er te doen was. Maar ’s zomers was het anders. Elk moment kon er iemand komen die wilde varen. Of kwam een wandelaar langs de kelder gelopen die zich afvroeg op wat voor plek die was beland. Ik gaf antwoord op hun vragen, vertelde over Utrecht. Het waren soms boeiende gesprekken waar ik dan de hele dag blij mee was.

Ik was daar, zoals een boer op zijn land. Gehecht aan de plek als de monumentale boom die voor mijn deur stond. Maar de stad is toch mijn plek niet en de donkere kelder waarin ik woonde miste de zon. Ik wilde geen stenen meer onder mijn voeten voelen, maar aarde. Geen muren om me heen, maar bomen en struiken. De drang om dat te vinden werd steeds groter. En nu sta ik op een veldje in een woonwagen. Alles om me heen is van anderen en naar hun regels en wensen ingericht. Het grasveld, de schapen. De uitgestrekte akkers met monocultuur en het wat eentonige bos. Maar er is meer achter de horizon. Straks ga ik op verkenningstocht. Misschien duurt die tocht wel jaren. Ik hoop veel te leren, onderweg. Mijn Juffrouw Kolibri laat ik hier eerst maar even staan, denk ik. Misschien komt er uiteindelijk een nieuwe plek waar ik kan wortelen. Want of ik hier blijf in de toekomst, op dit veldje? We zullen zien. Ik heb geen haast, maar ben toch blij dat mijn wagen wielen heeft! .

(*) Lees het verhaal: https://alowieke.wordpress.com/2013/01/01/een-eerlijke-ruil/

Speels in de boom of oud in een kar

Speels in de boom of oud in een kar

„Ik kan nu gewoon autorijles nemen! Wat leuk.” Met die gedachte word ik wakker. Raar. Ik heb nooit gedacht aan rijles en nou droom ik er van. Terwijl ik uit bed stap om me te wassen besluit ik om er maar eens rustig over na te denken. Wie weet doe ik het wel.
Een dag later kom ik een bekende tegen. Ik vertel hem er over. “O heb je dat dan nog niet? Dat is een verstandige beslissing. Nu ben je nog niet echt oud, als je straks van alles begint te mankeren, dan mag je geen rijles meer, en dan ben je blij dat je je rijbewijs hebt.” Ik zeg dat ik zo fit ben als een hoentje en zo lenig als een kat. En dat ik fietsen erg leuk vind. Ja, fietsen vindt hij ook leuk, maar het komt er eigenlijk nooit meer van… Maar een rijbewijs halen is toch echt een goed idee. Als vrouw krijg ik misschien wel eerder een no claim op de verzekering. Zeker omdat ik ook al wat ouder ben is die kans groter. Zo praat hij door. Over verzekering… papieren…no claim… En ik, ik word ineens erg moe. Ik ben nu al zolang bezig mijn bezit te verkleinen. Bijna alles is nu weg, of in andere handen. Goede handen. Ik heb alleen nog deze wagen, en dat is een opluchting. Ik moet er niet aan denken om in mijn eentje weer allerlei zaken en bezittingen aan te gaan.
Hoe langer de man door praat, hoe groter mijn vastbeslotenheid om het niet te doen. Nu in elk geval niet en ook niet om deze redenen. Zou ik een rijbewijs halen omdat ik straks oud en krakkemikkig ben? Als ik dat doe, dan geef ik mezelf de boodschap dat ik dat ook word. Zeg het maar vaak genoeg, en het gebeurt ook. Niks voor mij. Ik heb alle vertrouwen in mijn lijf en ben elke keer weer verwonderd hoe mooi het allemaal werkt. Dagelijks doe ik oefeningen, ’s ochtend en ’s avonds voor kracht en souplesse. Soms moet ik mezelf er toe zetten, maar uiteindelijk vind ik het steeds weer lekker om al mijn spieren te voelen. Fietsen is ook fijn, maakt niet uit als het ver is en als het regent doe ik mijn regenpak aan. Ook sjouwen doe ik graag, lekker in het bos, slepen met een dikke tak voor de kachel. Ik vind het allemaal leuk. Toen ik twaalf was heb ik gezegd dat ik nog steeds in bomen zou klimmen als ik 50 was. Nu word ik 48 en ik klim nog graag. Nog niet zo lang geleden klom ik voor het eerst in een hoge lantaarnpaal. Al met al voel ik me nu jonger dan toen ik zestien was. Eigenlijk heb ik jarenlang veel te weinig gelachen, en dat ben ik nu aan het inhalen. Zou ik me nu als een “verstandig” mens moeten gaan voorbereiden op de ouderdom? Ik dacht het niet!
Het is ook maar de vraag hoe de wereld er straks uit ziet. In de komende twintig jaar zal er veel veranderen. Zullen de hulpmiddelen van nu ons nog steeds ter beschikking staan? Is er tegen die tijd nog pensioen en is er nog steeds voldoende zorg voor ouderen? Ook is het maar de vraag of er nog steeds zulke goedkope brandstof is, en of de wegen worden onderhouden zoals nu. Je weet het niet. Maar één ding weet ik zeker. Ik moet het zelf doen. Ik kan er niet van uit gaan dat er mij altijd een heel pakket aan hulpmiddelen en diensten ter beschikking zal staan. Alles verandert, en gelukkig maar.
Ik zie het als een uitdaging. Waar ik kon heb ik mezelf vaardigheden geleerd om mezelf te kunnen redden. Geduld in de eerste plaats, en mezelf gezond houden. Diverse disciplines, werken met gereedschappen, en boven alles, een prettige omgang met de mensen om me heen… Al die dingen zijn voor mij oneindig veel belangrijker dan het halen van een rijbewijs. Maar ik zeg geen nooit. Misschien doe ik het nog wel eens. Zo’n papiertje halen. Als we met een stuk of wat mensen een busje aan kunnen schaffen of zo. Ergens, met wie en waar ik dan ook ben. Maar nu in elk geval niet.

Opruimen voor wat komt

 

.

.

Een troosteloze dag

.

.

Het lijkt vandaag geen dag te worden. Er hangt een wolk vlak boven de aarde met dichte fijne druppels waar je kletsnat van wordt. Ondanks die duisternis heb ik de moed bij elkaar geraapt om weer verder te gaan met een oud karwei. Voor me op de vloer ligt een wanordelijke berg spullen. Het meeste komt uit de houten kist, die ik bij aankomst even onder de wagen heb gestald omdat ik genoeg chaos aan mijn hoofd had. Hoewel de kist een klep heeft, is alles wat er in zat nat geworden. Cassettebandjes, uit alle periodes van mijn leven. Beitels van alle soorten en maten, prachtig gereedschap dat ik niet graag weg zie roesten. Er liggen ook pas gekochte mezenbollen tussen, die gaan gauw genoeg op hier. Er naast staan drie perfecte hardhouten kommetjes. Chiel, mijn man, maakte ze ooit, het is nu tien jaar geleden dat hij heenging. Er liggen ook twee naaidozen, eentje van mezelf en een van zijn eerder overleden moeder. Ik kijk ernaar met weemoed. Ik laat het maar even voor wat het is.
Kijken en moed verzamelen. Er is een onuitputtelijke voorraad supergezonde frisse en hoopgevende moed. Maar soms moet ik er even naar zoeken.
Verder ga ik met ruimte maken, nu de slotfase tegemoet. Alles moet een plek krijgen in mijn woonwagen en zo niet, dan gaat het weg. Wat er verder ook gaande is, dit moet en wil ik afmaken.

Het veld waarop mijn wagen staat, is leeg en stil en er is maar weinig wat me afleidt. Bof ik even… Er zijn zat leuke cursussen te doen en mensen die ik graag zou willen zien. Ik kan ook gaan demonstreren en petities aanbieden voor een betere wereld. Maar dit alles is voor mijzelf alleen maar uitstel. Uitstel voor wat ik werkelijk te doen heb. Opruimen. Ruimte maken in materie en geest. Hier, op dit stille veldje.
Ik voel me even mistroostig als het weer buiten en schrijf naar een vriend. Hij antwoordt onmiddellijk mijn mail en steekt me een hart onder de riem. Erg fijn is dat. Ik heb meteen meer energie om er aan te beginnen. Ik onderzoek de naaidozen en kies de handigste uit. Daar gaat alles in, en dat maakt de tweede overbodig. Ik droog de cassettebandjes en kijk welke ik nog wil houden. Het is een rustig werkje wat veel tijd kost. Aan het einde van de avond ligt alles vol met lege hoesjes en drogende papiertjes. Ik maak er een stapeltje van. Het begin is gemaakt. Mijn hoofd is leeg en ik leg me te ruste op mijn twee warme schapenvachten, naast de warme tegelkachel. Morgen is er weer een dag, dan ga ik verder.

Spullen zijn als fetishen. Alles wat in huis is, vreet een stukje van jouw energie. Of je er nou wel of niet naar omkijkt. Er zijn duizenden redenen te bedenken, waarom je iets laat staan. Het eist je ruimte op en hecht zich vast als een stuk kleefkruid op je jas, het plakt als verrot blad in de modder onder je schoenen.
En nu. Hoe gaan we verder? Er is iets aan het ontluiken, onder oude dingen die vergaan. Iedereen heeft langgekoesterde dromen en beelden. We kennen hoopvolle initiatieven die in een eerdere fase misschien weer in de kast zijn beland. We zoeken nu de jonge kiemen op die uit de grond komen, en geven ze ruimte. We maken van het oude rotte blad een bed van compost om het prille leven heen. Het is veel werk, een nieuw begin maken. Het vraagt geduld en doorzettingsvermogen. Wat een werk verzetten we, met al die mensen samen. Zo maken we een ruimere wereld om ons heen. En al die kleine stukjes gewonnen vrijheid kunnen elkaar gaan vinden en met elkaar gaan spelen. Waar ruimte is, daar kan iets nieuws groeien. Wie weet wat er mogelijk is. Ik werk door en maak mijn handen vrij.

Kijk! Het is er al!

Onrust in het uitzicht

Het is ochtend. Ik slaap nog half en hoor geluiden die van buiten komen. Een vrachtwagen rijdt achteruit en laat daarbij de eerste twee noten horen van een bekend pianostuk. Ik moet altijd aan „Für Elise” denken als ik het hoor. Roepende mannenstemmen. Het licht dat door de witte gordijnen komt is nog schaars, maar het belooft een heldere dag te worden. Gewoonlijk verheug ik me daarop, want op een zonnige dag kun je zoveel doen. Maar vandaag is het anders. Ik spits mijn oren. Zijn ze met de loods bezig? De fundamenten lagen jarenlang vergeten in het veld. Het leek er nooit van te komen, die loods, en ik hoopte dat het ook nog lang zou duren voor hij er kwam.

Ik sta op en schuif het gordijn opzij om te kijken. Ik zie mijn vermoedens bevestigd. Drie mannen zijn aan het werk. Ik kan er makkelijk overheen kijken, over de schutting. Een grote kraan houdt een enorm stalen spant in de lucht, en als je het zo ziet lijkt de schuur een behoorlijke omvang te krijgen. Als ik straks naar buiten kijk zie ik een deel van de lucht niet meer, net het mooiste stukje boven de bomenrand. Het weilandje zie ik dan ook niet, met het oude paard en de ezel. En ook de windkering er achter is dan voor een deel buiten zicht, met alle bomen en struiken. Ik vind het leuk om naar de roeken en de buizerds te kijken. Ze zijn met een hele groep, die roeken en ze zitten vaak in de uiterste hoek van het terrein, waar nooit of zelden iemand komt. Soms zit één van de buizerds er ook, en hebben ze trammelant. Ik zie hoe de buizerd eigenwijs op een takje blijft zitten terwijl de roeken in duikvlucht over hem heen scheren. Ze kunnen een hoop herrie maken, met zijn allen. Dat alles kan ik dan niet meer zien vanaf hier, alleen horen vermoed ik.

Ik loop naar buiten om te controleren of dat klopt. Ik kijk over het hek, waar de laatste spant van de schuur moet komen. Ik zie dat er nog één spant bij moet komen. Met die wetenschap loop ik terug naar mijn wagen en ga recht voor het vensterglas staan. Ik ontdek dat als ik op één plek voor het raam ga staan, ik de buizerd in de hoek net kan zien. Het andere deel van het uitzicht wordt bepaald door een rij coniferen, met een afstervende kersenboom ernaast. Ik heb er vetbollen in gehangen, en daar komen heel veel vogeltjes op af. De pauw eet vaak de restjes op die eronder liggen. Ik kijk er graag naar. Er is altijd wel íets te zien. Maar ik ben toch niet echt blij met de loods.

Ik kan om een andere plek vragen voor mijn wagen, een plek waar ik de grote schuur niet zie. Zo’n privilege krijg ik waarschijnlijk alleen als vaste kampeerder. Ben ik dat? Ik ben me gaan hechten aan deze plek, maar ik besef dat dit niet mijn eindstation is. Ik weet het niet hoelang ik hier blijf. Ik wil eerst mijn spullen een plekje geven. Daarna wordt het zoetjes aan tijd om te gaan, heb ik steeds gedacht. Maar ik weet nog steeds niet waarheen. Als ik op reis ga, dan wordt alles weer anders. Geen pauw meer, die eenmaal per dag voor mijn deur kattenbrokjes komt vragen, en ook geen zwijntje meer, dat ik mijn voorraad tamme kastanjes opvoer. Ik hou ook van de schapen die me aanstaren en met zijn allen gaan blaten als ik over het terrein loop. Het zijn allemaal dieren en geluiden waar ik in korte tijd aan gehecht ben geraakt. Ik weet niet hoelang ik nog bij ze ben. Ik besef de tijdelijkheid van alles.

Twee dagen loop ik zo rond met de vraag “Wat nu”. De eigenaar van het terrein wil me graag als vaste kampeerder en wil me een nieuw jaarcontract geven. Dat geeft op dit moment een goede basis, besluit ik. Het geeft rust. Ik kan mijn wagen het beste laten staan, besef ik. Ik moet nu niet aan reizen  denken, en de enorme voorbereiding die het kost, met een woonwagen achter je aan. Zeker met zo’n zware juf als de mijne. Hoe meer ik me in er in verdiep, hoe meer ik besef dat het niet niks is, om met zo’n lomp gevaarte achter je aan op de weg te rijden. Ik besluit om het hele reisidee voorlopig te laten voor wat het is. Eerst zal ik helpen om deze plek, waar ik nu ben, mooier te maken, te laten bloeien.
Soms is het goed dat er een streep door je uitzicht wordt getrokken. Zo kom je tot andere gedachten, en word je ertoe gezet om te bedenken wat echt belangrijk is. Voor dit moment weet ik het. Laat het nieuwe jaar maar komen.

Ps: De rij coniferen heb ik in de twee jaar hierna stukje bij beetje verwijderd. De omringende planten en bomen zijn er een stuk van opgeknapt en het uitzicht is veel beter geworden. Ik moest er voor de boom in, om het zorgvuldig te doen. Klimmen en klauteren is voor mij een groot plezier, zeker als het een doel dient.

Geheim onder de vloer

We zijn een vloer aan het leggen, een echte kurkvloer. Al de hele dag ben ik langs de lijntjes aan het zagen, zo strak mogelijk, dat is de sport. Ik maak ze zo strak, dat plinten overbodig zijn. Weer twee centimeter vloeroppervlak erbij. Al is het dan een klikvloer, het klusje vraagt toch meer tijd dan ik dacht. We hebben net de zware kachel weer op zijn plek gezet als Dick met een idee komt. Ik zou iets onder de vloer kunnen leggen, voor degene die het er ooit weer uit sloopt. Daar loop ik wel warm voor. Het is altijd leuk om iets te vinden wat uit een andere tijd komt. We vragen ons af wat het dan moet zijn en kijken het kleine stapeltje kranten door. Er staat niet veel bijzonders in. Uiteindelijk besluit ik om een bladzijde uit het NRC en eentje uit de Volkskrant met artikelen over de orkaan Sandy en de overstromingen in New York. Er staat te lezen dat de stormen toe zullen nemen door het smelten van het Noordpoolijs. De koude luchtstroom, die op tien kilometer boven het land naar het zuiden voert, kronkelt nu langzaam en veel verder weg dan ooit en ontmoet daarbij steeds vaker en heftiger de warme lucht uit het zuiden. Misschien weet de sloper van mijn vloer tegen die tijd of de voorspellingen uitgekomen zijn.
Als we net weer aan het werk zijn schiet me nog iets te binnen, wat mooi is voor onder een vloer. Het is een gedicht, dat ik ooit schreef. Het is een reactie op een gebeurtenis een aantal jaar geleden. Ik kende het uit mijn hoofd en droeg het af en toe voor in mijn boot, tijdens rondvaarten, en een keer spontaan op een symposium over stadsplannen. Een gedicht om te kennen en te koesteren. Om voor te kunnen dragen als het moment er om vraagt. En nu verdwijnt het onder de vloer.

Wie zal het zijn die het in de toekomst onder ogen krijgt? En wat zal het lezen van deze woorden dan teweeg brengen? Misschien leest nooit iemand het. Wellicht vergaat het gedicht gewoon samen met de wagen in water of vuur, of rot het ergens weg op een plek waar nooit meer iemand komt. Dan blijft het een geheim. Straks is er geen mens die er nog aan denkt….