Struiken planten op Friese weiden

.

.

Het is zondagochtend. Als ik eruit ga om de luiken te openen, beland ik in een sprookje. De wereld is gehuld in sluiers van mist. Spontaan besluit ik om het project te filmen, waar ik mee bezig ben. Het graafwerk voor de struiken die er komen, in het stuk achter mijn huis. Het licht is nog bescheiden, en een grote groep wulpen zit onzichtbaar, maar toch dichtbij, in het veld. Ze fluiten naar elkaar. Ik pak mijn mobiel en praat terwijl ik de beelden vastleg. Maar mijn stem is nog hees en niet wakker. Het geeft niet, het past goed bij de mist. Ik wandel van mijn huis naar de plek erachter, daar aan de andere kant van de wilgenrij. Hier staan al honderd elsjes, en nu plant ik er vuilbessen en berberissen, ofwel zuurbessen. Vuilbessen voor de insecten, en zuurbessen voor de bloemen, de bessen en en beschermende stekels, die kleine vogels kunnen beschermen. Ik graaf heel wat af! Nu is de grond mooi droog, en het is prachtig weer om alles voor te bereiden. Dit is de film, van negen minuten. Je krijgt hierin een duidelijk beeld van de plek waar ik woon, en waar het zich afspeelt.

Met groet, Alowieke

.

Scheppen is heerlijk

Verder met planten

.

Liever luisteren? Zie onderaan de tekst.

.


Heerlijk hoe alle gedachten aan andere zaken verdwijnen, zodra ik weer met volle aandacht aan het werk ga. Werken aan het nieuwe bosje. Bosjes zijn bijzonder in dit weidelandschap, op de bodem van de Middelzee. Die moet eigenlijk kaal blijven, zeggen de Friezen, dat is historisch. Alleen bij de woonkernen mogen bomen staan. Wat ik doe is dus op het randje. Ik houd van werken op het randje. Zo kun je langzaam grenzen verleggen. Dus ik werk hier, op de grens, twee kilometer weg van de bewoonde wereld. Grenzenverleggers zijn altijd nodig. Want je weet maar nooit of de toekomst niet totaal anders wordt dan het verleden. Toch, ik blijf bescheiden, houd contact en ga niet te ver. Dat probeer ik. Maar ik kan het niet vaak vragen. Het is hier zo stil, negen maanden lang zie je hier alleen de mensen die er echt moeten zijn. Ze komen aan rijden over het grindpad. Ze rijden bijna altijd voorbij, want meestal moeten ze op de boerderij zijn. Om te weten of ik nog steeds binnen het acceptabele werk, check ik af en toe mijn buurman, de landschapshistoricus. Die is altijd met het weidegebied bezig. Maar dit keer hoef ik hem niks te vragen. Alles is duidelijk besproken met de boer. Het zijn struiken. Vuilbessen en zuurbessen. Het wordt een mooi dicht bosje, waarin vogels bescherming kunnen vinden. Winterkoninkjes kunnen onder de stekelige zuurbessen hun jongen grootbrengen. Het wordt een echte peuterspeelzaal, daar onder die takkenboel. Met veel insecten ook. Dat is hard nodig! Maar eerst moeten ze er komen. Dus dat wordt nog een hele hoop scheppen. Het hoeft niet snel, nee juist niet! Voor mij moet het een spel blijven. De spade gaat makkelijk de grond in. Het is niet te nat en niet te droog, precies goed. Na zoveel te hebben geplant op deze kleigrond weet ik inmiddels: Niet wachten met graven tot je de bomen krijgt. Dat is op zijn vroegst eind november pas. Dan is alles glibberig en zitten je laarzen zomaar vast in de drek. Wanneer de struiken ook zullen komen, nu ga ik eerst de weide afplaggen, gaten graven, compost aanbrengen (tot zover ik dat nog heb). Als de bomen dan komen, kunnen ze zo de grond in. Ik steek een grote pol gras weg. Er zit een nest vaalgele pissebedden onder. Zorgvuldig schep ik de hele familie naar een hoger gelegen plek en bedek ze weer. Straks is alles weer zeikensnat, dan waren ze verzopen. Nu heb ik ze gered. Het is secuur werk, de grond klaarmaken en tegelijkertijd aandacht schenken aan de bodemstructuur en de beestjes. De strook grond die ik al deels heb beplant, ligt aan de noordzijde van een dichte rij schietwilgen. Ik merk wat een verschil dat is, de bodem is onder de bomen een stuk korreliger dan in de taaie klei op de weidegrond. De helft van de strook heb ik vorig jaar ingeplant met elzen vooral. Nu wil ik de rest doen. Op dit stuk is het hele jaar niet gemaaid, en onder het lange gras zijn tal van muizengangen, die vervolgens weer bewoond worden door allerlei insecten. De muizen hebben de grond losgemaakt, zonde om dat allemaal weer plat te trappen. Dus ik maak eerst een pad, van plaggen. Een dijkje wordt het, en het steekt hoog boven de rest uit. Onderaan het dijkje is een wadi, een diepe kuil. Dat maakt het hoogteverschil nog veel groter. Echt een sensatie, in dit vlakke land, al zie je er straks niks meer van, als straks alles begroeid is. Toch is dit een mooi moment. De kunst van het voorbijgaande. Dit heb ik gemaakt, denk ik, en ik voel de voldoening, al komt hier haast niemand. Ik denk aan jongeren die niet weten wat ze willen doen. Ga lekker spelen, denk ik dan. Bomen planten, dijkjes maken. Of wat anders. Het is zo heerlijk! Het maakt je kop helemaal leeg. En dan het te zien groeien. Biodiversiteit op de Friese weide! Het verhaal gaat door.

Voor de luisterversie: Zoek iemand die goed kan voorlezen, want ik ben er deze week niet!

.

Het was er al voor ik er was

De droom van mij was de droom van mijn moeder en velen die haar voorgingen.

.

Tekening Alowieke 1991

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Alles begint met een droom. Er zijn rottige dromen en lieve dromen. Onvoorstelbare grote dromen en kleine voor de hand liggende dromen. De één droomt van meisjes, de ander van jongens. Nadat mijn moeder kort na elkaar drie zonen had gekregen, kwam er een paar jaar niemand meer bij. En toen ze op een dag een kinderboek kocht om uit voor te lezen, zal ze gedroomd hebben van een meisje. Ik zag haar wens terug in vorm van dit kleine pocketboek. Ik had het nog nooit gezien, voor ik het vond. En al die zestig jaar moet het daar gelegen hebben, in de oude blankhouten kast, daar op de onderste plank.
Ik kijk ernaar. Op de kaft zie je een klein grietje dat over een hek klimt. “Emmekes kleine bos” heet het. Een meisje met lang haar en een tuinbroek aan zie ik. Maar ook zie ik de droom van een groene aarde en bronnen die ongehinderd mogen stromen.
Wie kan mij vertellen wanneer een droom begint? Ik was niet de eerste. Droomde mijn moeder die droom al, voor ik geboren werd? Dan is mijn bos ook haar bos. Het meisje waar ze over las, ben ik, en zij liet mij geboren worden.

Ik lees over Emmeke. Ze laat kleine bomen groeien en plant ze naast een vijver. In de vijver is een bron die alsmaar door borrelt. Het hart van alles was er groeit. Ze sluit vriendschappen met de beestjes die er wonen. Ik kijk naar het meisje. Ze zit schrijlings op het hek en kijkt om, naar iets wat aan de andere kant gebeurt. Emmeke ken ik maar wat goed. De Emmeke in mij groeide uit tot een werker. Een vrouw met vuile handen, maar met een innerlijke bron die nooit opgehouden is te vloeien.

.

Tekening Alowieke 1991

En uiteindelijk is het daar, het kleine bos, vol beestjes. De droom die mijn moeder al gedroomd heeft, eens, toen ze dit boekje las. Ik droom het verhaal dat mijn moeder las en werk het uit op mijn manier. Het heeft een naam gekregen: “Het Verhalenpad.” Ergens in het uitgestrekte weidelandschap kun je het vinden. De kleine bomen worden al groter. Het paadje dat ertussen door loopt is maar smal. Het is een pad van nog maar drie jaar oud. Maar eigenlijk is het al veel ouder. Overal is het, opgegroeid en neergevallen, gekoesterd als droom en als ontkiemend zaad onder een bed van mos. Het groeit in handen van allen die beginnen te popelen. En al zijn er hekken en is er prikkeldraad, niets zal ze tegenhouden.
Ik kan mijn moeder niet meer vragen, wat ze dacht, toen ze dit boekje kocht. Maar in gedachten laat ik haar zien wat ik liet groeien. En met mijn nieuwe boek hoop ik nieuwe dromen te zaaien, die uit zullen groeien tot dikke wortelbaarden in de bodem. Maar ook in takken vol blad en bloesems, met vogels en insecten. Groeien zal het. En geduld ook, en respect. En besef, van de heilige traagheid der dingen.

.

.

.

De tekeningen komen uit mijn dagboek van 1991. In die tijd leefde ik geïsoleerd op een kamertje van 12 m2 met een gebroken been, die ik opliep bij een verkeersongeluk. Het duurde 2 jaar voor het genas, en in die tijd heb ik veel getekend en gedicht. Het zijn dromen en inspiraties die nu nog altijd de basis vormen van mijn leven. Ook in het grote schilderij dat ik de komende tijd ga maken, zal het terugkomen.

PS: Dit is de eerste pagina van mijn boek, “De heilige traagheid der dingen” dat volgend jaar uitkomt.

Ecologisch slootonderhoud

.

.

Ecologisch slootonderhoud

Het is een echte nazomer. Warme windstille dagen wisselen af met winderige wolkenluchten. Talloze spinnenwebben glinsteren in het ochtendlicht, en nevelen hangen over het vlakke land, na de regen van gisteren. Ik kijk uit over het land, ben net uit bed. Net als ik terug naar huis wil lopen, komt er een trekker langs, met een grote hark eraan. Dat is waar ook. De sloot wordt vandaag gehekkeld. Dat is vroeg. Vorig jaar was de grond zompig in november. Er kwamen dikke bandensporen in het veld. Dan moet het maar in augustus dacht de boer, dan is de grond nog hard. Ik zie hoe de machine vlak langs de ingang van het Verhalenpad indraait. Hij rijdt over de uitstekende takken van de grauwe wilg heen. De struik is flink gegroeid, vooral in de breedte. Ik moet hem snoeien of vlechten. De jongen achter het stuur laat de grote gele hark in de sloot zakken. Hij schept en kwakt een dikke laag zwarte bagger op de kant. Het is het uiterste hoekje van de sloot, dat verschillende jaren is overgeslagen. Vooral daar zitten veel kikkers. Ik maak er altijd een composthoop vlak langs het water. Daar kunnen behalve kikkers ook padden onder kruipen. Allebei eten ze slakken, óók naaktslakken.

Als de machine wegrijdt, is de sloot aan één kant gemaaid. De andere kant komt een andere keer aan de beurt. Dat heet ecologisch hekkelen: niet alles tegelijk, zodat de natuur ook een kans krijgt. Zodra de machine vertrokken is, loop ik er heen zonder eerst wat anders aan te doen of handschoenen te pakken. Een onderbroek en T-shirt, dat is vandaag de beste werkkleding. De oever ligt vol uitgetrokken lisdoddes, krabbescheer en riet. Lisdoddes kun je eten. Een laag zwarte drab ligt er alvast als een sausje overheen. Meteen al rennen er spinnetjes rond. Het zijn er heel veel. De gladde modderlaag lijkt wel een renbaan. Die moeten maar even ergens onderduiken vind ik. Want ik ga hier reddingswerk verrichten. Met grote armen vol drab en lisdodde loop ik heen en weer. De dikke vlezige stengels hebben zware modderige kluiten. Ik sjouw met de plantenresten naar de bomen. De zwarte slierten slingeren langs mijn benen. Het voelt lekker koel. Ik gooi mijn armen leeg rondom de buitenrand, onder de wilg, de els, de lijsterbes. Ik loop terug, mijn blote voeten in de modder. Opnieuw klauw ik met mijn vingers in de zwarte smurrie. Er spartelt iets in de modder. Ik raap het op. Het is een visje. Ik gooi hem met een klein boogje terug in de sloot en zie hem energiek wegzwemmen. Ergens anders duikt een duizendpoot weg. Ik zie hem net te laat en in mijn beweging raakt hij bedolven onder de derrie. Gauw speur ik hem op. Er is niet meer van hem overgebleven dan een stil zwart sliertje. Het rijtje poten is onzichtbaar en hij kan ze niet meer bewegen. Ik hou van duizendpoten. Ik vind het mooi, hoe ze overal holletjes vinden en zelfs tot diep in grond kruipen, via wormengangen. Ik was de duizendpoot met druppels, die ik van mijn vinger laat vallen. Een paar druppels is genoeg. Zodra hij weer kan lopen, krijgt hij een plek hoog op de bult, bij de berken. Daar is de klei luchtig en bros. Daar kan hij niet verzuipen. Als een haas duikt hij een kier in.

Gelijk daarna vind ik een kikker. Versuft zit hij op mijn hand. Hij lijkt sprekend op een kluitje modder. Ik haal hem een keer door het schone slootwater en zie dat hij zijn bolle ogen wagenwijd open heeft. Zijn keel klopt. Hij leeft dus. Hij mist ook twee poten. De linker voorpoot en de rechter achterpoot. Het is al genezen. Dit is al eerder gebeurd. Misschien is hij eens ontsnapt aan een kraai. Ik besluit hem ergens anders terug te zetten. Ja,in de Swette. daar is meer begroeiing. Daar kan een geamputeerd kikkertje beter schuilen dan hier in de sloot, en in de winter kan hij diep naar de bodem duiken om te slapen. Daarna raap ik nog een aantal waterslakken. Ik gooi ze terug samen met de bos waterplanten, waar ze in zitten. Ik kijk ernaar, mijn armen hangen werkeloos naast mijn modderige lijf. Het is genoeg voor vandaag. Tijd voor een duik in de Swette, de kikker achterna. Dat wordt nog flink boenen.

.

.

.

We zijn niet alleen op de wereld

Een overpeinzing over de rol van muizen.

.

Ja het is zo. We denken in eerste plaats aan onszelf. Daar is niks mis mee. Maar af en toe is een bredere blik zeer verrijkend om opnieuw je plaats in het geheel te zien. Kleine beestjes kunnen daarin heel verhelderend zijn, juist als je een hekel aan ze hebt.

Nu heb ik een grote hekel aan muizen in huis. Als ze er zijn doe ik er alles aan om ze kwijt te raken, behalve gif strooien en klemmen zetten. Maar er waren dit jaar weiniģ muizen. Eerst was ik daar blij mee. Ik hoefde geen strijd te leveren in huis. Er was geen eentje die me lastig viel. Maar langzaam aan zag ik de gevolgen. Een wereld zonder muizen loopt in het honderd. Voor anderen werd het leven zwaar. Voor de roofdieren in de eerste plaats. Een veel te groot contrast was het. Omdat het vorig jaar een droog jaar was, was het een echt muizenjaar. De hele dag zag je kraaien, eksters en valken in het veld, die zich te goed deden aan de vele veldmuisjes. Ook marters vermenigvuldigden zich door al die overvloed. Na al die regen de hele winter en dan ook nog de hele lente, waren er nauwelijks muizen meer. Maar nog wel steeds veel roofdieren, omdat vorig jaar zo overvloedig was. Die hebben zich dus maar gestort op eieren en jonge vogels. Het werd daardoor een zeer slecht jaar voor de weidevogels. Maar ook voor anderen. Ikzelf mis de winterkoninkjes. Er waren er meerdere, nu is er geen een meer. Het is heel stil geworden zonder hun triomfantelijke gefluit. Ik verdenk de kat van de buren. Die zie ik hier telkens sluipen, ’s ochtends bij schemering. Dat beest heeft nu ook weinig muizen meer om op te jagen. En jagen wil hij toch. Nee, ik houd niet van muizen in huis. Maar toch hoop ik dat er volgend jaar weer meer zijn. En dat er weer winterkoninkjes komen en heel veel gruttokuikens. En dus neem ik de strijd met die paar irritante knagers in huis ook maar voor lief. We zijn niet alleen op de wereld, zei mijn lief toen hij nog leefde. Hij was een wijs man. En bij deze staan zijn woorden zwart op wit.

.

PS Ik doe mijn best om volgende week weer te starten met de luisterversies

Ongezien je gang gaan

.

Mijn fiets op een duin op Schiermonnikoog bij zonsopgang

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Thuiskomen van weggeweest. Dat is wennen. Wat ik het meest mis, zijn de geluiden. Wakker worden op Schiermonnikoog, bij zonsopgang, op dezelfde kampeerboerderij waar ik altijd kom. Het gekwetter van al die scholeksters, op de weilanden rondom. Het gaat almaar door en ik vind het heerlijk. Net als het gekakel van de kippen. Om half zeven zit ik al aan mijn laptop te schrijven, terwijl één voor één de buren op staan. Mijn oren staan gespitst. Terwijl ik werk hoor ik alles. Kinderen op het erf. Gerrit, een gast die onder mij een kamer huur, praat honderduit met de tuinman. De stierkalveren loeien onderaan de muur van het woonhuis. Er is een hek gemaakt rond de voordeur, zodat ze in het halletje kunnen schuilen. De voordeur wordt nooit gebruikt, het leent zich er goed voor. Alles laat van zich horen. Verrukkelijk, al dat leven.

En nu ben ik weer thuis. Het lijkt hier nog stiller te zijn als anders. Er zijn massa’s mensen die er fors voor willen betalen, die stilte. Maar voor mij is het vreemd. Waar zijn al die scholeksters gebleven? En de eenden? Ze houden zich hier verscholen in de sloten. De weilanden zijn leeg, alleen in de verte, waar mest geïnjecteerd is, zie ik ze. Ze eten wormen, die massaal de grond ontvluchten. Een feestmaal voor meeuwen en spreeuwen. Maar ik hoor ze niet, het is te ver.

Zou ik niet altijd op het Eiland willen zijn? Op het strand waar ik al twintig jaar kom, zijn duinen ontstaan, met riet erop. Het is een heel ander gezicht, niet meer de zandvlakte, maar nieuw land. Er zijn mussen, winterkoninkjes en ik hoor een rietgors zingen. Er groeien zelfs al elsjes, waar voorheen de golven over het zand sloegen. Alles leeft en beweegt. Ik luister naar de geluiden, die steeds anders zijn. Tegelijkertijd is het allemaal zo vanzelfsprekend, hoe het gaat. Hoort het niet zo te zijn?

Hier is alles uitgestrekt en stil. De Swette stroomt rechttoe rechtaan en zo zijn ook de wegen. Nu ik weer terug ben ga ik als eerste alle hoeken af die ik onderhoud. Een bij vliegt rond van bloem naar bloem. Die is hier doordat ik er ben. Zonder mij waren deze bloemen er niet. En ook het Verhalenpad was er niet zonder mij. De bomen en struiken groeien hard, door al die regen. Ook de notenbomen, de berken en de hazelaars. In de brede sloot vliegt nog steeds hetzelfde visdiefje heen en weer, zoekend naar een prooi. Kennelijk is het daar de moeite waard. Vissers bevestigen dat rond deze plek veel vis zit. Zou het water hier zo schoon zijn? Dat heb ik me al vaker afgevraagd. Ik zoek het uit en kom terecht bij een kaart van “Atlas Leefomgeving”. We zitten hier inderdaad op een plek waar geen rondjes staan. Dat is een goed teken. Ze hebben niet alleen een kaart van de waterkwaliteit, maar ook die van de lucht, van het geluid en hoeveel sterren je er in de nacht kan zien. Eén keer per honderd jaar kunnen we een overstroming verwachten en de huizenprijs is hier gemiddeld drie ton. Eén ding bevreemd me. Ze zeggen dat er geen enkele boom staat bij onze boerderij. “Schaduwrijke bomen binnen 100 meter: 0%”. Dat is maf. Alles wat er is geplant door de boer, grote bomen al, is dus niet geregistreerd. Net zo min staat genoteerd wat ik hier doe. Ze zien me kennelijk niet.

Regelmatig hoor je: “Ik voel me niet gezien.”. Maar soms kan je juist beter niet gezien worden. Dan kan je lekker rustig je gang gaan. Ik heb hier bijvoorbeeld een kas neergezet, van 10 M2. Op Schiermonnikoog ben je drie jaar bezig om een hokje van dat formaat op het strand te mogen bouwen. Vele partijen gaan erover. Die moet je allemaal af, voor een vergunning. De vogels mogen vliegen waar ze willen, maar voor de mensen is dit geen gebied dat zich vrij mag ontwikkelen. Het natuurgebied staat onder strenge controle. Hier niet. Geen haan die ernaar kraait als ik een hutje bouw of bomen plant. Onze bomen staan doodleuk niet op de kaart. Nou mooi, dan plant ik er nog een paar. Bomen en bloemen voor meer leven op het platteland. De mooiste plekken zijn op die manier ontstaan. Ik kijk naar die ene bij die zich tussen de regendruppels door waagt, en naar het visdiefje boven de sloot. Ik tuur naar de houtduif in de verte en een buurvrouw die tussen de bomen verdwijnt. Stap voor stap, met haar stijve benen. Stil, dat wel. Maar terwijl ik werk, groeit het leven. En als ik toch eens wat anders wil, dan ga ik gewoon weer even naar Schier.

.

Hoop aan de horizon.

.

KLIK hier voor de luisterversie.

.

Kijk hier naar je eigen plek op de Atlas Leefomgeving:

https://www.atlasleefomgeving.nl/

Scheppen

.

Het lage land van het Noorden (eigen werk)

.

Kan een schilderij op tegen de ongelooflijke magie van de werkelijkheid? Ik schilder weer, drie dagen op de kunstacademie.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog steeds vind ik het een enorme luxe. Dagen die zich uitstrekken en ik mag kiezen. In de winter slaap ik uit en in de zomer zijn de dagen lang. Het land lokt mijn groene vingers, een tijdloos gebeuren. Er groeien bomen en struiken, en hun silhouetten steken af tegen de blauwe lucht van deze warme zomerdag. Het blad beweegt in de wind. Overige akkers hebben hun tweede snede gehad, het enige wat daar beweegt zijn de laatste trekkers die wegrijden. Een zwerm spreeuwen vliegt op en strijkt neer, steeds opnieuw. Net als ik. Opvliegen en neerstrijken.
Als ik in de vroegte over het Verhalenpad loop, verwonder ik me over de prachtige hoekjes die er ontstaan. De witte berkenbast van de koningsboom, de grootste, precies in het midden van de bult. De paarse kattestaart erachter. De kaardebollen zijn nog in knop. Verbaasd kijk ik naar de contouren van de toppen die afsteken tegen de violetblauwe hemel. Het puntige blad dat naar twee kanten uitsteekt, met drie bloemen op steeltjes in het midden. Het is als een Venetiaanse gondel met drie dansende draakjes erin.
En dit heb ik allemaal geplant, gezaaid en uitgezet. Het groeit en groeit en het wordt mooier dan het mooiste schilderij. Het verandert met de dag en zonder dat ik erbij ben. Steeds meer komt erbij, en soms verdwijnt er iets. Ik krijg er nooit genoeg van. Waarom zou je schilderen als de werkelijkheid onovertreffelijk is? En je dit ook nog eens zelf kan scheppen? Waarom dan niet veel meer scheppen met vuile handen?

Toch ben ik weer gaan schilderen. Opnieuw ben ik in de kunstacademie in Leeuwarden. Drie lange dagen. Ik was vergeten hoe het is om de hele dag les te krijgen, en om steeds te moeten schakelen in een ritme dat een ander aangeeft. Maar ik doe het. Ik schilder. Het begint moeizaam, dat ken ik goed. Zo is het altijd met mijn beste werk. Het is de kunst om niet af te haken, maar concentratie op te bouwen. Als de docent me er voor de derde keer uithaalt om iets te vertellen, zeg ik dat ik daar moeite mee heb. De anderen zijn al veel verder, ik kom er maar niet in. Ik krijg toestemming om door te schilderen, terwijl ik luister. Dan is het weer een hele poos doodstil. Alleen het ademen van een slapende hond doorbreekt de stilte, als het bewegen van de zee. De concentratie stijgt. Het werk wordt goed! Langzaam kom ik in de ban, een gepassioneerde gloed waarin de laatste kwaststreken op het paneel belanden.
Precies zo zou ik hoekjes uit het Verhalenpad kunnen schilderen. Maar tegelijkertijd vraag ik me af waarom. De werkelijkheid is immers nog veel magischer. Doe ik er niet beter aan om al mijn tijd te stoppen in planten en scheppen van deze levende wereld? Nee, toch niet. Want het schilderen brengt het Verhalenpad verder dan hier. Het brengt me bij mensen, het maakt dat ik de beelden kan delen die ik zie. Al schilderend vertel ik wat woorden niet kunnen. Ik kijk naar de anderen, en zo groeit gezamenlijkheid. Kleine ergernissen verschrompelen bij de warmte van dit gebeuren. Soms heeft de één een dip, dan de ander. Ik kijk bij de anderen en ik geniet ervan om te praten over wat we doen. Het zweten en de inspanning, het enthousiasme als iets lukt. Een levend schilderij is niet te evenaren. Maar het scheppingsproces van eigen handen heeft ook een eigen magie. En dan, naast mij, de ander, net zo hard bezig met haar eigen werk als ik met het mijne. Ik weet dat ik terug kom, de kunstacademie in Leeuwarden. Al is het een heel eind fietsen.

.

.

Doorgaan in een omgekeerde wereld

Samenstelling van symbolen: Aarde, het groeien, de hemel. Je vindt dit bovenin de nok van mijn huis. In zijn geheel straalt het blijmoedige volharding uit.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik niks hoef, deze lente. De grond is vochtig en de bomen doen het goed. Het Verhalenpad zit vol met dieren. Als ik aan kom lopen vliegen er bijna altijd twee houtduiven weg. Ze scharrelen bij de drogende grashalmen op de grond. Ik maaide het met de zeis. In dikke bossen liggen ze daar, nog altijd. Langzaam slinken ze, door wind, regen en zon en het zaad dat eraan zat verdwijnt in de vogelmagen. Later op de dag, om twaalf uur, komen de mussen. Die komen vooral voor hun zandbad, in de losse grond onder de struiken. Ze maken kuiltjes in de grond, met hun vleugels. Van mij mogen ze. Ondertussen graaft de mol tussen de lila bladramanas en de wilgenroosjes haar gangen. De bloemen bloeien nog net zo hard, al worden de blaadjes wel wat geel van al dat gegraaf. Het wilgenroosje heeft er daarentegen geen last van. Het kan best dat de mol daar dieper onderdoor duikt, want hij kan wel tot twee meter komen, in hogere gebieden dan hier. Het is ook een goed teken, zo’n mol. Er zitten dus veel wormen in de grond. Een mol in je tuin is dus eigenlijk een compliment. Veel “rommel” in je tuin zorgt daarvoor. Maaisel niet opruimen maar laten liggen. Het snoeihout niet verbranden, maar teruggeven aan de bodem. Ook andere dieren komen daar op af. Net als iedereen heb ik ook naaktslakken. Die lust de mol ook. Ik laat hem dus lekker zijn gang gaan. Ik mag me gelukkig prijzen, met al die medewerkers. En er zijn meer eters. In de berke- en wilgebomen zitten rupsjes. Die eten alle blaadjes op. Het geeft niet, er komen vanzelf weer nieuwe. Maar soms komt er een familie pimpelmezen, om ze op te eten. De mol maakt de grond los, de mezen eten de rupsen. Er gebeurt van alles, ook buiten mijn aanwezigheid. Een gemeenschap, en alles werkt samen.

Dus ik kan het me permitteren om een tijdje lui te zijn en lig bij m’n vriend op de bank. Wat een luxe is dat. Ik denk aan al die mensen met overvolle agenda’s. Of landen waar het oorlog is en waar je nooit rustig een middagdutje kan doen. Ik denk aan defensie, waar nu meer geld naartoe moet. De energieslurpende verdediging van ons continent, Europa, ten koste van de aarde. Wat hield ons bezig? Het klimaat. Verontreiniging van water en bodem. Er moest meer natuur komen. Dat alles is nu niet belangrijk meer. “We moeten voor onszelf gaan zorgen” zeggen ze. Ik dacht dat dat over voedsel ging, en kringlooplandbouw. Streekvoeding voor levensonderhoud. Maar nee, voor jezelf zorgen betekent in eerste plaats dat je jezelf kan verdedigen. Dat er wapens zijn en een leger. Terwijl oorlog juist overal ter wereld voor voedselproblemen zorgt en dus het tegenovergestelde doet. Mensen kunnen niet meer voor zichzelf zorgen. Waar oorlog is, wordt het land verwoest. Mensen vluchten er weg of hebben voedselhulp nodig. Je kunt beter investeren in vrede dan in wapens.

Mijn vriend leest voor. “Mensen in vinexwijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben”. Het is een artikel uit Vrij Nederland. Ook vinexmensen vinden het leger en grensbewaking het belangrijkst. Dan zullen ze zich kunnen vinden in de huidige politiek. Europa voelt zich vooral verenigd door het hebben van een gezamenlijke vijand. Dus niet door elkaar, door het water dat door onze landen stroomt naar de zee, niet door samen te zorgen voor vruchtbaar land en leven. Gelukkig zijn er nog anderen. Mensen die doorgaan met zaaien, planten en vredestichten. En vertrouwen hebben en zaden delen. Al gaat het met vallen en opstaan. Er is nog veel te doen. Maar vergeet niet om lui te zijn.

.

.

Meidoornbloesem

.

.

De lente begint teder en sluierwolken verzachten het licht. Het land is nog vochtig en planten en bomen ontluiken. De eerste knoppen barsten open, terwijl de laatste vorstige nachten voorbijgaan. Sommigen zijn aarzelend, anderen enthousiast. Steeds verder openen ze zich, nu duidelijk is dat de koude winden voorbij zijn. De vele regen is geabsorbeerd door de bodem of weggespoeld in de stroom. Uitbundig groen en bloesems stralen alsof ze de bruid zijn. Weiden tot aan de horizon wuiven in de wind. En dan komt de felle zon terug, dagenlang. Een harde droge wind waait. De kleibodem begint weer te barsten, de velden zijn gemaaid. De prille lente is weer voorbij. Maar niet zonder dat ik dit gedicht heb geschreven.

De koude wind is eindelijk klaar
klaar issie met loeien
Lieve mens verbaas je maar 
hoe alles weer gaat groeien
hoe de tedere tovenaar
de meidoorns weer doet bloeien
langs de kant de ooievaar
terwijl de twee gelieven roeien 
Met bloemen in hun haar

(Deze week bij uitzondering geen geluidsopname)

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.