Wij zitten te schemeren

De magie van het duister. Wie weet het nog dat oma zei: “Ik zit te schemeren?”

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het bijeenzijn in een groep, op een heel andere plek, maakt duidelijk welke verschillen we nog hebben te overbruggen. Of het nu een vrouwengroep is, of een mannengroep, of dat het gemengd is, we hebben allemaal onze eigen gewoontes en gedachten. In een groep op een andere plek pas ik me aan, en soms is dat een welkome afwisseling. Er is niemand die leeft zoals ik, hoewel mijn levensstijl bij sommigen sympathie vindt. Hoe dan ook, deze plek straalt in vele opzichten het tegenovergestelde uit van mijn dagelijks leven. We zijn in een boerderij vol luxe. Er zijn vier badkamers en een sauna. Er is een grote L- vormige kamer met een lange eettafel. In de andere hoek is een enorm plat scherm waarop je films kan kijken. Er is een gigantische glazen schuifdeur, die een hele wand beslaat. Ervoor hangen steenrode gordijnen, die net de grond niet raken. Voor even geniet ik, van die luxe, voor even.

Als vrouw van de eenvoud houd ik het gewoonlijk graag sober. Dat doet iets met al het leven om je heen. Sommige dingen zie je, andere dingen niet. Zo zat er op een dag een man bij mij in de kamer. Het zal een klant zijn geweest voor een rondvaart, die wat langer bleef hangen. We spraken over koetjes en kalfjes. Toen staarde hij opeens naar buiten, waar achter het raam de oude kastanje staat. “Er woont een deva in die boom” zei hij toen opeens. “Die vind je soms bij mensen die eenvoudig leven. Het is een goed teken.” Hij zei het achteloos, in de stilte van een gesprek, dat heel ergens anders over ging. Hij staarde naar buiten, schudde even zijn hoofd en ging verder met het voorgaande gesprek.
De oude kastanje aan de Oudegracht, zijn stam was vol scheuren en holtes, en klimop slingerde zich er overheen. Daar ergens tussen, sliep de winterkoning. Vaak staarde ik naar die wereld boven mijn hoofd, de dieren die er woonden, het licht dat door de bladeren scheen.

Nu woon ik in mijn kleine zelfgebouwde wooncocon in het Friese weidegebied. In de avond beweeg ik me tussen de vertrouwde wilgenbomen door, die mij tegen de harde wind beschermen. Dan sluit ik de luiken. Het liefst vóór zonsondergang. De schemering moet stil zijn, dat is het moment dat de dieren een plek zoeken voor de nacht, en langzaam tot rust komen. Ik wil ze niet opschrikken in dat moment, dat ze stilte en bescherming zoeken. Als mijn luiken dicht zijn, is het buiten heel donker. Ik ben trots op dat donker. Ik help het in stand houden. Hier kan dat. Hier wel! Het dichtstbijzijnde licht komt van de snelweg, de bocht in de Haak, waar lampen staan. Daar heb ik geen invloed op.

Binnen brandt er een klein lampje, voor het slapen gaan. Ik ga al vroeg naar bed. De winternachten zijn lang en ik pas mijn ritme aan, met de verandering van het licht. Als het donker is, komt de rust. Maar dit keer ben ik niet thuis. Ik ben ergens anders, met dertien vrouwe
De schemering valt. Buiten kleurt de lucht van helderblauw naar groenblauw en roze. Hier zijn geen lampen die de horizon benadrukken, als witte stippen in het duister. De lucht is ongestoord zichzelf. De lampen staan al aan en de kamer baadt in het licht. Het raam is een donker gat. Bij de tafel staan twee vrouwen te praten. Ik vang de laatste zinnen op. “Ja, ik houd ook altijd de gordijnen open. Dan voel ik me veel dichter bij de natuur.” Ik schrik op. Hier denk ik vaak over na. Ik doe een paar stappen in hun richting. “Hoezo dichter bij de natuur?” merk ik op en ik probeer mijn stem niet al te scherp te laten klinken. “Ik maak mijn huis graag zo donker mogelijk. Zo kunnen de dieren buiten in alle rust slapen en schrikken niet op bij elke beweging die ik maak. Ik denk aan de insecten, die niet anders kunnen dan zich doodvliegen bij zo’n zee aan licht. Het donker is nodig. De natuur heeft het nodig en er is al veel te veel licht, overal.” De vrouwen kijken me aan met rechte ruggen. In hun blik iets van verbazing. Maar er is niets in hun houding waaruit blijkt dat ze in verwarring zijn gebracht. Ik haal mijn schouders op en ga aan tafel zitten. Ik denk aan thuis. Aan mijn kleine donkere stolp, zo anders als dit. Hoe heerlijk is het om stil naar de geluiden te luisteren, die van buiten komen, uit het duister. De schreeuw van een kerkuil, vlak boven mijn dak, het roepen van kieviten in de nacht. En soms, als ik laat ben met het sluiten van de luiken, kijk ik naar de schemering vanuit mijn warme kamer. Ik kijk naar de eerste sterren. Ik wacht tot de dieren tot rust zijn gekomen. Pas dan doe ik mijn laatste ding. Met een klik duw ik de luiken dicht. Lichtblauw met een paars randje. Dan ga ik naar binnen en maak me klaar voor de nacht.

.

In de grote kamer staan alle lichten aan. Ik sta weer op van mijn stoel en doe ze allemaal uit, één voor één. “Kijk zo kan het wel” zeg ik tegen de vrouwen. “Vroeger noemden ze dat schemeren.” Aan tafel zitten nog drie vrouwen. Een levendig mens met grijs haar roept vol herkenning: “Ja, dat weet ik nog van mijn grootmoeder, zij deed dat ook!” Naast haar zit een jonge Vlaamse te handwerken. Ze kijkt me nieuwsgierig glimlachend aan. “Goh, daar heb ik nog nooit van gehoord, ” zegt ze. “Schemeren! Dat ga ik onthouden.” Buiten wordt het langzaam donker en we bewonderen de kleuren in de lucht die steeds veranderen, het silhouet van die ene boom die afsteekt tegen de wolkenloze hemel. De glinstering van het water in de vaart, nog net te zien als een smalle kristallen draad. De twee vrouwen door wie dit in gang kwam doen het licht niet meer aan. Ze weten: Ook dit hoort erbij, net zo goed als een bezoek aan de sauna of een half uur yoga in de ochtend. Er komen steeds meer mensen binnen. “Wat zitten jullie hier in het donker!” klinkt het verbaasd. De handwerksters kijken op. “Ja, we zijn aan het schemeren,” zegt de jonge vrouw enthousiast. Het ontgaat de binnenkomers. Meteen gaan alle lichten weer aan en het is een drukte van belang. Maar het geeft niet, het was toch al zo goed als donker. Ik sluit de gordijnen, denkend aan de dieren buiten. De harde wind doet de grote lappen stof een beetje bewegen. Tocht, door de kieren die je onwillekeurig hebt, ook bij dubbele ramen. Het wordt een koude nacht.

Gelukkig zijn er meer mensen met hart voor het donker, vooral op het platteland. Ik heb veel sympathie voor het werk van Nynke Rixt Jukema, zij is architect en geboren in een van de donkerste plekjes van Nederland. De betekenis van de nacht boeit haar mateloos, en ze ziet hoe belangrijk het is voor ons en voor de flora en fauna. Zij zet zich ervoor in, op het Friese platteland. Verscheidene plaatsen zijn door haar initiatief in het donker gezet. Ook is hier het eerste station in Nederland, waar ’s nachts de lichten uit gaan, Mantgum. Het was niet makkelijk om dit te bereiken. Hoewel alle omwonenden het er volmondig mee eens waren, zijn er veel barrières om gewoon alleen maar het licht uit te krijgen. Maar het is gelukt. Er zijn steeds meer mensen die zien hoe belangrijk het is. Maar ik denk dat vooral de stedelingen, niet anders gewend dan bakken vol licht, het helemaal opnieuw moeten leren. De gordijnen die ik sloot zijn een kwartier later alweer helemaal opengeschoven en alle lampen staan aan. Maar ik heb hoop.

Het duister, de zachte mantel van de nacht die al het leven omhult. Het ritme van licht en donker. Ons leven op deze planeet, waarvan je maar zo weinig weet. Beleef de nacht, wees klein in het grote donker. Doof het licht en zie meer. Wees één met de nacht en weet: Het meeste gebeurt waar je niet bij bent. Daar, vlakbij soms, in het verstilde duister. Hoe donkerder de nacht, hoe warmer het licht dat gloeit in mijn hart, het zachte licht dat ik uitdraag.

.

.

Vernieuwen zolang het nog kan (Regenerate while you can)

.

.

Het reageren op weersomstandigheden in de tuin doet denken aan de weersomstandigheden in de wereld. De urgentie die vraagt om vernieuwing. Als je snel reageert kun je nog kiezen. Als je te laat bent niet meer. En dan zit je met allemaal dode dingen waar je niks meer mee kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath

.

Het heeft veel geregend, al lijkt het al weer een hele poos geleden. De overvloedige regenval in de vroege lente heeft het groen tot grote hoogtes gebracht. Fluitekruid, brandnetel, wilgenroosje, ze zijn groter gegroeid dan ik. Het meest overheersend is het kleefkruid, dat in de hoge stengels klimt, en in de kromme, gescheurde appelboom. Op sommige plekken ligt het als een dik tapijt op de grond. Ook de bomen zijn flink gegroeid. De wilgen, de hazelaars, de meidoorn. Maar als ik langs het verhalenpad loop, zie ik roest. Roest is een soort van schimmel met onregelmatige rode verkleuringen. De blaadjes verdorren en vallen af. Ook langs het Swettepaad zie ik het, onderaan de stengels en in het gras. Na de natte tijd nu ineens die droogte, dat doet wat. Bovenin zitten de stengels dicht en hoog op elkaar, maar onder de grond is het concurreren om het laatste vocht. Dat geeft stress. Daar moet je snel de helpende hand bieden, zolang het nog kan.
Ik aarzel geen moment, maar begin meteen te knippen. De aangetaste wilgenroosjes weg en ook de zielige takken van de appelboom en de meidoorn. Gezonde planten als fluitekruid en kleefkruid haksel ik. Ik leg het als mulch onder de geknipte exemplaren. Ook de lange brandnetels komen aan de beurt. Voorzichtig, want het prikt. Nu is er nog tijd, om dit te doen. Straks is alles dor en droog, en vol rode vlekken. Dan is het leven eruit en vliegt de koolstof als CO2 de lucht in. Nu kunnen we wat er is nog gebruiken en opslaan in de bodem. Er is nog tijd voor groei. Het is nog steeds lente. Hakselen en mulchen.

Het moet nu gebeuren. Die urgentie is op alle gebieden actueel. We leven in een tijd van overvloed, alles zat mee, een halve eeuw lang. Maar nu… We weten dat de bronnen opdrogen, waar we zo overvloedig uit putten en de balans is verstoord. Er moet geknipt worden, keuzes gemaakt. Keuzes maken, dat levert wat op. Wat je niet meer hebt of doet, daar hou je aan over. Je houdt geld over, energie en tijd en ruimte. Wie zegt hoelang we die luxe nog hebben om te kiezen en hoelang houden we er nog iets aan over? Als je te lang wacht zit je straks met allemaal dingen waar je niks meer mee kan.

Ik knip de munt eraf. Alles. Als ik het nu niet kortknip heb ik er straks niks meer aan. Het wordt toch een aardige bos, meer dan ik dacht. Met mijn armen vol van het geurige kruid, loop ik naar de boerderij. Kijken of ik boer Jochum zie, dan krijgt hij de helft. Opeens hoor ik de stem van Rein. “Hee, ben je al aan het oogsten?” Ik kijk om. “Ik heb het geknipt omdat er roest in kwam. Ik zie het op meer plekken beginnen. Nu is het nog mooi groen. Straks is het te laat.” Rein bromt iets onverstaanbaars. Hij is het er niet mee eens. Hij heeft het hartstikke druk en wil helemaal niet horen dat er ook nog werk in de tuin is.
Even later komt Sjoukje langslopen, een bekend gezicht op de Swetteblom. Ik loop net met de heggenschaar de boomgaard uit. “Hee, ben je lekker aan het tuinieren?” vraagt ze opgewekt. Ik vertel dat ik elke dag hard aan het werk ben. Blij geeft ze antwoord. “Ja wat is alles gegroeid hè! We kwamen terug van vakantie en wisten niet wat we zagen!” Ik knik en vertel wat ik net heb ontdekt. De rode schimmel. Dat na het vele nat nu een tekort ontstaat, door de lange droogte. En voorlopig is er geen regen in zicht. Ik vertel dat ik die stress vóór wil zijn. Knippen, mulchen, nu. Ze kijkt me met open mond aan. “Oh! Als dat hier is, dan is dat bij mij ook!” Ik knik. “Dat denk ik wel. Het begint.” Ik ga verder met wat ik deed. Met mijn bruine vest verdwijn ik helemaal in de bosjes. Nu ziet niemand me meer. Ik ben lekker onzichtbaar. Even later hoor ik een auto voorbij gaan. Het is Sjoukje. Ze gaat dus toch maar naar huis. De tuin roept.

Je kan het voor jezelf zo druk maken als je maar wilt. Maar wie het nodige tot zich door laat dringen en omkeert, voor die mensen is mijn glimlach van herkenning. Laten we hopen dat het aanstekelijk is.

.

NEDERLANDS

ENGELS

Reacting to weather conditions in the garden is reminiscent of weather conditions in the world. The urgency that calls for innovation. If you react quickly you can still choose. If you are late there is no choise anymore. And then you’re left with all those worthless dead things. ACT now.

Voor je kwam, was het anders (Before you came. . .)

.

.

Ze weten niet hoe het was. Hoe het was, voor ze kwamen, de mensen. Drie grote tenten staan er, op het meest geliefde veldje van de hele streek. Het veld is maar klein maar het is een wild heiligdom, met de oude wilg aan het water. Het is geliefd, bij mensen en dieren. Het is omringd door bomen, maar je kunt tussen de stammen door kijken naar wat erachter ligt. Het ligt iets hoger ten opzichte van de weilanden. Als deze plek weer zee werd, dan was het mogelijk een eilandje. Zo heet het ook, “De Pôlle” is eiland in het Fries. Dorpelingen komen er graag even zwemmen. Heel even, er in en er uit. Ook sommige kampeerders doen het zo. Kleine tentjes, stil genieten. Die respectvolle bezoekjes vol stille bewondering, daar geniet ik van, evenveel als van de torenvalk. Die had zijn nest in de hoge populieren, aan de andere kant van het grote veld. Ik hoorde de jongen schreeuwen, heel hard. Kikikikikiki! Prachtig. Ze hebben heel wat muizen opgegeten en ze jaagden de kraaien weg.

Even bijzonder zijn de kramsvogels. Tot een week geleden waren ze er nog steeds. Je ziet ze niet meteen, maar je hoort ze. En als je dan opkijkt, vliegen ze op als een zwerm en zoeken hun toevlucht in dezelfde rij populieren als de torenvalk. Het is een stille hoek, waar niemand komt. In de vroege ochtendstond kijk ik lang uit het raam. Ik wacht met naar buiten gaan, want alles is vol leven, in de lente. De hazen lopen vlak langs mijn raam naar de Pôlle en verdwijnen onder de grote omgevallen wilg, met zijn gescheurde stam. Uit die liggende stam schiet een heel wilgenbos omhoog. Er fluiten vinken, karekieten en steeds weer hoor je het winterkoninkje. Er zitten houtduiven en andere vogels die het landschap even rustig willen bekijken zonder opgejaagd te worden.

En nu staan er die drie grote tenten. Het veld is helemaal vol en het lange gras vol fluitekruid en paarse dovenetel is plat. Verderop, op de weide, zijn drie, soms vier auto’s geparkeerd. Al op de eerste dag zijn de kramsvogels verdwenen. Ook de torenvalk kiest kennelijk het hazenpad, net als de hazen zelf. Ik hoor ze niet meer en zie ze niet meer. Maar de mensen genieten van de barbecue, en de kinderen kunnen lekker varen en ravotten in het veld. De merels fluiten in de vroege ochtend, vlak naast hun tent. Die laten zich niet wegjagen. Stil liggen de mensen in hun tenten. Ademloos liggen ze te luisteren, bij het ontwaken. Dat is het beste moment.

Het is heel gewoon. Iedereen doet het, op vakantie gaan. Of fijn met de hele familie of vriendengroep eropuit. Soms ook alleen, naar een ver eiland barstensvol natuur. Je huurt een auto of een scooter en scheurt het hele gebied af. De natuur is heerlijk om in weg te vluchten, om op adem te komen. Je komt aan op een romantisch plekje en je denkt: “Zo is het hier dus.” Maar je weet niet hoe het was voordat je kwam. Je weet niet welke dieren gevlucht zijn omdat jij hier nu bent. Vakantie breekt de sleur. Maar het breekt ook iets anders, en dat is een levende gemeenschap die daar rustig zijn gang ging. Welke paden heb je zonder te weten doorkruist? Je denkt misschien dat je de plek kent, wellicht kom je er elk jaar. Maar je bent en blijft een gast, die eigenlijk maar heel weinig weet.

Het waren best aardige mensen. Toch haal ik opgelucht adem, nu de rust is wedergekeerd. Om mijn huis scharrelen de eenden weer en merels trekken wormen uit de natte bodem. Maar de torenvalken zijn na vier dagen nog steeds niet terug, en ook de kramsvogels niet. Misschien wilden ze toch al weggaan, en was dit wel een goede reden. Misschien komen ze nog terug. De kraaien hebben de plek van de torenvalken weer ingenomen. De hazen hebben zich teruggetrokken in de meest verre rietkragen. Stil sta ik voor het raam en kijk naar buiten. Ook ik ben een passant, te gast op aarde.

.

.

PS: Nog steeds denk ik wel eens aan de rondvaarten die ik vroeger deed. Dat was toch wel heel sympathiek, ook voor de natuur. Heel rustig laat je de mensen alles zien. Versiering met ballonnen daar doen we niet aan en ook harde muziek niet. Alleen akoestisch. De dieren schrikken niet meer, ze kennen de boot. Op het land blijft het rustig. Alles kan gewoon zijn gang gaan. Je houdt de mensen dichtbij elkaar. Je hebt een korte inspirerende ontmoeting, drinkt thee op het terras en dan gaan ze weer. De parkeerplaats is helemaal aan het begin, vlak naast de theetent. De mensen hoeven niet meer helemaal het terrein op. Er is plaats voor zestien auto’s en er staat een hoge heg omheen. Zo zie ik het voor me. Dit zou ik nog steeds liever doen dan een camping runnen. Dit, met mijn schippersverleden in gedachten. Maar ja, ik ben hier te gast!

.

NEDERLANDS

ENGELS

A group arrives at a beautifull wild place, with big tents. With so many stuff, do you still enjoy what lives there? I realize again, we are guests on earth. The simpler you live, the more you see.

Uit en thuis in veranderend land (Home and away in changing land)

.

Liever wonen in een vernield land dat wordt hersteld, dan in een wild paradijs dat wordt vernield.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Ik sta in de nieuwe tuinkas van de zon te genieten, wanneer buurman Jeroen komt aanfietsen. Ik herken zijn silhouet. Zijn blonde haar zit in een staart, zoals altijd. Hij zet zijn vouwfiets tegen een boom en loopt het veld over naar me toe. In de deuropening blijft hij staan. “Zo zeg! Je hebt een hele ruimte erbij! En wat een mooi uitzicht hier.” Je kan goed door de ramen kijken. Ze zijn nog brandschoon. Mijn buurman heeft de bouw niet meegemaakt. Hij is bijna twee maanden weggeweest, naar Amerika. Ik zie hem nu voor het eerst weer terug. “Hoe was het? Ben je blij weer terug te zijn?” vraag ik. “O ja, zeker,” zegt hij. “Toen ik in Canada was had ik het op een gegeven moment wel gehad.”
“O, ben je daar ook geweest?”
“Ja” antwoordt hij “Na vier weken bij Sofie in California ben ik naar Vancouver Island gegaan, met een vriend in de auto.”
“Oei,” zeg ik bezorgd, “daar wordt veel gekapt hè?”
“Ja,” bevestigd hij “De mensen daar menen: O wij hebben hier zoveel, wat maakt het uit….” Triest kijkt hij naar de horizon. “Zo zonde. Zúlke bomen gaan er om!” Hij spreidt zijn armen wijd om een onzichtbare boom, als een postume omarming.
“Ik weet het.” zeg ik. “Ik heb het vorige zomer nog bestudeerd, toen er in die streken 50 graden Celsius werd gemeten. Stukken gelezen, filmpjes bekeken. In de herfst waren er in diezelfde gebieden flinke overstromingen. Hoe zit het met de bomen, dacht ik toen. Kaalkap en verstoringen in het weer hebben veel met elkaar te maken. Het is niet alleen maar een CO2 verhaal.”
Jeroen haalt zijn wenkbrauwen op. “De veranderingen zijn daar in elk geval veel extremer dan hier. Ik kan het niet aanzien, dat die mensen nog geen enkel besef hebben van de enorme waarde van alles wat hen omringt. Al die prachtige wouden… Ik ben blij dat ik weer terug ben.”
Het was in elk geval een opgewekte thuiskomt met goed nieuws. Zijn gezicht verandert meteen van uitdrukking. Vrolijk vertelt hij wat hij gehoord heeft. De Greidhoeke moet een biologische regio worden. Europa heeft geboden dat Nederland veel meer natuurinclusief boerenland moet creeëren. Acht regio’s in Nederland zijn daar gelijk op ingehaakt. Ook bij ons, in de Greidhoeke bundelen de krachten zich. De bodem moet worden verbeterd. Het moet open land blijven, een paradijs voor de weidevogels. Ook Jeroen is daar al heel lang mee bezig, voor zijn werk.

.

.

Jeroen kijkt om zich heen. De kas is pas net klaar. Het witte zand ligt nog op de tegels. “Best groot,” zegt hij, “Dus hier ga je van alles voorkweken. Mooi zeg.” Ik knik. “De stellingkasten en de zaaitrays liggen al klaar. De compost ook.” Ik denk even na, om dan verder te gaan: “Weet je,” begin ik “Ik woon veel liever in een land dat omgeschept, leeggepompt, uitgemolken en verstoord is en waar de mensen werken aan herstel. Dat liever dan wonen in een prachtig wild gebied dat voornamelijk afgebroken wordt. Ik heb gehoord dat ze wel bomen terug planten, maar dat is niet te vergelijken met de reuzen die zijn omgegaan.
“Ja,” zegt Jeroen bedachtzaam. “Wij zitten hier al in een volgende fase.”
“Gelukkig wel…” zeg ik. Het klinkt als een ademtocht. We kijken beide naar buiten. De weiden zijn weids en groen. Straks zullen de halmen weer wuiven, tussen de lichte opgroeiende stammen van pas geplante berkebomen. We maken er wat moois van, langzaam maar gestaag. En ook in Canada zal de natuur herstellen, ooit.

NEDERLANDS:

ENGELS:

Rather live in wasted land thats being restored, than in beautifull wild nature that’s mainly in the proces of being destroyed.

Terug naar de diepe kracht (Back to the deep power)

.

Gemaakt op 21-10-15

.

Om het groene pad van de toekomst in te slaan spreken we de diepe kracht aan, die in elk mens nog steeds is. Laten we niet alleen in abstracte begrippen denken en in termen van technologie, maar de magie terugroepen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath the text.

.

Vaak kan ik me storen aan het begrip “De mensheid”. En vooral als iemand zegt: “De mensheid maakt de wereld kapot. Zo is het en zo is het altijd geweest.” Dat is een zeer beperkte aanname. Sowieso bestaat “De mensheid” niet. Het is een abstract woord. Onze soort is een bonte verzameling van culturen en mensen, die allemaal verschillend met de aarde omgaan. Nu, op dit moment, is de moderne beschaving dominant. Maar duizenden jaren ging het anders en het kan wéér anders. Ik las een boek van Karen Armstrong, “Heilige natuur”, waarin ze ons oproept om dat deel van onszelf aan te spreken dat zich niet afscheidt, maar de verbinding aangaat met de natuur.

“We zijn ondergedompeld in het stadsleven en trekken ons steeds meer terug uit de wereld van de natuur in de richting van de technologie” schrijft Karen Armstrong. “Waar wij een reeks afzonderlijke wezens en verschijnselen opmerken, zien tribale volken een continuüm van tijd en ruimte, waar dieren, planten en mensen allemaal doordrenkt zijn van een blijvende heilige kracht die hen tot een geheel samenbrengt. Duizenden jaren lang, ver voor de ontwikkeling van de stedelijke beschaving, was dit waarschijnlijk hoe de meeste mensen de natuurlijke wereld ervoeren.”
Is dat zo? Moet ik duizenden jaren terug om dat zo te ervaren? Ik dacht het niet. Ik voel het elke dag, als ik haar goed begrijp. De enige voorwaarde is dat ik in de langzame tijd stap. De gewortelde tijd. Niet denken in agenda’s en plannen, maar “Zijn”. De ene dag lukt dat beter dan de andere. Maar elke ochtend neem ik er de tijd voor, door mij onder te dompelen in het Swettewater dat daar al honderden jaren stroomt. Het is een onmisbaar ritueel dat mijn hele dag anders maakt.

De steiger is nat. Op de oude planken groeit mos en ze buigen door als ik erop loop. Even later glijd ik het water in. De wind maakt golfjes. Ze maken me gelukkig. De bruine kleur van omgewoelde modder is verdwenen. Het oppervlak is donker en helder. Er zijn geen boten meer, geen waterscooters, die voorbijkomen. Goddank, de Swette is weer van zichzelf. De dorpelingen zijn de enigen die haar nog bezoeken, ze komen baden in het koude water, net als ik. De Swette is weer van zichzelf en wij horen bij haar. Was het altijd maar zo. Bleven al die anonieme mensen maar rustig thuis, in plaats van overal in volle vaart heen te willen. Ik dompel onder, tot mijn nek net onder water is, mijn hoofd naar voren gebogen. Met mijn gezicht in het frisse nat adem ik uit. Ik voel de belletjes bubbelen tegen mijn huid. Ik voel het water om me heen, dat onmerkbaar langs mij stroomt. Ik geef het water mijn hart mee. Ik geef het aan de visdiefjes in hun snelle duik, aan de vissen en de kikkers. Mijn hart stroomt mee naar het Ijsselmeer. Mensen en dieren drinken het. Het oppervlak verdampt in de zon, tot het dikke wolken zijn, waar het kind naar wijst. Achter het raam drukt hij zijn neus tegen het glas. Het is een dichte motregen, die in vlagen tegen het gezicht slaat. Een oude man fietst stevig door en buigt zich met toegeknepen ogen over zijn stuur. Ik zie ze, allemaal. Ik geef mijn hart aan dezelfde regen die de aarde vochtig maakt. Aan de bomen die het gretig opnemen en hun wortels laten groeien, dieper en dieper. Ik ben één met het groeien en de schepping om mij heen. Langzaam stap ik uit het water, droog me af, kleed me aan, ga terug. Ik loop langs de kleine fruit en notenbomen, die klaar staan om een plek te krijgen. In de kruiwagen staat een plasje. Het begint harder te regenen. De schapen eten door, weer of geen weer. Eentje schudt zijn vacht en de druppels spatten in het rond als kristallen. De reigers staan verspreid tussen hen in. Stil staan ze daar, als standbeelden van deftige heren in loodgrijze pakken. Ze heffen oplettend hun kop als ze me zien. Stil loop ik naar huis.

Nee ik hoef geen foto van ze te maken om te tonen hoe ze er uit zien. Het gaat niet om hoe ze heten en onder welke familie ze vallen. Nu gaat het om meer, om iets anders, iets wat niet zichtbaar is in een digitaal plaatje of vogelboek. Ik kan proberen iets ervan in een tekening uit te beelden. (Zie hierboven). En dan nog blijft er een sluier, die het geheim omhult. Het is de macht die in alles aanwezig is. Het wonderlijk mysterie dat je alleen ziet als je er niet naar op jacht gaat. In het Midden-Oosten was Ilam de schitterende kracht die elke afzonderlijke godheid te boven ging. In India was er brahman, de heilige energie die dieper ging dan de deva’s, de goden die in de natuur aanwezig zijn maar geen macht over de natuurlijke orde hebben. In China heette het tao, de weg van de kosmos. (Karen Armstrong)
Nee, ik geloof niet in een mensheid die het heilige in de natuur niet meer ervaart. Ik geloof dat het ergens in iedereen, nog steeds aanwezig is, de poëzie, het lied van leven, het mysterie. En met elkaar maken we verhalenpaden, paden om de weg weer terug te vinden. Via kennis en rituelen uit het verleden vinden we het groene pad van de toekomst.

Wees weer kind, zie de wonderen. Het komt.

NEDERLANDS:

ENGLISH:

To embark on the green path of the future, we address the deep power that still resides in every human being. Let’s not just think in abstract terms and technology, but recall the magic. (Read also “Sacret Nature” from Karen Armstrong)

https://www.nieuwwij.nl/opinie/recensie-van-de-heilige-natuur-van-karen-armstrong/

WAAR ZIJN DE VERHALEN? (Where are the stories)

.

.

Leven in de natuur is luisteren naar verhalen. Maar als je teveel ideeën hebt hoe iets eruit moet zien, dan zie je niks. .

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst

Do you want to listen to the ENGLISH version? Click the button under the text.

Het is meivakantie, en op de Pôlle staan kampeerders. Er staat een groene tent en er zit een man te vissen op de steiger. Vanaf de andere kant komen twee figuurtjes het Verhalenpad aflopen. Vanaf het grindpad zie ik ze dichterbij komen. Het zijn kinderen, een jongen en een meisje. Ik blijf staan tot ze bij me zijn.

“Hallo, hebben jullie het Pad afgelopen?” Ze knikken. “Ja, we zagen een bordje staan met Verhalenpad. Maar waar zijn de verhalen? We hebben niks gezien. Wel hele diepe kuilen. Dat was vast een hoop werk. De grond was keihard,” zegthet jochie. Nieuwsgierig haal ik mijn wenkbrauwen op. “Hoe ziet een verhaal eruit denk je?” Hij haalt zijn schouders op. “Een bordje met een tekst. Of beelden.” Hij kijkt me schrander aan. Het meisje luistert aandachtig, wanneer ik verder praat. “Tja, dat is er allemaal niet. . . Maar heb je de spinnetjes wel gezien? Het zijn er honderden! Die schrijven de hele dag verhalen, met al die pootjes.” Hij schudt van nee. Niet gezien. Het meisje kijkt me met grote ogen aan. “Ze kruipen in de barsten in de klei. Die zijn daar gekomen van de droogte. In de kuilen kan je ze goed zien. Dat is kale harde grond. Eén voor één vul ik die met water, uit de sloot. Maar denk je dat ze verdrinken? Niks hoor, ze lopen gewoon over het water heen. Het zijn superspinnetjes. Ze kunnen alles en zijn razendsnel.” Hij kijkt verbaasd. “Nee, hebben we allemaal niet gezien!” Het meisje opent nu haar mond. “Zijn het geen schrijvertjes dan, die op het water lopen?” Die kent ze wel. “Nee,” zeg ik. “Ze zien eruit als gewone spinnen. En ze kunnen heel hard lopen. Leuk hoor. Ze drinken water uit de plassen die ik maak. Of ze drinken dauw, in de ochtend. Lang gras vangt veel dauw.” Ze knikken allebei, alsof ze dat al heel lang wisten. “Jullie zijn best slim,” meen ik. “Ik niet,” zegt het meisje verongelijkt. “Ik wel,” zegt de jongen. ”Ik heb Havo-VWO advies gekregen. Dat is best hoog.” Het meisje kijkt onverschillig. Ik vind het maar niks, dat praten over hoog en laag. “Maar jij bent praktisch,” zeg ik tegen haar. “En je weet volgens mij precies hoe schrijvertjes eruit zien.” Haar gezicht klaart op. Ze zegt dat ze mooi kan tekenen. Maar soms wordt ze ongeduldig en dan verpest ze het. We praten nog even verder. Dan verdwijnen ze richting de steiger, terug naar hun vader.

Langzaam loop ik het paadje af, door het lange gras, terug naar mijn wooncocon. Ik denk aan paden die uitgesleten zijn, ideeën die als kale constructies langs de verharde weg staan. Vertellingen die niet meer voor zichzelf spreken, maar zwart op wit moeten staan, anders zijn ze er niet of hebben ze zelfs geen bestaansrecht. Lees en weet, wie schrijft die blijft. Maar hoe meer je denkt te weten, hoe minder je ziet. Aan wie graag hoog de ladder klimt, gaan vele verhalen voorbij. Er zijn kleine vertelsels en soms zijn ze groter dan je kan bevatten. Niet enkele, maar duizenden verhalen zijn het, geschreven door talloze beestjes, bomen, bloemen en zelfs door bergen en rivieren. Sommige gaan zo snel dat ze gelijk zijn uitgewist. Andere zijn verschrikkelijk traag en nemen hele millennia in beslag. Dan besef je niet eens dat het verhaal er is, en nu verteld wordt aan jou. Maar alles ontwikkelt zich verder en steeds weer zijn er nieuwe wendingen. Oefen in breed kijken, en je ziet meer en meer: Verhalen in het web van leven.

Ik zet mijn ene voet voor de andere. Traag verdwijn ik achter de haag van riet, waar mijn huisje staat. De winterkoning fluit zijn lied, pal boven mijn hoofd. En weg ben ik, in mijn wooncocon. Het is weer de dag om woorden te weven. Anders was dit er niet, alles, wat ik nu schrijf. Verhalen die komen en gaan, en op een dag zullen verteren, als blad in de bodem van de herfst. Een bodem vol spinnetjes.

.

NEDERLANDS

.

ENGLISH

They were children. “Yes, we saw a sign with Story Path. But where are the stories? We haven’t seen anything. We saw deep pits. That must have been a lot of work. The ground was rock hard.” Curious, I raise my eyebrows. “What do you think a story looks like?”

Live in nature means listening to stories. When you only use your head, you miss it.

.

Als je mens en natuur van elkaar scheidt, dan wis je verhalen uit. Lees het artikel van Thomas Oudman.

https://decorrespondent.nl/13362/hoe-de-scheiding-tussen-mens-en-natuur-meer-kapotmaakt-dan-beschermt/3419303851458-239fbdc3

.

Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Hoop groeit langs het hazenpad

.

.

.

Ik werk aan het verhalenpad. Een verhalenpad begint waar je bent. Het begint op het moment dat je je niet meer blindstaart op wat je niet wilt, maar kijkt naar wat je wel wilt. (Onderaan het verhaal vind je de link om te luisteren.)

Ik heb eens gezegd dat ik Friesland uit wilde, omdat ik vond dat ik een attractie werd. Nou ben ik er allang achter, het maakt helemaal niet uit waar ik ben. Zodra ik met mijn wagen de straat op ga ben ik al een attractie. Overal. Ik ontkom er niet aan. Als ik daar geen zin in heb, moet ik gewoon niet gaan. Dus dat doe ik ook niet. Niet nu. Ik maak een verhalenpad. Een echte, die je kan voelen en ruiken. Het is een koude dag, maar ik zweet me te pletter.

De ene kruiwagen na de andere rijd ik naar mijn nieuwe landje. Midden in het weiland is een dijkje. Het dient nergens toe, het is grond dat daar ooit gedropt is. Daarnaast is mijn landje. Daar krui ik naartoe. Er zit zand in mijn kruiwagen. Daarstraks was het compost, en gisteren waren het halfwilde prunussen (cerasifera) die ik uitgegraven had. Ik heb ook al kleine meidoorns en vlierstruiken en een sering. Allemaal bomen en struiken voor de houtwal. Ik rij met het wiel over het hazenpad, een kaarsrecht spoor door het gras, waar mijn wiel precies op past. Dat is opmerkelijk. Hazen rennen langs kaarsrechte paden, altijd langs hetzelfde spoor. Toen er sneeuw lag, kon je dat goed zien. Dit pad ken ik goed. Ik zie het vanuit mijn raam. ’s Ochtends vroeg, als er geen mensen zijn, zie ik ze rennen. Ze rennen achter elkaar aan, naar het bosje bij de Swette, naar de oude gevallen wilgeboom en het veilige riet. Nu zie ik de hazen niet. Ze zijn ver uit het zicht. Ik krui de wagen. Het wiel maakt het spoor dieper en dieper. Ik hoop dat de hazen het goed vinden.

Al kruiend maak ik het begin van een verhalenpad. Een pad vol zoemende bijen. Straks wandelen we tussen de bloemen. We plukken bessen, rapen noten en snijden de pompoenen af. Ik zie het al helemaal voor me. Dat moet ook, want voor ik begon was er nog helemaal niks. Het is veel en zwaar werk, maar ik doe het met plezier. Ik laat het aan iedereen zien die wil, en vertel dat het een begin is. Dat het pad op een dag helemaal door loopt, naar de weg. Ergens moet je beginnen. Als iedereen een verhalenpad maakt, dan kunnen we al die paden met elkaar verbinden. Dat lijkt me prachtig. Daarom doe ik dit. Er staat al een heel rijtje bomen en er komen er nog veel meer. Ik werk hard en stel me voor hoe mooi het wordt. En terwijl ik anderen hoor klagen over de beperkingen van deze tijd, groeit bij mij de hoop.

.

Foto’s: Alowieke

.

.

Behoefte aan buitenlucht, aan een frisse neus? Begin in je eigen buurt! Ook in de stad zijn er mogelijkheden. Het kan in je eigen tuin of erbuiten. Je kan natuurlijk ook gaan wandelen in een natuurgebied. Maar daar is het op mooie dagen veel te druk. Het loopt de spuigaten uit. De dieren kunnen nergens meer heen. Door zelf aan de gang te gaan, al dan niet met je buren, creëer je nieuwe leefplekken voor vogels en insecten, zodat ook thuis steeds meer te zien is..

Hoe begin je: https://www.ivn.nl/groendichterbij

Weg met de parkeerplaatsen: https://www.trouw.nl/cs-b7cb2304

Of wordt natuurouder: https://www.ivn.nl/natuurouders

Gratis planten en zaden in Deventer: https://www.stad-en-groen.nl/article/7789/gratis-planten-en-zaden-voor-inwoners-deventer

Lever stenen in voor groen in Den Haag: https://duurzaamdenhaag.nl/activiteiten/operatiesteenbreek

.

Het ontkiemen van verhalenpaden

.

.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook mensen moeten wennen aan iets nieuws.

(Het voorgelezen verhaal staat vanaf nu onderaan de pagina)

De lucht is blauw, de wind van gisteren is gaan liggen. Ik loop de donkere hooischuur in. Hij zit vast aan het huis. De deur naar de gang staat open. Daar moet ik zijn. Ik klop op de deur van de boer. “Ja!” klinkt het luid. De boer zit op zijn stoel, wanneer ik binnenkom. Zijn kachel staat open en is bezig uit te gaan. Dat geeft niet, het is warm voor de tijd van het jaar. De groeihormonen van de bomen beginnen op gang te komen. Daarom ben ik hier. Ik kijk hem helder aan.“Ik wilde het hebben over de bomen. Dinsdag gaan we naar de kweker. Zal ik ook nog twee tamme kastanjes voor je meenemen? Ik hoop dat de bodem er klaar voor is”. De boer heeft nog meer wensen, waar ik mooi op in kan spelen. Ik denk aan de zuurbessen, hazelaars en lijsterbessen. “Ik wil…” zeg ik en slik mijn woorden in en zoek naar andere woorden. Nee, geen ik wil. Het gaat erom waar het land om vraagt. Wat de mensen nodig hebben. Daar ben ik voor. Zelfbewust begin ik opnieuw. “Ik zou graag zien…” verbeter ik mezelf. Hij luistert. Terwijl ik met hem praat besef ik hoe bijzonder het is, dat ik opnieuw het vertrouwen krijg om iets te doen op deze grond.

“Je kan het stuk grond naast het dijkje gebruiken. Het is jouw verantwoordelijkheid. Als je het maar zelf maait.” De boer hoeft niet lang na te denken. Hier heeft hij al vaak over gemeimerd. “Hoe doe ik dat? Moet ik dan geen zeisles nemen?” vraag ik. Hij slaat achteloos met zijn arm in de lucht, alsof hij een maaibeweging maakt. “Ach joh, het gaat alleen om het groffe spul. Vooral riet en natuurlijk de distels. Dat gaat heel makkelijk met de zeis.” Ik schud mijn hoofd. “De distels hoeven niet. Die steek ik uit met penwortel en al,” zeg ik beslist. Dat vindt de boer nog mooier. Hij houdt niet van distels. Helaas voor de vlinders, zegt hij spijtig. “Voor de bijen en vlinders zaaien we graag wat anders” antwoord ik. Ik kan al bij voorbaat genieten van het wildebloemenmengsel, de meerjarige luzerne, al dat paars tussen het gras, en de zonnebloemen die we zullen zaaien.

We praten nog even verder en verkennen de mogelijkheden. Ik beheers me om niet te enthousiast te worden. Het groeihormoon kietelt. Maar hardlopers zijn doodlopers. De grond moet er klaar voor zijn en de mensen ook. Het is niet de bedoeling dat ik in mijn eentje fanatiek ga lopen worden. Ik wil er het komende jaar vooral veel zijn, veel kijken, en selectief wieden. Grote bomen komen later wel. Ik glimlach en bedank hem, dat ik dit mag doen. Hij grijnst tevreden en knikt. Het gebeurt niet elke dag, dat hij wordt bedankt. Ik heb herhaaldelijk gezien dat mensen steeds meer grond in gebruik nemen, bijna alsof ze er recht op hebben. Ik ben niet van plan om steeds meer spullen neer te zetten in schuurtjes en opslagplaatsen rond mijn huis. Ik ben een gewortelde nomade. Liever laat ik levende planten groeien, waar alles en iedereen nog jaren van kan genieten als ik allang weg ben. Het hoeft niet van mij te zijn. Liever niet zelfs.

Als ik de deur van de boer dichtdoe, sta ik opnieuw in de donkere stoffige hooischuur. Even sta ik stil, mijn voeten op het beton. Ik krijg de verantwoordelijkheid. Ik weet wat dat betekent. O ja! Pak het niet te groot op. Begin klein en doe het spelenderwijs. Laat mensen zelf kijken en zin krijgen. Linde, als eerste. Linde die het zo hard nodig heeft, om buiten in de natuur te werken. Ze geniet er zo van. Stap voor stap ontdekken we. Alles wat er groeien gaat. Van binnen en van buiten.

Ik ben een gewortelde nomade. De wortels groeien dieper en dieper. Ik ga hier pas weg als ik klaar ben. Als ik geroepen word. Maar nu roept de bodem mij, onder de voeten. Het wil gezien worden, en bezongen.

De bodem heeft tijd nodig om te kunnen ontvangen. En ook de mensen moeten wennen aan iets nieuws. Daar denk ik steeds weer aan. Er is veel tijd. Ik hoef me niet te haasten. En al die tijd kunnen we spelen en genieten! Als gewortelde nomade ben ik begonnen met liedjes schrijven. Ik denk dat het gaat over de verhalenpaden, die langzaam zullen groeien. De bloemen, de bomen, de dijk, de grond. . . de stenen, de beelden. . . Zijn dit niet dezelfde “Songlines” waar de Australische aborigionals over spreken? Begint een nieuwe wereld niet met het lied van de verbeelding? Wij mensen zijn scheppers, zei ooit een boer tegen mij, die de omslag maakte. Daar denk ik nu aan. Maak van de kanteling een dans, en zing!

.

Luister hier naar het verhaal.
Luister hier naar het lied: “Wilgeboom, de eerste van de bomen.”

Ontmoeting bij de sloot

.

Slootobservatie

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5 minuten.

Het is midden op de dag en het is warm. Ik ben in een bosrijk gebied en vind daar verkoeling op een smal pad tussen de bomen. Ik heb mijn fiets aan de kant gezet. Op blote voeten loop ik in het gras, dat langs het smalle pad loopt. Het gras is lang en voelt stug aan. Er zijn zanderige plekken. Een stukje verder ligt een sloot. Ondanks de langdurige hitte, staat er nog steeds water in. Het is helder. Het licht van de zon schijnt tot op de modderige bruine bodem. Ik hurk en ga op mijn kont zitten, mijn benen bungelen langs de rand van de sloot naar beneden.
Er is veel te zien. De lichtvlekken van de zon lijken wel van goud, en dansen mee met de bladeren erboven. Kleine zwarte dropjes krioelen over het oppervlak, als botsautootjes die elkaar nooit raken. Het lijkt alsof ze op stokjes staan, waar moerashanden onder water mee spelen. Dat zijn hun schaduwen. De zon staat hoog aan de hemel en speelt spelletjes met de kleine watervlooien. Het licht glinstert in de stroom. Waterplanten bewegen zachtjes heen en weer. Er hangt iets aan de donkergroene massa, wat ik nog nooit heb gezien. Het zijn modderige netjes, in vorm van een saxofoon. Ik zie er wel tien, grote en kleine. De wijde opening is gemaakt aan de kant waar de stroom vandaan komt. Wat is dit? Wie woont daar? Of is het voor de kleintjes? Ik weet het niet. Ik hoor voetstappen.
Achter mij loopt een man. Het is de man van gisteren. ‚Hee, dag Henk!’ Hij kijkt verbaasd. ‚Je kent mijn naam, hoe kan dat?’ ‚Heb ik onthouden,’ zeg ik trots. ‚Ik probeer alle namen te onthouden van de mensen die ik ontmoet. Het lukt niet altijd.’ Henk kijkt alsof hij het maar half hoort. ‚Zeg, waar we het gisteren over hadden hè, dat Nederland helemaal in stukjes wordt geknipt. Ik moest daar nog aan denken.’ Hij staart tussen de bomen door naar het weiland er achter. ‚We zijn zo dom. Waarom maken we bij Leeuwarden een weg voor ons eigenbelang? Zonder aan de dieren te denken? De Haak noemen ze het. Het is zo erg. Dit was het gebied van hazen, reeën en kieviten. Alles werd doodgereden.’ Hij kijkt verdrietig naar de grond. Maar niet lang. Dan licht hij zijn hoofd op en kijkt me aan. ‚Waar ga je heen?’ vraagt hij opgewekt. ‚Weet ik nog niet.’
Hij wil me graag alles vertellen. Er is een muurschildering die ik moet zien in Steggerda. En hoe bijzonder het is, die man die een kasteel bouwt aan de Blesdijke. Het is zijn levenswerk. Daar moet ik echt eens heen. Maar voor vanmiddag is de route om de Tjonger mooi om mee te beginnen. Hij legt me precies uit hoe ik moet rijden. Dan nemen we afscheid.

Wat zijn de mensen toch vriendelijk. Vooral als je iemand, tot zijn verrassing, bij de naam noemt.

.