Een nooit vergeten blaadje

Een nooit vergeten blaadje.
Ik ben in Middelbeers en heb mijn fiets neergezet bij het kaartenwinkeltje. Niet op slot. Hier in het dorp kan dat best. Ik geniet er nog steeds van. Ik loop naar binnen. „Heb je ook postzegels?” vraag ik aan de man. Hij is van mijn leeftijd en hij kijkt vrolijk.
“Nee, daarvoor moet je naar het postkantoortje in de Boerenbont. Woon je nog steeds in die pipowagen bij Haghorst?”
“Ja, daar zit ik nog steeds. Ik leer van alles. Zoek ook eetbare planten die hier thuishoren en in het wild overleven. Die kweek ik op in mijn tuin.”
Hij vertelt over zijn vakanties in Bali. Dat die mensen niet persé naar de supermarkt hoeven, want er is overal wel eten te vinden. “Hier is dat niet”, zegt hij spijtig. En hij praat over zijn tijd bij de scouting, lang geleden. Toen aten ze wilde spinazie. Plukten ze zo van de grond. “Mensen kijken me dan zo vreemd aan, als ik dat vertel.” zegt hij.
“Wat was dat dan voor spul?” vraag ik nieuwsgierig. Want mensen noemen al gauw iets wilde spinazie. Hij pakt een pen en een stukje papier en tekent een langwerpig blaadje. “Nou zo ongeveer”, Zegt hij en hij laat het me zien.
“Hoog?”
“Nee laag.”
“Bloemen?”
Nou dat wist hij allemaal niet meer. Het was al zo lang geleden.
“Maar het blaadje weet je nog wel! Als ik het weet dan ga ik er misschien iets mee doen.”
“Ja,” zegt hij en staart in de verte. “Als ik dit winkeltje niet had, dan deed ik misschien ook van die dingen. Maar ja,” zegt hij dan resoluut. “Het is goed, dat iedereen wat anders doet.”
Ik lach. Ja, dat denk ik ook.
“Nou dan ga ik weer, bedankt!”
“Okee, houdoe hè!”

Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.

Maar groente komt toch uit de kas?!

.

e2-bk-randje-dra

Ik heb net de Smeerwortel water gegeven, die ik een tijdje terug in de berm heb geplant. Ik wilde hem graag in mijn buurt, het jonge blad is lekker om te roerbakken, en het is een prachtig kruid, ontstekingsremmend, verzachtend en genezend. Het zit tjokvol voedingsstoffen, en bevat twee keer zoveel kalium als stalmest. Dat zouden de boeren moeten weten, die ze rigoreus hun land uit werken. Tussen Esbeek en Haghorst is er maar een enkele te vinden.
Ik kijk nog eens tevreden naar mijn plant, hier tussen het nogal eentonige gras onder het jonge boompje. Hij doet het goed. Er zit een bijtje op. Een dikke wollige bij. Bijen houden ook van Smeerwortel. Hij kruipt in alle bloemetjes. Mijn fiets staat er naast, met een karretje eraan vast. Daarmee ga ik nog meer Smeerwortels halen, tien kilometer verderop, helemaal voorbij Esbeek. Daar staan er veel. Er komt een groep jongens voorbij, ook op de fiets. Eentje vraagt in het voorbijgaan wat ik doe. “Dit is een plant voor de bijen, die hebben hier helemaal niks te eten!” roep ik hem na. “Wat zou dat dan?!” roept hij verongelijkt, vanuit de verte.
Even later heb ik de groep ingehaald. “Gaat u nou dat hele eind fietsen voor een plánt?” vraagt hetzelfde jongetje. Ik houd vaart in en kijk hem aan. Hij is bijna thuis. De school is in Oirschot, thuis is in Diessen, vertelt hij. Dat is een heel eind. Toch begrijpt hij niet dat iemand het er voor over heeft om hetzelfde eind te trappen voor een plant. Ik leg hem nog eens uit waarom. “We hebben de bijen nodig voor de bestuiving, anders groeit er geen fruit en ook andere dingen niet.” “Maar groente en fruit komt toch gewoon uit een kas?” vraagt hij dan. “Heel veel niet”, zeg ik. “En overal in de natuur zijn bijen nodig. Ik wil niet alleen bijen in eigen tuin, ik wil overal bijen. En ik vind het zo leuk, dat gezoem van die beestjes…” zeg ik genietend. Hij lacht.

 

.

 

Ik geef ze weg

.

Hubbard pompoenplantje.

Het regent dat het giet. Dat is fijn voor de tuin, want er valt een hoop in te halen. De planten mogen nog best een stukje groeien van mij. Ik ben hard aan het werk geweest, er is nu veel te wieden. En niet alleen in de tuin is er werk, ik kweek ook zaden op in kleine kasjes. Ik heb ze gemaakt van houten groentekistjes, tegels, plastic, een oude ruit, een deur met een barst in het glas. Er zijn nu een heleboel planten opgegroeid. Pompoenen, citroenkomkommers, courgettes, blauwschokkers. Het zijn er veel meer dan er in mijn tuin passen. En de doos met zaden is nog lang niet leeg. Ik wil ze weggeven. Vooral de planten en zaden die je niet in elke winkel kan kopen. En ik hoop dat mensen ze ook weer doorgeven.
Dus wat ik graag wilde, dat gebeurde. Deze week gaf ik de eerste plantjes weg. Het was een spontane ontmoeting. Op een mooie zonnige dag fietste ik een stukje op met een man uit Moergestel. Hij had altijd en de stad gewoond en vertelde blij en trots dat hij vorig jaar voor het eerst zijn eigen aardappelen had geoogst. Hij wilde best een stukje omrijden voor een paar plantjes. Planten met een verhaal, dat zijn de mooiste, vond hij.
Ik heb de man uit Moersgestel een komkommerplantje en een pompoenplant gegeven. Het Is een Hubbard, die straks knoeperds van pompoenen maakt. De grond waar hij zoveel plezier in had lag pal achter zijn huis. Het was van de gemeente , maar die deed er niet veel mee en dus ging hij lekker zijn gangetje daar, op die veertig vierkante meter. Hij had ook aardpeer gekregen van iemand. `Nog nooit van gehoord , zei hij, maar ze groeiden goed. Het begrip stadslandbouw was hem vreemd. Maar de beste man begint gewoon. Omdat de kans er is, pal naast zijn huis nota bene. En het gebeurt steeds meer, want gemeenten hebben steeds minder geld voor onderhoud. Een goeie zaak. Grond in bruikleen geven aan burgers. Ik heb hem gevraagd het zaad van de planten door te geven. Dat vond hij vanzelfsprekend. Veel mensen vinden het leuk, zaden en plantjes ruilen. Ook deze man hield ervan. Het is gezellig. En als mensen steeds vaker met elkaar gaan kletsen hoe ze hun zaad vermeerderen en hoe ze hun composthoop bijhouden, dan ziet de wereld er al heel anders uit.

Ik wilde alleen dat ik hem iets meer had verteld over de plant, de verzorging en het zaad. De volgende keer geef ik er een verhaaltje bij. Het zou leuk zijn de man op de fiets nog eens terug te zien. Hier, bij Juffrouw Kolibri.

Wij doen niks meer

.

Heilig en stil als marmer

.

Ik loop naar de kassa van de C1000 in Middelbeers. Ik heb honing en rijstemelk in mijn mandje, voor de koffie. En fruit, want dat was op. Ik ben moe. Gisteren heb ik zestig kilometer gefietst, om acht vierkante meter Red Cedar op te halen, helemaal voorbij Helvoirt. Het zijn schroten, voor de kast die ik ga bouwen, voorop de wagen. Dwars door de Campina ging de tocht, met mijn fietskarretje. Dat zijn een hoop bochtjes op smalle paadjes. Het ging best. Heb de twee meter lange stapel maar eenmaal opnieuw hoeven aansjorren. Dat was gisteren. Toen was ik niet moe. Dat kwam vandaag pas.
Ik kijk vermoeid welke kassa ik zal nemen. Ze zijn allemaal in werking. Het gepiep dat er vandaan komt, maakt me dof en onverschillig. Net als een oud wijf die niks meer hoeft en niks meer wil. Op dit moment ben ik helemaal niet de levenslustige vrouw van 48, die net een nieuw leven is begonnen. Ik wil het liefst zo snel mogelijk de winkel uit. Maar eerst moet ik in de rij staan. Daar ontkom ik niet aan.

Voor me staat een vrouw van tegen de zestig, met geverfd haar. Ze heeft een lange rok aan van ruwe ongebleekte katoen en bloemen erop geborduurd. “Mooie rok heeft u aan.” zeg ik. Ik vind het leuk dat er toch nog iets moois te zien is hier. “Dank je! “ zegt ze, “Hij is al zeker tien jaar oud. Maar wij verslijten niet zoveel meer hè?” Ik kijk haar niet begrijpend aan. “Op onze leeftijd,” zegt ze “Wij doen niet zoveel meer”. Ik grinnik. “Ik verslijt nog best wel eens wat,” zeg ik en ik denk aan de maillot, die ik gisteren nog gemolestreerd heb door er mijn haakse slijper in te zetten, tijdens een staalborstelkarwei. Er was niet veel van over, maar mijn been zat er gelukkig nog aan. Ik heb toch maar even mijn zaagbroek aangetrokken. Ik knik begrijpend en geef dan eindelijk antwoord. “Ach nee, zoveel doen wij ook niet meer.” Ziet ze het, de glinstering in mijn ogen? Ik geloof van niet.

Het is een mooie dag

 

.

Roemenië, 2012

 

Het is een mooie dag. De grootste hitte is voorbij, ik loop naar de beek, verscholen achter de bomen. Lola de hond blijft bij het huis. ik ben nog net  teveel een vreemde voor haar. Ik heb plastic schoenen meegenomen van Anet, die draagt ze in de beek om de stenen niet te voelen. Ik loop stroomopwaarts door het water en doe de plastic schoenen maar gauw weer uit. Veel lekkerder. De bodem van het beekje is soms zand, veel stenen en soms wat modderig, in de buurt van de wilgenbomen. Ik laat de modder lekker tussen mijn tenen sijpelen en balanceer op de stenen. Hoe langer ik loop hoe meer ik zie. Af en toe kom ik een blok leem tegen van een bijzondere kleur, groen of gelig. Ik zie een vogel aan het water die ik niet kende, ik had hem vanochtend ook al gezien. Ik ken nog maar zo weinig..! Het leek een kruising tussen een eend en een reiger.
Verderop is de oever afgekalfd, door hoog water. Het water komt soms wel twee meter hoog zie ik aan de plantenresten die in de wilgen hangen. Hier beginnen de velden, hooi is opgestoken en de mais staat er mooi bij. Ik ben blij de velden te zien. Het huis van Anet ligt in een soort kom, omringd door dicht geboomte. Thuis woon ik ook in een kom, maar dan van stenen huizen. Ik wil ruimte, de velden in, omhoog.

Ik klim de hoge zandwand op, om op de oever te komen. Het gras is net gemaaid. Ik trek de plastic schoenen weer aan tegen de harde stoppels en loop over het gras tussen twee maisvelden door. Aan het einde is een stenige zandweg. Ik steek over om verder de heuvel op te klimmen. Ik loop door een schitterende bloemenweide, zoemend van bijen en insecten. Als ik opkijk om te zien hoe het pad verder loopt, zie ik in de verte een paard grazen. Verderop zit een man op een kleine wagen. Buna Zuia, zeg ik en de man zegt hetzelfde en vraagt waar ik heen ga. “Kijken” zeg ik “boven”. Hij vraagt waar ik vandaag kom. “Ultima casa” zeg ik en vertel hem in gebrekkig Roemeens hoe mooi ik die bloemenweiden vond. Hij lacht en ik maak kenbaar dat ik weer verder ga.
Ik loop verder. Kleine appelbomen, gemaaide velden en overal hoopjes afgehakte jonge boompjes. Het bos begin een aantal meters verderop alweer uitbundig te groeien en de vele kleine acacia’s moeten flink in toom worden gehouden. Al ik bijna de top van de heuvel nader word ik verrast door een steile aflopende helling aan de andere kant. Ooit moeten hier zandverschuivingen zijn geweest. Het enige wat op deze afgrond groeit zijn beukenbomen, die hoog en meterslang de lucht in moeten schieten om bovenin blad te kunnen maken. Ik ga zitten om te kijken.

Dan ga ik verder de heuvel op. Ik hoef steeds minder te klimmen en er staan steeds meer eiken van grote omvang. Eromheen is het gras pas gemaaid. Bovenop de berg ontvouwt zich, tot mijn grote verrassing, een vlakte. De eiken zijn hier nog mooier. Ik loop een stukje over de vlakke top en wil net teruglopen als me iets merkwaardigs opvalt. Verderop houdt de grond opeens op en zie ik alleen maar lucht. Ik ga erheen en vergeet even adem te halen. Voor mijn voeten ligt een afgrond van wel dertig meter of meer, zoiets heb ik nog nooit gezien. In die enorme muren van zand vliegen tientallen zwaluwtjes heen en weer. Het is verder stil en ik zie niemand. Ik kan heel ver kijken, ver over de beboste heuvels. Ik zou willen dat ik hier mijn hangmatje op kon hangen en kon blijven slapen. Ik blijf lang staan kijken, tot ik met tegenzin verder ga. Ik zie ook bossen riet, wat gek, zo bovenop de heuvel is een klein vennetje. Er moet hier leemgrond onder zitten of zoiets.  Er staan een paar koeien bij te drinken.Terwijl ik er heen loop hoor ik hondengeblaf. De herder die erbij hoort komt naar me toe en houdt de honden op een afstand. Ze willen graag bijten zegt hij. Ook hij wil weten waar ik vandaan kom en waar ik heen ga. Ik ga weer terug nu, wijs ik ” Pe drum.” Verderop kijkt de andere man op de wagen me alweer glimlachend tegemoet. Hij vraagt van alles. Hoe oud ik ben, wat ik vanavond ga eten en hoeveel een brood in Nederland kost. Hij bekruizigt zichzelf bij het horen van die prijs en zegt dat je hier maar een lei betaalt. Dat is iets minder dan twintig cent.
Ik kijk naar zijn paard en vraag hoe hij heet. “Carl” zegt hij. Ik mag zijn wagen bewonderen en zijn gereedschap. Hij vraagt of ik morgen weer wil komen om te zien hoe hij het hooi bijeen harkt. Verderop  is ook nog weide die hij beheert. Ik knik blij. Dus morgen vroeg op en dezelfde weg weer vinden. Ik hoop dat ik hem terug zie. Dat weet je maar nooit hier.